A - 17 Ruimtelijke Ordening (23) 2. Zuideinde 366
Tekst van het document
35 meter afstand) gerechtvaardigd. Daarnaast is het beleid in gemeente Amsterdam erop gericht op het gebruik van de auto te ontmoedigen. De toekomstige bewoners worden bij de verkoop van de woningen uitgebreid geïnformeerd over het aantal beschikbare parkeerplaatsen in het plangebied. Mocht in de toekomst betaald parkeren worden ingevoerd in de omgeving van het plangebied dan krijgen de bewoners van de nieuwe woningen geen parkeervergunning om hun auto in de openbare ruimte te mogen parkeren. Verkeersgeneratie Op basis van de CROW-publicatie 381 is de verkeersaantrekkende werking van het project bepaald. De verkeersaantrekkende werking is afhankelijk van de functie van het project en de ligging van het plangebied. Het projectgebied ligt in de gemeente Amsterdam. Amsterdam is ingedeeld in de eerste stedelijkheidsklasse van gemeenten volgens het CBS. Code 1 staat voor een zeer sterk stedelijke gemeente. Op basis de CBS gegevens bedraagt de omgevingsadressendichtheid (gemiddelde waarde van adressendichtheid) van de gemeente Amsterdam 6.020 eenheden. De stedelijkheidsgraad 'zeer sterk stedelijk' is van toepassing. Daarbij is de locatie gelegen in het omgevingstype 'rest bebouwde kom' van de gemeente Amsterdam.
Voor 'koop, twee-onder-een-kap' geldt een verkeersgeneratie van gemiddeld 7,3 mvt/etm en voor 'koop, appartement, duur' geldt een verkeersgeneratie van gemiddeld 6,8 mvt/etm. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 70 mvt/etm. Deze extra verkeersgeneratie als
bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)
blz. 55
gevolg van de toevoeging van tien woningen is goed op te vangen binnen de bestaande wegenstructuur. 4.9.3
Conclusie
Het aspect mobiliteit staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
4.10
Natuurbescherming
4.10.1 Kader Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het beschermen van soorten en gebieden is vastgelegd in deze wet, waarbij aansluiting is gezocht van de natuurwetgeving op het omgevingsrecht. In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante effecten heeft op de beschermde habitats in de natuurgebieden. De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Rode lijstsoorten, landelijk beleid Eens per tien jaar worden er zogenoemde 'Rode Lijsten' opgesteld met soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen.
Voor het Ministerie van EZ zijn de rode lijsten mede richtinggevend voor het te voeren natuurbeleid. Het Ministerie stimuleert dat bij bescherming en beheer van gebieden rekening wordt gehouden met de Rode-lijst-soorten, en dat zo nodig en zo mogelijk aanvullende soortgerichte maatregelen zullen worden genomen. Ecologische Hoofdstructuur, landelijk en provinciaal beleid Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Natuurnetwerk Nederland (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid In de structuurvisie van Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011) was de hoofdgroenstructuur opgenomen. Inmiddels is de Structuurvisie vervangen door de gemeentelijke Omgevingsvisie 2050 (door de gemeenteraad in 2021 vastgesteld).
Om groen in een zich ontwikkelende grote stad als Amsterdam goed te beschermen, werd in 1996 het instrument ‘Hoofdgroenstructuur’ (HGS) geïntroduceerd. Dit werd daarna steeds beter geïntegreerd in de Gemeente Amsterdam
blz. 56
opvolgende structuurvisies. Alle grotere groengebieden van de stad vallen onder het regime van de Hoofdgroenstructuur. Hier mag niet gebouwd worden, en mogelijke ingrepen worden door een onafhankelijke technische adviescommissie (TAC) beoordeeld. Niet al het Amsterdamse groen valt in de hoofdgroenstructuur. Het beleid hiervoor is flexibeler, maar ook bij keuzes in overig groen geldt natuurinclusiviteit als belangrijk uitgangspunt. In de Omgevingsvisie 2050 is het instrument van de Hoofdgroenstructuur gehandhaafd en wordt blijvend gebruik gemaakt van de adviezen van een onafhankelijke adviescommissie. Wel is de Hoofdgroenstructuur met deze omgevingsvisie op een aantal onderdelen vernieuwd. Er zijn twee grote wijzigingen ten opzichte van de Hoofdgroenstructuur in de Structuurvisie 2040: het wordt een groen-blauw raamwerk en hij wordt dynamischer. Onderdeel van het dynamischer worden, is dat de nieuwe Hoofdgroenstructuur (als uitwerking van de Omgevingsvisie 2050) verankerd wordt in het Omgevingsplan. In tegenstelling tot de Structuurvisie 2040 maakt het instrumentarium van de hoofdgroenstructuur daardoor geen deel uit van de Omgevingsvisie 2050. Dit wordt richting Omgevingsplan uitgewerkt. Het huidige instrumentarium zoals opgenomen in de Structuurvisie 2040 blijft daarom van kracht totdat een nieuw instrumentarium voor de Hoofdgroenstructuur is vastgesteld.
4.10.2 Relatie tot het plangebied Soortenbescherming In het kader van de beoogde sloop- en bouwwerkzaamheden is door ecologisch adviesbureau Van der Goes & Groot een ecologische quickscan uitgevoerd. De quickscan is als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. De resultaten uit de quickscan worden hieronder nader besproken: Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus en Gierzwaluw.
Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoorten noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Sperwer en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen.
bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)
blz. 57
In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Het nader onderzoek naar de huismus, gierzwaluw en vleermuis wordt is gestart en is in het voorjaar van 2023 afgerond. Vooruitlopend op de afronding van het nader onderzoek is door Van der Goes & Groot onderzocht of, indien een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is, deze ontheffing verkregen wordt. Met andere woorden: beoordeeld is of het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
De beoordeling van Van der Goes & Groot is opgenomen in Bijlage 8 van deze toelichting. Uit de beoordeling volgt dat de (lokale) gunstige staat van instandhouding van de verwachte soorten in het plangebied, niet in het geding is. Daarnaast liggen er dwingende maatschappelijke belangen aan het bestemmingsplan ten grondslag, waardoor het bevoegd gezag naar het oordeel van Van der Goes & Groot een eventueel benodigde ontheffing kan verlenen voor het (mogelijk) overtreden van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Hiermee zal op grond van huidige kennis de Wet natuurbescherming geen juridisch beletsel vormen voor de uitvoering van de plannen. Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of NNN. Het plangebied ligt op meer dan 5 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied "Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske". Gezien de grote afstand, afscherming en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project kan wel leiden tot een verhoogde emissie van stikstof. Derhalve is door Van der Goes & Groot een stikstofdepositieberekening voor de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd.
Deze stikstofdepositieberekening is als Bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Hieruit volgt dat de maximale projectbijdrage van het gebruik van de gebouwen 0,00 mol/ha/jaar is op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen.
