A - 16 Onderwijs (9) Bijlage 3. Monitor Amsterdamse Leraren 2023
Tekst van het document
-
De Amsterdamse Lerarenmonitor 2023 Onderzoek en Statistiek
1
In opdracht van: Onderwijs, Jeugd, Zorg en Diversiteit Projectnummer: 22161 Auteurs: Leyla Reches & Frederique van Spijker E-mailadres: L.Reches@Amsterdam.nl en F.van.Spijker@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam onderzoek.amsterdam.nl Amsterdam, april 2023 Foto voorzijde: Zuiderzeeschool, fotograaf Edwin van Eis (2016)
2
Inhoud
Samenvatting
4
Inleiding
6
1 Studenten aan de lerarenopleiding
7
1.1 Aantal Amsterdamse studenten aan docentenopleidingen voor het vo sterk gedaald sinds 2013/’14 7 1.2 De meeste studenten aan Amsterdamse instellingen wonen niet in Amsterdam 8 1.3 Instroom van Amsterdamse eerstejaars bij de opleiding leraar in het basisonderwijs stijgt vanaf 2017/’18, lichte daling ingezet in 2021/’22 9 1.4 Aantal gediplomeerden in Amsterdam gedaald 10 1.5 Amsterdamse studenten gemiddeld ouder dan in Nederland 11
2 Amsterdamse leraren
13
2.1 Ruim 5.000 leraren werkzaam in het Amsterdamse po en 4.000 in het vo 13 2.1.1 Instroom nieuwe leraren licht gestegen, uitstroom leraren licht gedaald 14 2.1.2 In het po is de uitstroom (veel) minder groot dan gemiddeld op scholen met weinig leerlingen met een risico op onderwijsachterstand 16 2.1.3 Drie op de tien uitgestroomde po-leraren kiest voor werk in een andere stad, in het vo ruim een kwart 17 2.2 Het aantal leraren met een migratieachtergrond neemt toe 19 2.3 Gemiddeld werken Amsterdamse leraren in het po en vo 0,77 fte 20 2.4 Tussen 2016 en 2021 is het salaris van leraren in het basisonderwijs het sterkst gestegen 21 2.4.1 Leraren in het basisonderwijs stromen nauwelijks door naar hoogste salarisschaal 23 2.5 Bijna zes op de tien Amsterdamse leraren wonen in de stad 24 2.5.1 Amsterdamse leraren in het primair onderwijs wonen gemiddeld verder van hun school dan in andere grote steden 26
3 Amsterdamse schooldirecteuren
28
3.1 De grootste groep schooldirecteuren in het po en vo is tussen de 45 en 59 jaar 28 3.2 Amsterdamse schooldirecteuren werken gemiddeld 0,88 fte in het po en 0,97 fte in het vo 29 3.3 Amsterdamse schooldirecteuren in het vo verdienden gemiddeld €1.655 bruto per maand meer dan schooldirecteuren in het bo 30 3.4 Vier tot vijf op de tien schooldirecteuren woont in de stad 30
Technische verantwoording
32
3
Samenvatting Om het lerarentekort tegen te gaan is in Amsterdam de Lerarenagenda 2019-2023 ‘Liever voor de Klas' opgezet, dat uitgevoerd wordt door de afdeling onderwijs van de gemeente samen met onderwijsinstellingen en lerarenopleidingen (de Taskforce Lerarentekort). Daarnaast werken de Amsterdamse schoolbesturen in het primair onderwijs en de gemeente Amsterdam samen aan het Noodplan Lerarentekort. Voor de gemeente Amsterdam is het belangrijk om kennis te hebben van de ontwikkeling wat betreft studenten aan lerarenopleidingen en werkzame leraren in Amsterdam. Onderwijs, Jeugd, Zorg en Diversiteit (OJZD) heeft aan Onderzoek & Statistiek (O&S) gevraagd de beschikbare gegevens hierover jaarlijks te monitoren. Nieuw in deze monitor is dat ook wordt gekeken naar het aantal schooldirecteuren1 op Amsterdamse scholen. De volgende vragen staan centraal: 1. Hoeveel studenten volgen in Amsterdam een lerarenopleiding en wat is de ontwikkeling hierin? 2. Wie staan er in Amsterdam voor de klas en wie stromen er in en uit? 3. Hoe ziet de samenstelling van studenten aan Amsterdamse lerarenopleidingen, het Amsterdamse lerarenkorps en schooldirecteuren eruit? 4. Waar wonen Amsterdamse leraren en wat is de afstand tot hun werk? 5.
Hoe verhoudt Amsterdam zich hierin tot Den Haag, Rotterdam en Utrecht? De gegevens die in deze monitor gepresenteerd worden gaan over studiejaar 2013/’14 tot en met 2021/’22 voor studenten aan lerarenopleidingen en schooljaar 2016/’17 tot en met 2020/’21 voor werkzame leraren en schooldirecteuren in Amsterdam. Studentenaantallen aan lerarenopleidingen vo flink gedaald, voor het po recent weer gestegen In de afgelopen negen jaar is het aantal Amsterdamse studenten (studenten die studeren aan een Amsterdamse instelling of in Amsterdam wonen) dat een lerarenopleiding volgt voor het voortgezet onderwijs met -16% afgenomen, van 6.390 studenten in 2013/’14 naar 5.380 studenten in 2021/’22. Tijdens de Covid-19-pandemie in schooljaar 2020/’21 nam het aantal studenten tijdelijk toe, in het daaropvolgende studiejaar is het aantal inschrijvingen weer gedaald. Naast het totaal aantal Amsterdamse studenten is de instroom van eerstejaars studenten en gediplomeerden aan deze opleidingen ook gedaald. Voor Amsterdamse studenten die een opleiding volgen tot leraar in het primair onderwijs geldt dat het aantal de afgelopen vier jaar weer aan het stijgen is; van 1.500 studenten in 2017/’18 naar 1.850 studenten in 2021/’22. De sterkste stijging in het aantal eerstejaars heeft plaatsgevonden ten tijde van de Covid-19pandemie in schooljaar 2020/’21.
Er kiezen steeds meer mannen voor de lerarenopleiding tot het primair onderwijs, zowel in Amsterdam als landelijk. De uitstroom uit het Amsterdamse onderwijs is het grootst onder leraren jonger dan 35 jaar In schooljaar 2020/’21 werkten er ruim 9.200 leraren en 400 schooldirecteuren in het Amsterdamse primair-, speciaal- en voortgezet onderwijs. In het primair onderwijs is de jaarlijkse instroom van nieuwe leraren tussen schooljaar 2016/’17 tot 2019/’20 toegenomen. Het aantal
1 Hiervoor is gekeken naar (bovenschoolse) directeuren en adjunct- of waarnemende directeuren.
4
uitgestroomde leraren (dat met pensioen gaat of het (Amsterdamse) onderwijs verlaat) ligt echter hoger waardoor het totaal aantal leraren in de stad afneemt. Op basisscholen met relatief veel leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand vertrekken (veel) meer leraren dan gemiddeld. In het voortgezet onderwijs is de instroom van leraren toegenomen maar is de uitstroom juist gedaald. Zowel in het primair als voortgezet onderwijs kiest een kwart tot drie op de tien uitgestroomde leraren voor het onderwijs in een andere stad. De uitstroom is het grootst onder de lerarengroep onder de 35 jaar. In vergelijking met de andere grote steden in Nederland is het Amsterdamse lerarenkorps gemengder naar migratieachtergrond. Het aantal leraren met een migratieachtergrond is tussen schooljaar 2016/’17 en 2020/’21 licht toegenomen van 24% naar 27% in het primair onderwijs en van 32% naar 37% in het voortgezet onderwijs. Verschillen in salarissen In het Amsterdamse basisonderwijs verdienen vrouwen gemiddeld een iets hoger bruto maandsalaris dan mannen in bijna alle leeftijdsgroepen. In het Amsterdamse voortgezet onderwijs verdienen mannen juist gemiddeld meer dan vrouwen. Tussen schooljaar 2016/’17 en 2020/’21 is het salaris van Amsterdamse leraren in het basisonderwijs het sterkst gestegen.
Zij gingen er gemiddeld 18% op vooruit, leraren in het speciaal onderwijs 13% en docenten in het voortgezet onderwijs 9%. Het verschil tussen de onderwijsniveaus nam hierdoor af maar bleef desalniettemin groot in schooljaar 2020/’21: docenten in het voortgezet onderwijs verdienden gemiddeld €697 bruto per maand meer dan leraren in het basisonderwijs en €366 meer dan leraren in het speciaal onderwijs. Ook onder schooldirecteuren is het verschil tussen de onderwijsniveaus groot, in het voortgezet onderwijs verdienen zij gemiddeld €1.655 bruto per maand meer dan in het basisonderwijs en €1.171 meer dan in het speciaal onderwijs. In het voortgezet onderwijs neemt het aantal docenten dat in de hogere salarisschalen valt toe naarmate de leeftijd stijgt. In het basisonderwijs is dit in mindere mate het geval.
