A- 14 Ruimtelijke Ordening (30) 2. Toelichting, regels, verbeelding bestemmi
Tekst van het document
Bestemmingsplan August Allebéplein Blok 6
Vastgesteld
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan August Allebéplein blok 6
Colofon
Opdrachtgever Opdrachtnemer
Ruimte en Duurzaamheid
IMRO_idn
NL.IMRO.0363.F1704BPSTD-VG01
Datum print
5 Februari 2021
Planstatus
vastgesteld
blz. 3
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
7 Inleiding
9
Aanleiding Crisis- en herstelwet Ligging plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer
9 9 9 10 11
Ontwikkelingen
13
Huidige situatie Stedenbouwkundige opzet Programma Aangrenzend gebied
13 15 16 17
Beleidskader
19
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
19 20 23 23
Haalbaarheid
27
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Bodem Milieuzonering Trillingen Geluid Waterparagraaf Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Luchtkwaliteit Luchthavenindelingsbesluit Hoogbouweffectrapportage Externe veiligheid Parkeren en ontsluiting Milieueffectrapportage
27 29 30 31 33 37 39 42 44 44 47 48 49
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
51
Algemeen Planvorm Artikelgewijze toelichting
51 51 51
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
55
Hoofdstuk 7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
57
Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro) Participatie
57 57
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4
5.1 5.2 5.3
7.1 7.2
bijlagen bij toelichting
59
Gemeente Amsterdam
blz. 4
Bijlage 1
Bodemonderzoek
61
Bijlage 2
Trillingsonderzoek
165
Bijlage 3
Geluidsonderzoek + aanvulling
189
Bijlage 4
hydrologisch onderzoek
265
Bijlage 5
Aeriusberekening
279
Bijlage 6
ecologisch onderzoek
289
Bijlage 7
archeologisch onderzoek
305
Bijlage 8
verklaring van geen bedenkingen LIB
325
Bijlage 9
windonderzoek
339
Bijlage 10
Aanvullend windonderzoek
347
Bijlage 11
Bezonningstudie
369
Bijlage 12
Parkeeradvies
379
Bijlage 13
Verkeersonderzoek
385
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Hoofdstuk 4
403 Inleidende regels
404
Begrippen Wijze van meten
404 413
Bestemmingsregels
415
Gemengd Verkeer - 1 Verkeer - 2 Wonen
415 416 417 418
Algemene regels
421
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
421 422 423 425 426
Overgangs- en slotregels
427
Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel
427 428
bijlagen bij regels
429
Bijlage 1
430
Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 5
Gemeente Amsterdam
blz. 6
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 7
Toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 8
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 9
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Amsterdam, en vooral het westelijke gedeelte van de stad, is in beweging. In de Ringzone West, tussen de A10 en de spoorinfrastructuur, is de inzet van gemeente Amsterdam om het gebied te verdichten en om meer woningen mogelijk te maken. Daarbij ziet de gemeente zich geconfronteerd met een grote woningbouwopgave de aankomende jaren. De ontwikkelingen rondom het August Allébeplein maken deel uit van bovenstaande ontwikkeling. De ontwikkelingen rondom het August Allébeplein wordt bloksgewijs opgepakt. De ontwikkeling vervat in dit bestemmingsplan betreft het mogelijk maken van woningbouw met gemengde plint in blok 6. In onderstaande afbeelding is de ligging van blok 6 ten opzichte van de andere blokken rondom August Allébeplein weergegeven.
Om de ontwikkeling van blok 6, bestaande uit maximaal 310 woningen en daarbij behorende voorzieningen, juridisch planologisch mogelijk te maken is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Het geeft aan op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden.
1.2
Crisis- en herstelwet
De Crisis- en herstelwet beoogt een versnelling in de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke projecten te bewerkstelligen, teneinde bij te dragen aan de bestrijding van de economische crisis. Hiertoe zijn tijdelijke wijzigingen in de ruimtelijke procedures (bijvoorbeeld het bestemmingsplan) van toepassing verklaard op verschillende soorten projecten. Zo zijn bijvoorbeeld de behandelingstermijnen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verkort. De projecten waarvoor dit geldt zijn opgenomen in bijlage I en II van de Crisis- en herstelwet. Onder meer woningbouwprojecten zijn opgenomen op de eergenoemde bijlagen. De ontwikkeling van blok 6 betreft in hoofdzaak een woningbouwontwikkeling en is als zodanig een Crisis- en herstelwetproject.
1.3
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen in het stadsdeel Nieuw - West in de wijk Overtoomse Veld. Het plangebied wordt in het zuiden begrensd door de Marius Bauerstraat, in het oosten door de Jan Tooropstraat, in het noorden de ventweg langs de Postjesweg en in het westen door de groenstrook langs het spoor. In onderstaande afbeelding is het plangebied van blok 6 aangeduid.
Gemeente Amsterdam
blz. 10
Begrenzing plangebied
1.4
Geldend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Overtoomse Veld'. Dit bestemmingsplan is op 30 mei 2012 onherroepelijk geworden. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Overtoomse Veld'.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 11
Fragment verbeelding bestemmingsplan Overtoomse Veld
In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Groen', 'Verkeer - 1', 'Wonen 2', 'Gemengd - 4' en 'Gemengd - 5'. Op basis van deze bestemmingen is de in bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling van blok 6 niet toegestaan. Onder meer komt een deel van nieuwe bebouwing te staan op gronden die nu de bestemming 'Verkeer' en 'Groen' kennen.
1.5
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling. De verbeelding en de regels vormen samen de bestemmingsplanregeling zoals deze door de gemeenteraad wordt vastgesteld. De toelichting geeft de achtergronden (relevant beleid, resultaten van uitgevoerde onderzoeken) bij de bestemmingsplanregeling. De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Hier wordt in het kort de inhoud van deze hoofdstukken beschreven. Na dit inleidende hoofdstuk worden de beoogde ontwikkelingen in hoofdstuk 2 beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 5 bevat vervolgens de juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 en 7 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Gemeente Amsterdam
blz. 12
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 13
Hoofdstuk 2 2.1
Ontwikkelingen
Huidige situatie
In de huidige situatie is binnen het plangebied sprake van een mix aan functies en bebouwing. Op de hoek van de Postjesweg en de Willem Roelofstraat staat de Postjeswegflat met in de plint voorzieningen in de vorm van een tankstation, een kringloopwinkel en een supermarkt en daarboven woningen.
