CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 18 Jeugd(zorg) (33) 5 Integrale tekst verordening op de zorg voor de jeu

RAAD 1 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Wijzigen van de verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 VN2021-03009616.286 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In die gevallen kan de gemeente echter niet dezelfde eisen stellen aan de toegangsprocedure zoals beschreven in paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van deze verordening en de nadere regels die daarop gebaseerd zijn. In dit artikel 3.3 worden vier situaties weergegeven waarin de gemeente kan besluiten tot inzet van jeugdhulp door een niet gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. In artikel 3.8 wordt de toegang hiertoe apart beschreven. Tweede lid, onderdeel a

19

Dit onderdeel betreft de zogenaamde buitenregionale plaatsingen. In bijzondere gevallen kan het voorkomen dat een jeugdige wiens ouders in Amsterdam wonen het beste op een locatie buiten de regio jeugdhulp kan ontvangen. Het komt bijvoorbeeld voor dat jeugdigen in een pleeggezin buiten de regio worden geplaatst en daar dan ook jeugdhulp ontvangen. Op grond van het woonplaatsbeginsel van de Jeugdwet vallen deze jeugdigen nog steeds onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Amsterdam. In deze gevallen kan een niet gecontracteerde jeugdhulpaanbieder ingeschakeld worden. Tweede lid, onderdeel b Dit onderdeel betreft het aanbod van de jeugdhulpaanbieders met een specialistische functie waarvoor de Nederlandse gemeenten gezamenlijk een raamcontract hebben opgesteld. Het gaat om zeer specialistische hulp die alleen door landelijk opererende instellingen geboden kan worden. Deze jeugdhulpaanbieders kunnen in Amsterdam, maar ook daarbuiten gevestigd zijn. Tweede lid, onderdeel c Dit onderdeel betreft jeugdhulp die wordt gecontinueerd bij een niet gecontracteerde jeugdhulpaanbieder wanneer de jeugdige verhuist naar Amsterdam (NB het gaat dan om ambulante hulp). De oorspronkelijke jeugdhulp wordt dan in principe voor een jaar voortgezet, waarbij het kan voorkomen dat een jeugdige hulp ontvangt van een aanbieder die niet gecontracteerd is.

Afspraken hierover zijn opgenomen in het Convenant uitvoering woonplaatsbeginsel Jeugdwet. Tweede lid, onderdeel d Dit onderdeel betreft jeugdhulp die voortkomt uit een vonnis van de rechter. De gemeente is in deze gevallen gehouden om de jeugdhulp uit te voeren zoals daarin is opgenomen. Door afspraken te maken met rechters, de Gecertificeerde instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming wordt getracht zoveel als mogelijk aan te sluiten bij het door de gemeente ingekochte aanbod.

Paragraaf 2 Toegang tot specialistische jeugdhulp Artikel 3.4 Toegangsproces algemeen Eerste lid: begripsbepaling

Paragraaf 2 gaat over de toegang naar de specialistische jeugdhulp. Waar in deze paragraaf gesproken wordt over jeugdhulpaanbieder wordt dan ook een jeugdhulpaanbieder van specialistische jeugdhulp bedoeld zoals weergegeven in respectievelijk artikel 3.1. NB de term jeugdhulpaanbieder is gedefinieerd in de Jeugdwet zelf en kan bijvoorbeeld ook aanbieders van jeugdhulp als algemene voorziening betreffen (hoofdstuk 2). Vandaar de verduidelijking hier. Tweede lid: besluit op grond van gesprek met lokale team In dit tweede lid is als algemene regel geformuleerd dat de toegang verloopt via het gesprek dat het lokale team met de jeugdige en zijn ouders heeft (en het integraal plan dat daar een weerslag van is). In het derde lid worden vervolgens de uitzonderingen benoemd. Derde lid, onderdeel a: artsverwijzing naar specialistische jeugdhulp Huisarts, jeugdarts en medisch specialist hebben op grond van de Jeugdwet de eigenstandige bevoegdheid om toegang te verlenen tot alle jeugdhulp. Uitgangspunt bij een artsverwijzing naar specialistische jeugdhulp is dat de afstemming met een lokaal team niet nodig is als er geen sprake is van een hulpvraag op meerdere levensgebieden. Een arts kan dan zonder betrokkenheid van een lokaal team naar een jeugdhulpaanbieder verwijzen.

Ook de jeugdhulpaanbieder is dan niet verplicht contact op te nemen met het lokale team (maar wel met de gemeente in het kader van de zorgtoewijzing). NB

20

jeugdartsen van het Ouder- en Kindteam voeren wel gewoon als professional van een lokaal team het gesprek met de jeugdige en zijn/haar ouders en leggen afspraken vast in een integraal plan. Derde lid, onderdeel b: crisissituaties In crisissituaties kan soms niet gewacht worden met de inzet van specialistische jeugdhulp tot een integraal plan is opgesteld. In dit soort gevallen is het de jeugdhulpaanbieder toegestaan de spoedhulp te verlenen voordat een gesprek met het lokale team heeft plaatsgevonden en een integraal plan is opgesteld. NB het gaat dan om kortdurende inzet. Wanneer daarna langdurig specialistische jeugdhulp nodig is, dient alsnog een integraal plan opgesteld te worden. Vierde lid, besluit na artsverwijzing specialistische jeugdhulp In dit lid wordt duidelijk gemaakt dat het college feitelijk een besluit tot inzet van specialistische jeugdhulp na een verwijzing van de huisarts, jeugdarts, of medisch specialist neemt op het moment dat de jeugdhulpaanbieder zich bij de gemeente meldt met een verzoek tot toewijzing van zorg. Vijfde lid, artsverwijzing naar specialistische jeugdhulp Voor specialistische jeugdhulp waar sprake is van een hulpvraag op meerdere levensgebieden wordt ervan uitgegaan dat altijd – ook bij een artsverwijzing –een integraal plan nodig is.