5
Inleiding Om het lerarentekort tegen te gaan is in Amsterdam de Lerarenagenda 2019-2023 ‘Liever voor de Klas' opgezet, die uitgevoerd wordt door de afdeling onderwijs van de gemeente samen met onderwijsinstellingen en lerarenopleidingen (de Taskforce Lerarentekort). Daarnaast werken de Amsterdamse schoolbesturen in het primair onderwijs en de gemeente Amsterdam samen aan het Noodplan Lerarentekort. Voor de gemeente Amsterdam is het belangrijk om kennis te hebben van de ontwikkeling wat betreft studenten aan lerarenopleidingen en werkzame leraren in Amsterdam. Onderwijs, Jeugd, Zorg en Diversiteit (OJZD) heeft aan Onderzoek en Statistiek (O&S) gevraagd de beschikbare gegevens hierover jaarlijks te monitoren. De situatie in Amsterdam wordt vergeleken met Den Haag, Rotterdam en Utrecht (de G4-steden), zodat in beeld kan worden gebracht hoe Amsterdam zich verhoudt tot andere grote steden in Nederland. Nieuw in deze monitor is dat ook wordt gekeken naar het aantal schooldirecteuren2 op Amsterdamse scholen. De volgende vragen staan centraal: 1. Hoeveel studenten volgen in Amsterdam een lerarenopleiding en wat is de ontwikkeling hierin? 2. Wie staan er in Amsterdam voor de klas en wie stromen er in en uit? 3. Hoe ziet de samenstelling van studenten aan Amsterdamse lerarenopleidingen, het Amsterdamse lerarenkorps en schooldirecteuren eruit? 4.
Waar wonen Amsterdamse leraren en wat is de afstand tot hun werk? 5. Hoe verhoudt Amsterdam zich hierin tot Den Haag, Rotterdam en Utrecht? Deze monitor is een herhaling van de monitor uitgevoerd in 2020.3 In de monitor gebruiken we de meest recente gegevens die beschikbaar zijn. De gegevens over studenten aan lerarenopleidingen hebben betrekking op studiejaar 2013/’14 tot en met 2021/’224. De gegevens over leraren hebben betrekking op schooljaar 2016/’17 tot en met 2020/’21 en de gegevens over schooldirecteuren over schooljaar 2020/’21. In de rapportage zal er specifiek aandacht zijn voor de Covid-19-pandemie in de schooljaren 2019/’20, 2020/’21 en 2021/’22.
Leeswijzer In het eerste hoofdstuk staan de studenten aan Amsterdamse lerarenopleidingen centraal. Hierin wordt gekeken naar de ontwikkeling in het aantal ingeschreven studenten, eerstejaarsstudenten en gediplomeerden. Ook wordt een beeld gegeven van de samenstelling van deze studenten. In het tweede hoofdstuk wordt gekeken naar de werkzame leraren in het Amsterdamse onderwijs. Er wordt beschreven wie er voor de klas staan, wie er zijn in- en uitgestroomd, en wat de ontwikkeling is in het aantal gewerkte uren en in het brutoloon. Ook wordt in kaart gebracht waar Amsterdamse leraren wonen en wat de afstand is tot hun werk. In het laatste hoofdstuk staan de Amsterdamse schooldirecteuren centraal.
2 Hiervoor is gekeken naar (bovenschoolse) directeuren en adjunct- of waarnemende directeuren. 3 https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/de-amsterdamse-lerarenmonitor 4 Het aantal gediplomeerden aan Amsterdamse lerarenopleidingen is bekend tot en met studiejaar 2020/’21.
6
1 Studenten aan de lerarenopleiding In dit hoofdstuk wordt er gekeken naar de ontwikkeling (tussen studiejaar 2013/’14 en 2021/22) in het aantal Amsterdamse studenten aan de lerarenopleidingen. Het gaat hierbij om studenten die in Amsterdam studeren en/of in Amsterdam wonen. Naast het totaal aantal studenten wordt het aantal eerstejaars studenten en het aantal gediplomeerden in beeld gebracht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen opleidingen tot leraar in het primair onderwijs (inclusief speciaal onderwijs) en opleidingen tot leraar in het voortgezet onderwijs (inclusief beroepsgerichte vakken). Daarnaast wordt er ook een vergelijking gemaakt met het aantal studenten uit Den Haag, Rotterdam, Utrecht en landelijk. Tot slot wordt er ook een beeld gegeven van de samenstelling van deze studenten naar geslacht en leeftijd.
1.1 Aantal Amsterdamse studenten aan docentenopleidingen voor het vo sterk gedaald sinds 2013/’14 Het aantal Amsterdamse studenten (in Amsterdam studerend en/of wonend) aan de docentenopleidingen voor het voortgezet onderwijs is sinds studiejaar 2013/’14 sterk gedaald, van 6.390 studenten naar 5.380 studenten in studiejaar 2021/22 (-16%). Tijdens de Covid-19pandemie in studiejaar 2020/’21 nam het aantal studenten tijdelijk toe, in het daaropvolgende jaar het aantal inschrijvingen weer gedaald. Voor Amsterdamse studenten die een opleiding volgen tot leraar in het primair onderwijs geldt dat het aantal de afgelopen vier jaar weer aan het stijgen is, van 1.500 studenten in studiejaar 2017/’18 naar 1.850 studenten in 2021/’22. Hierdoor is het aantal inschrijvingen weer bijna op het oude niveau van studiejaar 2013/’14. De sterkste stijging heeft plaatsgevonden in schooljaar 2020/’21 tijdens de Covid-19-pandemie. Wanneer we de ontwikkeling van het aantal studenten met andere grote steden vergelijken dan zien we tussen studiejaar 2013/’14 en 2021/’22 voor opleidingen tot het primair onderwijs de grootste daling in Den Haag (-23%), gevolgd door Amsterdam (-7%) en Utrecht (-2%). Alleen in Rotterdam is een stijging te zien onder deze groep (+7%).
Het aantal studenten aan opleidingen tot docent in het voortgezet onderwijs is het sterkst gedaald in Amsterdam (-16%), gevolgd door Utrecht (-8%). In Rotterdam en Den Haag5 is dit aantal juist gestegen (respectievelijk +30% en +20%). Voor alle steden geldt dat het aantal studenten aan lerarenopleidingen is toegenomen sinds de Covid-19-pandemie in schooljaar 2020/’21.
5 Vergeleken met de andere G4-steden zijn er relatief weinig studenten die een opleiding tot leraar in het voortgezet
onderwijs volgen. Dit komt doordat deze opleidingen niet worden aangeboden in Den-Haag. In dit geval gaat het alleen om studenten die in Den Haag wonen en in een andere stad de opleiding volgen.
7
Figuur 1.1 Aantal studenten in de G4 die een lerarenopleiding volgen naar richting onderwijs, 2013/’142021/’22 leraar primair onderwijs
leraar voortgezet onderwijs
* voorlopige cijfers bron: CBS, bewerking O&S
1.2 De meeste studenten aan Amsterdamse instellingen wonen niet in Amsterdam Er wordt in deze monitor gekeken naar studenten die in Amsterdam wonen en/of studeren. De grootste groep studenten studeren in Amsterdam maar wonen buiten de stad. Het aantal studenten in deze groep is sinds studiejaar 2013/’14 gedaald; van 1.100 naar 1.005 studenten aan de lerarenopleidingen voor het primair onderwijs (-9%) en van 4.325 naar 3.625 studenten aan de docentenopleidingen voor het voortgezet onderwijs (-19%). Bij de opleiding tot leraar in het primair onderwijs is deze groep studenten sinds de Covid-19-pandemie (2019/’20) licht gestegen (+6%). Het aantal Amsterdammers dat aan een Amsterdamse instelling een opleiding volgt om leraar in het primair onderwijs te worden is sinds 2013/’14 gedaald van 725 naar 605 studenten (-20%). Sinds de start van de Covid-19-pandemie in studiejaar 2019/’20 is dit aandeel echter ook weer aan het stijgen (+27%). Het aandeel studenten dat zowel in Amsterdam woont als studeert aan de docentenopleidingen voor het voortgezet onderwijs is in dezelfde periode gedaald van 1.810 naar 1.445 studenten (-25%). Het aantal studenten dat in Amsterdam woont en buiten Amsterdam studeert is de afgelopen negen jaar iets gestegen, zowel onder de lerarenopleidingen voor het primair als voortgezet onderwijs.
Desalniettemin is deze groep wat betreft omvang het kleinst, in studiejaar 2021/’22 betrof dit 240 studenten aan lerarenopleidingen voor het primair onderwijs buiten Amsterdam en 315 studenten aan de docentenopleidingen voor het voortgezet onderwijs.