Gemeente Amsterdam
blz. 58
Figuur 4.6 Uitsnede kaart met Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden, plangebied bij benadering ter plaatse van rode pijl (bron: Ecologische quickscan, Van der Goes & Groot) Hoofdgroenstructuur Vooralsnog is het beleid uit de Structuurvisie Amsterdam 2040 met betrekking tot de Hoofdgroenstructuur van kracht. Op basis van de Structuurvisie is het plangebied echter niet gelegen in de hoofdgroenstructuur. In de Omgevingsvisie 2050 is een nieuwe visie op de hoofdgroenstructuur opgenomen. Hoewel dit onderdeel formeel pas van kracht is, wanneer dit is verwerkt in een toekomstig omgevingsplan wordt hierna kort bij dit onderdeel stilgestaan. Op basis van de Visiekaart uit de Omgevingsvisie 2050 is het plangebied gelegen aan een groen lint. Vermoedelijk wordt hiermee gedoeld op de groenblauwe-zone waar een gedeelte van het plangebied in is gelegen. Middels het groeninrichtingsplan (zie Bijlage 1) voor deze ontwikkeling, blijft de groenblauwe-zone in stand en wordt het groene karakter daar waar mogelijk versterkt. Daarnaast wordt met de gekozen wijze van bestemmen (zie ook hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving) voorkomen dat in het gedeelte van het plangebied dat binnen de groenblauwe-zone is gelegen, vergunningsvrij kan worden gebouwd. Een en ander om de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te waarborgen.
bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)
blz. 59
Figuur 4.7 Uitsnede visie hoofdgroenstructuur uit Omgevingsvisie 2050, plangebied bij benadering ter plaatse van oranje ster (bron: Omgevingsvisie Amsterdam 2050, p. 88) Omdat het plangebied formeel niet is gelegen in de huidige Hoofdgroenstructuur, hoeft de beoogde ontwikkeling niet aan de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) te worden voorgelegd. 4.10.3 Conclusie Het aspect natuurbescherming staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.11
Niet Gesprongen Explosieven
4.11.1 Kader De opslag van munitie en/of explosieven valt niet onder het toepassingsgebied van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op de opslag van munitie en/of explosieven is de 'Circulaire Opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van toepassing. In tegenstelling tot het Bevi is geen sprake van risicobenadering maar van een effectbenadering bij de opslag van munitie en/of explosieven. Per categorie explosieven zijn aan te houden afstanden onderscheiden. Kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen binnen deze afstanden niet aanwezig zijn. Conform de Arbowetgeving dient voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen.
Gemeente Amsterdam
blz. 60
4.11.2 Relatie tot het plangebied Op basis van de Bommenkaart van gemeente Amsterdam is beoordeeld of het plangebied is gelegen in een verdacht gebied voor Niet Gesprongen Explosieven. Hieruit volgt dat dit niet aan de orde is. Nader onderzoek naar dit aspect is derhalve niet noodzakelijk.
Figuur 4.8 Uitsnede bommenkaart Amsterdam, plangebied ter plaatse van oranje ster 4.11.3 Conclusie Het aspect Niet Gesprongen Explosieven staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.12
Water
4.12.1 Kader Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterplan WBP) opgesteld. Dit Waterplan geeft de
bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)
blz. 61
koers op hoofdlijnen voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier voor de periode 2022-2027. Er wordt voortgebouwd op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. Met ons waterbeheer zorgen we voor voldoende, gezond en schoon water om van te leven, te werken en te recreëren, voor mens, dier en natuur. De wereld om ons heen staat niet stil. Integendeel, we leven in een dynamische tijd met meerdere wereldwijde transities en brede maatschappelijke opgaven. Klimatologisch, ecologisch, technologisch en maatschappelijk verandert er veel. Het maatschappelijk belang van water neemt steeds verder toe door klimaatverandering, drukte in de fysieke leefomgeving en toenemend watergebruik. Daardoor is er ook steeds meer aandacht voor en belang bij het waterbeheer. We verwachten daarom de komende jaren het gesprek met onze omgeving te intensiveren. Zodat we gezamenlijk kunnen uitvinden hoe we het waterbeheer toekomstbestendig houden. Daarnaast kunnen we met ons waterbeheer bijdragen aan maatschappelijke opgaven zoals biodiversiteitsherstel en de energietransitie. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.
De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Tot slot beschikt de gemeente Amsterdam over de Hemelwaterverordening Amsterdam (2021). Om te bevorderen dat er bij nieuw- en verbouwinitiatieven voldoende waterberging gerealiseerd wordt, is in de Hemelwaterverordening vastgelegd dat bij nieuw- en verbouwinitiatieven de verplichting bestaat om het regenwater op eigen perceel op te vangen en te verwerken. Bepaald is dat een hemelwaterberging een capaciteit heeft van tenminste 60 liter per m2 bebouwd oppervlak. 4.12.2 Relatie tot het plangebied Het plangebied is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de digitale watertoets doorlopen (d.d. 12 augustus 2022). Op basis van de gegeven antwoorden concludeert het systeem dat de korte procedure kan worden gevolgd: het plan heeft een beperkte invloed op het watersysteem welke ondervangen kan worden met standaard maatregelen. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling neemt de verharding met minder dan 800 m2 toe.
Uit de resultaten van de digitale watertoets volgt dat er sprake is van een dermate klein gevolg voor de waterhuishoudkundige situatie, dat er geen compenserende maatregelen getroffen hoeven te worden. Beschermde gebieden Het plangebied is niet gelegen in (de beschermingszone van) een primaire of secundaire waterkering. Wel vinden er in het kader van de bouwwerkzaamheden werkzaamheden plaats binnen een zone van 5 meter van de insteek van waterlopen en worden er vlonders gerealiseerd. Alle werkzaamheden binnen een zone van 5 meter van de insteek van waterlopen zijn vergunningplichtig, omdat deze invloed kunnen hebben op de water aan- en afvoer, waterberging of het onderhoud. Deze watervergunning zal in het kader van de nadere uitwerking van het plan worden aangevraagd. Riolering Samen met de gemeenten heeft het hoogheemraadschap de basisdoelstelling het hemelwater zoveel
Gemeente Amsterdam
blz. 62
mogelijk te scheiden van het afvalwater. Uit de digitale watertoets volgt dan ook het advies de mogelijkheden te onderzoeken om het hemelwater op eigen terrein te verwerken in de bodem of rechtstreeks te lozen op het aanwezige oppervlaktewater. Voorwaarde hierbij is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. In het plangebied zijn deze mogelijkheden aanwezig. Hemelwaterberging Om Amsterdam regenbestendig te maken, is op initiatief van Waternet het programma Amsterdam Rain-proof opgezet. Uitgangspunt is dat gerichte, kleinschalige, fijnmazige en rendabele maatregelen de stad regenbestendiger en tegelijk aantrekkelijker en leefbaarder maken. Volgens "Amsterdam Rainproof" is voor een waterbestendige stad een bergingscapaciteit van 60 mm hemelwater per uur vereist. De gemeente wil extreme neerslag van 60 mm per uur kunnen verwerken zonder dat er schade ontstaat aan huizen of vitale infrastructuur. Daarvoor is het nodig dat de toename van verharding in de stad - waardoor neerslag snel tot afvoer komt - wordt gecompenseerd met extra berging en vertraagde afvoer. Deze waterberging moet vertraagd worden geleegd, maar moet bij een volgende bui wel weer beschikbaar zijn.
