CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 17 Ruimtelijke Ordening (23) 2. Zuideinde 366

RAAD 20 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Zuideinde 366 VN2023-01592826.378 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Zuideinde 366

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Zuideinde 366

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.N2207BPSTD-VG01

Datum print

16 Juni 2023

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk1

7 Inleiding

9

Aanleiding Doel bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Geldend planologisch kader Leeswijzer

9 9 9 10 13

Het plankader

15

Historie Beschrijving van het plangebied Ontwikkeling

15 15 19

Beleidskader

23

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

23 24 27 30

Milieu- en omgevingsaspecten

37

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

Archeologie en cultuurhistorie Bodemkwaliteit Externe veiligheid Geluidhinder Luchthavenindelingbesluit Luchtkwaliteit Milieueffect Milieuzonering bedrijven Mobiliteit Natuurbescherming Niet Gesprongen Explosieven Water

37 39 41 42 47 48 51 51 54 55 59 60

Hoofdstuk5

Juridische planbeschrijving

63

Algemeen De bestemmingen

63 63

Hoofdstuk6

Economische uitvoerbaarheid

65

Hoofdstuk7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

67

7.1 7.2 7.3 7.4

Participatie Inspraak Vooroverleg Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

67 67 67 67

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Hoofdstuk2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk4

5.1 5.2

Bijlagen bij toelichting

69

Bijlage 1

71

(Groen)Inrichtingsplan

Gemeente Amsterdam

blz. 4

Bijlage 2

Archeologisch bureauonderzoek

81

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

115

Bijlage 4

Akoestischonderzoek wegverkeerslawaai

219

Bijlage 5

Akoestischonderzoek busstation

257

Bijlage 6

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

265

Bijlage 7

Ecologische quickscan

289

Bijlage 8

Beoordeling uitvoerbaarheid soortenbescherming

335

Bijlage 9

Stikstofdepositieberekening

339

Bijlage 10

Verslag informatieavond d.d. 27 oktober 2022

367

Bijlage 11

Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

371

Regels Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Hoofdstuk3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Hoofdstuk4

381 Inleidende regels

382

Begrippen Wijze van meten

382 387

Bestemmingsregels

388

Groen Tuin Verkeer Water Wonen Waarde - Archeologie 1

388 389 390 391 392 394

Algemene regels

396

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

396 397 398 399 400 401

Overgangs- en slotregels

402

Artikel 15 Overgangsrecht Artikel 16 Slotregel

402 403

Bijlagen bij regels

405

Bijlage 1

406

(Groen)Inrichtingsplan

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 5

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 7

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 8

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 9

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

STL 1 B.V. is voornemens om de bestaande bebouwing op de locatie aan het Zuideinde 366 te Amsterdam te slopen en daarvoor in de plaats tien woningen te realiseren. Twee van de tien woningen worden op het voorerf gerealiseerd en de overige woningen worden op het relatief grote achtererf gerealiseerd in de vorm van licht ondergeschikte schuurwoningen. Hiermee wordt het contrast tussen het voor- en achtererf benadrukt. Het voorgenomen initiatief is in strijd met het geldende bestemmingsplan "Kadoelen-Oostzanerwerf III". Onderhavig bestemmingsplan "Zuideinde 366" voorziet derhalve in een nieuw juridisch-planologisch kader.

1.2

Doel bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan heeft als doel om het voorgenomen initiatief, met behoud van de ruimtelijke kwaliteit, in het plangebied juridisch-planologisch mogelijk te maken.

1.3

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan het Zuideinde 366 te Amsterdam en daarmee gelegen in het bebouwingslint Zuideinde. Het bebouwingslint Zuideinde bestaat voor het grootste deel uit karakteristieke, kleine losstaande woningen van twee bouwlagen met een kap. Het plangebied is dieper dan de overige kavels aan het Zuideinde en wordt begrensd door een sloot aan de west- en zuidzijde en het bebouwingslint Zuideinde aan de noord- en oostzijde. De ligging van het plangebied is op figuur 1.1 weergegeven.

Gemeente Amsterdam

blz. 10

Figuur 1.1 Ligging plangebied (bron: QGIS, eigen bewerking) Het plangebied staat kadastraal bekend onder perceelnummers 1422 en 2124, sectie AO, in de kadastrale gemeente Amsterdam.

1.4

Geldend planologisch kader

In het plangebied zijn momenteel de volgende bestemmingsplannen van kracht, alsmede een voorbereidingsbesluit: bestemmingsplan "Kadoelen-Oostzanerwerf III", vastgesteld op 20 juni 2013 door de deelraad van stadsdeel Noord, gemeente Amsterdam; bestemmingsplan "2e Partiële herziening Kadoelen - Oostzanerwerf III", vastgesteld op 30 november 2016 door de gemeenteraad van Amsterdam; bestemmingsplan "Drijvende bouwwerken", vastgesteld door gemeente Amsterdam op 18 september 2019; bestemmingsplan "Grondwaterneutrale Kelders", vastgesteld door gemeente Amsterdam op 7 oktober 2021; voorbereidingsbesluit "Darkstores/flitsbezorgers", vastgesteld door gemeente Amsterdam op 26 januari 2022. De beoogde ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, wordt hierna getoetst aan de geldende bestemmingsplannen.

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 11

1.4.1

Bestemmingsplan "Kadoelen-Oostzanerwerf III"

Het plangebied is op basis van het bestemmingsplan "Kadoelen-Oostzanerwerf III" gelegen binnen de enkelbestemming 'Wonen - 1', de enkelbestemming 'Tuin -1', de enkelbestemming 'Water' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1'. Binnen de bestemming 'Wonen - 1' is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen mag worden gebouwd tot een goothoogte van 4,5 meter en een bouwhoogte van 9 meter. In figuur 1.2 is een uitsnede van de verbeelding met daarop het plangebied weergegeven.

Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan (bron: QGIS, eigen bewerking) Relatie tot de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is op een vijftal onderdelen in strijd met het geldende bestemmingsplan. De strijdigheden zijn gelegen in: de bouwmogelijkheden binnen de bestemming 'Wonen - 1'. Op grond van artikel 28, lid 28.2.2 onder a is het oprichten van gebouwen (waaronder woningen) slechts toegestaan binnen een bouwvlak. De beoogde woningen worden buiten het bouwvlak opgericht. de bouwmogelijkheden binnen de bestemming 'Wonen - 1'. Op grond van artikel 28, lid 28.2.2 onder c en d is mag binnen het bouwvlak gebouwd worden tot een maximale goothoogte van 4,5 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in bebouwing met een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter (aan de voorzijde van het perceel) en bebouwing met een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 9,5 meter (de licht ondergeschikte schuurwoningen) en is derhalve in strijd met artikel 28, lid 28.2.2 van het bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 12

de bouwmogelijkheden binnen de bestemming 'Wonen - 1'. Op grond van artikel 28, lid 28.2.2 onder f dienen de gebouwen (waaronder woningen) te worden voorzien van een kap met een dakhelling van minimaal 30 graden en maximaal 60 graden. De beoogde woningen worden voorzien van een lagere dakhelling. de bestemmingsbepaling van de bestemming 'Tuin -1'. Op grond van artikel 22, lid 22.1 zijn woningen niet toegestaan binnen de bestemming 'Tuin'. De voorgenomen ontwikkeling voorziet hier wel in. de bestemmingsbepaling van de bestemming 'Tuin - 1'. Op grond van artikel 22, lid 22.1 is een ontsluitingsweg ten behoeve van verkeer niet toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling voorziet hier wel in. de bouwmogelijkheden binnen de bestemming 'Tuin - 1'. De voorgenomen ontwikkeling overschrijdt het maximaal aantal m2 aan toegestane bebouwing op grond van artikel 22, lid 22.2.2 onder a. Om de strijdigheden op te heffen is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt ook de geldende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1' overgenomen teneinde de eventueel voorkomende archeologische waarden te beschermen. 1.4.2

