CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 15 Ruimtelijke Ordening (30) 3a. Bijlagen bij toelichting strandeiland k

RAAD 10 november 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan IJburg 2e fase – Strandeiland VN2021-02304733.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (ontwerp)

blz. 59

3.1.4

Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor Duurzame Verstedelijking)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6 Bro opgenomen, de ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: "De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."(artikel 3.1.6, tweede lid, Bro). Relevantie voor het plangebied De gemeente Amsterdam werkt al jaren aan de ontwikkeling van IJburg. Het eerste ontwerp van IJburg, waar Strandeiland onderdeel van uitmaakt, dateert uit 1995. Het officiële startschot voor IJburg werd gegeven toen het Vinex uitvoeringsconvenant in 1995 werd ondertekend. Hiermee verplichtte Amsterdam zich tot stadsuitbreiding in het zuidwestelijk deel van het IJmeer. De planvorming van IJburg 2 startte aan het begin van deze eeuw. In 2009 is het huidige bestemmingsplan voor IJburg 2 vastgesteld. Sindsdien werd verder aan een stedenbouwkundig plan gewerkt. Dit stedenbouwkundig plan werd uiteindelijk in 2019 vastgesteld door de gemeenteraad.

Reeds in 2009 werd geconstateerd dat de woningbehoefte in de regio Amsterdam groot is blijft groeien. Het woningtekort in Amsterdam en de omliggende regio is jaar op jaar nauwelijks gedaald. Om het tij te keren heeft het rijk destijds met elke regio afspraken gemaakt over de woningproductie en vastgelegd in de Nota Ruimte. Na de vaststelling van het bestemmingsplan in 2009 zijn nieuwe beleidskaders op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau vastgesteld. In de daaropvolgende beleidskaders waaronder het RRAAM, het regionaal actieprogramma Wonen 2016-2020, Structuurvisie Amsterdam 2040, de Woonagenda 2025 is met de ontwikkeling van IJburg 2e fase rekening gehouden als zijnde een lopende ontwikkeling. Als zodanig is de ontwikkeling van IJburg 2e fase bij de verdere ontwikkeling van omgevingsbeleid (stedelijk, regionaal en provinciaal) als een plangegeven beschouwd. Met het bestemmingsplan Strandeiland wordt een intensief programma aan woon - en niet-woonfuncties mogelijk gemaakt. Strandeiland maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied als behorend bij het bestaand stedenbouwkundig samenstel binnen IJburg. Voor Strandeiland wordt een woningbouwprogramma van 8.000 woningen mogelijk gemaakt. Waar een dergelijk grote woningbouwopgave ligt is er ook behoefte aan een passend niet-woonprogramma.

Het voorliggende bestemmingsplan maakt 120.000 m² niet-woonfuncties mogelijk. Dit aantal is gekoppeld aan het totale aantal te realiseren woningen en is naast de vereiste Amsterdamse referentienorm voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen gebaseerd op een aantal met Strandeiland Gemeente Amsterdam

blz. 60

vergelijkbare, bestaande wijken. Het gekozen programma voor detailhandel en horeca (zie bijlage 2) is onderzocht en onderbouwd. Het stedelijke uitgangspunt voor de woningbouwprogrammering is 40% gereguleerde huur, 40% middelduur (huur en koop) en 20% dure huur en koop. Om voor Strandeiland passende woningen, de ruimtelijke kwaliteit én de duurzaamheidsmaatregelen te kunnen realiseren, is gekozen voor een programmering van 40% sociale huurwoningen, 25% middensegment huur- en koopwoningen en 35% vrije sector huur- en koopwoningen. Dit is reeds in het SP op deze wijze vastgesteld. Voor Strandeiland is een mix van gestapelde en grondgebonden woningen voor verschillende doelgroepen met een accent op gezinnen voorzien. Deze laatste doelgroep kiest meestal voor een grotere woning met bij voorkeur een tuin of een buiten. Met de voorgestelde woningbouwprogrammering (40-25-35) voorziet het plan in de doelstelling om gezinnen die bewust kiezen voor de stad een plek te bieden en het bevordert de doorstroming in de bestaande voorraad. Gelet op de lange geschiedenis van Strandeiland als onderdeel van IJburg zijn de belangrijkste keuzes voor Strandeiland met de vaststelling van het geldende bestemmingsplan en latere beleidskaders zoals de Structuurvisie Amsterdam, de Woonagenda 2025 en het SP reeds gemaakt.

In het voorliggende bestemmingsplan is hiermee rekening gehouden en wordt invulling gegeven aan de eerder gemaakte keuzes. 3.1.5

Rijk-regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM)

3.1.5

Rijk-regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM)

Op vele manieren wordt door Rijk en de regio samengewerkt aan een sterke en duurzame regio, die internationaal concurrerend is en waar het goed werken en wonen is. In 2013 is de Structuurvisie Amsterdam - Almere - Markermeer vastgesteld. Hierin wordt de opgave van het mogelijk maken van de drievoudige ambitie op het gebied van verstedelijking, natuur en recreatie in het gebied Amsterdam Almere - Markermeer, uitgewerkt. In RRAAM wordt middels een organische ontwikkeling toegewerkt naar het toekomstperspectief zoals beschreven in de Rijksstructuurvisie. Het plangebied bestaat uit het gebied waarop de opgaven, de keuzes en de aanpak uit de Rijksstructuurvisie betrekking hebben. Concreet gaat het om een gebied dat de volgende elementen omvat: de bestaande stad Almere en de in Almere (verder) te ontwikkelen locaties (Oosterwold, Centrum Weerwater (inclusief Floriade) en Pampus); de weg- en spoorcorridor tussen Almere en Amsterdam (inclusief de aansluiting op het Amsterdamse infrastructuurnetwerk); het Markermeer en het IJmeer. Woningbehoefte onderzoek laat zien dat ondanks de huidige situatie op de woningmarkt de vraag naar woningen in de Noordvleugel tot 2040 zeer groot zal zijn: circa 440.000 extra woningen. De vraag naar woonmilieus is gedifferentieerd: van hoogstedelijk tot landelijk, maar kent ook twee duidelijke ‘toppen’.

Zo bestaat er ten eerste een grote vraag naar centrumstedelijke woonmilieus en ten tweede naar groenstedelijke woonmilieus. In grote delen van de Noordvleugel zijn de mogelijkheden voor woningbouw beperkt. Binnen het westelijk deel van de regio komt dit vanwege de ruimte die de Mainport Schiphol, de Greenports en de Amsterdamse haven vragen en gebruiken.

bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (ontwerp)

blz. 61

Kaart 1 Toekomstperspectief 'Amsterdam-Almere-Markermeer', bron: Rijksstructuurvisie Rijk-regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer Om de agglomeratiekracht en daarmee de internationale concurrentiepositie van de Noordvleugel te versterken, is het in lijn met de Gebiedsagenda Noord-Holland, Utrecht en Flevoland de opgave om zoveel mogelijk woningen in bestaand stedelijk gebied in de regio’s Amsterdam, Utrecht en Amersfoort en langs bestaande infrastructuurcorridors te bouwen op de as Haarlemmermeer-Schiphol-Amsterdam-Almere-Lelystad. Aanvullende verstedelijkingslocaties worden in de directe nabijheid daarvan gezocht.