Daarom is bepaald dat de waterberging moet worden geleegd met een snelheid van 60 mm per 24 uur. De bepalingen in Amsterdam Rainproof zijn doorvertaald in de gemeentelijke Hemelwaterverordening. In beginsel zijn particulieren zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater op hun eigen perceel. Om te bevorderen dat er bij nieuw- en verbouwinitiatieven voldoende waterberging gerealiseerd wordt, is in deze verordening vastgelegd dat bij nieuw- en verbouwplannen de verplichting bestaat om het regenwater op eigen perceel op te vangen en te verwerken. Bepaald is dat een hemelwaterberging een capaciteit heeft van tenminste 60 liter per m2 bebouwd oppervlak. Onder bebouwd oppervlak wordt conform de Hemelwaterverordening het oppervlak dat een gebouw inneemt verstaan. Dit bestemmingsplan voorziet in bebouwing in de vorm van woningen met een totaal bebouwd oppervlak (uitgaande van de opgenomen bouwvlakken) van maximaal 750 m2. Dit resulteert in een benodigde waterberging van 45 m3. In het plangebied zijn ruim voldoende mogelijkheden om in dergelijke waterberging te voorzien. Hierbij te denken aan de verplichte toepassing van grastegels bij de parkeerplaatsen, waardoor water langer in de bodem kan worden vastgehouden. Om te borgen dat de waterberging ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd, is in de Regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
4.12.3 Conclusie Het aspect water staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)
blz. 63
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt in paragraaf 5.2 kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.
5.2
De bestemmingen
Groen De bestemming 'Groen' is toegekend aan de gronden rondom het meest zuidelijk gelegen bouwvlak. Doel hiervan is om op deze gronden te voorzien in een collectieve tuin, alsmede te voorzien in een goede inpassing in de huidige groen-blauwe zone. Binnen de bestemming 'Groen' zijn slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van speelvoorzieningen mogelijk. Daarnaast is een steiger toegestaan, uitsluitend ter plaatse van de daarvoor opgenomen aanduiding. Tuin De bestemming 'Tuin' is opgenomen voor de tuin en het erf behorend bij de twee-onder-een-kapwoningen. Vlonders die zijn gelegen binnen de tuinbestemming zijn voorts voorzien van een specifieke aanduiding. Binnen de bestemming 'Tuin' is, met uitzondering van een berging, de realisatie van gebouwen niet toegestaan. Daarnaast mogen slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Gemeente Amsterdam
blz. 64
worden opgericht in de vorm van een steiger (uitsluitend ter plaatse van de daarvoor opgenomen aanduiding). Verkeer De wegen en straten in het plangebied welke toegankelijk zijn voor het autoverkeer zijn bestemd als “Verkeer”. Water De bestaande watergang rondom het perceel is bestemd als 'Water'. Binnen deze bestemming zijn vlonders toegestaan, uitsluitend ter plaatse van de daarvoor opgenomen aanduiding. Wonen Binnen de bestemming Wonen zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op verbeelding aangegeven bouwvlakken. Voor de twee woningen aan de voorzijde van het perceel betreft dit een hoogte van respectievelijk maximaal 6 en 10 meter. Voor de schuurwoningen geldt een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 9,5 meter. Het type woning is aangeduid op de verbeelding (twee-onder-een-kapwoning en gestapeld). Waarde - Archeologie 1 Deze bestemming voorziet in de bescherming van mogelijke archeologische waarden..
bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)
blz. 65
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geldt onder bepaalde voorwaarden de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan gelijktijdig met het vaststellen van een bestemmingsplan. Het exploitatieplan is een instrument voor de gemeente gericht op kostenverhaal in het kader van de grondexploitatie. Ingevolge artikel 6.12 Wro, besluit de gemeenteraad of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat de gemeente Amsterdam over het kostenverhaal een anterieure/planschade overeenkomst sluit met de initiatiefnemer.
Gemeente Amsterdam
blz. 66
bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)
blz. 67
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Er is reeds contact geweest met de directe buren over de voorgenomen plannen. Op 27 oktober 2022 heeft daarnaast een informatieavond plaatsgevonden. Van deze informatieavond is een verslag gemaakt, dat als Bijlage 10 bij deze toelichting is opgenomen.
7.2
Inspraak
Er heeft geen inspraak op grond van de inspraakverordening plaats gevonden op het voorontwerpbestemmingsplan. Artikel 2 van de inspraakverordening geeft aan dat er geen inspraak verleend wordt op bestemmingsplannen ( = voorbereiding van besluiten betreffende waarvan op grond van de Wet ruimtelijke ordening afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard). Het ontwerp bestemmingsplan wordt, conform de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegd.
7.3
Vooroverleg
Het plan wordt, nadat het Dagelijks Bestuur ermee heeft ingestemd, in het kader van het vooroverleg (artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening) aan de bestuurlijk vooroverleg instanties gezonden. De resultaten van het bestuurlijk vooroverleg zijn hieronder weergegeven. Provincie Noord-Holland: De provincie Noord-Holland merkt op dat, gezien de binnenstedelijke ligging van het plangebied en de kleinschalige omvang van het project, geen instructieregels uit hoofdstuk 6 van de OVNH2020 van toepassing zijn. Het plangebied ligt binnen de kritische afstand van een Natura 2000-gebied, maar heeft hier geen nadelige invloed op. De provincie Noord-Holland heeft geen op- en/of aanmerkingen op dit planvoornemen. Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland: De Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland heeft gekeken naar de invloedsgebieden van spoor-, weg-, en watervervoer gevaarlijke stoffen, Bevi inrichtingen, buisleidingen en of het plangebied in het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol ligt. Uit dit onderzoek is gebleken dat het plangebied buiten de grootste risicocontouren ligt van bovengenoemde risicobronnen. Derhalve is het niet nodig om verder onderzoek te doen naar het groepsrisico of plaatsgebonden risico ter plaatse van het plangebied. De reacties hebben niet geleid tot verdere aanpassingen in dit bestemmingsplan. Van overige overlegpartners zijn geen reacties ontvangen.
Aangenomen wordt dat zij kunnen instemmen met de beoogde plannen.
7.4
Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen
Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende 6 weken ter inzage gelegd. De ingekomen zienswijzen zijn in een nota samengevat en beantwoord. Daarbij wordt aangegeven of en hoe de zienswijze heeft geleid tot een wijziging van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn in de nota de ambtshalve wijzigingen beschreven. De 'Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen' is in Bijlage 11 van deze toelichting opgenomen.
