A - 17 Onderwijs (9) bekendmakingsbesluit Verordening bekostiging leerlingen
Tekst van het document
Opmerkingen voor publicatie: Te publiceren in: Uiterlijk bekendmaken op: Niet eerder bekendmaken dan op: Consolideren op overheid.nl Gevolgen voor de werking van een andere regeling: Externe informatieve bijlage voor de leesbaarheid: Andere bijzonderheden:
Gemeenteblad 31 december 2023 n.v.t. n.v.t. Verordening Leerlingenvervoer Gemeente Amsterdam (2017) n.v.t. n.v.t.
Besluit van de raad van de gemeente Amsterdam tot vaststelling van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Amsterdam 2024 (Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Amsterdam 2024) De raad van de gemeente Amsterdam; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; gezien het advies van de commissie OZA op 12 juli 2023 besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Amsterdam 2024 Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.
Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - aangepast vervoer: vervoer per besloten bus, schoolbus, taxi, taxibus, of touringcar; - afstand: afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, berekend met behulp van een door het college vastgesteld routeplanningsprogramma; - begeleider: ouder of persoon die door de ouder(s) wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; - college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam; - deskundige: (onafhankelijk) medisch of pedagogisch deskundige, deskundige van de school of de in het OOGO aangewezen onafhankelijk deskundige; - eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets/scooter, fiets of andersoortig vervoermiddel;
-
gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken;
-
leerling: commissie van begeleiding:
-
commissie van onderzoek:
-
OOGO:
-
openbaar vervoer: tram,
- ouder(s): - reistijd: college
de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel; commissie als bedoeld in artikel 40b van de Wet op de expertisecentra; commissie als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra; het op overeenstemming gericht overleg tussen de samenwerkingsverbanden en de gemeenten binnen de samenwerkingsverbanden als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 2.47 van de wet voorgezet onderwijs; voor een ieder openstaand personenvervoer per bus, trein, metro, veerdienst of auto; ouder(s), voogd(en) of verzorger(s) van de leerling; de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en het aankomen bij de school, berekend met behulp van een door het
vastgesteld routeplanningsprogramma; - samenwerkingsverband:1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2°. voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de wet voortgezet onderwijs; - school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: 1°. het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; 3°. het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 4°.
het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de wet voortgezet onderwijs; - toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen wegens zijn structurele handicap dan wel de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting; - vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; - persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: 2
- vervoersvoorziening:
- woning:
plan waarin wordt vastgelegd welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandig te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat de ouders hierin kunnen betekenen en waar het college ondersteunt. 1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zonodig diens begeleider; 2°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of 3°. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.
Artikel 2. Doelstelling Deze verordening heeft tot doel op basis van een beoordeling op grond van in de verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Paragraaf 2. Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel 3. Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling zijn woning heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van alle op het formulier gevraagde gegevens. 2. Indien de aanvraag onjuist of onvolledig is ingediend, wordt de beslistermijn voor de aanvraag opgeschort. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de aanvraag aan te vullen. 3. Indien in deze gestelde termijn van vier weken geen volledig te beoordelen aanvraag is ontvangen, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld, tenzij de ouder heeft aangegeven meer tijd voor de aanvraag nodig te hebben.
In dat geval wordt de aanvraag aangehouden gedurende een in overleg met ouders nader te bepalen termijn. 4. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 5. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag voor een vervoersvoorziening met alle daarbij behorende gegevens. 6. Het college kan de in het vorige lid bedoelde beslistermijn met ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. Artikel 4. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin. 2. Het college kan bij een aanvraag in een gesprek met de ouders, desgewenst de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken als bedoeld in de onderzoeksfase. 3. Doel van het gesprek is: a. Om in samenspraak met ouders en leerling mogelijkheden te bespreken voor de leerling om zelfstandig(er) te gaan reizen.