Gemeente Amsterdam

blz. 62

Relevantie voor het plangebied Het toevoegen van de geprognosticeerde vraag naar woningen in de Noordvleugel tot 2040 (440.000 woningen) vereist meerdere bouwlocaties. Het grootste gedeelte van de woningen wordt ontwikkeld in bestaand stedelijk gebied, door bestaande wijken in de stad te verdichten en te herstructureren en kantoor- en bedrijvenlocaties te transformeren. De gemeente Amsterdam heeft bijvoorbeeld het voornemen 70.000 woningen binnenstedelijk te realiseren. ZaanIJ is één van deze projecten. Ook de regio’s Utrecht en Amersfoort hebben de ambitie om zoveel mogelijk, liefst twee derde van de woningopgave, in bestaand gebouwd gebied tot stand te brengen. Bestaande cultuurlandschappen en natuurgebieden zoals de Heuvelrug, het Groene Hart en Waterland worden hiermee gespaard. Om in de vraag naar woningen te voldoen, zullen echter nieuwe uitleglocaties nodig blijven. Strandeiland als onderdeel van IJburg tweede fase is als één van deze uitleglocaties aangewezen. De ontwikkeling van Strandeiland staat de uitvoering van de gemaakte afspraken en opgaven die uit het RRAAM voortkomen niet in de weg. In tegendeel: met de realisatie van 8.000 woningen wordt de vraag naar woningen in de Noordvleugel juist invulling gegeven aan het verstedelijkingsprogramma dat in het kader van het RRAAM is opgesteld.

Verder is op kaart 1 'Toekomstperspectief' te zien dat er een gebiedsbegrenzing voor de toekomstige IJmeerverbinding is opgenomen. De Noordvleugel van de Randstad is nationaal gezien één van de belangrijkste economische motoren. Het toekomstperspectief is een sterke internationaal concurrerende regio, waarin een aantrekkelijk vestigingsklimaat wordt gecreëerd met een goede bereikbaarheid en unieke natuur- en recreatiegebieden in en rond het Markermeer-IJmeer. De gezamenlijke ambitie is om een regionaal metroachtig systeem - de IJmeerverbinding - te realiseren dat tussen Almere Centrum en Amsterdam Zuid loopt. Over de exacte invulling en vormgeving zijn de partijen nog in overleg. In het voorliggende bestemmingsplan wordt met deze mogelijke verbinding rekening gehouden en niet onmogelijk gemaakt. 3.1.6

Wet luchtvaart

De Wet Luchtvaart regelt het gebruik van luchtvaartuigen en luchtvaartterreinen in Nederland. Voor Schiphol is in het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) geregeld welk gebied bestemd is voor gebruik als luchthaven en voor welk gebied daaromheen beperkingen gelden ten behoeve van de veiligheid en geluidsbelasting. Het LIB geeft regels voor gebruik en bestemming van de grond in deze gebieden. In het Luchtverkeer wordt hier uitgebreid op in gegaan. 3.1.7

Regeling vervoer over de binnenwateren (van gevaarlijke stoffen)

Naast de algemene regeling van het Barro zijn rond ligplaatsen voor schepen geladen met gevaarlijke stoffen uit hoofde van het ADN (het verdrag voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in het Rijn-Donaugebied met rechtskracht in Nederland via de Wet vervoer gevaarlijke stoffen), Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, de Richtlijn Vaarwegen 2017 en het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) van toepassing. Aan te houden afstanden tot aaneengesloten woongebieden en kunstwerken zijn afhankelijk van de soort stoffen (brandbaar, toxisch, explosief), de seinvoering van de schepen (1, 2 of 3 blauwe kegels) en de aard van het te beschermen object (woongebieden, kunstwerken, opslagtanks met gas of brandbare vloeistof). Wanneer een seinvoerend schip ligplaats neemt gelden de in de regelingen opgenomen aan te houden afstanden. Doel van de zoneringsafstanden is het beschermen van de genoemde objecten tegen de effecten van een scenario waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen. Bij schepen met een seinvoering van één blauwe kegel geldt vanwege brandgevaar een aan te houden afstand tot (aaneengesloten) woongebieden en kunstwerken van 100 meter. Schepen die 1 kegel bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (ontwerp)

blz. 63

voeren, vervoeren brandbare stoffen. Dit kunnen gassen, vloeistoffen of vaste stoffen zijn en zowel tankers als droge lading schepen. Voor schepen met een seinvoering met twee of meer blauwe kegels gelden grotere aan te houden afstanden. De bevoegde autoriteit kan met het oog op de plaatselijke omstandigheden kleinere afstanden toelaten. In dit geval is de bevoegde autoriteit Rijkswaterstaat (vanaf de zuidpunt van de wachtsteiger aan de noordwestzijde van het Zeeburgereiland richting zuid is de hoofdvaarweg Rijkswater). De Richtlijn Vaarwegen (2017) bevat regels voor de veilige en vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer. De richtlijn bevat onder andere bepalingen over de klassen van vaarwegen (CEMT), diepgang, doorvaarthoogte, profielen van watergangen en zichtlijnen. Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) bevat de verkeersregels voor de Nederlandse binnenwateren. Zo staan hierin de borden en overige verkeerstekens vermeld, de te voeren verlichting, tekens en geluidsseinen voor vaartuigen, en de voorrangs- en uitwijkregels op het water. Het BPR geldt voor iedereen en voor elk vaartuig, zowel voor de beroepsvaart als voor de recreatievaart (inclusief roeiboten en surfplanken). Op grond van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement is het BPR geldig op de openbare wateren van het Rijk die voor scheepvaart openstaan, met uitzondering van enkele vaarwegen.

Het BPR bevat tevens regels voor het innemen van een ligplaats (ankeren en meren) in het water. Relevantie voor het plangebied Uit Externe veiligheid blijkt dat er in het plangebied geen gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Ook worden geen nieuwe routes waarbij gevaarlijke stoffen worden vervoerd mogelijk gemaakt. Externe veiligheidsaspecten komen in datzelfde hoofdstuk uitgebreid aan bod. 3.1.8

Dienstenrichtlijn

Gemeenten moeten bestemmingsplannen toetsen aan de Dienstenrichtlijn. De ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) hebben hiervoor, in nauwe samenwerking met het IPO en de VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten), een handreiking ontwikkeld. Op 30 januari 2018 heeft het Europese Hof van Justitie een uitspraak gedaan in de zaak Visser Vastgoed Beleggingen (ECLI:EU:C:2018:44). Uit deze uitspraak volgt dat élke gemeente vestigingsbeperkingen voor detailhandelslocaties moet toetsen aan de Dienstenrichtlijn en daarbij (opnieuw) moet motiveren waarom voor deze beperkingen is gekozen. Het gaat daarbij over beperkingen van: branche; maatvoering (minimum- of maximummaat); het aantal vestigingen (per branche); het assortiment. Ook beperkingen voor (de vestiging van) horeca, recreatie en leisure vallen onder de werking van de Dienstenrichtlijn. Artikel 15, lid 3 van de Dienstenrichtlijn luidt als volgt: De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen: a. discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel; b. noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; Gemeente Amsterdam

blz. 64

c. evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. Uit de rechtspraak blijkt dat ook ruimtelijke voorschriften die slechts een geringe beperking betekenen voor de toegang tot of het uitoefenen van dienstenactiviteiten, een territoriale of kwantitatieve beperking kunnen zijn in de zin van artikel 15 lid 2 onder a Dienstenrichtlijn. Relevantie voor het plangebied De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op beperkingen die in het bestemmingsplan worden gesteld aan diensten. Voor Strandeiland zijn dat detailhandel en horeca. De beperkende bestemmingsplaneisen moeten getoetst worden aan artikel 15 van de dienstenrichtlijn. De drie in artikel 15 lid 3 Dienstenrichtlijn opgesomde voorwaarden op grond waarvan brancheringsregelingen (als eis die een beperking inhoudt van de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten) en oppervlaktemaatregelen kunnen worden gerechtvaardigd, zijn cumulatief bedoeld. Aan alle drie voorwaarden moet zijn voldaan. Horeca Ad. 1 In de bestemmingsplanregeling voor horeca op Strandeiland en andere daaraan gestelde ruimtelijke voorschriften wordt geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, naar de plaats van hun statutaire zetel gemaakt.