Gemeente Amsterdam
blz. 68
bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)
blz. 69
Bijlagen bij toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 70
bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)
blz. 71
Bijlage 1
(Groen)Inrichtingsplan
Gemeente Amsterdam
1. Titel locatie Zuideinde, Amsterdam noord 1 Inrichtingsplan
Zuideinde: bebouwd lint in de Oostzanerwerf Amsterdam Noord (Optie 2 met woonkamers aan de zuidzijde van blok 3) 25 mei 2023
1 (8)
1. Titel 1 Inhoud
1.
Historische ontwikkeling Oostzanerwerf
2.
Ruimtelijke analyse ligging kavel
3.
Beeldkwaliteit omgeving
4.
Uitgangspunten ‘Inrichting kavel’
5.
Inrichtingsplan - Verharding / materiaal
6.
Inrichtingsplan - Bomen en beplanting
7.
Plankaart
8.
Aanzichten
2 (8)
1. 1
Historische ontwikkeling Oostzaanerwerf (Zuideinde)
Oostzaner Overtoom direct gelegen aan het IJ. Agrarisch lint in veenweidegebied tot aan dijk (ca. 1850)
Droogmakerij Noorder IJpolder, Haven Zijkanaal. Linten nog steeds in het open landschap (ca. 1900)
Ontwikkelingen woongebieden Molenwijk en Oostzanerwerf (ca. 1970)
Aanleg A10, ontwikkeling Kermisbuurt en Walvisbuurt. (ca. 1990)
Hoogbouw Molenwijk Laagbouw Lint Zuideinde Houten dorpshuis uit ca. 1970
Uitbreiding Oostzanerwerf in noordelijke richting (ca. 2000)
Huidige situatie in 2021
Contrastvol beeld: ‘Laagbouw lint’ Zuideinde met hoogbouw van de Molenwijk op de achtergrond. 3 (8)
1. 2
Ruimtelijke analyse ligging kavel
Op de kavel met ‘woonhuis en schuren’ aan Zuideinde 366, worden in totaal 10 woningen ontwikkeld: 2 woningen in het lint en achterop de kavel nog eens 2 volumes met respectievelijk 2 en 6 woningen. (1) Het bebouwingslint Zuideinde bestaat voor het grootste deel uit karakteristieke, kleine, losstaande woningen van twee bouwlagen met een kap. (2) De kavel is gelegen aan de zuidzijde van het lint. Het achterste deel van de kavel is, sinds lange tijd, dieper dan de overige, aangrenzend kavels in het lint. De sloot grenzend aan de achterzijde van het lint is om de kavel heen gelegd. (5) (1) (4) (3)
(2)
(6)
(3) Aan de westzijde van het lint is de Molenwijk ontwikkeld: ca. 1250 huur- en koopwoningen zijn verkaveld in ats van 10 verdiepingen hoog. Het geheel is middels een ‘molenwieken-structuur’ in een parkachtige setting gepositioneerd. (4) Tussen het lint en de Molenwijk is een groen/blauwe zone aanwezig waarlangs de Schellingweg en de Molenaarsweg gelegen zijn. Deze waren (parallel aan Zuideinde) rond 1980 nog verbonden met elkaar. Het achterste deel van de kavel maakt, ruimtelijk gezien, onderdeel uit van deze zone. (5) De woningen in de oostelijk gelegen woonwijk Oostzanerwerf worden via het lint middels diverse dwarswegen ontsloten. Het pro�el van de Zuideinde ter hoogte van de kavel wordt doorgetrokken richting de Andriaan Looosjesstraat. Vanuit zuidelijke richting wordt deze in de voorrang gezet. (6) Langs de zuidzijde van de kavel is een �etsen voetgangersverbinding gelegen. Deze verbindt de verschillende buurten met elkaar.
4 (8)
3. 1. 3
Concept / principes Beeldkwaliteit omgeving
(1) Kavel met bebouwing georiënteerd op het lint
(6) Woningen Jacob Hingstraat
6
2
(2) Schellingweg met zicht op achterzijde kavel
1
4
(3) Zicht op zuidzijde kavel vanaf kruising Schellingweg / �etspad
5
(5) Lintbebouwing Zuideinde
3
(4) Flats Molenwijk 5 (8)
4 1. 4. 1
Titel Uitgangspunten Inrichting kavel Zonering
Hoofdstructuur en Zichtlijnen Zicht over het water
Geluidwerende kering
Centrale erftoegangsweg
Hoek accent Zicht op hoek
Gebruik / Functie
Bereikbaarheid en Entrees Toegankelijk voor auto
Collectief gebruik Verkeer (V)
Privé gebruik Tuin (T)
Wonen (W) Toegankelijk voor �etsers en voetgangers
Collectief gebruik Groen (G)
Informeel wandelpad
Erftoegangsweg
Toegankelijk voor �etsers en voetgangers
Entree woning bg Entree bovenwoning
6 (8)
5 1. 4. 1
Titel Inrichtingsplan - Verharding / materiaal (1) Rijbaan: Gebakken klinker, keiformaat, keperverband. kleur: bruin/grijs kleur met lichte afwijking
(2) Parkeerplaats: Open verharding / grastegels (3) Halfverhard pad: dolomiet (geel/okerkleur) Open verharding / grastegels
(7) (2) (5)
(1)
(7)
(4) Toegangspad schuurtje/woningen:
(5) Privé terras:
Gebakken klinkers: dikformaat, dwar- of elleboog verband, kleur: bruin/grijs met lichte afwijking
Betonnen terrastegels, 50x50 cm, Kleur antraciet
(6)
(3) (5)
(4)
(6) Grind: Rondom blok (tegen opspattend vuil ramen) (7) Vlonder: duurzaam hout (privé en openbaar)
7 (8)
1. 5. 1 6
Titel Inrichtingsplan - Bomen en beplanting (1) Bomen Gevarieerde soortkeuze (twee/drie soorten) • Soorten passen bij de omgeving • Grootte: 2e grootte (tussen de 6 en 12 meter) • Hoogwaardige bomen met (sier)waarde:
(groeivorm, herfstkleur, bloei, vruchten, biodiversiteit)
Passende soorten kunnen zijn: • Sorbus aucuparia var. Edulis (lijsterbes) • Acer cissifolium (Esdoorn) • Liquidambar styraci ua ‘Moraine’ (Amberboom) • Cercidiphyllum japonicum (Katsuraboom) • Ulmus ‘Frontier’ (Iep) • Amelanchier arborea ‘Robin Hill’ • Betula ermanii ‘Holland’ (Goudberk)
(2) Meerstammige bomen Gevarieerde soortkeuze (twee/drie soorten) • Soorten passen bij de omgeving • Grootte: 2e grootte (tussen de 6 en 12 meter) • Hoogwaardige bomen met (sier)waarde: (groeivorm, herfstkleur, bloei, vruchten, biodiversiteit)
(2)
(5)
Passende soorten kunnen zijn: • Acer Palmatum (Japanse esdoorn) • Alnus glutinosa ‘Imperialis’ (Els) • Sorbus aucuparia (Lijsterbes) • Pterocarya fraxinifolia (Kaukasische vleugelnoot) • Parrotia persica (Perzisch ijzerhout)
(6)
(3) Boom voor erfscheiding: Leilinde
(7) (5)
(4)
(1)
(4) Solitaire heesters
(3)
Gevarieerde soortkeuze (twee/drie soorten) • Soorten passen bij de omgeving • Grootte: 3e grootte (tot 6 meter) • Hoogwaardige heesters met (sier)waarde: groeivorm, herfstkleur, bloei, vruchten, biodiversiteit Passende soorten kunnen zijn: • Aralia elata (Duiverlswandelstok) • Hamamelis intermedia (Toverhazelaar) • Magnolia soulangeana (Valse tulpenboom) • Nothofagus antarctica (Antarctische beuk) • Rhus typhina (Fluweelboom)
(2)
(5) Haag (bladhouden): Carpinus betulus (Haagbeuk) (6) Begroeid hekwerk: Hedera helix (Klimop) (7) Beplantingsvakken (7) (4)
In de beplantingsvakken wordt een combinatie gezocht van drie soorten vaste planten en/of grassen.