Bestemmingsplan "2e Partiële herziening Kadoelen-Oostzanerwerf III"

Het bestemmingsplan "2e Partiële herziening Kadoelen-Oostzanerwerf III" is opgesteld teneinde een omissie/onduidelijkheid in het bestemmingsplan "Kadoelen - Oostzanerwerf III" te herstellen. Door de manier waarop de voorschriften in het bestemmingsplan "Kadoelen - Oostzanerwerf III" zijn geredigeerd, is het mogelijk verschillende hoofdbestemmingen geheel te benutten ten behoeve van een zelfstandige parkeerfunctie. Bedoeld werd echter op de verschillende hoofdbestemmingen parkeren slechts ten behoeve van deze hoofdbestemming toe te staan. Door middel van de partiële herziening is de omissie hersteld. De partiële herziening biedt het juridisch planologische kader voor de huidige ruimtelijke en functionele situatie. Daarbij zijn de bestaande rechten gerespecteerd. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen in de partiële herziening mogelijk gemaakt. Relatie tot de voorgenomen ontwikkeling Onderhavig bestemmingsplan "Zuideinde 366" voorziet in nieuwe bestemmingsplanbepalingen, waarbij het parkeren ondergeschikt is aan de hoofdfunctie. 1.4.3

Bestemmingsplan "Drijvende bouwwerken"

Dit bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van de wetswijzing met de Wet Verduidelijking voorschriften woonboten en een tweetal uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hieruit volgt dat in een aantal gevallen (woon)boten en bedrijfsvaartuigen beschouwd moeten worden als bouwwerken. Met dit bestemmingsplan "Drijvende bouwwerken" (2019) worden er in de moederplannen bouwvoorschriften opgenomen zodat er een regeling in de verschillende bestemmingsplannen wordt geïmplementeerd die de basis vormt om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen te kunnen verlenen. Relatie tot de voorgenomen ontwikkeling Aangezien de beoogde ontwikkeling niet voorziet in drijvende bouwwerken, is dit bestemmingsplan niet relevant voor het plangebied en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten.

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 13

1.4.4

Bestemmingsplan "Grondwaterneutrale Kelders"

Teneinde ongewenste ruimtelijke effecten en daarmee schade als gevolg van aanleg van kelders te voorkomen, is het Afwegingskader Grondwaterneutrale kelders Amsterdam opgesteld. Uit het juridisch onderzoek, in het kader van de opstelling van het Afwegingskader, kwam naar voren dat het bestemmingsplan het aangewezen instrument is om het hierin vervatte beleid juridisch te borgen. Het bestemmingsplan "Grondwaterneutrale Kelders" (2021) en heeft tot doel het voorkomen van negatieve effecten van (cumulatieve) aanleg van kelders op de stand en de stroom van het grondwater. Relatie tot de voorgenomen ontwikkeling In het bestemmingsplan "Grondwaterneutrale Kelders" is het onderhavige plangebied aangewezen als 'Overige zone 2', waar het verboden is om kelders te graven of bestaande kelders te vergroten. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet voorziet in nieuwe bebouwing met kelders, heeft dit geen gevolgen voor grondwater en wordt dit verder buiten beschouwing gelaten. Deze regels gelden echter onverminderd voor het plangebied en om dit te waarborgen zijn zowel de aanduiding 'overige zone - 2' als de bijbehorende aanduidingsregels overgenomen in dit bestemmingsplan "Zuideinde 366". 1.4.5

Voorbereidingsbesluit "Darkstores/flitsbezorgers"

Het voorbereidingsbesluit "Darkstores/flitsbezorgers" (2022) ziet erop toe dat (tot aan de inwerkingtreding van een nieuw paraplubestemmingsplan) het verboden is om gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen ten behoeve van zogenoemde flitsbezorgdiensten vanuit darkstores. Relatie tot de voorgenomen ontwikkeling Aangezien de beoogde ontwikkeling niet voorziet in gebruik ten behoeve van flitsbezorging of darkstore, is dit besluit niet relevant voor het plangebied en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten.

1.5

Leeswijzer

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plangebied opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven. De toelichting bestaat uit zeven hoofdstukken. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en geeft een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. De voor het plan relevante beleidsuitspraken van rijk, provincie en regio en het eigen gemeentelijke beleid zijn in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende omgevingsaspecten. Hierbij vindt een toets aan de diverse milieu- en omgevingsaspect plaats. Een toelichting op het juridische systematiek en een omschrijving van de afzonderlijke bestemmingen is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven en in hoofdstuk 7 worden de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te doorlopen procedures beschreven.

Gemeente Amsterdam

blz. 14

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 15

Hoofdstuk 2 2.1

Het plankader

Historie

De historische ontwikkeling van het plangebied is beschreven in het 'Inrichtingsplan Zuideinde Amsterdam - Noord' dat als Bijlage 1 bij deze toelichting is gevoegd. Omstreeks 1850 betrof het lint Zuideinde een agrarisch lint in het veenweidegebied. Vijftig jaar later ontstond de droogmakerij Noorder IJpolder. Het lint Zuideinde was destijds nog steeds in een open landschap gelegen. Omstreeks 1970 vond de ontwikkeling van woongebieden Molenwijk en Oostzanerwerf plaats, respectievelijk ten westen en oosten van het plangebied gelegen. Ruim ten noorden van het plangebied werd vervolgens omstreeks 1990 de Rijksweg A10 aangelegd en in circa 2000 werd de wijk Oostzanerwerf in noordelijke richting uitgebreid.

Figuur 2.1 Historische ontwikkeling plangebied (bron: inrichtingsplan Sweco)

2.2

Beschrijving van het plangebied

Ruimtelijke analyse ligging plangebied Het plangebied is gelegen in het bebouwingslint Zuideinde, dat voor het grootste deel bestaat uit karakteristieke, kleine, losstaande woningen van twee bouwlagen met een kap. Het plangebied is in het zuiden van het lint gelegen. Het achterste deel van het plangebied is dieper dan de overige, aangrenzende kavels in het lint. De sloot grenzend aan de achterzijde van het lint is als het ware om het plangebied 'heen gelegd'. Aan de westzijde van het lint Zuideinde is de Molenwijk ontwikkeld. Molenwijk bestaat uit circa 1.250 huur- en koopwoningen, verkaveld in flats van 10 verdiepingen hoog. Het geheel is middels een 'molenwieken-structuur' in een parkachtige setting gepositioneerd. Tussen het lint Zuideinde en de Molenwijk is een groenblauwe-zone aanwezig waarlangs de Schellingweg en de Molenaarsweg gelegen Gemeente Amsterdam

blz. 16

zijn. Deze waren - parallel aan het Zuideinde - rond 1980 nog verbonden met elkaar. Het achterste deel van het plangebied maakt ruimtelijk gezien deel uit van deze zone. De woningen in de oostelijk gelegen woonwijk Oostzanerwerf worden via het lint Zuideinde middels diverse dwarswegen ontsloten. Het profiel van het Zuideinde ter hoogte van het plangebied wordt doorgetrokken richting de Andriaan Loosjesstraat. Vanuit zuidelijke richting wordt deze in de voorrang gezet. Verder is langs de zuidzijde van het plangebied een fiets- en voetgangersverbinding gelegen. Deze verbindt de verschillende buurten met elkaar.

