CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 17 Ruimtelijke Ordening (23) Ecologisch onderzoek Amsterdam Zuideinde 36

RAAD 20 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Zuideinde 366 VN2023-0159287.975 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zuideinde 366 te Amsterdam

G&G-rapport 2023-056

Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Zuideinde 366 te Amsterdam Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving

L. Hartog

2023

Opdrachtgever SpaceToLive Ontwikkeling B.V.

G&G-rapport 2023-056

Datum Versie

31 augustus 2023 v1

Gecontroleerd door: W. Peters

De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Zuideinde 366 te Amsterdam

3

Inhoudsopgave 1

2

Inleiding

4

1.1

Aanleiding tot het onderzoek .................................................................................. 4

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 5

1.3

Ligging van het plangebied ...................................................................................... 5

1.4

Geplande werkzaamheden ...................................................................................... 5

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 6

Methode 2.1

7

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten .................................................... 7 2.1.1 Huismus ..................................................................................................................... 7 2.1.2 Gierzwaluw ................................................................................................................ 8

2.2

Vleermuizen ........................................................................................................... 10 2.2.1 Veldbezoeken .......................................................................................................... 11

3

4

Resultaten broedvogels 3.1

Huismus ................................................................................................................. 15

3.2

Gierzwaluw ............................................................................................................ 16

Resultaten vleermuizen 4.1

5

15

17

Gewone dwergvleermuis ....................................................................................... 17

Effectbeoordeling en maatregelen

19

5.1

Huismus ................................................................................................................. 19

5.2

Gierzwaluw ............................................................................................................ 19

5.3

Vleermuizen ........................................................................................................... 19

5.4

Overige broedvogels .............................................................................................. 19

5.5

Zorgplicht ............................................................................................................... 20

6

Conclusies en aanbevelingen

21

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

22

8

Bijlagen

24

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

4

1

Inleiding 1.1

Aanleiding tot het onderzoek Er bestaan plannen bebouwing aan Zuideinde 366 te Amsterdam te slopen en op het vrijgekomen perceel nieuwbouw te realiseren. Amsterdam ligt in de gelijknamige gemeente in de provincie NoordHolland. Het is mogelijk dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten of vleermuizen verblijven in de te slopen bebouwing. Ook is het mogelijk dat deze soorten het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied. De aanwezigheid van deze potentie is aangegeven in een eerder uitgevoerde ‘ecologische quickscan’ (PETERS, 2022). Om dit nader te onderzoeken heeft SpaceToLive Ontwikkeling B.V. opdracht gegeven aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uit te voeren naar deze soorten. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode september 2022-april-juli 2023. De inventarisatie is uitgevoerd door medewerkers van bureau Van der Goes en Groot. Dit rapport doet verslag van het onderzoek.

De ligging van het plangebied (rood omlijnd).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

1.2

5

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen binnen het plangebied.

1.3

Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied ligt in de stedelijke omgeving van Amsterdam Noord en wordt omringd door woonwijken. Ten westen van het plangebied staan enkele hoge galerijflats. Op 600 meter afstand ten noorden van het plangebied loopt de ringweg A10. Daarachter bevindt zich een waterrijk poldergebied.

1.4

Geplande werkzaamheden De huidige bebouwing in het plangebied zal worden gesloopt. Vervolgens wordt de grond bouwrijp gemaakt, waarna er tien nieuwbouwwoningen gerealiseerd worden met bijbehorende parkeerruimte. Ook alle aanwezige groenstructuren binnen het plangebied zullen worden verwijderd. Het plangebied wordt vervolgens heringericht met een groeninrichtingsplan, opgesteld door Sweco. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit sloop van gebouwen met benodigd hak- breek- en zaagwerk, zware constructie werkzaamheden, het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem, het opbrengen van grond en het kappen en rooien van struiken en/of bomen. Bij uitvoering van het werk kan door geluid, trillingen of licht verstoring optreden van (beschermde) soorten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

6

1.5

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3-4 worden de resultaten beschreven en wordt aangegeven welke soorten zijn aangetroffen binnen en eventueel nabij het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden door de uit te voeren werkzaamheden welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn en of een ontheffing van de Wnb noodzakelijk is. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies met noodzakelijke vervolgstappen. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 tenslotte, geeft een overzicht van de gebruikte literatuur. In de bijlages is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag. Eventueel zijn (indien relevant) verspreidingskaarten opgenomen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

