A - 13 Ruimtelijke Ordening (23) 3. Klaprozenbuurt 2 Toelichting
Tekst van het document
Buisleidingen
Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letailiteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.
Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteiten en werking van de buisleiding kunnen verhinderen.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
5.11.2.5
Uitvoeringsbesluit Externe veiligheid Amsterdam
Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico s aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan.
Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door burgemeester en wethouders expliciet is toegestaan. 5.11.3 Resultaten onderzoeken 5.11.3.1
Algemeen
Aan de Metaalbewerkerweg ligt een LPG/benzine station met een ondergrondse opslag. Voor LPG-stations met ondergrondse opslag van LPG geldt een afstand van 60 meter tot nieuwe kwetsbare objecten, zoals woningen. Voor zeer beperkt kwetsbare objecten, zoals scholen en kinderdagverblijven gelden aparte veiligheidsafstanden. Voor zeer kwetsbare objecten geldt een veiligheidsafstand van 160 meter tot het vulpunt. Om de herontwikkeling naar een volledig gemengd-stedelijk gebied mogelijk te maken, moet minimaal de LPG-functie worden verwijderd. Inmiddels is er concreet zicht op de beëindiging van de activiteiten van het tandstation en daarmee de doorzet van de LPG. 5.11.3.2
Buisleidingen
Door LBP Sight is Onderzoek Externe Veiligheid uitgevoerd naar de buisleidingen op hun nieuwe plek. Aan de Draaierweg liggen twee gasdrukregelstations, die worden gevoed door een hogedruk aardgasleiding onder de Slijperweg. Er is daarnaast een hogedruk aardgasleiding onder het tracé van de Waterlandse Zeedijk. Bij hogedruk aardgasleidingen geldt een minimale afstand van vier meter voor gebouwen. Voor kwetsbare objecten, zoals woningen en scholen, geldt een minimale afstand van 25 meter. Bovendien geldt er gemeentelijk beleid rondom externe veiligheid. Nieuwe objecten bedoeld voor minder zelfredzame personen, zoals kinderen, ouderen en mindervaliden, worden geplaatst buiten de 100% letaliteitsgrens (veelal rond de tachtig meter) van hogedruk aardgasleidingen. Dit is een aanzienlijke beperking in het vinden van geschikte locaties voor maatschappelijke voorzieningen, met name basisscholen.
bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)
blz. 55
Samen met de Gasuinie is de verplaatsing van de gasleidingen onderzocht. In dit ontwerp bestemmingsplan is de verbeelding al aangepast waarbij de gasleidingen op hun beoogde nieuwe plek van een dubbelbestemming zijn voorzien. Ook het verplaatsen van de gasregel- en ontvangststations wordt onderzocht. Op dit moment is er nog geen definitieve nieuwe locatie aangewezen en wordt uitgegaan van de bestaande situatie. Uit de berekeningen blijkt dat er geen PR10-6 –contour aanwezig is. Zowel voor de huidige situatie als de plansituatie betekent dat er zich geen (beperkt) kwetsbare objecten bevinden binnen een PR10-6 –contour van een buisleiding. Daarmee voldoet de planontwikkeling aan de grens- en richtwaarden voor het PR. De 100% letaliteitgrens ligt voor de leidingen die door het plangebied lopen op 67 meter en 80 meter vanaf de leiding bekeken. Het plaatsen van objecten met minder zelfredzame personen binnen de 100% letaliteitsgrens is niet inpasbaar met het externe veiligheidsbeleid van de Gemeente Amsterdam1. In deze fase van planvorming is de exacte invulling echter nog flexibel.. 4.3 Groepsrisico Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico stijgt door de planvorming, omdat enerzijds de personendichtheden in het plangebied toenemen, en anderzijds omdat het tracé anders gaat lopen, en op sommige punten dichter bij bevolkte gebieden komt.
Een directe vergelijking tussen de huidige en plansituatie is daardoor niet mogelijk. De grootste toename treedt op langs de leiding die dichter langs deelgebied B komt te liggen (en daar nu nog verder van af loopt). Hier stijgt het groepsrisico van 0.23 x OW (oriëntatiewaarde) naar 0.44 x OW, een toename van meer dan 10%. Voor de aansluitende leiding naar het gasverdeelstation daalt het groepsrisico daarentegen van 0,45 x OW naar 0,44 x OW. Voor beide leidingen geldt echter dat door de planvorming de hoogte van het groepsrisico beneden het maximum blijft (zijnde lager dan 1,0 x OW) van het externe veiligheidsbeleid van de Gemeente Amsterdam. Omdat in een deel van het plangebied het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt, moet een verantwoording van het groepsrisico opgesteld worden. 5.11.3.3
Transportroute LPG
Er loopt een transportroute voor gevaarlijk stoffen langs het plangebied. Het betreft het transport van LPG voor de bevoorrading van het tankstation aan de Metaalbewerkerweg. De route voor de levering van LPG loopt over de Klaprozenweg. Plaatsgebonden risico Uit de berekeningen blijkt dat er geen PR10-6-contour aanwezig is. Zowel voor de huidige situatie als de plansituatie betekent dat er zich geen (beperkt) kwetsbare objecten bevinden binnen een PR10-6 -contour van de LPG-route. Daarmee voldoet de planontwikkeling aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Uit de berekeningen blijkt dat, naar verwachting, het groepsrisico stijgt door de planvorming, omdat de personendichtheden in het gehele plangebied toenemen. De stijging is echter beperkt. Door de planvorming stijgt het groepsrisico van 0,168 x OW (oriëntatiewaarde) naar 0,173 x OW: een toename van 3%. De hoogte van het groepsrisico blijft beneden het maximum (zijnde 1,0 x OW) van het externe veiligheidsbeleid van de Gemeente Amsterdam. Omdat het groepsrisico in het plangebied met minder dan 10% toeneemt, vormt dit onderzoek tevens de verantwoording van het groepsrisico en is een verdere verantwoording niet aan de orde. Gemeente Amsterdam
blz. 56
5.11.4 Conclusie In het kader van externe veiligheid is de aanwezigheid van een LPG-tankstation en twee gasdrukregelstations en twee hogedruk aardgasleidingen relevant. Met betrekking tot het tankstation zal minimaal de LPG-functie worden verwijderd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Tevens zullen de buisleidingen worden verplaatst. Uit het uitgevoerde onderzoek volgt dat er, mede door het verplaatsen van de buisleidingen, voor het totale plan naar verwachting geen knelpunten zijn op het gebied van externe veiligheid. Na de definitieve keuze voor het nieuwe tracé van de buisleiding wordt het groepsrisico verantwoord.