De voorschriften in het bestemmingsplan gelden voor eenieder en maken geen onderscheid dat kan leiden tot strijd met het discriminatieverbod. Ad. 2 Het bestemmingsplan Strandeiland is opgesteld om een nieuw stuk stad in Amsterdam mogelijk te maken. Voornaamste opgave daarbij is het realiseren van woningen. Het maximum aantal horecazaken dat mogelijk wordt gemaakt, is passend bij het aantal bewoners van Strandeiland, de ligging en eventuele aantrekkingskracht van buiten (zie Bijlage 2 Onderzoek programma detailhandel en horeca). Regulering is noodzakelijk om te kunnen sturen op overlast en bescherming van het woon- en leefklimaat. Alle gestelde voorwaarden met betrekking tot het aantal horecavestigingen van een bepaalde categorie, het maximumaantal vestigingen per bouwblok en het maximum vloeroppervlak van de horecavestigingen zijn hierop gericht. Vrije vestiging van horecazaken kan leiden tot overlast. Daarbij spelen het aantal horecazaken, de categorie (fastfood, café, restaurant, discotheek), de grootte van de vestigingen en een clustering van vestigingen een belangrijke rol. De bestemmingsplanregeling voor horeca op Strandeiland draagt hiermee bij aan een aantrekkelijk voorzieningenniveau, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en streeft naar zorgvuldig ruimtegebruik. Ad.

3 De bestemmingsplanregeling voor horeca is geschikt en effectief om het beoogde doel van een aantrekkelijk voorzieningenniveau op Strandeiland met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, mee te bereiken. De beperkingen die aan de vestiging van horeca worden gesteld gaan niet verder dan nodig. Alleen met het ruimtelijke ordeningsinstrumentarium kan de toedeling van functies aan locaties worden geregeld. Minder beperkende maatregelen om dit bereiken zijn niet voor handen. Detailhandel Ad. 1 bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (ontwerp)

blz. 65

In de bestemmingsplanregeling voor detailhandel op Strandeiland wordt geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, naar de plaats van hun statutaire zetel gemaakt. De voorschriften in het bestemmingsplan gelden voor eenieder en maken geen onderscheid dat kan leiden tot strijd met het discriminatieverbod. Ad. 2 Het bestemmingsplan Strandeiland is opgesteld om een nieuwe stuk stad in Amsterdam mogelijk te maken. Voornaamste opgave daarbij is het realiseren en van woningen. Daarbij is gekeken naar een passen voorzieningenniveau voor een buurt met de kenmerken van Strandeiland op basis van onder andere inwoneraantal, ligging en bereikbaarheid (verwijzen naar onderzoek DTNP). Regulering is noodzakelijk voor een concentratie van functies die elkaar kunnen versterken en van elkaar bezoekers kunnen profiteren. Vrije vestiging van detailhandelsvestigingen kan leiden tot een minder aantrekkelijk voorzieningencentrum, leegstand en daarmee een minder aantrekkelijke leefomgeving. De bestemmingsplanregeling voor detailhandel op Strandeiland draagt hiermee bij aan een aantrekkelijk voorzieningenniveau, voorkomen van leegstand, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en streeft naar zorgvuldig ruimtegebruik. Ad.

3 De bestemmingsplanregeling voor detailhandel is geschikt en effectief om het beoogde doel van een aantrekkelijk voorzieningenniveau op Strandeiland met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, mee te bereiken. De beperkingen die aan de vestiging van detailhandel worden gesteld gaan niet verder dan nodig. Alleen met het ruimtelijke ordeningsinstrumentarium kan de toedeling van functies aan locaties worden geregeld. Minder beperkende maatregelen om dit bereiken zijn niet voor handen. Conclusie Van toepassing op beperkingen die in het bestemmingsplan worden gesteld aan diensten. Voor Strandeiland zijn dat detailhandel en horeca. Uit het bovenstaande blijkt dat de beperkende bestemmingsplaneisen met betrekking tot detailhandel en horeca voldoen aan de in artikel 15, lid 3 van de dienstenrichtlijn gestelde voorwaarden wordt voldaan.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie NH2050 (2018)

Op 19 november 2018 heeft de Provincie Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' vastgesteld. Zoals de titel al doet vermoeden wil de Provincie met de Omgevingsvisie voor een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid zorgen zodat toekomstige generaties het welvaarts-en welzijnsniveau in Noord-Holland op een hoog niveau kunnen houden. Om een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving te kunnen borgen, hanteert de Provincie twee basisrandvoorwaarden die volgen uit Europese/Nationale regelgeving en gaan over gezondheid, veiligheid en klimaatadaptatie. Daarnaast gelden vier generieke ontwikkelprincipes. De basisvoorwaarden luiden als volgt: 1. Overal wordt voldaan aan de wettelijke basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plant en dier; 2. Alle nieuwe ruimtelijke (her)ontwikkelingen doorlopen een klimaatstresstest. waarbij de volgende ontwikkelprincipes worden gehanteerd: Gemeente Amsterdam

blz. 66

1. Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristiek en het draagvermogen van het landschap; 2. Nieuwe ontwikkelingen zijn zo veel mogelijk natuurinclusief; 3. Nieuwe ruimtelijk-economische ontwikkelingen worden zo veel mogelijk ruimtelijk geclusterd op locaties nabij OV-, weg-, energie en data-knooppunten; 4. Bij nieuwe ontwikkelingen worden de effecten op de ondergrond meegewogen. De Omgevingsvisie NH2050 kent ambities en doelstellingen op verschillende thema's: Leefomgeving a. Klimaatverandering: ontwikkelen en inrichten van een klimaatbestendig en waterrobuuste stad, land en infrastructuur; b. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond; c. Biodiversiteit en natuur: ambitie is om de biodiversiteit in Noord-Holland te vergroten. Gebruik van de leefomgeving a. Economische transitie: ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. We bieden daarom ruimte aan de ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. b. Wonen en Werken: ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn.

De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt. c. Mobiliteit: ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. d. Landschap: ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Energietransitie De provincie heeft ten slotte de ambitie dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en is gebaseerd op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie. Daarvoor biedt de provincie ruimte aan de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Rekening houdend met de ambities voor verstedelijking en landschap. De provincie monitoort de ontwikkeling van de energievraag, het aandeel duurzame energie en de hoogte van de CO2-uitstoot. Dynamisch schiereiland Om meer ontwikkelingen in en gebruik van alle kustgebieden, zoals het IJsselmeergebied, te kunnen opvangen, moet het systeem volgens de provincie ecologisch robuuster worden.