2

7

Methode 2.1

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Alleen vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd, zijn geïnventariseerd tijdens het onderzoek. Het betreft in dit geval de Huismus en Gierzwaluw. Deze soorten komen voor in de omgeving van het plangebied (NDFF 2013-2023, PETERS, 2022) en kunnen gevestigd zijn in de aanwezige bebouwing binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden in het plangebied. Tijdens de inventarisatie ook gelet op eventueel andere aanwezige jaarrond beschermde broedvogels of andere beschermde soorten. Alle waarnemingen zijn op locatie gekarteerd. De codes zijn gestipt met behulp van een mobiele telefoon of veldtablet.

2.1.1

Huismus Het onderzoek is uitgevoerd conform het KENNISDOCUMENT HUISMUS, VERSIE 2.1, BIJ12 februari 2023. Het plangebied is op 17 april en 8 mei 2023 bezocht om de verblijfplaatsen en terreingebruik van Huismussen te inventariseren, zie Tabel 1. Tussen de verschillende bezoekrondes lag minimaal tien dagen. De bezoeken vonden allen plaats minimaal één uur na zonsopkomst en één uur voor zonsondergang en niet tussen 11:30 en 15:30, wanneer de activiteit soms lager is dan gedurende de ochtend- en avonduren. Twee van de rondes zijn gelopen tijdens de optimale onderzoeksperiode (1 april t/m 15 mei). Tijdens de veldbezoeken was geen sprake van langdurig geluidshinder, substantiële neerslag, zware bewolking en werd niet geïnventariseerd bij een windkracht hoger dan 4 Bft of te hoge- of lage temperaturen. Door langzaam rond te lopen en te luisteren en te posten wordt duidelijk of de Huismus aanwezig is binnen het plangebied en waar deze verblijft. Bij elke ronde van het onderzoek is het gehele plangebied bezocht. Tijdens het onderzoek is gebruik gemaakt van verrekijker met 8x of 10x vergroting.

Overzicht bezoekrondes inventarisatie Huismus.

Ronde/ Datum

Tijd

Duur

Weersomstandigheden

1 17 april

7:30:8:30

1 uur

Droog, bewolking 4/8, wind ZW-3, 10 °C

2 8 mei

9:00-10:00

1 uur

Droog, bewolking 8/8, wind ZW-2, 14,6 °C

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

8

Zowel nestindicatieve waarnemingen als waarnemingen van (territoriale) vogels in geschikt broedbiotoop zijn op locatie gekarteerd. De waarnemingen van de Huismus zijn zo exact mogelijk op de daadwerkelijke nestlocatie gekarteerd. Indien mogelijk werd gewacht met het stippen tot vogels op of nabij de daadwerkelijke nestplaats (zoals op dakgoten, pannendaken en naast dakkapellen) aanwezig waren. De locaties van de stippen zijn vervolgens gebruikt om kaarten te maken. Na afloop van de bezoekrondes zijn de stippen per ronde geïnterpreteerd, handmatig geclusterd en is het aantal territoria bepaald. Hierbij is een kleinere fusieafstand van ongeveer 25 meter tussen nestindicerende waarnemingen genomen (in verband met kans op ondertellen), dan de vaste fusieafstand van 100 meter zoals bij de BMP methode van SOVON wordt gehanteerd. Bij territorium-indicerende waarnemingen is wel de vaste fusieafstand van SOVON (100 meter) aangehouden. De bezoekrondes zijn uitgevoerd door één persoon en duurden steeds een uur. Ook tijdens andere onderzoeken, zoals het Gierzwaluw- en vleermuisonderzoek, is gelet op de aanwezigheid van Huismussen.