Het gaat in die gevallen immers bijna altijd om hoogcomplexe en veelomvattende / meervoudige jeugdhulp, waarbij een integrale aanpak en continuïteit van het hoogste belang zijn. Het plan kan ook door de jeugdhulpaanbieder worden opgesteld. Waar nodig wordt het lokale team betrokken. Het signaal betreft in de praktijk het bericht in het berichtenverkeer. Zesde lid, specialistische jeugdhulp door zorgteam Dit lid beschrijft de werkwijze van jeugdhulp door een zorgteam van een speciaal onderwijslocatie. Zevende lid, nadere regels toegangsproces De nadere invulling van het toegangsproces ligt niet vast in de verordening, maar in de nadere regels. Hiervoor is gekozen omdat de verwachting is het proces zich de komende jaren nog verder zal ontwikkelen en de nadere regels sneller aangepast kunnen worden. Achtste lid Voor sommige specialistische jeugdhulp die niet bestaat uit een diagnose- of behandeltraject, maar een langdurig begeleidingstraject (in de regel vanwege de ernstige beperkingen van het kind) kan het gewenst zijn dat het lokale team namens college periodiek herbeoordeelt of en zo ja welke voortzetting van hulp nodig is. De regels hierover liggen niet vast in de verordening zelf maar in de nadere regels.

Artikel 3.5 Het gesprek en integraal plan Eerste lid: het gesprek Er wordt in de verordening (en nadere regels) niets vastgelegd over de wijze waarop het gesprek gevoerd wordt tussen lokaal team en jeugdige en/of zijn ouders (en eventuele andere betrokken). Dit zou de handelingsvrijheid van de jeugdige, zijn ouders én professionals te veel beperken. In de verordening ligt alleen vast wat er in het gesprek aan de orde kan komen (indien van belang), niet welke methodiek of instrumentarium gebruikt moet worden of wie er precies bij betrokken dienen te zijn, of hoe vaak en hoe lang de gesprekken gevoerd worden. Natuurlijk gelden hierbij wel de eisen die de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet stellen aan de kwaliteit van de toegang.

21

Tweede lid: betrekken jeugdhulpaanbieder In het belang van efficiënte en doeltreffende jeugdhulp vindt er bij specialistische jeugdhulp overleg plaats tussen het lokale team en de jeugdhulpaanbieder. Op deze manier is er sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid en warme overdracht tussen verwijzer en aanbieder. Vanzelfsprekend worden de jeugdige en ouders hierbij betrokken. De manier van afstemming kan verschillen en is afhankelijk van de benodigde jeugdhulp. Derde lid: familiegroepsplan Het kan voorkomen dat een ouder of jeugdige al zelf een familiegroepsplan heeft opgesteld voordat hij/zij binnenkomt bij het lokale team. In dat geval wordt dit plan als uitgangspunt genomen voor het gesprek. Het is dus niet zo dat op basis van het familiegroepsplan alleen besloten wordt tot de inzet van specialistische jeugdhulp. Vierde lid: het integraal plan Ook de inhoud van het integraal plan is in de verordening niet in detail beschreven. Wel dát de uitkomsten van het gesprek altijd in het integraal plan vastgelegd worden. De wederzijdse ondertekening is vooral bedoeld om het karakter van het integraal plan als gezamenlijk plan te bekrachtigen en zeker niet om het karakter van een privaatrechtelijk overeenkomst te geven. De ondertekening is de gebruikelijke manier waarop de instemming wordt vastgelegd.

In bijzonder gevallen kan de instemming ook op een andere manier gegeven worden, wel moet deze altijd ondubbelzinnig zijn en worden vastgelegd. NB het besluit tot inzet van specialistische jeugdhulp wordt toegevoegd aan het integraal plan, maar is juridisch gezien een eenzijdige, publiekrechtelijke, beslissing van het college (de facto de gemandateerde professional van het lokale team). Het besluit wordt wel genomen op grond van het integraal plan. Vijfde lid: evaluatie integraal plan In het integraal plan worden doelen (beoogde resultaten) geformuleerd: wanneer worden door wie welke resultaten behaald. De jeugdige en/zijn ouders kunnen in het integraal plan afspraken maken om na een bepaalde tijd de resultaten met het lokale team, de eventueel betrokken jeugdhulpaanbieders en/of anderen te bespreken en zo het integraal plan te evalueren. NB de jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor de evaluatie van het opgestelde hulpverleningsplan en daarin opgenomen behandeldoelen. Wel kan met het lokale team samen bekeken worden hoe de in het integraal plan geformuleerde beoogde resultaten zich verhouden tot de behaalde resultaten op de later in het hulpverleningsplan geformuleerde doelen.