5
6
Passende soorten kunnen zijn: • Echinacea purpurea (Zonnehoed) • Geranium rozanne (Ooivaarsbek) • Nepeta faassenii (Kattenkruid) • Pennisetum alopecuroides (Lampenpoetser) • Persicaria amplexicaulis (Duizendknoop) • Rudbeckia fulgida ‘Goldsturm’ (Zonnehoed) • Salvia nemorosa (Salie) • Stipa tenuissima ‘Ponytails’
8 (8)
0.75
NAP -1.00 WP -1.44
Privé tuin
w2 Groene Parkeerplaatsen
Kering t.b.v. de parkeerplaats
Doorsnede nabij parkeerplaats
b1 b2 Privé tuin
Privé vlonder
-0.70
-0.80
w1
2.50
Groene Parkeerplaatsen
20
1
L01
Privé tuin
Terras
Rijbaan
Terras Geluidwerende kering
w3
Privé tuin
LEGENDA
b3
w4 b4
Pad richting schuurtjes
Privé vlonder
Erfscheiding hekwerk met Hedera
Boom Meerstammige boom
Grind
Solitaire heester Haag +80cm
Beplantingsvlakken rondom blok
Begroeid hekwerk (+180cm) Beplanting
w5/w6
Parkzone / gras
Terras
Rijbaan
b5
Groene parkeerplaats open verharding
b6 Collectieve parkzone met pad rondom het blok
Terras (privé of openbaar)
b8
Terras
Grind
Pad halfverharding Water volgens BGT
b9
Rietkraag (bestaand)
b10
w9/w10
P:\5305\51015856_Zuideinde_366\300 CAD\51015856-T002-NWS.dwg, 25-5-2023 12:30:33, NLJDRA, A0-S (ISO), Sweco
Trottoir / terras Grind (voor raam)
b7
w7/w8
Beplantingsvakken
Collectieve vlonder
Hoogte haag
Beplantingsvakken + 80 m
Kadastrale grens Entree begane griond woning Entree bovenwoning
Halfverhard wandelpad
Terras
0
1
Schaal 1:100
Gras met bomen
2
3
4m
blz. 81
Bijlage 2
Archeologisch bureauonderzoek
Gemeente Amsterdam
Archeologisch bureauonderzoek voor het plangebied aan Zuideinde 366 in Amsterdam, gemeente Amsterdam
Gemeente Amsterdam
HOLLANDIA archeologen
2
C OLO FON Hollandia reeks nr. 1029 Titel: Archeologisch bureauonderzoek voor het plangebied Zuideinde 366 te Amsterdam, gemeente Amsterdam Toponiem: Zuideinde 366 Gemeente: Amsterdam Onderzoeksmeldingsnummer Archis: 5279957100 Hoekcoördinaten: 121.433/492.493 (NO) 121.379/492.466 (NW) 121.402/492.425 (ZW) 121.425/492.435 (ZO) Auteur: drs. S.M. Vermoolen In opdracht van: Mevr. A. van Dam StL1 B.V. Emmastraat 21 1075 HV Amsterdam Wetenschappelijke leiding: P.M. Floore Illustraties: S.M. Vermoolen, tenzij anders vermeld. Definitieve versie: juli 2022 Oplage: 7 ISSN: 1572-3151
© Hollandia archeologen, Zaandijk 2022 Tuinstraat 27a 1544 RS Zaandijk 075 - 622 49 57 info@archeologen.com
I N H OU D SO PG AV E Samenvatting5 1. Inleiding7 2. Het onderzoeksgebied 9 3. Beleid11 4. Doel en methode 13 5. Aardwetenschappelijke gegevens 15 6. Historische gegevens 17 7. Archeologische gegevens 21 8. Archeologische verwachting 23 9. Conclusie en advies 25 Literatuurlijst26 Bijlagen27 Bijlage 1: Archeologische perioden Bijlage 2: Archeologische stappenplan
3
4
Afbeelding 1. Luchtfoto van het plangebied. Kijkrichting is naar het oosten (Bron: Google Earth).
SA M E NVAT TI N G In augustus 2022 heeft Hollandia Archeologen uit Zaandijk in opdracht van STL1 B.V, een archeologisch bureauonderzoek opgesteld voor het plangebied aan Zuideinde 366 te Amsterdam, gemeente Amsterdam. Het huidige plangebied bevindt zich binnen de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1. Aan deze dubbelbestemming is een onderzoeksverplichting van eventuele archeologische waarden verbonden die geldt voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning bij plannen die groter zijn dan 100 m² en werkzaamheden dieper reiken dan 50 cm onder het maaiveld. Werkzaamheden zijn toelaatbaar indien de betrokken archeologische waarden door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige. Aan de hand van de geologische gegevens, eerder uitgevoerde nabijgelegen archeologische onderzoeken en historische gegevens zijn verwachtingen op te stellen op het aantreffen van archeologische waarden binnen het huidige plangebied.
De gegevens tonen aan dat voor het plangebied een hoge verwachting bestaat voor de archeologische resten uit de (late)middeleeuwen en nieuwe tijd, specifiek resten van oude funderingen en terpophogingen. Het plangebied is gelegen in de nabijheid van de verschillende AMK-terreinen met een hoge archeologische verwachting. Uit historische bronnen is op te maken dat het onderzoeksgebied vanaf het begin van de 18e eeuw bewoond is geweest. Er valt niet uit te sluiten dat er ook (laat)middeleeuwse bewoning heeft gestaan. Zuideinde is al vanaf 11e-13e eeuw bewoond geweest. Voor archeologische resten uit de prehistorie en Romeinse tijd geldt een (zeer)lage verwachting. Het gebied lag grotendeels onder water (of in een veenmoeras) en was daarom niet geschikt voor bewoning. Omdat door de geplande werkzaamheden het bodemarchief wordt bedreigd, is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Advies
Er wordt geadviseerd wordt om in het plangebied aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit is gebaseerd op de hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten in gebieden waar lintbebouwing heeft gestaan. Conform de quickscan van de Monumenten & Archeologie wordt een archeologische opgraving, variant begeleiding geadviseerd. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies. Als er archeologische resten worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden dan geldt altijd de verplichting om dit te melden bij het bevoegd gezag, de gemeente Amsterdam.