8
Figuur 1.2 Studenten die een lerarenopleiding volgen en die In Amsterdam wonen en/of studeren naar richting onderwijs, 2013/’14 en 2021/’22 5.000 woont buiten Amsterdam en studeert in Amsterdam
4.000 3.000
woont in Amsterdam en studeert in Amsterdam
2.000 1.000 0
woont in Amsterdam en studeert buiten Amsterdam 2013/'14
2021/'22*
leraar primair onderwijs
*voorlopige cijfers
2013/'14
2021/'22*
leraar voortgezet onderwijs
bron: CBS, bewerking O&S
1.3 Instroom van Amsterdamse eerstejaars bij de opleiding leraar in het basisonderwijs stijgt vanaf 2017/’18, lichte daling ingezet in 2021/’22 De instroom van Amsterdamse eerstejaars studenten (wonend en/of studerend in Amsterdam) die een lerarenopleiding volgen is de afgelopen negen jaar flink gedaald. De daling is het grootst bij de eerstejaars studenten die een opleiding volgen tot leraar in het voortgezet onderwijs (42%); onder mannelijke studenten is deze daling het sterkst (-46%). Het aantal Amsterdamse eerstejaars studenten die een opleiding volgen tot leraar in het primair onderwijs daalde sterk tussen 2013/’14 en 2016/’17 (-42%). Vanaf 2017/’18 stijgt de instroom echter weer (+24%), de sterkste stijging vond plaats tijdens de Covid-19-pandemie in studiejaar 2020/’21. Het aantal eerstejaarsstudenten dat zowel in Amsterdam woont als studeert is onder de docentenopleidingen voor het voortgezet onderwijs bijna gehalveerd (van 815 studenten in studiejaar 2013/’14 naar 420 studenten in studiejaar 2021/’22. Ook het aantal Amsterdammers aan de Amsterdamse lerarenopleidingen voor het primair onderwijs is gedaald van 270 naar 175 studenten).
In Nederland is het aantal eerstejaars studenten net als in Amsterdam het sterkst gedaald voor de opleiding tot leraar in het voortgezet onderwijs; in vergelijking met 2013/’14 zijn er ruim 3.500 studenten minder gestart in 2020/’21 (een daling van -27% tegenover -42% in Amsterdam). In dezelfde periode zijn er 945 minder eerstejaarsstudenten aan de leraaropleidingen voor het primar onderwijs gestart (-9% tegenover -28% in Amsterdam). In alle grote steden is de instroom van eerstejaars studenten in de afgelopen negen jaar gedaald. Onder de leraaropleidingen voor het primair onderwijs is de daling het sterkst in Den Haag (-30%), gevolgd door Amsterdam (28%), Rotterdam (-14%) en Utrecht (-10%). Opvallend is dat het totaal aantal studenten aan de leraaropleiding primair onderwijs in Rotterdam juist is gestegen (zie paragraaf 1.1), dit kan betekenen dat hier minder studenten uitvallen tijdens de studie of dat studenten langer over hun studie doen. Onder de leraaropleidingen voor het voortgezet onderwijs is de daling het sterkst in 9
Amsterdam (-42%), gevolgd door Utrecht (-28%), Den Haag (-12%) en Rotterdam (-7%). Ook hier geldt dat het totaal aantal studenten in Rotterdam juist is gestegen, net als in Den Haag. Figuur 1.3 Aantal eerstejaars studenten in de G4 die een lerarenopleiding volgen naar richting onderwijs, 2013/’14-2021/’22 leraar primair onderwijs
leraar voortgezet onderwijs
* voorlopige cijfers bron: CBS, bewerking O&S
1.4 Aantal gediplomeerden in Amsterdam gedaald Het aantal Amsterdamse studenten dat een diploma heeft behaald aan de lerarenopleidingen is tussen 2013/’14 en 2020/’21 gedaald en is het sterkst onder gediplomeerden voor het voortgezet onderwijs. In studiejaar 2013/’14 haalden 435 studenten hun bevoegdheid voor het vo en in 2020/’21 betrof dit 315 studenten (-24%). Vooral in 2018/’19 daalde het aantal gediplomeerden aan de opleidingen voor het voortgezet onderwijs flink (-24% ten opzichte van 2017//18). Deze daling zet ook nog door in 2019/’20 en kan deels verklaard worden door de studievertraging die zij hebben opgelopen als gevolg van de Covid-19-pandemie. Het aantal gediplomeerden aan de lerarenopleidingen voor het primair onderwijs is in de afgelopen negen jaar gedaald van 155 naar 125 studenten (-19%). Zowel voor het primair als voortgezet onderwijs geldt dat de verminderde instroom (zoals beschreven in paragraaf 1.3) hier doorheen spelen. De voorlopige cijfers van gediplomeerden in studiejaar 2020/’21 laten een lichte stijging zien. Landelijk zien we in vergelijking met Amsterdam een sterkere daling in het aantal gediplomeerden voor opleidingen tot leraar in het primair onderwijs (-23% tegenover -19%). Het aantal gediplomeerden voor opleidingen tot leraar in het voortgezet onderwijs is landelijk relatief stabiel gebleven (-5%).
Landelijk is eveneens vanaf studiejaar 2018/’19 een sterke daling te zien van het aantal gediplomeerden, zowel voor het primair (-10%) als voortgezet onderwijs (14%). De voorlopige landelijke cijfers van studiejaar 2020/’21 laten alleen voor het voortgezet onderwijs een lichte stijging zien. Het aantal gediplomeerden aan de lerarenopleidingen voor het primair onderwijs is het sterkst gedaald in Den Haag (-38%), gevolgd door Rotterdam (-27%), Amsterdam (-19%), en Utrecht (15%). Onder de lerarenopleidingen voor het voortgezet onderwijs is het aantal gediplomeerden
10
in Den Haag (+10%) en Rotterdam (26%) juist gestegen terwijl dit aantal in Amsterdam (-24%) en Utrecht (-32%) is gedaald. Figuur 1.4 Aantal gediplomeerden in de G4 die een lerarenopleiding volgen naar richting onderwijs, 2013/’14-2020/’21 leraar primair onderwijs
leraar voortgezet onderwijs
* voorlopige cijfers bron: CBS, bewerking O&S
1.5 Amsterdamse studenten gemiddeld ouder dan in Nederland Amsterdamse studenten die een lerarenopleiding voor het primair onderwijs volgen zijn vaker 26 jaar en ouder dan landelijk. In 2021/’22 betrof dit vier op de tien Amsterdamse studenten tegenover drie op de tien studenten gemiddeld in Nederland. Gerelateerd hieraan zien we dat de Amsterdamse opleiding vaker in deeltijd wordt gevolgd, oudere studenten kiezen vaker voor een deeltijdopleiding. Onder docentenopleidingen voor het voortgezet onderwijs zien we geen verschil in leeftijd tussen Amsterdam en Nederland, drie op de tien van deze studenten is 26 jaar en ouder.
leraar voorgezet leraar primair onderwijs onderwijs
Figuur 1.5 Leeftijdsverdeling studenten naar richting onderwijs in Nederland en Amsterdam, 2021/’22* Amsterdam
18
Nederland
45
25
15
45
23
10
19
Amsterdam
15
44
14
26
Nederland
14
45
15
26
0
20 jonger dan 20
*voorlopige cijfers
40 21-25 jaar
60 26-30 jaar
80
% 100
ouder dan 30 jaar
bron: CBS, bewerking O&S
Kijkend naar de verdeling van geslacht dan valt in de eerste plaats op dat zowel in Amsterdam als in Nederland het aandeel mannen dat de opleiding tot leraar in het primair onderwijs volgt laag is (respectievelijk 23% en 24%). Bij de opleiding tot leraar in het voortgezet onderwijs ligt dit aandeel twee keer zo hoog (46%). Vanaf 2013/’14 is het aandeel mannelijke studenten bij de
11
opleiding tot leraar in het primair onderwijs zowel in Amsterdam (+7%) als landeljk (+6%) licht toegenomen.
leraar voorgezet onderwijs
leraar primair onderwijs
Figuur 1.6 Verdeling geslacht studenten naar richting onderwijs in Nederland en Amsterdam, 2021/’22* Amsterdam
23
77
Nederland
24
76
Amsterdam
46
54
Nederland
46
54
0
20
40 man
*voorlopige cijfers
60
% 80
100
vrouw
bron: CBS, bewerking O&S
12
2 Amsterdamse leraren In dit hoofdstuk wordt in beeld gebracht wie er in Amsterdam voor de klas staan. Er wordt hierbij gekeken naar verschillende achtergrondkenmerken, wie er in- en uitstromen uit het Amsterdamse onderwijs, hoeveel uur leraren gemiddeld werken, hoeveel zij verdienen, en tot slot waar de Amsterdamse leraren wonen. Er wordt hierbij ook een vergelijking gemaakt met de leraren die in Den Haag, Rotterdam en Utrecht werkzaam zijn. De gegevens gaan over leraren en docenten die in de periode van schooljaar 2016/’17 t/m 2020/’21 in het Amsterdamse onderwijs werkzaam waren. De peildatum is 1 oktober van het desbetreffende schooljaar.