Figuur 2.2 Ruimtelijke analyse ligging kavel (bron: inrichtingsplan Sweco) Beschrijving plangebied Het plangebied betreft ten opzichte van omliggende kavels een relatief ruim perceel in het lint Zuideinde. Dergelijke grote percelen waren vroeger bestemd voor bedrijven. Bedrijven op deze locatie zijn niet meer passend in het huidige economische milieu van schaalvergroting (bedrijven hebben in het huidig economisch klimaat behoefte aan ruimere percelen, bij voorkeur op locaties waar bedrijvigheid geconcentreerd is). Ook zijn er weinig eigenaren die behoefte hebben aan de huidige enorme tuin. Het betreft immers een relatief groot perceel, dat nu niet voor andere doeleinden gebruikt kan worden. Gelet

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 17

op voorgaande leent het plangebied zich uitstekend voor het realiseren van meerdere woningen. Hier wordt in paragraaf 2.3 Ontwikkeling nader op ingegaan. In de huidige situatie is in het plangebied een woning met diverse bijgebouwen aanwezig. Het plangebied is daarnaast voor een groot deel voorzien van verharding en beperkt voorzien van groen in de vorm van bomen. Beleidskader 'Bouwen van extra woningen in de linten van Kadoelen - Oostzanerwerf' In 2003 is het beleidskader 'Bouwen van extra woningen in de linten van Kadoelen - Oostzanerwerf' (hierna: beleidskader) opgesteld. Dit beleidskader ziet op bouwaanvragen in strijd met het bestemmingsplan die het toevoegen van woningen achter de linten in Kadoelen betreffen. Het bouwplan is getoetst aan dit beleidskader. De locatie valt binnen een zone waarvoor het toevoegen van extra woningen in de tweede linie achter het lint in principe niet toegestaan en/of wenselijk is. De conclusie is echter dat het beleidskader niet specifiek ingaat op het perceel Zuideinde 366. Het ontbreekt aan een aparte notering voor het perceel Zuideinde 366 (zie de verbeelding in de bijlage van het beleidskader). Het perceel is samengevoegd met andere kleine percelen aan het Zuideinde.

In het geval van het perceel Zuideinde 366 is vanuit ruimtelijk perspectief echter sprake van een uitzondering, (net als de gebieden 4, 5 en 6, zie ook figuur 2.2 van deze toelichting). Dat blijkt uit de volgende zaken: Het betreft een relatief ruim perceel met daarop kleine schuren. Dergelijke grote percelen waren vroeger bestemd voor bedrijven. Bedrijven op deze locatie zijn niet meer passend in het huidige economische milieu van schaalvergroting. Ook zijn er zijn weinig eigenaren die, hier binnen de stad, behoefte hebben aan de huidige enorme tuin. Het betreft immers een relatief groot perceel, dat nu niet voor andere doeleinden kan worden gebruikt. Er zijn meerdere grotere percelen langs het Zuideinde omgevormd tot woningbouwlocaties. De woningbehoefte is enorm. De opgave is om de woningbouw binnen de bebouwde kom op te lossen en niet in het landelijke gebied. Ook is het gewenst om meer woningen voor gezinnen te realiseren. Het mogelijk maken van woningbouw op deze locatie maakt tevens een efficiënt ruimtegebruik van de stad mogelijk. Het betreft tevens geen openbaar groen, waardoor de druk hierop niet zal toenemen. Het beleidskader stelt dat elke aanvraag afzonderlijk moet worden beoordeeld. Bij de beoordeling zijn meerdere belangen afgewogen. Hieronder wordt nader op deze belangenafweging ingegaan.

Er is een balans gevonden tussen enerzijds het belang van het terugdringen van de woningnood en anderzijds het karakter van het perceel. Zo is het plan meerdere malen aangepast en zijn de woningen zo gepositioneerd dat er zo min mogelijk overlast ontstaat voor omwonenden. Hierbij is rekening gehouden met de bezonning en privacy van de omliggende percelen. Paragraaf 4 van het beleidskader geeft ruimte voor afwijking indien het karakteristiek van het lint niet wordt aangetast, de nieuwbouw stedenbouwkundig en architectonisch past bij en geen afbreuk doet aan bestaande bebouwing en de woonfunctie past in de bestemmingen rond het (bouw)perceel. Hieronder wordt aangegeven of wordt, vooruitlopend op de planbeschrijving in paragraaf 2.3 van deze toelichting, voldaan aan deze voorwaarden. De acht woningen aan de achterzijde vormen ondergeschikte schuurwoningen, zodat het kenmerkende contrast tussen het voor- en achtererf behouden blijft. Daarbij wordt de bebouwing landschappelijk ingepast met een inrichtingsplan. Er is rekening gehouden met de ligging van de groenblauwe zone, alsmede de ligging in het lint Zuideinde. Er wordt een kenmerkende erftoegangsweg toegevoegd, met enkel aan weerzijden bebouwing en het plangebied is voorzien van een groene omlijsting.

Hierdoor zal de bebouwing op het achtererf vanaf het Zuideinde nauwelijks merkbaar zijn en de openheid van het veenlint blijft behouden. De woningen in het zuidelijk gelegen woonblok zijn verder omringd door een collectieve tuin. Hiermee is de kenmerkende ruimtelijke kwaliteit en

Gemeente Amsterdam

blz. 18

groenstructuur gewaarborgd. Ook sluit de woonfunctie aan bij de bestemming van de omliggende percelen. Paragraaf 5 van het beleidskader geeft een nadere toelichting wanneer er woningen gebouwd mogen worden in de tuinbestemming. De aanwezigheid van ruimte tussen het lint en het achterliggende bebouwde gebied en de aanwezigheid tot doorzicht naar het achtergelegen open gebied is gewaarborgd door onder andere de beoogde collectieve tuin. Deze is opgenomen om de groene uitstraling zo veel mogelijk te behouden. Er is dus nadrukkelijk gekozen voor een collectief groengebied om de openheid van het achtererf te behouden. Daarnaast wordt voorkomen dat het perceel versnippert in losse perceeltjes met elk een eigen erfafscheiding. De openheid van het veenlint blijft behouden, aangezien slechts aan weerzijden van de erftoegangsweg bebouwing staat. Daarnaast is er voldoende ruimte voor nieuwe bebouwing en de nieuwe gebouwen zijn niet klein, maar toch passend gezien het relatief grote oppervlak van het perceel. Aangezien de bestaande toegangsweg via het veenlint loopt wordt ook voldaan aan het laatste criterium. Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan de criteria uit paragraaf 5 van het beleidskader. Paragraaf 7 van het beleidskader stelt aanvullende eisen aan nieuwbouw in de tuinbestemming (in de linten).