Het is wenselijk om hierbij verder te kijken dan de grenzen van natuurregimes die nu gelden. Ook de (natte) kustlandschappen aan de randen, in het IJsselmeergebied en de binnenduinrand, kunnen bijdragen aan het realiseren van deze opgave. Ecologische verbindingen in de kustgebieden van de grote wateren (land- en waterzijde) worden behouden en aangevuld. Naast deze verbindingen tussen de wateren en het land werkt de provincie aan de verbetering van de ecologische kwaliteit van de verbindingen tussen de grote wateren, zoals Markermeer, IJsselmeer en Waddenzee. Randvoorwaarden voor deze ambities zijn de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het IJsselmeergebied als strategische zoetwatervoorraad voor drinkwater, landbouw en andere functies. Kritische succesfactoren hiervoor zijn de extra inzet op KRW, de waterkwaliteit in relatie tot voedingsstoffen (beschikbaarheid van

bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (ontwerp)

blz. 67

waterplanten) en temperatuurstijging van het water, handhaving van de milieunormen, ook in de randgebieden en een slimme combinatie van functies, zoals natuurontwikkeling, waterveiligheid, waterberging, recreatie en landbouw. Metropool in ontwikkeling

Wereldwijd vindt verstedelijking plaats. In een aantal gevallen leidt dit tot de ontwikkeling van metropolen. In Noord-Holland ontwikkelt zich een metropool rond Amsterdam. Het gaat hier om een stedelijk systeem van grotere en kleinere kernen, met Amsterdam als hoogstedelijke kernstad, een landschap met hoge gebruiks- en belevingswaarde, (stads)landbouw, een multimodale bereikbaarheid, een havengebied met energietransitie en circulaire economie als dragers en Schiphol als internationale hub. De ontwikkeling komt tot uiting door een snel groeiend aantal inwoners, arbeidsplaatsen en bezoekers, leidend tot een tendens van clustering van economische functies. In het Noordzeekanaalgebied is er een concentratie van werkgelegenheid van direct en indirect aan de haven gerelateerde activiteiten. Daarnaast concentreren zich grote aantallen arbeidsplaatsen op een aantal locaties in een zone van de Amsterdamse binnenstad tot net ten zuiden van Schiphol. Daarbij is het wenselijk om, vanuit het beperken van woon-werkafstanden en daarbij horende mobiliteitsinvesteringen, nieuwe woningen zo dicht mogelijk bij de grote werkconcentraties te realiseren, waar mogelijk in gemengde woon-werkmilieus. De metropolitane ontwikkeling is goed voor de economie, welvaart en internationale concurrentiepositie van Nederland.

De metropool in ontwikkeling kenmerkt zich door een grote verscheidenheid aan steden, dorpen en deelregio’s, met specifieke identiteiten en kwaliteiten. Al deze kernen liggen in een grote diversiteit aan landschappen. Deze landschappen in en om de metropool zijn van groot belang als groene longen en vestigingsfactor. De kracht van de metropool zit hem in het feit dat kernen, regio’s en gebieden een sterke eigen identiteit behouden, terwijl het geheel in steeds sterkere mate als één dailyurban system functioneert. Binnen de metropool fnctioneert sinds 2007 het samenwerkingsverband Metropoolregio Amsterdam (MRA). De metropolitane ontwikkeling brengt grote opgaven met zich mee. Er ligt een zware druk op tal van kwaliteiten, zowel binnen de kernen als in de omringende landschappen. Het is zaak de basiskwaliteit voor gezondheid en veiligheid te behouden. En dat vergt inspanningen, in de wetenschap dat een metropool zonder hinder niet bestaat. Een zorgvuldig gebruik en verdeling van de schaarse ruimte is van belang. De provincie kiest voor het behouden van het metropolitane landschap, maar met toevoeging of verandering van functies. De provincie probeert daar milieuruimte voor bedrijvigheid te waarborgen, maar Gemeente Amsterdam

blz. 68

wel met duidelijke grenzen. In de drukker wordende metropool zijn het landschap en zijn gebruiksmogelijkheden van toenemend belang. Voor de leefbaarheid, maar ook om aantrekkelijk te blijven als vestigingsplaats. Om het landschap te sparen, kiest de provincie daarom primair voor verdichting van de bestaande kernen. Samen met enkele uitleglocaties, die al langere tijd op ons netvlies staan. Strandeiland is als onderdeel van IJburg fase 2 één van deze aangewezen uitleglocaties. De provincie stuurt daarbij niet alleen op kwantiteit, maar ook op kwaliteit (diversiteit qua woonmilieu, woningtype, -grootte en prijs) om de metropool in sociaal opzicht inclusief te houden. De Metropool moet ook in de toekomst een Metropool voor iedereen zijn. We verdichten op goed bereikbare plekken, zoals nabij knooppunten van openbaar vervoer. Met de ontwikkeling van de metropool wordt het versterken van het metropolitane landschap steeds belangrijker. Dit landschap kent gebieden als Laag Holland, Markermeer en IJmeer (het ‘waterpark’ van de metropool, in relatie tot ontwikkelingen als Markerwadden en Nationaal Park Nieuwland), Gooi en Vechtstreek, Amstelscheg en natuurlijk de kust. Recreatie, natuur en voedselproductie hebben hier een plek, waarbij het landschap soms in verschijningsvorm zal veranderen.

Het tegengaan van de bodemdaling in veenweidegebieden vormt eveneens een belangrijke reden voor verandering van het gebruik van het landschap. De samenhang tussen verstedelijkings-, mobiliteits-, (lucht)haven- en landschappelijke ontwikkelingen leidt tot een versterking van de agglomeratiekracht, die cruciaal is om de metropool in ontwikkeling ook naar de toekomst toe succesvol te laten zijn. Conclusie De ontwikkeling van Strandeiland leidt tot een versterking van de agglomeratiekracht, waarbij naar samenhang en balans tussen verstedelijking, het mobiliteitssysteem en landschappelijke ontwikkeling is gezocht. In de paragrafen 3.4.2, 7.2.1, Hoofdstuk 15 worden deze onderdelen toegelicht. Verder wil de Gemeente Amsterdam koploper zijn op het gebied van duurzaamheid. Het Amsterdamse duurzaamheidsbeleid voor gebiedsontwikkeling bestaat uit de volgende pijlers: duurzame energie, klimaatbestendige stad, circulaire economie en schone lucht. Deze pijlers zijn meegenomen in de ontwikkeling van een duurzaam Strandeiland. Al met al kan worden geconcludeerd dat aan de provinciale ambities en doelstellingen die uit de Omgevingsvisie voortvloeien, volop invulling wordt gegeven. In de navolgende paragrafen en hoofdstukken wordt nader ingegaan op verschillende milieu- en omgevingsaspecten en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 3.2.2

Omgevingsverordening NH2020

Op 22 oktober 2020 hebben Gedeputeerde Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie NH2050 (2018) zijn in de Omgevingsverordening Noord-Holland verankerd. De verordening vervangt daarmee alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. Volgens kaart 2 'Werkgebieden' wordt het plangebied van Strandeiland aangemerkt als 'MRA-gebied' (thema: energie), Natura 2000-bufferzone (thema: Natura 2000-gebieden) en voor een klein deel als 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'.

bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (ontwerp)

blz. 69

Uitsnede kaart Ontwerp Omgevingsverordening NH2020 Woningbouw en MRA-gebied Nieuwbouw in het landelijk gebied is onder de huidige regelgeving slechts onder zeer strenge voorwaarden mogelijk. De nieuwe omgevingsverordening geeft een verruiming in de mogelijkheden om te bouwen buiten het bestaand stedelijk gebied in Noord-Holland Noord. Kleinschalige woningbouw van elf woningen wordt door de nieuwe verordening mogelijk gemaakt aan de rand van kernen of linten binnen het landelijk gebied. De versoepeling voor kleinschalige woningbouwontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied geldt echter niet voor de Metropool Regio Amsterdam. De provincie wil binnen deze regio geen afname van het landelijk gebied en hanteert als uitgangspunt dat voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen altijd een plek is te vinden binnen bestaand stedelijk gebied. De nieuwe omgevingsverordening geeft meer ruimte voor windturbines binnen de MRA. Strandeiland maakt geen onderdeel uit van het door de provincie aangemerkte landelijke gebied. Wel wordt het plangebied aangeduid als 'MRA-gebied'. De omgevingsverordening bevat regels met het oog op het mogelijk maken van windturbines binnen de MRA vooruitlopend op de Regionale Energie Strategieën en met het oog op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van windturbines.

Volgens artikel 6.22 van de omgevingsverordening is het bouwen (of opschalen) van een of meer windturbines ter plaatse van het MRA-gebied niet toegestaan. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen windturbines mogelijk en voorziet hier ook niet in. Wel is in Artikel 33 Algemene afwijkingsregels een binnenplanse mogelijkheid opgenomen waarbij het college onder voorwaarden een overschrijding van de maximum bouwhoogtes ten behoeve van kleinschalige, gebouwgebonden windturbines kan toestaan. Natura 2000-bufferzone Op grond van artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming hebben provinciale staten de bevoegdheid om een verordening vast te stellen op grond waarvan het verbod om zonder vergunning handelingen te verrichten die de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen verslechteren, niet van toepassing is op aangewezen categorieën van handelingen.

Gemeente Amsterdam

blz. 70

De ontwikkeling van Strandeiland heeft te maken met een naast het plangebied aanwezig Natura 2000-gebied Merkermeer & IJmeer. In Hoofdstuk 15 Natuur en Landschap wordt de wijze waarop de beoogde ontwikkeling van Strandeiland invloed heeft op het beschermingsgebied omschreven. Tevens wordt in datzelfde hoofdstuk toegelicht hoe het beschermingsregime in het voorliggende bestemmingsplan is vormgegeven (bijvoorbeeld door vaarverboden en emissievrij varen). Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde UNESCO is de culturele organisatie van de Verenigde Naties. Het doel is om cultureel- en natuurlijk erfgoed van unieke en universele waarde beter te kunnen bewaren voor de toekomst. Het werelderfgoedverdrag is ondertekend door 193 lidstaten. Nederland heeft 10 van deze werelderfgoederen. De provincie Noord-Holland biedt met deze verordening bescherming aan: de Beemster, Stelling van Amsterdam en Nieuwe Hollandse Waterlinie. Een deel van het plangebied valt op grond van artikel 2.13.2, eerste lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in een gebied dat aangewezen wordt als erfgoed van uitzonderlijke universele waarde: De Stelling van Amsterdam.

Volgens artikel 6.44 van de omgevingsverordening geldt dat een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde regels moet bevatten gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Ook mag het plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde uitsluitend in nieuwe activiteiten voorzien die de kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid niet aantasten. Dit onder voorbehoud dat er sprake is van groot openbaar belang zoals een grootschalige stadsontwikkelingslocatie en onder de voorwaarde dat er geen reële alternatieven zijn en voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten te mitigeren of te compenseren. Gedeputeerde Staten kunnen hier nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie plaatsvindt. Ter bescherming van de Stelling van Amsterdam is de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie (dubbelbestemming) opgenomen.

Verder worden ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde de realisatie van windturbines en opstellingen voor zonne-energie uitgesloten, tenzij de gronden zijn bestemd voor of feitelijk in gebruik zijn als nutsvoorzieningen, weg-, spoor-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit. Conclusie Volgens de ontwerp-omgevingsverordening worden delen van Strandeiland aangewezen als 'erfgoed van uitzonderlijke universele waarde' - de Stelling van Amsterdam. Ter bescherming van het nabij gelegen Natura 2000-gebied en de Stelling van Amsterdam zijn in het voorliggende bestemmingsplan maatregelen getroffen (zie Hoofdstuk 15 Natuur en Landschap en Hoofdstuk 10 Cultuurhistorie en archeologie). Daarnaast zijn volgens de provinciale omgevingsverordening geen windturbines op Strandeiland toegestaan. Deze worden met het voorliggende bestemmingsplan ook niet mogelijk gemaakt. Kleinschalige gebouwgebonden windturbines zijn onder voorwaarden mogelijk. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de provinciale ontwerp-omgevingsverordening van Noord-Holland.

bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (ontwerp)

blz. 71

3.2.3

Provinciale ruimtelijke verordening Noord-Holland

Bovengenoemde structuurvisie is uitsluitend bindend voor de provincie zelf en niet voor gemeenten en burgers. Om de provinciale belangen, die in de structuurvisie zijn gedefinieerd, door te laten werken, heeft de provincie de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) opgesteld. Hierin wordt een aantal algemene regels vastgesteld omtrent de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen over onderwerpen in zowel het landelijk als het bestaand bebouwd gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. In de PRV is de doorwerking van de Structuurvisie Noord-Holland 2040 in bestemmingsplannen nader uitgewerkt. De Structuurvisie Noord-Holland 2040 is inmiddels vervangen door de Omgevingsvisie NH2050. Deze verordening is gelijktijdig met de structuurvisie vastgesteld en in werking getreden. In de verordening zijn verschillende regels opgenomen. Er zijn regels voor zowel het bestaand bebouwd gebied als het landelijk gebied, regels voor uitsluitend het bestaand bebouwd gebied en regels voor uitsluitend het landelijk gebied. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de PRV regelmatig aangepast. De laatste wijziging van de PRV is op 14 januari 2019 door Provinciale Staten vastgesteld. In deze wijziging zijn onder andere de artikelen met betrekking tot Kleinschalige ontwikkeling, Natuurnetwerk Nederland en Strandzonering aangepast.