2.1 Ruim 5.000 leraren werkzaam in het Amsterdamse po en 4.000 in het vo In schooljaar 2020/’21 waren er in het Amsterdamse primair (inclusief speciaal) onderwijs ongeveer 5.265 leraren werkzaam. Zij vervulden in totaal 4.045 voltijdsbanen (vte). Dit aantal is een benadering van het daadwerkelijke aantal leraren en vte omdat we enkele schoolvestigingen niet in beeld hebben.6 Ten opzichte van schooljaar 2016/’17, toen er nog 4.280 vte werden gevuld (door 5.445 leraren), is dit aantal licht gedaald (-5,5%). Het leerlingenaantal in het primair onderwijs is in dezelfde periode nauwelijks veranderd en betrof 66.575 leerlingen in 2016/’17 en 66.050 in 2020/’21 (-0,8%). Ook in Den Haag (-2,4%) en Rotterdam (-8,5%) is het aantal vte afgenomen, terwijl dit in Utrecht (+3%) is gestegen. In het Amsterdamse voortgezet onderwijs waren in schooljaar 2020/’21 3.945 docenten werkzaam die gezamenlijk 3.030 vte vervulden. Zowel het aantal leraren als het aantal vte is in de afgelopen vijf jaar nauwelijks veranderd. Het leerlingenaantal is licht gestegen; van 41.815 leerlingen in 2017/’187 naar 42.850 leerlingen in 2020/’21 (+2,4%). In Den Haag (+17,8%) en Utrecht (+21,8%) is het aantal vte sterk toegenomen. Het leerlingenaantal is in beide gemeenten ook gestegen (3,6% in Den Haag en 12,7% in Utrecht). In Rotterdam is het aantal docenten licht gedaald (-4,3%).
6 Zie hiervoor de beschrijving van data en methoden in de bijlage. 7 Schooljaar 2017/’18 is het oudste jaar dat beschikbaar is op de website van DUO om de ontwikkeling in
leerlingenaantallen van de grote steden te vergelijken. Zie https://duo.nl/open_onderwijsdata/
13
Figuur 2.1 Aantal leraren in primair (inclusief speciaal) en voortgezet onderwijs G4-steden, schooljaar
3530
825
1.000 0
1005
1915
2.000
1860
1690
1990
3.000
2800
2925
3065
3030
3055
4.000
3140
3860
4045
4280
2016/’17 en 2018/’19 (aantallen) 5.000
po
vo
Amsterdam 2016/'17
po
vo
po
Den Haag 2017/'18
vo
Rotterdam 2018/'19
po
vo Utrecht
2019/'20
2020/'21
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
2.1.1 Instroom nieuwe leraren licht gestegen, uitstroom leraren licht gedaald Tussen schooljaar 2016/’17 en 2019/’20 is de uitstroom van het aantal leraren uit het Amsterdamse primair onderwijs licht gedaald, van -755 naar -695 leraren. Dit zijn leraren die met pensioen gaan of de (Amsterdamse) onderwijssector verlaten. In dezelfde periode is de instroom van nieuwe leraren (starters en leraren die vanuit een andere stad in Amsterdam komen werken) licht gestegen, van 630 naar 665 leraren. De afgelopen drie jaar compenseert de instroom (bijna) volledig de uitstroom. Figuur 2.2 In- en uitstroom leraren in primair onderwijs Amsterdam, schooljaar 2016/’17 t/m 2019/’20 (aantallen)
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
14
In het voortgezet onderwijs is de uitstroom van docenten tussen schooljaar 2016/’17 en 2019/’20 ook licht gedaald, van -530 naar -485 docenten. Schooljaar 2018/’19 vormt hierop een uitzondering, toen relatief veel docenten in Amsterdam stopten met werken (-745). De instroom is in dezelfde periode toegenomen, van 530 naar 605 nieuwe docenten. In het meest recente schooljaar 2020/’21 startten er voor het eerst flink meer docenten in het Amsterdamse voortgezet onderwijs dan dat er uitstroomden, waardoor het totaal aantal docenten is toegenomen. Figuur 2.3 In- en uitstroom leraren in voortgezet onderwijs Amsterdam, schooljaar 2016/’17 t/m 2019/’20 (procenten)
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
Wanneer we naar de achtergrondkenmerken van alle in- en uitgestroomde leraren kijken van de afgelopen vier jaar dan zien we in het primair onderwijs dat het aantal leraren alleen is afgenomen onder vrouwen (-185). Het aantal mannelijke leerkrachten is gelijk gebleven. Wat betreft leeftijd zien we alleen een netto toename onder starters van 34 jaar of jonger (+365). Wat opvalt is de hoge uitstroom onder deze leeftijdsgroep. Onder leraren van 60 jaar en ouder is de uitstroom groter dan de instroom (-425), zij zullen vaak met pensioen gaan. In het voortgezet onderwijs zijn er iets meer vrouwen uitgestroomd dan dat er zijn gestart (-15). Naar leeftijd zien we opnieuw alleen een netto toename onder de jongste leeftijdsgroep tot 35 jaar (+455) en de grootste afname onder 60-plussers (-365). Ook hier is de uitstroom onder jonge docenten het grootst in vergelijking met de andere leeftijdsgroepen.
15
Figuur 2.4 In- en uitstroom leraren in primair en voortgezet onderwijs Amsterdam naar achtergrondkenmerken, schooljaar 2016/’17 t/m 2019/’20 (aantallen)
po
geslacht mannen
-530 535
vrouwen
-2450 2265
leeftijd 17-34 jaar
-1060 1425
35-44 jaar
-620 525
45-59 jaar
-660 650
60 jaar en ouder
-630 205
vo
geslacht mannen
-1055 1055
vrouwen
-1255 1240
leeftijd 17-34 jaar
-760 1215
35-44 jaar
-480 435
45-59 jaar
-605 550
60 jaar en ouder
-460 95
-2.500 -2.000 -1.500 -1.000
-500
aantal leraren gestart in Amsterdam
0
500
1.000
1.500
2.000
2.500
aantal leraren gestopt (in Amsterdam) bron: CBS/DUO, bewerking O&S
2.1.2 In het po is de uitstroom (veel) minder groot dan gemiddeld op scholen met weinig leerlingen met een risico op onderwijsachterstand Op basisscholen met relatief weinig leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand vertrekken (veel) minder leraren dan gemiddeld in Amsterdam. Tussen schooljaar 2016/’17 en 2019/’20 heeft een vijfde van de scholen met weinig leerlingen (20% of minder) met een risico op achterstand te maken gehad met een (veel) grotere uitstroom dan gemiddeld, tegenover twee vijfde van de scholen met veel leerlingen met dit risico (meer dan 60%). Op scholen met weinig leerlingen met een risico op onderwijsachterstand vertrekken relatief minder jonge leraren (<35 jaar) dan op andere scholen in de stad (respectievelijk 53% tegenover 60%). Opvallend is dat ook op scholen met 21-40% potentiële achterstandsleerlingen relatief veel leraren zijn gestopt. Voor de berekening van het risico op een onderwijsachterstand is gekeken naar de sociaaleconomische status van leerlingen.
16
2.5 Aandeel vertrekkende docenten op basisscholen t.o.v. het gewogen stedelijk gemiddelde naar schoolpopulatie, schooljaar 2016/’17 t/m 2019/’20 (n= aantal basisscholen)
aandeel leerlingen met risico op onderwijsachterstand 20% of minder (n=59)
36
21-40% (n=46)
17
39
41-60% (n=34)
26
meer dan 60% (n=49)
27
Amsterdam (n=188)
27
0
44
20 43
44 31
29 43
39
20
34
40 60 80 (veel) minder uitstroom dan gemiddeld
% 100
uitstroom rond het stedelijk gemiddelde (veel) meer uitstroom dan gemiddeld bron: CBS/DUO, bewerking O&S
2.1.3 Drie op de tien uitgestroomde po-leraren kiest voor werk in een andere stad, in het vo ruim een kwart Drie op de tien leraren die in schooljaar 2019/’20 het Amsterdamse primair onderwijs verlieten zijn in een andere stad voor de klas gaan staan. De overige zeven op de tien uitgestroomde leraren zijn ofwel met pensioen gegaan of in een andere sector gaan werken. Hiervan is gemiddeld 28% 55-plus, dit aandeel ligt aanzienlijk lager dan gemiddeld in Nederland (43% van de leraren uitstroomt uit het onderwijs is 55-plus). Het aandeel uitgestroomde leraren dat in een andere stad is gaan werken steeg tussen schooljaar 2016/’17 en 2018/’19 van 32% naar 37% maar is hierna, in schooljaar 2019/’20, weer gedaald naar 29%. Van de instromende leraren in het Amsterdamse primair onderwijs zijn acht op de tien startende leraren en waren twee op de tien daarvoor al werkzaam in een andere stad. Dit aandeel is al jaren stabiel. In het voortgezet onderwijs is ruim een kwart (27%) van de uitgestroomde docenten in schooljaar 2019/’20 in een andere stad in het onderwijs gaan werken. Dit aandeel lag uitzonderlijk hoog in schooljaar 2018/’19, toen betrof dit de helft van de uitgestroomde docenten. Van de docenten die uitstromen uit het voortgezet onderwijs is 43% gemiddeld 55plus (in Nederland 42%).