Deze eisen luiden als volgt: de nieuwbouw moet zowel stedenbouwkundig als architectonisch passen bij de bestaande bebouwing; de nieuwbouw mag de bebouwing aan de weg niet overheersen en dus niet hoger zijn; voorschriften van [het vigerende bestemmingsplan] voor de omringende bebouwing moeten worden gehanteerd; parkeren moet geschieden op eigen terrein en mag niet worden afgewenteld op het openbaar gebied. In de toets aan paragraaf 4 en paragraaf 5 is reeds gemotiveerd dat de beoogde nieuwbouw zowel stedenbouwkundig als architectonisch past bij de bestaande bebouwing. Aan de eerste eis uit paragraaf 7 wordt derhalve voldaan. Ten aanzien van de tweede eis wordt opgemerkt dat de nieuwbouw op het achtererf de bebouwing aan de weg niet overheerst. Deze acht woningen op het achtererf zijn namelijk ondergeschikt aan de woningen op het voorerf. De woningen hebben een maximaal toegestane bouwhoogte van 9,5 meter en een maximaal toegestane goothoogte van 4 meter. De woningen op het voorerf hebben een maximaal toegestane bouwhoogte van 10 meter en een maximaal toegestane goothoogte van 6 meter. Het kermerkende contrast tussen het voor- en achtererf blijft hiermee behouden. Van de derde eis wordt beperkt afgeweken. De omringende bebouwing heeft op grond van artikel 5.2 van het geldende bestemmingsplan. Het Zuideinde is een veenlint met een verscheidenheid aan woningen.

De woningen hebben overwegend twee of drie bouwlagen. Het beeld is gevarieerd. Om drie bouwlagen mogelijk te maken is tenminste negen meter nodig en het geldende bestemmingsplan voorziet hierin. Om een meer bewoonbare kapverdieping mogelijk te maken is voor dit perceel gekozen om een extra meter toe te staan. Het betreft een geringe afwijking, die op zal gaan in het gevarieerde beeld van het Zuideinde.een maximaal toegestane bouwhoogte van 9 meter. De voorgestelde maximaal toegestane bouwhoogte is 10 meter voor de woningen op het voorerf. Tot slot wordt het parkeren op eigen terrein opgelost: iedere woning krijgt een parkeerplek op het eigen perceel. Aan de vierde eis wordt derhalve ook voldaan.

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 19

2.3

Ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tien woningen in het plangebied. Woningbouw in de tweede linie van het lint Zuideinde is volgens het gemeentelijk beleid in principe onwenselijk, maar het plangebied vormt hier een uitzondering op. Aanleiding hiervoor is de grootte van het perceel. Er zijn reeds meerdere grotere percelen langs het Zuideinde omgevormd tot woningbouwlocaties. De woningbehoefte is enorm. De opgave is om de woningbouw binnen de bebouwde kom op te lossen en niet in het buitengebied. Het mogelijk maken van woningbouw op deze locatie maakt tevens een efficiënt ruimtegebruik van de stad mogelijk. Het betreft tevens geen openbaar groen, waardoor de druk op hierop niet zal toenemen. In het vervolg van deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het te realiseren programma in het plangebied. Daarna zal een toelichting worden gegeven op het voor deze ontwikkeling opgestelde inrichtingsplan. (Bouw)programma Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van 10 woningen mogelijk. De woningen betreffen allen koopwoningen in de vrije sector, type gezinswoning. In de Regels van dit bestemmingsplan is de maximale goot- en bouwhoogte opgenomen. Voor de twee woningen aan de voorzijde van het perceel betreft dit een hoogte van respectievelijk maximaal 6 en 10 meter. Voor de schuurwoningen geldt een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 9,5 meter.

De woningen worden daarnaast ieder voorzien van een berging. Stedenbouwkundige inpassing Twee van de tien woningen worden op het voorerf voorgesteld. Deze twee woningen passen in de rooilijn van de overige bebouwing in het lint. De overige acht woningen worden op het (relatief grote) achtererf voorgesteld. Deze woningen worden vormgegeven als licht ondergeschikte schuurwoningen, zodat het contrast tussen het voor- en achtererf benadrukt blijft. Parkeren wordt voorts op eigen terrein voorzien, maar buiten het straatbeeld, zodat er geen afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van het Zuideinde.

Figuur 2.3 Geveltekeningen beoogde woningen aan het Zuideinde (bron: W3 Architecten)

Figuur 2.4 Geveltekeningen beoogde schuurwoningen noordwestelijk deel plangebied (bron: W3 Architecten)

Gemeente Amsterdam

blz. 20

Figuur 2.5 Geveltekeningen impressie beoogde schuurwoningen zuidelijk deel plangebied (boven) en beoogde losse bergingen t.b.v. deze schuurwoningen (onder) (bron: W3 Architecten) Inrichtingsplan Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Sweco een inrichtingsplan opgesteld. De randvoorwaarden uit dit inrichtingsplan zijn, daar waar mogelijk en ruimtelijk relevant, vertaald in de Regels van dit bestemmingsplan. Het inrichtingsplan schrijft voor op welke wijze het plangebied dient te worden ingericht en welke verharding dient te worden toegepast, maar behelst ook een groeninrichtingsplan. Het volledige inrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting. Voor de inrichting van het plangebied is rekening gehouden met de ligging in de groenblauwe-zone alsmede de ligging in het lint Zuideinde. Met de voorgenomen inrichting wordt de zichtlijn van het Zuideinde richting de Stellingweg hersteld, worden hoekaccenten aangebracht en wordt het plangebied voorzien van een groene omlijsting.

Figuur 2.6 Uitgangspunten inrichting plangebied (bron: inrichtingsplan Sweco)

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 21

De woningen in het noordwestelijk en noordoostelijk gelegen woonblok zijn voorzien van een privétuin en de blokken worden van elkaar gescheiden door een parkeerkoffer. De twee woningen in het noordwestelijk gelegen woonblok beschikken daarnaast ieder over een eigen privévlonder. De woningen in het zuidelijk gelegen woonblok beschikken ieder over een privébuitenruimte en/of terras, maar delen een collectieve tuin die rondom het woonblok wordt aangelegd. In deze collectieve tuin wordt voorzien in een speelplek en is ruimte om te wandelen en te recreëren. Daarnaast wordt voorzien in een openbare vlonder en in losstaande bergingen (met sedumdak) ten behoeve van het zuidelijk gelegen woonblok. Vergunningsvrij bouwen in de collectieve tuin is niet toegestaan. Dit kan immers een negatief effect hebben op de huidige groenstructuur en ruimtelijke kwaliteit. In de Regels van dit bestemmingsplan is vergunningsvrij bouwen binnen de bestemming 'Groen' (de collectieve tuin) derhalve uitgesloten. Het groen in het plangebied wordt aangebracht in de vorm van (meerstammige) bomen, solitaire heesters, hagen, begroeide hekwerken en beplantingsvakken. Op onderstaand figuur is een impressie van de beoogde inrichting weergegeven.

