CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 18 Ruimtelijke Ordening (23) 2. Toelichting regels bp 150 kv kabelverbi

RAAD 20 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan 150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer VN2023-01588320.507 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de bovengrond zijn daarnaast licht verhoogde waarden met PFOS en/of PFOA aangetoond. De aangetoonde waarden overschrijden de voorlopige achtergrondwaarden echter niet. In de bovengrond is geen asbest aangetoond. De ondergrond is, met uitzondering van de ondergrond ter plaatse van boring Mb-41, maximaal licht verontreinigd met zware metalen, PAK en/of minerale olie. De ondergrond ter plaatse van boring Mb-41 is sterk verontreinigd (>interventiewaarde) met PAK. Dit verhoogde gehalte is gerelateerd aan bodemvreemd materiaal in de bodem. De verontreiniging is in zowel de horizontale als verticale richting voldoende afgeperkt. De verontreiniging beperkt zich enkel tot de baksteenhoudende bodemlaag nabij boring Mb-41 (0,8 - 1,3 m -mv). Omdat er sprake is van een hoeveelheid <25 m3 is hier geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de ondergrond zijn daarnaast lokaal licht verhoogde waarden met PFOS en andere PFAS aangetoond. De aangetoonde waarden overschrijden de voorlopige achtergrondwaarden echter niet.

Gemeente Amsterdam

blz. 36

Het grondwater ter plaatse van het tracé is maximaal licht verontreinigd. De onderzochte waterbodem is niet verontreinigd. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor het onderzoekstracé opgestelde hypothese 'onverdachte locatie' strikt genomen niet juist is doordat er (plaatselijk) licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en/of minerale olie zijn aangetoond in de boven- en ondergrond. Gezien de aangetoonde relatief lage gehalten is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Vanwege de afwezigheid van asbest is ook geen vervolgonderzoek naar asbest noodzakelijk. De sterke verontreiniging met PAK in de ondergrond ter plaatse van boring Mb-41 is voldoende onderzocht. Omdat er sprake is van een hoeveelheid kleiner dan25 m3 is hier geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het gaat hier om een plaatselijke verontreinigingskern. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er voor de aanleg van het kabeltracé vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan de geplande werkzaamheden. 4.3.3

Conclusie

Het aspect bodem is geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.4

Ecologie

4.4.1

Wet- en regelgeving

Vogel- en Habitatrichtlijn De natuurbescherming is onderverdeeld in gebiedsbescherming en soortbescherming. De gebiedsbescherming vindt plaats via de Vogel- en Habitatrichtlijn, richtlijnen voor Natura 2000. Deze richtlijnen zijn uitgewerkt in nationale wetgeving en dus niet rechtstreeks van toepassing.

Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 vervangt de Wet Natuurbescherming de Flora & Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving het uitgangspunt. Dat is niet alleen van belang vanwege het feit dat Nederland is gehouden tot nakoming van zijn internationale verplichtingen, maar ook, omdat de Europese regelgeving een hoog beschermingsniveau van de natuur verzekert, hoger dan de bescherming die vóór de totstandbrenging van de Europese kaders werd geboden door de nationale wetgeving. Met het oog op een goede doorwerking van de Europese beschermingskaders en maximale duidelijkheid voor burgers, ondernemers en overheden is ervoor gekozen de kern en reikwijdte van de Europese voorschriften op herkenbare wijze op formeel wetsniveau te regelen. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd.

De verschillende onderdelen van de wettelijke regeling (te weten de regelingen inzake de bescherming van gebieden, van soorten en van houtopstanden) zijn beter afgestemd op elkaar en ook op de voornemens ten aanzien van het omgevingsrecht, onder meer op het punt van procedurele integratie van plannen en besluiten inzake gebiedsontwikkeling. Het instrumentarium voor de aanpak van illegale handel in dieren en planten van beschermde soorten, illegale handel in producten daarvan en handel in illegaal geproduceerd hout of producten daarvan wordt met dit wetsvoorstel versterkt. De normen en maatregelen als voorzien in dit wetsvoorstel strekken tot

bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 37

de bescherming van de kernnatuurwaarden en de houtopstanden. Zij staan niet op zichzelf, maar maken deel uit van veel groter maatregelenpakket gericht op de bescherming van natuurwaarden en het tegengaan van biodiversiteitsverlies. De taken en verantwoordelijkheden worden in het wetsvoorstel zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd, overeenkomstig het uitgangspunt 'decentraal tenzij'. Eén van verantwoordelijkheden van de provincie is Natuurnetwerk Nederland een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Een belangrijk criterium in de wet is 'gunstige staat van instandhouding van een soort'. Daarvan is sprake als: uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. 4.4.2

Onderzoek

Ten behoeve van de ondergrondse 150 kV-kabelverbindingen Vijfhuizen-Nieuwe Meer zijn een aantal onderzoeken uitgevoerd. De relevante onderzoeksrapportages zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Het betreft de volgende onderzoeken. In het kader van bescherming van omliggende natura2000 gebieden, is een berekening van mogelijk stikstofdepositie uitgevoerd. Een verslag van hiervan, inclusief de rekenresultaten volgens het rekenprogramma AERIUS Calculator, is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd.

In 2020 heeft een verkennend natuuronderzoek (Bijlage 5) plaatsgevonden, waarbij een eerder uitgevoerde vooronderzoek uit 2019 (Bijlage 6) ook is betrokken. Vervolgens is voor specifieke florasoorten een nader onderzoek (Bijlage 7) uitgevoerd, evenals een bomeninventarisatie (Bijlage 8 en Bijlage 9). De rapportages van het verkennende en aanvullende natuuronderzoek zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Bovendien is ook een ecologisch werkprotocol opgesteld voor de rugstreeppad (Bijlage 10). Deze is eveneens als bijlage bij deze toelichting bijgevoegd. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de genoemde onderzoeken betrekking hebben op het volledige (nieuw aan te leggen) ondergrondse kabeltracé tussen Vijfhuizen en Nieuwe Meer. Het plangebied in dit bestemmingsplan, de kabelverbindingen tussen de Ringvaart en het station Nieuwe Meer, maakt hiervan deel uit. Het overige deel, betrekking hebbend op het grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer, maakt geen deel uit van dit bestemmingsplan. Hiervoor zal door de gemeente Haarlemmermeer een eigen planologische procedure worden doorlopen. Conclusies die specifiek betrekking hebben op het grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer worden derhalve buiten beschouwing gelaten. De belangrijkste resultaten en conclusies uit de onderzoeken worden hierna samengevat weergegeven.

