CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 15 Ruimtelijke Ordening (30) Bijlage 2 - Toelichting Bp Cluster 7

RAAD 22 juni 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan “Cluster 7”VN2022-01332226.734 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Toetsing Het project sluit aan bij de ambities uit de Omgevingsvisie NH2050, vooral ten aanzien van de ontwikkeling van woonlocaties binnen bestaand stedelijk gebied en in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 39

3.2.2

Provinciale Ruimtelijke Verordening (2020)

In de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) zijn regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen in Noord-Holland moeten voldoen. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de PRV regelmatig aangepast. Voor dit plan is het volgende van belang: Artikel 6.3 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen 1. Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. 2. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels aan de afspraken bedoeld in het eerste lid. Artikel 6.62 Klimaatadaptatie 1. De toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering. 2. In de beschrijving wordt in ieder geval betrokken het risico op: a. wateroverlast; b. overstroming; c. hitte; en d. droogte. 3. De beschrijving omschrijft tevens de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de in het tweede lid omschreven risico’s te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 4. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het waterschap in wiens beheergebied de ontwikkeling plaatsvindt.

Toetsing Op de regionale afspraken is in paragraaf 3.1.4 ingegaan, bij de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het gebied is niet aangemerkt als bedrijventerrein of kantoorlocatie. Op klimaatadaptatie wordt in paragraaf 5.1 ingegaan. 3.2.3

Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025(2020)

De provincie Noord-Holland wil zorgen voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen.

Ruimtelijke uitgangspunten 1. Wonen is onderdeel van een integrale verstedelijkingsopgave. 2. We geven ruimte voor woningbouw, uitgaande van zorgvuldig ruimtegebruik. 3. e versterken de rol van de kernen en steden in het regionale netwerk, leidend tot keuzes voor woningbouw- en economische ontwikkeling en het voorzieningenniveau in de regio. 4. We geven invulling aan onze ambities door aan de hand van deze Woonagenda ruimte te bieden voor maatwerk en te sturen op regionale samenwerking. Speerpunten 1. Een woning voor iedereen: a. Adaptief en vraaggestuurd programmeren. b. Productie op peil: aanjagen woningbouwproductie.

Gemeente Amsterdam

blz. 40

c. Kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. 2. Gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie. Richtinggevende principes 1. De vraag is leidend. De regionale programmeringen worden bepaald op basis van gegronde onderbouwing van vraag, aanbod en het kwalitatieve en kwantitatieve verschil daartussen voor nu en in de toekomst. 2. Er zijn snel meer woningen nodig. De provincie zet in op het versnellen van de woningbouwproductie en helpt gemeenten hierbij door voortzetting van het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijk Bouwen en Versnellen Woningbouw. 3. De woningbouwprogrammering is regionaal en adaptief. De programmering houdt rekening met fasering en haalbaarheid, zodat de in het woonakkoord af te spreken regionale productiedoelstellingen kunnen worden gehaald. 4. De provincie geeft gemeenten ruimte om bij binnenstedelijke plannen nabij een OV-knooppunt en/of in een groeiregio hogere aantallen woningen te realiseren dan de prognose, om het woningtekort versneld in te lopen. 5. De woningmarkt heeft structureel meer flexibiliteit en betaalbare opties voor alle verschillende doelgroepen van woningzoekenden nodig. 6. Betaalbaar en divers woningaanbod voor alle doelgroepen vraagt regionale afstemming en samenwerking. 7.

Vanuit het oogpunt van leefbaarheid en gezondheid bewaakt de provincie de goede balans tussen economie, wonen, mobiliteit, natuur en landschap. 8. Woningbouw heeft een grote impact op het landschap, de natuur en de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het bestaand stedelijk gebied. In de woonakkoorden maken we afspraken om woningbouw zoveel mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, actieve mobiliteit (gericht op fietsen en lopen) stimulerend, circulair en natuur- en landschapsinclusief te ontwikkelen en dit vroegtijdig bij de locatiekeuze en planontwikkeling mee te nemen.

Actiepunten 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Maatwerkafspraken in regionale woonakkoorden Bieden kennis, meedenkkracht en hulp Versnellen woningbouwproductie Samenwerking stimuleren Verduurzaming wonen Meer flexibiliteit in de woningmarkt Stimuleren circulair bouwen Leveren van informatie en monitoring

Toetsing Het initiatief draagt bij aan het versnellen van de woningbouwproductie als onderdeel van een integrale binnenstedelijke verstedelijkingsopgave en biedt meer flexibiliteit in de woningmarkt.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 41

3.2.4

Regionaal detailhandelsbeleid Stadsregio Amsterdam 2016-2020(2016)

Centrale doelstelling in het regionale detailhandelsbeleid is het vasthouden aan het op aanvaardbare afstand hebben van winkels in dagelijkse artikelen (levensmiddelen en persoonlijke verzorging). Daarnaast staat behoud en versterking van kansrijke winkelgebieden centraal.

Een belangrijk speerpunt van het regionaal detailhandelsbeleid is de keuze voor een fijnmazige detailhandelsstructuur geweest. Een fijnmazige detailhandelsstructuur zet de leefbaarheid centraal en gaat uit van de behoefte van inwoners om dichtbij huis - op aanvaardbare afstand - hun aankopen te kunnen doen. Voor de consument is het aangenaam en efficiënt om een aaneengesloten, compact winkelgebied te hebben met een breed palet aan soorten winkels. Om dergelijke – kansrijke – locaties te behouden zal soms verspreide bewinkeling of een niet goed lopend (deel)centrum moeten worden afgebouwd. De fijnmazigheid komt daarmee wellicht deels onder druk te staan, maar het behoud van een netwerk aan goede en goed bereikbare winkelgebieden in de nabijheid van de consument blijft daarmee wel gewaarborgd.