Figuur 2.7 Overzichtstekening inrichting plangebied (bron: inrichtingsplan Sweco) Gemeente Amsterdam

blz. 22

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 23

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Relatie tot het plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van tien woningen in het plangebied.

De ontwikkeling sluit daarmee aan bij nationaal belang nummer 5: 'zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit bij woonbehoeften'. De opgave is om aansluitend op de woonbehoefte (met name in en bij de stedelijke regio's) tussen 2019 en 2030 circa 1 miljoen woningen te realiseren en een goede kwaliteit van de woningvoorraad in regio's met bevolkingsdaling te behouden. Het plangebied is gelegen in Stadsdeel Noord te Amsterdam en is derhalve gelegen in een stedelijke regio. De woningen die worden gerealiseerd, betreffen voornamelijk gezinswoningen. Voor dit type woning is de vraag in Amsterdam groot. Gelet op voorgaande kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de opgave behoren bij nationaal belang nummer 5. De overige 20 nationale belangen zijn niet relevant voor het plangebied. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de NOVI. De NOVI staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Het gewijzigde Barro is op 1 juli 2014 in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van onderwerpen van nationaal belang, zoals Rijksvaarwegen, kustfundament, de Waddenzee, buisleidingen van nationaal belang en de Ecologische hoofdstructuur. Relatie tot het plangebied Op basis van het Barro (geconsolideerd 1 december 2020) bevindt het plangebied zich niet binnen één van de aangewezen gebieden op de kaarten. Op basis van het Barro (geconsolideerd 1 december 2020)

Gemeente Amsterdam

blz. 24

bevindt het plangebied zich binnen kaart 6: radarstations. Het plangebied is gelegen binnen een radarverstoringsgebied, namelijk: "radarverstoringsgebied maximale hoogte 90 meter t.o.v. NAP". Dit bestemmingsplan voorziet niet in bouwwerken die hoger zijn dan de toetshoogte. Belemmeringen voor de radar zijn niet aan orde. Op dit moment legt het Barro geen restricties op voor de onderhavige locatie. Conclusie Het Barro staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening

Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (Watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Relatie tot het plangebied Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een ruimtelijk plan voorziet in niet meer dan elf woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, sub i, van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt (bron: uitspraak 201608869/1/R3, kenmerk: ECLI:NL:RVS:2017:1724). Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van maximaal 10 woningen mogelijk. De ontwikkeling is daarmee niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, sub i, van het Bro. Dit neemt niet weg dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte aan de ontwikkeling moet worden aangetoond. Uit zowel het regionaal als gemeentelijk beleid volgt de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan het voorgenomen plan.

In de regio bestaat een tekort aan 17.000 woningen, waarbij de tekorten het grootst zijn in de categorie eengezinswoningen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet bij uitstek in gezinswoningen en levert met het realiseren van 10 woningen een bijdrage aan het oplossen van het tekort. De overige relevante onderwerpen uit het Bro voor de beoogde ontwikkeling worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. Conclusie Het Bro staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie NH 2050

De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren en die proberen in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De visie spreekt zich uit over het Waarom en deels over het Wat. Onder de hoofdambitie 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerde ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De bijbehorende deelambities zijn: 1. Leefomgeving: een gezonde en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving, met als doel:

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 25

a. een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland; b. het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving; c. het vergroten van de biodiversiteit in Noord-Holland. 2. Gebruik van de leefomgeving: ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren, met als doel: a. een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor; b. vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter met elkaar in overeenstemming brengen; c. dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden; d. het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en cultuurhistorie. 3. Energietransitie: Noord-Holland als samenleving in 2050 klimaatneutraal en gebaseerd op hernieuwbare energie. Relatie tot het plangebied Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal tien woningen mogelijk, waarbij ruim aandacht is voor een groene inrichting van het plangebied (zie hiervoor ook Bijlage 1). De groene inrichting kan bijdragen aan het vergroten van de biodiversiteit in het plangebied en levert daarnaast een bijdrage aan het klimaatbestendig bouwen.

Groen zorgt immers voor een verkoelend effect, waardoor het initiatief bijdraagt aan het terugdringen van het fenomeen 'hittestress'. Ook nodigt de collectieve tuin uit tot bewegen en sociale interactie. Gelet op voorgaande wordt een bijdrage geleverd aan de deelambitie behorend bij het thema 'Leefomgeving'. De voorgenomen ontwikkeling is daarnaast in lijn met de ambitie van de provincie om vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter met elkaar in overeenstemming te brengen, alsmede om woningbouw vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden in te plannen. Tot slot zullen de nieuwe woningen, in tegenstelling tot de huidige bebouwing in het plangebied, geen aardgasaansluiting hebben. Hiermee wordt bijgedragen aan de energietransitie. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan is in lijn met de ambities uit de Omgevingsvisie NH2050. De Omgevingsvisie NH2050 staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 3.2.2

Omgevingsverordening NH2020

Op 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020. In deze verordening zijn regels opgenomen die de provinciale belangen beschermen. De verordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV), de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. In hoofdstuk 6 van de omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen. Dit zijn regels die door decentrale overheden in acht moeten worden genomen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De instructieregels zien onder meer op nieuwe stedelijke ontwikkelingen, bijzonder landschap, verblijfsrecreatie en detailhandel. Relatie tot het plangebied Het plangebied is op basis van de kaarten bij de Omgevingsverordening geheel of gedeeltelijk gelegen in de volgende werkingsgebieden: Gebiedswaarden wateroverlast; Terreinen binnen de vastgestelde kritische afstand van Natura 2000

Gemeente Amsterdam

blz. 26

Peilbesluit Hieronder wordt de voorgenomen ontwikkeling aan de relevante artikelen die van toepassing zijn op het gehele grondgebied van de provincie en de relevante artikelen behorende bij de werkingsgebieden getoetst. Artikel 6.3 Nieuwe stedelijke ontwikkeling (voor het gehele grondgebied) Dit artikel bepaalt dat een ruimtelijk plan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Zoals in paragraaf 3.1.3 van deze toelichting reeds is beschreven, is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling geen sprake. Dit neemt niet weg dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte afspraken. Uit het 'Jaarprogramma Wonen in de MRA 2022' volgt dat binnen de MRA minimaal 17.500 woningen per jaar dienen te worden gerealiseerd. Daarbij is het uitgangspunt dat verstedelijking zoveel als mogelijk wordt gerealiseerd binnen de steden en kernen. De voorgenomen ontwikkeling levert hier een bijdrage aan. Daarnaast wordt voorzien in de behoefte aan eengezinswoningen in de Stadsregio Amsterdam (zie ook paragraaf 3.3.2 van deze toelichting). Gelet op voorgaande is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met artikel 6.3 van de Omgevingsverordening.