Gebiedsbescherming Natura 2000

Gemeente Amsterdam

blz. 38

Het nieuwe tracé voor de ondergrondse hoogspanningsverbindingen ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden en maakt geen deel uit van het leefgebied voor kwalificerende habitat- en/of vogelrichtlijnsoorten van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft 'Kennemerland-Zuid', op een afstand van circa 6,5 kilometer ten zuidoosten van het tracé. Verder is het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan' gelegen op een afstand van circa 8,5 kilometer van het tracé (en ruim 11 kilometer ten noordwesten van het plangebied in voorliggend bestemmingsplan). Gelet op de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, de relatief kleinschalige aard van de voorgenomen ingreep en het sterk verstedelijkt gebied dat tussen het tracé en de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ligt, zijn directe negatieve effecten op voorhand uitgesloten. Er is geen noodzaak voor het uitwerken van een Voortoets. Effecten van stikstofdepositie worden niet verwacht, maar in het natuuronderzoek wordt aangegeven dat deze verwachting gestaafd dient te worden met AERIUS-berekeningen.

Figuur 12 - ligging van het tracé ten opzichte van Natura 2000 gebieden (bron: Verkennend natuuronderzoek, bewerking mRO)

Geconcludeerd wordt dat de realisatie van de ondergrondse hoogspanningsverbinding geen significant negatief effect heeft op de Natura 2000-gebieden. Het plan is uitvoerbaar en het voornemen kan verder in procedure worden gebracht.

Stikstofdepositie In navolging van het advies uit het verkennend natuuronderzoek zijn stikstofdepositieberekeningen

bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 39

uitgevoerd (Bijlage 4) voor de aanlegfase van de ondergrondse hoogspanningsverbinding. De zogenaamde gebruiksfase is niet berekend omdat er, nadat de leidingen zijn aangelegd, geen stikstofemissies en -effecten zijn als gevolg van de ondergrondse hoogspanningslijnen. Uit de berekening komt naar voren dat er voor de aanlegfase geen toename van de stikstofdepositie plaatsvindt (0,00 mol/ha/ja). Er treden geen negatieve effecten op in stikstofgevoelige habitattypen en/of stikstofgevoelige leefgebieden als gevolg van de inzet van materieel en bouwverkeer naar de werkzaamheden voor de ondergrondse hoogspanningsverbinding. De conclusie is dan ook dat er geen significant negatieve effecten op de Natura2000-gebieden plaatsvinden en het plan uitvoerbaar is en verder in procedure kan worden gebracht.

Soortenbescherming Planten (Flora) Er zijn soorten te verwachten binnen de invloedssfeer van het tracé die beschermd zijn onder de Wnb en die door de werkzaamheden mogelijkerwijs negatief beïnvloed worden. Het betreft groeiplaatsen van dreps, naakte lathyrus en kartuizer anjer en wellicht andere beschermde soorten met dezelfde biotoopeisen, zoals glad biggenkruid. Hierbij zijn de aandachtslocaties met name de in- en uittredepunten van de gestuurde boringen en de locaties van de werkwegen evenals de locaties waar open ontgravingen zijn voorzien. Aanvullend onderzoek naar beschermde planten is noodzakelijk. Dit dient te worden uitgevoerd in de bloeiperiode van deze soorten, welke loopt van mei tot augustus. Dit aanvullende onderzoek is inmiddels uitgevoerd (Bijlage 7), waarbij het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. De onderzochte locaties in relatie tot het plangebied zijn in navolgende weergegeven.

Figuur 13 - Locaties van de inventarisaties (rode cirkel), op locaties waar open ontgravingen (blauwe lijn) plaats vinden binnen het tracé (gele lijn) (bron: Aanvullend natuuronderzoek, Sweco) Gemeente Amsterdam

blz. 40

Er zijn tijdens de inventarisatie van het aanvullende onderzoek geen groeiplaatsen gevonden van naakte lathyrus, dreps of kartuizer anjer, noch van overige beschermde plantensoorten. Aangetroffen soorten betroffen, verspreid over het tracé, voornamelijk algemene, veel voorkomende soorten. Daarmee is aangetoond dat er geen groeiplaatsen van beschermde flora aanwezig zijn op de locaties van de open ontgravingen en de werkgebieden van de gestuurde boringen. Met de aanleg van het kabeltracé worden dan ook geen verbodsbepalingen vanuit de Wnb overtreden. Er is geen noodzaak tot het nemen van maatregelen met betrekking tot beschermde flora en er is geen sprake van ontheffingsplicht. Zodoende is er tevens geen noodzaak tot het opstellen van en het werken volgens een werkprotocol ten behoeve van beschermde plantensoorten.

Vogels Er zijn geen indicaties aangetroffen binnen de (omgeving van) het tracé, die duiden op de aanwezigheid van jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen. De houtopstanden en houtwallen langs het tracé zijn wel geschikt om te fungeren als broedplaats voor algemeen voorkomende broedvogels. Ook op delen van het tracé door akker- en weilanden zijn geschikte broedlocaties voor grondbroeders. Geadviseerd wordt derhalve om de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van half maart tot augustus) uit te voeren en aantasting van bosschages geheel te vermijden. Indien dit niet mogelijk is, dient het werkterrein vóór de start van het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden en dienen de te kappen bomen te worden gecontroleerd op aanwezigheid van nesten.

Vleermuizen Diverse bomen langs het tracé hebben mogelijk een functie als voortplantings- en rustplaats voor vleermuizen. Het is tevens mogelijk dat vleermuizen foerageren binnen de groenstructuren en bomenrijen langs het tracé en dat deze tevens een functie hebben als vliegroute. Het tracé wordt echter grotendeels aangelegd door middel van gestuurde boringen, waardoor er geen sprake zal zijn van aantasting. Het tracé is verder weinig aantrekkelijk als foerageergebied voor vleermuizen. Gesteld wordt dat aanvullend onderzoek ten behoeve van vleermuizen niet noodzakelijk is, mits er geen sprake is van bomenkap. Wanneer het toch noodzakelijk is bomen te kappen, dienen de te kappen bomen nader te worden onderzocht op hun functie voor vleermuizen.