3
b. Om na te gaan welke mogelijkheden er zijn voor de ouders om te zorgen dat de leerling naar school gebracht en van school gehaald wordt. c. Om afspraken te maken over het gebruik van de genoemde mogelijkheden en de inzet van ouders. 4. Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kan het college in het eerder genoemde gesprek met de ouders, en desgewenst met de leerling een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. 5. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede en vierde lid opnieuw plaatsvinden. 6. Na afloop van het gesprek bevestigt het college schriftelijk de met ouders gemaakte afspraken. De afspraken maken automatisch deel uit van opvolgende besluiten op aanvragen voor een vervoervoorziening. 7. In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen. Artikel 5. OOGO met de samenwerkingsverbanden 1. Het college neemt het leerlingenvervoer op als vast agendapunt in het OOGO met de samenwerkingsverbanden. 2. Het college spant zich in om in het OOGO met de samenwerkingsverbanden afspraken te maken over: a.
de spreiding van het onderwijsaanbod binnen de samenwerkingsverbanden en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; b. de deskundige die het college adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt; c. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem best passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door het college wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; d. de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; e. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; f. de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid. 3. Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met de samenwerkingsverbanden. In dit overleg worden in ieder geval de volgende onderwerpen besproken: a. de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en de samenwerkingsverbanden; b. de wijze waarop situaties als genoemd in artikel 8, vierde lid, kunnen worden voorkomen, dan wel op te heffen en dit onderwijs bij de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, aangeboden kan worden; c.
het maken van afspraken over de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het vervoersontwikkelingsplan genoemd in artikel 4, vierde lid. Artikel 6. Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening 1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 3. Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling. 4. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.
4
5. Indien de toegekende vervoersvoorziening een bekostiging is, geldt deze met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag. 6. Indien de toegekende vervoersvoorziening aangepast vervoer betreft, gaat het vervoer in zodra de vervoerder dit kan inplannen, op of na de door de ouders verzochte datum. 7. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. 8. Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. Artikel 7. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening 1. De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college. 2. Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en leidt ertoe dat het college gebruik kan maken van de in het vierde lid genoemde bevoegdheden en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. 3.
Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en leidt dat ertoe dat het college gebruik kan maken van de in het vierde lid genoemde bevoegdheden en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt het besluit schriftelijk mee aan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling. 4. Het college kan een besluit als bedoeld in deze verordening herzien, opschorten dan wel intrekken, als het vaststelt dat: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; c. de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de goedkoopst passende vervoersvoorziening is; d. sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling en/of de ouders/verzorgers gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of e. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer; 5.
De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer berust bij de ouders. 6. Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, dan wel verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening. Paragraaf 3. Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op vervoersvoorziening Artikel 8. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor het college minder kosten met zich mee brengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, ontstaat niet eerder een aanspraak op een vervoersvoorziening dan dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld. 3. Met inachtneming van het bepaalde in de voorgaande leden wordt eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning en:
5
a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in de samenwerkingsverbanden van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of b. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor het college minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a. 4. Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts tijdelijk toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling; b. aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod; en c.
in het OOGO zijn afspraken gemaakt over de deskundige en is overleg gevoerd over het aanbod voor onderwijs bij de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen als bedoeld in artikel 5, derde lid, aanhef en onder b. Artikel 9. Afstandsgrens 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. regulier basisonderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; b. speciaal basisonderwijs meer bedraagt dan vijf kilometer; c. speciaal onderwijs, met uitzondering van het voortgezet speciaal onderwijs, meer bedraagt dan vier kilometer; d. voortgezet (speciaal) onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; 2. In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kan het college hierover advies vragen aan een (onafhankelijk medisch) deskundige, de commissie van onderzoek of de commissie van begeleiding van de school van aanvraag. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen. Artikel 10. Aanwijzing opstapplaats 1.
Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. 2. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar, bij en van de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. 3. Het college wijst geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. 4. Het college kan besluiten (tijdelijk) geen opstapplaats aan te wijzen als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling. Artikel 11. Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening op basis van artikel 18 is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft bepalend. Artikel 12. Andere vergoedingen De aanspraak op een toelage op grond van een andere wet, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. 6
Artikel 13. Schooltijden en wachttijden 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. In geval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerplichtige leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; b. in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en c.
de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. Artikel 15. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, kan een aanvraag voor stagevervoer bovendien door de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs gedaan worden. 3. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school.
Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen een door het college te bepalen maximale straal van de woning of de school. 4. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 5. Op verzoek van het college overlegt de aanvrager als bedoeld in dit artikel de stageovereenkomst. Paragraaf 4. Onderzoeksfase: verstrekking aard en omvang van de vervoersvoorziening Artikel 16. Verstrekking van de vervoersvoorziening 1. Het college betrekt bij de verstrekking van de vervoersvoorziening het eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan en/of vervoersadviezen van deskundigen die voor de onderzoekfase van belang zijn. 7
2. Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer. Artikel 17. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1. Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 9, eerste lid, verstrekt het college aan de ouders van de leerling die een school voor primair onderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet (speciaal) onderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer. 2. Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3. De kilometervergoeding voor de fiets bedraagt voor het schooljaar 2023-2024 € 0,10 per afgelegde kilometer gemeten langs de kortste afstand en wordt voor ieder opvolgend schooljaar gewijzigd aan de hand van het voor dat schooljaar door de VNG gepubliceerde normbedrag. Artikel 18. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van de leerling en een begeleider 1.
Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider van de leerling als: a. voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 9, eerste lid, de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken; of b. de leerling gehandicapt is en als gevolg daarvan niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. 2. De kilometervergoeding voor de fiets bedraagt € 0,10 per afgelegde kilometer gemeten langs de kortste afstand, met inachtneming van het bepaalde in artikel 17, derde lid. 3. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. Artikel 19. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: a.
een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding. De kilometervergoeding voor de fiets bedraagt € 0,10 per afgelegde kilometer gemeten langs de kortste afstand, met inachtneming van het bepaalde in artikel 17, derde lid. b. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of c. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Deze vergoeding komt overeen met het belastingvrije kilometerbedrag voor woon-werkverkeer zoals geregeld in de Wet op de loonbelasting, artikel 31a lid 2 onder a. 3. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van het belastingvrije kilometerbedrag voor woon-werkverkeer zoals geregeld in de Wet op de loonbelasting, artikel 31a lid 2 onder a, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Dit bedrag is op basis van de meest ver weg gelegen school.
8
4. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer van één of meer leerlingen bekostiging van het college ontvangen, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. Artikel 20. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: a. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 18 en de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer naar een school voor speciaal onderwijs, speciaal basis onderwijs, regulier basisonderwijs dan wel voortgezet (speciaal) onderwijs of terug, een reistijd heeft van meer dan 35 (SO, SBO, BO) of meer dan 45 minuten (V(S)O); of b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 17 of 18 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; of c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 18 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of d.
de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer of van de fiets gebruik te maken. . Artikel 21. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college in overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. Artikel 22. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie 1. Met inachtneming van artikel 8 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de schoolvakantie(s) toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het derde lid bedoelde schoolvakantie(s). 3.
Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat, of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 4. Artikel 20, aanhef en onder a, is niet van toepassing. Paragraaf 5. Slotbepalingen Artikel 23. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen. Artikel 24. Nadere regels Het college kan alle bepalingen in deze verordening uitwerken in nadere regels. Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening beleidsregels vaststellen. Artikel 25. Intrekking oude regeling en overgangsrecht 9
1.
De Verordening leerlingenvervoer gemeente Amsterdam d.d. 5 oktober 2017 (Gemeenteblad 2017 177959) wordt ingetrokken met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze verordening met dien verstande dat deze van toepassing blijft op: a. aanvragen die voor inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden;
b. b. een lopende voorziening verstrekt op basis van die verordening, totdat de voorziening afloopt dan wel het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt wordt ingetrokken, herzien of beëindigd. 2. In afwijking van het bepaalde in deze verordening geldt voor ouders of meerderjarige leerlingen die op grond van de verordening leerlingenvervoer 2014 Weesp voor 1 augustus 2022 recht hadden op een bekostiging leerlingenvervoer evenals eventuele zusjes/broertjes van die leerling, dat zij zijn uitgezonderd van toepassing van het in deze verordening bedoelde criterium dat een vervoersvoorziening alleen wordt toegekend over de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling passende school. Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening bekostiging leerlingenvervoer Gemeente Amsterdam 2024 Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 19/ 20 juli 2023 De voorzitter Femke Halsema De raadsgriffier Jolien Houtman
10
Toelichting Algemeen Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders en meerderjarige handelingsbekwame leerlingen kunnen dan een beroep doen op de Verordening bekostiging leerlingenvervoer Gemeente Amsterdam 2024. Wettelijke plicht De raad heeft de wettelijke plicht om een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 8.29, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2. De Verordening bekostiging leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van het gemeentebestuur. Naast voorschriften over de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening.
Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft. De Verordening bekostiging leerlingenvervoer is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vergoeding wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke vergoeding wordt verstrekt. Vervoersvoorziening In deze verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer. Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De bekostiging van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten.
Zelfstandigheid en zelfredzaamheid Deze verordening gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren wordt de aanvraag met ouders besproken en wordt vanaf een bepaalde leeftijd in overleg met ouders een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling opgesteld (zie artikel 4). Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Afstand
11
De afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. Ouders worden bij de aanvraag geïnformeerd over de wijze waarop de afstand wordt gemeten. De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: Afdeling) ABRvS 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg (zie ABRvS 27 december 1989, nr. R03.88.7309). Begeleider Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen hetzij tijdelijk en/of deeltijds overnemen. Gehandicapte leerling Een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van deze verordening.
Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van deze verordening géén gehandicapte leerling. De beperking die de leerling door de handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is. Leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. Wel als zodanig worden aangemerkt de kinderen als bedoeld in artikel 39 lid 1 van de WEC. Daarin is bepaald dat indien het een kind betreft als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a of b, het kan worden toegelaten tot het speciaal onderwijs als het de leeftijd van 3 jaar heeft bereikt.
Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van deze verordening. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang. Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. Commissie van begeleiding De WEC maakt verschil tussen een school (cluster 3 en cluster 4) en een instelling (cluster 1 en cluster 2). De commissie van begeleiding wordt ingesteld op een school, niet zijnde een instelling, om:
12
te adviseren over het vaststellen en bijstellen van het ontwikkelingsperspectief van een leerling en dit jaarlijks te evalueren; te adviseren over terug- of overplaatsing van een leerling naar het regulier basis-, speciaal basis- of het regulier voortgezet onderwijs en die scholen te adviseren over de benodigde begeleiding van de leerling. Commissie van onderzoek Deze commissie wordt ingesteld op een instelling (cluster 1 en cluster 2), niet zijnde een school, om: te beoordelen of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op een instelling, dan wel voor begeleiding door de instelling op het regulier basis-, speciaal basis of het regulier voortgezet onderwijs en voor welke periode; te adviseren over het vaststellen en bijstellen van het ontwikkelingsperspectief van een leerling en dit jaarlijks te evalueren; te adviseren over terug- of overplaatsing van een leerling naar het regulier of voortgezet onderwijs en die scholen te adviseren over de benodigde begeleiding van de leerling. In deze commissie heeft een vertegenwoordiger van de instelling, een psycholoog of pedagoog (gespecialiseerd in de jeugd- en kinderpsychologische richting, dan wel in de orthopedagogische richting), een maatschappelijk deskundige en een arts zitting.
OOGO Artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 2.47, tiende lid van de WVO 2020 bepalen, dat samenwerkingsverbanden en gemeenten met elkaar een ‘Op Overeenstemming Gericht Overleg’ (hierna: OOGO) moeten voeren met als doel om een ondersteuningsplan vast te stellen. De samenwerkingsverbanden en het college overleggen, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, met elkaar ten minste over: de vraag hoe de aansluiting tussen de ondersteuning in het onderwijs en de (jeugd)zorg vanuit de gemeente het beste tot stand kan komen; het leerlingenvervoer; de leerplicht; de onderwijshuisvesting. Het overleg moet leiden tot een goede afstemming en samenwerking tussen de samenwerkingsverbanden en de gemeente. Openbaar vervoer Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede ‘volgens een dienstregeling’; zodoende kan ook de regiotaxi desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden beschouwd. Ouders De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC. Ook pleegouders, voogden of verzorgers vallen onder het begrip ‘ouders’.
Persoonlijk vervoersontwikkelingsplan In dit plan wordt opgenomen welke groeimogelijkheden er zijn voor een leerling in zijn of haar mobiliteit en wat er nodig is om zelfstandig(er) te reizen van huis naar school en terug. Het plan beschrijft binnen welke termijn zelfstandigheid kan worden bereikt en hoe ouders de leerling hierin kunnen ondersteunen. Reistijd De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een school voor regulier basisonderwijs, speciaal 13
basisonderwijs, speciaal onderwijs dan wel voortgezet (speciaal) onderwijs of terug langer dan 35 respectievelijk 45 minuten onderweg is komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a). De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. Deze periode is ook volgens de Afdeling redelijk (ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Naast deze tien minuten is er vrijwel altijd sprake van een wachttijd, voordat de reis van een leerling werkelijk aanvangt. Veelal moeten leerlingen aan het einde van de schooldag wachten tot het aangepast vervoer na aankomst vertrekt. Er wordt dan gewacht op andere leerlingen van die school. Indien meerdere scholen in één route gecombineerd worden, kan datzelfde zich nogmaals voordoen wanneer er bij de volgende school gewacht moet worden op andere leerlingen.