2.1.2

Gierzwaluw Het onderzoek is uitgevoerd conform richtlijnen uit het KENNISDOCUMENT GIERZWALUW, VERSIE 1.0, BIJ12, juli 2017. Het plangebied is drie keer bezocht gedurende de periode juni tot half juli. De bezoekrondes zijn uitgevoerd op 5 en 22 juni 2023 en op 14 juli 2023, zie Tabel 3. Hierbij is gelet op territoriale en invliegende vogels. Tussen de verschillende bezoekrondes lag minimaal tien dagen. Elke ronde van het onderzoek duurde minimaal 2 uur, waarvan 1,5 uur voor zonsondergang en een half uur na zonsondergang. Tijdens het veldbezoeken was geen sprake van substantiële neerslag of zware bewolking en werd niet geïnventariseerd bij een windkracht hoger dan 5 Bft of bij temperaturen lager dan 15 °C. Door langzaam te surveilleren en/of gericht te posten en te luisteren in het plangebied, wordt duidelijk of- en waar Gierzwaluwen aanwezig zijn. Tijdens elke inventarisatieronde is het gehele plangebied onderzocht.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

Overzicht bezoekrondes inventarisatie Gierzwaluw.

9

Ronde/ Datum

tijd

Duur

weersomstandigheden

1 5 juni

20:25-22:25

2 uur

Droog, bewolking 1/8, wind NO-3, 14,3 °C

2 22 juni

20:35-22:35

2 uur

Droog, bewolking 8/8, wind N-3, 19,8 °C

3 14 juli

20:25-22:25

2 uur

Droog, bewolking 8/8, wind ZO-3, 19,1 °C

Later op de avond wordt de onderzoeksinspanning, indien nodig, verlegd naar de meest kansrijke locaties. Dit zijn de locaties binnen het plangebied waar eerder laag vliegende of anderszins territoriale of nestindicerende Gierzwaluwen aanwezig waren. Hier wordt langer gepost om zoveel mogelijk de exacte verblijfplaatsen op te sporen. Op later tijdstippen als de dieren verondersteld binnengevlogen zijn, wordt waar nodig kort geluid afgespeeld onder potentiële verblijfplekken. Er wordt gelet op reactie van ouder vogels of jongen vanuit verblijf. Voor het verzamelen van territoriale en nestindicerende waarnemingen in het veld zijn de waarnemingen ingedeeld en genoteerd met verschillende codes (zie Tabel 2). De codes zijn gestipt op locatie met behulp van een mobiele telefoon of veldtablet. In een bijgevoegd ‘kader’ aan het einde van deze methodebeschrijving staat aangegeven waarbij rekening moet worden gehouden in het geval van het inventariseren van Gierzwaluw.

Waarnemingscategorieën Gierzwaluwonderzoek

Code

Uitleg

GZ1

Lager overvliegende vogels; regelmatig aanwezig, tot tientallen meters boven de bebouwing (´rondhangend´)

GZ2

Laag overvliegende- en gierende vogels, langs mogelijke verblijfplaatsen, aantikken en aanklampen, maar niet invliegend

GZ3

In- of uitvliegende dieren (verblijfplaats)

GZ4

Piepende jongen in een nest

GZ5

Gierende volwassen vogels in een verblijfplaats

GZ6

Poepsporen (verblijfplaats)

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

10 Kader: Inventarisatie van de Gierzwaluw.

Ruim de helft van de populatie Gierzwaluwen bestaat uit niet-broeders. Waar broedende Gierzwaluwen precies broeden is niet altijd gemakkelijk te ontdekken, want ze broeden in kieren en gaten in gevels en daken van huizen. Broedplaatsen zijn soms niet te zien vanaf de straatzijde. Meerdere paren kunnen dezelfde vliegopening gebruiken. Het is dus niet zo eenvoudig het aantal broedparen in een gebied te bepalen, zoals dat bijvoorbeeld bij de Koolmees wel kan aan de hand van het aantal zingende mannetjes gedurende een aantal bezoeken. Gierzwaluwen kunnen broeden vanaf hun 2e jaar, maar doen dat meestal pas vanaf hun derde of vierde levensjaar. Gierzwaluwen die broeden slapen in de nestholte terwijl de niet-broeders opstijgen naar hogere luchtlagen.