Grondgebonden zoogdieren Met name in de omgeving van Nieuwe Meer zijn meerdere landschappelijke elementen aanwezig (zoals bosschages, houtwalletjes, slootjes en (kleine) waterlichamen) die geschikt habitat vormen voor kleine marterachtigen. Mogelijk dat het tracé deel uitmaakt van het leefgebied van kleine marterachtigen. Doordat het tracé voor het grootste deel door middel van gestuurde boringen wordt aangelegd, is enkel sprake van aantasting van dit mogelijke leefgebied op de locaties van de open ontgravingen. Het betreft echter slechts een relatief klein deel van het totaal aanwezige geschikte habitat dat tijdelijk wordt aangetast. Dit deel is tevens niet essentieel, doordat in de omgeving ruimschoots soortgelijk habitat aanwezig is. Blijvende negatieve effecten op kleine marterachtingen zijn op voorhand uitgesloten. Ook worden algemeen beschermde (vrijgestelde) zoogdieren verwacht. Voor deze soorten geldt echter een vrijstelling van ontheffingsplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen. bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 41

Nader onderzoek naar grondgebonden zoogdieren wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Amfibieën en reptielen Er bevindt zich binnen het plangebied geen actueel biotoop voor amfibieën en reptielen die beschermd zijn conform de Wnb. Er zijn echter wel waarnemingen van de soort bekend uit de omgeving van het plangebied. Als gevolg van ontgravingswerkzaamheden kan geschikt biotoop ontstaan voor de rugstreeppad. Er wordt geadviseerd om in afstemming met een deskundig ecoloog preventieve maatregelen te treffen om mogelijke kolonisatie tijdens de uitvoeringswerkzaamheden te voorkomen. De rugstreeppad is namelijk een pionierssoort van terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek; bouwterreinen en graaflocaties zijn derhalve ideaal leefgebied. Wanneer de soort zich vestigt, loopt de projectplanning mogelijk vertraging op, of worden onverhoopt verbodsbepalingen uit de Wnb overtreden. Om dit te voorkomen is een ecologisch werkprotocol opgesteld (Bijlage 10) waarin maatregelen worden beschreven die het ongewenst vestigen van rugstreeppad op de werklocaties binnen het tracé verhinderen. Daarnaast worden maatregelen beschreven die negatieve effecten op beschermde vrijgestelde (fauna) soorten zoveel mogelijk doen voorkomen. Op deze wijze wordt ook aan de algemene zorgplicht voldaan. Hiervoor wordt verwezen naar de bijlage bij deze plantoelichting.

Overige fauna (vissen) Het voorkomen van overige beschermde soorten (vissen/ ongewervelden) worden vanwege het ontbreken van een geschikt biotoop binnen het tracé niet verwacht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Provinciaal beleid Het tracé maakt geen deel uit van het NNN, ganzenfoerageergebied of weidevogel leefgebied. Daarmee is ruimtebeslag op deze gebieden voorhand uitgesloten. Wel bevinden gebieden met deze status zich op korte afstand van het tracé, ter hoogte van Nieuwe – Meer (zie onderstaande figuur). Maar omdat in de provincie Noord-Holland geen sprake is van externe werking op het NNN, zijn negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de betreffende gebieden niet aan de orde. Er zijn derhalve geen belemmeringen vanuit provinciaal beleid en er is geen noodzaak tot een nadere procedure in de vorm van een 'nee, tenzij-toets'.

Gemeente Amsterdam

blz. 42

Figuur 14 - Ligging tov NNN gebieden

Voor de volledigheid wordt nog vermeld dat de kabels grotendeels ondergronds worden aangelegd en alleen in- en uittredepunten in dit kader relevant zijn. Er is dus slechts in zeer beperkte mate sprake van bovengrondse werkzaamheden. Ook is van eventueel aardkundige waarden geen sprake.

Houtopstanden In het verkennende natuuronderzoek wordt vermeld dat het kabeltracé grotendeels met een gestuurde boring wordt aangelegd, en dat (afhankelijk van het definitieve tracé) ten behoeve van de open ontgravingen bomen dienen te wijken voor onder andere de aanleg van het werkpad. Hierop is voor het gehele nieuwe kabeltracé Vijfhuizen-Nieuwe Meer een bomeninventarisatie uitgevoerd (Bijlage 8). Hieruit volgt dat het nieuw aan te leggen kabeltracé nabij het transformatorstation Nieuwe Meer een zeer nat wilgenstruweel (wilg, els en bramen) kruist. Om de aanleg mogelijk te maken, moeten deze bomen en struiken worden gerooid.

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstand Omdat het onderdeel 'Houtopstanden' uit de Wnb binnen Amsterdam niet van toepassing is (de gemeenteraad van Amsterdam heeft in 2016 een besluit genomen waarbij de 'bebouwde kom' gelijk loopt met de gemeentegrens van Amsterdam) is alleen de gemeentelijke Bomenverordening van de centrale stad van toepassing. Dit betekent dat op grond van Bomenverordening 2014 het in de gemeente Amsterdam verboden is om zonder vergunning of jaarvergunning van het college bomen of een houtopstand te vellen of te doen vellen. In de Bomenverordening is gedefinieerd wat onder een vergunningplichtige boom en houtopstand bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 43

wordt verstaan. Vervolgens is specifiek voor het terreindeel grenzend aan het gasoverslagstation van de Nederlandse Gasunie (NGU), parallel aan de zuidelijke inrit van dit terrein, én het terreindeel westelijk van het transformatorstation Nieuwe Meer, een opname van de te vellen houtopstanden uitgevoerd. Daarbij zijn de vergunningplichtige bomen in beeld gebracht en gecategoriseerd. Het bijbehorende document is volledigheidshalve als Bijlage 9 bij deze plantoelichting gevoegd. Voor de te kappen bomen zal bij de gemeente Amsterdam een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstand (kapvergunning) aangevraagd worden. Nadat de werkzaamheden zijn uitgevoerd, zal in overeenstemming met de gemeentelijke Bomenverordening tot herplant van bomen op dezelfde terreindelen worden overgegaan. 4.4.3

