A - 14 Ruimtelijke Ordening (22) 10. Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Ten
Tekst van het document
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 83
Tennispark. Aandachtspunten zijn dat een verhardingstoename wel vergunningsplichtig blijft. Daarnaast benadrukt Waternet dat indien voor de nieuwbouw een hemelwaterberging met hergebruikssysteem wordt aangelegd, 90 mm/m2 bebouwd oppervlak moet worden geborgen. Oppervlaktewater Binnen het plangebied wordt ca. 441 m2 extra oppervlaktewater gegraven. Dit wordt aangelegd in de vorm van verbreding van de zuidelijke watergang langs de Jan Evertsenstraat. De verbreding wordt aangelegd ten zuiden van het busstation. De bestaande watergang wordt uitgebreid naar de noordzijde (N.B.: buiten het plangebied van Tennispark), zie onderstaande figuur. Dit nieuwe wateroppervlakte wordt initieel ingezet worden om de verhardingstoename in het plangebied Tennispark te compenseren. Dit nieuwe oppervlaktewater is nog niet ingezet ter compensatie in andere ontwikkelgebieden. Voor een toename van verharding en het graven van watergangen is een watervergunning nodig. Het eventuele overschot aan gegraven oppervlaktewater kan, na compensatie voor Tennispark, worden ingezet voor de ontwikkeling van andere gebieden ten noorden van de Jan Evertsenstraat.
Locatie v an nieuw te grav en opperv laktewater
Waterkwaliteit
Gemeente Amsterdam
blz. 84
De huidige waterkwaliteit mag niet verslechteren door de ontwikkelingen. Zoals eerder beschreven wordt het nieuwe oppervlaktewater aangelegd ten zuiden van het busstation door middel van een verbreding naar het noorden. Na uitbreiding van de watergang wordt aan de noordzijde wederom een talud aangebracht, waar mogelijk wordt dit een natuurvriendelijke oever. Waterschap AGV heeft hierover advies gegeven. Ten zuiden van het Tennispark wordt de noordelijke oever vervangen door een kademuur (waterdoorlatend). Waternet geeft aan dat werkzaamheden in de beschermingszone van de primaire watergang (5 m breed vanaf de insteek van de oever) vergunningsplichtig is. De aanleg van de kade valt daar ook onder. Geadviseerd wordt vooroverleg met de vergunningverlener van Waternet te hebben. De zuidelijke oever ten zuiden van het Tennispark is aangemerkt als natuurvriendelijke oever. Hier worden geen veranderingen aangebracht. Daarnaast is de Sloterplas een KRW-waterlichaam waar een hoge fosfaatbelasting aanwezig is. De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de fosfaatbelasting van de Sloterplas. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om de waterkwaliteit te verbeteren. Grondwater In het rapport ‘Grondwatertoets Jan Evertsenstraat’ is eerder al gekeken naar het grondwatersysteem nabij de Jan Evertsenstraat.13 Hierin is een eerste configuratie kelders doorgerekend. a.
Uitgangspunten Belangrijke uitgangspunten zijn: Ca. 70% van het plangebied verhard wordt. Hierbij is uitgegaan van het plangebied minus het oppervlak van oppervlaktewater om een goede inschatting ter plaatse van de bebouwing te gebruiken. Geen actieve infiltratie plaatsvindt op de kavels. De nieuwe kelders zijn meegenomen als grondwaterneutraal, conform het paraplubestemmingsplan. Indien de huidige kades of oevers worden vervangen is het belangrijk dat een waterdoorlatende oever- of kadeconstructie wordt aangebracht. Dit is een voorwaarde om een werkend grondwatersysteem te hebben. Voor de langere termijn is klimaatscenario WH2085 meegenomen. Overige uitgangspunten zijn beschreven in de Grondwatertoets.