Het invliegen in de nestholte gebeurt vooral op het einde van de avond, begeleid door gierende nietbroeders. De meeste invliegers worden opgemerkt vanaf ongeveer een 30 minuten voor en 15 minuten na zonsondergang. Daarna wordt het stil in de omgeving van de verblijfplaatsen. Het is niet makkelijk om een invlieger te betrappen. Het invliegen gebeurt snel en het vaststellen ervan hangt deels af van de ervaring van de waarnemer/onderzoeker. Om de trefkans te optimaliseren wordt gewerkt volgens een vast onderzoeksprotocol. Aan het einde van het broedseizoen zijn de nestholtes ook te vinden aan de hand van poepsporen. Er zijn echter ook bezette nestholtes bekend zonder poepsporen.

Bij het maken van de verspreidingskaarten zijn de eerste twee codes gebruikt om het vlieggebied van territoriale Gierzwaluwen te bepalen. De overige vier codes zijn bij elkaar genomen om kaarten te maken van de verblijfplaatsen van Gierzwaluwen per ronde. De bezoekrondes werden uitgevoerd door één persoon en duurden steeds twee uur. Ook tijdens andere onderzoeken, zoals dat naar vleermuizen en Huismussen, is gelet op de aanwezigheid van Gierzwaluw.

2.2

Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming onder het regime van de Habitatrichtlijn. Het doel van het onderzoek is de aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied in kaart te brengen. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van richtlijnen uit het protocol voor vleermuisinventarisaties, opgesteld door het Vleermuisvakberaad (VLEERMUISVAKBERAAD, 2021). Voorafgaand aan het onderzoek is op grond van de eerder uitgevoerde ecologische quickscan en de aanwezige biotopen nagegaan welke soorten vleermuizen redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn binnen het onderzoeksgebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

11

Het onderzoek is op grond daarvan in dit geval met name gericht op de algemenere gebouwbewonende soorten; Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Uiteraard is tijdens het onderzoek ook gelet op aanwezigheid van andere soorten vleermuizen in het plangebied. Bij het aantreffen van ‘bijzondere’ soorten zoals Meervleermuis, Watervleermuis, Baardvleermuis en Gewone grootoorvleermuis, welke mogelijk verblijvend aanwezig zijn binnen het plangebied, worden het aantal bezoekrondes en/of rondetijden aangepast op het protocol voor de desbetreffende soort.

2.2.1

Veldbezoeken Door middel van veldonderzoek zijn de aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied onderzocht. Er zijn in totaal 5 rondes uitgevoerd in de periode augustus 2022 t/m juli 2023. Het aantal rondes is op voorhand, op grond van potentie van verwachte soorten en gebruiksfuncties bepaald. Het plangebied kan door vleermuizen op verschillende manieren worden gebruikt, bijvoorbeeld als verblijfplaats, als (onderdeel van) een vliegroute of als foerageergebied. Deze gebiedsfuncties zijn tijdens het veldwerk onderzocht. Tijdens de quickscan van het onderzoek zijn de relevante elementen, zoals (randen van) opgaande begroeiing, wateren, lijnvormige structuren en luwe en donkere terreindelen in beeld gebracht. Daarnaast zijn de aanwezige gebouwen geïnspecteerd op aanwezigheid van gaten, holtes, kieren en spleten. Bij dit onderzoek en tijdens alle bezoekrondes is met behulp van een sterke zaklamp bij inspecteerbare delen van het plangebied en bij mogelijke verblijfplaatsen gezocht naar sporen van gebruik zoals keutels op verhardingen, poepstrepen bij gaten, vraatresten. Daarnaast is tijdens alle bezoeken van het onderzoek gekeken naar de aanwezigheid van vliegroutes en foerageergebieden in het plangebied. Deze gebruiksfuncties zijn vooral te verwachten in luwe terreindelen van het plangebied en langs lijnvormige landschapselementen.

Bij het bepalen en vaststellen van soorten, aantallen en terreingebruik van vleermuizen wordt gebruik gemaakt van batdetectors (beschikbare modellen Pettersson 240x en Echo Meter Touch Pro). Op de onderzoekslocatie was altijd visuele- en audioweergave van de opgevangen pulsen mogelijk en er was altijd de mogelijkheid geluiden en/of pulsen op te nemen met opnameapparatuur (Echo Meter Touch Pro).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