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde natuuronderzoeken en AERIUS-berekeningen wordt geconcludeerd dat het aspect ecologie (flora en fauna) niet in de weg hoeft te staan aan de uitvoering van de werkzaamheden binnen het plangebied van dit bestemmingsplan; de nieuw aan te leggen ondergrondse 150 kV-kabelverbindingen tussen de Ringvaart en het transformatorstation Nieuwe Meer, als onderdeel van het nieuwe kabeltracé Vijfhuizen-Nieuwe Meer. Voorafgaand aan de werkzaamheden zullen de te kappen bomen binnen het plangebied nog nader worden onderzocht op hun functie voor vleermuizen. Afhankelijk van deze onderzoeksresultaten zullen mogelijk mitigerende maatregelen nodig zijn, danwel zal een ontheffing Wnb aangevraagd moeten worden bij het bevoegd gezag (de provincie Noord-Holland). Daarbij geldt dat de betreffende bomen niet eerder worden gekapt dan dat de eventuele mitigerende maatregelen zijn getroffen en de ontheffing is verleend. Verder wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden het advies uit het opgestelde ecologisch werkprotocol opgevolgd door diverse maatregelen te treffen en rekening te houden met diverse soorten (fauna). Daarmee wordt een overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten voorkomen en wordt ook aan de algemene zorgplicht voldaan. Ook zal er voor de te verwijderen bomen een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstand aangevraagd worden.

Hierdoor is er geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het project derhalve uitvoerbaar.

4.5

Cultuurhistorie en archeologie

4.5.1

Wet- en regelgeving

Nederland tekende in 1992 het Verdrag van Malta dat de omgang met het Europees archeologisch erfgoed regelt. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt 6 wetten op het gebied van cultureel erfgoed en sorteert hiermee voor op de komende omgevingswet. Door de wetten te bundelen en een aantal regels te vernieuwen is de wetgeving minder versnipperd. In de Erfgoedwet staat onder andere; wat cultureel erfgoed is; wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt. De Erfgoedwet gaat over de bescherming van het cultureel erfgoed. Er is ook erfgoed in ruimtelijke ordening (de leefruimte om ons heen). Hoe Nederland daarmee omgaat staat in de Wet Gemeente Amsterdam

blz. 44

algemene bepalingen omgevingsrecht. 4.5.2

Inventarisatie cultuurhistorie en archeologisch onderzoek

Aardkundige monumenten en aardkundig waardevolle gebieden door de provincie aangewezen komen niet voor in plangebied. Het plangebied is niet gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht In het plangebied bevinden zich geen door het rijk, provincie of gemeente beschermde archeologische monumenten. Volgens het gemeentelijk archeologisch beleid is het wel noodzakelijk om bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² een archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Het plan voorziet in een bodemingreep groter dan 10.000 m². Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk. Daarom is in juli 2019 een update uitgevoerd van het eerdere archeologisch bureauonderzoek uit 2016. De update is als Bijlage 11 bij deze toelichting gevoegd. Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek acht Witteveen+Bos (op basis van eerder onderzoek uitgevoerd door Archeodienst BV in 2016) een archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk in het kader van het geplande tracé Vijfhuizen-Nieuwe Meer. De archeologische verwachting is voor alle periodes laag. De kans dat behoudenswaardige archeologische resten worden aangetroffen is dan ook zeer gering. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Met nadruk wijst Witteveen+Bos erop dat dit selectieadvies niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen.

De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid, die vervolgens een selectiebesluit neemt. 4.5.3

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de verdere voorbereiding van dit bestemmingsplan.

4.6

Geluid

4.6.1

Wet- en regelgeving

Wegverkeer In de Wet geluidhinder is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB. Indien dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde 'Hogere waarde'. De Hogere waarde mag enkel worden verleend indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de Hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder.'2'

bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 45

Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde 'zware lawaaimakers' als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen – vastgelegd in eerder genomen besluiten – blijven gelden.

Luchtverkeerslawaai Op grond van artikel 8.30a van de Wet luchtvaart stelt de minister elk vijfde kalenderjaar een geluidsbelastingkaart vast. Die heeft betrekking op de geluidsbelasting (overdag (Lden) en 's nachts (Lnight) veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen. 4.6.2

Onderzoek

De 150 kV-verbindingen zijn geen geluidgevoelige bestemmingen. De aspecten wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartverkeerslawaai zijn daarom niet relevant voor het onderhavige bestemmingsplan.

Geluid in de aanlegfase De aanleg van een hoogspanningsverbinding heeft tijdelijk geluidseffecten. Tijdens de aanlegfase produceren verschillende bronnen geluid. De ene activiteit duurt langer dan de andere activiteit en iedere activiteit heeft een andere geluidssterkte. Het gaat hierbij om tijdelijk geluid veroorzaakt door vrachtverkeer, graven en boren. De Wet geluidhinder bevat geen regels voor dergelijke tijdelijke situaties. 4.6.3

Conclusie

Het aspect geluid is geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.7

Lucht

4.7.1

Wet- en regelgeving

Wet luchtkwaliteit De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in de Wet luchtkwaliteit. De hoofdlijnen van deze wet zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De luchtregelgeving is uitgewerkt in een aantal AMvB's en Ministeriële Regelingen.

Wet Milieubeheer In bijlage II van de Wet milieubeheer zijn voor de volgende stoffen grenswaarden voor de concentratie in de buitenlucht opgenomen: stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), Gemeente Amsterdam

blz. 46

lood (Pb), koolmonoxide (CO). Uit metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en berekeningen van het Milieu en Natuur Planbureau blijkt dat aan de grenswaarden voor benzeen, zwaveldioxide, lood en koolmonoxide al geruime tijd in (nagenoeg) geheel Nederland wordt voldaan. In de Nederlandse situatie leveren alleen de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) problemen op in relatie tot de wettelijke normen. De wijze waarop het aspect luchtkwaliteit in acht genomen dient te worden bij planvorming is geregeld in artikel 5.16 en 5.16a van de Wet milieubeheer. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Grenswaarden uit bijlage II van de Wet milieubeheer worden niet overschreden, of Per saldo verbetert de luchtkwaliteit of blijft tenminste gelijk, of Het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit (aan concentratie PM10 en NO2)'3', of Het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)4 .