De totale tijd, dat een leerling aan het einde van de schooldag moet wachten op of in het aangepast vervoer kan op deze manier flink oplopen. Het is dan ook redelijk om van de vervoerder te verlangen, dat de wachttijd per leerling niet meer bedraagt dan ongeveer twintig minuten (inclusief de toegestane wachttijd van maximaal vijftien minuten op de eigen school van de leerling). Samenwerkingsverband Onder 1° Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.
Onder 3° Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 2.47 van de WVO 2020 alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. School Onder 1° In de WPO gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs. Onder 2° 14
In de WEC gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. De WEC onderscheidt de volgende clusters: Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap, Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps, Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps, en Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’.
Onder 3° In de WVO 2020 gaat het om scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en pro. Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo. Toegankelijke school Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke toestand zijn aangewezen op een bepaalde school. In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen. De WVO 2020 kent eveneens een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 2.47, zevende lid, van de WVO 2020). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.
Sinds 1 augustus 2015 wordt het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs in het passend onderwijs geïntegreerd; dan beslist het samenwerkingsverband of een leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs. Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de WEC). Vervoer Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend geval
15
tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer. Vervoersvoorziening De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt. Woning Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.
Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’. Artikel 2. Doelstelling Het doel van het leerlingenvervoer is om een financiële ondersteuning te verstrekken ten behoeve van passend vervoer van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school aan de ouders van leerlingen wie of van wie de school verder dan de, door de gemeente bepaalde, afstandsgrens gelegen is, of voor wie het medisch niet mogelijk is om de school zelfstandig te bereiken. Paragraaf 2. Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel 3. Aanvraagprocedure Eerste lid Indien ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De meerderjarige en handelingsbekwame leerling kan dit ook zelf doen. De aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op vaste dagen verblijft. De gemeente stelt hiervoor een papieren of digitaal aanvraagformulier beschikbaar.
Tweede lid Onder gegevens moeten ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring inkomensgegevens of een verklaring van overwegende bezwaren. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Indien de patiënt zelf aangeeft dit te willen, is het wel mogelijk een verklaring te verstrekken. Een advies is ook op te vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD). Bij twijfel zal de gemeente zelf een onafhankelijke deskundige moeten inschakelen. Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De 16
gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen vier weken aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb dient in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In artikel 3, vijfde lid, is daarom bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens een beslissing neemt. Vierde lid Wanneer bij de beoordeling aanvulling noodzakelijk is, kan het college besluiten om aanvullende gegevens op te vragen. Denk hierbij aan een aanvullend advies van een vervoersdeskundige of de (medisch) specialist.
Vijfde lid Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven, of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden. Voor deze verordening is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken. Zesde lid Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor het college. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven. Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 3 zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4.
Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag Eerste tot en met derde lid Om ouders te informeren over het leerlingenvervoer is het aan te bevelen een gesprek met de aanvrager(s) te voeren, om: verwachtingen aangaande het leerlingenvervoer voor de eventuele komende jaren te managen; na te gaan welke mogelijkheden de ouders hebben om de leerling naar en van school te brengen en te halen; de aanvraag goed te kunnen beoordelen; - te onderzoeken wat de vervoersmogelijkheden van de leerling zijn. Indien dit mogelijk is, is het van meerwaarde om ook de leerling te betrekken bij het gesprek. Zo nodig kan ook een deskundige betrokken worden bij het gesprek. Dit kan iemand met medische kennis zijn, zoals een orthopedagoog, iemand van de school, het samenwerkingsverband of anderszins. 17
In het gesprek wordt onderzocht in welke mate en in welk tempo te verwachten is, dat een leerling zelfstandig(er) kan reizen en hoe ouders hierbij kunnen ondersteunen en/of welke faciliteiten het collegedaarbij kan aanbieden. Het college kan dit gesprek bij de eerste aanvraag voeren. Wanneer de omstandigheden van de leerling wijzigen kan dat aanleiding zijn om een (nieuw) gesprek te voeren. Het spreekt voor zich, dat een schoolwissel en adreswijziging zo’n nieuwe omstandigheid is, maar ook het gegeven, dat de leerling ouder wordt en zich ontwikkelt kan gezien worden als een gewijzigde omstandigheid. Indien de leerling niet de dichtstbijzijnde school bezoekt is dit eveneens onderwerp van gesprek. Wat is er gedaan om wél naar de school dichtbij de woning te gaan? En wat wordt er gedaan, ook door het samenwerkingsverband, om het onderwijs in de toekomst dichterbij te organiseren? Zelfredzaamheid Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar wat een leerling kan en wil. De vergoedingsstructuur is zodanig opgebouwd, dat, binnen de gestelde criteria (beoordelingsfase), de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling wordt vergoed. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en hebben een eigen verantwoordelijkheid.
Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen. Veel leerlingen hebben door hun ontwikkelachterstand en/of gedragsproblemen extra begeleiding nodig op weg naar zelfstandigheid. Dit is een verantwoordelijkheid van de ouders, maar gemeenten kunnen hierbij ondersteunen. Ook het bekostigen van het reizen met openbaar vervoer, bijvoorbeeld bij leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs, kan het voor gezinnen makkelijker maken om de weg naar zelfstandig reizen te vinden. Voor het voortgezet speciaal onderwijs is hiervoor de wettelijke plicht bij de invoering van de Wet passend onderwijs overigens weggevallen. De gemeente Amsterdam blijft de OV vergoeding voor leerlingen in het VSO bekostigen. Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet alleen de beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de behoeften van de leerling. Om de mogelijkheden van de leerling te kunnen beoordelen is het van belang om kennis te hebben van de situatie van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin.
Vierde, vijfde, zesde en zevende lid Het college stelt, in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling op. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling qua mobiliteit naartoe kan groeien en hoe dit begeleid moet worden. Het doel hiervan is om te beschrijven welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt. In scholen voor speciaal onderwijs (SO en VSO) wordt voor elke leerling door de school een ontwikkelingsperspectief (OPP) vastgesteld. Dit bevat vaak aanknopingspunten voor een inschatting van de mogelijkheden van zelfstandig(er) reizen. Dit plan wordt betrokken bij het vervoersontwikkelingsplan en het is aan te raden met scholen frequent overleg te hebben over wat te verwachten valt in het leerlingenvervoer. Het moment waarop de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, lijkt een goed moment om het eerste persoonlijke vervoersontwikkelingsplan samen met de ouders en de leerling te maken. Dit plan kijkt twee tot drie jaar vooruit, maar kan jaarlijks en of bij gewijzigde omstandigheden geëvalueerd worden. De ontwikkeling van kinderen staat immers niet stil. Voor de leeftijd van 18
negen jaar in dit artikel geldt geen peildatum, waardoor er spreiding van gesprekken is. De ondersteuning van het college bij het bevorderen van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling kan bestaan uit het aanbieden van hulpmiddelen uit ´De reiskoffer´. Hierin zitten projecten, waarmee leerlingen ofwel met een app getraind en geholpen worden om zelf en met begeleiding op afstand met het OV te reizen ofwel met een hiervoor getrainde vrijwilliger op pad gaan en leren de route naar school met de fiets of het openbaar vervoer te bereizen. Wanneer ouders geen medewerking willen verlenen aan het opstellen van een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling kan het college overwegen om een onafhankelijk medisch advies in te winnen, waarmee de vervoersmogelijkheden van de leerling duidelijk worden. Artikel 5. OOGO met het samenwerkingsverband Eerste en tweede lid In de Wet passend onderwijs is bepaald dat samenwerkingsverbanden over het ondersteuningsplan OOGO voeren met de gemeente. Immers, het beleid van samenwerkingsverbanden en dat van gemeente kan over en weer gevolgen hebben. Zo is de gemeente, behalve voor het leerlingenvervoer, ook verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de leerplicht, de onderwijshuisvesting en het achterstandenbeleid. Bovendien is de gemeente sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk voor de zorg voor jeugd.