Artikel 5.6 Normen voor waterkwantiteit (werkingsgebied Gebiedswaarden wateroverlast) In dit artikel zijn voor het gebied van een gemeente binnen en buiten de bebouwde kom normen gesteld aan de gemiddelde kans op overstromingen. Specifiek voor het werkingsgebied Gebiedswaarden wateroverlast geldt dat de normen en maaiveldcriteria ter plaatse van het werkingsgebied als vastgelegde gebiedswaarden gelden. De realisatie van tien woningen in het plangebied heeft geen effect op deze gebiedswaarden. Artikel 4.3 Tijdelijk en uitzonderlijk gebruik helikopters of andere luchtvaartuigen (werkingsgebied Terreinen binnen de vastgestelde kritische afstand van Natura 2000) In dit artikel is een vergunningplicht opgenomen voor het starten of landen van een helikopter of luchtvaartuig die is gelegen binnen de kritische afstand van Natura 2000. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hier niet in en derhalve kan een nadere toetsing aan dit artikel achterwege blijven. Artikel 6.82 Peilbesluit (werkingsgebied Peilbesluit) Dit artikel verplicht waterschappen een of meer peilbesluiten vast te stellen voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden binnen het werkingsgebied peilbesluit. Artikel 6.82 heeft derhalve geen relevantie voor onderhavig bestemmingsplan. Conclusie De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is niet in strijd met de bepalingen uit de Omgevingsverordening NH2020.

De Omgevingsverordening NH2020 staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 3.2.3

Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027

Met dit programma wordt invulling gegeven aan het waterbeleid in Omgevingsvisie NH 2050 voor zover het uitvoering van Europese richtlijnen over water betreft. Een goede waterkwaliteit, duurzaam voorraadbeheer en bescherming tegen overstroming zijn de centrale elementen van het programma. Voor de deelprogramma’s oppervlaktewater, grondwater en overstromingsrisico’s is uitgewerkt welke doelen de provincie wil bereiken en hoe hieraan een bijdrage wordt geleverd met een breed pakket aan maatregelen. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan natuurgebieden, drinkwaterwinningen en zwemwateren, die volgens Europese richtlijnen worden beschermd vanwege de specifieke eisen die hier gelden.

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 27

Relatie tot het plangebied In paragraaf 4.12 wordt beschreven hoe in het plangebied met de waterhuishouding wordt omgegaan. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Programma Wonen MRA

De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De samenwerking op het gebied van Wonen wordt gecoördineerd en gefaciliteerd vanuit het Programma Wonen in de MRA en heeft de volgende algemene doelstelling: "We bouwen aan een economisch en sociaal sterke metropoolregio met aantrekkelijke kernen en steden, met voldoende woningen en een divers woningaanbod aansluitend op de woningbehoefte. Deze woningen zijn van goede kwaliteit en evenwichtig verspreid over de regio: toekomstbestendig, duurzaam, bereikbaar en betaalbaar." Het Jaarprogramma Wonen in de MRA 2022 kent de volgende strategische opgaven: Aanjagen van de woningproductie (min. 17.500 woningen/ jaar) en gebiedsontwikkeling volgens het principe van polycentrische verstedelijking. Dat houdt in dat de MRA de verstedelijking zoveel mogelijk probeert te realiseren binnen de steden en kernen, dichtbij openbaar vervoersknooppunten, en dat deze verstedelijking wordt gecombineerd met economische versterking.

Inzet op realisatie én behoud van betaalbaar en toekomstbestendig woningaanbod (nieuwbouw én bestaande voorraad), door evenwichtigere spreiding betaalbaar aanbod binnen de MRA en door te investeren in kwaliteit en toekomstbestendigheid bestaande voorraad en wijken. Gezamenlijk inzicht in werking van de woningmarkt, monitoring en kennisdeling als solide basis en als versterking van kracht en kunde individuele gemeenten. Goede samenwerking en afspraken met het Rijk, marktpartijen, corporaties, provincies en intern MRA. De vier strategische opgaven komen samen in een aantal trajecten, die in 2022 prioriteit hebben: Samenwerking met het rijk op het gebied van Bouwen en Wonen waaronder actualisatie van de Woondeal MRA uit 2019 Versnelling woningbouw: Actieprogramma woningproductie MRA 2018-2025 Uitvoering Bereikbare Steden Toekomstbestendige woningbouw Huisvesting aandachtsgroepen Relatie tot het plangebied Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van 10 woningen mogelijk. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de beoogde woningbouwproductie van minimaal 17.500 woningen per jaar in de MRA. De ontwikkeling vindt daarnaast plaats binnen bestaand stedelijk gebied, in het lint Zuideinde. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan is in lijn met de ambities en opgaven van de Metropoolregio Amsterdam.

Het beleid behorend bij het Programma Wonen van de MRA staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid

Gemeente Amsterdam

blz. 28

van dit bestemmingsplan in de weg. 3.3.2

Stadsregio Amsterdam

De provincie Noord-Holland heeft de gemeenten binnen de Stadsregio Amsterdam gevraagd gezamenlijk een Regionaal Actieprogramma Wonen (RAP) op te stellen voor de periode 2016 tot en met 2020. Dit komt voort uit de provinciale Woonvisie uit 2010, waarin als doelstelling is opgenomen dat in 2020 de inwoners van Noord-Holland beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu. De gemeenten die deel uitmaken van de Vervoerregio Amsterdam werken nauw samen om de woningbehoefte voor de gehele regio adequaat op te vullen. Hiertoe is in het regionale portefeuillehouders-overleg Ruimte en Wonen van 30 juni 2016 de Samenwerkingsagenda Regionale Woningmarkt 2016-2020 vastgesteld. De thema's in deze samenwerkingsagenda zijn woningbouwproductie, betaalbare voorraad en woonruimteverdeling, om de kwantitatieve behoefte aan woningen, maar vooral ook de kwalitatieve behoefte aan woningen in kaart te brengen. Het RAP brengt de regionale vraag naar woningen in beeld en zet deze vraag af tegen het (geplande) aanbod van woningen. De woningmarkt in de regio Amsterdam kent een sterke samenhang en een gedeeld gezamenlijk belang. De regio is internationaal gezien zeer sterk met veel groeipotentieel en een goede concurrentiepositie.

Deze sterke positie van de regio is ontstaan dankzij een veelheid aan factoren, waarbij de hoge kwaliteit van leven een belangrijke rol speelt. Een aantrekkelijke en diverse woningmarkt maakt hier deel van uit. Veel mensen willen dan ook graag in de regio wonen. Dat biedt tegelijkertijd kansen en uitdagingen. De vraag naar woningen is in alle segmenten groter dan het aanbod. Bij het aanbod van woningen worden zowel de reeds bestaande woningen als de in uitvoering zijnde of geplande bouw van woningen binnen de regio meegewogen. Voor plannen in Amsterdam is de gehele stadsregio te beschouwen als marktregio. Onder actuele woningbehoefte wordt de behoefte voor de komende tien jaar verstaan. Dit sluit aan bij de jurisprudentie die over dit begrip is ontstaan bij de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Wat betreft de kwantitatieve behoefte wordt voor de gehele regio de groei van de woningbehoefte in de periode 2017 - 2027 geraamd op 79.500 woningen. Hier staat een harde plancapaciteit van bijna 62.500 woningen tegenover, waardoor een tekort aan harde plannen van 17.000 woningen bestaat. In onderstaand figuur worden woningbehoefte en plancapaciteit tegen elkaar afgezet, uitgedrukt in het aantal woningen.

