A - 16 Ruimtelijke Ordening (30) Bijlage 1a Nota van Beantwoording geanonimi
Tekst van het document
NOTA VAN BEANTWOORDING INSPRAAKREACTIES CONCEPT AFWEGINGSKADER GRONDWATERNEUTRALE KELDERS AMSTERDAM. Inleiding Op 30 juni 2020 heeft het college van B&W het Concept Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam (hierna: Afwegingskader) op grond van de Algemene inspraakverordening vrijgegeven voor inspraak en op grond van de Verordening op het lokaal bestuur in Amsterdam advies van de Dagelijks Besturen van de stadsdelen. In deze nota van beantwoording worden de ontvangen inspraakreacties weergegeven, alsmede de reactie van de zijde van het college daarop. Tevens wordt aangegeven of, en zo ja tot welke, wijziging in het Afwegingskader de inspraakreactie heeft geleid. Op 2 september is het Afwegingskader gepubliceerd in het Gemeenteblad en is daar aandacht aan besteed op de pagina “meepraten-meedenken” op de gemeentelijke website. De inspraaktermijn startte op 5 september en liep t/m 17 oktober 2020. Er zijn 2 inspraakreacties ontvangen. In de reacties wordt ingegaan op de planning van de besluitvorming in relatie tot de urgentie van de problematiek, de (aard van de) te nemen maatregelen, de in te zetten instrumenten en de technische uitwerking van de maatregelen. De meeste vragen waren gericht op verheldering van de verschillende onderdelen van het Afwegingskader.
Op één punt hebben de adviezen van de stadsdelen én de inspraakreactie geleid tot een aanpassing van het Afwegingskader. Dat is hieronder aangegeven. Daarnaast werd een aantal malen de urgentie van dit Afwegingskader onderstreept. Het college onderstreept die urgentie. In het Afwegingskader en ook in deze Nota van Beantwoording is onderbouwd dat de huidige planning de snelst haalbare is vanwege het onaanvaardbaar hoge risico op planschade bij snellere invoering van de aangegeven maatregelen. Het college is de insprekers zeer erkentelijk voor hun bijdrage aan de discussie over dit belangrijke onderwerp. Inspraakreacties Inspraakreactie 1: 1. Planning is onuitvoerbaar Op blz 49 / 50 van het afwegingskader en in de advies-aanvraag van B&W aan de stadsdelen staat niks over inspraak door de bewoners-eigenaren en alle andere bewoners. Gelukkig, bij nader inzien toch wel inspraak maar daarmee is uw planning onuitvoerbaar geworden. Oplossing: nieuwe planning maken en deze publiceren en toezenden aan de insprekers en de Stadsdeelcommissies. Antwoord: Het college heeft op 30 juni o.a. besloten: “In te stemmen met het vrijgeven van het concept Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam voor inspraak voor de duur van zes weken met de mogelijkheid voor belanghebbenden om gedurende deze termijn een zienswijze in te dienen, en ook gedurende deze termijn het inwinnen van
advies van het Dagelijks Bestuur van de stadsdelen. Vanwege het reces deze periode te laten starten op 17 augustus 2020.”
De inspraak is met enige vertraging vanwege de zomervakantie gestart. Het concept Afwegingskader is op 2 september gepubliceerd, de inspraak periode is gestart op 5 september en heeft tot 17 oktober geduurd. De planning is daarmee strakker maar niet onuitvoerbaar geworden. Door het definitieve advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) waarover in antwoord 3 ook gesproken wordt kan (vanwege een kortere benuttingsperiode i.v.m. planschade) de oorspronkelijke planning zelfs verbeterd worden in de zin dat al vanaf het tweede kwartaal van 2021 de eisen die vanuit het Afwegingskader gaan gelden aan kelders kunnen worden gesteld. In dit dossier is het van groot belang om een juiste balans te vinden tussen enerzijds snelheid en effectiviteit en anderzijds zorgvuldigheid en grondige voorbereiding. Het college hecht ook in dat verband grote waarde aan de geboden inspraak en de ontvangen inspraakreacties. 2. Urgentie onderschat, besluitvorming duurt veel te lang, tussen-maatregelen nemen De kelder-problemen zijn evident urgent maar u heeft jarenlang weggekeken van het onmiskenbaar misgaan, u onder meer onder ogen gebracht door bewoners van stadsdeel West. En nadat u de kelders nu eindelijk alsnog heeft opgepakt neemt u ook nog eens royaal de tijd, tot maart 2022 aan toe.