b. Barrièrewerking Voor bestaande gebieden geldt dat er geen verslechtering van de grondwaterstandsituatie mag optreden. De regels voor grondwaterneutraal bouwen zijn ook vastgelegd in het bovengenoemde paraplubestemmingsplan "Grondwaterneutrale kelders". Indien ter plaatse van het Tennispark Sloterplas een kelder tot een oppervlak van 300 m2 wordt aangelegd geldt dat, conform het afwegingskader een vaste kD (doorlaatvermogen) van 10 m2/dag wordt geëist. Dit houdt in dat kelderbouw tot 300 m2 is toegestaan indien dit doorlaatvermogen van de bodem wordt aangebracht. Maatregelen moeten worden genomen op eigen kavel. Bij kelders groter dan 300 m2 geldt maatwerk. De bouwplannen worden getoetst door Waternet. Hierbij geldt dat grondwater op eigen terrein moet kunnen blijven stromen en de grondwaterstand ongewijzigd blijft. Dit dient aangetoond te worden met een geohydrologisch rapport. In dit gebied geldt voor de kelders maatwerk. Uit de grondwatertoets is gebleken dat de aanleg van ondergrondse werken binnen het gebied een bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 85
duidelijk negatief effect heeft op de grondwaterstand door barrierewerking. Langgerekte kelders in noord-zuidrichting in dit gebied blokkeren de zuidwestelijk gerichte grondwaterstroming. Om negatieve grondwatereffecten te voorkomen dient de ondergrondse constructie te worden gecombineerd met maatregelen onder en/of naast de kelder om grondwaterstroming mogelijk te maken (grondwaterneutraal bouwen). De grondverbetering wordt ook geadviseerd indien direct op het huidige maaiveld wordt gebouwd. c. Maaiveld en vloerpeilen Het plangebied Tennispark is doorgerekend met een grondwatermodel, zie onderstaande figuur.
Grondwaterstanden in pieksituatie (GHG) in m NAP: Links: kortere termijn toekomstscenario Tennispark met grondwaterneutrale kelders en zonder klimaatv erandering. Rechts: Lange termijn toekomstscenario Tennispark met grondwaterneutrale kelders en Klimaatscenario2085
De geadviseerde maaiveldhoogtes in onderstaande figuur zijn de minimale benodigde hoogtes om op de lange termijn 90 cm ontwatering te behouden in pieksituatie. Hierbij is rekening gehouden met klimaatverandering. Aan de noordzijde moet de gebiedsontwikkeling echter aansluiten bij de huidige bebouwing. Ook de bestaande bruggen aan de zuidzijde kunnen een beperking vormen voor de inrichtingsmogelijkheden. In het kader van rainproof inrichten dienen vloerpeilen van nieuwe gebouwen minimaal 10 cm hoger te liggen dan het gemiddelde aanliggende maaiveld. Op die manier wordt voorkomen dat binnen de panden waterschade ontstaat bij extreme neerslag.
Gemeente Amsterdam
blz. 86
Geadv iseerde minimale maaiv eldhoogtes (90 cm ontwatering) in m NAP op basis v an v erwachte grondwaterstanden in toekomstscenario op lange termijn (inclusief klimaattoeslag)
d. Stedenbouwkundige plannen In de volgende figuur is een doorsnede van het huidige stedenbouwkundig plan weergegeven. Aan de waterzijde komen verhoogde woningen met een kruipruimte. Het vloerpeil hier wordt NAP 0,0 m. Hiermee wordt voldaan aan een ontwatering van 90 cm of meer. Deze kruipruimte is ook door de ontwikkelaar afgestemd met Waternet. De openbare ruimte wordt verhoogd aangelegd op NAP +0,7 m. Onder een deel van de bebouwing komt een ondergrondse kelderconstructie. Hier wordt grondverbetering toegepast in het kader van grondwaterneutrale kelders. Naast de gracht komt een smalle strook openbare ruimte met een maaiveldhoogte van NAP -0,9 m oplopend naar het noorden naar NAP -0,1 m. Dit zijn bestaande bomen. Naar verwachting hebben de bomen een ontwatering van 70 a 90 cm. De ontwatering kan in de toekomst afnemen vanwege klimaatverandering, echter dan zijn de bomen reeds geworteld. Het fietspad naast het spoortalud blijft verhoogd liggen. Aan de zuidzijde wordt een kadeconstructie voorzien. Deze wordt waterdoorlatend uitgevoerd, waardoor het geen barrière voor het grondwater vormt. Samenvattend voldoen de stedenbouwkundige plannen aan het beleid.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 87