Zesde lid: vastlegging integraal plan in administratie lokale team Het (ondertekende) integraal plan kan worden opgeslagen door het lokale team als onderbouwing en toelichting op het besluit om te komen tot de inzet van specialistische jeugdhulp, dan wel dat het in de vorm van een gespreksverslag of eigen ondertekende documentatie van het lokale team gebeurt die deze inhoud weergeeft. Het integraal plan blijft eigendom van het gezin en kan ook na toekenning aangepast en bijgesteld worden. Zevende lid: delen integraal plan met de jeugdhulpaanbieder Het integraal plan is van de jeugdige en/of zijn ouders. Als er tot de inzet van specialistische jeugdhulp besloten is, is het wel van het grootste belang dat de aldus betrokken jeugdhulpaanbieder weet heeft van de gezinssituatie en afspraken en doelen (beoogde resultaten) zoals vastgelegd in het integraal plan. De relevante informatie uit het integraal plan kan door de jeugdige en/of zijn ouders zelf of door het lokale team aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden. De ouders/jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor.

22

Natuurlijk gelden bij het delen van het integraal plan de privacyregels zoals die onder andere vastgelegd zijn in de Jeugdwet zelf (zie § 7.3 rond dossiervorming). Ouders worden niet gedwongen privacygevoelige informatie te delen. Het is aan de ouders om in samenspraak met het lokale team (of arts) te bepalen welke informatie in het integraal plan terecht moet komen en gedeeld moet worden met de jeugdhulpaanbieder om een effectieve ondersteuning mogelijk te maken. Bij verschil van inzicht tussen de jeugdige en/of zijn ouders aan de ene kant en het lokaal team (of arts) aan de andere kant over de noodzaak om bepaalde informatie te delen dient het recht op privacy en het belang van het kind tegen elkaar afgewogen te worden. De principes van subsidiariteit (kan het doel ook op een andere manier bereikt worden), noodzakelijkheid en proportionaliteit (staat het doorbreken van het recht op privacy in verhouding tot het doel: effectieve hulp) staan daarbij centraal. In de privacy protocollen van de uitvoerders (lokale teams) zal hieraan aandacht besteed worden. Achtste lid Dit lid biedt de mogelijk aan het college om nadere regels te stellen met betrekking tot het gesprek en door wie dat op welke wijze gevoerd wordt.

Artikel 3.6 Criteria en afwegingsfactoren In de verordening worden de criteria en afwegingsfactoren bij de beoordeling tot toekenning van specialistische jeugdhulp alleen in algemene termen beschreven. In het tweede lid is een kan-bepaling opgenomen. Criteria kunnen uitgewerkt worden in nadere regels.

Paragraaf 3: Toegang dyslexiezorg Artikel 3.7 Toegang tot dyslexiezorg Eerste lid

Het besluit tot toekennen van een individuele voorziening voor dyslexiezorg geeft recht op diagnostisch onderzoek door een erkende (gecontracteerde) dyslexiebehandelaar. Wanneer op basis van het onderzoek vastgesteld wordt dat het inderdaad om ernstige enkelvoudige dyslexie gaat, kan de dyslexiebehandelaar ook gelijk verder met de behandeling. Hiervoor is dan geen tweede besluit nodig. Bij ernstige enkelvoudige dyslexiezorg gaat het om hardnekkige problemen bij het leren lezen en/of schrijven (spellen), die ook met extra ondersteuning in de klas niet verholpen kunnen worden. ‘Enkelvoudig’ slaat op het feit dat er geen sprake dient te zijn van een algemene ontwikkelingsachterstand (verstandelijke beperking) of ernstige gedragsproblematiek, die de behandeling van de ernstige dyslexie onmogelijk maken. Het onderzoek en de behandeling dient plaats te vinden conform de professionele (landelijk) standaard voor dyslexiezorg (zie onder ander het Masterplan dyslexie). Hierover worden afspraken gemaakt in de contracten met de aanbieders. Tweede lid Een door het college (in samenspraak met het onderwijs) aangewezen poortwachter is verantwoordelijk voor de controle van het leerling-dossier. Indien dit niet volledig is koppelt de poortwachter dit terug naar de verwijzende school, zodat zij alsnog passende extra begeleiding kunnen inzetten.

Indien het leerlingdossier op orde is geeft de poortwachter goedkeuring aan de doorverwijzing en kunnen ouders en school contact leggen met een gecontracteerde dyslexieaanbieder naar keuze. Daarnaast spreekt de poortwachter scholen aan op het moment dat zij signaleren dat er veel onvolledige dossiers worden aangeleverd. Derde lid

23

De poortwachter werkt volgens de landelijke, professionele, standaard voor dyslexiezorg. Met dit derde lid wordt de mogelijkheid opgehouden dat college (kern)elementen van deze standaard ook vastlegt in nadere regels.