Net als in het primair onderwijs zijn acht op de tien instromende docenten starters en waren twee op de tien docenten daarvoor al werkzaam in een andere stad. Dit aandeel is iets gedaald ten opzichte van voorgaande schooljaren, toen een kwart vanuit een andere stad in Amsterdam kwam werken.
17
Figuur 2.6 In- en uitstroom leraren in primair en voortgezet onderwijs Amsterdam, schooljaar 2016/’17 t/m 2019/’20 (procenten) % 100
80 60
79
79
82
50
81
75
74
75
78
68
62
63
71
75
75
19
25
26
25
22
32
38
37
29
25
25
74
40 20 0
21
21
19
primair onderwijs
voortgezet onderwijs
50
primair onderwijs
instroom
27
voortgezet onderwijs
uitstroom
nieuw in onderwijs
nieuw in stad
uit onderwijs
uit stad
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
In Amsterdam ligt het aandeel uitgestroomde leraren dat voor werk in een andere stad kiest zowel in het primair als voortgezet onderwijs lager dan in Den Haag, Rotterdam en Utrecht. In schooljaar 2019/’20 betrof dit in het primair onderwijs 29% van de uitgestroomde leraren uit Amsterdam, tegenover 34% uit Den Haag, 39% uit Rotterdam en 35% uit Utrecht. In het voortgezet onderwijs koos 27% van de docenten uit Amsterdam voor een andere stad, tegenover 29% van de docenten uit Den Haag, 34% van de docenten uit Rotterdam en 30% van de docenten uit Utrecht. Het voortgezet onderwijs in Den Haag (25%) en Rotterdam (29%) trekt daarentegen ook veel docenten uit een andere stad, in tegenstelling tot Amsterdam (22%). Figuur 2.7 In- en uitstroom leraren in primair en voortgezet onderwijs G4-steden, schooljaar 2019/’20 (procenten) % 100 80 60
81
71
78
74
29
22
27
17
uit
in
uit
in
83
66
75
71
78
34
25
29
22
uit
in
uit
in
61
66
84
79
65
71
70
35
29
30
uit
in
40 20 0
19
in po
vo
Amsterdam uit onderwijs
po
vo
39
34
17
uit
in
po
uit vo
21
in po
uit vo
Den Haag
Rotterdam
Utrecht
uit stad
nieuw in onderwijs
nieuw in stad
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
18
2.2 Het aantal leraren met een migratieachtergrond neemt toe Er werken veruit meer vrouwen in het Amsterdamse basis- en speciaal onderwijs dan mannen: ruim acht op de tien leerkrachten is vrouw. Dit aandeel is al jaren stabiel en zien we ook landelijk en in de andere grote steden terug. De leeftijdsverdeling onder mannen en vrouwen is ongeveer gelijk. In totaal is 30% van de leraren onder de 35 jaar, 23% tussen de 35-44 jaar, 31% tussen de 45-59 jaar, en 16% 60 jaar en ouder. In vergelijking met de andere grote steden in Nederland is het Amsterdamse docentenkorps in het po gemengder naar migratieachtergrond. Het aandeel docenten zonder migratieachtergrond is tussen schooljaar 2016/17 en 2020/’21 gedaald van 76% naar 73%. Twaalf procent heeft een Indonesische, Surinaamse of Antilliaanse migratieachtergrond, zes procent heeft een Marokkaanse of Turkse migratieachtergrond en vier procent een West-Europese migratieachtergrond. Het aandeel leerlingen in Amsterdam met een migratieachtergrond is in vergelijking met het lerarenkorps twee keer zo groot, namelijk 60% tegenover 27%.8 Figuur 2.8 Geslacht, leeftijdsopbouw en migratieachtergrond van leraren in het po van Amsterdam, schooljaar 2020/’21 (procenten, n = 5.265)
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
In het Amsterdamse voortgezet onderwijs werken net wat meer vrouwen dan mannen, 55% tegenover 45%. Dit aandeel is al jaren stabiel en vergelijkbaar met andere grote steden en het landelijk gemiddelde. Tussen schooljaar 2016/’17 en 2020/’21 zijn er meer mannelijke docenten jonger dan 35 jaar voor de klas gaan staan, dit aantal is gestegen van 460 naar 530 docenten (+13%).Van alle docenten is 30% jonger dan 35 jaar, 24% tussen de 35-44 jaar, 33% tussen de 4559 jaar en 13% 60 jaar en ouder. Net als in het po zijn de Amsterdamse leraren in het vo gemengder naar migratieachtergrond dan landelijk en in andere grote steden. Iets meer dan zes op de tien heeft geen migratieachtergrond (63%), dit aandeel is gedaald ten opzichte van vijf jaar geleden (68%). Twaalf procent van de docenten heeft een Marokkaanse of Turkse migratieachtergrond, daarnaast heeft ook twaalf procent een Indonesische, Surinaamse of 8 Bron: O&S Segregatiemonitor primair en voortgezet onderwijs 2020/’21.
https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/segregatiemonitor-primair-en-voortgezet-onderwijs-2020-21
19
Antilliaanse migratieachtergrond en ongeveer één op de tien een West- of Oost-Europese, Amerikaanse, Aziatische, Oceanische of overige Europese migratieachtergrond. Ook in het vo is het aandeel leerlingen in Amsterdam met een migratieachtergrond veel groter in vergelijking met het docentenkorps (60% tegenover 37%). Figuur 2.9 Geslacht, leeftijdsopbouw en migratieachtergrond van leraren in het vo van Amsterdam, schooljaar 2020/’21 (procenten, n = 3.945)
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
2.3 Gemiddeld werken Amsterdamse leraren in het po en vo 0,77 fte In schooljaar 2020/’21 werkten Amsterdamse leraren zowel in het primair als voortgezet onderwijs gemiddeld 0,77 fte. Dit komt neer op een gemiddelde werkweek van 28,4 uur, dit is minder dan de gemiddelde arbeidsduur per week in Nederland van 31,4 uur.9 Het gemiddeld aantal fte van leraren is vergelijkbaar met in schooljaar 2016/’17. In het Amsterdamse po is het gemiddeld aantal fte vergelijkbaar met Den Haag en Rotterdam en iets hoger dan in Utrecht en Nederland. In het vo is het gemiddeld aantal fte in Amsterdam vergelijkbaar met de andere steden en het landelijk gemiddelde.