Intussen gaat de kelderbouw door en blijft het misgaan, onder meer in de situaties waarin volgens uw eigen concept-kader kelderbouw niet aanvaardbaar is. Oplossing: A. nieuwe planning maken met de kortst mogelijke doorlooptijd; B. tussen-maatregelen nemen die kelderbouw in onduidelijk of riskant te achten situaties voorkomen, bijvoorbeeld het instellen van een stand still op kelderbouw en/of een gemeente-breed voorbereidingsbesluit paraplu-bestemmingsplan. Antwoord: Het college onderstreept, net als de indiener van de inspraakreactie, de urgentie van het treffen van maatrelen om schade als gevolg van ongewenste effecten op grondwaterstanden door kelderbouw te voorkomen. Dit streven tot voorkomen van schade door ongewenste effecten op grondwaterstanden is uitgangspunt in de besluitvorming en alle keuzes die daarbinnen gemaakt moeten worden. Daarnaast is het van belang om te zorgen dat de besluitvorming ook daadwerkelijk uitvoerbaar blijkt. Hierin speelt ook de financiële uitvoerbaarheid een rol. De reden dat er niet direct een verbod, bijvoorbeeld door een voorbereidingsbesluit, kan worden opgelegd voor niet-grondwaterneutrale kelders is het onaanvaardbaar hoge planschaderisico dat daarmee gepaard zou gaan.
In het definitieve advies van Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) wordt aangegeven dat met vaststelling en publicatie van het Afwegingskader begin september een voldoende concreet beleidsvoornemen is bekend gemaakt en dat daarmee de benuttingsperiode is gestart voor het creëren van voorzienbaarheid. De noodzaak van het opstellen en publiceren van een Nota van Uitgangspunten, zoals oorspronkelijk voorzien, vervalt hiermee. Verder heeft de SAOZ in het definitieve advies onderbouwd waarom een minimale benuttingsperiode van zes maanden in dit geval, mede gelet op de jurisprudentie ter zake, als toereikend kan worden beschouwd. Daarom zal nu direct een ontwerp-parapluplan worden opgesteld en naar verwachting in het tweede kwartaal van 2021 ter visie worden gelegd. Vanaf het moment dat het parapluplan in ontwerp ter visie is gelegd, geldt een aanhoudingsplicht voor aanvragen om omgevingsvergunningen (bouw) die op grond van het vigerende bestemmingsplan niet geweigerd kunnen worden, maar die niet passen in het parapluplan met daarin de eis voor
grondwaterneutrale realisatie van kelders. Na de inwerkingtreding van het parapluplan worden die aangehouden vergunningen die niet aan de eis van grondwaterneutraliteit voldoen geweigerd, mits de vaststelling van het paraplubestemmingsplan uiterlijk binnen 12 weken na de termijn van terinzagelegging plaatsvindt. Kortom: naar verwachting zal in het tweede kwartaal van 2021 de eis van grondwaterneutraliteit verbonden kunnen worden aan kelderbouw en zullen kelders in gebieden waar een verbod zal komen te gelden geweigerd kunnen worden. Overigens was het afdwingen van deze eis in de eerdere planning ook al in 2021 voorzien en niet in maart 2022, aangezien ook in die planning het ontwerpbestemmingsplan eind 2021 in ontwerp ter inzage zou worden gelegd. In het Afwegingskader en ook in deze Nota van Beantwoording is onderbouwd dat de huidige planning de snelst haalbare is vanwege het onaanvaardbaar hoge risico op planschade bij snellere invoering van de aangegeven maatregelen. 3. Afwijkingen en wijzigingen van bestemmingsplannen waar mogelijk voorkomen Het afwegingskader attendeert op de mogelijkheden tot kelderbouw via binnenplanse afwijking, buitenplanse afwijking en wijziging van bestemmingsplannen.
(blz 42, paragraaf 3 ) Echter, toch ook op dit gebied moeten meteen maatregelen worden genomen om de kelderbouw in goede banen te leiden en waar nodig te voorkomen? De laatste jaren zijn al vele dure lessen geleerd, bijvoorbeeld het beleidsmatig beperken of uitsluiten van hotelbouw maar verzuimen het beleid planologisch af te hechten. Kortom, beleid zonder synchrone planologische maatregelen is slechts voor de bühne, een papieren tijger, de jongens & meisjes van het vastgoed lachen om u, de bewoners huilen. Oplossing: A. de vigerende en komende bestemmingsplannen stads-breed checken op mogelijkheden tot kelderbouw en waar nodig repareren; B. gemeente-brede maatregelen om buitenplanse afwijkingen en wijzigingen waar mogelijk te beperken en voorkomen. Antwoord: Onderdeel van de zoektocht naar geschikt instrumentarium om een einde te maken aan realisatie van niet grondwaterneutrale kelders is ook geweest om te kijken naar de maatregelen die in de tussenliggende periode (voor tervisielegging van het ontwerpparaplubestemmingsplan) reeds getroffen kunnen worden om zo ook de komende maanden de bouw van niet grondwaterneutrale kelders zoveel als mogelijk tegen te gaan. Ook de urgentie van deze zoektocht, zoals benoemd door de indiener van de inspraakreactie, onderstreept het college dan ook.