In aanvulling op het bovenstaande toetsingskader stelt de AMvB 'Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' dat bij de voorgenomen realisering van gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven, verzorgingshuizen en dergelijke op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen, moet worden onderzocht of op die locaties sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en/of NO2. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Het maakt voor de vestiging van gevoelige bestemmingen niet uit of het deel uitmaakt van 'niet in betekenende mate' projecten of 'in betekenende mate' projecten. De AMvB 'Gevoelige Bestemmingen' moet in beide gevallen worden nageleefd. 4.7.2

Onderzoek

De voorwaarde onder 3 is uitgewerkt in de Algemene Maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Hierin zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is kortweg gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en fijn stof (PM10). In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Het bestemmingsplan maakt de aanleg van 150 kV-kabelverbindingen mogelijk. De realisatie van een bestemmingsplan, artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, is een bevoegdheid genoemd in artikel 5.16, lid 2 Wet milieubeheer. Echter, de 150 kV-kabelverbindingen veroorzaken geen emissies. 4.7.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande kan worden voldaan aan het bepaalde in het Besluit niet in betekenende mate en de Regeling niet in betekenende mate. Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het aspect lucht is geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 47

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Wet- en regelgeving

Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II), zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Denk hierbij aan risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)-opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (NRNVGS, 2006). De nota heeft geen wettelijk bindende werking maar is niet vrijblijvend. Daarnaast biedt risicokaart.nl inzicht in risicosituaties in de leefomgeving. Dit instrument kan gebruikt worden als informatievoorziening om te helpen bij het voorkomen, bestrijden en beperken van de gevolgen van rampen en zware ongevallen. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening.

Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op 1 april 2015 zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling basisnet in werking getreden. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. 4.8.2

Onderzoek

Het bestemmingsplan maakt de aanleg van 150 kV-hoogspanningsverbindingen mogelijk. Een 150 kV-kabelverbinding is geen (beperkt) kwetsbaar object zoals bedoeld in de wetgeving rondom externe veiligheid. De verbindingen betreffen ook geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen. De verbindingen vallen daarom niet onder de werkingssfeer van de wetgeving inzake externe veiligheid. Er is daarom geen onderzoek nodig voor het aspect externe veiligheid bij de aanleg van ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Wel is een buisleiding (Gasunie) en een weg (rijksweg A9) voor het transport voor gevaarlijke stoffen aanwezig nabij de kabelverbindingen. De 150 kV-verbindingen vormen geen risico's voor de veiligheid van personen of groepen van personen. 4.8.3

Conclusie

Gelet op de bovenstaande bevindingen kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering is voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 48

4.9

Elektrische en magnetische velden

4.9.1

Wet- en regelgeving

Magneetvelden Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Ook is er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan of er gezondheidseffecten bij mensen te verwachten zijn door blootstelling aan laagfrequente magneetvelden zoals die bij hoogspanningsverbindingen voor komen. Op basis van dit wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband blootstellingslimieten aanbevolen voor magneetvelden. Deze houden in dat blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microtesla wordt afgeraden.

Beleidsadvies De verzamelde wetenschappelijke gegevens wijzen op het bestaan van een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het voorkomen van leukemie bij kinderen tot 15 jaar en het wonen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Ondanks dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor een oorzakelijk verband heeft de Rijksoverheid, op advies van de Gezondheidsraad, in 2005 een beleidsadvies uitgebracht voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarin wordt geadviseerd zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden met een jaargemiddelde veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla. Dit komt er op neer dat het advies is om bij nieuwe situaties gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) zo veel als redelijkerwijs mogelijk buiten de magneetveldzone van 0,4 microtesla te plaatsen. Bovengenoemd beleidsadvies van de rijksoverheid ziet op langdurige blootstelling en is van toepassing op nieuwe situaties en bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Voor alle hoogspanningsverbindingen geldt daarnaast te allen tijde de blootstellingslimiet van 100 microtesla conform de aanbeveling van de Europese Unie. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd.

Op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT wordt deze limiet nergens overschreden. In 2018 heeft de Gezondheidsraad een nieuw advies uitgebracht over mogelijke gezondheidseffecten van magneetvelden. Hierbij geeft de Gezondheidsraad de staatssecretaris van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (voorheen VROM) in overweging om het voorzorgsbeleid rondom bovengrondse hoogspanningslijnen uit te breiden naar ondergrondse elektriciteitskabels en andere bronnen die oorzaak kunnen zijn van langdurige blootstelling aan magnetische velden uit het elektriciteitsnetwerk. Momenteel wordt door de minister verkend of dat een verbreding van het voorzorgsbeleid naar andere bronnen in het elektriciteitsnetwerk wenselijk is. 4.9.2

Magneetvelden in relatie tot de kabelverbinding

TenneT heeft bij diverse kabelverbindingen onderzoek uitgevoerd naar magneetvelden. Daaruit volgt dat aangenomen mag worden dat de contour van 0,4 microTesla (jaargemiddeld) voor deze verbinding binnen 15 meter van het hart van een kabelverbinding is gelegen. Bij de ondergrondse 150 kV-verbinding Vijfhuizen – Nieuwe Meer zijn binnen 15 meter van het hart van de kabelverbinding geen objecten gelegen die in het kader van het huidige beleidsadvies voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen zouden kunnen worden aangemerkt als gevoelige bestemming.

bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 49

4.9.3

Conclusie

Het aspect elektrische en magnetische velden zal geen belemmering vormen voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.10

