A - 17 Woningbouw (20) 4. Bijlage beantwoording aanvullende Raadsvragen Woni
Tekst van het document
Beantwoording Raadsvragen Woningbouwplan d.d. 6 april 2023 (n.a.v. Raadscommissie d.d. 22 maart 2023) Voor een toelichting op de uitvoering van het Woningbouwplan 2022-2028 verwijs ik naar de Raadsinformatiebrief d.d. 6 april 2023 met als onderwerp “Uitvoering Woningbouwplan 20222028”. In dit memo worden de technische vragen, en/of vragen die de reikwijdte van het Woningbouwplan te buiten gaan, beantwoord. Vragen van VVD 1. Is het mogelijk om binnen de 20% vrije sector afspraken te maken voor het bouwen van koopwoningen tot een prijs van maximaal 500.000. Zo ja, welke gevolgen zal dit hebben voor de bouw? Antwoord: Afspraken hierover zouden gemaakt kunnen worden in nog te sluiten overeenkomsten. Dergelijke voorwaarden gaan echter in tegen het principe van “vrije sector” en beperken de bewegingsruimte van partijen. Het vrije sector segment is met 20% al relatief beperkt. In de huidige omstandigheden ligt het niet voor de hand deze ruimte in te perken. Hierbij zullen marktpartijen zelf ook een afzetbaar product willen aanbieden, waarmee woningen tot 5 ton vanzelf in beeld komen. Overigens maakt de gemeente al afspraken voor sociale koop tot € 355.000, maar die vallen onder de 40% middensegment. 2.
Wat is de verhouding huur/koop binnen de 20% vrije sector op dit moment? Antwoord: Voor de woningen die in 2022 in aanbouw zijn genomen is de verhouding – binnen de vrije sector – 47% huurwoningen en 53% koopwoningen. Voor de planvoorraad in 2023 is de verhouding vooralsnog (stand van zaken per 1 januari) 31% huurwoningen en 69% koopwoningen. Dit percentage kan verschuiven, voor een aantal projecten is de segmentering nog niet ingevuld en er kunnen nog plannen wijzigen. 3. Op hoeveel plekken in de stad vinden er op dit moment optoppingen plaats? Om hoeveel woningen gaat het? Welke problemen spelen er omtrent optoppingen? Antwoord: Optoppingen worden niet apart bijgehouden, hier is geen uitputtende lijst voor te leveren. In het algemeen is de indruk dat dit om een relatief beperkt aantal woningen gaat. Optoppen is vaak behoorlijk complex. Randvoorwaarden zijn o.a. dat de eigenaar van het bestaande vastgoed moet willen optoppen, het gebouw hiervoor constructief geschikt is, de business case haalbaar is en de eigenaar wil (en kan) investeren.
1
Vragen van DENK 4. in de woonplannen van Amsterdam zijn woonwagenbewoners niet opgenomen. Hoe kijkt dit college hier tegenaan en hoe worden woonwagenbewoners meegenomen in het huisvestingsbeleid? Antwoord: Voor woonwagenbewoners hanteren we een separate toewijzingssystematiek. Hierin geven we de cultuurspecifieke elementen - zoals het wonen in familieverband - een plek. Ook hier moeten we schaarste verdelen en zorgen voor een transparante verdeling van standplaatsen op basis van wachttijd. Daarnaast is er de ambitie om het beheer van de woonwagenlocaties op termijn over te dragen aan de corporaties. Er wordt - in opdracht van wethouder Pels - door de directie Wonen op dit moment gewerkt aan een beleidskader Woonwagens 2023 2026. Behandeling van het beleidskader is voorzien in staf en B&W in april . Medio mei/juni is de Raadscommissie gepland. De planning is afhankelijk van de reactie van wethouder Pels en vervolgens het college van B&W. 5. -
Wat is de mogelijkheid om woningen in huurkoopconstructie te bouwen? Welke mogelijkheden zijn er om een woning te bemachtigen? Is het college bereid om woningen te realiseren voor mensen die uit religieuze principes geen hypotheek mogen aannemen vanwege de rente? Hoeveel van deze mensen houden een (sociale) huurwoning bezet, die vrij zou kunnen komen bij het aanbieden van een woning met huurkoopconstructie?