Paragraaf 4. Toegang overige individuele voorzieningen jeugdhulp

Artikel 3.8 Toegang overige individuele voorzieningen jeugdhulp In dit artikel wordt de toegang beschreven tot het aanbod van niet door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en de landelijke raamcontracten. Bij niet gecontracteerd aanbod neemt het college een besluit tot inzet van jeugdhulp door een niet gecontracteerde aanbieder op basis van een aanvraag van het lokale team of een andere bevoegde professional (bijvoorbeeld arts of gecertificeerde instelling). De gemeente heeft hiervoor een aanvraagformulier en procedure opgesteld, die niet vastliggen in de verordening zelf. Bij het landelijke aanbod liggen afspraken over de toegang vast in de landelijke raamcontracten. Deze afspraken komen erop neer dat de betreffende jeugdhulpaanbieder de cliënt accepteert op basis van een verwijzing (van arts of andere bevoegde professional) en de aanbieder de gemeente na het opstellen van een hulpverleningsplan op de hoogte stelt van de start zorg. Deze jeugdhulpaanbieders hoeven dus niet te wachten met het starten van de zorg totdat het college een besluit heeft genomen. De route naar overige individuele voorzieningen verloopt over het algemeen hetzelfde als die voor specialistische jeugdhulp. Dit houdt onder meer in dat het in het geval van betrokkenheid van het lokale team er een integraal plan wordt opgesteld.

Paragraaf 5: Persoonsgebonden budget

Artikel 3.9 Het Pgb-plan Het Pgb-plan vormt een aanvulling op het integraal plan, maar vervangt deze niet. Hulpvraag en doelen (beoogde resultaten) liggen vast in het integraal plan. Alleen de details met betrekking tot de uitvoerder van de Pgb-zorg liggen vast in het Pgb-plan. Artikel 3.10 Onderscheid formele en informele hulp Eerste lid Voor de bepaling van het Pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere Pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Tweede lid Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er). Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad van de budgethouder. Overigens kunnen niet alle professionals (zoals vrijgevestigde vaktherapeuten) binnen de jeugdhulp zich registeren bij het SKJ.

Derde en vierde lid Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in het tweede lid van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende Pgb-tarief.

24

Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociaal netwerk. Bloedverwantschap ontstaat door geboorte, afstamming van dezelfde voorvader, erkenning, gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of adoptie. Bloedverwanten in de eerste graad zijn:  (adoptie)ouders;  (adoptie)kinderen. Bloedverwanten in de tweede graad zijn:  grootouders;  kleinkinderen;  broers en zussen. Artikel 3.11 Vaststellen hoogte persoonsgebonden budget Eerste lid Met jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten zijn afspraken gemaakt over de tarieven voor de te leveren zorg. Voor jeugdhulpverleners die in het kader van een persoonsgebonden budget door ouders zelf betaald worden gelden deze afspraken niet. De jeugdige en zijn ouders wordt gevraagd in goed overleg met het lokale team een inschatting te maken van de benodigde inzet, uitgedrukt in aantal uren, dagdelen of etmalen (afhankelijk van de aard van de zorg). Het lokale team maakt vervolgens een inschatting of het door de Pgb-zorgverlener gevraagde aantal uren, dagdelen of etmalen en tarief reëel is en neemt hierover een besluit.

Voor het berekenen van de maximale hoogte van het budget wordt uitgegaan van een vast tarief per zorgsoort. In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 mei 2017 heeft de rechter in een zaak van de gemeente Emmen bepaald dat de essentialia van het voorzieningenpakket in de verordening dienen te worden vastgelegd. Hieronder valt ook de tariefdifferentiatie van het Pgb. De rekentarieven zijn als gevolg van voornoemde uitspraak in de verordening opgenomen. De hier vastgelegde tarieven zijn rekentarieven die gebruikt worden om de hoogte van het Pgb te berekenen. Het staat budgethouders vrij om een zorgverlener te contracteren die een hoger of lager tarief hanteert. Bij een hoger tarief dan het rekentarief dient de budgethouder zelf de extra kosten voor zijn/haar rekening te nemen (of genoegen te nemen met minder uren, dagdelen of etmalen inzet). Wanneer het tarief lager is dan het rekentarief heeft de budgethouder de vrijheid om meer uren zorg in te zetten. Tweede lid, onderdeel a, categorie I Onder formele hulp als het gaat om ambulante hulpverlening door inzet van praktische begeleiding en ondersteuning wordt verstaan: het (langdurig) aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen.

Tweede lid, onderdeel a, categorie II Onder formele hulp als het gaat om ambulante hulpverlening door inzet van specialistische begeleiding wordt verstaan: specialistische begeleiding gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag. Tweede lid, onderdeel a, categorie III

25

Onder formele hulp als het gaat om ambulante hulpverlening door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) GGZ-behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk. Tweede lid, onderdeel b, categorie I Onder formele hulp als het gaat om dagbehandeling of –begeleiding in groepsverband door inzet van praktische begeleiding en ondersteuning in groepsverband wordt verstaan: het in groepsverband (langdurig) aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen. Tweede lid, onderdeel b, categorie II Onder formele hulp als het gaat om dagbehandeling of –begeleiding in groepsverband door inzet van specialistische behandeling in groepsverband wordt verstaan: specialistische begeleiding in groepsverband gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag en/of waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.