12

Tijdens het onderzoek werd tevens gebruik gemaakt van warmtebeeld-apparatuur (Lahoux Spotter Elite 35V en Lahoux spotter Pro V). Hiermee kunnen vliegpatronen van baltsende, foeragerende en langsvliegende vleermuizen beter in beeld gebracht worden. Vliegroutes op later tijdstippen kunnen nauwkeurig in beeld worden gebracht. Ook kunnen de aanwezige aantallen vleermuizen nauwkeuriger worden ingeschat en kan in volledige donkere situaties (zoog-)zwermactiviteit, late uitvliegers en terugvliegende dieren naar verblijfplaatsen worden opgemerkt zonder dat hier (kunst)licht voor nodig is. Hierdoor wordt onnodige verstoring van vleermuizen en omwonenden voorkomen. De eerste drie kraam- en zomerrondes (KZ1 t/m KZ3) aan het begin van de zomer, zijn met name gericht geweest op het in kaart brengen van zwermactiviteit bij kraam- of zomerverblijven en in- en uitvliegende dieren. Zwermactiviteit treedt met name op aan het einde van de nacht en wordt onderzocht door op kansrijke plekken te posten en/of door in een laag tempo door het plangebied te surveilleren. Bij een avondbezoek wordt gepost op kansrijke plekken (uitvlieglocaties). De avondrondes worden vooral ingezet om de aanwezigheid en terreingebruik van Laatvlieger vast te stellen. De laatste twee rondes (P1 en P2) zijn vooral gericht geweest op het vaststellen van paarverblijven en baltsactiviteit.

De P1 ronde (eind begin september) is om middernacht gelopen om baltsactiviteit van Ruige dwergvleermuis later in de nacht in beeld te brengen. De P1 ronde is tevens laat ingezet om middernachtelijke zwermactiviteit van Gewone dwergvleermuis vast te kunnen stellen. Deze zwermactiviteit vormt een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van een winterverblijf. Vanwege de geringe grootte van de (geschikte) bebouwing en het beperkte aantal potentieel geschikte plekken in alleen het woonhuis en de positie daarvan voor met name verblijfsgebruik van vleermuizen, is het onderzoek uitgevoerd door één persoon. In het najaar is het niet noodzakelijk vanaf vaste punten het snelle uitvliegen van vleermuizen te volgen en is het onderzoek gericht op langduriger aanwezige sociaal roepende, uit (paar)verblijf roepende, baltsende of zwermende vleermuizen waarbij een minder hoge inspanning voldoet. Tijdens de veldbezoeken was geen sprake van substantiële neerslag en werd er niet geïnventariseerd bij een windkracht hoger dan 4 Bft of bij temperaturen lager dan 8 °C. Tijdens het onderzoek naar vleermuizen is ook gelet op verblijfplaatsen van Gierzwaluw.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

13

Overzicht van de veldbezoeken ten behoeve van het vleermuisonderzoek in het plangebied per ronde (“KZ” = kraamkolonie- en zomerverblijfronde en “P” = paarverblijfronde.

Ronde/ Datum

Tijd

Duur

Weersomstandigheden

Opzet

KZ1 20 mei 2023

3:40-5:40

2 uur

Droog, bewolking,NO-4, 15,4⁰C, 4/8

ochtendbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik

KZ2 5 juni 2023

21:55-23:55

2 uur

Droog, bewolking, NO-3, 14,3⁰C, 1/8

avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik

KZ3 2 juli 2023

21:50-23:50

2 uur

Droog, bewolking,W-4, 17,4⁰C, 5/8

avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik

P1 8 sept 2022

00:00-02:00

2 uur

Droog, bewolking, Z-3, 18⁰C, 7/8

middernacht paarverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik

P2 28 sept 2022

21:10-23:10

2 uur

Droog, bewolking ZW 2, 10,4⁰C, 6/8

avondbezoek paarverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik

Een overzicht met de datums, rondetijden, weersomstandigheden en de onderzoeksopzet van de uitgevoerde onderzoeksrondes wordt weergeven in Tabel 4.