5
6
1
I N LE I D I NG In augustus 2022 heeft Hollandia Archeologen uit Zaandijk in opdracht van STL1 B.V, een archeologisch bureauonderzoek opgesteld voor het plangebied aan Zuideinde 366 te Amsterdam, gemeente Amsterdam. Op de locatie wordt het huidige bebouwing vervangen door 10 nieuwbouwwoningen. Op het moment van schrijven is niet bekend of gebruikt wordt gemaakt van heipalen. De bodemingrepen tijdens de graafwerkzaamheden reiken tot ca. 0,9 m -mv. Deze werkzaamheden kunnen archeologische lagen in de bodem verstoren. Het doel van een archeologisch bureauonderzoek is om in een vroeg stadium van de plannen inzage te hebben in de te verwachten archeologische waarden, zodat de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het verstrekken van een omgevingsvergunning en eventuele archeologische vervolgstappen. In het archeologisch informatiesysteem van Nederland (ARCHIS3) staat het onderzoek onder nummer 5279957100 geregistreerd.
Afbeelding 3. Topografische kaart van Amsterdam-Noord. De planlocatie is aangegeven met de rode cirkel.
7
Afbeelding 4. Schets van toekomstige bebouwing van de 10 nieuwbouw appartementen. Bron: aangeleverd door opdrachtgever.
8
2
H E T O N D E R ZO E KSG E BIE D De onderzoekslocatie bevindt zich aan Zuideinde ter hoogte van de wijk ‘Molenwijk’ in Amsterdam-Noord, gemeente Amsterdam. De RD-coördinaten zijn 121.433/492.493 (NO), 121.379/492.466 (NW), 121.402/492.425 (ZW), 121.425/492.435 (ZO). Het gehele onderzoeksgebied valt volgens het bestemmingsplan van de gemeente Amsterdam, binnen een een zone waarin dubbelbestemming: Waarde - Archeologie -1 (afb. 7). Op de locatie vormt het huidige grondgebruik van een woning, tuinen en braakliggend terrein. De ontwikkelaar heeft het voornemen om op de locatie 10 appartementen te realiseren (zie afb. 4). De hierbij gepaarde grondroering, tot ca. 0,9 m -mv, kunnen archeologische resten in de bodem verstoren. Er worden geen kelders aangelegd. Op moment van schrijven is niet bekend of de woningen worden onderheid. Het onderzoeksgebied heeft een oppervlak van ongeveer 690 m2 (waar bodemingrepen gaan plaatsvinden). Op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) is het onderzoeksgebied niet gekarteerd. De maaiveldhoogte van het onderzoeksgebied ligt tussen de 0,80 - 1,10 m -NAP. Afbeelding 5. Luchtfoto van de regio rond het onderzoeksgebied. Plangebied weergegeven met het rode kader (Bron: PDOK).
9
BO-11-010 April 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie
10
Afbeelding 6. Archeologische beleidskaart Gemeente Amsterdam, deelgebied ‘Kadoelen-Oostzanerwerf III’ (BO11-010, 2011). Het plangebied staat aangegeven in de rode cirkel.
24
3
B EL E I D In de wet op de archeologische monumentenzorg stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het onderzoeksgebied ligt in de gemeente Amsterdam, provincie Noord-Holland. De gemeente heeft een eigen archeologisch beleidsadvieskaart. In het toepassen van archeologische wetgeving in de ruimtelijke ordening, streeft de gemeente Amsterdam naar heldere waarden voor incorporatie van de archeologische verplichtingen en dat de voorwaarden in overeenstemming zijn met de ambities van zowel de ontwikkelaars als de particulieren. Door middel van de door de gemeente Amsterdam beschikbaar gestelde beleidskaart kan in een vroeg stadium rekening gehouden worden met eventuele archeologische waarden. Op de beleidskaart is het grondgebied opgedeeld in verschillende categorieën waar bepaalde archeologische regimes gelden. De regimes hebben betrekking op het oppervlak en de diepte van de voorgenomen plannen, in combinatie met de archeologische verwachting.
Op de archeologische beleidsadvieskaart (afb. 6) is te zien dat het onderzoeksgebied in een gewaardeerd hoog gewaardeerd terrein valt, namelijk ‘beleidsvariant 3’. Hiervoor geldt een onderzoeksverplichting voor plangebieden groter dan 100 m² en bodemingrepen dieper dan 50 cm -mv. In 2013 werd het archeologische beleidsadvies verwerkt tot een bestemmingsplan. Het bestemmingsplan ‘Kadoelen-Oostzanerwerf III’ werd in juni 2013 vastgesteld. Het perceel heeft binnen dit bestemmingsplan een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 1’ (afb. 7). Dit betekent dat er een onderzoeksverplichting geldt voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning bij plannen die groter zijn dan 100 m² en werkzaamheden dieper reiken dan 50 cm onder het maaiveld. Gelet op de omvang en diepte van de toekomstige bouwplannen is de opdrachtgever verplicht om archeologsch onderzoek uit te voeren. Het is verboden zonder een omgevingsvergunning werkzaamheden uit te voeren zoals het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen of egaliseren van grond, het verlagen of verhogen van het grondwaterpeil of energie- en telecommunicatieleidingen aan te leggen.