5.12
Natuur en landschap
5.12.1 Algemeen Daar waar bestemmingsplannen en inpassingsplannen ruimtelijke ontwikkelingen en projecten mogelijk maken, moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Daarnaast kunnen individuele dier-en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen(soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan. 5.12.2 Beleid en regelgeving 5.12.2.1
Wet natuurbescherming
Vanaf 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Doel van de nieuwe wet is de bescherming van de biodiversiteit in Nederland, de decentralisatie van verantwoordelijkheden en vereenvoudiging van regels. De regelgeving rond de gebiedsbescherming (i.c van Natura2000-gebieden) is in de nieuwe wet geïntegreerd. De soortenbescherming werd tot heden geregeld door de Flora- en faunawet. De strikt beschermde soorten, een van de categorieën, die hun beschermde status ontlenen aan de Vogelrichtlijn, de Habitatrichlijn of andere internationale verdragen, behouden in de nieuwe wet die status. De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. Bij vrijwel alle ingrepen moet met door Wnb beschermde soorten rekening worden gehouden. Een belangrijke verandering betreft de lijst van beschermde planten. Deze is aanzienlijk ingekort. Het gevolg ervan is dat tal van tot nu toe beschermde soorten hun beschermde status in de nieuwe wet verliezen.
5.12.3 Resultaten onderzoeken De regelgeving ten aanzien van zowel gebieds- als soortenbescherming betekent dat de gemeente bij al haar planvorming 'op voorhand in redelijkheid' moet kunnen inschatten (meestal op basis van deskundigenonderzoek) of ten gevolge van het plan zelf dan wel de uitvoering van het plan:
bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)
blz. 57
een passende beoordeling nodig is ten gevolge van mogelijke significante gevolgen op een Natura 2000- gebied; als signifante gevolgen niet zijn uit te sluiten, de 'ADC'-fase met succes kan worden doorlopen; bij EHS-gebieden geen strijd plaats vindt met het geldende beleidskader en zo dat wel zo is mitigeren en zo nodig compenserende maatregelen worden getroffen of wel gemotiveerd wordt waarom daar anders mee wordt omgegaan; de verbodsbepalingen van de Ffw zullen worden overtreden. Als dit het geval is, moet aannemelijk gemaakt worden dat daarvoor een ontheffing zou kunnen worden verkregen. In verband met de voorgenomen ontwikkeling is Ecologisch onderzoek verricht naar consequenties vanuit de Natuurwetgeving en kansen voor natuur. Tevens is onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (zie paragraaf 5.13). Hieronder zijn de resultaten van de natuurtoets toegelicht. Gebiedsbescherming De omvorming van de Klaprozenbuurt heeft geen nadelige gevolgen voor de natuurwaarden in de beschermde lokale, nationale en Europees beschermde gebieden in de regio. Net als ook nu het geval is, blijft het gebied vrijwel volledig bebouwd. Wel wordt de bebouwing intensiever met ook meer hoogbouw. Er is daarom wel een risico op meer verkeersbewegingen wat tot hogere emissies kan leiden.
De Natura2000 gebieden liggen echter op een zodanige afstand dat negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Soortenbescherming In de Klaprozenbuurt komen meerdere soorten beschermde dieren en planten voor. Binnen het projectgebied komen algemene broedvogels voor. Zij kunnen dan wel op de daken van de bebouwing (scholekster, zwarte roodstaart) of in de bomen en lage begroeiing tot broeden komen (bijv. ekster, zwarte kraai, houtduif, Turkse tortel, merel, tjiftjaf, winterkoning). Ook werden meerdere oude nesten aangetroffen. Geen van deze soorten heeft een jaarrond beschermd nest (bij ekster en zwarte kraai vervalt deze status omdat in de directe omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden zijn). Geadviseerd wordt om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten. De meest veilige periode daarbij ligt tussen september en februari. Ook in die periode is het echter noodzakelijk de te kapen bomen vooraf te schouwen op broedende vogels. Soorten als houtduif en Turkse tortel kunnen namelijk vrijwel jaarrond tot broeden komen. Indien een boom gekapt moet worden en er een broedende vogel in wordt aangetroffen, dient het werk aldaar stilgelegd te worden en de boom gemarkeerd te worden zodat de vogels niet verstoord worden.