Een dergelijke detailhandelsstructuur impliceert dat afspraken nodig zijn die deze structuur in stand houden of verder versterken: vasthouden aan het op aanvaardbare afstand hebben van winkels in dagelijkse artikelen(levensmiddelen en persoonlijke verzorging); vasthouden aan terughoudendheid ten aanzien van nieuwe (perifere) locaties waar (grootschalige) detailhandel is toegestaan; vasthouden aan terughoudendheid ten aanzien van brancheverruiming, zeker op bestaande perifere locaties; vasthouden aan het weren van foodretail of de verkoop van dagelijkse artikelen op bedrijventerreinen en perifere winkellocaties; behoud en versterking van – met name kansrijke - winkelgebieden staat centraal; weidewinkels zijn niet toegestaan.

Toetsing De beoogde transformatie van Cluster 7 verzorgt het behoud en versterking van een bestaand winkelgebied. Het plan past hiermee binnen het regionaal detailhandelsbeleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

Amsterdam heeft een grote aantrekkingskracht. De stad groeit snel. En dat roept allerlei vragen op voor de toekomst. Hoe blijft onze stad leefbaar? Waar vinden we ruimte voor nieuwe woningen en parken? En hoe bereiden we ons voor op de uitdagingen van de toekomst? Dit zijn vragen die in de Omgevingsvisie voor Amsterdam in 2050 worden beantwoord.

Met vijf strategische keuzes geeft de gemeente invulling aan de grote opgaven voor de komende tien jaar: woningbouw, economische vitaliteit, de energietransitie, de mobiliteitstransitie, vergoten van de

Gemeente Amsterdam

blz. 42

leefbaarheid, regionale ontwikkeling en meer ruimte voor maatschappelijk initiatief. De strategische keuzes hangen met elkaar samen en geven samen richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van Amsterdam als onderdeel van de metropoolregio.

De Agenda voor de vijf strategische keuzen: Meerkernige ontwikkeling: Van uitrol centrumgebied naar een meerkernige en meer diverse verstedelijking Regionale spreiding stedelijke voorzieningen en werkgelegenheid. Onderscheidende ontwikkeling Nieuw-West, Zuidoost en Noord. Twee vaste IJ-oeververbindingen en een regionaal fietsnetwerk. Uitbreiding HOV en metronet en ontwikkeling stationskwartieren.

Groeien binnen grenzen: Verdichting door complete en duurzame wijkontwikkeling Ruimte voor 150.000 woningen erbij in complete buurten. Verduurzamen bestaande buurten en woningen. Ruimte voor schone energie en duurzame initiatieven. Verduurzaming van de haven.

Duurzaam en gezond bewegen: Heel Amsterdam een wandel- en fietsstad Een openbare ruimte die uitnodigt tot ontmoeting en bewegen. Meer ruimte voor fietsers en voetgangers. Auto's zijn te gast. Verkeerswegen (Gooiseweg, Lelylaan, Burg. Roëllstraat) worden groene stadslanen begeleid door bebouwing.

Rigoureus vergroenen: Een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving voor mens en dier Openbare ruimte zo groen mogelijk inrichten. Ontwikkeling parken (Oeverlanden, Hondsrugpark, Gaasperdakpark, Zuidasdokpark en NDSM-Oost). Groene routes en ecologische verbindingen. Investeren in het landschap: natuurontwikkeling, kringlooplandbouw, en ruimte voor sporten en bewegen.

Samen stadmaken: Richting geven op hoofdlijnen en ruimte bieden aan initiatief Gelijkwaardige (digitale) informatiepositie bij planvorming. Buurtbatenovereenkomsten en buurtomgevingsvisies. Grotere rol Amsterdammers bij beheer en ontwikkeling. Ruim baan voor wooncoöperaties: naar 10% van de woningvoorraad in 2040. Vrije ruimte als vast onderdeel van de planvorming.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 43

Amsterdam maakt tot 2050 binnen de huidige stadsgrenzen ruimte voor minimaal 150.000 woningen voor 250.000 Amsterdammers, in met werken en voorzieningen gemengde buurten. Verdichten doet de gemeente vooral in grote gebiedstransformaties, waar eenzijdig werken in lage dichtheid plaatsmaakt voor gemengd wonen en werken in hoge dichtheden. Stadsverzorgende bedrijvigheid blijft waar mogelijk behouden. Meer woningen, werkplekken en publieks-trekkende voorzieningen zorgen voor voldoende massa en draagvlak voor maatschappelijke voorzieningen en lokale ondernemers.

De behoefte aan stedelijke plekken als vestigingsmilieu voor internationale bedrijven en als aantrekkelijke leefomgeving blijft groot. Om daarin te voorzien zijn naast het centrum en Zuidas nieuwe stedelijke centra voor wonen en werken nodig. Deze wil de gemeente in de hele stad en regio laten ontstaan. De stadsdeelcentra Osdorpplein, Amsterdamse Poort en Buikslotermeerplein zijn straks grootstedelijke stadscentra met bijbehorende aantrekkingskracht, elk met een eigen gezicht: met meer kernen krijgt Amsterdam meer smoel. Bij de grote stations en rond de stadsdeelcentra Osdorpplein, Buikslotermeerplein en Amsterdamse Poort wil de gemeente meer dichtheid en worden wonen en werken gemengd met stedelijke voorzieningen. Het worden plekken met stedelijke betekenis. Hoogbouw kan op deze plekken goed bijdragen aan verdichten met kwaliteit en dienen als oriëntatiepunt. Stedelijke centra Samen met de stadsstraten vervullen de stedelijke centra (Osdorpplein, Buikslotermeerplein, Amsterdamse Poort) een belangrijke rol in de sociaaleconomische structuur van de stad. Ze hebben niet alleen een verzorgende rol voor omliggende wijken en buurten (boodschappen, stedelijke dienstverlening, ontmoeting), maar kunnen met meer stedelijke functies (werk, cultuur, vrije tijd) ook betekenis krijgen voor de hele stad. Er wordt in deze centra ook gewoond en gewerkt.