11
Plannaam:
Kadoelen-Oostzanerwerf III
Datum afdruk:
2022-07-28
Naam overheid: Type plan: Planidn: Dossierstatus:
gemeente Amsterdam bestemmingsplan NL.IMRO.0363.N1104BPSTD-VG01 geheel onherroepelijk in werking
IMRO-versie: Plan datum: Planstatus:
IMRO2008 2013-06-19 vastgesteld
12
Afbeelding 7. Overzicht van het gebied dat onder dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 1’ valt. De locatie van het plangebied is
Disclaimer: Er kunnen op geen enkele wijze rechten worden ontleend aan, noch aanspraak gemaakt worde
aangegeven rodeafdruk. pijl. Bij Hoewel bodemverstorende activiteiten de inhoud met van de deze bij de samenstelling van de inhoud van deze afdruk de grootst mogelijk
inzorgvuldigheid plangebieden >100 m2 betracht, en dieper dan 50 cmde - Mv dient een dat bepaalde informatie (na verloop van tijd) veroud wordt bestaat mogelijkheid waardestellend te worden (Bron: of niet (meer)archeologisch correct is. rapport Het Kadaster is overlegd niet aansprakelijk voor de eventuele schade die zou kunnen ruimtelijkeplannen.nl). 2cm = 100 mvan gegevens van de afdruk. voortvloeien uit het gebruik
Pagin
4
D OE L E N M E THODE Het doel van een bureauonderzoek is om aan de hand van bestaande bronnen informatie te verzamelen over bekende of te verwachten archeologische waarden binnen een bepaald gebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, het karakter en de omvang, de datering, gaafheid en conservering en de relatieve kwaliteit van de archeologische waarden. Afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden, de aard van de geplande bodemroering en de vraagstelling dienen aanvullende gegevens verzameld te worden. Het bureauonderzoek resulteert in een rapport met een gespecificeerd verwachtingsmodel. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt een (selectie)advies gegeven. Het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Amsterdam, kan hierop een (selectie)besluit maken ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek. Tevens kan door middel van het bureauonderzoek in een vroeg stadium in de planvorming rekening gehouden worden met aanwezige archeologische waarden in de bodem. Bij een bureauonderzoek worden, indien voorhanden, bronnen geraadpleegd die informatie verschaffen over de geologie en archeologie van het betreffende gebied. Onder andere wordt gebruik gemaakt van: 1. Kaartmateriaal, zoals bodemkundige, geomorfologische, geologische en historische kaartgegevens evenals beleidskaarten zoals gemeentelijke en provinciale verwachtingskaarten. 2.
Gegevens omtrent eerder verricht onderzoek en vondstmeldingen in het gebied uit de database van het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS3) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). 3. Relevante geologische, historische en archeologische literatuur.
13
Afbeelding 8. Bodemkundige kaart
hVS
van Amsterdam-Noord Het terrein aan Zuideinde 366
is aangegeven in de
rode cirkel (Bron: ARCHIS3).
pVs Koopveengronden op mosveengronden(hVs/vs)
Vlierveengronden op veenmosveen (pVs)
pVd
14 Afbeelding 9. Geomorfologische kaart van Amsterdam-Noord. Het onderzoeksgebied aan Zuideinde 366 is aangegeven in de rode cirkel. rode cirkel (Bron: ARCHIS3).
M81
Strandwal (code B76)
Ontgonnen veenvlakte (code M81)
M82
Vlakte en getij-afzettingen (code M72)
M83
5
A AR DW E T E NSCHA PPE LIJ KE G E GE VEN S Type gegevens
Bron
Omschrijving
Tabel 1. Samenvatting van de
Geologie
De Mulder et al. 2003; Vos 2015
Formatie van Nieuwkoop; Hollandveen
relevante aardwetenschappelijke
Laagpakket.
gegevens over de regio van het
Formatie van Naaldwijk; Laagpakket
plangebied.
Wormer. Geomorfologie
Geomorfologische kaart
(M81) Ontgonnen veenvlakte.
van Nederland (PDOK)
(M82) Ontgonnen veenvlakte met petgaten. (M83) Veenrestvlakte.
Bodemkunde
Bodemkaart van
(pVs) Vlierveengronden op veenmosveen.
Nederland (PDOK)
(pVd) Vlierveengronden op bagger, afgeslagen. (hVs/Vs) Koopveengronden op mosveengronden.
Genese van het landschap
Het huidige natuurlijke landschap in en rondom Amsterdam is in grote mate bepaald door de landschapsvorming in het Holoceen. Dat is de geologische periode na de laatste IJstijd (vanaf ca. 10.000 v. Chr.). Er heerste toen een gematigd klimaat waarin in enkele duizenden jaren grote pakketten veen groeiden in de kuststreek. Dit Hollandveen bevindt zich in de huidige ondergrond tussen gemiddeld 5 m en 2 m - NAP en loopt plaatselijk door tot 0 m NAP. Deze situatie heeft niet altijd bestaan, want rond ongeveer 2600 v. Chr. was het gebied ten noorden van Amsterdam een uitgestrekt waddengebied. In die tijd veranderde de omgeving: de directe invloed van de zee verdween en het gebied veranderde in een moeras. Er ontstond vanaf ca. 2200 v. Chr. een groot veengebied dat zich uitstrekte van de duinen in het westen tot de hogere gronden van Gelderland en Overijssel; het IJsselmeer bestond toen nog niet. De veengroei hield gelijke tred met de stijging van de grondwaterspiegel zodat op den duur een metersdik pakket ontstond (Heidinga & Van Regteren Altena 1989). De veenvorming is ongestoord doorgegaan tot de mens het land ging ontginnen, een ontwikkeling die in de 10e eeuw ingezet werd (Haartsen & Ten Oever-van Dijk 2001). Vanaf de 11e eeuw hebben er systematisch ontginningen plaatsgevonden die in grote mate het huidige landschap en de opbouw van de bovengrond hebben bepaald.
Geomorfologie en bodemkunde
Binnen het onderzoekgebied wordt de bodem grotendeels gekenmerkt als vlierveengronden op veenmosveen, bagger en koopveengronden op mosveengronden (zie afb. 9, code pVs, pVd, en hVs). Het overige deel van het gebied is binnen ARCHISIII niet gekarteerd. Volgens de bodemkaart komen de vlierveengronden al vanaf ca. 50 cm onder het huidige maaiveld voor. Op de geomorfologische kaart is het plangebied in ARCHISIII eveneens niet gekarteerd. Echter zijn de omliggende gebieden gekenmerkt als ontgronnen veenvlakte op veenmosveen, op bagger en koopveengronden op mosveengronden (M81 t/m M83). De gemiddelde grondwatertrap binnen het gebied is III. Dit betekent dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand <40cm beneden het maaiveld ligt en de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 80 en 120cm beneden het maaiveld. Omdat de onderzoeslocatie is gesitueerd langs een weg waar lintbebouwing voorkomt vanaf de (late)middeleeuwen, wordt een antropogene toplaag van minstens 50 cm verwacht.
15
Bekende verstoringen Op de verstoringskaart van de RCE zijn geen recente verstoringen zichtbaar voor het plangebied. Er is wel een mogelijkheid dat een deel van het plangebied is vergraven. Tot hoe diep is niet duidelijk. Grondboringen van www.dinoloket.nl (boorprofielen toevoegen)
Ten behoeve van bodemkundig en geologisch onderzoek zijn in het recente verleden rondom het plangebied boringen verricht. Deze gegevens zijn te raadplegen via het dinoloket (www.dinoloket.nl). De boring, die buiten het plangebied zijn gezet, geeft een eerste inzicht in de ondergrond van het onderzoeksgebied. Boring 1: (Zuideinde, ter hoogte van Lange Vonder, maaiveld 1,11 m -NAP) Boring 1 bestaat de eerste 50 cm uit een antropogene bodemlaag. Hieronder bevindt zich een pakket veen tot op een diepte van ca. 3,5 m onder het maaiveld. Het veen behoort tot het Hollandveen laagpakket (formatie van Nieuwkoop). Dit wordt gevolgd door afwisselend klei afzettingen tot een diepte van ca. 12,5 m onder het maaiveld. Het pakket is klei en daaronder zandige van aard. Vanaf 12,5 m onder maaiveld is een laag Basisveen aangeboord (50 cm, formatie van Nieuwkoop). Tot einde boring, 13,0 m onder maaiveld, is een zandige bodemlaag beschreven. Deze laag behoort tot het laagpakket van Wierden (formatie van Boxtel).