Daar waar mogelijk (ook gelet op het planschaderisico) zal het grondwaterneutraal bouwen van kelders ook in reeds in voorbereiding zijnde (actualisaties van) bestemmingsplannen worden meegenomen. Het hangt van het desbetreffende bestemmingsplan (en ook met name het planschaderisico) af in hoeverre dit mogelijk zal zijn. Het separaat aanvullen van alle vigerende bestemmingsplannen met de eis voor grondwaterneutraal bouwen van kelders kost procedureel minstens zoveel tijd als de voorbereiding van het paraplubestemmingsplan, dat alle bestemmingsplannen voor het onderdeel grondwaterneutraal bouwen zal aanvullen (overrulen). Dit gebeurt dus met 1 procedure voor het parapluplan in plaats van honderden keren, als elk bestemmingsplan in Amsterdam hier op aangepast zou moeten worden in een separate bestemmingsplanherziening. Zo’n bestemmingsplanherziening kost zoals gezegd net zoveel tijd als deze paraplubestemmingsplanprocedure. Ter overbrugging van de periode tot het tweede kwartaal van 2021, wanneer het ontwerpparaplubestemmingsplan ter inzage zal worden gelegd en het beleid uit het Afwegingskader al kan worden toegepast zal het college een stedelijke beleidsregel vaststellen die rechtstreeks
van toepassing zal zijn in de gehele gemeente. Deze beleidsregel voor grondwaterneutrale kelders geldt voor de kruimelafwijkingen en voor de binnenplanse afwijkingen die daar gelet op hun formulering ruimte voor bieden. Met deze beleidsregel zal binnen de gehele stad voor kruimelafwijkingen de eis van grondwaterneutraliteit gaan gelden. 4. Onzekerheden en risico’s, voordeel van de twijfel herzien in nadeel van de twijfel Voor dit afwegingskader is een ingewikkelde systematiek ontwikkeld, overwegend niet op basis van feiten maar op basis van gestapelde aannames en rekenmodellen. Uit die black box rollen tal van nuances voor technische maatregelen (hfdstk 3) in tal van concrete situaties maar het afwegingskader maakt niet waar dat de gehanteerde systematiek van aannames & modellen tot deze nuances en detail-maatregelen hebben kunnen leiden. Dat maakt dat de uitkomsten van de systematiek onvoldoende zekerheid bieden over de realiteitswaarde in het concrete geval. In feite heeft het voorliggende afwegingskader de strekking in bijna de hele stad het voordeel van de twijfel te leggen bij kelderbouw, al dan niet met enkele voorzorgsmaatregelen. Echter, het afwegingskader maakt niet waar dat onzekerheden, risico’s en belangen van dien aard zijn dat in het concrete geval het voordeel van de twijfel bij kelderbouw kan worden gelegd.
Oplossing: omkering, niet het voordeel van de twijfel maar het nadeel van de twijfel bij kelderbouw leggen; kelderbouw niet mogelijk maken in bepaalde gebieden of in soorten van situaties maar bij voorbaat uitsluiten in bepaalde gebieden en daarbuiten alleen mogelijk maken indien de initiatiefnemer boven twijfel aantoont dat de beoogde kelder in het concrete geval grondwaterneutraal zal zijn. Antwoord: Met de gebiedsanalyse en het technisch onderzoek naar kelderbouw (vereiste maatregelen) is een onderbouwing gegeven waarom vanuit ruimtelijk oogpunt bestaande rechten op kelderbouw planologisch beperkt zullen moeten worden gelet op het algemeen belang van de grondwaterstanden in de stad en het voorkomen van schade als gevolg van ongewenste effecten op die grondwaterstanden door kelderbouw. Deze onderbouwing zorgt voor een verbod op kelders in sommige gebieden en het in sommige gebieden slechts onder voorwaarde van grondwaterneutraal bouwen toestaan van kelders. Daarnaast is in sommige gebieden gebleken dat kelderbouw geen ongewenste effecten heeft op de grondwaterstanden. In die gebieden is dan ook geen onderbouwing of rechtvaardiging om de bestaande rechten voor kelderbouw in te perken. Binnen de ruimtelijke ordening vindt altijd een afweging van belangen plaats en dat is ook in dit geval gebeurd. Dit heeft tot de uitkomsten geleid zoals weergegeven in het Afwegingskader.