9 Een voltijdsbaan in het onderwijs bestaat uit 36,86 uur per week. Bron gemiddelde arbeidsduur Nederland derde
kwartaal 2020:: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85275NED/table?ts=1676026903130
20
Figuur 2.10 Gemiddeld aantal fte van leraren in het primair en voortgezet onderwijs G4-steden en Nederland, schooljaar 2016/’17 t/m 2020/’21 1 0,8
fte 0,79 0,77
0,77 0,77
0,77 0,77
0,80 0,80
po
vo
po
vo
0,77 0,77
0,81 0,79
po
vo
0,73 0,73
0,76 0,75
0,71 0,71
po
vo
po
0,80 0,79
0,6 0,4 0,2 0
Amsterdam
Den Haag
Rotterdam
2016/'17
Utrecht
2018/'19
vo
Nederland 2020/'21
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
Mannen werken gemiddeld iets meer uur dan vrouwen, in het po 0,82 fte tegenover 0,76 fte en in het voortgezet onderwijs 0,8 fte tegenover 0,74 fte. Wat betreft leeftijd zien we een verschillend patroon in het primair en voortgezet onderwijs. In het basis- en speciaal onderwijs neemt het gemiddelde aantal fte in eerste instantie af onder leraren tussen de 35 en 45 jaar maar neemt dit in de oudere leeftijdsgroepen weer iets toe. In het voortgezet onderwijs stijgt het gemiddelde aantal fte over alle leeftijdsgroepen heen. Sinds schooljaar 2016/’17 is het gemiddelde aantal fte naar geslacht en leeftijd nauwelijks veranderd. Figuur 2.11 Gemiddeld aantal fte van leraren in het primair en voortgezet onderwijs van Amsterdam naar achtergrondkenmerken, schooljaar 2020/’21 1 0,8
fte 0,82 0,80
0,76 0,74
0,78 0,75
vrouw
<35 jaar
0,77
0,75 0,66
0,79
0,68
0,69
45-55 jaar
55> jaar
0,6 0,4 0,2 0
man geslacht
primair onderwijs (N = 5.265)
35-45 jaar leeftijd
voortgezet onderwijs (N = 3.945)
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
2.4 Tussen 2016 en 2021 is het salaris van leraren in het basisonderwijs het sterkst gestegen Tussen schooljaar 2016/’17 en 2020/’21 zijn leraren meer gaan verdienen, onder meer vanwege de nieuwe cao’s. Amsterdamse leraren in het basisonderwijs gingen er gemiddeld 18% op vooruit, leraren in het speciaal onderwijs 13% en docenten in het voortgezet onderwijs 9%. Het verschil tussen de onderwijsniveaus nam hierdoor af maar bleef desalniettemin groot. In 21
schooljaar 2020/’21 verdienden docenten in het voortgezet onderwijs gemiddeld €697 bruto per maand meer dan leraren in het basisonderwijs (€4.493 tegenover €3.796) en €366 meer dan leraren in het speciaal onderwijs (€4.493 tegenover €4.126).10 In de andere grote steden bestaan soortgelijke verschillen tussen de onderwijsniveaus. Sinds juli 2022 geldt er een nieuwe CAO primair onderwijs waarin voor het eerst dezelfde salarisschalen en toelagen gelden als voor het voortgezet onderwijs, deze effecten kunnen we nu nog niet terug zien. Figuur 2.12 Ontwikkeling gemiddeld bruto maandsalaris bij een voltijdsaanstelling in het basis-, speciaal- en voortgezet onderwijs van Amsterdam, schooljaar 2016/’17 t/m 2020/’21 bruto maandsalaris € 5.000 € 4.493
€ 4.500
€ 4.126
€ 4.000 € 3.500
€ 3.796
€ 4.130
€ 3.638
€ 3.217
€ 3.000 € 2.500 € 2.000
basisonderwijs
2016/'17
speciaal onderwijs
2017/'18
2018/'19
voortgezet onderwijs
2019/'20
2020/'21
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
In het Amsterdamse basisonderwijs verdienen vrouwen gemiddeld een iets hoger bruto maandsalaris dan mannen. Dit verschil is in de afgelopen vijf jaar onder alle leeftijdsgroepen kleiner geworden, behalve onder leraren tussen de 45-54 jaar. Onder deze leeftijdsgroep verdienen mannen gemiddeld €112 minder dan vrouwen (€3.987 tegenover 4.099). In het Amsterdamse voortgezet onderwijs is er tussen mannen en vrouwen bijna geen verschil in salaris als gecontroleerd wordt voor leeftijd. Voor het speciaal onderwijs is het aantal leraren dat er werkt te klein om het gemiddelde bruto maandsalaris naar geslacht en leeftijd te laten zien.
10
Sinds schooljaar 2020/’21 krijgt iedere Amsterdamse leraar in het basis- en speciaal onderwijs een toeslag om
het lerarentekort terug te dringen. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van het aantal leerlingen op een school met een risico op onderwijsachterstand en loopt uiteen van €1.000 tot €2.500 bruto per jaar. De getoonde bruto maandsalarissen in figuur 2.11 zijn exclusief deze toelage.
22
Figuur 2.13 Gemiddeld bruto uurloon in het basis- en voortgezet onderwijs naar geslacht en leeftijd Amsterdam, schooljaar 2016/’17 en 2020/’21 bruto maandsalaris € 5.500 € 5.000 € 4.500 € 4.000 € 3.500 € 3.000 € 2.500 € 2.000
< 35 jaar
35-44 jaar
45-54 jaar
basisonderwijs
55> jaar
< 35 jaar
35-44 jaar
45-54 jaar
55> jaar
voortgezet onderwijs
mannen schooljaar 2016/'17
mannen schooljaar 2020/'21
vrouwen schooljaar 2016/'17
vrouwen schooljaar 2020/'21
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
2.4.1 Leraren in het basisonderwijs stromen nauwelijks door naar hoogste salarisschaal Naast het bruto maandsalaris kunnen we ook kijken naar de salarisschalen. Gemiddeld valt 71% van de Amsterdamse basisschoolleraren in de laagste schaal L10, 28% in de middelste schaal L11 en 1% in de hoogste schaal L12.11 Dit is vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde, waar 73% in de laagste schaal L10 valt en 26% in de middelste schaal L11. In vergelijking met de andere grote steden is het aandeel basisschoolleraren dat in de laagste schaal L10 valt hoger dan in Utrecht (67%), Den Haag (66%) en Rotterdam (66%). In het speciaal onderwijs gelden dezelfde salarisschalen als in het basisonderwijs. Leraren op het speciaal onderwijs starten echter bijna allemaal meteen in schaal L11, 80% valt in Amsterdam in deze schaal en 15% in schaal L12, dit komt overeen met het landelijk gemiddelde en de andere grote steden. In het Amsterdamse voortgezet onderwijs valt 35% van de docenten in schaal LB en 40% in schaal LC. De op één na hoogste schaal in het voortgezet onderwijs is LD waar ongeveer een kwart van de leraren in valt. In Utrecht en Den Haag is een soortgelijke verdeling te zien, alleen in Rotterdam valt een kleiner aandeel in de LD schaal (19%) en een groter deel in de laagste schaal LB (38%).
In het voortgezet onderwijs neemt het aantal docenten dat in de hogere schalen LC en LD valt toe naarmate de leeftijd stijgt, dit geldt ook in de andere steden. In het basisonderwijs is dit in mindere mate het geval. Daar neemt in de hogere leeftijdsgroepen wel het aantal leraren dat in
11 In schooljaar 2020/’21 golden de volgende minimum en maximum bedragen per salarisschaal in het primair en
voortgezet onderwijs: L10: minimaal €2.678 en maximaal €4.113 L11: minimaal €2.758 en maximaal €4.434 L12: minimaal €2.812 en maximaal €5.070
LB: minimaal €2.822 en maximaal €4.301 LC: minimaal €2.840 en maximaal €5.012 LD: minimaal €2.851 en maximaal €5.699
23
de laagste schaal L10 valt af, maar slechts enkele leraren stromen op latere leeftijd door van de middelste schaal L11 naar de hoogste schaal L12. In Amsterdam zit 69% van de 55-plussers in het basisonderwijs in de laagste salarisschaal L10, in Rotterdam (62%), Den Haag (62%) en Utrecht (63%) ligt dit aandeel iets lager. Echter stromen in de andere steden leraren ook zeer beperkt door naar de hoogste salarisschaal. Figuur 2.14 Salarisschalen van leraren in basis, speciaal en voortgezet onderwijs Amsterdam naar leeftijd, schooljaar 2020/’21
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
2.5 Bijna zes op de tien Amsterdamse leraren wonen in de stad Het aandeel Amsterdamse leraren dat in de stad woont is tussen schooljaar 2016/’17 en 2020/’21 stabiel gebleven. In het basisonderwijs en voortgezet onderwijs woont respectievelijk 60% en 57% van de leraren in de stad. Van de leraren in het speciaal onderwijs geldt dit voor iets minder dan de helft (46%). In Rotterdam wonen leraren uit alle onderwijsniveaus vaker buiten de stad dan in Amsterdam. In Den Haag en Utrecht is het aandeel leraren in het basisonderwijs en speciaal onderwijs dat in de stad woont vergelijkbaar met Amsterdam maar wonen relatief minder docenten uit het voortgezet onderwijs in de stad.