Doorsnede v an stedenbouwkundig plan met v loerpeilen. Doorsnede v an oost (Cramergracht) naar west (metrotalud)
Rainproof De bebouwing op de kavels zal moeten voldoen aan het beleid over de hemelwaterzorgplicht14 en aan de Hemelwaterverordening. Verder wordt met betrekking tot klimaatadaptatie ingezet op een aantal principes:15 Waterneutrale gebouwen die, tot neerslaggebeurtenissen van 60 mm/uur, hemelwater kunnen vasthouden en vertraagd afvoeren. Hiermee wordt aangesloten op de hemelwaterverordening voor nieuwbouw. Waterberging kan op het gebouw plaatsvinden of inpandig. In het stedenbouwkundig plan wordt aangegeven dat 528 m3 waterberging beschikbaar is, aangebracht op de daken. Onderzocht wordt of waterberging kan plaatsvinden onder de tennisbanen. Daarnaast wordt bekeken of het water kan worden ingezet ter bevochtiging van de tennisbanen en openbaar groen. De waterberging en de afvoer van het hemelwater in relatie tot het openbare groen worden in het definitief ontwerp verder uitgewerkt. Het toepassen van verhoogde vloerpeilen op de bouwkavels ten opzichte van het maaiveldhoogte van de omgeving. Naast de gevel worden grassen, struiken en eerste orde bomen gepland om o.a. hittestress tegen te gaan. Het ontwerp van de (verhoogde) openbare ruimte dient conform het GRPA rainproof te worden ingericht. Samenvattend wordt in de gebiedsontwikkeling rekening gehouden met rainproof en klimaatbestendigheid. Het gebied wordt niet gezien als droogtegevoelig.
Het is gelegen in een overgangsgebied van boezempeil naar polderpeil, waardoor er een aanvoerende grondwaterstroming is. Ook laten de peilbuismetingen en grondwatermodelleringen zien dat er relatief hoge grondwaterstanden in het gebied kunnen voorkomen. Indien het wenselijk is om toch actief te infiltreren, moet hier zorgvuldig naar worden gekeken om de effecten op de grondwaterstanden in kaart te brengen. Nabij de watergangen zijn er meer mogelijkheden om te infiltreren. Riolering In nieuwe en te herontwikkelen gebieden in Amsterdam is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel de norm (GRPA 2016-2021). Bij een gescheiden rioleringsstelsel wordt het regenwater gescheiden
Gemeente Amsterdam
blz. 88
gehouden van het afvalwater. De (hemelwater)riolering dient een bui van circa 20 mm in 1 uur te kunnen verwerken (bui 8). Bij nieuwe leidingwerken dient contact op te worden genomen met Waternet.
5.3
Archeologie en cultuurhistorie
5.3.1
Kader
Erfgoedwet De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet omvat zowel roerend als onroerend erfgoed en is per 1 juli 2016 van kracht geworden. In de Erfgoedwet staat: hoe met erfgoed wordt omgegaan; wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe daar toezicht op wordt gehouden. De Erfgoedwet is een integrale wet waarin musea en collecties, monumenten en archeologie worden beschermd. Het ruimtelijk aspect van erfgoed zal worden geregeld in de nieuwe Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking zal treden. Daardoor is er nu sprake van overgangsrecht, waardoor bepaalde artikelen uit de Monumentenwet 1988 nog even van kracht blijven. Om archeologische resten te beschermen zijn gemeenten verplicht in bestemmingsplannen rekening te houden met bekende en verwachte archeologische waarden en verwachtingen. Op die manier wordt archeologie meegenomen in het ruimtelijke afwegingskader. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning kan archeologie daardoor een rol spelen. Voorheen werd archeologie in de Monumentenwet 1988 geregeld, maar deze wet is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet, waarin het behoud en beheer van het cultureel erfgoed is vastgelegd.
Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft hier verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Archeologiebeleid Amsterdam In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen.
Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 89
bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij recente verstoringen van de bodem (beleidsvariant 11). Bij bijvoorbeeld beleidsvariant 2 geldt dat slechts geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of ondieper dan 0,50 meter onder het maaiveld (Appendix: Beleidsvarianten en stroomschema, M&A).In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 5.10 lid 2 Erfgoedwet 2016).
Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Monumenten & Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever. Wederopbouwgebied van nationaal belang: Westelijke Tuinsteden De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft dertig wederopbouwgebieden geselecteerd uit de periode tussen 1940 en 1965. In deze periode is een groot deel van Nederland opnieuw ingericht. Dat gebeurde op een totaal andere manier dan vóór de oorlog. De geselecteerde gebieden geven met elkaar een goed beeld van hoe er gedacht, gebouwd en ingericht werd. Deze gebieden worden beschouwd als toonbeelden van de wederopbouwperiode. Ze onderscheiden zich nationaal of zelfs internationaal, bijvoorbeeld vanwege de kwaliteit van de architectuur of als bijzonder voorbeeld van stedenbouw of landschapsinrichting. De Rijksdienst heeft de gebieden in drie gebiedstypen ingedeeld: de wederopbouwkernen (de herstelde oorlogsschade), de naoorlogse woonwijken (de planmatige, stedelijke uitbreidingswijken) en de landelijke gebieden (agrarische ruilverkavelings- en landinwrichtingsgebieden). De bouw van deze uitbreidingswijken kwam na de oorlog op gang om het tekort aan woningen op te vangen.
Kenmerkend is dat het vaak gaat om grootschalige uitbreidingen met seriematige of herhaalde bouwblokken: veel rijtjeswoningen en gestapelde meergezinswoningen. De wijken zijn ruim opgezet en hebben een groen karakter. Ze kennen vaak eigen voorzieningen op loopafstand bij elkaar: winkels, scholen, kerken en gezondheidszorg. Dit in tegenstelling tot veel vooroorlogse buurten met gesloten bouwblokken in smalle straten met een winkeltje op de hoek en weinig groen. De Westelijke Tuinsteden zijn ontworpen op basis van vooruitstrevende principes, met als resultaat woonwijken van uitzonderlijk hoge kwaliteit.16 Er is een intentieverklaring van de de colleges van B&W van de 30 Wederopbouwgebieden en het Rijk. Hierin staat dat de gemeenten de kernkwaliteiten zoals die indicatief omschreven staan in de Visie Erfgoed en Ruimte, als onderdeel van een ontwikkelingsgerichte bescherming zullen borgen in ruimtelijk beleid, voor zover dat al niet gebeurd is. Tevens is opgenomen dat de gemeenten bij de uitvoering van artikel 3.1.6. vijfde lid van het Besluit op de ruimtelijke ordening onder meer zullen aangeven op welke wijze er met cultuurhistorische waarden uit de Wederopbouwperiode rekening is gehouden. Beschermde stads- en dorpsgezichten Beschermde stads- en dorpsgezichten zijn een ruimtelijk en architectonisch geheel van historische
Gemeente Amsterdam
blz. 90
waarde. Bij beschermde gezichten wordt onderscheid gemaakt tussen van rijkswege beschermde gezichten en van gemeentewege aangewezen gezichten. Met de aanwijzing van een beschermd stadsgezicht wordt een erkenning gegeven aan de uitzonderlijke cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden van een gebied. Het gaat om waardevol erfgoed waarvan de bijzondere waarden voor nu en in de toekomst behouden zouden moeten blijven. De bestaande kwaliteiten zijn vaak een belangrijke reden dat men graag in deze wijken of gebieden woont en werkt, bewoners zijn vaak trots op hun omgeving en voelen zich ermee verbonden. De bescherming van een gezicht heeft betrekking op de historisch waardevolle structuren. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en kleinere ingrepen die passen in de historische omgeving, mogelijk blijven. Ook kan het gebruik van een gebouw veranderen, wanneer dit past in het historisch gegroeide karakter. Het is dus niet zo dat er straks na de aanwijzing niets meer mag veranderen in het gebied. Een belangrijk gevolg van de aanwijzing tot beschermd stads- of dorpsgezicht is dat de gemeente 'beschermende bestemmingsplannen' moet opstellen voor het aan te wijzen gebied, zodat de cultuurhistorische waarden worden beschermd via ruimtelijke en stedenbouwkundige bepalingen.
De ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijzen van rijkswege beschermde gezichten aan. De gemeenteraad of stadsdeelraad, en de Raad voor Cultuur, Gedeputeerde Staten en de Rijksplanologische Commissie hebben daarbij een adviserende rol. Gemeentelijk beschermde gezichten worden aangewezen door de raad. Deze kan zich laten adviseren door Monumenten en Archeologie. Amsterdam heeft drie rijksbeschermde stadsgezichten en drie rijksbeschermde dorpsgezichten. Het centrum van Amsterdam binnen de Singelgracht (op 1 februari 1999), Amsterdam-Noord (op 3 maart 2014) en Plan Zuid (op 4 oktober 2017) zijn aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht. Durgerdam, Ransdorp en Holysloot zijn in 1976 aangewezen als rijksbeschermde dorpsgezichten. Daarnaast heeft Amsterdam twee gemeentelijk beschermde stadsgezichten en een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Het Van Eesterenmuseum (sinds 2008) en de Noordoever van de Sloterplas (op 18 oktober 2017) in Amsterdam Nieuw-West zijn aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht en het dorp Sloten is (op 18 oktober 2017) aangewezen als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. 5.3.2
Plangebied
Archeologie Door M&A is in juni 2021 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 11. Uit dit onderzoek blijkt dat op basis van de historisch-geografische en archeologische inventarisatie binnen het plangebied materiële overblijfselen zijn te verwachten die samenhangen met bewoning/ontginning van de Sloterpolder vanaf de 11de/12de eeuw. Bewoningssporen vanaf de 17de eeuw van de Sloterdijkermeerpolder kunnen voorkomen in de westelijke zijde van het plangebied, vooral aan weerszijden van de Sloterdijkermeerweg die gedeeltelijk nog binnen het plangebied ligt. Binnen het hele plangebied dient echter rekening te worden gehouden met recente verstoringen door grootschalige ophogingen, de aanleg van de metro- en spoorbaan en de realisatie van de gracht die tegenwoordig door het plangebied stroomt. Binnen het plangebied geldt één archeologische beleidszone: Beleidsvariant 11 (terreinen met een lage verwachting die zijn opgehoogd): uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij alle bodemingrepen.
bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 91
Voor deze beleidszone is logischerwijs geen dubbelbestemming opgenomen. Voor het gehele onderzoeksgebied geldt conform de Erfgoedwet een meldingsplicht. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten. Cultuurhistorie Zoals volgt uit 2.1 ligt het plangebied voor een klein deel in het gebied van het beschermd stadsgezicht "Noordoever Sloterplas": de zorgvuldige compositie van de drie hoogbouwflats op de kop van de Sloterplas, een van de meeste iconische beelden van de Westelijke Tuinsteden. Om dit veilig te kunnen stellen is hier de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie 1 opgenomen. In 5.5 (Hoogbouwaspecten) wordt ingegaan op de zichtbaarheid van dit project vanuit het beschermd stadsgezicht en de bestaande stad. Het plangebied ligt verder grotendeels in het Wederopbouwgebied van Nationaal belang "Westelijke Tuinsteden". Zoals gezegd zijn door de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed eisen opgesteld rondom dit gebied. De beoordeling van plannen is door het Ministerie overgedragen aan de gemeente Amsterdam.