Tweede lid, onderdeel c, categorie I Onder formele hulp als het gaat om verblijf met lichte begeleiding wordt verstaan: 24-uurs verblijf gericht op ontlasting van het gezin en op aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen. Inclusief begeleiding en/of persoonlijke verzorging. Tweede lid, onderdeel c, categorie II Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische begeleiding wordt verstaan: 24-uurs verblijf gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag, in groepsverband aangevuld met individuele begeleiding. Tweede lid, onderdeel c, categorie III Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische behandeling wordt verstaan: 24-uurs verblijf voor jeugdigen met (ernstige) (lichamelijke) beperkingen waarbij specialistische kennis nodig is en/of medische handelingen uitgevoerd moeten worden waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.

Tweede lid, onderdeel d Onder formele hulp als het gaat om vervoer van de jeugdige wordt verstaan: het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, voor zover naar het oordeel van het lokale team noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid (Jeugdwet artikel 2.3, tweede lid). Derde lid: Voor het informele hulp gelden lagere tarieven. Logeeropvang wordt gezien als een tegemoetkoming, waardoor geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, zie hiervoor de Regeling Jeugdwet.

26

Vierde lid: In dit lid is opgenomen dat de bedragen in het tweede lid jaarlijks worden geïndexeerd. Omdat de consumentenprijsindex (cpi) pas lopende het jaar bekend is, wordt gekeken naar de cpi van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar. Voor de indexatie van het jaar 2022 geldt dus de consumentenprijsindex van 2020. Vijfde lid: Het college draagt zorg voor de bekendmaking van de geïndexeerde bedragen. Artikel 3.12 Verstrekken persoonsgebonden budget formele hulp en informele hulp De formele zorgverlener dient te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. Deze kwaliteitseisen gelden ook voor de formele zorgverleners die door middel van een Pgb worden ingezet. In het jeugddomein komt het veelvuldig voor dat een persoonsgebonden budget gebruikt wordt om informele zorg, bijvoorbeeld geleverd door de ouder zelf, te bekostigen. Gemeenten mogen op grond van de Jeugdwet (artikel 8.1.1 derde lid) hieraan beperkingen stellen. De informele zorgverlener dient ook aan een aantal minimale kwaliteitscriteria te voldoen die horen bij de aard van de geboden ondersteuning. Dit betekent dat niet alle kwaliteitseisen die in de Jeugdwet gesteld worden aan jeugdhulpaanbieders onverkort voor de informele zorgverlener gelden, maar er wel basisvereisten zijn.

Zo wordt geen registratie in een beroepsregister (SKJ of BIG) verwacht, maar kan de informele zorgverlener wel gevraagd worden aan te tonen over de juiste kennis en expertise te beschikken en/of ondersteuning door een professionele zorgverlener richting de informele zorgverlener goed geregeld te hebben. Eerste lid, onderdeel a Zie de toelichting bij artikel 3.10. Eerste lid, onderdeel b Het hulpverleningsplan is in overleg met de jeugdige en ouders opgesteld. Het geeft planmatig aan welke activiteiten worden ingezet om de in het integraal plan geformuleerde doelen (beoogde resultaten) te realiseren. Het moet aannemelijk zijn dat deze activiteiten uitgevoerd zullen worden zoals in het hulpverleningsplan voorgenomen en dat deze activiteiten adequaat zijn om de beoogde resultaten te realiseren. Eerste lid, onderdeel c De zorgaanbieder moet over een aantoonbaar werkzaam kwaliteitssysteem beschikken. Dit kan blijken uit een certificaat van de volgende keurmerken: ISO 9001, EN 15224, HKZ, Prezo of Kiwa (ZZP en kleine ondernemers). Een zorgaanbieder die niet over een certificaat beschikt moet op een andere manier aantonen een werkend systeem te hebben voor het beheersen, bewaken, borgen en verbeteren van de kwaliteit van de hulpverlening. Eerste lid, onderdeel d Spreekt voor zich.

Eerste lid, onderdeel e In dit lid is opgenomen dat de hulpverlener die formele hulp verleent het mogelijk maakt dat een vertrouwenspersoon zijn taak uit kan voeren. Vertrouwenspersonen kunnen onafhankelijk informatie en advies geven aan jeugdigen en ouders die vragen hebben over de jeugdhulp. De vertrouwenspersoon kan

27

jeugdigen en ouders ondersteunen bij het bespreekbaar maken van vragen, problemen of klachten en daarover helderheid te krijgen. Tweede lid, onderdeel a De sociale nabijheid van de informele hulpverlener staat – daar waar het om daghulp gaat – kwalitatieve zorg in de weg nu de vereiste professionele afstand dan niet geboden kan worden. Tweede lid, onderdeel b Deze bepaling is een uitwerking van artikel 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet dat de gemeenteraad de bevoegdheid geeft te bepalen onder welke voorwaarden de Pgb-houder de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Tweede lid, onderdeel c, categorie i Spreekt voor zich. Tweede lid, onderdeel c, categorie ii In dit lid is opgenomen dat de informele hulpverlener beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG). Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. De verlener van informele hulp is verplicht de VOG desgevraagd te overhandigen aan het lokale team. De Jeugdwet maakt voor de geldigheid van de VOG onderscheid tussen wel en niet onder een rechtspersoon werkende jeugdhulpverleners. De Jeugdwet bepaalt dat voor niet onder een rechtspersoon werkende jeugdhulpaanbieders (en vertrouwenspersonen) de VOG niet ouder mag zijn dan drie jaar. De gedachte die daar achter zit is de volgende: Lid 4 (art.