24
Figuur 2.15 Woonplaats leraren in het basis, speciaal en voortgezet onderwijs G4-steden, schooljaar 2020/’21 (procenten) 100
%
80 60
46
57
57
43
43
vo
bo
46
51
49
49
51
vo
bo
40
40
44
48
56
52
so
vo
60
60 40 20 0
40
bo
54
so Amsterdam
55
so
60
61 40
so
vo
Den Haag
Rotterdam
woont in stad
woont buiten stad
bo
Utrecht
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
Ongeveer 3.900 leraren uit het Amsterdamse basis, speciaal en voortgezet onderwijs (42%) wonen buiten Amsterdam. De meeste van hen wonen in Zaanstad, Almere, Amstelveen en Haarlem. Daarnaast zijn Haarlemmermeer en Purmerend populaire woongemeentes. Buiten de metropoolregio Amsterdam woont relatief veel onderwijspersoneel in Alkmaar en Utrecht. Figuur 2.16 Woongemeentes van Amsterdamse leraren woonachtig buiten Amsterdam, schooljaar 2020/’21 (1.825 leraren basisonderwijs, 370 leraren speciaal onderwijs, 1.690 leraren voortgezet onderwijs)
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
25
2.5.1 Amsterdamse leraren in het primair onderwijs wonen gemiddeld verder van hun school dan in andere grote steden Op basis van gegevens over de woon- en werkadressen van leraren zijn hemelsbrede woonwerkafstanden berekend. Precieze reisafstanden zijn niet te achterhalen omdat dit afhankelijk is van het vervoersmiddel waarmee wordt gereisd. Amsterdamse leraren in het basisonderwijs wonen gemiddeld het dichtst bij de school waarop zij werken, hemelsbreed gemiddeld 10,2 kilometer. Voor de leraren in het voortgezet onderwijs betreft dit 12,6 kilometer en in het speciaal onderwijs 13,3 kilometer. Sinds schooljaar 2018/’19 zijn deze gemiddelde reisafstanden licht gedaald in het basisonderwijs (-2,7 kilometer) en speciaal onderwijs (-1,2 kilometer) maar iets gestegen onder docenten in het voortgezet onderwijs (+0,6 kilometer). In vergelijking met de andere grote steden wonen Amsterdamse leraren uit het basis- en speciaal onderwijs gemiddeld het verst van hun werk vandaan. In het voortgezet onderwijs wonen Amsterdamse docenten gemiddeld verder dan docenten uit Den Haag (10,1 km) maar dichterbij dan docenten uit Rotterdam (13 km) en Utrecht (14,5 km). Figuur 2.17 Gemiddelde woon-werkafstanden (hemelsbreed) van leraren in het basis, speciaal en voortgezet onderwijs G4-steden, schooljaar 2020/’21 16
km
14,5 13,3
14 12
13,0
12,6
10,2 8,7
8
10,9
10,2
10,1
10
7,9
7,8
6,6
6 4 2 0
Amsterdam basisonderwijs
Den Haag Rotterdam speciaal onderwijs
Utrecht voortgezet onderwijs
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
Bijna zes op de tien leraren in het Amsterdamse basisonderwijs wonen dichtbij hun school (hemelsbreed maximaal zeven kilometer). In het voortgezet onderwijs geldt dit voor de helft van de leraren en in het speciaal onderwijs voor vier op de tien leraren. Sinds schooljaar 2018/’19 is het aandeel docenten in het voortgezet onderwijs dat dichtbij hun school woont gestegen, van 49% naar 54%. In het basis en speciaal onderwijs is dit aandeel stabiel gebleven. Tegelijkertijd is er ook een groep leraren die hemelsbreed op meer dan 30 kilometer afstand van het werk woont, dit geldt voor ongeveer één op de tien leraren in het Amsterdamse onderwijs.
26
Figuur 2.18 Woon-werkafstanden (hemelsbreed) van Amsterdamse leraren in het basis, speciaal en voortgezet onderwijs, schooljaar 2020/’21
bo
59
so
19
43
vo
25
9
15
54
18
3 3
4
9
4
4
4
4
3
4
5
6
5
% 0
20
40
60
80
100
<7 km 7-15 km 15-21,5 km 21,5-25 km 25-30 km 30-40 km >40 km De indeling die gebruikt wordt om de hemelsbrede woon-werkafstand weer te geven sluit aan bij de reiskostenvergoeding uit de cao van leraren en de reiskostenvergoeding vanuit de gemeente. NB De cao betreft reisafstanden, de data in de figuur gaat uit van hemelsbrede woon-werkafstanden. bron: CBS/DUO, bewerking O&S
27
3 Amsterdamse schooldirecteuren In dit hoofdstuk staan de schooldirecteuren in het Amsterdamse primair en voortgezet onderwijs centraal. Het gaat hierbij om (bovenschoolse) directeuren en adjunct- of waarnemende directeuren. Er wordt hierbij gekeken naar verschillende achtergrondkenmerken, hoeveel uur zij gemiddeld werken, hoeveel zij verdienen, en tot slot waar zij wonen. Er wordt hierbij ook een vergelijking gemaakt met de directeuren die in Den Haag, Rotterdam en Utrecht werkzaam zijn. De gegevens gaan over schooldirecteuren die in 2020/’21 in het Amsterdamse onderwijs werkzaam waren. De peildatum is 1 oktober van het desbetreffende schooljaar.
3.1 De grootste groep schooldirecteuren in het po en vo is tussen de 45 en 59 jaar In schooljaar 2020/’21 werkten er 340 schooldirecteuren in het primair onderwijs van Amsterdam. Dit aantal is een benadering van het daadwerkelijke aantal schooldirecteuren omdat we enkele schoolvestigingen niet in beeld hebben.12 Driekwart van de Amsterdamse schooldirecteuren in het primair onderwijs is vrouw. Dit is een vergelijkbaar aandeel als onder leraren die in het po voor de klas staan, daarvan is acht op de tien leerkrachten vrouw. Eén op de tien schooldirecteuren valt in de jongste leeftijdsgroep jonger dan 35 jaar, 26% is tussen de 35-44 jaar, 43% is tussen de 45-59 jaar en 22% valt in de oudste leeftijdsgroep van 60-plus. Een vijfde van de schooldirecteuren (22%) heeft een migratieachtergrond, dat is iets minder dan onder leraren (27%). Figuur 3.1 Geslacht, leeftijdsopbouw en migratieachtergrond van schooldirecteuren in het po van Amsterdam, schooljaar 2020/’21 (procenten, n = 340)
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
In het Amsterdamse voortgezet onderwijs werkten in schooljaar 2020/’21 70 schooldirecteuren. Er zijn net wat meer mannen schooldirecteur dan vrouwen, 57% tegenover 43%. Onder leraren in het vo staan juist wat meer vrouwen dan mannen voor de klas. Er zijn geen schooldirecteuren
12 Zie hiervoor de beschrijving van data en methoden in de bijlage.
28
in het Amsterdamse vo jonger dan 35 jaar. Veruit de grootste groep is tussen de 45-59 jaar oud, 57% valt in deze leeftijdscategorie. Daarnaast is 21% tussen de 35-44 jaar en ook 21% 60 jaar of ouder. Een vijfde van de schooldirecteuren heeft een migratieachtergrond, tegenover bijna vier op de tien leraren in het Amsterdamse vo. Figuur 3.2 Geslacht, leeftijdsopbouw en migratieachtergrond van schooldirecteuren in het vo van Amsterdam, schooljaar 2020/’21 (procenten, n = 70)
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
3.2 Amsterdamse schooldirecteuren werken gemiddeld 0,88 fte in het po en 0,97 fte in het vo In het voortgezet onderwijs werken schooldirecteuren gemiddeld zo goed als voltijds en net wat meer uur dan in het primair onderwijs, namelijk 0,97 fte tegenover 0,88 fte. Tussen de G4-steden en vergeleken met Nederland als geheel is nauwelijks verschil. Het aantal werkzame schooldirecteuren in het Amsterdamse po en vo is te klein om het gemiddeld aantal fte ook naar leeftijd en geslacht uit te splitsen. Figuur 3.3 Gemiddeld aantal fte van schooldirecteuren in het primair en voortgezet onderwijs G4-steden en Nederland, schooljaar 2020/’21 1
fte
0,97 0,88
0,92
0,98
0,91
0,94
0,96
0,96 0,87
0,86
0,8 0,6 0,4 0,2 0
po (n=340) vo (n=70) po (n=255) vo (n=65) po (n=320) vo (n=65) po (n=145) vo (n=20) Amsterdam
Den Haag
Rotterdam
Utrecht
po vo (n=7.525) (n=1.605) Nederland
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
29
3.3 Amsterdamse schooldirecteuren in het vo verdienden gemiddeld €1.655 bruto per maand meer dan schooldirecteuren in het bo In schooljaar 2020/’21 verdienden schooldirecteuren in het voortgezet onderwijs gemiddeld €1.655 per maand meer dan schooldirecteuren in het basisonderwijs (€6.709 tegenover €5.054) en €1.171 meer dan schooldirecteuren in het speciaal onderwijs (€6.709 tegenover €5.538). Hierbij moet worden opgemerkt dat er een verschil is in schoolgrootte tussen het primair en voortgezet onderwijs. Een Amsterdamse basisschool bestaat gemiddeld uit 285 leerlingen, een school voor speciaal onderwijs uit 114 leerlingen en een middelbare school uit 575 leerlingen. Sinds juli 2022 geldt er een nieuwe cao primair onderwijs waarin voor het eerst dezelfde salarisschalen en toelagen gelden als voor het voortgezet onderwijs. Het aantal werkzame schooldirecteuren in het Amsterdamse po en vo is te klein om het gemiddeld brutosalaris ook naar leeftijd en geslacht uit te splitsen. Figuur 3.4 Gemiddeld bruto maandsalaris van schooldirecteuren bij een voltijdsaanstelling in het basis-, speciaal- en voortgezet onderwijs van Amsterdam, schooljaar 2020/’21
voortgezet onderwijs (n=70)
€ 6.709
speciaal onderwijs (n=50)
€ 5.538
basisonderwijs (n=290)
€ 5.054 %
0
1000
2000
3000
4000
5000
6000
7000
8000
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
3.4 Vier tot vijf op de tien schooldirecteuren woont in de stad In het Amsterdamse basisonderwijs woont de helft van de schooldirecteuren in de stad. Dit aandeel is vergelijkbaar met Den Haag en Utrecht, alleen in Rotterdam wonen schooldirecteuren minder vaak in de stad (34%). Schooldirecteuren in het Amsterdamse speciaal en voortgezet onderwijs wonen minder vaak in de stad dan in het basisonderwijs, namelijk respectievelijk 40% en 43%. In alle andere grote steden wonen de schooldirecteuren uit het vo vaker buiten de stad dan in Amsterdam. Amsterdamse schooldirecteuren wonen minder vaak in de stad in vergelijking met leraren, ook in vergelijking met leraren uit dezelfde leeftijdsgroep.