De boom (en afhankelijk van de onderlinge afstand) een aantal van de buurbomen mogen vervolgens pas gekapt worden als de vogels klaar zijn met broeden en de jongen het nest hebben verlaten. Werken in het broedseizoen is toegestaan, indien uit een schouw door een vogeldeskundige voorafgaand aan de werkzaamheden blijkt dat zich geen broedende vogels in het groen of op de daken bevinden. Worden deze wel aangetroffen, dan kan pas gestart worden als de vogels klaar zijn met broeden. Dit kan dan nog een aantal weken duren. In het verleden zijn twee soorten vleermuizen nabij het projectgebied vastgesteld. In het projectgebied zelf werden geen vleermuizen waargenomen. Twee panden binnen het projectgebied zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats voor aan gebouwgebonden vleermuissoorten (Floraweg 200 en Polijsterweg 16). De overige bebouwing is niet geschikt. Het is noodzakelijk om voorafgaand aan de sloop van deze panden tijdig vleermuisonderzoek te verrichten. Gezien de doorlooptijd van dergelijk onderzoek en de duur van het ontheffingstraject, adviseren we om minimaal 1,5 jaar voor de start van de geplande sloop het onderzoek op te starten. Gemeente Amsterdam
blz. 58
Bij het onderzoek in 2019 werden geen vliegroutes of van belang zijnde foerageergebieden vastgesteld. De verwachting is dat dit ook nu niet het geval is. Alleen als de boombeplanting op de dijk verwijderd zou worden, adviseren wij vooraf nader onderzoek te doen naar het terreingebruik van vleermuizen. Deze beplanting grenst immers aan meerdere andere geschikte beplantingen en groengebieden. Uit dit onderzoek zal volgen of deze beplanting van belang is als foerageergebied of vliegroute door vleermuizen. Ook hierbij adviseren we om minimaal 1,5 jaar voor de start van de kap het onderzoek op te starten. De overige soorten landgebonden zoogdieren die hier bekend zijn, zijn alle opgenomen in de verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland. Dit houdt in dat de bescherming van deze soorten vervalt bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting. Wel blijft altijd de zorgplicht van kracht. Dit houdt in dat er altijd zodanig gewerkt moet worden dat dieren de kans krijgen te ontkomen. In dit geval bijvoorbeeld door niet richting het water of drukke wegen te werken maar richting aangrenzende kavels. In het geval dat, bijvoorbeeld, egels worden aangetroffen bij het werk, kunnen deze voorzichtig in een emmer gedaan worden en daarna op een andere geschikte locatie uitgezet. Eén en ander in overleg met de begeleidend of stadsecoloog.
In de Klaprozenbuurt zelf zijn geen amfibieën waargenomen of te verwachten. Op enige afstand van het projectgebied is bruine kikker opgenomen. Deze soort is tevens opgenomen in de Verordening Vrijstellingen soorten Noord-Holland. Bij de geplande werkzaamheden hier vervalt dus ook voor deze soort de bescherming. Negatieve effecten op de soort kunnen worden uitgesloten. In het projectgebied zijn nauwelijks dagvlinders opgenomen. Er is slechts één soort bekend; bruin zandoogje. De soort is niet beschermd of opgenomen in de Rode Lijst. Indien het leefgebied van de soort verdwijnt, zijn er nog genoeg andere geschikte bermen in de directe omgeving beschikbaar. De werkzaamheden hebben dan ook geen nadelige effecten op eventuele populaties van deze soort. Negatieve effecten kunnen dan ook worden uitgesloten. Er zijn binnen het projectgebied 12 soorten vaatplanten opgenomen. Deze werden vrijwel allemaal binnen het projectgebied aangetroffen. Geen van deze soorten heeft een beschermde status. Het is dan ook niet noodzakelijk om rekening te houden met deze soorten bij de verdere ontwikkeling van Klaprozenbuurt. Negatieve effecten op vaatplanten kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek Voorafgaand aan de sloop van de twee panden (Floraweg 200 en Polijsterweg 16) dient nader onderzoek naar eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen plaats te vinden.
Dergelijk onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de richtlijnen uit het Vleermuisprotocol versie 2021. Dit houdt in vier á vijf bezoeken in de periode 15 mei tot 15 oktober. Als de boombeplanting op de dijk zou verdwijnen is ook daar nader onderzoek naar het terreingebruik gewenst. Daarvoor zijn twee bezoeken in mei-juni en augustus-september gewenst. Advies is om dit soort onderzoeken minimaal 1,5 jaar voor de geplande sloop en eventuele kap uit te voeren. Er moet rekening mee worden gehouden dat er altijd een volledige onderzoeksperiode (mei tot en met oktober) noodzakelijk is voor het veldwerk. Daarnaast zijn er meerdere maanden nodig voor het opstellen van de stukken en de afhandeling van de eventueel benodigde aanvraag bij de Omgevingsdienst.
bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)
blz. 59
5.12.4 Conclusie Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van soortenbescherming volgt uit het onderzoek dat ter plaatse van twee specifieke plekken vervolgonderzoek is naar vleermuizen. Indien uit dat onderzoek volgt dat er ontheffing noodzakelijk is, dan is deze verleenbaar aan de hand van een compensatie- en mitigatieplan. Ten aanzien van het aspect natuur wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is.