Toetsing Het plangebied is aangemerkt als stedelijk centrum. De beoogde ontwikkelingen geven invulling aan de visie. Amsterdamse Poort moet samen met de Arenaboulevard binnen Amsterdam uitgroeien tot een stedelijk centrum met regionale en (inter)nationale aantrekkingskracht.

Gemeente Amsterdam

blz. 44

Figuur uitsnede toekomstbeeld Amsterdam 2050

3.3.2

Structuurvisie Amsterdam 2040 (2011)

In de structuurvisie is als centrale ambitie verwoord dat Amsterdam zich als kernstad verder dient te ontwikkelen binnen een internationaal concurrerende duurzame Europese metropool. Deze ambitie wordt in het document verder uitgewerkt in onder meer de doelstelling om de bestaande stad intensiever te gebruiken. Cruciaal voor de verdere ontwikkeling als kernstad van de metropool is de kwantitatieve en kwalitatieve groei van het aantal woningen in Amsterdam. Die leidt tot het toevoegen van 70.000 woningen aan de voorraad met bijbehorende (maatschappelijke) voorzieningen (periode tot 2030). Woonkwaliteit en de wensen van de eindgebruiker staan daarbij voorop, de verdichting met netto 70.000 woningen is geen doel op zich. De stad moet er namelijk ook voor zorgen dat de juiste woningen op de juiste plek komen te staan. Om variatie en creativiteit in de stad te behouden en monotone woonwijken te vermijden, moet worden gezocht naar instrumenten voor een meer flexibele productie. Diversiteit en een gemengde bevolking zijn belangrijke aantrekkingsfactoren van Amsterdam. Er is veel vraag naar kwalitatief goede en voldoende ruime woningen, maar deze moeten voor een belangrijk deel betaalbaar blijven.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 45

ArenAPoort (Arenagebied en winkelcentrum de Amsterdamse Poort) wordt in de structuurvisie samen met werkgebied Amstel III genoemd als een ontwikkelingszone met metropolitane potenties. De ambitie is om het centrumgebied van Zuidoost, ArenAPoort verder te ontwikkelen als 'grootstedelijk kerngebied', een plek om te winkelen, uit te gaan, te werken en te wonen. De ontwikkeling is al geruime tijd gaande. ArenAPoort geniet al nationale en internationale faam als plek voor grootschaliger (overdekte) sport- en entertainment-evenementen, in stadion ArenA, de AFAS Live en de Ziggo-dome. In het gebied concentreren zich ook mediabedrijven met bijbehorende studiofaciliteiten (Endemol). De ambitie voor het gebied vraagt nadrukkelijk om doorontwikkeling en diversificatie. Het gaat dan om vestiging van (grootschalige en perifere) detailhandel, versterking van het winkelgebied Amsterdamse Poort en de ontwikkeling van grootschalige leisure.

Figuur 3.9 Uitsnede structuurvisie Amsterdam

Toetsing De voorziene woningbouw kan bijdragen aan de uitbreiding en verbetering van de woningvoorraad. Het commerciële en maatschappelijke programma draagt bij aan een versterking van het winkelgebied Amsterdamse Poort. Inmiddels is een nieuwe omgevingsvisie in voorbereiding, zie paragraaf 3.3.1. 3.3.3

Woonagenda 2025 (2017)

De Woonagenda 2025 is een kaderstellend en richtinggevend document voor het woonbeleid tot 2025. Het heeft als uitgangspunten voldoende, betaalbare en goede woningen in 2025. Er moeten voldoende en betaalbare woningen zijn en ze moeten goed zijn. Een woning van goede kwaliteit draagt bij aan het welbevinden en de gezondheid van de Amsterdammer. Met het oog op de toekomst moet er aandacht bestaan voor duurzaamheid. Amsterdam staat daarmee voor een Gemeente Amsterdam

blz. 46

toekomstgerichte woningvoorraad die bijdraagt aan het behalen van de stedelijke duurzaamheidsdoelstellingen. Deze transformatie draagt daaraan bij doordat ingezet wordt op een hoogwaardig, duurzaam wooncomplex waarmee de woningvoorraad significant wordt verbeterd vanuit zowel kwantitatief als kwalitatief oogpunt. Toetsing Met de gemeente Amsterdam zijn afspraken gemaakt over de invulling van de woonfunctie in het plangebied (Cluster 7). Hiermee is invulling gegeven aan de Woonagenda 2025. 3.3.4

Koers 2025 (2016) en tussenreportage (2017)

Koers 2025 bevat het plan van aanpak voor de bouw van 50.000 huizen tot 2025, met de strategische keuzes die daar bij horen. De Amsterdamse ontwikkelstrategie richt zich vooral op het realiseren van voldoende woningen in kwalitatief hoogwaardige, gemengde stedelijke milieus. Jaarlijks wordt over de voortgang van deze ontwikkelingen gerapporteerd in een Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad. Parallel daaraan worden in een Werkprogramma Ruimte voor de Stad de projecten en verkenningen voor het komende jaar aangegeven. De gemeente zet met haar strategie in op gedifferentieerde woonmilieus in hoge dichtheid met een mix van voorzieningen en werkruimten. Amsterdam wil een gemengde, inclusieve stad zijn. Nieuwbouw moet dus ruimte bieden aan alle inkomenscategorieën en elk type huishouden. De plannen moeten bovendien van goede kwaliteit en duurzaam zijn. Het gaat dan zowel om stedenbouw en architectuur openbare ruimte en groen, bereikbaarheid, woningdifferentiatie en woningplattegronden en voorzieningen (onderwijs, zorg, sport etc.). De gemeente wil dat er complete nieuwe, duurzame wijken worden gerealiseerd, ook in transformatiegebieden. Toetsing Het initiatief draagt bij aan de verwezenlijking van de ambities uit de koers 2025. 3.3.5

Gebiedsuitwerking AmstelArena (2017)