Zicht op Postjeswegflat en tankstation
Achter de flat ligt een parkeerterrein en parkje met daarin speelvoorzieningen. Aan weerzijden van deze parkeerplaats is ook bebouwing aanwezig. Aan de Willem Roelofstraat 5 - 9 staat het gebouw, waar VLLA in gevestigd is. Het betreft een tijdelijke horecagelegenheid.
Gemeente Amsterdam
blz. 14
Zicht op parkeerterrein en gebouw VLLA
Aan de andere zijde wordt het parkeerterrein begrensd door de bebouwing aan de Jan Tooropstraat bestaande uit een winkels met bovenwoningen. Groen Het gebouw van VLLA staat in een groenstrook die deels tot het plangebied behoort. Deze groenstrook loopt van de Postjesweg tot aan de Marius Bauerstraat. Ter hoogte van de Marius Bauerstraat is aansluitend aan deze groenstrook een parkje.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 15
Zicht op parkje aan de Marius Bauerstraat
Verkeer Het plangebied wordt omringd door verschillende wegen, te weten de Postjesweg, de ventweg langs de Postjesweg, de Jan Tooropstraat en de Marius Bauerstraat. De Willem Roelofstraat doorsnijdt het plangebied en loopt van de Postjesweg via het parkeerterrein gelegen in het midden van het plangebied naar de Marius Bauerstraat.
2.2
Stedenbouwkundige opzet
Dit bestemmingsplan is gebaseerd op de 'Bouwenvelop Blok 6 August Allebéplein' die op 21 februari 2018 door het Algemeen Bestuur van stadsdeel Nieuw - West is vastgesteld. In deze bouwenvelop zijn de uitgangspunten en voorwaarden beschreven die de gemeente Amsterdam stelt aan blok 6 aan het August Allebéplein in Overtoomse Veld. Het stedenbouwkundig model voor blok 6 voorziet in een gesloten bouwblok. Dit woonblok krijgt aan de noord- en zuidzijde dezelfde rooilijn als de bestaande bebouwing aan de Postjesweg en de Marius Bauerstraat. Aan de westzijde wordt een gesloten wand langs het Spoorpark voorgeschreven. Hierdoor ontstaat aan alle zijden een duidelijk gedefinieerde wand langs de openbare ruimte. Het stedenbouwkundig model voor blok 6 bestaat uit twee plandelen (1 & 2) en bestaande bebouwing (3, 4 & 5) (zie afbeelding):
Gemeente Amsterdam
blz. 16
Plandelen Blok 6 (bron: Bouwenvelop Blok 6 August Allebéplein, 21 februari 2017)
Woontoren (plandeel 1): de torenlocatie aan de noordwesthoek van blok 6 wordt ontwikkeld door de woningcorporatie De Key. Dit plandeel bevindt zich op de hoek van de Postjesweg en het Spoorpark en is de entree richting het August Allebéplein en de aanliggende woonbuurt. De toren zal in de plint een open uitstraling krijgen en op de lagen hierboven ruimte bieden aan sociale huurwoningen. Aan de zuidzijde wordt ruimte voor een onderdoorgang naar de binnenstraat gemaakt. Woonblok (plandeel 2): een lager woonblok aan de Spoorpark- en aan de Marius Bauerstraat zijde, met binnenterrein. Aan de westzijde (tezamen met de toren) moet - op maaiveld - een doorgang voor langzaam verkeer gerealiseerd worden van het Spoorpark naar de het binnenterrein, zodat de achterzijde van de bestaande plint (plandeel 3) toegankelijk blijft. Het binnenterrein wordt grotendeels als tuin ingericht (1647 m2). Bestaande kavel Postjeswegflat (plandeel 3 en bestaande bebouwing (plandeel 5)): de bestaande bedrijfsruimte in de plint aan de Postjesweg (3) biedt ruimte aan bedrijven en voorzieningen. De Postjeswegflat (5) op deze kavel maakt geen deel uit van de woningbouwopgave voor Blok 6. Jan Tooropstraat (4): de twee laags bestaande bebouwing aan de oostzijde van het plangebied bestaat uit winkels en horeca op de begane grond met woningen op de eerste verdieping.
Deze winkelbebouwing is ingrijpend gerenoveerd. De toegang tot de achterzijde blijft voorzien via de binnenstraat. Deze bebouwing maakt op dit moment geen deel uit van de plannen voor Blok 6 en kan later eventueel ontwikkeld worden tot middelhoge woningbouw met winkels op de begane grond, zodat het bouwblok volledig afgesloten kan worden.
2.3
Programma
Nieuwbouw (woon)programma Om een gevarieerde mix van doelgroepen en woningtypologieën te realiseren op het August Allebéplein, is het volgende nieuwbouw programma voorzien:
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 17
Het woonprogramma betreft maximaal 22.000 m² bvo (exclusief kelders en inclusief parkeer- en bergruimtes in souterrain en mogelijke niet-woonfuncties op begane grond). Binnen dit volume is het mogelijk om maximaal 310 woningen te realiseren. Dit programma wordt onderverdeeld in twee bouwdelen: 1. Woontoren (1): een toren van maximaal 20 bouwlagen met sociale huurappartementen, circa 10.100 m² bvo (exclusief dakopbouw ten behoeve van installaties en mogelijke kelder). De woninggroottes variëren van 25 tot 50 m² gbo (gemiddelde grootte > 30 m² gbo). Het betreft starterswoningen. 2. Lagere woonblok (2): de lagere woonbebouwing aan het Spoorpark en de Marius Bauerstraat beslaat maximaal 7 bouwlagen. 11.900 m² bvo (exclusief eventuele souterrain of kelderlaag ten behoeve van parkeergarage, fietsstalling en bergruimte). Niet-woonprogramma Binnen het totale programma biedt Blok 6 op twee plekken de mogelijkheid om niet-woon functies te integreren. Deze functies komen aan de Postjesweg en de Marius Bauerstraat. Tevens zullen alle voorzieningen uitsluitend op de begane grond worden gerealiseerd. Op deze plekken kan een levendige plint de aansluiting met de omgeving maken en de routes richting de buurt versterken. Op de volgende locaties kunnen niet-woon functies worden gerealiseerd; 1.
Bestaande plint Postjesweg (circa 1.500 m²) Hier is ruimte voor maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, kantoren, bedrijven, detailhandel (maximum vestigingsgrootte 500 m²) en horeca (categorie 1 en 2). 2. Woonblok-plandeel 2 (max. 800 m²) Hier is ruimte voor maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, kantoren en bedrijven, Gedacht kan worden aan buurtwinkels of (gezamenlijke) werkruimtes. Het mogelijke niet-woon programma binnen plandeel 2 (facultatief programma), valt binnen het totale maximale metrage. Tevens zullen alle voorzieningen uitsluitend op de begane grond worden gerealiseerd. Aan de straatzijde zijn kleinere niet-woonfuncties of ruimtes voor aan huis gebonden beroepen mogelijk.