De gewijzigde PRV is op 1 februari 2019 in werking getreden. De volgende regels uit de PRV zijn relevant voor dit plangebied: Artikel 5(b): Detailhandel; Artikel 33: Energie en duurzaam bouwen. Detailhandel In de PRV is aangegeven dat een bestemmingsplan niet in nieuwe detailhandel en kantorenlocaties op bedrijventerrein (al dan niet met uitzonderingen) mag voorzien. Strandeiland voorziet in 8.000 m² bruto vloeroppervlak detailhandel bij de entree van Strandeiland. Hierbij is rekening gehouden met de enigszins afgezonderde ligging van Strandeiland, het feit dat bewoners ook gebruik kunnen maken van de bestaande voorzieningen op Haveneiland, de grotere detailhandelsvestigingen in omliggende gemeenten en het feit dat de manier van winkelen de laatste jaren sterk is veranderd vanwege het groeiende aanbod aan webwinkels. Door deze laatste ontwikkeling is de behoefte aan fysieke winkels afgenomen. Strandeiland betreft geen bedrijventerrein. De beoogde detailhandel op Strandeiland is daarmee in lijn met jet provinciale beleid. Duurzame Energie De Provinciale Verordening schrijft voor bestemmingsplannen ten behoeve van woningbouw voor dat het plan dient te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energiebesparing en inzet van duurzame energie (bijv.

het gebruik van restwarmte, Warmte Koude Opslag en aardwarmte, zonne-energie, biomassa). Daarnaast dient elke nieuwe, stedelijke ontwikkeling aan de eisen van duurzaam bouwen te voldoen. In hoofdstuk Duurzaamheid wordt aangetoond dat aan de hierboven genoemde provinciale duurzaamheidsambities wordt voldaan. Conclusie De ontwikkeling van Strandeiland is in lijn met het provinciale beleid zoals vastgelegd in de provinciale ruimtelijke verordening Noord-Holland.

Gemeente Amsterdam

blz. 72

3.2.4

Watervisie 2021

Water is belangrijk voor ons land en de provincie. De belevingswaarde van het alom aanwezige water en de mogelijkheden die het biedt, het leven met en strijden tegen, dat is wat Noord-Holland uniek maakt. Vanuit dit vertrekpunt wil de provincie het waterbeleid Noord-Holland mooier, bedrijviger en veiliger maken dan het al is, op een haalbare en betaalbare manier. Het waterbeleid wordt daarom zo ingezet dat er een impuls vanuit gaat voor de leefomgevingskwaliteit en/of het vestigingsklimaat. Dat gebeurd stapsgewijs. Dat kan, omdat de meeste waterproblemen - de lopende dijkversterkingen uitgezonderd niet van vandaag op morgen opgelost hoeven te zijn. Waterproblemen worden aangepakt wanneer er toch al gebiedsontwikkeling plaats vindt. Uitgangspunt is het zoveel mogelijk meekoppelen met andere ontwikkelingen en dan samen verschillende problemen tegelijk aanpakken. Hiervoor is innovatie nodig, niet alleen technisch, ook procesmatig en organisatorisch. Als provincie die aan bijna alle kanten omgeven is door groot water en voor meer dan de helft onder NAP ligt, is Noord-Holland het ideale toepassingsgebied voor technische en procesinnovaties op gebied van kust- en dijkversterkingen, ruimtelijke adaptatie, zoetwatervoorziening en verbetering van de waterkwaliteit.

Dat is ook af te lezen aan de innovatieve projecten die de provincie nu al kent of in voorbereiding zijn: de pilot zoetwaterberging op Texel, de zandige versterkingen aan de Noordzeekust, de oeverdijk bij de Markermeerdijken, de duurzame energieprojecten op de Afsluitdijk. Noord-Holland is daarmee een waterinnovatietuin waar innovaties daadwerkelijk tot toepassing komen. De ambitie is om dit nog verder te versterken. De aanpak van meekoppelen volgt de provincie in het waterbeleid al langer, bijvoorbeeld door extra ruimtelijke kwaliteit toe te voegen bij dijkversterkingen of extra natuur bij waterbergingen, maar in de toekomst gaat het dus ook in omgekeerde richting, het water koppelt straks ook mee bij ruimtelijk-economische investeringen. Daarom zoekt de provincie met name de ruimtelijke transformatiegebieden op. Relevantie voor het plangebied Voor het plangebied geldt geen specifieke wateropgave. Met de waterbelangen wordt bij de planontwikkeling integraal rekening gehouden; zie ook Hoofdstuk Water en bodem. 3.2.5

Woonagenda 2020-2025

De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet. De provincie Noord-Holland wil dat er de komende jaren veel betaalbare en duurzame woningen beschikbaar komen. Zij gaat gemeenten met raad en daad helpen om de flinke ambitie op het gebied van wonen waar te maken. Dat staat in de definitieve Woonagenda die is vastgesteld door het college van Gedeputeerde Staten. Versnellen woningbouw Er bestaat momenteel een grote vraag naar woningen, en er zijn gelukkig ook veel plannen. Bij sommige woningen zijn alle planologische producties doorlopen en deze kunnen meteen gebouwd worden. In de praktijk moeten nog wel een of meer complicaties worden opgelost voordat er gebouwd bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (ontwerp)

blz. 73

kan worden. De provincie richt zich daarbij in eerste instantie op de plannen die zijn vastgelegd in een bestemmingsplan met een relatief grote bouwopgave. In tweede instantie kijkt de provincie naar plannen die nog moeten worden vastgelegd in een bestemmingsplan en, wat betreft productie. ook van betekenis zijn en die passen binnen landelijke en provinciale wet – en regelgeving. Samen met afzonderlijke gemeenten, Metropoolregio Amsterdam en Bouwend Nederland zet de provincie zich in om knelpunten weg te nemen en tot productie te komen via het uitvoeringsprogramma binnenstedelijk bouwen en versnellen woningbouw. Regionale afspraken wonen De provincie richt zich op bouwprojecten waar behoefte aan is. Vooral op de steden omdat daar de meeste mensen nu eenmaal graag wonen. Echter, de stad moet wel leefbaar en aantrekkelijk blijven, zodanig dat de ‘lucht niet uit de stad gehaald wordt’. Gemeenten maken regionale afspraken over woningbouw, die passen binnen de woningbehoefte en mogelijkheden. Er moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt wat de beste plek is om te gaan bouwen. Hierbij wordt onder andere ook rekening houden met bereikbaarheid, werkgelegenheid, gezondheid, waterberging, natuur, ruimte. Duurzaamheid De provincie wil dat woningen in 2050 energieneutraal zijn.

Om dat te bereiken stimuleert de provincie gemeenten om bij nieuwbouwwoningen af te stappen van aardgasverwarming en over te stappen op duurzame alternatieven. Noord-Hollandse gemeenten hebben hiervoor een intentieverklaring ondertekend. Relevantie voor het plangebied De provinciale woonvisie is nader uitgewerkt door de Stadsregio Amsterdam. Hierin is onderzocht hoe de woningmarkt zich ontwikkelt en tot en met 2025 behoefte aan is. In de gemeentelijke Woonagenda 2025 en Koers 2025 'Ruimte voor de stad' wordt nader hierop ingegaan. Met het hoogstedelijk woonmilieu voor Strandeiland met voldoende ruimte voor verschillende voorzieningen wordt aangesloten bij de doelstellingen van het provinciaal beleid. Het plan biedt ruime mogelijkheden voor het toepassen van maatregelen op het gebied van duurzaamheid. Door gefaseerd te ontwikkelen kan worden aangesloten bij de actuele vraag uit de markt, waarbij geldt dat ook de gebouwen duurzaam worden ontworpen. 3.2.6