5.13
Stikstof
5.13.1 Inleiding In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de gebiedsbescherming van bijzondere natuurgebieden, de zogenoemde Natura2000-gebieden, overgenomen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Hieraan voorafgaand is in januari 2006 de formele aanwijzingsprocedure van Natura 2000-gebieden gestart. Na deze aanwijzing is de gebiedsbescherming uit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en sinds 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming. Daarmee vervalt de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn in Nederland. In Amsterdam Noord dient rekening te worden gehouden met de Natura2000-gebieden: Ilpenveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiskeen Polder Westzaan. Indien ontwikkelingen en activiteiten in het plangebied een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, dient een habitattoets uitgevoerd te worden. Elke toename in stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op een overbelast stikstofgevoelig instandhoudingsdoel (habitattype of leefgebied) is in potentie een significant negatief effect. Een dergelijke toename in stikstofdepositie betekent daardoor dat het project niet zonder meer vergunbaar is onder de Wet natuurbescherming.
5.13.2 Onderzoek Als uit de berekening van de aanleg- en gebruiksfase voor de beoogde situatie blijkt dat sprake is van een toename van stikstofdepositie, kan een verschilberekening gemaakt worden. Een verschilberekening bestaat uit een berekening van de referentiesituatie en de nieuwe situatie. Als uit deze verschilberekening volgt dat sprake is van een afname van stikstofdepositie in de nieuwe situatie t.o.v. de referentiesituatie, kan geoordeeld worden dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. Dit wordt intern salderen genoemd. In geval gebruik gemaakt wordt van intern salderen, dient een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Er is in het kader van voorliggend bestemmingsplan Onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. De aanlegfase en de gebruiksfase van de Klaprozenbuurt resulteren in een stikstofdepositiebijdrage in maximaal negen Natura 2000-gebieden (met Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske als dichtstbijzijnde). Na saldering met de referentiesituatie is er echter nergens een toename van de stikstofdepositie maar resteert een afname van de depositie die maximaal 0,09 mol N/ha/jaar bedraagt. Vanwege de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (ca. 3,5 km) zijn er geen andere verstorende effecten voorstelbaar (b.v. geluid, lichthinder en/of geohydrologische effecten) t.a.v. gebiedsbescherming.
Gemeente Amsterdam
blz. 60
Hierdoor zijn aan de hand van deze voortoets op voorhand per saldo significant negatieve gevolgen t.a.v. vermesting en verzuring van stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden uitgesloten. Dit betekent tevens dat, in lijn met recente jurisprudentie, een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is. 5.13.3 Conclusie Uit het voorliggende onderzoek blijkt dat de gebruiksfase van het nieuwe bestemmingsplan Klaprozenbuurt 2 per saldo niet tot een toename van de stikstofdepositie leidt. Hierdoor zijn op voorhand significant negatieve effecten voor de natuur uit te sluiten, en is ten aanzien van gebiedsbescherming een vergunningaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.
5.14
Water
5.14.1 Algemeen Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.
ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem.
De waterparagraaf geeft ook een weergave van de watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur. 5.14.2 Beleid en regelgeving 5.14.2.1
Europese Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De voornaamste doelstelling van het KRW is het beschermen en verbeteren van aquatische ecosystemen (grond- en oppervlaktewater). Dit door onder andere stroomgebieden te karakteriseren, ecologische doelstellingen te definiëren, economische analyses uit te voeren en de chemische en ecologische toestand te monitoren. De uit de KRW voortkomende milieudoelstellingen en maatregelen zijn verwerkt in de waterbeheerplannen van de waterschappen.
bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)
blz. 61
5.14.2.2
Waterwet
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van de Waterwet kan een watervergunning worden aangevraagd. 5.14.2.3
Nationaal waterplan
Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Gelijktijdig met de vaststelling van het Nationaal Waterplan 2016-2021 is ook het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 vastgesteld. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren beschrijft hoe grote rivieren en kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Noordzee en de Waddenzee beheerd moeten worden. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer. In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan zijn geen wateren waar nationale belangen een rol spelen. 5.14.2.4
Provinciale watervisie 2021
Op 16 november 2015 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Watervisie 2021 vastgesteld. De Watervisie biedt een doorkijk voor het regionale waterbeleid tot 2040 en geeft aan waar in de periode 2016-2021 de prioriteiten liggen voor waterveiligheid en schoon en voldoende water. De Watervisie 2021 is op 23 december 2015 in werking getreden en vervangt het Waterplan 2010-2015. Voor de Watervisie is een Uitvoeringsprogramma 2016-2021 opgesteld, waarin staat wat de provincie concreet gaat doen. Het Uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks geactualiseerd. 5.14.2.5
Waterbeheerplan AGV 2016-2021
Het plangebied valt deels binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De beleidsvoorbereidende, uitvoerende en administratieve taken heeft AGV opgedragen aan de stichting Waternet. Medeopdrachtgever van Waternet is de gemeente Amsterdam, waarvoor Waternet de drinkwaterproductie en -distributie, het rioleringsbeheer, de (drijf)vuilverwijdering, het vaarwegbeheer en de grondwaterzorgtaak uitvoert. Het waterbeheerplan gaat in op de verantwoordelijkheden van het waterschap: zorgen voor voldoende, schoon water en veiligheid achter de dijken. Ook komen de maatschappelijke (neven)taken aan bod: zorgen voor goede en veilige vaarwegen, verbeteren van recreatie- en natuurgebieden en onderhouden van het cultuurhistorisch landschap. Het waterbeheerplan is sturend voor de programmering van activiteiten en de verdeling van geld en menskracht voor de periode 2016-2021.