Kabels en leidingen

4.10.1 Wet en regelgeving NEN 3654 In de NEN norm 3654 zijn afstandsnormen en richtlijnen opgenomen voor gewenste afstanden tussen hoogspanningsverbindingen en andere kabels en leidingen. Daarnaast is een richtlijn opgenomen om te komen tot een ideale afstand. 4.10.2 Inventarisatie Er is sprake van samenloop met verschillende belangen van kabel- en leidingenbeheerders die al kabels en leidingen beheren in het plangebied en die daarnaast in de toekomst kabels en leidingen zullen aanleggen. Tijdens de voorbereiding van dit bestemmingsplan is er reeds overleg geweest over de benodigde ruimte voor alle kabel- en leidingentracés. Het beoogde tracé kruist onder andere bestaande buisleidingen van de Gasunie van en naar het meet- en regelstation Sloten. Op basis van VELIN-richtlijnen dient TenneT vooraf onderzoek te doen naar veilige en verantwoorde aanleg en ligging van de hoogspanningsverbinding nabij kabels en leidingen derden. Hier dient onder bepaalde situaties ook toestemming van de betreffende eigenaar over te zijn. Onderdeel daarvan zijn beïnvloedingsberekeningen. Deze beïnvloedingsberekeningen zijn uitgevoerd conform de NEN 3654. Dit om vast te stellen wat het effect is van de hoogspanningsverbindingen op de gasleidingen. Waar nodig worden maatregelen getroffen. De resultaten van de beïnvloedingsberekeingen worden gedeeld met de relevante kabels- en leidingeigenaren.

Er is een overleg in januari 2021 gepland om de berekeningen nader toe te lichten. De tracéoptimalisaties die sinds het eerste onderzoek zijn doorgevoerd zijn aanleiding geweest om de beinvloedingsberekeningen te actualiseren. Waar bestaande kabels en leidingen worden gekruist, zal aan de NEN 3654 worden voldaan. 4.10.3 Conclusie Gelet op de bovenstaande bevindingen kan worden geconcludeerd het aspect kabels en leidingen geen belemmering is voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.11

Luchtvaartverkeer

4.11.1 Wet- en regelgeving Het Luchthavenindelingbesluit (LIB) bevat ruimtelijke maatregelen op rijksniveau die verband houden met de luchthaven Schiphol. Het Luchthavenverkeerbesluit is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchthavenluchtverkeer. Tezamen vormen deze besluiten een uitwerking van het hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart.

Gemeente Amsterdam

blz. 50

4.11.2 Inventarisatie Het LIB legt het beperkingengebied en het luchthavengebied vast. Indien het plangebied gelegen is binnen het beperkingengebied gelden beperkingen met het oog op veiligheid en milieu. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten in overeenstemming zijn met het LIB. Het gaat hierbij om afwegingen die moeten worden gemaakt met betrekking tot externe veiligheid, hoogtebeperkingen, beperkingen bij het toelaten van functies (bestemmingen), het voorkomen van geluidhinder en het voorkomen van het aantrekken van vogels. 4.11.3 Conclusie Deze regelgeving is niet relevant voor de aanleg van ondergrondse kabelverbindingen.

4.12

Explosieven

Op de opslag van munitie en/of explosieven is de 'Circulaire Opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van toepassing. Deze circulaire kent een effectbenadering in tegenstelling tot het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), dat een risicobenadering kent. Er worden categorieën explosieven onderscheiden waarvoor per categorie aan te houden afstanden gelden. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn. 4.12.1 Onderzoek Voor het onderzoeksgebied uit de Haalbaarheidsstudie 2017 is een historisch vooronderzoek uitgevoerd. Conclusie is dat er feitelijk materiaal is aangetroffen, waaruit blijkt dat er mogelijk verschillende typen explosieven in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven tijdens WOII. Hierdoor geldt dat het onderzoeksgebied deels verdacht is op de aanwezigheid van explosieven. TenneT zal de onderzoeken die nodig zijn voor het opsporen van conventionele explosieven ter plaatse van het beoogde kabeltracé uitvoeren. 4.12.2 Conclusie Gelet op de bovenstaande bevindingen kan worden geconcludeerd dat het plan vanuit het aspect explosieven geen belemmering is voor het vaststellen van het bestemmingsplan, maar dat voor aanvang van de werkzaamheden nog nader onderzoek moet plaatsvinden om de uitvoering van de werkzaamheden veilig te laten verlopen.

4.13

Milieueffectrapportage

4.13.1 Wet- en regelgeving Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit de C- en D-lijst geldt een m.e.r.-plicht. Bij sommige ontwikkeling met activiteiten uit de D-lijst is een vormvrije m.e.r.-plicht mogelijk. Als een voorgenomen ontwikkeling activiteiten bevat zoals opgenomen in de D-lijst van het besluit m.e.r. (kolom 1), maar ligt beneden de drempelwaarden in

bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 51

deze lijst (kolom 2) dan is er een vormvrije m.e.r. mogelijk. Er dient bij elke m.e.r.-vorm een aanmeldnotitie te worden opgesteld. In overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit wordt beoordeeld of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Overigens moet daarnaast worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling aanzienlijke milieueffecten kan hebben, waarbij naast de drempelwaarden ook de omstandigheden ter plaatse worden betrokken. Dit in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 15 oktober 2009 (C-225/08). Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden en bij een m.e.r.-beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r. opgestart zal worden. 4.13.2 Onderzoek Op 29 mei 2020 is een m.e.r.-aanmeldingsnotitie voor netuitbreiding Vijfhuizen-Nieuwe Meer ingediend. Het integrale rapport is als Bijlage 12 achter deze toelichting opgenomen. De conclusies van het rapport zijn in de tabel hierna weergegeven.

Gemeente Amsterdam

blz. 52

Tabel 3 – conclusie m.e.r. beoordeling

bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 53

4.13.3 Conclusie Volgens het rapport kan op basis van de hiervoor opgenomen samenvatting van de effectstudies worden geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten op de beschouwde milieuaspecten. Op enkele thema's of in sommige deelgebieden is op basis van sectorale wetgeving of in het kader van (lokale) vervolgbesluitvorming nog nader onderzoek nodig (zoals benoemd in hoofdstuk 5). Uit dit nader onderzoek kan blijken dat (mitigerende) maatregelen getroffen moeten worden. Uit geen van de effectstudies blijkt dat, met het toepassen van de noodzakelijke (mitigerende) maatregelen, belangrijke nadelige milieugevolgen blijven bestaan. Ervan uitgaande dat de (mitigerende) maatregelen uit de onderzoeken worden opgevolgd, verwachten wij geen belangrijke nadelige milieueffecten bij het uitvoeren van het project Netuitbreiding Vijfhuizen-Nieuwe Meer.