AmstelArena is een van de gebiedsuitwerkingen van de Koers 2025. De globale ambitie voor ArenAPoort Oost is de toevoeging van 2.000 woningen en 200.000 m2 bvo werken, winkels en voorzieningen. Dit bestemmingplan geeft daar mede invulling aan.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 47

Figuur 3.10 Globaal ambitieprogramma ArenaPoort Oost (deelproject 10) 3.3.6

Detailhandelsbeleid 2018-2022(2017)

Het detailhandelsbeleid 2018-2022 geeft uitgangspunten voor winkelgebieden. De Amsterdamse Poort is een winkelgebied waar de detailhandel onder druk staat: er is sprake van leegstand, vertrek van winkelketens in het middensegment, minder divers (mode-)aanbod en gebrek aan sfeer. Afhankelijk van het aantal nieuwe bewoners is er ruimte voor winkels. De stadsdeelcentra Osdorpplein, Boven 't Y en Amsterdamse Poort moeten toekomstbestendiger worden gemaakt. De gemeente blijft met pandeigenaren, ondernemers en andere betrokkenen in gesprek om deze stadsdeelcentra zichtbaar een nieuw elan te geven. Amsterdamse Poort mag en kan - gezien de marktruimte - doorgroeien tot bijzonder centrum met bovenlokale aantrekkingskracht. Hier is er ruimte voor kwalitatieve vernieuwing en een betere functiemix om toekomstbestendig te blijven. De gemeente is bereid om samen met ondernemers en vastgoedpartijen inspanningen te leveren om dit stadsdeelcentrum te laten uitgroeien tot winkelcentra die op termijn ook interessant zijn voor de regiobezoeker, aldus het onderhavige beleid. Toetsing Dit bestemmingsplan maakt de upgrading en uitbreiding van het winkelcentrum in combinatie met woningen mogelijk. Dat is in lijn met het detailhandelsbeleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 48

3.3.7

Horecavisie ArenA-Poort Amsterdam (concept eindrapport 2021)

Het gebied ArenAPoort in Amsterdam Zuidoost is in vele opzichten uniek. Het omvat naast het grote Amsterdamse Poort (winkels, horeca en dienstverlening, maatschappelijk) en Woonmall Villa Arena ook een groot uitgaans- en evenementencentrum met landelijke allure, het drukstbezochte stadion van Nederland, een Woonmall, andere grootschalige winkels en steeds meer hotels en kantoren. De woonfunctie van het gebied is relatief bescheiden maar zal fors groeien de komende decennia, in alle marktsegmenten. De gemeente Amsterdam richt zich middels de Ontwikkelstrategie ArenAPoort 2030 op groei en ontwikkeling tot een volwaardig en aantrekkelijk stedelijk centrum. De integrale horecavisie (zie bijlage 2) voor ArenAPoort bouwt voort op de strategische Ontwikkelstrategie (gericht op zowel programmatische, ruimtelijke, beeldkwaliteiten als andere aspecten) en gaat deel uitmaken van de nog op te stellen Programmastrategie voor ArenAPoort. In de tussenliggende periode kunnen de uitkomsten echter ook reeds worden benut voor de planbegeleiding en –toetsing van ‘lopende’ projecten. Uitgangspunten horecavisie Ondanks de belangrijke winkel- en uitgaansfunctie drukt de horeca in de optiek van BRO momenteel nauwelijks een stempel op ArenAPoort.

De horecacapaciteit is relatief beperkt, de uitstraling soms matig en kwalitatief is het aanbod in het gehele gebied (hoewel met uitzonderingen) overwegend gericht op fastfood en het lagere- en middensegment. Wel is in het winkelcentrum Amsterdamse Poort een duidelijke culturele inslag zichtbaar in de horeca, met bijzondere Caribische en Afrikaanse producten. Ook gezien vergelijkbare centra elders in binnen- en buitenland is een stevige impuls in de horeca in ArenAPoort noodzakelijk, maar ook kansrijk. Door de extra bewoners, bezoekers, werkers en hotelgasten (en hun bestedingspotentieel) ontstaan veel nieuwe kansen voor de sector. Elk deelgebied heeft daarin haar eigen potenties, maar de synergie maakt uiteindelijk het verschil. De belangrijkste, generieke uitgangspunten voor deze horecavisie zijn als volgt. Horeca voor alle doelgroepen, op de meest geschikte locaties qua bezoekdoel en –gedrag. Versterking strategische locaties gericht op verbinding, sfeer en levendigheid. Concentratie horeca op meest kansrijke locaties en pleinen, aansluitend op de Lifeline. Optimale synergie met andere functies gebied (detailhandel, kantoren, recreatie, cultuur, OV Hub, etc.). Stimulering levendigheid en leefbaarheid gebied, dagrond.

Horeca heeft tevens functie om bezoekers voor en na grote evenementen (Triples) langer in gebied te houden (voorkomen grote passantenstromen vanaf/richting station Bijlmer). Verzorgde uitstraling, inrichting en terrassen. Inspelen op DNA, kernkwaliteiten Zuidoost qua vormgeving, inrichting en branchering. Inspelen op trends in horeca, ook internationaal. Profilering en branchering concentraties o.b.v. (primair) bezoekdoel, bezoekgedrag en doelgroepen. Solitaire zaken alleen indien ondersteunend aan andere functies in omgeving. Maatschappelijke betekenis (MVO, gezondheid, ontmoeting, participatie). Duurzaamheid in inrichting, materialisatie en exploitatie.

In de visie zijn vijf concentratiegebieden voor horeca in ArenAPoort aangegeven. Het betreft: 1. Kerngebied Mega Venues; 2. Entreegebied station Bijlmer ArenA westzijde; bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 49

3. Hoekenrodeplein; 4. Groot Bijlmerplein; 5. Klein Bijlmerplein.

Figuur 3.11 Concentratiegebieden horeca

Toetsing Cluster 7 geeft mede invulling aan de horeca-ambities uit de visie. In de visie is ook rekening gehouden met een vernieuwde Shopperhal.