Het zonder ruimtelijke noodzaak beperken van bestaande rechten is (juridisch) niet mogelijk en niet wenselijk. 5. Funderings-gevolgen specificeren en daaraan conclusies verbinden Volgens het afwegingskader is water-onderlast nauwelijks een risico bij fundering op betonnen palen. ( blz 22, midden ) Echter, dat lijkt ronduit onwaar: er is wel degelijk wezenlijk risico, alleen al door extra bodemdaling, met alle gevolgen van dien; zowel voor de onbebouwde omgeving als voor de fundering op zich ( bijvoorbeeld negatieve kleef ). Daarbij is er ook nog eens een domino-effect: lokale bodemdaling leidt tot toestroom van water op het maaiveld. Bovendien laat het afwegingskader in het midden hoe het zit met de vele gebouwen die rusten op houten palen. En dat terwijl houten palen onder water moeten blijven, water-onderlast geeft bij houten palen nóg meer risico dan bij betonnen palen.
Oplossing: aan het afwegingskader specificaties van de funderings- en bodem-gevolgen toevoegen en daaraan conclusies verbinden, met onderscheid naar funderings-typen Antwoord: Het Afwegingskader gaat expliciet over het grondwaterneutraal aanleggen van kelders om barrièrewerking te voorkomen. Dit staat los van de staat van de funderingen. Het type fundering is wel beschouwd in relatie tot gevoeligheid van barrièrewerking. Grondwaterneutraal bouwen heeft als doel om de onderlast niet te vergroten en waar mogelijk te verminderen. Daarbij is de grondwaterstandsverandering en het effect in de bovenste grondlaag onderzocht in zowel gebieden met houten als betonnen funderingen, zoals het integraal opgehoogd bebouwd gebied in Nieuw West. Bij een grondwaterneutrale kelderaanleg blijft de grondwaterstand gelijk aan de huidige situatie en zijn er geen negatieve effecten. Dit staat los van de autonome bodemdaling van dieper gelegen klei/veenlagen en mogelijke funderingsproblematiek in niet opgehoogde buitengebieden die daaruit voortvloeit, waar het Afwegingskader dan ook geen oplossing voor biedt. 6. Funderings-vereisten toevoegen Voor situaties waarin de wens tot kelderbouw om welke redenen dan ook wordt gecombineerd met splitsing in studio’s / appartementen wijst het afwegingskader op het volgende: Aangetoond moet dan worden dat de fundering nog minstens 25 jaar mee kan.
Als dat niet zo is, dient de aanvraag voor een splitsingsvergunning gepaard te gaan met een aanvraag voor funderingsherstel. (blz 5, 2e alinea van onder) De vraag of dit funderings-vereiste wel of niet een goede zaak is bij splitsing staat nu niet open voor inspraak, maar evident wel de vraag aan welke funderings-vereisten bij kelderbouw moet worden voldaan. Dat mis ik in het afwegingskader. Splitsen van een pand of woning is evident iets heel anders dan onder-kelderen, daarom kan bij het combineren van splitsen en kelderbouw het voldoen aan het funderings-vereiste voor splitsing evident niet genoeg zijn. Bovendien, als ik me goed herinner is splitsen in een groot deel van de stad vergunning-vrij. Oplossing: A. funderingsvereisten voor kelderbouw met gemeente-brede reikwijdte toevoegen aan het afwegingskader, niet in de laatste plaats wat betreft de naastliggende bebouwing, al dan niet op gedeelde fundering; B. het funderingsvereiste op hoofdlijn de strekking geven dat de initiatiefnemer van de kelderbouw boven twijfel aantoont dat de beoogde kelder in het concrete geval na hoeveel jaar dan ook geen effect zal hebben op de fundering van de naastliggende bebouwing, inbegrepen de levensduur van die fundering. Antwoord: Funderingsherstel maakt geen onderdeel uit van het Afwegingskader kelderbouw. Daarom zijn funderingsvereisten geen onderdeel van het Afwegingskader.
Het Afwegingskader is immers enkel opgesteld om de gevolgen van kelderbouw voor de grondwaterstanden te voorkomen. Het funderingsherstel (dat in geval van splitsing soms wordt opgelegd door de gemeente) wordt in het Afwegingskader slechts genoemd ter illustratie dat er zich situaties in de stad voordoen waarbij bewoners er voor kiezen om de kosten die gepaard gaan met funderingsherstel als het ware terug te verdienen door gelijktijdig een kelder te realiseren en daarmee een waardevermeerdering voor hun pand te realiseren.
7. Opties voor maatregelen en voorwaarden cumulatief maken Het afwegingskader omvat een reeks van opties voor maatregelen en voorwaarden bij kelderbouw, samengevat in een tabel. ( tabel 2, blz 20 ) Je zou denken dat de maatregelen en voorwaarden cumulatief zijn, maar gek genoeg blijkt dat niet uit de tabel; bijvoorbeeld bij optie 3 niet tevens de maatregelen van optie 2 ? Oplossing: maatregelen en voorwaarden cumulatief maken. Antwoord: Gekozen is voor een gebiedsgerichte benadering waarbij de karakteristieken van een gebied bepalend zijn voor de oplossing. Optie 4 is wel een aanvullende eis die cumulatief wordt opgelegd. De andere opties zijn voldoende voor de gebieden waar ze worden ingezet. 8. Bestaande grondwaterplichten van gemeente en erfpachters specificeren Het afwegingskader wekt de suggestie dat de gemeente als grondeigenaar bij erfpacht geen privaatrechtelijke grondwater-plichten zou hebben, de grondwaterplichten zouden uitsluitend bij de pachters liggen. ( blz 41 bovenaan, blz 46 2e alinea ) Dat is niet zonder meer aannemelijk te achten.