4.1.6) regelt dat ook een jeugdhulpaanbieder die solistisch jeugdhulp verleent, dient te beschikken over een VOG van zichzelf. Het lijkt niet nodig om voor te schrijven dat een jeugdhulpaanbieder die solistisch jeugdhulp verleent de VOG steeds ongevraagd moet tonen aan elke jeugdige of ouder aan wie hij jeugdhulp verleent. Wel kan een jeugdige of ouder, bijv. bij de keuze voor een zzp’er, naar de VOG vragen en dan zal de zzp’er hem uiteraard een VOG moeten kunnen tonen. Het zou te ver gaan van de solistisch werkende jeugdhulpaanbieder te verlangen dat hij bij iedere nieuwe opdracht die hij aanneemt, een nieuwe VOG aanvraagt en anderzijds moet worden voorkomen dat de VOG veroudert zonder dat er iemand is die zich vergewist van de geschiktheid van de zzp’er voor zijn werk. Om die reden is opgenomen dat de VOG niet ouder mag zijn dan drie jaar. Voor rechtspersonen geldt dat de VOG vóór aanvang van de werkzaamheden in bezit moet zijn van de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling. De VOG mag daarom op het moment dat de betrokkene gaat werken voor de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling niet ouder zijn dan drie maanden. Tweede lid, onderdeel c, categorie iii Spreekt voor zich. Tweede lid, onderdeel c, categorie iv In dit lid is opgenomen dat de informele hulpverlener calamiteiten direct meldt aan het lokale team.

Meer informatie hierover is te vinden in de meldplicht calamiteiten, de richtlijn van de Inspectie voor de Gezondheidzorg en Jeugd.

28

Tweede lid, onderdeel c, categorie v Spreekt voor zich. Tweede lid, onderdeel d Deze bepaling is opgenomen ter voorkoming van overbelasting van de informele hulp. De overbelasting wordt getoetst aan de arbeidstijdenwet. Verricht een informele hulpverlener ook betaalde arbeid dan mag hij in totaal gemiddeld 48 uur per week werken, conform de Arbeidstijdenwet. Het Pgb kan in deze gevallen (deels) geweigerd worden om zo overbelasting te voorkomen. Derde lid In dit lid is opgenomen dat als uit de toepassing van het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling blijkt dat hulp geboden moet worden door een geregistreerde professional, dit de inzet van iemand uit het sociaal netwerk uitsluit. Vierde lid In dit lid is opgenomen dat er geen mogelijkheid is tot het opnemen van een verantwoordingsvrij bedrag. Vijfde lid Artikel 8.1.1 tweede lid aanhef en onder a van de wet stelt – voor zover van belang – als voorwaarde voor het verstrekken van een Pgb dat de cliënt naar het oordeel van het college met hulp van zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het betreft onder andere taken als het aangaan van een overeenkomst, het aansturen van de hulpverleners en het bijhouden van een administratie.

Als een hulpverlener het Pgb beheert waaruit hij tevens bekostigd wordt, kan dit leiden tot belangenverstrengeling. Dit is ongewenst, omdat het belang van de hulpverlener niet boven dat van de cliënt mag gaan. Opgemerkt wordt dat het in gevallen denkbaar is dat de dubbelrol onvermijdelijk is. Het gaat dan om uitzonderlijke gevallen van bijvoorbeeld een eenoudergezin waarin er niemand anders is die het Pgb kan beheren. In deze uitzonderlijke gevallen kan het college (het Ouder- en Kindteam) toestemming voor de dubbelrol geven.

Paragraaf 6: Nieuwe feiten en omstandigheden

Artikel 3.13 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de wet is de gemeente verplicht bij verordening regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget. De tekst van dit artikel is grotendeels ontleend aan de bepalingen rond bestrijding van misbruik die de wet stelt in het kader van het verstrekken van persoonsgebonden budgetten (artikel 8.1.2 tot en met 8.1.4). We herhalen in de verordening de wet om de leesbaarheid te vergroten. Bovendien wordt de toepassing van deze regels verbreed naar voorzieningen in natura. Ten slotte, het intrekken of herzien van een besluit kan natuurlijk ook relevant zijn als in gevallen waar geen sprake is van misbruik, maar gewoon van een gewijzigde (inschatting van de) situatie. Artikel 3.14 Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik Eerste lid Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 3.13 lid 1 van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een Pgb. Het college moet de jeugdige en

29

ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen. Tweede lid In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Derde lid In deze bepaling is vastgelegd dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie ook artikel 5:14 Awb). De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb. Vierde lid Spreekt voor zich.