Visie op waterrecreatie 2030

Watersport en waterrecreatie zijn belangrijk voor de economie in Noord-Holland. Met zoveel meren, plassen en natuurlijk de zee is er genoeg water om te zwemmen, roeien, surfen en zeilen. De provincie stimuleert de verdere ontwikkeling van waterrecreatie; als partner helpt de provincie ondernemers en gemeenten om kansen te benutten. De visie richt zich met name op de ambities en opgaven op een hoger (regionaal) schaalniveau. Deze worden thematisch en gebiedsgericht uitgewerkt, uitgaande van de huidige situatie. Goede verbindingen in het vaarnetwerk en het varen van rondjes zijn randvoorwaarden voor waterrecreatie. Een goed ontsloten routenetwerk is tevens aantrekkelijk voor kansrijke verbindingen tussen water- en landrecreatie. De thematische opgaven omvatten overkoepelende ambities en opgaven die in de hele provincie

Gemeente Amsterdam

blz. 74

Noord-Holland, dus in elk van de vier regio’s, spelen. De thema’s zijn: 1. Water is van ons allemaal; 2. Water doet de economie stromen; 3. Water verbindt. In de visie worden vier gebieden onderscheiden. Voor elk van deze gebieden zijn in de visie de ambitie, huidige situatie en de opgaven verwoord. Daarbij geldt de volgende essentie: Voor de Metropoolregio Amsterdam (MRA) liggen de belangrijkste ambities in het spreiden van waterrecreatie, het creëren van (veilige) verbindingen tussen vaargebieden en mogelijk een nieuwe vaarverbinding met het Markermeer. Verder is er de opgave om het aantal zwemwaterplekken uit te breiden. De deelgebieden binnen de MRA hebben daarbij elk hun eigen identiteit. Hier ziet de provincie kansen voor het ontwikkelen van recreatief personenvervoer over water en meekoppelkansen met integrale gebiedsontwikkelingen. Voor de Noordzeekust is zonering van de verschillende recreatievormen de grootste opgave in relatie tot de kustplaatsen, natuurgebieden en het achterland. De ontwikkeling van minimaal drie durfspots voor durfsporten, zoals bij de locaties Julianadorp/Huisduinen, IJmuiden/Wijk aan Zee en bij Zandvoort, geeft hier een belangrijke invulling aan. In Noord-Holland Noord zet de provincie in op het creëren van verbindingen in de verschillende netwerken. De provincie ziet met name kansen voor de sloepenmarkt.

Ook geldt een opgave om het aantal zwemplekken uit te breiden en heeft de regio potentie voor de hengelsport. Voor de Waddenzee en IJsselmeergebied is bij de ontwikkeling van nieuwe surf- en zwemlocaties, waaronder de durfspot ontwikkeling bij Hoorn en mogelijk IJburg, afstemming met natuurwaarden belangrijk. De provincie wil nieuwe oeverrecreatie mee koppelen met ontwikkelingen als de versterking van de Markermeerdijk. Voor vaarrecreatie in het Blauwe Hart willen wil de provincie de Hoornse Hop en het Gooi- en Eemmeer goed bevaarbaar houden. In het zuiden van het gebied ziet de provincie de noodzaak voor herontwikkeling van jachthavens. Relevantie voor het plangebied Voor het plangebied geldt geen specifieke wateropgave. Met de waterbelangen wordt bij de planontwikkeling integraal rekening gehouden, zie ook Hoofdstuk Water en bodem.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Metropoolregio Amsterdam

De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten gemeenten en provincie. Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. 3.3.2

Uitvoeringsstrategie PlaBeKa 2010-2040: Snoeien om te kunnen bloeien

3.3.2

Uitvoeringsstrategie PlaBeKa 2010-2040: Snoeien om te kunnen bloeien

bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (ontwerp)

blz. 75

De Metropoolregio Amsterdam (MRA) heeft een krachtige en dynamische economie. Deze is gebaseerd op een brede en diverse structuur, een sterke internationale oriëntatie en een goede naam en faam. Het is de ambitie om de komende jaren te blijven behoren tot de selecte groep van European Global Business Gateways en daarmee de economische motorfunctie van Nederland te blijven vervullen. Dit betreft een hoog ambitieniveau dat een forse inspanning van alle partijen vergt om dit te bereiken. Eén van de voorwaarden om dit te realiseren is een excellent vestigingsmilieu. Een dergelijk vestigingsmilieu bestaat uit veel elementen – waarvan voldoende beschikbaarheid van kwalitatief goede werklocaties een belangrijke is. Met deze strategie wordt voldaan aan de afspraak met het Rijk om het Convenant Bedrijventerreinen 2010-2020 regionaal uit te werken en te verankeren. Om te blijven behoren tot de top 5 van Europese metropoolregio’s is het van belang om een gezond evenwicht te creëren tussen vraag en aanbod van werklocaties. Het gaat daarbij niet alleen om de kwantiteit, maar vooral ook om de kwaliteit van werklocaties. Dit betekent een aanbod van voldoende, gedifferentieerde en toekomstbestendige werklocaties om aan alle uiteenlopende vestigingswensen van (potentiële) bedrijven tegemoet te komen.

Op deze wijze is de MRA in staat nieuwe werkgelegenheid aan te trekken en bestaande werkgelegenheid te behouden. De doelstelling van de Uitvoeringsstrategie voor werklocaties in de MRA is: “Het creëren van voldoende ruimte en kwaliteit van werklocaties (kantoren, bedrijventerreinen, zeehaventerreinen) voor een evenwichtige economische ontwikkeling om daarmee een bijdrage te leveren aan de versterking van de (internationale) concurrentiepositie van de Metropoolregio en het verbeteren van het regionale vestigingsklimaat voor het bedrijfsleven.” Monitoring en evaluatie Een goede monitoring van de nieuwe Platform Bedrijventerreinen en Kantorenlocaties (PlaBeKa-afspraken) is essentieel om te kunnen bepalen of alle partners hun afspraken nakomen, of de voorgestelde maatregelen werken en of het beleid het gewenste effect heeft. Door de monitor jaarlijks uit te voeren is bijsturing mogelijk van de ontwikkeling van bedrijventerreinen en kantorenlocaties aan de hand van marktontwikkelingen op regionaal niveau. Zo blijft een vraaggericht regionaal kantoren- en bedrijventerreinenbeleid gewaarborgd. Bovendien wordt ook duidelijk in hoeverre de ambities van een versnelling van de herstructurering van bedrijventerreinen en het transformeren van kantoren gehaald worden. Zacht-hard procedure Bij vaststelling van de Uitvoeringsstrategie is van alle plannen de hardheid bekend.