Oplossing: de privaatrechtelijke grondwaterplichten van gemeente en erfpachters specificeren en onderbouwen Antwoord: In de aangehaalde passage uit het Afwegingskader wordt ingegaan op de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen overheid/gemeente als publiekrechtelijke entiteit enerzijds (openbaar gebied) en de verantwoordelijkheden van private partijen (particuliere percelen) anderzijds. Het gaat hier dus niet over de verhouding tussen de (gemeente als) bloot eigenaar/erfverpachter enerzijds en de erfpachter anderzijds. Die verdeling van verantwoordelijkheden is voor het Afwegingskader niet van belang, omdat het privaatrecht niet zal worden ingezet voor de verwezenlijking van het beleid (zie ook hierna het antwoord op vraag 9). Overigens is het inzetten van dit instrument wel onderzocht in het kader van de totstandkoming van het Afwegingskader, maar bleken hier teveel nadelen en beperkingen aan te kleven.
9. Erfpachtvoorwaarden inzetten als beleidsinstrument Het afwegingskader stelt dat de gemeente overeengekomen erfpachtvoorwaarden niet eenzijdig kan veranderen. ( blz 46, 2e alinea ) Dat lijkt een open deur. Echter, het afwegingskader gaat er aan voorbij dat de gemeente bij uitgifte in erfpacht wel water-voorwaarden kan stellen, in maatwerk zelfs. Oplossing: toevoegen dat bij gronduitgifte de voorwaarden zullen worden gesteld die nodig zijn voor het beheer van het (grond)water van het uit te geven terrein en de omgeving daarvan. Antwoord: In het overgrote deel van de gevallen waarin een aanvraag voor een kelder wordt gedaan is sprake van reeds (jaren) lopende erfpachtcontracten. Nieuwe erfpachtcontracten worden in sommige delen van de stad waar grootschalige nieuwbouw plaatsvindt nog uitgegeven. Maar juist bij die grootschalige woningbouwprojecten gaat het om nieuwbouw woningen of
appartementen waar ofwel reeds (parkeer)kelders onder het gebouw zijn gerealiseerd (met een geohydrologisch rapport benodigd voor de grootschalige bouwplannen) dan wel gaat het om nieuwbouw waar men niet snel geneigd zal zijn om onder net opgeleverde woningen of appartementen nieuwe kelders te gaan realiseren. Kelders worden met name aangevraagd binnen de bestaande woonwijken (binnen de ring) met bestaande bouw, waar geen sprake is van nieuwe erfpachtuitgifte. Mede om die reden is erfpacht als instrument om niet grondwaterneutrale kelders te verbieden geen geschikt instrument gebleken. 10. Lekkende riolering geen oorzaak van grondwaterproblemen Volgens het afwegingskader is reparatie van lekkende riolering ( die een drainerende werking had ) vaak een oorzaak voor het ontstaan van grondwaterproblemen. ( blz 40, laatste alinea ) Echter, dat lijkt onwaar, riolering dient evident niet tot drainage, reparatie van een lek is evident geen oorzaak van grondwaterproblemen, de reparatie maakt de problemen hooguit zichtbaar, er is kennelijk een andere oorzaak. Oplossing: oorzaken van grondwaterproblemen deugdelijk specificeren. Antwoord: De oorzaken voor grondwaterproblemen zijn divers.
Voor wat betreft de riolering kunnen die problemen zowel optreden bij een lek riool waardoor er (te) lage grondwaterstanden optreden (zetting bodem, droogvallende fundering) als bij het vervangen van een eerder drainerend riool. In het laatste geval stijgen de grondwaterstanden tot het ‘oorspronkelijke niveau’ maar kunnen daardoor wel leiden tot natte kelders en/of afstervende bomen.