Artikel 3.15 Opschorting betaling uit het Pgb Eerste lid In bepaalde situaties is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het Pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of herziening van het verleningsbesluit. Met opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Daarom is de mogelijkheid voor het college toegevoegd om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: 1.

de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; 2. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, of; 3. de jeugdige of zijn ouders het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken. Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige niet langer voldoende in staat is op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de individuele voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt ingezet. Uiteraard moet het college het verzoek motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting van de betaling. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg. Tweede lid

30

In lid twee wordt specifiek de mogelijkheid geboden om de betalingen uit het Pgb gedeeltelijk of geheel op te schorten en de SVB dit gemotiveerd te verzoeken, in het geval er sprake is van een (tijdelijke) opname in het kader van de Wet langdurige zorg. Derde lid In lid drie wordt bepaald dat de budgethouder schriftelijk op de hoogte wordt gesteld van het verzoek om geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het Pgb op basis van lid een of twee.

Hoofdstuk 4 Afstemming met andere voorzieningen

Op basis van de Jeugdwet artikel 2.9 zijn gemeenten verplicht in hun verordening op te nemen hoe de afstemming met andere voorzieningen geregeld is. Afstemming met andere voorzieningen is belangrijk in het kader van het integraal plan, dat immers alle domeinen betreft (voor zover van toepassing voor de adequate hulpverlening). In de afstemming met andere voorzieningen is het ook belangrijk dat er oog is voor jeugdigen die niet primair zelf een jeugdhulpvraag hebben, maar doordat zij mantelzorger zijn wel behoefte hebben aan ondersteuning. Artikel 4.1 Overgang naar volwassenheid Eerste lid In dit lid is verwoord dat er tijdig afstemming plaatsvindt. Er is niet gekozen voor een vast moment omdat dit per hulpvraag kan verschillen. In de regel zal de afstemming plaatsvinden als de jeugdige 16,5 jaar is. Tweede lid Als er sprake is van verlengde jeugdhulp vindt het moment van afstemming logischerwijs op een nader moment plaats. Dit moment is mede afhankelijk van de verwachte duur van de ingezette jeugdhulp. In ieder geval is er altijd sprake van een tijdige afstemming waarbij rekening wordt gehouden met de doorloop- en wachttijden om voor een andere voorziening in aanmerking te komen. Derde lid Er is een rol weggelegd voor het lokale team door ouders er op te wijzen dat er sprake is van een andere voorziening vanaf het 18e jaar.

Ook is er een inspanningsverplichting opgenomen voor het lokale team als het gaat om zorgcontinuïteit. Er wordt over inspanning gesproken omdat het lokale team niet beslist over de inzet van de andere voorziening. Artikel 4.2 Afstemming gezondheidszorg Eerste lid In dit lid wordt gedoeld op de specialistische jeugdhulp die voorheen viel onder de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen. Deze zorg valt vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet. Zorgverzekeraars stellen aan zorgaanbieders eisen met betrekking tot de toegang. Zo moet er een rechtmatige verwijzer zijn in de vorm van een huisarts, jeugdarts of medisch specialist. Het Ouder- en Kindteam of het wijkteam kan voor een dergelijke verwijzing zorgen, of door contact op te (laten) nemen met de huisarts, of door de jeugdarts een verwijzing te laten schrijven. Tweede lid Vanaf hun achttiende verjaardag zijn jeugdigen niet meer automatisch meeverzekerd met hun ouders. Zij dienen zelf een zorgverzekering af te sluiten. Bovendien geldt voor hen vanaf die leeftijd ook een eigen risico. Beide kunnen een belemmering vormen voor de jeugdige om de behandeling voort te zetten. Het lokale team is hier alert op en kan de jeugdige zo nodig bij deze veranderingen en nieuwe verantwoordelijkheden ondersteunen.

31

Artikel 4.3 Afstemming langdurige zorg Eerste lid Wanneer jeugdigen levenslang en levensbreed zorg nodig hebben vallen zij onder de Wet langdurige zorg (Wlz). Bij kinderen is dit echter nog niet altijd makkelijk vast te stellen, omdat zij nog volop in ontwikkeling zijn. De lokale teams, en dan met name de Ouder- en Kindteams en het wijkteam, ondersteunen de jeugdige en zijn ouders, zo nodig, bij de aanvraag bij het Centraal indicatieorgaan zorg (CIZ), die over toegang tot de langdurige zorg gaat. Tweede lid Dit lid is gebaseerd op de Jeugdwet, artikel 1.2 eerste lid onderdeel c:”Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen:...indien het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.” Hierbij zal natuurlijk altijd het belang van het kind voorop staan. De jeugdige mag nooit het slachtoffer mogen worden van onwillige ouders.

Artikel 4.4 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht Eerste lid In artikel 2.7 eerste lid van de Jeugdwet staat: “Het college treedt bij het treffen van een individuele voorziening zo nodig in overleg met het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of van een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waar de jeugdige schoolgaand is.” In Amsterdam is ervoor gekozen om aan elk zorgteam het Ouder- en Kindteam te verbinden. De ondersteuning gebeurt natuurlijk altijd in overleg met (en in bijzijn van) de jeugdige en zijn ouders. Het zorgteam kijkt samen met de ouders en jeugdige welke ondersteuning nodig is, zowel binnen de school als in de thuis- en gezinssituatie. Het Ouder- en Kindteam of het wijkteam besluit - in overleg met het zorgteam en ouders en jeugdige - welke ondersteuning noodzakelijk is. Tweede lid De leerplichtambtenaren van gemeente zijn verantwoordelijk voor de handhaving van de Leerplichtwet. Problemen van jeugdigen uiten zich niet zelden in de vorm van (langdurig of frequent) schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten. Afstemming tussen leerplichtambtenaar, school én professional van het Ouderen Kindteam/wijkteam Weesp is in dergelijke gevallen van groot belang.