Gemeente Amsterdam
blz. 62
5.14.2.6
Plan gemeentelijke watertaken 2010-2015
De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen: de inzameling en transport van stedelijk afvalwater; de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater; het nemen van grondwatermaatregelen. In het Plan gemeentelijke watertaken 2010-2015 staat hoe deze drie zorgplichten door de gemeente Amsterdam worden ingevuld, mede in het licht van de te verwachten klimaatverandering. Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam haar watertaken uitvoert, en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Dit plan is hiermee een zgn. verbreed gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Met dit plan voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer is opgenomen. Tot 2008 had de gemeente de zorgplicht voor doelmatige inzameling en transport van afvalwater. De zorg voor de riolering is sinds 1 januari 2008 verbreed tot de bovengenoemde drie zorgplichten. Dit is het eerste Plan gemeentelijke watertaken waarin de drie zorgplichten zijn opgenomen. Het plan volgt op het op 22 juni 2004 door het college van Burgemeester en Wethouders vastgestelde Afvalwaterplan Amsterdam 2005-2009. Ook de Nota Grondwater is met het Plan gemeentelijke watertaken komen te vervallen. 5.14.2.7
Keur AGV
De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen: voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening: de Keur. De Keur kent 'verboden' en 'geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. De Keur is een belangrijk instrument voor het hoogheemraadschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en risico's voor het watersysteem te voorkomen. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem. 5.14.2.8
Watervisie Amsterdam 2040
Op 14 september 2016 heeft de gemeenteraad de Watervisie Amsterdam 2040 vastgesteld. In de visie is een ruimtelijk-economisch perspectief op het gebruik van water geschetst waar een uitvoeringsagenda tot 2018 aan is gekoppeld. De Watervisie gaat over het gebruik van water en water als onderdeel van de openbare ruimte. Andere aspecten, zoals waterbestendigheid, veiligheid, waterkwaliteit en ecologie zijn of worden uitgewerkt in ander beleid en andere programma's.
bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)
blz. 63
5.14.2.9
Gemeentelijk rioleringsplan Amsterdam 2016-2021
De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen: de inzameling en transport van stedelijk afvalwater, de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en het nemen van grondwatermaatregelen. In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016 - 2021 staat hoe deze drie zorgplichten de komende periode door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam deze watertaken uitvoert, en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer (artikel 4.22) is opgenomen. Het plan is tot stand gekomen in samenwerking met de waterschappen Hollands Noorderkwartier, Rijnland, Amstel, Gooi en Vecht en Rijkswaterstaat. 5.14.3 Watertoets Het plangebied valt grotendeels onder het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi & Vecht (AGV). Het beheer voor het hoogheemraadschap AGV wordt uitgevoerd door Waternet. Aan de noordzijde van het plangebied ligt een primaire waterkering die in beheer is bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Rijkswaterstaat (RWS) is de beheerder van het Zijkanaal I dat ten westen van het plangebied ligt.
In het kader van bestemmingsplan Klaprozenbuurt (1) is een waterparagraaf opgesteld (Bijlage 15 Waterparagraaf), gemeente Amsterdam, 21 november 2019). Waterveiligheid Het plangebied valt deels binnen de beschermingszone van een primaire waterkering; de Buiksloterdijk. Op het in het plangebied gelegen deel van de Buiksloterdijk zijn in de jaren '60 tientallen dijkwoningen gesloopt ten behoeve van een beoogde oost-west autoweg. Deze verbinding is uiteindelijk nooit gerealiseerd. De dijk langs het Noordzeekanaal is al afgewaardeerd van primair naar regionaal. Wanneer de Lekdijk en de waterkering IJmuiden zijn verbeterd (uiterlijk in 2050), ligt het beschermingsniveau van dijkring 44 hoger, waardoor de primaire waterkering ter plaatse van de Klaprozenbuurt kan worden afgewaardeerd naar een regionale waterkering. Mogelijk wordt het minimale dwarsprofiel dan aangepast in de Legger. Eventuele afwaardering van de waterkering heeft geen directe gevolgen voor de waterhuishouding in het plangebied. De nieuwe hoogte en vorm van de regionale dijk zijn bestuurlijk nog niet vastgesteld. In de legger wordt de minimale hoogte en vorm bepaald. Om aan te sluiten bij de ambitie van het waterschap AGV op het gebied van waterveiligheid wordt een toekomstig maaiveldniveau van minimaal NAP+1,0 m geadviseerd.