In Amsterdam is er de waarderingskaart AUP-gebieden, waar de bebouwing gewaardeerd is met een ordewaardering, van basisorde oplopende via orde 3 en orde 2 naar orde 1. Deze kaart wordt door welstand gebruikt om bouwplannen te beoordelen. Verder wordt in de AUP-gebieden buiten de beschermde stadsgezichten en buiten het Wederopbouwgebied van nationaal belang het welstandsniveau 'Eenvoudig' gehanteerd. In het Wederopbouwgebied van nationaal belang wordt echter het hogere welstandsniveau 'Bijzonder' gehanteerd. Er is geen cultuurhistorische verkenning van het hele Wederopbouwgebied van nationaal belang opgesteld, maar wel van vijf deelgebieden ervan (waaronder het Tennispark). De cultuurhistorische verkenning "Tennispark Sloterplas Jan Evertsenstraat") is in mei 2019 uitgevoerd en aangevuld in september 2019. Het rapport is als bijlage 12 bij de toelichting gevoegd.
Uit de analyse komen een aantal aanbevelingen naar voren, die samengevat luiden: onderzoek het effect van de hoogbouw die in het plangebied is voorzien op het beschermde stadsgezicht Noodoever Sloterplas vanuit diverse gezichtspunten rondom de Sloterplas en in de Jan Evertsenstraat; houd rekening met de cultuurhistorische waarde van de bruggen en kades in het plangebied; behoud de bomenstrook lang de Burgemeester Cramergracht; maak gebruik van de gracht aan de Jan Evertsenstraat in de vormgeving van het profiel van de stadstraat en houdt voldoende afstand tot bebouwing om de oever te kunnen benutten als buffer en te kunnen ervaren; versterk de groene route langs het spoor; zorg bij wijzigingen aan het plein aan de August Vermeylenstraat voor het behoud van de samenhang met de twee hoog gewaardeerde woongebouwen en met de stedenbouwkundige opzet van de Burgemeester Röellstraat. Zoals in 2.3 (Ontwikkelingen) te lezen is, is voor het projectgebied Jan Evertsenstraat-West door het college van B&W een projectnota vastgesteld waarbij de ambitie is om te komen tot een vitaal en levendig, stedelijk woon-werkmilieu met circa 3.200 woningen. Het college heeft er in dit geval voor gekozen om dit belang voorop te stellen. Er is echter in het bouwplan wel degelijk aandacht aan het Wederopbouwgebied besteed, naar aanleiding van de aanbevelingen van MenA en de (openbare)
Gemeente Amsterdam
blz. 92
adviezen van de interne Commissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. In haar advies van 25 juni 2021 jl. geeft de Commissie aan de vastgestelde beleids- en projectdocumenten die sterk sturen op het bijbouwen van woningen op deze plek in de directe nabijheid van het westelijke metrotracé als uitgangspunt te nemen. Er is zo veel als mogelijk getracht met bovenstaande aanbevelingen, adviezen en ambities rekening te houden in het ontwerpbestemmingsplan. Het streven is om een aan de tuinstedelijke opzet verwante stedelijke structuur van groenblauwe grijze netwerk te behouden en te verbeteren. Specifiek in dit gebied gebeurt dat aan de randen van het plangebied. Binnen het plangebied in een hoge dichtheid met een rustig autovrij en zo groen mogelijk karakter in de semi openbare ruimte en door herordening van het bestaande plein in een groen schoolplein. Daarnaast komt er levendigheid aan de Jan Evertsenstraat en wordt zoveel mogelijk samenhang gezocht met de bestaande woningen en het gebied ten westen van het Tennispark. Zo fungeert dit deelgebied als een overgangszone tussen de tuinsteden en het meer stedelijk milieu binnen de ring van Amsterdam. De meer compacte stad wordt hier zichtbaar.