Inspraakreactie 2: Hierbij wil ik graag een inspraakreactie geven op de afwegingskader grondwaterneutrale kelders van de gemeente Amsterdam. Bij voorbaat wil ik u bedanken voor de mogelijkheid tot een inspraakreactie. Ik heb diverse vragen/opmerkingen, onderverdeeld in de geohydrologische gebiedsanalyse, de mitigerende oplossingen en het opbarsten van de deklaag. De vragen zijn op basis van het afwegingskader, maar in sommige vragen speelt ook de ervaring van aanvragen bij Waternet in de huidige regeling een rol. 1. Gebiedsanalyse Amsterdam is opgedeeld in diverse gebieden. In grote delen van Amsterdam moet een vaste transmissiviteit (kD) worden teruggebracht. Omdat een vast kD theoretisch gezien geen eigenschap is van een freatisch (unconfined) pakket is het niet volledig duidelijk hoe hiermee om gegaan wordt. A. Moet de grondverbetering een vaste kD waarde hebben ongeacht ligging, locatie? Antwoord: Per buurt of buurtdeel is aangegeven welke maatregel geldt. Maatregel 2 en 3 bevatten het doorlaatvermogen (kD-waarde). Het deel van de maatregel onder de kelder is altijd gevuld met grondwater en heeft daarmee een vast doorlaatvermogen (kD). Een deel van de maatregel kan freatisch (unconfined) zijn, bijvoorbeeld de ruimte tussen kelders. Het vast doorlaatvermogen (kD) moet behaald worden bij de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG). B.
Moet de grondverbetering tot aan de GLG een vaste kD waarde hebben? Antwoord: Zie bij vorige vraag. C. Telt de bodem mee voor de berekening van de kD waarde bij een partiele afsluiting van het freatisch pakket? Antwoord: Delen van het freatisch pakket die aanwezig blijven(op eigen terrein) kunnen deel uitmaken van de maatregel. Hun doorlaatvermogen kan worden meegenomen. De te behouden grond moet altijd in verbinding staan met het omringende freatisch pakket. D. Bij toepassing van bijvoorbeeld een grondverbetering rondom de kelder kan niet gewerkt worden met een kD waarde van 5 a 10 m2/d aangezien dit onvoldoende doorstroming biedt. Een dergelijke grondverbetering resulteert normaliter een hoge kD waarde rondom de kelder terwijl de kD onder de kelder waarschijnlijk te laag is; netto gezien wordt er derhalve grondwaterneutraal gebouwd. Met andere woorden, kD is een waarde die afhankelijk is van locatie en niet vlak-dekkend is, hoe dient daar rekening mee gehouden te worden in een ruimtelijke 3 dimensionaal ontwerp? Is dit maatwerk, of wordt hier ook een richtlijn voor opgesteld? Antwoord:
De uitwerking van de maatregel is maatwerk. De vereiste kD-waarde is vlakdekkend, maar het is mogelijk dat de maatregel niet vlakdekkend wordt uitgevoerd maar lokaal (bijvoorbeeld met buizen). Aangetoond dient te worden dat het totale grondwatereffect van de kelder met maatregel hetzelfde is als de vlakdekkende maatregel. Binnen het afwegingskader van de toetsing wordt grondwaterneutraal genoemd. In principe geeft elke verandering in het grondwatersysteem een verandering, waardoor grondwaterneutraal een begrip is wat ook onduidelijkheid geeft. E. Er wordt gesteld dat geen verhoging of verlaging van de grondwaterstand kan/mag optreden. Elke aanpassing in de grond, en ook de uitgevoerde mitigerende maatregelen, heeft een verlaging of verhoging tot gevolg. Helemaal uitsluiten, of volledig grondwaterneutraal bouwen, is dan ook niet mogelijk. De vraag is welke verandering in de grondwaterstand acceptabel is? Antwoord: Dit verschilt per buurt. De vereiste maatregelen zijn erop gericht om de grondwaterstand gelijk te houden, overlast en onderlast niet te vergroten en, waar dit mogelijk is, een verbetering voor klimaatadaptatie te bereiken. In het laatste geval kunnen de GHG en GLG enigszins veranderen in positieve zin, door een stabielere grondwaterstand en/of een vermindering van overlast en onderlast (lagere GHG, hogere GLG). Dit is verwerkt in de maatregelen per buurt. F.
Door de vaste kD waardes gesteld in het afwegingskader wordt de doorstroom van sommige gebieden vergroot. Dit resulteert in een verhoogde toestroom naar de watergangen en/of een verlaagde grondwaterstand. Hoe wordt omgegaan met de risico’s behorende tot een verhoogde gemiddelde bodemdoorlatendheid? Antwoord: De risico’s zijn onderzocht per buurt. Alleen in de buurten waar het risico niet wordt verhoogd door een vaste kD en deze een verbetering kan bewerkstelligen, is een vaste kD de maatregel. G. De vastgestelde maatregelen (aangepaste kD waarde) en een project-specifieke maatregel geven aanleiding tot over dimensionering van de maatregelen. Waardoor het risico op een te hoge doorstroming wordt vergroot. Wordt deze over dimensionering, met verdroging tot gevolg, als een probleem/risico gezien? Antwoord: Een te forse overdimensionering is in een aantal buurten niet gewenst vanuit het grondwatereffect, maar een beperkte overdimensionering wordt in het algemeen niet als risico gezien. Sommige onderdelen van de maatregel zoals filters vragen om een overdimensionering vanwege het risico op dichtslibben. Andere onderdelen zoals leidingen of zand of grind hebben slechts een beperkte overdimensionering nodig omdat dichtslibbing minder speelt. Daarmee kan de maatregel als geheel beperkt overgedimensioneerd zijn en worden ook de risico’s beperkt. H.