Antwoord: Onderzoeksbureau RIGO doet in opdracht van het college onderzoek naar instrumenten voor de bouw van sociale koopwoningen. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden voor huurkoopconstructies. Naar verwachting wordt medio 2023 de uitkomst van het onderzoek gedeeld met de raad. Welke mogelijkheden er zijn om een woning te bemachtigen is een zeer algemene vraag. Het Rijk werkt aan een wijziging van de Huisvestingswet 2014. Deze wetswijziging maakt toewijzing van sociale koopwoningen mogelijk aan starters en middeninkomens. Bij toewijzing van sociale koopwoningen in de nieuwbouw kan voorrang worden gegeven aan personen uit vitale beroepsgroepen ten opzichte van andere woningzoekenden (met maatschappelijke en economische binding). Het college is op dit moment niet bezig met het verkennen van de mogelijkheden van een hypotheek voor mensen die uit religieuze redenen geen hypotheek mogen afsluiten. Hoeveel huishoudens in een (sociale) huurwoning wonen die vrij zou kunnen komen bij het aanbieden van een sociale koopwoning of een woning met een huurkoopconstructie is niet te achterhalen. Dat hangt van te veel factoren af waaronder bijvoorbeeld verhuisgeneigdheid, inkomen, locatie van de nieuwe woning, woninggrootte en prijsniveau.
2
Vragen van CDA 6. Hoe verhoudt 40-40-20 zich tot “2/3 betaalbaar bouwen” uit de woondeal MRA? De woondeal bevat afspraken dat het Rijk zich inspant om een aantal knelpunten weg te nemen en dat de gemeenten daardoor woningbouw goed kunnen faciliteren. Daarbij is uitgegaan van 2/3 betaalbaar bouwen. Met de 40-40-20 eis leg je een extra restrictie op aan marktpartijen, vergeleken met 2/3 betaalbaar. Ik kan me voorstellen dat dit tot extra kosten (compensatie) en/of tot minder inkomsten bij de gemeente leidt vanuit grondexploitatie. Nu vraagt de gemeente naar het Rijk voor financiële steun om de woningbouw op peil te houden. Is het College van mening dat de steun van het Rijk zich moet richten op het mogelijk maken van de plannen 2/3 betaalbaar wonen of is het College van mening dat de steun van het Rijk zich moet richten op het realiseren van 40-40-20? Antwoord: Eén van de kernafspraken in de Woondeal MRA is: “Voldoende woningen in alle segmenten, met in het bijzonder voldoende betaalbare woningen voor lagere en middeninkomens, verspreid over de regio.” De Amsterdamse “40-40-20” en de “ 2/3 betaalbaar “ van het Rijk versterken elkaar om deze regionale inzet te realiseren, dit bijt elkaar niet. 7.
De planvoorraad is veel te krap, zeker als je met een slagingspercentage van 50-60% rekent. Is het, om het slagingspercentage naar boven te krijgen, dan niet verstandiger om op 30-40-30 in te zetten?
Antwoord: Voor de periode 2023 t/m 2026 is de planvoorraad met ca 56.000 woningen goed op niveau en biedt perspectief op een productie van gemiddeld 7.500 woningen per jaar. Omzetten van programma naar meer vrije sector is hierbij niet per definitie een “oplossing” in deze tijd. Financiering van en vraag naar vrije sectorwoningen staan onder druk. 8. Versimpelen van regels en versnellen waar mogelijk is verstandig. In de praktijk zal dat weerbarstig zijn: je wil namelijk ook iet dat versimpelen van regels leidt tot het veronachtzamen van inspraakprocedures, bijvoorbeeld. Daarom is het juist bij een “container-begrip” onderwerp als dit belangrijk om heel concreet te zijn. Waar gaat de wethouder op sturen? Wanneer is dit deel van het plan succesvol? Als de doorlooptijd van een project gemiddeld met X afneemt? Als er Y- minder regels zijn? Graag zie ik meer SMART welke doelstellingen er nagestreefd worden en zie ik deze terug in de doelenboom bij de voorjaarsnota. Kan de wethouder dat bevestigen? Antwoord: Het klopt dat “versnellen en versimpelen” een containerbegrip is, Vandaar dat in het Woningbouwplan binnen het thema “Versnellen en versimpelen” verschillende concrete acties zijn benoemd. Zie voor de stand van zaken de Raadsinformatiebrief d.d. 6 april 2023 met als onderwerp “Uitvoering Woningbouwplan 2022-2028” .
Middels de Woningbouwrapportages vindt monitoring van de voortgang plaats. De acties zijn geen onderdeel van de voorjaarsnota.
3