16
Afbeelding 10. Dinoloket boring ter hoogte
van
Zuideinde
en
Lange
Vonder., ca. 200 meter ten noorden van
het
Dinoloket).
onderzoeksgebied
(bron:
6
H ISTO R I SC H E GE GE V E NS De oudste bewoning van Amsterdam dateert, voor zover nu archeologisch bekend, uit de 11de eeuw. Rond de stad, op vooral de hoger gelegen strandwallen, zijn oudere vindplaatsen aanwezig met bewoningssporen die teruggaan tot in de Bronstijd (ca. 2.000 - 800 v. Chr.). Het plangebied In Amsterdam-noord viel vroeger in de regio Oostzaan. Oostzaan ontstond in de 11e-13e eeuw als een lintdorp dat uit drie buurtschappen langs de Oostgouw bestond: Noordeinde, Kerkbuurt en, binnen het plangebied, Zuideinde. Het lintdorp wordt in 1306 gemeld als Oostsaenden. De naam verwijst enerzijds naar de ligging ten oosten van de Zaan, maar kan verband houden met het verdwenen dorp Zaanden (ook wel Saenden, Oud-Zaanden of Oud-Saenden genoemd). Het plangebied aan Zuideinde maakt deel uit van het Waterlandse veengebied van Noord-Holland dat aan het einde van de 10e eeuw vanuit het kustgebied en WestFriesland werd ontgonnen. De ontginning was gericht op de ontwatering van het land om het geschikt te maken en te houden voor akkerbouw (Gawronksi 2011) De kleine rivieren (Dieën), die door het gebied stroomden, werden als ontginningsas gebruikt. Haaks op de riviertjes werden percelen uitgezet en aan de kopse kant verrezen boerderijen op huisterpen. Zo ontstond de voor het veenlandschap typerende strokenverkaveling.
Tussen de percelen liepen sloten waarmee het natte veengebied werd ontwaterd. Er werden ook dijken aangelegd om overstromingen door stormvloeden tegen te gaan waarbij grote stukken land door het zeewater werden verzwolgen. Hiertoe behoorde ook de Noorder IJ- of Zeedijk die uit de 13de eeuw dateert. Deze dijk werd tevens een belangrijke verbindingsweg voor de langs het IJ en de Zuiderzee gelegen, steden en dorpen. Bij verscheidene stormvloedrampen die zich tot 1500 voordeden, zijn delen van de dijk weggeslagen en dorpen weggespoeld. Deze dorpen werden vervolgens herbouwd aan een verder landinwaarts aangelegde dijk. Dorpen als Nieuwendam, Buiksloot en Kadoelen lagen oorspronkelijk waarschijnlijk zuidelijker in een strook in het IJ verdronken land dat daarna weer deels werd ingepolderd (Haartsen & ten Oever 2001). De regio Waterland behield lange tijd zijn landelijk karakter. Vanaf 1921 veranderde dit toen het gebied grotendeels door Amsterdam werd geannexeerd. In eerste instantie werden in Amsterdam-Noord enkele tuindorpen aangelegd zoals Tuindorp Oostzaan (1920) en Tuindorp Buiksloot (1930). Oostzanerwerf en Kadoelen bleven tot rond 1960 nog goeddeels landelijke gebieden. Langs het Zuideinde, één van de drie buurtschappen die oorspronkelijk het lintdorp Oostzaan vormen, stond aan beide zijden een dichte lintbebouwing, zoals ook langs de Oostzanerdijk bij de Oostzaanse Overtoom.
Langs de Kadoelenweg stonden slechts enkele geïsoleerde boerderijen. Rond 1920 ontstond enige bebouwing langs de eind 19de eeuw ten noorden van Wilmkebreekpolder aangelegde Stoombootweg (Gawronksi 2011). Historisch Kaartmateriaal Voor deze historisch topografische analyse zijn verschillende kaarten gebruikt, waaronder de kaart van Nicolaes Visscher (ca. 1700) van Noord-Holland en regio Amsterdam, de Grote Historische Provinciale Atlas (1849- 1859) en meerdere topografische kaarten uit de 20ste eeuw (topotijdreis.nl). Op de kaarten uit het begin van de 18de eeuw is bebouwing zichtbaar in het onderzoeksgebied (zie afb. 11). Boven de ‘Dijkbraak’ zijn langs de Zuideinde meerdere woningen afgebeeld. Op de kadastrale minuut 1811-1832
17
BO-11-010 April 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie
18
3.3
Historisch-topografische inventarisatie van het plangebied
Voor deze historisch topografische analyse zijn verschillende cartografische bronnen gebruikt, waaronder de kaart van Nicolaes Visscher (ca. 1700), de Grote Historische Provinciale Atlas (18491859) en de kaarten van Publieke Werken uit 1922, 1936 en 1961. Afbeelding 11. Twee uitsnedes van Nicolaes Visscher uit ca. 1700. Het bestemmingsplangebied Oostzanerwerf (bron:
III
is
BO-11-010,
Kadoelen/ rood 2011).
omlijnd Het
onderzoeksgebied is aangegeven in het groene cirkel.
2 Het plangebied (rood omlijnd) op de kaart van Visscher uit ca 1700
Het plangebied Kadoelen/Oostzanerwerf III ligt aan de Noorder IJ- of Zeedijk. Deze dijk heeft binnen
is op perceelniveau ook te zien dat er bebouwing heeft gestaan. Zo is op perceel ‘65’ oude bebouwing zichtbaar op de plek waar nu het huidige woonhuis staat (afb. 12). Op het achterterrein is een vijver gesitueerd. Gedurende de gehele 19e en 20ste eeuw is deze bebouwing te zien op verschillende historische kaarten (afb. 13) Aan de hand van het BAG-register is het woonhuis en overige panden gebouwd tussen 1915-1919 (ID 0363, kadastraal nr. 1422 en 2124). De 18de eeuwse bebouwing (of ouder) is gesloopt en naderhand is mogelijk op de oude fundering het nieuwe woonhuis gebouwd. Op verschillende luchtfotos uit de jaren ‘60 en ‘70 van de vorige eeuw is het onderzoeksgebied zichtbaar. Deze luchtfoto’s zijn gemaakt tijdens de bouw van de aangrenzende wijk ‘Molenwijk’ (zie afb. 14 en voorpagina). Het grondgebruik en de bebouwing is sindsdien vrijwel hetzelfde gebleven (bron: stadarchief Amsterdam). Afbeelding
12.
Uitsnede
van
de
kadastrale minuut uit 1813 van het plangebied
aan
Zuideinde
366
in
Amsterdam.
19