2.4
Aangrenzend gebied
Aangrenzend aan het plangebied wordt een deel van het Spoorpark Zuid gerealiseerd. Het park vormt een wandelroute van de woningen naar het station en de metrohaltes. In het park komt een nieuw gemaal, ter vervanging van het bestaande gemaal. Dit gemaal wordt groen ingepast, onder meer door toepassen van een sedumdak en geveltuintjes. Onderstaande afbeelding geeft het ontwerp van het park ter hoogte van het plangebied weer.
Gemeente Amsterdam
blz. 18
Af beelding: def initiev e ontwerp Spoorpark ter hoogte v an plangebied
Het park loopt verder door langs het hotel aan de Marius Bauerstraat en de schoolwerktuinen. De realisatie van het Spoorpark Zuid betekent dat de nu weinig aantrekkelijke en vaak voor publiek onbereikbare groenstrook lopend van de Postjesweg tot aan de Johan Jongkindstraat, wordt omgezet in een voor iedereen toegankelijk park met voldoende recreatie- en speelmogelijkheden.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 19
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 in werking getreden. In de structuurvisie is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur van Nederland; Het verbeteren, instand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. De versterking van de ruimtelijk-economische structuur richt zich voor een groot deel op de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports en greenports. Voor deze gebieden worden gebiedsgerichte programma's opgezet. Maar ook op andere fronten wordt gezocht naar een versterkte ruimtelijk-economische structuur, zoals een verbetering van het hoofdnetwerk voor een (duurzame) energievoorziening en ruimte voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via ondergrondse buisleidingen. Bereikbaarheid is een ander speerpunt van het Rijksbeleid. Daartoe dient onder meer een robuust hoofdnetwerk te worden gerealiseerd. Dit ziet op wegen, het spoor en vaarwegen. Daarbij zet het Rijk tevens in op het beter benutten van onze huidige infrastructuur. Een veilige leefomgeving blijft ook binnen het nieuwe beleid centraal staan.
Daartoe wil het Rijk het milieu verbeteren en ons beschermen tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's. Maar een veilige leefomgeving bestaat uit meer. Daarom richt het Rijk zich bijvoorbeeld ook op bescherming tegen overstromingen en behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten binnen ons land. In het ruimtelijk domein zullen beleid en uitvoering voor een nog groter deel dan voorheen de verantwoordelijkheid worden van provincies en gemeenten. Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in de Amvb Ruimte (Barro). Deze Algemene Maatregel van Bestuur (Amvb) is gericht op doorwerking van nationaal belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Toetsing Voorliggend bestemmingsplan geeft op onderdelen uitvoering aan het beleid (bijvoorbeeld het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving), en is voor het overige daarmee niet in strijd.
Gemeente Amsterdam
blz. 20
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro is op 22 augustus 2011 vastgesteld en op 30 december 2011 in werking getreden. Per 1 oktober 2012 is de 1e Aanvulling van het Barro in werking getreden. Het betreft een uitbreiding van onderwerpen waarop het Barro betrekking heeft en de aanpassing van enkele artikelen. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van onderwerpen van nationaal belang, zoals Rijksvaarwegen, kunstfundament, de Waddenzee, buisleidingen van nationaal belang en de Ecologische Hoofdstructuur. Toetsing De onderwerpen uit het Barro en de eerste aanvulling daarop zijn niet aan de orde in het voorliggende bestemmingsplan. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Met het Barro is per 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) op enkele onderdelen gewijzigd. Sinds dat moment is voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, in de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden, de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Doel van de ladder is zorgvuldig ruimtegebruik en het voorkomen van leegstand. Per 1 juli 2017 is wederom een wijziging van het Bro in werking getreden. De systematiek van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' is gewijzigd (artikel 3.1.6 Bro). Artikel 3.1.6, lid 2 Bro luidt per 1 juli 2017: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toetsing Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied. De ontwikkelingen zijn al voorzien in het oude bestemmingsplan 'Overtoomse Veld, onherroepelijk 30-05-2012'.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Structuurvisie Noord-Holland 2040
Op 21 juni 2010 is de structuurvisie Noord-Holland 2040 'Kwaliteit door veelzijdigheid' vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland. Na vaststelling is de structuurvisie verschillende keren gewijzigd. De meest recente actualisatie dateert uit september 2015. In de Structuurvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en aangegeven hoe zij deze visie denkt te realiseren. Uitgangspunt is dat Noord-Holland aantrekkelijk moet blijven: een diverse, internationaal concurrerende regio, in contact met het water en uitgaande van de kracht van het landschap. De provincie kiest daarbij voor hoogstedelijke milieus en beperkte uitleg van bedrijventerreinen en houdt het landelijk gebied open en dichtbij. Verder worden de waterkeringen versterkt en calamiteitenbergingen aangelegd om wateroverlast te voorkomen. Door het landelijk gebied te ontwikkelen vanuit de kenmerken van NoordHollandse landschappen en de bodemfysieke kwaliteiten blijft de provincie bijzonder en aantrekkelijk om
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 21
in te wonen, te werken en om te bezoeken. In de structuurvisie worden drie hoofdbelangen en twaalf ondergeschikte belangen benoemd: 1. Klimaatbestendigheid: voldoende bescherming tegen overstroming en wateroverlast, voldoende en schoon drink-,grond- en oppervlaktewater en voldoende ruimte voor het opwekken van duurzame energie; 2. Ruimtelijke kwaliteit: behoud en ontwikkeling van Noord-Hollandse cultuurlandschappen, natuurlandschappen en groen om de stad; 3. Duurzaam ruimtegebruik: milieukwaliteiten, behoud en ontwikkeling van verkeers- en vervoersnetwerken, voldoende en op de behoefte aansluitende huisvesting, voldoende en gedifferentieerde ruimte voor landbouw en visserij, economische activiteiten en voor recreatieve en toeristische voorzieningen. 3.2.2
Provinciale ruimtelijke verordening Noord-Holland
Tegelijk met de Structuurvisie is op 21 juni 2010 de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de PRV regelmatig aangepast. De laatste versie van de PRV is op 12 december 2016 vastgesteld en op 1 maart 2017 in werking getreden. Voor de doorwerking van het in de structuurvisie vastgelegde beleid naar gemeenten toe, heeft de provincie de beschikking gekregen over de zogenaamde provinciale verordening. Deze verordening is het aangewezen instrument als het gaat om algemene regels omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen. Wel zal hierin duidelijk het provinciaal belang naar voren moeten komen. Het uitgangspunt daarbij is dat de bevoegdheden ter doorwerking van het ruimtelijk beleid zoveel mogelijk proactief worden ingezet en het provinciale beleid daarbij zoveel mogelijk eenduidig wordt geregeld. Nieuwe stedelijke ontwikkeling Op grond van artikel 5a PRV wordt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt, tenzij die nieuwe stedelijke ontwikkeling in lijn is met regionaal gemaakte afspraken. In onderhavige geval is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat de woningen op grond van het geldende bestemmingsplan al zijn toegestaan.