5.4
Natuurbescherming
5.4.1
Kader
Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het beschermen van soorten en gebieden is vastgelegd in deze wet, waarbij aansluiting is gezocht van de natuurwetgeving op het omgevingsrecht. In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Stikstofdepositie In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie.
Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Daarom dient voor nieuwe projecten onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet wijzigt een aantal bepalingen van de Wet Natuurbescherming. Met deze wetswijziging is onderzoek naar de stikstoftoename tijdens de bouwfase niet meer nodig, alleen tijdens de gebruiksfase. Elke toename in stikstofdepositie van meer dan 0 mol/ha/jaar op een overbelast stikstofgevoelig instandhoudingsdoel (habitattype of leefgebied) is in potentie een significant effect. Een dergelijke toename in stikstofdepositie betekent daardoor dat het project niet zonder meer vergunbaar is onder de bestemmingsplan_Jan Evertsenstraat-West, deelgebied Tennispark (vastgesteld)
blz. 93
Wet natuurbescherming. Ook voor plannen moeten effecten op natuur onderzocht worden, omdat bij het vaststellen van een bestemmingsplan al duidelijk moet zijn of het plan uitvoerbaar is. Als al in de planfase blijkt dat uitvoering van eventuele projecten zou leiden tot een teveel aan stikstofdepositie en een onvergunbare situatie onder de Wnb, dan is het niet mogelijk om het (bestemmings)plan in die vorm vast te stellen. Ecologische Hoofdstructuur, landelijk en provinciaal beleid Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. Rode lijstsoorten, landelijk beleid Eens per tien jaar worden er zogenoemde 'Rode Lijsten' opgesteld met soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen.
Voor het Ministerie van EZ zijn de rode lijsten mede richtinggevend voor het te voeren natuurbeleid. Het Ministerie stimuleert dat bij bescherming en beheer van gebieden rekening wordt gehouden met de Rode-lijst-soorten, en dat zo nodig en zo mogelijk aanvullende soortgerichte maatregelen zullen worden genomen. Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid In de structuurvisie van Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011) is de hoofdgroenstructuur opgenomen. De Omgevingsvisie 2050 stelt dat de hoofdgroenstructuur uit de Structuurvisie 2040 nog van kracht blijft totdat er vervangend beleid is vastgesteld. De Hoofdgroenstructuur omvat de minimaal benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam wil borgen, bestaande uit gebieden die waardevol zijn voor de stad en de metropool. Die gebieden vervullen een onmisbare functie, niet alleen voor de verbetering van het leefklimaat, de luchtkwaliteit en de waterhuishouding, maar ook voor de bio-diversiteit, groene recreatie en de voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn daarnaast belangrijke aspecten. In de Hoofdgroenstructuur zijn de gebieden opgenomen waar de functies groen en groene recreatie voorop staan.
Woningbouw, werkgerelateerde functies, wegenaanleg of het vestigen van voorzieningen die verkeer aantrekken of die ten koste gaan van groen, zijn niet in overeenstemming met de doelstellingen van de structuurvisie. Ingrepen die de recreatieve gebruikswaarde en/of de natuurwaarde of andere functies van het groen verhogen, worden juist gestimuleerd. Ecologische structuur, Amsterdams beleid Een uitwerking van de "Structuurvisie 2040" is de ecologische visie. Deze is in juli 2012 door de Gemeenteraad vastgesteld. De onderstaande kaart laat de ecologische structuur zien, zoals die door (grondgebonden) dieren wordt gebruikt. Er is de afgelopen jaren enorm geïnvesteerd in de ecologische zones, behalve voor de versterking van de biodiversiteit is het voor bewoners een belangrijke mogelijkheid om in de buurt te recreëren of even te bekomen van de bruisende stad. De ecologische hoofdstructuur is al voor een groot deel ingericht, echter zijn er nog wel een aantal knelpunten in de vorm van infrastructuur of onvoldoende natuurlijke inrichting. Doel is om deze barrières voor dieren weg te nemen en waar mogelijk de kwaliteit van het groen te verbeteren. Het uitgangspunt is
Gemeente Amsterdam