Gemeente Amsterdam

blz. 50

3.3.8

Nota Parkeernormen Auto (2017)

De gemeente Amsterdam voert al jaren parkeerbeleid. Parkeerbeleid heeft invloed op de bereikbaarheid en leefbaarheid in de stad. Dit onder meer vanuit het idee dat minder auto's op straat leidt tot meer ruimte voor voetgangers en fietsen en een aantrekkelijkere openbare ruimte voor bewoners, bezoekers en ondernemers. Daarnaast willen ondernemers en bewoners ook een bereikbare stad, een stad waar ze hun auto kwijt kunnen en klanten een parkeerplek kunnen vinden. Minder auto's op straat en tegelijkertijd een goede (auto)bereikbaarheid van de stad, het lijken tegenstrijdige doelstellingen. Een oplossing om deze doelstellingen te verenigen, is het verplaatsen van een groot deel van de parkeerplaatsen op straat naar parkeergarages. In het Parkeerplan uit 2012 staat de aanpak om de auto minder op straat te parkeren, de openbare ruimte te verbeteren en het verkeer te laten doorstromen door het verminderen van zoekverkeer. In de Uitvoeringsagenda Mobiliteit is die lijn doorgetrokken met de aankondiging meer ruimte op straat te maken voor voetgangers en fietsers door de bouw van parkeergarages en het opheffen van parkeerplaatsen op straat. Parkeernormering helpt om de toekomstige parkeervraag in (ondergrondse) garages op te lossen, door ontwikkelaars te verplichten om bij nieuwbouw parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren.

Hiervoor heeft de gemeenteraad op 8 juni 2017 de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld. Deze Nota is op 29 november 2017 gewijzigd vastgesteld. In de Nota staan beleidsregels en parkeernormen voor nieuwbouw- en transformatieplannen. Ook is aangegeven wanneer de regels en beleid worden toegepast. Het nieuwe beleid treedt in werking voor alle ontwikkelingen waarvoor de eerste grondprijsovereenkomst wordt gesloten, na moment van vaststelling van de nieuwe Nota Parkeernormen Auto. Over bestemmingsplannen die ten tijde van de inwerkingtreding van de nota reeds zijn vastgesteld en waarin een eigen parkeernormering is opgenomen is aangegeven dat de parkeernorm van het bestemmingsplan het toetsingskader blijft. Dit geldt ook voor bestemmingsplannen waarin een uitwerkingsverplichting is opgenomen en waarvan de uitwerking plaats vindt nadat de nota in werking is getreden. Het belangrijkste uitgangspunt van deze nota is dat bij nieuwbouw, bewoners en werknemers geen parkeervergunning krijgen. In de 'Nota Parkeernormen Auto' wordt voor parkeernormen onderscheid gemaakt in drie soorten typen locaties: A-, B-, en C-locaties genoemd. Onderhavig plangebied is aangemerkt als A-locatie. Deze locaties kenmerken zich door een zeer goede OV-bereikbaarheid. Hier kiest de gemeente ervoor om alleen een maximumparkeernorm te hanteren voor woningen. Het parkeerbeleid kan in de toekomst wijzigen.

Voor de toepassing van het parkeerbeleid dient op grond van de bepalingen van dit bestemmingsplan uitgegaan te worden van de meest recente versie van het vastgestelde en inwerking getreden beleid. Het parkeerbeleid is voor een ieder raadpleegbaar op internet. Toetsing Er worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd binnen het plangebied om de toename van parkeerbewegingen door de nieuwe woningen en commerciële functies op te vangen. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op dit onderwerp.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 51

3.3.9

Nota Parkeernormen fiets en scooter (2018)

Op 14 maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 vastgesteld. De nota 'Parkeernormen Fiets en Scooter' is het beleidskader op basis waarvan we bij ruimtelijke (her-)ontwikkelingen eisen stellen aan de parkeervoorzieningen bij niet-woonfuncties. Deze eisen zijn vertaald in bindende beleidsregels voor fietsen. Voor scooters zijn de normen voor parkeervoorzieningen niet bindende richtlijnen. Uitgangspunt voor zowel fiets- als scooterparkeren is dat dit op eigen terrein wordt geregeld, al dan niet inpandig. Op basis van de kencijfers van het landelijke kennisinstituut CROW zijn fietsparkeernormen ontwikkeld voor niet-woonfuncties. Het vaststellen van het minimaal vereiste aantal parkeerplekken is volgens de nota een fietsparkeereis, waarbij maatwerk wordt toegepast. Het Bouwbesluit 2012 verplicht ontwikkelaars om bij nieuwe woningen een individuele (fietsen)berging te realiseren, maar biedt ook ruimte voor gelijkwaardige alternatieven. In de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 wordt de voorkeur uitgesproken voor een gelijkwaardig alternatief; een gezamenlijke fietsenstalling. Bewoners zullen die beter benutten voor het parkeren van hun fiets dan een individuele berging. Zo voorkomen we dat geparkeerde fietsen van bewoners de openbare ruimte onnodig belasten. Toetsing Er worden voldoende stallingsplaatsen gerealiseerd binnen het plangebied.

Een deel van de fietsparkeerplaatsen zullen onder de Dreef, op het peilniveau, worden gerealiseerd. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op dit onderwerp. 3.3.10 Nota Hoogbouw (2011) Het belangrijkste doel van het Amsterdamse hoogbouwbeleid is een zorgvuldige inpassing van hoogbouwinitiatieven in de bestaande structuren van de stad. Daarbij is de landschappelijke inpassing een aspect wat, zodra er sprake is van een zekere impact op het stadslandschap, een stedelijke afweging behoeft. In de Nota wordt aangegeven voor welke hoogbouwplannen dit geldt. De hoogbouweffectrapportage (HER) is een rapportage waarin alle relevante effecten van hoogbouw, zoals windhinder en schaduwwerking, toetsing aan hindernisbeperkingen als straalpaden en beperkingen rond Schiphol worden onderzocht, maar die vooral is bedoeld om de effecten van een plan op het stedelijk landschap in beeld te brengen. Het uitvoeren van een HER wordt in het beleid aanbevolen en is in bepaalde gevallen verplicht. Dat doet zich voor in situaties waarin terughoudendheid met hoogbouw wordt beoogd; in deze situaties moeten de effecten van hoogbouw nader beoordeeld worden.