Gemeente Amsterdam

blz. 54

bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 55

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Algemeen

Waar de overige paragrafen van deze bestemmingsplantoelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de bestemmingsplanregels. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht. Het (juridisch deel van het) bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding heeft een functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemming en overige regels. In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven.

Op basis van het beleid en de gebiedsbeschrijving zijn vervolgens de uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.

5.2

Planvorm

Het onderhavige bestemmingsplan doorkruist het plangebied van meerdere (vigerende) bestemmingsplannen. Het betreft een paraplubestemmingsplan waarin de dubbelbestemming als aanvulling op deze onderliggende bestemmingsplannen worden gezien.

5.3

Artikelgewijze toelichting

5.3.1

Toelichting op de planregels

Algemeen In de standaarden voor vergelijkbaarheid, de SVBP 2012, is voorgeschreven hoe de regels van het bestemmingsplan dienen te worden opgebouwd. Voor de leesbaarheid en raadpleegbaarheid dienen de regels in hoofdstukken te worden geplaatst. Daarbij dient een vaste volgorde te worden aangehouden. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk worden de begrippen en wijze van meten behandeld. Deze hebben als doel begrippen in de regels te verklaren en eenduidige richtlijnen te geven op basis waarvan de bouwmaten die zijn opgenomen in de regels dienen te worden gemeten. In het tweede hoofdstuk zijn de regels opgenomen, die betrekking hebben op alle bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Het derde en vierde hoofdstuk omvat een aantal regels, die niet op een bepaalde bestemming betrekking hebben, maar voor het gehele bestemmingsplan gelden. Het overgangsrecht en de anti-dubbeltelregel zijn opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te Gemeente Amsterdam

blz. 56

nemen in het bestemmingsplan. In een bestemmingsregel wordt aangegeven waarvoor en – zo nodig – hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. Ter bevordering van de leesbaarheid en de raadpleegbaarheid is hierbij een vaste volgorde aangehouden. In de bestemmingsomschrijving is beschreven welke functies binnen de betreffende bestemming zijn toegestaan. In de bouwregels is weergegeven of en hoe gebouwd mag worden. Daarin wordt in algemene zin geregeld in alle bestemmingen dat er slechts gebouwd mag worden ten behoeve van de bestemming. In de navolgende (sub)leden zijn maten zoals oppervlakten en bouwhoogten opgenomen, die betrekking hebben op de toegestane gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. In een aantal gevallen is een afwijking van bepalingen in de eerder genoemde leden als direct recht mogelijk, in andere gevallen moet het dagelijks bestuur een besluit nemen om af te wijken van de regels uit het bestemmingsplan. In de specifieke gebruiksregels zijn nadere bepalingen gegeven over de functies die zijn vermeld in de doeleindenomschrijving. Zo kan bijvoorbeeld de omvang van bepaalde functies beperkt worden, of de situering van functies worden aangewezen.

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. Artikel 2

Wijze van meten

Met dit artikel wordt aangegeven op welke wijze moet worden beoordeeld in hoeverre een initiatief past binnen de minima en maxima die door de overige regels worden aangegeven.

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In deze paragraaf worden de niet voor zichzelf sprekende en bijzondere juridische aspecten van de bestemmingsbepalingen toegelicht. Het beleid wordt niet toegelicht, maar de wijze van regelen. Artikel 3:

Leiding – Hoogspanningsverbinding 150kV

De bestemming 'Leiding – Hoogspanningsverbinding 150kV' is gegeven aan de gronden waar het tracé van de hoogspanningsverbindingen met bijbehorende beschermingszone (belemmeringenstrook) is gepland. Gronden met deze bestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een ondergrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding. De regeling voor de ondergrondse hoogspanningsverbinding is een zogenaamde facetregeling. Dat betekent dat de onderliggende bestemmingen van de vigerende bestemmingsplannen blijven gelden voor deze gronden. Er wordt als het ware alleen een dubbelbestemming overheen gelegd. Met de zinsnede 'behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen', worden dan ook niet alleen de bestemmingen uit het voorliggende bestemmingsplan bedoeld, maar ook de bestemmingen uit de vigerende bestemmingsplannen.

bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 57

Binnen de bestemming 'Leiding – Hoogspanningsverbinding 150kV' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten behoeve van deze bestemming. Daarnaast is bij recht bebouwing ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen toegestaan, mits het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Dit ter bescherming van de hoogspanningsverbinding. Indien een bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan een doelmatig en veilig functioneren van de hoogspanningsverbinding, kan middels een afwijking bij omgevingsvergunning ook andere bebouwing ten behoeve van een andere voorkomende bestemming worden toegestaan. Bij het verlenen van een dergelijke vergunning heeft de leidingbeheerder een adviesrol. Voor het uitvoeren van diverse werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden binnen de bestemming 'Leiding – Hoogspanningsverbinding 150kV' is een omgevingsvergunningenstelsel in de regels opgenomen. Een vergunning voor het uitvoeren van deze werken en werkzaamheden kan alleen worden verleend indien door die werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de hoogspanningsverbinding.

Ook hier heeft de leidingbeheerder een adviesrol bij de vergunningverlening. Het vergunningenstelsel is opgenomen om de hoogspanningsverbinding na aanleg te beschermen. Het vergunningenstelsel geldt daarom voor werken en werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de ongestoorde ligging van de leiding, zoals de aanleg van beplanting, het uitvoeren van grondbewerkingen (dieper dan 0,80 meter beneden maaiveld) en het aanleggen van drainage (dieper dan 1,00 meter beneden maaiveld). Voor de aanleg van de hoogspanningsverbindingen zelf is geen vergunning nodig. Voor het normale beheer en onderhoud van de verbinding of van de functies die ter plaatse voorkomen vanwege andere voorkomende bestemmingen is eveneens geen vergunning nodig.