De woningbouw is als zodanig ook als harde plancapaciteit opgenomen in de woningbouwmonitor van de provincie onder nr. 1162 - naam OVZ ~ Allebéplein e.o. 20 Ke-contour Het plangebied is gelegen binnen de zogenaamde 20 Ke-contour van Schiphol. De 20 Ke contour omsluit het gebied waarbinnen de geluidbelasting vanwege luchtverkeer 20 Ke en hoger is. Voor de gronden binnen de 20 Ke-contour kan volgens de PRV een bestemmingsplan alleen voorzien in nieuwe woningen voor zover deze zijn gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied. Binnen het plangebied is sprake van bestaand stedelijk gebied. Bovendien dient blijkens de PRV in de toelichting van een bestemmingsplan waarin nieuwe woningen op de gronden binnen de 20 Ke-contour mogelijk worden gemaakt, rekenschap gegeven te worden van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en worden de redenen vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen, alsmede de uitkomsten van het onderzoek naar de maatschappelijke haalbaarheid hieromtrent. In aanvulling op de PRV heeft de gemeenteraad van Amsterdam op 29 juni 2017 de beleidsregel 'Wonen en vliegen 20 Ke contour Schiphol' vastgesteld en bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan de volgende onderdelen bevat: a. een weergave en beschrijving van de exacte ligging van de woningbouwlocatie in het
Gemeente Amsterdam
blz. 22
beperkingengebied; b. een beschrijving van de huidige situatie op die woningbouwlocatie; c. een beschrijving van verwachte toekomstige ontwikkelingen die kunnen zorgen voor een verandering van de huidige situatie op de woningbouwlocatie; d. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de belangen die met de beoogde woningbouw zijn gemoeid, waaronder de actuele behoefte waarin de woningbouw voorziet; e. een slotconclusie over de bevindingen naar aanleiding van de onderwerpen bedoeld in a., b., c. en d. Hieronder wordt puntsgewijs ingegaan op deze vijf onderdelen: Ad a Locatie in het beperkingengebied Het plangebied ligt in het cluster van de Zwanenburgbaan. Het vliegverkeer boven dit cluster betreft voornamelijk startend en landend verkeer via de Zwanenburgbaan. Ad b Huidige situatie ten aanzien van geluid Voor de geluidproductie van Schiphol gelden normen die in het Luchthavenverkeersbesluit (LVB) zijn opgenomen. Deze geluidsnormen zijn gerelateerd aan de jaargemiddelde geluidbelasting per etmaal (Lden) en per nacht (Lnight). De geluidsbelastingen vanwege het luchtverkeer ter plaatse van het plangebied bedragen 50 dB(A) Lden en 39 dB(A) Lnight.
Op grond van de GES-methodiek is ter plaatse van het plangebied de milieugezondheidskwaliteit voor het equivalent geluidsniveau over een etmaal (Lden) matig te noemen en als het gaat om het geluid in de nachtperiode redelijk. Ad c Toekomstige situatie Het is mogelijk dat de geluidbelasting ter plaatse van de projectlocatie in de toekomst verandert. Enerzijds kan het luchtverkeer toenemen, anderzijds kunnen vliegroutes worden gewijzigd. Bovendien wordt een nieuw stelsel, het Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel (NNHS) ingevoerd waarmee de afgelopen jaren is geëxperimenteerd. De gevolgen van mogelijke toekomstige ontwikkelingen zijn op dit moment niet bekend. Ad d Veiligheid Binnen het plangebied is, vanwege de ligging binnen de 20 Ke-contour een verhoogde kans op een vliegtuigongeval met dodelijke slachtoffers op de grond. De kans op een vliegtuigongeval binnen het plangebied is echter zeer klein te noemen, de kans is kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar. Een kans van 1 op de 1 miljoen per jaar wordt in het algemeen (bij andere risicobronnen) als zo gering gezien dat het risico aanvaardbaar wordt geacht. Ad e Noodzaak woningbouw Binnen de gemeente Amsterdam bestaat een grote behoefte aan nieuwe woningen. Het tekort aan woningen zorgt voor stijgende prijzen waardoor de betaalbaarheid voor lagere en middeninkomens verder onder druk komt te staan.
Binnen het project wordt een grote hoeveelheid betaalbare woningen gerealiseerd. De gemeente Amsterdam heeft bij de realisatie van dergelijke woningen, gezien het tekort eraan, een groot belang. Conclusie Er wordt rekenschap gegeven van het feit dat nieuwe bewoners ter plaatse van het plangebied komen wonen in een omgeving die geluidsbelast is vanwege het luchtverkeer van en naar Schiphol en de milieugezondheidskwaliteit matig is. Het tekort aan betaalbare huurwoningen in de gemeente Amsterdam is echter dusdanig groot, dat woningen worden gerealiseerd in een gebied waar de milieugezondheidskwaliteit matig doch aanvaardvaar is.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 23
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Waterbeheerplan 2016 - 2021
Het Waterschap AGV verricht zijn taken in de stroomgebieden van de Amstel, de Vecht en in het Gooi. De beleidsvoorbereidende, uitvoerende en administratieve taken heeft AGV opgedragen aan de stichting Waternet. Medeopdrachtgever van Waternet is de gemeente Amsterdam, waarvoor Waternet de drinkwaterproductie en -distributie, het rioleringsbeheer, de (drijf) vuilverwijdering, het vaarwegbeheer en de grondwaterzorgtaak uitvoert. Het waterbeheerplan 2016 - 2021 gaat over de waterschapstaken van AGV, waarbij AGV wel steeds het oog houdt op de samenhang van deze taken met het geheel van waterketen- en watersysteemtaken, ofwel de watercyclus. De komende periode zet de AGV in op onder meer de volgende zaken. Waterveiligheid Insteek van het waterschap is een waterrobuuste inrichting van de omgeving. Hiertoe is 2021 80% van de primaire keringen getoetst aan de nieuwe veiligheidsnormen. Uiterlijk in 2020 zijn de in 2012 als onvoldoende beoordeelde grondlichamen van de regionale waterkeringen op orde. In 2024 zullen naast de grondlichamen ook de niet-waterkerende objecten (zoals huizen, kabels, leidingen) en de waterkerende kunstwerken (zoals sluizen) zijn getoetst. In 2030 zullen de regionale waterkeringen volledig op orde zijn.