Plannen die niet in de Uitvoeringsstrategie zijn opgenomen, worden aangemerkt als 'zacht'. Plannen waarvoor een bestemmingsplan geldt, worden als 'hard' aangemerkt. Het omzetten van een ‘zacht’ naar een ‘hard’ plan is in alle gevallen onderwerp van regionale afstemming. Zo wordt een werkwijze gecreëerd waarmee expliciet een vinger aan de pols kan worden gehouden, opdat wordt voorkomen dat de vraag-aanbod-verhoudingen op deelregionaal of MRA-niveau onverantwoord (verder) uit evenwicht worden gebracht. Met deze procedure wordt bovendien de gemeentelijke autonomie gerespecteerd, terwijl tegelijkertijd het regionale belang in voldoende mate wordt geborgd. In praktische zin is gekozen om de daadwerkelijke afstemming te laten gebeuren voor plannen die groter zijn dan 10.000 m² BVO (kantoren) of 10 ha netto (bedrijventerrein). Procedure Voor het omzetten van zachte plannen in harde plannen, dient advies gevraagd te worden van Directeuren Overleg Platform Regionaal Economische Stimulering (DO PRES). Voor kleine plannen Gemeente Amsterdam

blz. 76

(<10.000 m² of <10 ha) hoeven gemeenten geen advies te vragen aan het DO PRES. In dat geval moet het DO PRES wel geïnformeerd worden. Relevantie voor het plangebied Volgens Uitvoeringsstrategie PlaBeKa 2010-2040: Snoeien om te kunnen bloeien is voor IJburg is tussen 2010 - 2040 een totaal van 40.000 m² bvo kantoorprogramma vastgelegd. Het voorliggende bestemmingsplan maakt werkfuncties in vorm van flexwerklocaties met collectieve voorzieningen mogelijk. Op Strandeiland is voor maximaal 10.000 m² aan kantoorruimte gereserveerd. Deze behoefte is door middel van Kantorenstrategie 2017 en Kantorenplan 2019 - 2026 aangetoond. Daarnaast biedt Strandeiland bedrijfsruimten met een overwegend lokale functie, zoals aannemers, schilders- en installatiebedrijven en kleinschalige bedrijfsruimte voor maken, onderhouden of opslaan een plaats. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt tevens het Warmte-energiegebouw, de WKO installatie en een travostation mogelijk gemaakt. Met het niet-woon programma wordt een bijdrage geleverd aan de economische structuur in de MRA. Conclusie Een advies van het Directeuren Overleg Platform Regionaal Economische Stimulering is gelet op de opvang (<10.000 m² bvo kantoren) derhalve niet vereist. Wel het platform over het voorliggende plan te worden geïnformeerd.

Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het voorliggende bestemmingsplan in lijn is met kantoorprogramma zoals vastgelegd in Uitvoeringsstrategie PlaBeKa 2010-2040: Snoeien om te kunnen bloeien. Tevens wordt met het beoogde niet-woon programma voor Strandeiland aan de doelstellingen van de Uitvoeringsstrategie voor werklocaties in de MRA voldaan. 3.3.3

Regionaal Actieprogramma Wonen 2016-2020 stadsregio Amsterdam

De provincie Noord-Holland heeft de gemeenten in de Stadsregio Amsterdam gevraagd gezamenlijk een Regionaal Actieprogramma Wonen (RAP) op te stellen voor de periode 2016 t/m 2020. Dit komt voort uit de provinciale Woonvisie uit 2010 waarin als doelstelling is opgenomen dat in 2020 de inwoners van Noord-Holland beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu. Voor de eerste RAP-periode 2011 t/m 2015 hebben alle regio’s een RAP opgesteld. Aandachtspunten die de provincie benoemd heeft voor het RAP 2016-2020 zijn: Vraaggestuurd bouwen (zowel kwalitatief als kwantitatief); Binnenstedelijk bouwen en transformeren'; Betaalbaarheid/Sociale woningbouw (huur en koop); Wonen, zorg, welzijn en voorzieningen; Duurzaam Bouwen; (collectieve) zelfbouw; Demografische prognoses en cijfers over de woningbouwbehoeften; Inzicht in potentiële locaties binnen bestaand stedelijk gebied (bsg); OV-knooppunten; Het RAP dient ‘ladderproof’ te zijn (Ladder voor Duurzame Verstedelijking). De bestuurders zien een belangrijke opgave voor de samenwerking, toegespitst op drie thema’s. De achtergrond hierbij wordt verder toegelicht in de Samenwerkingsagenda Regionale Woningmarkt. Het eerste thema is de woningbouwproductie.

Levert de optelsom van alle lokale plannen bij elkaar het gewenste beeld op voor de ontwikkeling van de woningmarkt in de Metropoolregio? Zowel kwantitatief als naar type woonmilieu. Vanuit het perspectief van een aantrekkelijke en diverse woningmarkt en om bij te dragen aan de economische concurrentiepositie van de Metropoolregio. Maar ook om tegemoet te komen aan de kwalitatieve woningvraag van huishoudens. Aanvullend daarop hebben de bestuurders al eerder uitgesproken dat zij ondanks de hoge marktdruk in de regio ook aandacht willen houden voor de

bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (ontwerp)

blz. 77

woningbehoefte van de lage en middeninkomens. Betaalbare Voorraad is daarom het tweede thema dat benoemd is als aandachtspunt voor de samenwerking. Tegelijkertijd constateren we dat de sociale huurwoningen, waarop de laagste inkomens aangewezen zijn, op dit moment een schaars goed zijn. In dat licht bespreken we met elkaar hoe we deze schaarse sociale huurwoningen willen verdelen. Woonruimteverdeling is het derde thema in de samenwerking. Voor de Stadsregio Amsterdam als totaal wordt de groei van de woningbehoefte in de periode 20152020 geraamd op circa. 45.000 woningen en voor de periode 2015-2025 op circa. 87.000 woningen. Dat komt neer op ruim 9.000 woningen per jaar. Relevantie voor het plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in maximaal 8.000 woningen en is daarmee in lijn met het regionale beleid. Met de realisatie van dit aantal woningen kan Strandeiland een aanzienlijke bijdrage leveren aan de woningbehoefte die voor de komende jaren geraamd is. 3.3.4

Stadsregio Amsterdam

De Stadsregio Amsterdam is een samenwerkingsverband van zestien gemeenten. De stadsregio werkt onder meer aan verbetering van de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de economische ontwikkeling en heeft in dat kader een aantal beleidsnota's opgesteld. 3.3.4.1 Detailhandelsbeleid Stadsregio Amsterdam De ambitie van de Stadsregio Amsterdam is om een dynamische en fijnmazige detailhandelsstructuur in de stadsregio Amsterdam te realiseren. Een belangrijk speerpunt van het regionaal detailhandelsbeleid is tot op heden altijd de keuze voor een fijnmazige detailhandelsstructuur geweest. Een fijnmazige detailhandelsstructuur zet de leefbaarheid centraal en gaat uit van de behoefte van inwoners om dichtbij huis -op aanvaardbare afstand- hun aankopen te kunnen doen. Behoud van een fijnmazige detailhandelsstructuur blijft een centraal uitgangspunt van het detailhandelsbeleid.

Dat impliceert dat afspraken nodig zijn die de huidige structuur in stand houden of verder versterken: vasthouden aan het op aanvaardbare afstand hebben van winkels in dagelijkse artikelen; vasthouden aan terughoudendheid ten aanzien van nieuwe (perifere) locaties waar (grootschalige) detailhandel is toegestaan; vasthouden aan terughoudendheid ten aanzien van brancheverruiming op bestaande perifere locaties; vasthouden aan het weren van foodretail of de verkoop van dagelijkse artikelen op bedrijventerreinen en perifere winkellocaties; versterking van bestaande winkelgebieden staat centraal; weidewinkels zijn niet toegestaan. Om deze ambitie te realiseren, zet de Stadsregio in op een aantal speerpunten: terughoudendheid in het toevoegen van nieuwe meters; meer ruimte voor kwaliteit; maatwerk op de perifere locaties; pro-actief acquisitiebeleid. Relevantie voor het plangebied Het voorliggende bestemmingsplan maakt 8.000 m² BVO detailhandel mogelijk. In paragraaf 3.4.5 wordt

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10726860/1