Een rapportage over landschappelijke effecten is onder meer verplicht gesteld bij: middelhoogbouwinitiatieven vanaf 22,5 meter of als 25% hoger dan directe omgeving in het UNESCO-gebied (gebied binnen Singelgracht), hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter of tweemaal de hoogte van directe omgeving in de 2 km-zone rondom het UNESCO-gebied, hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter in 'gebieden van bijzondere waarden', hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter in de randen van de groene scheggen, hoogbouwinitiatieven vanaf 40 meter in het Buiten-IJ, hoogbouwinitiatieven vanaf 60 meter, met uitzondering van stimuleringsgebieden. Toetsing Het plangebied bevindt zich in een gebied waar bij hoogbouwinitiatieven vanaf 60 meter een rapportage over de landschappelijke effecten verplicht is. Dit bestemmingsplan maakt geen hoogbouwinitiatief mogelijk van 60 meter of hoger. Er is daarom geen rapportage over de landschappelijke effecten Gemeente Amsterdam

blz. 52

opgesteld. Wel zijn de hoogbouwaspecten bezonning en windhinder nader onderzocht. Dit wordt in paragraaf 5.7 toegelicht.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 53

Hoofdstuk 4 4.1

Milieuaspecten

Milieueffectrapportage

Kader Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer: Onderdeel C: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is; Onderdeel D: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.

Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Door het bevoegd gezag moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is indien (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2): de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gemeente Amsterdam

blz. 54

Het programma van de beoogde ontwikkeling betreft circa 695 woningen en 21.000 m2 aan commerciële functies. Hiermee worden de drempelwaarden niet overschreden. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Hiervoor is er een aanmeldnotitie voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, zie bijlage 18. In deze notitie wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt belangrijke nadelige milieugevolgen.

4.2

Milieuzonering bedrijven

Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Toetsing In de beoogde situatie worden woningen, detailhandel, horeca, cultuur, parkeerplaatsen en commerciële ruimtes gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige en milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.

In het gebied zijn voornamelijk de bestemmingen gemengd, bedrijven, detailhandel en kantoren gevestigd. Hierdoor kan de omgeving getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Toetsing ten aanzien van de woningen (milieugevoelige functies) Ten noorden en westen van het plangebied bevindt zich de functie 'gemengd – 1' waar detailhandel en zakelijke- en publieksgerichte dienstverleningen in de eerste bouwlaag zich mogen vestigen. Vanaf de tweede bouwlaag is het bestemd voor wonen. Hierdoor worden de bedrijven op de eerste verdieping al beperkt in hun bedrijfsvoering en is er voor de woningen boven de bedrijven sprake van een aanvaard woon- en leefklimaat. De woningen in de beoogde ontwikkeling bevinden zich op een grotere afstand dan de bestaande woningen. Hierdoor is ook voor de beoogde woningen sprake van een aanvaard woonen leefklimaat. Daarnaast bevinden zich detailhandel en kantoren in de omgeving. Deze vallen onder milieucategorie 1 en mogen in een gemengd gebied naast woningen geplaatst worden. Ten oosten bevindt zich ook de gemengde functie. De afstand betreft circa 20 meter, hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Toetsing van de commerciële en maatschappelijke functies (milieuhinderlijke functies) De functies die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt zullen in maximaal milieucategorie 1 vallen. Deze functies mogen in een gemengd naast woningen gerealiseerd worden.

Hierdoor wordt er aan de richtafstanden voldaan.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 55

Horeca In de beoogde ontwikkeling zal ook horeca gerealiseerd worden in de onderste bouwlagen van de gebouwen. Hier zullen alleen voorzieningen in de categorie 'horeca 1', 'horeca 3' en ' horeca 4' mogelijk zijn. Voor 'horeca 1' betreffen dit voorzieningen waar voor consumptie ter plaatse bereide kleine etenswaren worden verkocht zoals fastfoodrestaurants, cafetaria's en snackbars. Voor 'horeca 3' betreffen dit voorzieningen die overwegend gericht zijn op de verstrekking van (sterke) dranken, zoals cafés en bars. Voor 'horeca 4' betreffen dit voorzieningen die gericht zijn op het verkopen van ter plaatse bereide etenswaren, zoals restaurants, eetcafés en koffiehuizen. Dit zal in de regels worden gewaarborgd. Deze voorzieningen vallen volgens de VNG-brochure in milieucategorie 1 en mogen in gemengd gebied naast woonbestemmingen gerealiseerd worden. Conclusie Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.3

Bodemkwaliteit

Toetsingskader De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden voor zover relevant elders in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Onderzoek Er zijn twee verkennende bodemonderzoek uitgevoerd op het plangebied. Blok 1 en Blok 2 Het eerste onderzoek is In november 2019 is door Hofstede cs milieuadviseurs uitgevoerd (Bijlage 4). Dit onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van Blok 1 en Blok 2 van dit plan (noord-, west- en zuidzijde van het plangebied).