Voldoende water Doel voor 2021 is dat er sprake is van een robuust watersysteem die de functies van gebieden faciliteren, en wateroverlast en watertekort voorkomen. In tijden van (extreme) neerslag en droogte zorgt het waterschap ervoor dat het watersysteem dit goed op kan vangen en dat het water aan- en afgevoerd wordt. Er is voldoende water beschikbaar voor vitale functies, nu en in de toekomst. Schoon water Het waterschap wil ervoor zorgen dat al het water in het beheergebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie: voor veeteelt en akkerbouw, als grondstof voor drinkwater, voor recreatie en visserij, als proceswater en voor de natuur. Doel is dat inwoners en bezoekers het water in het gebied ervaren als een verrijking van de omgeving. Van geen van de wateren mag de toestand achteruitgaan.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam'
Met de Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam' (17 februari 2011) legt Amsterdam zichzelf, inclusief de stadsdelen, regels op waar ruimtelijke plannen aan moeten voldoen. Amsterdam heeft zichzelf onder meer voor de opgave gesteld te verdichten en tegelijk het omliggende landschap open te houden. Dat leidt tot belangrijke uitgangspunten: het groen in en rond de stad vraagt om stevige bescherming, terwijl andere delen van de stad optimaal worden benut. Verdichting leidt ook tot (geleidelijke) transformatie en toenemende menging. Dat vergt veel van de bestaande infrastructuur en openbare ruimte. Respect voor de rijkdom aan cultuurhistorische schatten van Amsterdam is hierbij een belangrijke voorwaarde. De centrale ambitie van de Structuurvisie is dat Amsterdam zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt aan tal van mensen woon- en werkruimte. Het betekent extra draagvlak voor voorzieningen, extra investeringen in de openbare ruimte en in recreatief gebruik van water en groen en efficiënter omgaan met energie en vervoer, zodat buiten de stad minder landschap hoeft te worden aangetast. De
Gemeente Amsterdam
blz. 24
ambitie is om 70.000 woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen tot 2040, een intensiever gebruik van de haven en huidige bedrijventerreinen te realiseren en ruimte te maken voor waterberging. Toetsing De ontwikkeling van Blok 6 vindt plaats in bestaand stedelijk gebied en is een onderdeel van de stedelijke vernieuwing en past daarmee in de kaders van de Structuurvisie. De ontwikkelingen van Blok 6 zijn al voorzien in het geldend bestemmingsplan 'Overtoomse Veld'. 3.4.2 stad
Detailhandelsbeleid Amsterdam2018 - 2022: sterke winkelgebieden in een groeiende
In december 2017 heeft de gemeenteraad nieuw winkelbeleid vastgesteld. Amsterdam heeft hierin twee doelen: (1) boodschappen dichtbij en (2) meerdere aantrekkelijke winkelgebieden verspreid over de stad. De rol van horeca in winkelgebieden wordt steeds belangrijker vanwege de beleving en groeiende markt. Een positieve horecaontwikkeling versterkt het verblijfsklimaat in het gebied en kan een verlenging van de verblijfsduur van consumenten bevorderen. Voor aanloopstraten van wijkcentra, winkelgebieden met langdurige winkelleegstand of minder kansrijke winkelgebieden (meestal de kleinere centra of winkelstrips) geldt dat daar ruimte is voor functietransformatie. Dat biedt mogelijkheden voor het omzetten van winkels naar andere publieksgerichte commerciële functies zoals horeca, dienstverlening of maatschappelijk functies. Toetsing Het plangebied ligt in de stadszone. Een gebied met veel gezichten: hier doemen de grootste problemen op met leegstand en verloedering. Tegelijkertijd staat het dynamische gebied aan de vooravond van grootse ontwikkelingen met nieuwe woongebieden en verbeterde verbindingen. Het is zaak zowel voor de problemen als kansen ogen te hebben. Voor het aanbod van dagelijkse boodschappen kiezen we ervoor de structuur van kansrijke wijkcentra, de wat grotere winkelgebieden, te versterken.
Of er ruimte is voor winkels in gemengde ‘stadsstraten’, hangt af van de ligging ten opzichte van al bestaande winkelgebieden. Er zijn mogelijkheden voor nieuwe winkels in een potentiële stadsstraat bij voldoende verdichting, dus extra woningbouw. Voor detailhandel, niet zijnde een supermarkt, is ruimte in de potentiele stadstraat als deze detailhandel onderdeel is van een brede, gemengde bestemming. Deze verruiming is nodig om het hoogstedelijk milieu verantwoord door te geleiden in de stadszone. De plannen voorzien in de verdichting van het gebied en in het toevoegen van maximaal 310 woningen. De Marius Bauerstraat is ter hoogte van het plangebied een potentiele stadstraat. Toevoeging van detailhandel in de potentiele stadstraat is conform het detailhandelsbeleid, nu naast detailhandel ook andere vormen van gebruik, zoals maatschappelijke voorzieningen, lichte vormen van horeca (zoals een ijssalon of een broodjeszaak) en dienstverlening worden toegestaan.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 25
3.4.3
Koers 2025
Koers 2025 operationaliseert de gemeentelijke structuurvisie en de ambitie voor de bouw van 50.000 woningen in een ontwikkelstrategie voor de stad tot 2025. De strategie maakt het mogelijk om in de komende jaren van grof naar fijn beredeneerde keuzes te maken in de ontwikkeling van de stad. Dat is hard nodig, want de stad groeit. Het aantal inwoners en de bedrijvigheid neemt toe en ook het aantal bezoekers en toeristen groeit snel. Naast het accommoderen van groei wil Koers 2025 kwaliteit aan de stad toevoegen. De toenemende bedrijvigheid verandert snel van karakter. De kennisintensieve en creatieve economie vestigt zich bij voorkeur in het hart van de stad, tussen de bewoners en de uitgaansgelegenheden. De klassieke scheiding tussen wonen en bedrijvigheid is steeds minder makkelijk te maken. Steden staan voor een enorme duurzaamheidsopgave. Ook hier geldt dat gemengde stedelijke milieus, functioneel en qua bevolkingssamenstelling, het best in staat zijn aan deze ontwikkelingen ruimte te bieden. Toetsing In Koers 2025 worden verschillende gebieden (bouwstenen) aangewezen waarbinnen de woningbouwopgave van 50.000 woningen moet plaatsvinden. Het gebied waarbinnen blok 6 is gelegen is Ring West (bouwsteen 2). De woningbouw in blok 6 betreft een deel van de bestaande planvoorraad van 5200 nieuwe woningen in dit gebied in 2025.