Hoofdstuk 3: Algemene regels In dit hoofdstuk zijn de regels opgenomen die betrekking hebben op het gehele plangebied en alle andere regels in het bestemmingsplan. Artikel 4

Anti-dubbeltelregel

Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Artikel 5

Algemene gebruiksregels

In deze regel worden de algemene regels omtrent gebruik vastgelegd. Naast het algemene gebruiksverbod om de gronden en opstallen in strijd met de bestemming te gebruiken, is een aantal activiteiten uitgezonderd. Artikel 6

Algemene afwijkingsregels

In dit artikel worden algemene afwijkingsregels opgesomd. Er kan voor gebouwen van nutsvoorzieningen en elektriciteitsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals gedenktekens, plastieken en dergelijke worden afgeweken van de regels. Ook kan van de regels worden afgeweken voor geringe afwijkingen en tevens mag de in de regels toegestane maximale bouwhoogte worden overschreden in bepaalde gevallen. Hetzelfde geldt voor de op de verbeelding aangegeven bestemmings- of bouwgrenzen. Artikel 7

Overige regels Gemeente Amsterdam

blz. 58

In dit artikel bevat een van toepassingsverklaring, waarin alle moederplannen zijn opgenomen die met dit bestemmingsplan worden aangevuld, voor wat betreft de bestemmingen en gebiedsaanduidingen in onderhavig bestemmingsplan. Voor de duidelijkheid wordt vastgelegd dat de planregels van de bestemmingsplannen voor het overige onverminderd van toepassing blijven.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 8

Overgangsrecht

Hierin staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten die afwijken van de bestemmingen en/of de regels in het bestemmingsplan. Artikel 9

Slotregel

De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 59

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening stelt verplicht dat de gemeenteraad tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vaststelt voor kostenverhaal in het geval het bestemmingsplan nieuwe, bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen bouwplannen mogelijk maakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de bouw van één of meer woningen, de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen of de uitbreiding of verbouwing van gebouwen. In de wet is aangegeven welke kosten verhaald kunnen worden. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld door gronduitgifte of een anterieure overeenkomst.

6.1

Aangewezen bouwplannen in plangebied

De aanleg van een ondergrondse kabelverbinding is geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wro, waarvoor het kostenverhaal met een exploitatieplan of anderszins moet zijn verzekerd. Uitvoering van het plan komt voor rekening en risico van TenneT. Het garanderen van leveringszekerheid is een wettelijke taak van TenneT op grond van de Elektriciteitswet. Nut en noodzaak van het plan zijn aangetoond met dit bestemmingsplan, zie paragraaf 1.1. Hierdoor kan TenneT de investeringskosten doorberekenen in de tarieven voor transport van elektriciteit.

6.2

Belemmeringenwet privaatrecht

TenneT tracht op minnelijke wijze met grondeigenaren, overige zakelijk gerechtigden en gebruikers overeenstemming te bereiken over het gebruik van een strook grond (de zakelijk rechtstrook) ter plaatse van de hoogspanningsverbinding, inclusief beschermingszone, door middel van het vestigen van een zakelijk recht. In het geval op minnelijke wijze geen overeenstemming kan worden bereikt, kan voor aanleg en instandhouding van de verbinding een beroep worden gedaan op de Belemmeringenwet Privaatrecht. Middels deze wet kan door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aan de rechthebbenden op de grond een zogenaamde gedoogplicht worden opgelegd. In artikel 20 van de Elektriciteitswet is onder meer de toegang tot de Belemmeringenwet Privaatrecht vastgelegd voor de aanleg van elektriciteitsnetten zoals als hier aan de orde zijn.

6.3

Zakelijk recht strook

Voor de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbindingen moet TenneT gebruik kunnen (blijven) maken van een strook grond ter plaatse van de hoogspanningsverbinding. Deze strook (de zakelijk rechtstrook) wordt vastgesteld op basis van het benodigde ruimtebeslag voor aanleg en instandhouding. Daarbij is rekening gehouden met veiligheidseisen. Om gebruik te kunnen (blijven) maken van de grond in deze strook sluit TenneT een zakelijk rechtovereenkomst (inclusief gebruiksovereenkomst) af met de eigenaar, de eventuele overige zakelijk gerechtigden (erfpachters, opstalhouders, et cetera) en de eventuele persoonlijk gerechtigden (huurder, pachters, et cetera). In deze overeenkomsten worden de afspraken vastgelegd over het gebruik van de grond en welke vergoeding en welke rechten op toekomstige vergoedingen de rechthebbende van TenneT zal ontvangen. Het zakelijk recht betreft een opstalrecht en is een zelfstandig recht dat een inbreuk vormt op het exclusieve gebruiksrecht van de eigenaar en de overige zakelijk gerechtigden. In de situatie waarbij de hoogspanningsverbinding een buisleidingenstraat kruist, gelden ter plaatse van de buisleidingenstraat andere voorwaarden. In dat geval wordt geen gebruik gemaakt van een zakelijk recht maar van privaatrechtelijke overeenkomsten.

TenneT hanteert bij de vestiging van een zakelijk recht het principe van schadeloosstelling (volledige schadevergoeding) zoals de Belemmeringenwet Privaatrecht die kent. Schadeloosstelling betekent dat Gemeente Amsterdam

blz. 60

de rechthebbenden vóór en ná de vestiging van het zakelijk recht in een gelijkwaardige vermogens- en inkomenspositie dienen te verkeren. Schadeloosstelling geschiedt in beginsel ongeacht het moment waarop schade zich voordoet. De schade dient wel een rechtstreeks gevolg te zijn van de vestiging van het zakelijk recht.

bestemmingsplan_150 kV kabelverbinding Nieuwe Meer (vastgesteld)

blz. 61

Hoofdstuk 7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan wordt getoetst aan het vooroverleg met de reguliere overlegpartners en een zienswijzenperiode voor reacties van bewoners en andere belanghebbenden.

7.1

Participatie omwonenden

Het gemeentebestuur hecht veel waarde aan een breed gedragen en haalbaar bestemmingsplan. In het kader van participatie zullen omwonenden en andere belanghebbenden op de hoogte worden gesteld van het project middels een brief. Hierna wordt een gesprek aangeboden om een toelichting te verkrijgen en te reageren op de planvorming. Bijzondere aandacht is er voor de woonbootbewoners langs de Ringvaartdijk. Uitgangspunt is dat zij geen nadelige gevolgen ondervinden van de ondergrondse kabelverbinding. Als gevolg van dit precies zijn er geen nadere reacties gekomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13133297/1