Artikel 4.5 Afstemming maatschappelijke ondersteuning Het hier gestelde betekent dat het lokale team of buurtteam, indien de situatie zich voordoet, afstemming zoekt met een passende Wmo-aanbieder. De jeugdige wordt begeleid en voorbereid op de veranderingen na het 18e jaar, met als beoogd resultaat continuïteit van zorg. Artikel 4.6 Afstemming werk en inkomen Het hebben van schulden en/of het leven in armoede kan gezinnen veel stress opleveren. Deze stress maakt dat mensen op een andere manier beslissingen nemen. Armoede- en schuldenproblematiek kunnen zo op de voorgrond treden dat ouders hun rol als opvoeder niet meer goed kunnen invullen, maar ook dat jeugdhulp minder of niet effectief is. Het is daarom belangrijk om armoede en financiële problemen tijdig te signaleren en ouders zo nodig snel naar de juiste financiële hulp en armoedevoorzieningen toe te leiden. Hierbij kan het lokale team, buurtteam of gecertificeerde instelling een actieve rol hebben: aanvragen van armoedevoorzieningen, het voeren van een gesprek over armoede, zelf een afspraak maken voor de ouder en de drempel zo laag mogelijk maken door bijvoorbeeld samenwerking met de maatschappelijke dienstverlening.

32

Artikel 4.7 Afstemming wonen De Huisvestingswet 2014 (artikel 12) bepaalt dat gemeenten die willen sturen op de verdeling van sociale huurwoningen de regels op dat gebied moeten vastleggen in een huisvestingsverordening. De regels over urgentie en voorrang zijn in Amsterdam opgenomen in de Huisvestingsverordening Amsterdam en de Beleidsregels Urgenties. De beleidsregels geven de specifieke voorwaarden en criteria per urgentiecategorie en doelgroep, waaronder de urgentie uitstroom maatschappelijke opvang en de regeling voor multiprobleemgezinnen. In dit artikel zijn de afspraken zoals vastgelegd in de Beleidsregels Urgenties rond de multiprobleemgezinnen verwoord. Als het gaat om multiprobleemgezinnen kan de procesmanager MPG bij de directie Wonen namens de cliënt(en) een aanvraag doen voor de MPGurgentie. De procesmanager draagt in die gevallen ook zorg voor passende begeleiding (waaronder zo nodig specialistische jeugdhulp) en dat afspraken vastgelegd worden in een Integraal Traject Plan (ITP) oftewel persoonlijk begeleidingsplan.

Hoofdstuk 5 Waarborging prijs-kwaliteit

Op grond van artikel 2.12 van de wet dient de gemeente bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Dit is gevat in dit artikel 5.1. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst uit de modelverordening van de VNG. Er is naast het bepaalde in de wet een Algemene Maatregel van Bestuur in voorbereiding die, in het verlengde van de AMvB voor de Wmo 2015, betrekking heeft op reële prijzen. Deze AMvB is na de inwerkingtreding van toepassing op toekomstige tarieven.

Hoofdstuk 6 Beleidsparticipatie

Artikel 2.10 van de Jeugdwet verklaart artikel 2.1.3, derde lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 van overeenkomstige toepassing. Deze luidt: “In de verordening wordt bepaald op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van deze wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop zij: a. in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen; b. vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; c. worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen; d. deel kunnen nemen aan periodiek overleg; e. onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; f. worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.” In hoofdstuk 6 van deze verordening is in twee artikelen invulling gegeven aan deze verplichting uit de Wmo 2015. Kort worden het Jeugdplatform en de stedelijke adviesraad jeugd beschreven. De facto maakt de stedelijke adviesraad jeugd onderdeel uit van het Jeugdplatform Amsterdam.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 7.1 Overgangsbepalingen Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het recht op zorg dat een jeugdige heeft ontvangen op grond van de ‘oude’ verordening, en de afspraken die gemeente met jeugdhulpaanbieders maakt over de financiering van de hulp in de overgang van 2020 naar 2021. Door het recht op zorg te waarborgen is de continuïteit van jeugdhulp voor de jeugdige en/of zijn ouders gegarandeerd. Geen kind mag de dupe worden van de gewijzigde contractafspraken tussen gemeenten en jeugdhulpaanbieders. Artikel 7.2 Hardheidsclausule Spreekt voor zich.

33

Artikel 7.3 Evaluatie Hiermee stelt de gemeenteraad het college verplicht binnen twee jaar een evaluatie van de verordening op te stellen. Artikel 7.4 Intrekken oude verordening Spreekt voor zich. Artikel 7.5 Inwerkingtreding De verordening treedt in werking op 1 januari 2021. Artikel 7.6 Citeertitel Gekozen is om aan te sluiten op de titel van de oude verordening op de Jeugdwet van Amsterdam, met de toevoeging ‘2021.’

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10830360/1