Met het vaststellen van dit bestemmingsplan is verzekerd dat maximaal 310 nieuwe woningen van de 5200 nieuwe woningen in dit gebied gerealiseerd kunnen worden. Realisatie van de woningbouw op deze plek is daarmee in lijn met Koers 2025. 3.4.4
Woonagenda 2025
Op 19 juli 2017 is de Woonagenda 2025 vastgesteld door de gemeenteraad. De Woonagenda 2025 is een kaderstellend en richtinggevend document voor het woonbeleid tot 2025. Het heeft als doel het realiseren van voldoende, betaalbare en goede woningen. Het belangrijkste uitgangspunt van de Woonagenda 2025 is de focus op een woningbouwprogrammering van 40% gereguleerde huur, 40% middeldure huur en koop en 20% dure huur en koop. Toetsing De bouwenvelop van blok 6 voorziet in 310 woningen waarvan 61% in het sociale segment, 24% in het midden segment huur en 15% in het dure segment. Het plan voorziet daarmee ruim in het sociale segment. Het plan voldoet daarmee echter niet aan de woningbouwprogammering uit de Woonagenda 2025. Er is echter sprake van een van de uitzonderingsituaties die zijn opgenomen in het beleid. Met de percentages is namelijk eerder ingestemd door de gemeenteraad bij vaststelling van de gewijzigde grondexploitatie voor August Allébeplein op 27 juni 2018 (raadsbesluit met nr. 189/557). 3.4.5
Nota parkeernormen Auto
Op 8 juni 2017 is de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld door de gemeenteraad. In de Nota Parkeernormen Auto zijn parkeernormen voor auto's vastgesteld voor nieuwbouw en transformatieprojecten in de stad. De gemeente wil de stad bereikbaar en leefbaar houden met voldoende en aantrekkelijke openbare ruimte en meer ruimte voor de fietser en voetganger. Met de verwachte groei van de stad (woningen, kantoren etc.) is het noodzakelijk dat Amsterdam grenzen stelt aan het aantal geparkeerde auto's in de openbare ruimte. De nieuwe parkeernormering levert een bijdrage aan de regulering van het aantal geparkeerde auto's op straat. Bewoners van nieuwbouw krijgen geen parkeervergunning meer voor parkeren op straat, ongeacht de beschikbaarheid van parkeerplaatsen op eigen terrein. De nieuwe bewoners moeten dus Gemeente Amsterdam
blz. 26
het wel of niet beschikbaar zijn van een parkeerplaats op eigen terrein, meenemen in hun keuze voor een woning. Toetsing In de regels van het bestemmingsplan is verplichting opgenomen om in voldoende parkeerplaatsen te voorzien conform het geldende parkeerbeleid. Daarmee is geborgd dat de ontwikkelingen binnen plangebied niet leiden tot strijd met het parkeerbeleid. Voor een verder beschouwing van de nieuwe parkeersituatie en hoe die binnen plangebied wordt opgelost, wordt verwezen naar paragraaf 4.12. 3.4.6
Nota Parkeernormen Fiets en Scooter
De sterke groei van het fietsverkeer en het toenemende scootergebruik hebben geleid tot grote aantallen geparkeerde fietsen en scooters in de openbare ruimte. Met als gevolg een steeds groter ruimtebeslag op de openbare ruimte. Met de ‘Nota Parkeernormen Fiets en Scooter’ wordt bij nieuwe ontwikkelingen of herontwikkelingen voorkomen dat de parkeerbehoefte op de openbare ruimte wordt afgewenteld. In de nota zijn normen en richtlijnen uitgewerkt voor parkeervoorzieningen Voor niet-woonfuncties wordt het verplicht om voldoende en goede fietsparkeervoorzieningen te realiseren op eigen terrein. Bij nieuw te bouwen woningen is die verplichting voor fietsenparkeren vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. Voor niet-woonfuncties wordt de verplichting vastgelegd in een bestemmingsplan. Voor scooters zijn de normen niet verplicht. Toetsing In de regels van het bestemmingsplan is verplichting opgenomen om in voldoende stallingsruimte voor fietsen te voorzien conform het geldende parkeerbeleid. Daarmee is geborgd dat de ontwikkelingen binnen plangebied niet leiden tot strijdigheid met het beleid.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 27
Hoofdstuk 4
Haalbaarheid
De uitvoerbaarheid van een ruimtelijke onderbouwing moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1
Bodem
4.1.1
Algemeen
Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Bouwbesluit is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. 4.1.2
Beleid en regelgeving
Wet bodembescherming De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: 1. Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht; 2. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land. Nota bodembeheer De gemeenteraad heeft op 4 april 2012 de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam vastgesteld. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebiedsspecifieke beleid. Dat is met genoemde nota voor Amsterdam ingevuld. Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de
Gemeente Amsterdam
blz. 28
bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert. Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Voor elke stof is de gekozen lokale maximale waarde afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebiedsspecifieke kader kan een op de functie gerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is. Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico’s en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders. De Amsterdamse maximale waarden gelden niet voor de naoorlogse wijken van Amsterdam en het havengebied Westpoort. De grond in dit gebied (bijna 50% van Amsterdam) is schoon en geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Uit het oogpunt van efficiency en eenduidigheid in onderhoud en beheer is één bodemkwaliteitskaart opgesteld voor heel Amsterdam (bestaande uit meerdere deelkaarten). De kaart vormt de technisch inhoudelijke onderbouwing voor het nieuwe Amsterdamse bodembeleid.