De resultaten van het bodemonderzoek kunnen als volgt worden samengevat: de bodem bestaat tot op 2,5 meter beneden maaiveld uit (opgebracht) zand. Het niveau van het ondiepe grondwater lag tijdens het veldonderzoek op 1,0 tot 1,1 meter beneden het maaiveld; in veel boringen bevat de bovengrond een zwakke bijmenging met puin. Verder zijn zintuiglijk geen afwijkingen aan de grond aangetroffen, die zouden kunnen wijzen op bodemverontreiniging. Ook bij bemonstering van de peilbuizen zijn zintuiglijk aan het opgepompte grondwater geen bijzonderheden waargenomen; op het maaiveld of in de opgeboorde grond zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen; in de grond zijn licht verhoogde gehalten PCB, PAK en PFAS aangetoond. Incidenteel zijn ook licht Gemeente Amsterdam

blz. 56

verhoogde gehalten aan minerale olie gevonden; het grondwater is licht beïnvloed met barium en, incidenteel, met naftaleen. Er kan vastgesteld worden dat er hooguit sprake is van een lichte verontreiniging. De aangetroffen lichte belasting legt geen beperkingen op aan het huidige terreingebruik. Indien bij de voorgenomen transformatie grond van de locatie moet worden afgevoerd, dan kan deze waarschijnlijk elders worden hergebruikt conform de regelgeving uit de 'Nota Bodembeheer' van de Gemeente Amsterdam, het 'Besluit Bodemkwaliteit' en het 'Tijdelijk Handelingskader PFAS in grond en bagger'. Opgemerkt wordt dat de regelgeving ten aanzien van het hergebruik van PFAS-houdende grond momenteel nog in ontwikkeling is. Blok 3 Het tweede onderzoek is in maart 2020 uitgevoerd door Van Dijk Geo- en Milieutechniek b.v (Bijlage 5).Dit onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van Blok 3 van dit plan (oostzijde van het plangebied). De resultaten van het bodemonderzoek kunnen als volgt worden samengevat: de toplaag van de bodem ter plaatse van het perceel is niet tot hooguit licht verontreinigd met PCB. De vastgestelde verontreiniging is vermoedelijk te relateren aan de lichte bijmeningen met puin; de grond ter plaatse is licht verontreinigd met PCB; het grondwater ter plaatse is licht verontreinigd met barium.

Een dergelijk licht verhoogd gehalte wordt vaker in het grondwater vastgesteld en wordt doorgaans veroorzaakt door natuurlijke ophoping; het grondwater is licht verontreinigd met som dichlooretheen. een overzicht van de verontreinigingen is te vinden bij bijlage 6. Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er gezien de geringe mate aan verontreiniging milieuhygiënisch geen bezwaar is tegen de toekomstige bestemmingswijziging en verbouw van het bedrijfspand naar woningen. Conclusie De aangetroffen lichte verontreiniging legt geen beperkingen op aan het huidige terreingebruik. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van de verrichte onderzoeken vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie.

4.4

Luchtkwaliteit

Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 57

Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate". Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland nog niet overal voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Voorts bestaat in het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit.

Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Projectsaldering is aan de orde wanneer de gevolgen van een project de 3% grens, voor 'niet in betekenende mate' overschrijden. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 ìg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Gevoelige bestemmingen zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het "Besluit gevoelige bestemmingen" extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. Beleidskader - Amsterdam Actieplan luchtkwaliteit In het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van de lucht in zijn geheel te verbeteren. Omdat dit met alleen specifieke maatregelen niet lukt, bevat het plan daarnaast ook generieke maatregelen.

Daardoor wordt een algemene verbetering van de luchtkwaliteit in de gehele stad bewerkstelligd. Op grond van het Actieplan Luchtkwaliteit moet in het ruimtelijke ordeningsbeleid meer rekening gehouden worden dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst of dat er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is. Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg/drukke stadsweg. Daarbij gaat het om wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. De GGD adviseert in

Gemeente Amsterdam

blz. 58

deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. Agenda Duurzaamheid: Schone lucht en duurzame mobiliteit De Amsterdamse ambitie voor het thema schone lucht gaat verder dan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit en is gericht op een gezonde luchtkwaliteit. Het gaat daarbij met name om mobiliteit gerelateerde maatregelen en een (stedenbouwkundig) ontwerp, met bijv. autoluwe gebieden, dat bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. Vaak zijn de negatieve effecten op de luchtkwaliteit met name van het verkeer afkomstig. Goede OV- en fietsverbindingen De bebouwingsdichtheid van het gebied is hoog, in de omgeving is een mix van functies aanwezig en er komt een hoogwaardige openbare ruimte. De voorwaarden zijn daarmee aanwezig voor een levendig stedelijk milieu, waar de voetganger en de fietser zich thuis voelt. Dit sluit ook mooi aan bij de beleidsdoelstelling 'Bewegende Stad'. In de ontwikkeling van het plangebied geeft de gemeente voorrang aan de voetganger en de fiets. Daarbij wordt de bereikbaarheid per fiets vergroot door te investeren in extra fietsverbindingen en fietsparkeerplaatsen in de openbare ruimte. Om de rest van de stad te bereiken, is ook een goede ontsluiting van het gebied met openbaar vervoer belangrijk. Parkeren De inzet is om het autogebruik zoveel mogelijk te beperken door een lage parkeernorm te hanteren.

Ook wordt ingezet op het verduurzamen van het resterende auto verkeer. Parkeren door bewoners en bedrijven gebeurt in principe op eigen kavel. Ook geldt dat ontwikkelaars gestimuleerd worden om (elektrische) autodeelconcepten toe te passen om daarmee het autobezit in het plangebied te beperken. De parkeervoorzieningen op private kavels moeten voor 100% zijn voorbereid voor een 'slim' laadpunt. Ook de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting moet hierop zijn toegerust. Het aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor bezoekers wordt beperkt. Bovendien wordt bij minimaal 10% van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte een elektrische laadvoorziening geplaatst. Goederenvervoer De bevoorradingsroutes voor o.a. bedrijven, kantoren en winkels verdienen vanuit luchtkwaliteit aandacht. Zorg bijvoorbeeld voor voldoende laad- en losvoorzieningen in de nabijheid zodat het overige verkeer goed kan doorstromen (en daarmee minder luchtvervuiling veroorzaakt). Onderzoek daarnaast mogelijkheden m.b.t. optimaliseren van venstertijden, slimme laad- en losplekken en het faciliteren van locaties voor overslagplekken of cargohubs/oplaadhubs (voor elektrisch vervoer). Toetsing De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van in totaal circa 695 nieuwe woningen (voor een totaal van 815 woningen).

Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Hoogoorddreef, direct ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2017 de jaargemiddelde concentraties

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 59

stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2017; 33 µg/m³ voor NO2, 20,8 µg/m³ voor PM10 en 12,6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 8,4 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens blijkt in paragraaf 5.5 dat het plan niet leidt tot een relevante toename van het aantal verkeersbewegingen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.5

Geluidhinder

Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai en spoorweglawaai van belang. De woningen zijn conform de Wet geluidhinder geluidgevoelige gebouwen. De woningen bevinden zich binnen de zones langs de Hoogoorddreef, de Bijlmerdreef, de Foppingadreef, de Flierbosdreef en de Dolingadreef. Het project is tevens binnen de zone langs het hoofdspoor gelegen. Om die reden is een onderzoek Wet geluidhinder benodigd. Onderzocht is of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden, vervolgens of hogere grenswaarden krachtens de Wet geluidhinder kunnen worden aangevraagd en waar zo nodig maatregelen moeten worden toegepast. De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder: Wegverkeerslawaai stedelijk: voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 63 dB. Spoorweglawaai: voorkeursgrenswaarde 55 dB, maximale ontheffingswaarde 68 dB. Toetsing Door Cauberg Huygen is een akoestisch onderzoek Wet geluidhinder uitgevoerd (d.d. 2 juli 2020). Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 7. De resultaten worden hieronder samengevat.

De berekeningen van de geluidbelastingen zijn uitgevoerd conform het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Uit de berekeningen blijkt het volgende: Door de Hoogoorddreef worden deels de voorkeursgrenswaarden overschreden met een maximum van 61 dB. Nergens worden de maximale ontheffingswaarden overschreden. Door de Flierbosdreef worden deels de voorkeursgrenswaarden overschreden met een maximum van 61 dB. Nergens worden de maximale ontheffingswaarden overschreden. Door de Bijlmerdreef worden deels de voorkeursgrenswaarden overschreden met een maximum van 50 dB. Nergens worden de maximale ontheffingswaarden overschreden. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden door de Foppingadreef, de Dolingadreef en het spoor. De gecumuleerde geluidbelastingen LVL,cum (maximaal 61 dB) voldoen aan de in het Amsterdams geluidbeleid gestelde grenswaarde (hier: 63 + 3 = 66 dB). Op basis van de beoordeling van de gecumuleerde geluidbelastingen zijn geen aanvullende maatregelen benodigd. Voor het aanvragen van hogere waarden dienen woningen, conform het gemeentelijk geluidbeleid, te Gemeente Amsterdam

blz. 60

beschikken over een geluidluwe zijde. In het hogere waarden beleid van de gemeente Amsterdam is een gevel geluidluw indien het geluidniveau per bronsoort lager is dan de voorkeursgrenswaarde. Voor wegen is de voorkeursgrenswaarde 48 dB. Woningen die niet direct beschikken over een geluidluwe gevel kunnen aanvullende gebouwmaatregelen voor worden ingezet. Een groot deel van de gevels beschikt direct over een geluidluwe zijde. Bij woningen die niet aan deze geluidluwe zijden zijn gesitueerd kunnen aanvullende gebouwmaatregelen worden ingezet in de vorm van bijvoorbeeld gesloten balustrades, verglaasde balkons of het toepassen van dubbele kozijnen met ventilatiestroken (Harbour Fenster systeem). Conclusie Geadviseerd wordt om voor de volgende wegen hogere waarden aan te vragen: Geluidbron

Aan te vragen hogere waarde

Hoogoorddreef

61 dB

Flierbosdreef

61 dB

Bijlmerdreef

50 dB

4.6

Externe veiligheid

Kader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 61

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Onderzoek

Figuur 4.1 Uitsnede professionele risicokaart met plangebied rood gemarkeerd

Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het water of door buisleidingen. Ook bevinden zich geen risicovolle bronnen in de omgeving van het plangebied met een externe werking. Over de Gooiseweg, Flierbosdreef, Hoogoorddreef, Bijlmerdreef en Foppingadreef vindt volgens het Basisnet geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Wel bevindt zich ten westen van het plangebied op een afstand van circa 1,88 kilometer de A2 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De maatgevende stof die over deze wegen worden vervoerd is GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van beide wegen. Een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Daarnaast bevindt zich ten zuidwesten van het plangebied het spoortraject Breukelen – Duivendrecht op een afstand van circa 520 meter. Voor het spoortraject is er geen contour voor de grenswaarde 10-6 van het plaatsgebonden risico. Dit spoortraject heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer en reikt tot het plangebied. Omdat de beoogde appartementen voor het spoortraject op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeven volgens het Basisnet in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het

Gemeente Amsterdam

blz. 62

ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk. De beknopte verantwoording is opgesteld in overeenstemming met de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland.

Beknopte verantwoording Toetsing plaatsgebonden risico Het plangebied bevindt zich niet in de PR-contour van het spoortraject Breukelen - Duivendrecht. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Toetsing groepsrisico Het plangebied bevindt zich niet binnen 200 meter van het spoortraject Breukelen - Duivendrecht waardoor de beoogde ontwikkeling geen invloed heeft op het groepsrisico. Het groepsrisico vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Voor de ontwikkeling wordt de Handreiking Bluswatervoorziening, bereikbaarheid van Brandweer Nederland 2019 en het Bouwbesluit 2012 gevolgd. Het plangebied wordt ontsloten via de Flierbosdreef en de Hoogoorddreef. Deze wegen sluit aan op de A9.

Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen, woonondersteunende functies, cultuur, parkeerplaatsen en commerciële ruimtes gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Bij de uitwerking van de ontwikkeling wordt de brandweer betrokken. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Breukelen – Duivendrecht waarover

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11596348/1