Is het mogelijk om van de maatregelen in het afwegingskader af te wijken als dit geohydrologisch wordt onderbouwd?
Antwoord: Het is niet mogelijk af te wijken van de vereiste maatregelen 1 t/m 5. Het is wel mogelijk om alternatieven op de maatregelen A t/m F voor te stellen, mits deze voldoen wat betreft het grondwatereffect en de randvoorwaarden. I.
Het afwegingskader is gericht op de grondwaterstand in het freatisch pakket. In sommige gevallen sluit de kelder of de damwanden de wadzandlaag of het watervoerend pakket partieel af. Hoe wordt hier mee omgegaan?
Antwoord: De grondwatereffecten in het wadzand en watervoerend pakket worden voor kelders kleiner dan 300 m2 als een zodanig beperkt risico beschouwd, dat generieke maatregelen niet noodzakelijk zijn. De risico’s in het freatisch pakket zijn echter zodanig groot dat het Afwegingskader daarvoor generieke maatregelen stelt. Bij kelders groter dan 300 m 2 is altijd een geohydrologisch rapport vereist waarin de genoemde effecten worden beschouwd. J. Is er een rol weg gelegd voor de bodem onder straten/wegen? De bodemopbouw en de ondergrondse infra bepalen mede de grondwaterstroming. Antwoord: De maatregel dient op eigen terrein te worden bewerkstelligd. Er kan niet afgewenteld worden op naastgelegen kavels of openbaar gebied. Het Afwegingskader gaat over de bouw van kelders en de daarbij te nemen maatregelen. Mitigerende maatregelen A. Bij maatregel C en D wordt gebruik gemaakt van openingen in de damwanden om de doorstroming te garanderen. In het afwegingskader wordt ook gemeld dat de vereist kD waarde behaald moet worden op het kritische punt. Dit is natuurlijk de openingen in de damwanden. Een hoge kD waarde kan niet behaald worden zonder grondverbetering met grind uit te voeren rondom de gaten of zelfs een strook aan de binnen en buitenzijde van de bouwkuip met grind.
Wordt een dergelijke grondverbetering opgenomen in de maatregel, of ligt de bewijslast bij de aanvrager? Antwoord: De aanvrager dient aan te tonen dat een maatregel grondwaterneutraal is. Het gaat daarbij om het netto grondwatereffect van de maatregel als geheel. Deze kan een combinatie zijn van onderdelen met grotere en kleinere doorlaatvermogens. B. Geotextiel wordt afgeraden. Maar bij toepassing van grind is geotextiel noodzakelijk om een hoge doorlatendheid te garanderen. Anders is immers de kans op vermenging van grind met de natuurlijke bodem zeer groot. Hoe wordt hier tegenaan gekeken? Antwoord: Het doorlaatvermogen dient tijdens de gehele levensduur in stand te blijven. Een geotextiel loodrecht op de stroming van het grondwater wordt afgeraden vanwege dichtslibbing tijdens de levensduur. Op andere locaties kan geotextiel worden toegepast, bijvoorbeeld tussen de
keldermuur en -vloer en het drainagezandpakket om te voorkomen dat het te storten beton in het drainagezand stroomt. Echter in de stroombaan van het grondwater wordt bij voorkeur een robuuster type grondscheiding toegepast zoals een gradatie. Geotextiel kan alleen mits er een systeem ontworpen wordt hoe dit eenvoudig onderhouden en vervangen kan worden. C. Is er een richtlijn vanuit de gemeente Amsterdam over de bepaling van de instroom en uitstroom weerstand? Antwoord: De berekeningsmethode is in principe vrij, maar moet wel zodanig zijn omschreven dat deze toetsbaar is door geohydrologen van de gemeente Amsterdam. D. Wat zijn de voorschriften voor een afname van de maatregelen over tijd door bijvoorbeeld verstoppen van een grindkoffer? Antwoord: Het doorlaatvermogen dient tijdens de gehele levensduur op elk moment aanwezig te zijn. E. De voorgestelde systemen zijn nog niet geverifieerd. Wordt deze verificatie uitgevoerd door de gemeente Amsterdam? Antwoord: In de expertsessies met bouwers zijn de reeds toegepaste systemen besproken. Er is dus al ervaring met deze systemen. In het traject met afdelingen Vergunningverlening, Handhaving en Toezicht van de stadsdelen en indien relevant de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, dat tegelijk met het opstellen van het parapluplan wordt ingezet, wordt de beste manier om toezicht en handhaving uit te voeren uitgewerkt. Opbarsten A.