Figuur 3.1 Woningbehoefte versus plancapaciteit in de drie deelregio's uitgedrukt in woningen (bron: RAP 2016 t/m 2020 Amstelland-Meerlanden, Amsterdam en Zaanstreek-Waterland) Wat betreft de kwalitatieve behoefte geldt voor de marktregio Amsterdam (de gehele stadsregio) het bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 29

volgende: De woningbehoefte is zo groot, dat in vrijwel alle marktsegmenten tekorten zijn. De grootste tekorten doen zich voor bij eengezinswoningen, betaalbare huurwoningen en betaalbare en middeldure koopwoningen. Alleen bij de marktsegmenten meergezinswoningen in een stedelijk milieu - een segment dat ruim geprogrammeerd staat - en dure huurwoningen is de plancapaciteit een fractie groter dan de vraag. Relatie tot het plangebied Dit bestemmingsplan maakt 10 (nieuwbouw)woningen mogelijk. De woningen betreffen allen koopwoningen in de vrije sector, type gezinswoning. Daarmee voorziet de voorgenomen ontwikkeling in zowel een kwantitatieve als kwalitatieve behoefte. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan woningen, zoals opgenomen in het RAP. Het RAP Stadsregio Amsterdam staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 3.3.3

Woonakkoord 2021-2025gemeente Amsterdam - Provincie Noord-Holland

Het woonakkoord bevat de gedeelde ambities en gezamenlijke inzet van het woonbeleid van de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Het woonakkoord is de opvolger van het Regionale actieprogramma Wonen (RAP) en onderdeel van de "regionale afspraken" als bedoeld in artikel 6.3 van de Omgevingsverordening NH2020. In de Omgevingsverordening NH2020 is bepaald dat "een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken." In het woonakkoord van Amsterdam met de provincie wordt daarnaast ook aan de blijvende en vernieuwde samenwerking met Amstelland-Meerlanden en Zaanstreek-Waterland voor de woonruimteverdeling van sociale huurwoningen en de intensieve samenwerking binnen de Metropoolregio Amsterdam voor het woningbouwprogramma een plaats gegeven. De doelen van de gemeente en de provincie komen overeen, de prioriteit ligt bij het vergroten van de woningvoorraad (bouwen). Het akkoord bevat een overzicht en herbevestiging van beleid en acties waar provincie en Amsterdam, al dan niet via de MRA, al gezamenlijk aan werken. Daarna volgt een overzicht van acties die in de samenwerking tussen de provincie Noord-Holland en gemeente Amsterdam via het woonakkoord worden bekrachtigd.

De afspraken en acties uit het woonprogramma zijn onderverdeeld onder de volgende thema's: woningbouwprogramma en regionale afstemming; verdeling van sociale huurwoningen in Amsterdam en omliggende gemeenten; flexwoningen; bouwprogramma's in landelijk gebied; duurzame woningen, duurzaam bouwen en circulaire economie; gezonde leefomgeving: 1. groen in en om de stad; 2. geluidsoverlast rondom woonwijken; 3. beweegvriendelijke stad (gezonde mobiliteit). Relatie tot het plangebied Onder het thema 'woningbouwprogramma en regionale afstemming' is opgenomen dat een divers en betaalbaar woningaanbod met voldoende instroom- en doorstroomkansen voor diverse doelgroepen een uitgangspunt is. Een ander uitgangspunt onder dit thema is de productie van 15.000 woningen per jaar.

Gemeente Amsterdam

blz. 30

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in koopwoningen in de vrije sector, type gezinswoning. De toevoeging van gezinswoningen kan tevens bijdragen aan het voorzien in voldoende instroom- en doorstroomkansen. De ontwikkeling levert daarnaast een bijdrage aan de ambitie om jaarlijks 15.000 woningen te realiseren. Vanwege de groene inrichting van het plangebied wordt eveneens bijgedragen aan het creëren van een gezonde leefomgeving en tot slot is sprake van de realisatie van duurzame woningen. Er wordt naar gestreefd om woningen met een A+++ energielabel te realiseren. Dit kan onder meer worden bereikt door het toepassen van PV-panelen, het werken met een warmtepomp, het toepassen van een WTW (warmteterugwinning) voor bijvoorbeeld de douche. Met een douche-WTW wordt de warmte van het wegstromende douchewater gebruikt om het koude douchewater alvast op te warmen. Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij de afspraken en acties uit het Woonakkoord 2021-2025. Het Woonakkoord 2021 - 2025 staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

Het stadsbestuur zet in de Omgevingsvisie de lijnen uit naar 2050 (juli 2021). Hoe wordt de stad ingericht ten behoeve van welvaart, welzijn en geluk van de Amsterdammers, regiobewoners en bezoekers? Waar wordt gewoond en gewerkt, hoe komt men van A naar B, hoe zien de publieke ruimtes eruit en welke plek is er straks voor groen? De verwachting is dat de groei van de stad zal doorzetten. Die groei moet opgevangen worden en vooral gelijker verdeeld. Ook over de regio. Er zijn flinke investeringen nodig in infrastructuur, voorzieningen en stedelijk en landelijk groen. De grootste uitdaging is de overstap naar meer duurzaamheid, met andere energiebronnen en een minder verspillende manier van leven. De inrichting van stad en regio gaat wezenlijk veranderen. Een deel van de plannen staat al op de rol, een ander deel is nieuw. In de Omgevingsvisie staat vooral de samenhang centraal en het kiezen van een koers naar 2050. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur vijf strategische keuzes: Meerkernige ontwikkeling Van uitrol centrumgebied naar een meerkernige en meer diverse verstedelijking Regionale spreiding stedelijke voorzieningen en werkgelegenheid. Onderscheidende ontwikkeling Nieuw-West, Zuidoost en Noord. Twee vaste IJ-oeververbindingen en een regionaal fietsnetwerk. Uitbreiding HOV en metronet en ontwikkeling stationskwartieren.

Groeien binnen grenzen Verdichting door complete en duurzame wijkontwikkeling Ruimte voor 150.000 woningen erbij in complete buurten. Verduurzamen bestaande buurten en woningen. Ruimte voor schone energie en duurzame initiatieven. Verduurzaming van de haven. Duurzaam en gezond bewegen Heel Amsterdam een wandel- en fietsstad

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 31

Een openbare ruimte die uitnodigt tot ontmoeting en bewegen. Meer ruimte voor fietsers en voetgangers. Auto's zijn te gast. Verkeerswegen (Gooiseweg, Lelylaan, Burgemeester Röellstraat) worden groene stadslanen begeleid door bebouwing. Rigoureus vergroenen Een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving voor mens en dier Openbare ruimte zo groen mogelijk inrichten. Ontwikkeling parken (Oeverlanden, Hondsrugpark, Gaasperdakpark, Zuidasdokpark en NDSM-Oost). Groene routes en ecologische verbindingen. Investeren in het landschap: natuurontwikkeling, kringlooplandbouw en ruimte voor sporten en bewegen. Samen stadmaken Richting geven op hoofdlijnen en ruimte bieden aan initiatief Gelijkwaardige (digitale) informatiepositie bij planvorming. Buurtbatenovereenkomsten en buurtomgevingsvisies. Grotere rol Amsterdammers bij beheer en ontwikkeling. Ruim baan voor wooncoöperaties: naar 10% van de woningvoorraad in 2040. Vrije ruimte als vast onderdeel van de planvorming.