Bij dit maaiveldniveau wordt dus een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) nagestreefd tussen +0,1 m NAP en -0,4 m NAP (streefpeil oppervlaktewater). Watercompensatie Als gevolg van de aanleg van extra verharding (zoals bebouwing of wegen) neemt de belasting op het oppervlaktewatersysteem toe aangezien er over de verhardingen een versnelde waterafvoer plaatsvindt. Om wateroverlast te voorkomen moet extra belasting van het watersysteem gecompenseerd worden met de aanleg van extra waterberging. Dat betekent dat het watersysteem na de realisering van de verharding niet zwaarder belast mag worden dan voordien. Hoogheemraadschap AGV hanteert hierbij de regel uit de Keur dat bij aanleg van 1.000 m² of meer extra verharding gecompenseerd moet worden door de aanleg van extra oppervlaktewater ter grootte van 10 procent van het oppervlak van de extra verharding of door alternatieve vormen van berging. Als binnen het plangebied geen mogelijkheid is voor het creëren van compensatie dient elders in hetzelfde peilvak gecompenseerd te worden. Dempingen van oppervlaktewater dienen 1 op 1 gecompenseerd te worden in hetzelfde peilvak. Het plangebied betreft een bestaand bebouwd gebied, dat reeds grotendeels is verhard. Het bestemmingsplan maakt ten opzichte van de vigerende plannen geen nieuwe verharding mogelijk. De Gemeente Amsterdam
blz. 64
toekomstige situatie voorziet in meer groen dan nu, wat een positief effect heeft op de infiltratie van hemelwater in de grond. Ten opzichte van de huidige situatie gaat het schetsontwerp uit van het graven van circa 3.750 m2 nieuw water in het plangebied blijft het oppervlaktewater minimaal even groot. De positieve waterbalans kan ingezet worden ten behoeve van andere projecten in het peilgebied, bijvoorbeeld de Buiksloterham. Grondwater De grondwaterzorgplicht vereist dat ontwikkelingen in het plangebied zowel tijdens uitvoering als in de eindsituatie geen verslechtering van de grondwatersituatie veroorzaken, ook niet voor naastgelegen gebieden. Conform de gemeentelijke grondwaternorm (GRPA 2016-2021) is de minimale ontwateringsdiepte 0,5 m –mv en 0,9 m -mv daar waar bomen worden geplant. Naar verwachting wordt deze norm in 2021 bijgesteld naar 0,9 –mv. Volgens het stedenbouwkundig plan (schetsontwerp) worden in vrijwel alle straten bomen geplant. Daarom is het uitgangspunt om in de Klaprozenbuurt uit te gaan van een gewenste ontwatering van minimaal 0,9 m. Om de grondwatersituatie te beoordelen en de invloed van maatregelen te kwantificeren is een grondwatertoets uitgevoerd (Bijlage 16 Grondwatertoets gemeente Amsterdam, 21 november 2019).
Op basis van de modelstudie is de conclusie dat goed doorlatende cunetten noodzakelijk zijn, aangevuld met een drain (aangelegd in een grindkoffer) om in de Klaprozenbuurt voldoende ontwateringsdiepte te realiseren. Daar waar bomen worden geplant dienen de cunetten dieper te liggen, minimaal tot NAP -0,6 m, een minimale breedte van 5 m en voorzien van een drain (ook in een grindkoffer). Bij de aanleg van cunetten en drainage dient rekening te worden gehouden met mogelijke aanwezigheid van mobiele verontreinigingen, om verplaatsing te vermijden. Bij aanleg van kelders is het uitgangspunt om grondwaterneutraal te bouwen. Hemelwater De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van stedelijk afvalwater en hemelwater. Waternet voert de gemeentelijke rioleringstaak uit namens de Gemeente Amsterdam. Afvloeiend hemelwater dient in de nieuwe situatie adequaat verwerkt te worden. In nieuwe en her te ontwikkelen gebieden wordt aangestuurd op een gescheiden rioolstelsel, waarbij een hemelwaterriool en afvalwaterriool worden aangelegd. Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en waterbodem tegen te gaan wordt vanuit de Keur het gebruik van uitlogende materialen tijdens de bouw- en gebruiksfase voorkomen en PAK, lood, zink en koper tegengegaan.
Bij het beheer zal ook zo min mogelijk gebruik worden gemaakt van middelen die kunnen leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- of grondwater. Conform de doelstellingen van Amsterdam Rainproof en het GRPA (Gemeentelijk RioleringsPlan Amsterdam) 2016-2021 wordt voor het plangebied Klaprozenbuurt geadviseerd zodanig te ontwerpen dat een bui van 60 mm in 1 uur kan worden verwerkt zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur te veroorzaken. Hierbij dient circa 20 mm in 1 uur verwerkt te worden door de riolering en de andere 40 mm in de openbare ruimte. Voor verwerking van het (overtollige) hemelwater geldt conform de NBW (Nationaal Bestuursakkoord Water) de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. Deze drietrapsstrategie is verwerkt in een Rainproof oplossingenkaart. De Klaprozenbuurt is qua bodemopbouw geen geschikt gebied voor infiltratie. Voor de nieuw te ontwikkelen kavels moet worden uitgegaan dat er geen hemelwater actief wordt geïnfiltreerd in de bodem (freatisch pakket). Dit wordt als voorwaarde in de bouwenveloppen opgenomen. De straten en parkeerterreinen in het plangebied Klaprozenbuurt bieden mogelijkheden om tijdens hevige buien door herprofilering van de weg tijdelijk water te bergen om vervolgens af te voeren. In het schetsontwerp is hier bergingsruimte voor opgenomen.
De bergingsruimte kan dubbel gebruikt worden, als park, straat of parkeervak in normale situatie, en als tijdelijke waterberging in het geval van extreme neerslag. Om de bergingsbehoefte te reduceren kan ervoor gekozen worden om de hemelwaterriolering ruimer te dimensioneren, zodat een groter deel van (extreme) neerslag door het riool afgevoerd kan bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)
blz. 65
worden. Andere optie is om neerslag over maaiveld af te voeren naar het oppervlaktewater. 5.14.4 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering vormt voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Met AGV en HHNK zal bij de verdere uitwerking van de plannen nader afstemming plaatsvinden.
Gemeente Amsterdam
blz. 66
bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)
blz. 67
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Waar de overige paragrafen van deze toelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de bestemmingsregels. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht. Het (juridisch deel van het) bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding heeft een functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemming en overige regels. In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven.