In het afwegingskader wordt de bouw van kelders afgewogen tegen de kans op opbarsten. Een tijdelijke situatie wordt dus als maatgevend gezien voor een permanente situatie. De mogelijkheid tot bemaling, of onderwaterbeton, als mitigerende maatregel tegen opbarsten wordt minimaal benoemd. Daarnaast wordt beschreven dat het risico bij het bouwen van een kelder simpelweg te groot is. De vraag is waarom er geen zicht meer lijkt te zijn voor het beperken/wegnemen van de risico’s om de bouw van kelders mogelijk te maken. Immers worden er in de “rode” gebieden momenteel ook kelders aangelegd zonder blijvende gevolgen. Antwoord: Het Afwegingskader voorziet erin kelders in de ”rode” gebieden vanwege het opbarstrisico te gaan verbieden, zonder opname van een binnenplanse bevoegdheid om van dit verbod af te wijken. Het is in die gebieden echter niet helemaal uitgesloten om een kelder aan te leggen; de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voorziet immers ook in een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid. Dit betreft een zwaardere vergunningprocedure dan de zogenaamde binnenplanse afwijking, mede vanwege de (technische) stukken die ter onderbouwing bij de aanvraag ingediend moeten worden.
Aan de toepassing van die buitenplanse bevoegdheid zullen in het concrete geval naar verwachting zware (technische) eisen moeten worden gesteld om de risico’s te beheersen, waaraan ook hoge uitvoeringskosten verbonden zullen zijn. Hierdoor is het de vraag in hoeverre er met zo’n
buitenplanse afwijkingsbevoegdheid daadwerkelijk nog kelders gerealiseerd kunnen en zullen worden. B. Wat is de relatie tussen het afwegingskader en ander beleid van de gemeente, zoals de voorkeur om zoveel mogelijk auto’s van de straat te verwijderen, door bijvoorbeeld de aanwezigheid van parkeerkelders? Antwoord: Uit het Afwegingskader vloeit de eis voort dat ondergrondse bouwwerken zoals kelders grondwaterneutraal aangelegd dienen te worden. De voorwaarden m.b.t. grondwaterneutraliteit voor de realisatie van parkeerkelders in binnentuinen zijn niet anders dan die welke in het algemeen gelden voor de grondwaterneutraliteit van kelders. De functie van de kelder is voor het beleidsdoel van grondwaterneutraliteit immers niet van belang. Met het Afwegingskader is niet beoogd eventueel bestaand parkeerbeleid van een stadsdeel te wijzigen; de aanleg van de parkeerkelders zal echter wel grondwaterneutraal moeten plaatsvinden op grond van het afwegingskader. De eis van grondwaterneutraliteit wordt als het ware toegevoegd aan bestaand beleid. C. Dit afwegingskader is begrensd door keldergrootte en kelderdiepte. Houdt dit in dat diepere en/of grotere kelders op voorhand verboden zijn en alleen bij hoge uitzondering kunnen worden geaccepteerd.
Of wordt maatwerk een veelgebruikte toepassing voor grotere kelderbouw? Antwoord: Mede naar aanleiding van reacties tijdens de inspraak en adviesronde is besloten om voor kelders groter dan 300 m2 geen algeheel verbod in het leven te roepen (met uitzondering van het rode gebied waar kelders helemaal uitgesloten worden), maar deze evenals de kleinere kelders in beginsel onder een verbod met binnenplanse afwijkingsbevoegdheid te brengen. Ook voor de grote(re) kelders geldt dan de eis van grondwaterneutraliteit, met dien verstande dat deze niet kan worden aangetoond door te voldoen aan een in het Afwegingskader beschreven standaardmaatregel. Er zal dus bij de aanvraag voor een kelder groter dan 300 m² altijd een geohydrologisch rapport moeten worden aangeleverd waarmee de grondwaterneutraliteit wordt aangetoond; hierbij is sprake van maatwerk. Dit maatwerk is dus vereist, aangezien de standaardmaatregel uit het Afwegingskader niet toepasbaar is voor grotere kelders. Deze reactie leidt tot een wijziging in het Afwegingskader zoals hierboven beschreven. Voor kelders groter dan 300 m2 wordt geen algeheel verbod in het leven geroepen (met uitzondering van het rode gebied waar kelders helemaal uitgesloten worden), maar deze worden onder een verbod met binnenplanse afwijkingsbevoegdheid gebracht.
Ondanks een aantal vragen over het afwegingskader, brengt het afwegingskader een duidelijkere richtlijn voor zowel de aanvrager als de handhaver. Hetgeen de vergunningsprocedure in de toekomst zeker ten goede zal komen. Bij voorbaat dank voor uw tijd. Ik zie een reactie graag tegemoet. Ik ben natuurlijk ook beschikbaar voor een toelichting op deze mail via mail of digitaal overleg.