Figuur 3.2 Uitsnede visiekaart Omgevingsvisie 2050 Relatie tot het plangebied Gelet op de ligging van het plangebied in Amsterdam-Noord past de voorgenomen ontwikkeling binnen de strategische keuze 'Meerkernige ontwikkeling', waarbij ook verstedelijking plaats dient te vinden in Amsterdam-Noord. Het plangebied is tevens op de Visiekaart uit de Omgevingsvisie gelegen in luw

Gemeente Amsterdam

blz. 32

gebied, waar voor stedelijke ontwikkeling ruimte is voor kleinschalige ontwikkeling en transformatie. Met dit bestemmingsplan worden tien woningen mogelijk gemaakt op een locatie die reeds bestemd was tot 'Wonen' en behelst daarmee een kleinschalige ontwikkeling. Het planinitiatief levert daarnaast een bijdrage aan de ambitie zoals genoemd onder de strategische keuze 'Groeien binnen grenzen', namelijk het verdichten door complete en duurzame wijkontwikkeling. De realisatie van 10 woningen past binnen de behoefte aan 150.000 woningen, waarmee sprake is van een complete buurt. De ontwikkeling vindt immers plaats binnen het lint Zuideinde en draagt daarmee bij aan het completeren hiervan. Ook betreft het een initiatief waarbij ruim aandacht is voor duurzaamheid. Voor de woningen zelf wordt gestreefd naar energielabel A+++, door middel van het toepassen van een warmtepomp, PV-panelen en mogelijke een (douche-)WTW. Daarnaast wordt in het plangebied voorzien in een collectieve tuin, welke uitnodigt tot bewegen alsmede een groene inrichting van het plangebied. Gelet op voorgaande wordt ook een bijdrage gelegen aan de ambitities zoals genoemd onder de strategische keuzes 'Duurzaam en gezond bewegen' en 'Rigoureus vergroenen'. Een deel van het plangebied is tot slot gelegen in de groen/blauwe zone tussen het lint Zuideinde en de Molenwijk.

Met het groeninrichtingsplan voor het plangebied (zie Bijlage 1) is hier aansluiting bij gevonden. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de ambities en strategische keuzes uit de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. 3.4.2

Amsterdamse woonagenda 2025

De Woonvisie uit 2009 heeft een opvolger gekregen: de Amsterdamse woonagenda 2025. Het college van B&W kiest voor een praktische woonagenda om richting te geven aan de uitdagingen waar Amsterdam wat betreft het wonen voor gesteld staat. De nieuwe visie is gericht op meer bouwen, betaalbare en kwalitatief goede woningen voor alle doelgroepen. Een voortvarend bouwprogramma is essentieel om de druk op de woningmarkt te verminderen en het wonen betaalbaar te houden. Met het plan 'Koers 2025' heeft de gemeente Amsterdam de ambitie om tot het jaar 2025 circa 50.000 extra woningen te bouwen. Het programma moet voorzien in voldoende sociale huurwoningen, onder andere voor studenten en jongeren, voor kwetsbare groepen en ouderen, maar ook ruimte voor huurders en kopers in de middeldure, dure en topsegmenten. Nieuwbouw moet bijdragen aan een gemengde stad. In de Amsterdamse woonagenda staat de prognose dat er in 2025 een tekort zal zijn aan sociale huurwoningen en middeldure huurwoningen. Ter voorkoming van dat tekort heeft de gemeente een stedelijk uitgangspunt voor de programmering van nieuwbouw geformuleerd: 40% sociale huurwoningen, 40% middeldure woningen (huur en koop) en 20% dure woningen (huur en koop).

Dit uitgangspunt is van toepassing op alle plannen waarvoor nog geen investeringsbesluit is vastgesteld en geen contracten zijn gesloten of anderszins juridische en financiële verplichtingen zijn aangegaan. Het geldt ook voor transformatieprojecten en ontwikkelingen op particuliere grond. Herontwikkeling en leegstandsbestrijding staan echter voorop. Per ruimtelijk project wordt bestuurlijk bepaald welk woningbouwprogramma wordt gerealiseerd. Afwijken van het uitgangspunt is mogelijk op grond van specifieke omstandigheden, zoals het woningaanbod in de directe omgeving, de aard en intensiteit van de verdichtingsopgave en de omvang van de financiële effecten op de grondexploitatie. Relatie tot het plangebied Met voorliggend bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch kader gegevens voor een zorgvuldige

bestemmingsplan_Zuideinde 366 (vastgesteld)

blz. 33

verdichting van het plangebied, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de gewenste woningbouwproductie. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een (kleinschalige) woningbouwontwikkeling voor de vrije koopsector. Het stedelijk uitgangspunt voor de programmering van nieuwbouw (40-40-20) is in het Stedelijk Kader voor particuliere transformaties verder uitgewerkt. Ook in de plannen van particulieren, waarbij geen sprake is van nieuwe gronduitgifte maar van eigen grond van particulieren of een bestaand erfpachtcontract, wil de gemeente een gedifferentieerd aanbod bewerkstelligen. Tegelijkertijd geldt daarbij dat die sturing op woningdifferentiatie niet aan de orde is bij kleine transformaties naar (individuele) woningen. Het Stedelijk Kader is derhalve niet van toepassing bij de realisatie van 10 of minder woningen. Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 10 woningen, zodat niet voldaan hoeft te worden aan het 40-40-20 beleid. Met dit bestemmingsplan wordt desondanks bijgedragen aan de gewenste woningbouwproductie in Amsterdam. Conclusie De Amsterdamse woonagenda 2025 staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. 3.4.3

Erfgoed voor de stad

Erfgoed bepaalt in hoge mate de identiteit en de kwaliteit van Amsterdam. De cultuurhistorisch rijke en bijzondere woonomgeving is een bepalende factor in het vestigingsklimaat voor nieuwe (internationale) bedrijven en jonge startups. Niet alleen de grachtengordel met het Werelderfgoed maar ook het jongere erfgoed in de 19de-eeuwse ring, de Gordel '20-'40, Nieuw-West en Zuidoost, maakt Amsterdam tot een aantrekkelijke stad. Verborgen in de bodem liggen daarbij archeologische overblijfselen die getuigen van de rijke geschiedenis van de stad. Met 'Erfgoed voor de stad (juni 2016)', de agenda voor erfgoed in een groeiend Amsterdam, wil Amsterdam de komende jaren koersen op het optimaal inzetten van erfgoed bij de transformatie en groei van de stad. Het inventariseren en waarderen van cultuurhistorische waarden (zowel kwantitatief als kwalitatief) hoort hierbij. Dit is immers de basis voor het in beeld te krijgen van de bestaande waarden om deze optimaal te kunnen inzetten. Relatie tot het plangebied In het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Wel is bij de inrichting van het plangebied rekening gehouden met de ligging in het lint Zuideinde. Conclusie De nota 'Erfgoed voor de stad' staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. 3.4.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13133292/1