Op basis van het beleid en de gebiedsbeschrijving zijn vervolgens de uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.
6.2
Planopzet
Bij de opzet van het bestemmingsplan is rekening gehouden met de beoogde nieuwe invulling van het plangebied waarbij de transformatie geleidelijk, en door middel van zelfrealisatie, tot stand komt. Bestaande bedrijven die zich niet goed verhouden tot de nieuw toe te voegen gevoelige bestemmingen in het plangebied worden wegbestemd. Het programma dat in de regels is opgenomen en de stedenbouwkundige opzet komen voort uit de eerder vastgestelde Investeringsnota en het moederplan Klaprozenbuurt.
6.3
Planregels
De indeling van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 Inleidende regels omvat twee artikelen: een artikel met de begripsbepalingen en een artikel dat de wijze van meten bepaalt. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels geeft een invulling aan de opgenomen bestemmingen, waarbij in de meeste gevallen het volgende stramien wordt gevolgd: een omschrijving van de doeleinden van de bestemming; de bouwregels: regels omtrent hoogte, bouwgrenzen et cetera; een afwijkingsbevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de bouwregels; specifieke regels met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden; een afwijkingsbevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de gebruiksregels; de mogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders om het bestemmingsplan te wijzigen.
Gemeente Amsterdam
blz. 68
Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat regels die gelden voor meerdere in het plan opgenomen bestemmingen: anti-dubbeltelregel; algemene bouwregels; algemene gebruiksregels; algemene aanduidingsregels; algemene afwijkingsregels; algemene wijzigingsregels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels bevat regels die betrekking hebben op: overgangsrecht ten aanzien van bouwen; overgangsrecht ten aanzien van gebruik; de slotregel.
6.4
Artikelgewijze toelichting
6.4.1
Toelichting op de bestemmingen
In deze paragraaf worden de niet voor zichzelf sprekende en bijzondere juridische aspecten van de bestemmingsbepalingen toegelicht. Het beleid wordt niet toegelicht, maar de wijze van regelen. HOOFDSTUK 1 - INLEIDENDE REGELS Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. Wijze van meten Met dit artikel wordt aangegeven op welke wijze moet worden beoordeeld in hoeverre een initiatief past binnen de minima en maxima die door de overige regels worden aangegeven. HOOFDSTUK 2 - BESTEMMINGEN Gemengd De hoofdbestemming van dit bestemmingsplan is 'Gemengd'. Er is gekozen voor een bestemming 'Gemengd' omdat de zes bouwblokken in dit plandeel worden ingevuld met een diversiteit aan zelfstandige, naast elkaar bestaande functies. Er is hierbij ruimte voor het terugkeren van de bestaande functies en voorzieningen en het toevoegen van functies, waaronder wonen. Wonen is in alle bouwblokken toegestaan.
In de blokken A4, B en C is wonen (deels) toegestaan op de begane grond. In de meeste andere gevallen wordt de begane grond ingevuld met economische functies en heeft het wonen plaats op de hoger gelegen verdiepingen. Binnen wonen zijn praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan. In de regels is voor een aantal functies een maximum bruto vloeroppervlak opgenomen. Het totaal van alle toegestane m2 bvo per functie overschrijdt het totaal bvo dat op basis van het bestemmingsplan beschikbaar is. Deze zogenaamde 'overprogrammering' heeft als doel om flexibiliteit te bieden. Het plangebied komt organisch, en op basis van zelfrealisatie, tot stand. Het bestemmingsplan speelt
bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)
blz. 69
hierop in door de verschillende functies op meerdere plekken in het plangebied mogelijk te maken. Om er voor te zorgen dat de Klaprozenbuurt een productieve wijk is en blijft, is er geen maximum bvo opgenomen voor de functie 'bedrijf'. De beperking van waar bedrijven zijn toegestaan wordt alleen bepaald doordat deze functie alleen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' zoals opgenomen op de verbeelding. De in het bestemmingsplan opgenomen functies zijn, wat betreft milieucategorie, allen te combineren met wonen. Wel zullen er bij bedrijvigheid mogelijk op gebouwniveau extra (geluids)isolerenede maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld in de vorm van een zware betonnen vloerscheiding. Voor de meeste overige economische functies geldt dat steeds per functie op de verbeelding is aangegeven waar zo'n functie is toegestaan. Door middel van het specifiek toewijzen van bepaalde functies aan bepaalde plekken in het bestemmingsplan wordt gestuurd op bijvoorbeeld een detailhandelscluster langs de oost- en zuidkant van blok D waar supermarkten toegestaan en winkels in dagelijkse goederen. Het programma voor zover dat bestaat uit winkels in niet-dagelijkse goederen is mede tot stand gekomen doordat in het bestemmingsplan ruimte wordt ingeruimd voor de terugkeer / verplaatsing van reeds in het plangebied aanwezige winkels.
kantoren en creatieve bedrijven zijn alleen toegestaan op de hoger gelegen bouwlagen. Op die manier concurreren ze niet met de functies die op de begane grond zijn bedacht en zijn aangewezen. Voor parkeervoorzieningen voor auto, fietsen en scooters (niet zijnde parkeervoorzieningen voor bezoekers) geldt dat voldoende ruimte moet worden aangebracht volgens de geldende parkeernormen. Deze voorzieningen moeten worden aangebracht in parkeervoorzieningen op eigen terrein. Bij de situering van deze parkeervoorzieningen moet rekening worden gehouden met de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Bouwmogelijkheden De basis voor de bouwregels wordt gevormd door het ruimtelijk kader en de spelregelkaart van de Investeringsnota Klaprozenbuurt. Belangrijke thema's hierin zijn de hoogte van de bebouwing, de plinthoogte, de wijze waarop met parkeren wordt omgegaan en de plaatsing van de bebouwing. Rondom de bouwblokken zijn bouwvlakken getrokken. Voor de eerste bouwlaag langs de stadsstraat geldt een minimale plinthoogte van 4,5 meter. De maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven. Ten opzichte van de bouwhoogtes die zijn opgenomen in de Investeringsnota is er, in verband met de gewenste flexibiliteit, in het bestemmingsplan uitgegaan van meer gemiddelde en afgeronde bouwhoogtes.