Resultaten onderzoek In opdracht van gemeente Amsterdam, Stadsdeel Nieuw - West heeft BK Ingenieurs B.V. (BK) in september 2017 een verkennend bodem- en asbest-in-grondonderzoek uitgevoerd op de locatie August Allebéplein blok 6 te Amsterdam. Het onderzoek is als bijlage 1 bijgevoegd. Met het bodemonderzoek is de huidige bodemkwaliteit vastgelegd. Er zijn binnen het plangebied licht verhoogde gehalten barium en nikkel in het grondwater gemeten. In de grond (0,0 – 3,5 meter) zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Het grondwater in het noordelijk deel van het plangebied is blijkens het onderzoek licht verontreinigd met xylenen en naftaleen. Deze verhoogde gehalten zijn te relateren aan de verontreinigingen van grond en grondwater onder het pand aan de Postjesweg 527. Op de locatie is geen asbest aangetroffen en in de onderzochte grond is analytisch geen asbest aangetoond. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek is blijkens het onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, Er zijn dan ook geen onaanvaardbare risico’s bij het huidige, dan wel toekomstige gebruik. De bodemgesteldheid binnen het plangebied levert geen belemmering op voor de voorgestane ontwikkeling.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 29
4.2
Milieuzonering
4.2.1
Algemeen
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. Indien nieuwe milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen of scholen, mogelijk worden gemaakt in de nabijheid van bestaande bedrijven dan dient de geluidsruimte die het bedrijf heeft op basis van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), of zoals vastgelegd in de omgevingsvergunning, te worden gerespecteerd. Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is. Hierbij kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' editie 2009 gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies.
De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). 4.2.2
Toetsing plangebied
Functiemenging binnen plangebied Om levendigheid in de buurt te creëren wordt het wenselijk geacht ook in beperkte mate functiemenging in het plangebied toe te staan. Daartoe worden in de regels van dit bestemmingsplan in de plint van de woontoren aan de Postjesweg andere functies dan wonen, toegestaan. Het betreft onder meer lichte vormen van horeca en lichte vormen van bedrijvigheid. Hiernaast worden in de plint van het nieuwe woongebouw aangrenzend aan de Marius Bauerstraat functiemenging nagestreefd. Hier wordt gedacht aan maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, kantoren en bedrijven. Functiemenging met de lichte vormen van bedrijvigheid is mogelijk omdat in dit bestemmingsplan wordt uitgegaan van het omgevingstype "gemengd gebied". Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging, waar direct naast wonen ook andere functies voorkomen zoals horeca en kleine bedrijven. Overlastgevende functie in nabijheid plangebied In het plangebied zit een tweetal overlastgevende functies, die niet of lastig te combineren zijn met de woonfunctie die het gebied krijgt. Het betreft het tankstation aan de Postjesweg en de bar/nachtclub VLLA aan de Willem Roelofstraat 5-7. Deze functies worden in dit bestemmingsplan niet meegenomen. Ook wordt geen ruimte geboden binnen plangebied om deze functies te herhuisvesten.
Voor het overige zitten in het plangebied en de directe omgeving functies die passend zijn in een gemengd gebied. Het betreft een aantal winkels en lichte vormen van horeca.
Gemeente Amsterdam
blz. 30
4.2.3
Conclusie
De overlastgevende functies binnen plangebied worden niet meegenomen in het bestemmingsplan en er is verzekerd dat deze functies binnen planperiode zullen verdwijnen. De functies leveren dan ook geen beperking op voor de ontwikkeling van het plangebied tot hoofdzakelijk woongebied. Ook de functies in de omgeving van het plangebied leveren verder geen beperkingen op. Het betreft hier namelijk functies, zoals winkels en lichte vormen van horeca, die passen binnen het gemengde karakter van het gebied.
4.3
Trillingen
4.3.1
Beleid en regelgeving
In Nederland bestaat geen wetgeving tert voorkoming van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. SBR - richtlijn Een belangrijk en voor veel situaties te gebruiken hulpmiddel is de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen: Deel A, Schade aan gebouwen; Deel B, Hinder voor personen in gebouwen; Deel C, Storing aan apparatuur. De richtlijnen hebben alleen betrekking op trillingen die van buiten het te beoordelen gebouw komen. Dat houdt in dat het gaat om trillingen die via de ondergrond en de funderingen het gebouw bereiken. Dat is ook het beoordelingscriterium voor deel A (schade aan gebouwen). Bij deel B (hinder voor personen in gebouwen) worden de trillingen gemeten op vloeren, omdat daar de hinder optreedt. Beoordeling trillingshinder Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximale trillingsniveau en het gemiddeld trillingsniveau.
Dit is vergelijkbaar met het maximale geluidsniveau en het langtijdgemiddeld geluidsniveau bij de beoordeling van geluid. Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (wonen, onderwijs e.d.) staan in de richtlijn grens- en streefwaarden met een onderscheid tussen maximaal optredende trillingsniveaus en gemiddelde trillingsniveaus. Overschrijding van de streefwaarden leidt tot een reële kans op hinder. 4.3.2
Toetsing plangebied
In verband met de ligging van het plangebied in de nabijheid van een metro- en spoorlijn is trillingsonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau AV-consulting. Dit onderzoek is als Bijlage 2 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Bij het trillingsonderzoek is gebruik gemaakt van de SBR-richtlijn, deel B hinder voor personen in gebouw. Er zijn door het onderzoeksbureau trillingsmetingen uitgevoerd op de gevel van het bestaande gebouw aan de Willem Roelofsstraat 5 - 7. De gevel van deze constructie ligt vrijwel in dezelfde positie als de gevel van het nieuwe woongebouw. De meetwaarden zijn vervolgens getoetst aan de streefwaardes opgenomen in de SBR-richtlijn. Uit het onderzoek blijkt dat aan die streefwaarden zowel in dag- als nachtperiode kan worden voldaan.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 31
4.3.3
Conclusie
Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat in de toekomstige nieuwbouw weinig tot geen trillingshinder zal optreden vanwege het railverkeer. Mogelijke trillingshinder vormt dus geen belemmering voor het realiseren van de woningen.
4.4
Geluid
4.4.1
Beleid en regelgeving
Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie. Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de onderzoekszone van een verkeersweg, een spoorweg, of een gezoneerd industrieterrein valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen) binnen die geluidszone. Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarden genoemd in de Wgh, of indien een besluit is genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen te worden onderzocht om de geluidbelasting terug te dringen. Voor wegen die deel uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet hoeft te worden uitgevoerd op grond van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het in sommige gevallen, zoals bij drukke 30 km wegen, toch nodig zisjn om de akoestische situatie in kaart te brengen, om te beoordelen of het een goede locatie is voor een geluidgevoelige functie. 4.4.2
Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams beleid
Op 12 juli 2016 heeft het college van B&W het nieuwe Amsterdams Geluidbeleid voor hogere (grens)waarde vastgesteld. De aanleiding voor het vaststellen van dit nieuwe beleid, is dat uitvoeringsafspraken niet altijd voldoende duidelijk waren zodat er discussie kon ontstaan over de interpretatie van regelgeving. Daarnaast bood het beleid niet (expliciet) de mogelijkheid om rekening te houden met situaties die niet strikt in het beleid passen maar wel zouden kunnen voldoen aan de doelstelling van het beleid, namelijk het realiseren van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit heeft ertoe geleid dat het bestuur meermalen bij individuele gevallen afweek van het beleid en de in de bouwbrieven neergelegde interpretatie van geluidregelgeving. De knelpunten zijn geïnventariseerd en uit de analyse van de knelpunten bleek duidelijk dat het merendeel samenhangt met de vraag welk doel met het beleid wordt nagestreefd. Voorliggend beleidsdocument voegt het Amsterdams beleid 'Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder', en de verschillende uitvoeringsregels en –afspraken samen en vervangt deze stukken. Het Amsterdams geluidbeleid 2019 maakt het geluidbeleid kenbaar, beschrijft het doel van het beleid en geeft de mogelijkheid rekening te houden met nieuwe situaties en nieuwe maatregelen.