2.2.2

Relatie met het vleermuisprotocol Het vleermuisprotocol is een richtlijn op grond waarvan het onderzoek zo goed mogelijk is uitgevoerd. Dit houdt in dat de uiteindelijke onderzoeksopzet is gebaseerd op grond van aanwezige biotopen en potenties in het onderzochte plangebied. In het geval van het betreffende plangebied zijn de hieronder genoemde keuzes gemaakt om de resultaten te optimaliseren. De bebouwing binnen het plangebied is laag, wordt onregelmatig verwarmd en heeft weinig bufferende capaciteit ten aanzien van warmte. Daarom worden geen bijzondere constante en koele microklimaten verwacht ten aanzien van warmte en vocht en is de bebouwing naar verwachting niet geschikt als (massa)winterverblijf voor Gewone dwergvleermuis. Het middernachtzwermen van deze soort wordt daarom niet op voorhand verwacht. Omdat bovenstaande slechts een inschatting betreft en een (massa) winterverblijf als een belangrijke vast te stellen gebruiksfunctie wordt beschouwd, is één van de rondes van het onderzoek toch in de optimale periode uitgevoerd. Door deze laat uitgevoerde bezoekronde wordt tevens ondervangen dat baltsactiviteit op verschillende momenten in de nacht wisselende intensiteit kan hebben.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

14

In de andere (najaars)bezoeken is ook op nachtelijk zwermgedrag gelet. Bij (massa)winterverblijven is dit gedrag ook eerder in de nacht waarneembaar en kan dit gedurende langere tijd, tot ver in september, doorgaan.

Nachtelijk onderzoek naar vleermuizen met behulp van een batdetector (archieffoto G&G).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

3

15

Resultaten broedvogels 3.1

Huismus Tijdens aanvang van de eerste ronde werd een mannetje Huismus zingend in een tuin op 100 meter ten oosten van het plangebied waargenomen. In de omgeving werden verder veel andere nietjaarrond beschermde soorten waargenomen zoals Grote bonte specht, Koolmees, Pimpelmees, Groenling, Vink, Winterkoning, Zanglijster, Merel, Tjiftjaf, Houtduif, Kauw en Halsbandparkiet. In de tweede ronde zijn tijdens de gehele inventarisatie Huismussen gehoord in de omgeving van het plangebied. Eenmaal kwam een mannetje Huismus foerageren in een struik en Klimop aan één van de schuren binnen het plangebied. Deze vloog daarna direct weer terug richting het oosten. Enkele nestlocaties van Huismussen werden vastgesteld op minimaal 50 meter ten oosten van het plangebied. Deze Huismussen vertoonden verder geen binding met de bebouwing van het plangebied. Omdat de soort verblijvende in het plangebied is aangetroffen is geen aparte verspreidingskaart gemaakt.

Mannetje Huismus buiten het plangebied, voor een nestlocatie onder de dakpan boven het dakraam.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

16

3.2

Gierzwaluw In het plangebied werden geen verblijvende Gierzwaluwen of sporen daarvan waargenomen. Tijdens het onderzoek werden slechts enkele hoogvliegende Gierzwaluwen waargenomen. Deze Gierzwaluwen hadden op geen enkele wijze binding aan de bebouwing binnen het plangebied. Op circa 400 meter ten noordoosten van het plangebied werden groepjes laag vliegende en gierende Gierzwaluwen gezien en gehoord. Omdat de soort niet verblijvend aanwezig is binnen het plangebied is geen aparte verspreidingskaart opgenomen.

Blauwe reiger binnen het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

4

17

Resultaten vleermuizen In het plangebied is slechts één soort vleermuis, namelijk de Gewone dwergvleermuis vastgesteld. Er werden foeragerende exemplaren en baltsende vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen in bomen of gebouwen zijn niet vastgesteld. Vanwege de lage aantallen en het ontbreken van verblijven is er geen verspreidingskaart opgenomen. In de volgende paragraaf wordt het voorkomen van de aangetroffen vleermuis in het plangebied kort toegelicht en wordt de leefwijze van deze waargenomen vleermuis in Nederland geschetst.