30
Figuur 3.5 Woonplaats schooldirecteuren in het basis, speciaal en voortgezet onderwijs G4-steden, schooljaar 2020/’21 (procenten) %
100 80
50
40
43
60
57
33 51
38
34
62
66
23
33
50
52
60 40 50
20 0
67 49
77
67
50
48
bo (n=290) so (n=50) vo (n=70) bo (n=225) so (n=30) vo (n=65) bo (n=275) so (n=45) vo (n=65) bo (n=135) vo (n=20) Amsterdam
Den Haag
woont in stad
Rotterdam
Utrecht
woont buiten stad
*Het aantal schoolleiders dat in Utrecht in het speciaal onderwijs werkt is te klein om uit te splitsen in deze figuur. bron: CBS/DUO, bewerking O&S
Net als onder leraren zijn ook voor schooldirecteuren de hemelsbrede woon-werkafstanden berekend op basis van gegevens over hun woon- en werkadressen. Precieze reisafstanden zijn niet te achterhalen omdat dit afhankelijk is van het vervoersmiddel waarmee wordt gereisd. Amsterdamse schooldirecteuren in het basisonderwijs wonen gemiddeld het dichtst bij de school waarop zij werken, hemelsbreed gemiddeld 12,1 kilometer. Voor de schooldirecteuren in het voortgezet onderwijs betreft dit 13,9 kilometer en in het speciaal onderwijs 14 kilometer. In vergelijking met de andere grote steden wonen Amsterdamse schooldirecteuren uit het basis- en speciaal onderwijs gemiddeld het verst van hun werk vandaan. In het voortgezet onderwijs wonen Amsterdamse schooldirecteuren gemiddeld net zo ver als schooldirecteuren uit Den Haag (13,7 km) maar dichterbij dan schooldirecteuren uit Rotterdam (15,6 km) en Utrecht (16 km). Figuur 3.6 Gemiddelde woon-werkafstanden (hemelsbreed) van schooldirecteuren in het basis, speciaal en voortgezet onderwijs G4-steden*, schooljaar 2020/’21 16
15,6
km
14 12
14,0
13,9
12,1
10
16,0
13,7 11,3 8,3
11,1
11,3
9,4
8 6 4 2 0
Amsterdam basisonderwijs
Den Haag Rotterdam speciaal onderwijs
Utrecht voortgezet onderwijs
* Het aantal schoolleiders dat in Utrecht in het speciaal onderwijs werkt is te klein om uit te splitsen in deze figuur. bron: CBS/DUO, bewerking O&S
31
Technische verantwoording Bestandsopbouw studenten aan lerarenopleidingen Als basis heeft OIS de onderwijsinschrijvingsbestanden en diplomabestanden van het CBS gebruikt. In de inschrijvingsbestanden staan alle inschrijvingen van leerlingen en studenten in heel Nederland. Voor dit onderzoek zijn alle studenten in het hoger onderwijs (HO) meegenomen, waaronder het hoger beroepsonderwijs (HBO) en wetenschappelijk onderwijs (WO). Het diplomabestand bevat alle diploma’s van studenten in het hoger onderwijs, in een studiejaar. Voor beide bronnen zijn zeven aparte bestanden gebruikt van de schooljaren 2013/’14 t/m 2021/’22. De gegevens van het schooljaar 2021/’22 zijn voorlopige tellingen en van de voorgaande jaren gaat het om definitieve tellingen. Aan deze bestanden zijn verschillende persoonskenmerken gekoppeld om uitspraken te doen over de samenstelling van de studenten, namelijk geslacht, leeftijd, migratieachtergrond en woonplek. Voor deze persoonskenmerken zijn twee bestanden gebruikt met data uit de gemeentelijk bevolkingsregisters (GBAPERSOONTAB en GBAADRESOBJECTBUS). Selectie lerarenopleiding en studenten De onderwijsinschrijvingsbestanden en diplomabestanden zijn met behulp van een opleidingsnummer gekoppeld aan de studierichting van de verschillende opleidingen. Er is als eerst een selectie gemaakt van de hoofdgroep “onderwijs’.
Hierbinnen vielen echter ook opleidingen als “pedagogiek” en “onderwijskunde”. Daarom is ervoor gekozen om extra selecties te maken en alleen de opleidingen mee te nemen die de studenten opleiden tot leraar. Deze opleidingen zijn onderverdeeld in twee categorieën: primair onderwijs (zowel basisonderwijs als speciaal onderwijs) en leraar voortgezet onderwijs (en beroepsgerichte vakken). In de tweede categorie zitten alle opleiding voor een eerste- of tweedegraads lesbevoegdheid, waarmee les kan worden gegeven in het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs. Voor de onderwijsinschrijvingen van Amsterdamse studenten is ervoor gekozen om een selectie te maken van studenten die in Amsterdam wonen en een lerarenopleiding volgen en daarnaast zijn ook alle studenten meegenomen die aan een Amsterdamse instelling studeren. Voor de vergelijking met de andere G4 steden zijn de studenten op dezelfde manier berekend. In de inschrijvingsbestanden staan naast de BRIN-codes ook de vestigingsnummers van de instellingen waar de studenten staan ingeschreven. Met deze twee variabelen is het mogelijk om te achterhalen op welke instellingen een student staat ingeschreven (BRIN-code) en in welke gemeente de instelling is gevestigd (vestigingsnummer). In het Hoger Onderwijs hebben veel instellingen namelijk verschillende vestigingen in het land.
In de diplomabestanden staan echter alleen BRIN-codes voor de gediplomeerden, zonder het vestigingsnummer. Voor de gediplomeerden is het hierdoor niet mogelijk om te achterhalen in welke gemeente zij hun diploma hebben behaald. Om deze reden is er voor een andere selectie gekozen om uitspraken te doen over Amsterdamse studenten die een diploma hebben gehaald, namelijk alleen of de student in Amsterdam woont.
32
Berekening eerstejaars studenten Het aantal eerstejaars studenten voor lerarenopleidingen is berekend door te kijken of de ingeschreven studenten die in het bestand van het huidige schooljaar ook al voorkwamen in het bestand van het jaar ervoor. Als dit niet het geval was zijn zij gelabeld als eerstejaars studenten. Daarnaast is er ook gekeken welke opleiding zij het jaar ervoor volgde. Als het opleidingsnummer van het vorige schooljaar niet overeenkwam met het opleidingsnummer van het huidige schooljaar zijn zij ook als eerstejaars student beschouwd. Bestandsopbouw werkzame leraren De cijfers over leraren in het Amsterdamse primair en voortgezet onderwijs zijn gebaseerd op het onderwijspersoneelsbestand van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van oktober 2016 t/m oktober 2020. In dit bestand zijn gegevens opgenomen van het onderwijspersoneel in heel Nederland dat op die peildatum in dienst was van scholen bekostigd door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Uit het bestand is het personeel geselecteerd dat als leraar werkzaam was op een Amsterdamse school. Alle bekostigde onderwijsinstellingen zijn te identificeren via een Basisregistratie Instellingen (BRIN) code en een vestigingsnummer indien de instelling meerdere locaties heeft.
In het onderwijspersoneelsbestand ontbreken echter deze vestigingsnummers waardoor het niet te achterhalen is op welke locatie iemand werkt. Dit is problematisch, omdat een aantal Amsterdamse scholen meerdere locaties heeft die zowel binnen als buiten Amsterdam gevestigd zijn. Om te voorkomen dat de aantallen worden vertekend door een grote groep leraren die in werkelijkheid buiten Amsterdam werken, is ervoor gekozen om scholen waarvan twee op de drie vestigingen buiten Amsterdam liggen buiten beschouwing te laten in de analyses. In tabel B.1 zijn de Amsterdamse scholen opgenomen waarbij dit het geval is. Dit heeft als gevolg dat leraren die op deze scholen werkzaam zijn in dit onderzoek niet zijn meegenomen. Daarnaast blijft er nog steeds een kleine groep in de selectie over die in werkelijkheid buiten Amsterdam werkt. Op de gegevens over leraren in Den Haag, Rotterdam en Utrecht is dezelfde selectie toegepast. Het bestand is verrijkt met gegevens over de migratieachtergrond van leraren afkomstig uit de gemeentelijke bevolkingsregisters. Tabel B.1 Overzicht Amsterdamse scholen die in de gegevens over werkzame leraren ontbreken Speciaal onderwijs Alexander Roozendaalschool Prof. H. Burgerschool VTC Amsterdam Kentalis Signis SO/TOS Kentalis Signis VSO CMB
Voortgezet onderwijs Yuverta Amsterdam West Yuverta Amsterdam Oost Agrarisch opleidingscentrum Clusius