Het voornoemde geluidsbeleid verschilt niet principieel van het voorafgaande Amsterdamse beleid. De essentie dat woningen waarvoor een besluit hogere waarde wordt vastgesteld in principe een stille zijde moeten hebben is gehandhaafd. Wanneer van dat uitgangspunt wordt afgeweken, wordt in het besluit hogere waarde een motivatie opgenomen. Hoe groter de overschrijding, hoe uitgebreider de motivatie. Woningen met een dove gevel dienen volgens het beleid altijd een stille zijde te krijgen, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen zoals tijdelijke situaties. Indien vliesgevels worden toegepast, worden eisen gesteld aan de handhaving van de buitenluchtkwaliteit, zoals opgenomen in Bouwbrief 2005-15 van de
Gemeente Amsterdam
blz. 32
gemeente Amsterdam. Bij de vaststelling van een besluit hogere waarde wordt rekening gehouden met de samenloop (cumulatie) van de geluidbelasting van verschillende bronnen. Het beleid geeft aan dat er sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan hoogste van de maximaal toelaatbare geluidsbelasting. 4.4.3
Resultaten onderzoeken
De binnen het plangebied te realiseren woningen liggen binnen de geluidszone van de Postjesweg, de Jan Tooropstraat, de A10, het spoortracé Amsterdam Centraal – Schiphol en het metrospoor Amsterdam Postjesweg – Amsterdam Lelylaan. Vanwege die ligging is geluidsonderzoek noodzakelijk. Aan DPA Cauberg Huijgens B.V. is verzocht om geluidsonderzoek te doen. Hieronder volgt een korte samenvatting van de resultaten van dit onderzoek (zie bijlage 3). Wegverk eerslawaai Uit het uitgevoerde akoestische onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer van de Postjesweg maximaal 52 dB Lden bedraagt op de gevel van te realiseren woontoren die gekeerd is naar de Postjesweg. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 Lden wordt niet overschreden. Het is noodzakelijk om een zogenaamde hogere waarden vast te stellen. De geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Jan Tooropstraat en de A10 bedraagt op de te realiseren woongebouwen niet meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het is niet noodzakelijk om voor de geluidsbelasting van deze wegen een zogenaamde hogere waarden vast te stellen. Railverkeer en metro De geluidbelasting van de woningen ten gevolge van railverkeer op de spoorlijn Amsterdam Centraal Schiphol bedraagt maximaal 64 dB Lden. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB Lden wordt overschreden.
De maximale ontheffingswaarde van 68 dB Lden wordt niet overschreden. Het is noodzakelijk om een zogenaamde hogere waarden vast te stellen. De geluidbelasting van de te realiseren woningen ten gevolge van metrolijn 50 bedraagt maximaal 62 dB Lden. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB Lden wordt niet overschreden. Het is noodzakelijk om een zogenaamde hogere waarden vast te stellen. Toetsing aan geluidbeleid Stille zijde Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat bij het merendeel van de woningen een stille zijde mogelijk is en voor een deel van de woningen deze gemaakt moet worden. Dat kan bijvoorbeeld door het realiseren van een loggia of een balkon met borstwering. Om te verzekeren dat alle woningen een stille zijde kennen is in de regels hiertoe een verplichting opgenomen. Gecumuleerde geluidsbelasting De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 63 dB. De in het gemeentelijk geluidbeleid gestelde grenswaarde (hier: 63+3=66 dB) wordt nergens overschreden. De gecumuleerde geluidsbelasting voldoet daarmee aan het geluidsbeleid. Conclusie Met het afgeven van hogere waarden en het verplichten in de regels dat woningen met een stille zijde moeten worden uitgevoerd, wordt voldaan aan de Wet geluidhinder en het geluidbeleid van gemeente Amsterdam.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 33
4.5
Waterparagraaf
4.5.1
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf geft inzicht in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.
ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem.
De waterparagraaf geeft ook een weergave van de watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur. Het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht is water(kwaliteit- en kwantiteit)beheerder van de Amstel. Het nautisch beheer ligt deels bij de Dienst Binnenwaterbeheer van de Gemeente Amsterdam. Het stadsdeel Nieuw - West is verantwoordelijk voor het beheer van water als openbare ruimte; het stadsdeel verleent de vergunningen voor het afmeren van (woon)schepen en het aanleggen van steigers. Hierna worden de verschillende waterhuishoudkundige aspecten in beschouwing genomen. 4.5.2
Beleid en regelgeving
Waterbeheerplan 2016 - 2021 Waterbewust en waterrobuust Het Waterschap AGV verricht zijn taken in de stroomgebieden van de Amstel, de Vecht en in het Gooi. De beleidsvoorbereidende, uitvoerende en administratieve taken heeft AGV opgedragen aan de stichting Waternet. Medeopdrachtgever van Waternet is de gemeente Amsterdam, waarvoor Waternet de drinkwaterproductie en -distributie, het rioleringsbeheer, de (drijf) vuilverwijdering, het vaarwegbeheer en de grondwaterzorgtaak uitvoert. Het waterbeheerplan 2016 - 2021 gaat over de waterschapstaken van AGV, waarbij AGV wel steeds het oog houdt op de samenhang van deze taken met het geheel van waterketen- en watersysteemtaken, ofwel de watercyclus. De komende periode zet de AGV in op onder meer de volgende zaken. Waterveiligheid Insteek van het waterschap is een waterrobuuste inrichting van de omgeving. Hiertoe is 2021 80% van de primaire keringen getoetst aan de nieuwe veiligheidsnormen. Uiterlijk in 2020 zijn de in 2012 als onvoldoende beoordeelde grondlichamen van de regionale waterkeringen op orde. In 2024 zullen naast de grondlichamen ook de niet-waterkerende objecten (zoals huizen, kabels, leidingen) en de waterkerende kunstwerken (zoals sluizen) zijn getoetst. In 2030 zullen de regionale waterkeringen volledig op orde zijn.