4.1

Gewone dwergvleermuis In plangebied werd de Gewone dwergvleermuis in alle terreindelen verspreid aangetroffen. De dichtheden en aantallen vleermuizen lagen meestal laag. Er werden in het geheel geen gebouwgerichte activiteiten van vleermuizen waargenomen. De omliggende begroeiing in en net buiten het plangebied werd gedurende de onderzoeksperiode een enkele keer gebruikt door foeragerende vleermuizen. In het najaar werd enkele malen vastgesteld dat foeragerende vleermuizen tevens sociale geluiden maakten. De vleermuizen vlogen in het omringende gebied rond zonder gebouwgericht gedrag zoals het aanvliegen van bebouwing, het herhaald rond bebouwing vliegen of strak langs vliegen van gebouwdelen. Regelmatig werden vanglussen gehoord. Verondersteld wordt dat de vleermuizen werden aangetrokken door deze terreindelen vanwege de foerageermogelijkheden. Op de locaties is sprake van opgaande begroeiing en er waren luwere terreindelen aanwezig. Het is gebruikelijk dat (Gewone) dwergvleermuizen later in het jaar en het vroege voorjaar zeer frequent sociale geluiden tijdens (foerageer)activiteit of langs vliegen laten horen. Mogelijk worden hiermee aanwezige vrouwtjes gelokt naar verblijven elders. Algemeen De Gewone dwergvleermuis is de meest verspreide en talrijkste vleermuissoort in Nederland. Deze soort wordt beschouwd als hoofdzakelijk gebouw bewonend.

Gedurende het hele jaar worden vooral van buiten toegankelijke spouwmuren en besloten ruimtes achter betimmeringen en daklijsten gebruikt. Nachtelijk zwermgedrag rond een verblijfplaats in voorjaar en zomer duidt op de aanwezigheid van (kraam)kolonies.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

18

Door de verborgen leefwijze gedurende de winterperiode zijn overwinterende dieren, die zich dan meestal in kleinere groepen ophouden, vaak onvindbaar. Een sterke aanwijzing voor dergelijke winterverblijven is het voorkomen van zogenaamde middernachtzwermactiviteit in de periode half juli – augustus. Daarnaast is gedurende de baltsperiode in de nazomer en herfst sprake van paargezelschappen die rond paarverblijfplaatsen kunnen worden waargenomen. Mannetjes met paarverblijven worden ook vaak vliegend waargenomen verder weg van hun verblijfplaats en zijn dan vaak niet direct aan een paarverblijfplaats te koppelen. Foerageergebieden bevinden zich overwegend in besloten tot halfopen landschap binnen enkele kilometers van de (zomer)verblijven. Het foerageergebied wordt via vaste en veelal beschutte vliegroutes bereikt, zoals bomenlanen, boszomen en watergangen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

5

19

Effectbeoordeling en maatregelen De aanwezigheid van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten of vleermuizen nabij en binnen het plangebied kan van invloed zijn op de verdere procedure. De effecten die kunnen optreden bij de geplande werkzaamheden worden hieronder beschreven. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren.

5.1

Huismus Er is slechts één Huismus waargenomen binnen het plangebied. Er waren geen nestplaatsen aanwezig. De waargenomen Huismussen in de omgeving toonden in het geheel geen binding met de bebouwing in het plangebied. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Huismus.

5.2

Gierzwaluw Er zijn geen verblijvende Gierzwaluwen waargenomen in of bij de bebouwing van het plangebied. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Gierzwaluw.

5.3

Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens de inventarisaties geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen, er zijn geen negatieve effecten van de ingreep op verblijvende vleermuizen mogelijk. Foerageergebied Het foerageergebied binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Na oplevering van de plannen zal vanwege de gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen. De tijdelijke achteruitgang van foerageermogelijkheden is vanwege de grootte van het plangebied zeer beperkt en kan opgevangen worden omdat vleermuizen kunnen uitwijken naar vergelijkbaar en beter foerageergebied in de omgeving.

5.4

Overige broedvogels In het plangebied zijn geen vogelsoorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen aanwezig. Er kunnen in het plangebied, in het broedseizoen, wél andere soorten broedvogels vestigen met nietjaarrond beschermde nesten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

20

Dergelijke vogelnesten kunnen worden verstoord of vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen, het slopen van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatieve toplaag. Men dient deze activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden daarom buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk, voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels, het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn.

5.5

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren:  Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodem- en gebouw bewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving.  Ontzie groenvoorzieningen zoveel mogelijk tijdens de werkzaamheden en het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen. Gebruik zo klein mogelijke werkbreedtes en probeer dezelfde bouwwegen voor zowel aanvoer als afvoer te gebruiken.  Het verwijderen van groen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan nieuw groen aangeplant worden op dezelfde locaties als waar groen verwijderd wordt. Houd bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan.  Vermijd zware trillingen en sterk geluid bij mogelijk gevestigde natuurwaarden. Bij de werkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts en met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

6

21

Conclusies en aanbevelingen  In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot eind juli.  In het plangebied zijn alleen langsvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen.  Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. Rondvliegende vleermuizen met sociale geluiden vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld.  Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.  Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb.  In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen.

Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.  Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

22

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BARATAUD, M., Y. TUPINIER, H. LIMPENS & A C. BETAIN, 2015. Acoustic Ecology of European Bats. Biotope editions, Publications scientifiques du muséum. ISBN 9782366621440. KWAK, R. VAN, BEUSEKOM, R. VAN, FOPPEN, R., LOUWE KOOIJMANS, J. & DE PATER, K. 2018. Bedreigede vogels van Nederland. Vogels van de Rode Lijst in hun leefgebied. KNNV uitgeverij, Zeist. BIJLSMA, R.G., HUSTINGS F. & C.J. CAMPHUYSEN, 2001. Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2). GMB Uitgeverij/KNNV Uitgeverij, Haarlem/Utrecht. BRIGGS, B. & D. KING, 1998. The Bat Detective. A fieldguide for bat detection. Stag Electronics, West Sussex. BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., A. KIEFFER, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij. Zeist. DIJK A.J. VAN & A. BOELE, 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. GRIMMBERGER, E., 2001. Gids van de Vleermuizen van Europa. Tirion uitgevers B.V., Baarn. HUSTINGS F., BORGGREVE C., VAN TURNHOUT C. & THISSEN J. 2004. Basisrapport voor de Rode Lijst Vogels volgens Nederlandse en IUCN-criteria. SOVON-onderzoeksrapport 2004/13. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap.

Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. PETERS, W., 2022. Zuideinde 366 te Amsterdam. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G-rapport QS2022-155. Van der Goes en Groot, Alkmaar/Kwintsheul. SIERDSEMA, HENK, 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. Staatsbosbeheerrapport 1995-1. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

23

TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING, 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. WISMEIJER, H., 2002. Zoogdieren van Europa. ANWB bv/ TIRION Uitgevers bv, Baarn.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

24

8

Bijlagen

Bijlage 1

Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet Natuurbescherming (Wnb) De Wet Natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn en soorten genoemd in de Europese Vogelrichtlijn. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 5.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.

Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. DR

FL

FR

GL

GR

L

NB

NH

OV

UT

ZH

ZL

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ +

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ + + +

+ + + +

+ + +

+

+

+

+

+

+

+ +

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + +3 + +4 + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker

+ +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +1:geldt in de periode maart-april en juli t/m november +2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

+ +

+

+ +

Zuideinde 366 te Amsterdam

Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de

¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig:  in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid.  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.  ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig:  ter bescherming van flora en fauna.  in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig:  ter bescherming van flora en fauna.  in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.  in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.

 ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘jaarrond beschermde broedvogels’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.

Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Categorie Toelichting codes 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in 4 principe jaarrond zijn beschermd met 2 beschermingscategorie: 3 1 = soorten die ook buiten het 4 broedseizoen het nest gebruiken als vaste 2 rust- of verblijfplaats, 3 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen 3 op dezelfde plaats broeden en die daarin 3 zeer honkvast zijn of afhankelijk van 4 bebouwing of biotoop, 2 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats 3 broeden en die daarin zeer honkvast zijn of 4 afhankelijk van bebouwing, 1 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in 4 staat zijn een nest te maken. 4

De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan, betrokken! Voor jaarrond beschermde soorten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen.

Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook jaarrond beschermde soorten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’. Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.

Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.

Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000- gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.

Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op ‘wezenlijke kenmerken en waarden’, het NNN kent geen toetsing op ‘externe werking’. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 1.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.

Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

Zie Bijlage 1.2.1

Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing

ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie Bijlage 1.2.2 ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie Bijlage 1.2.3 ghhghj

Zie Bijlage 1.2.3 ghhghj Geen ontheffing mogelijk ghhghj

Ontheffing onder voorwaarden mogelijk ghhghj

kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 2 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 1.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Zuideinde 366 te Amsterdam

ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van:  Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven.  Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd.

Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-056

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13133288/1