De hoogtes zoals opgenomen in het bestemmingsplan zijn allen ruimtelijk en stedenbouwkundig aanvaardbaar maar zullen niet allemaal ook kunnen worden gerealiseerd omdat dan het totaal bvo dat in dit bestemmingsplan maximaal mogelijk is gemaakt, wordt overschreden. Per ontwikkeling worden er afspraken gemaakt over functies, volumes en bouwhoogtes tussen gemeente en initiatiefnemers. Vervolgens wordt vergunning verleend voor de op te richten bebouwing. Om de gewenste diversiteit in bouwhoogtes te behouden geldt de in de vergunning opgenomen bouwhoogte vanaf vergunningverlening als de, ook op basis van het bestemmingsplan, maximaal toegestande bouwhoogte. In de afwijkingsregels is de mogelijkheid geboden om, onder voorwaarden, af te wijken van de op de
Gemeente Amsterdam
blz. 70
verbeelding opgenomen bouwhoogte. Het gaat daarbij om een verschuiving van de maximale bouwhoogte in zijwaardse richting en om afwijken ten behoeve van bouwdelen met een diepere (horizontale) maat dan de standaard diepte van 15 meter die op de verbeelding is aangegeven. Voor ieder bouwblok geldt dat er een binnenterrein dient te worden gerealiseerd die wordt ingericht als tuin of beloopbare groene daktuin. Hoe groter het bouwblok hoe groter de te realiseren groene (dak)tuin. Er zijn bouwregels opgenomen met betrekking tot parkeren voor auto's en fietsen. Door inpandig parkeren voor te schrijven is parkeren uit het zicht en wordt de openbare ruimte hier en de binnenterreinen hier niet mee belast. Groen Het openbaar gebied met een groene invulling zoals plantsoenen, het dijklichaam Buiksloterdijk en groenstroken is aangewezen met de bestemming Groen. Snippergroen is vaak in de bestemming 'Verkeer' opgenomen. Binnen 'Groen' zijn geen gebouwen toegestaan. Wel is er ruimte voor voet- en fietspaden en speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Verkeer De bestemming 'Verkeer' heeft betrekking op de buurtontsluitingswegen, de voet- en fietspaden en de verkeersvoorzieningen met bijbehorende groen- en watervoorzieningen. Verder zijn speelvoorzieningen toegestaan. Leiding - Gas Binnen het plangebied is een gasleiding aanwezig.
Mede in het kader van de ontwikkeling van de Klaprozenbuurt wordt deze gasleiding verlegd. Het nieuwe tracee van de leiding is in dit bestemmingsplan opgenomen met de dubbelbestemming 'Leiding - gas'. De dubbelbestemming beschermd de leiding doordat is vastgelegd dat bepaalde werken of werkzaamheden uitsluitend mogen worden uitgevoerd met een omgevingsvergunning. Leiding - Hoogspanning In dit artikel worden de in het plangebied aanwezige ondergrondse hoogspanningsleidingen beschermd doordat is vastgelegd dat bepaalde werken of werkzaamheden uitsluitend mogen worden uitgevoerd met een omgevingsvergunning. Waarde - Archeologie 1 en Waarde - Archeologie 2 De gronden waarvoor een archeologische verwachting geldt, hebben de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 1 en 2' gekregen. Het bevoegd gezag verleent de vereiste omgevingsvergunning indien dit zich verdraagt met de mogelijk aanwezige te beschermen waarden. In de praktijk komt het er veelal op neer dat de omgevingsvergunning kan worden verleend indien het noodzakelijke archeologisch onderzoek voorafgaand aan de werkzaamheden is afgerond en er geen belemmeringen zijn geconstateerd. Waarde - Cultuurhistorie Een gedeelte van het plangebied is aangewezen als beschermd stadsgezicht van rijkswege.
Het artikel een regeling die rekening houdt met het beschermd stadsgezicht van rijkswege en heeft tot doel het beschermen van de stedenbouwkundige waarden die zijn beschreven in de aanwijzing van het beschermd stadsgezicht Amsterdam-Noord. De inhoud is tot stand gekomen na overleg met Bureau Monumenten en Archeologie. Waterstaat - Waterkering
bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)
blz. 71
Deze dubbelbestemming is gelegd op de primaire waterkering en de bijbehorende beschermingszone in het plangebied. Ingevolge de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) moeten zowel primaire als secundaire waterstaatswerken (deze is breder dan het fysieke waterstaatswerk als zodanig) in het bestemmingsplan worden verwerkt zowel op de verbeelding als in de regels. In dit bestemmingsplan wordt hieraan voldaan door het waterstaatswerk op de verbeelding aan te duiden met deze dubbelbestemming en in de regels hieromtrent een bestemmingsomschrijving op te nemen. Voor het overige zijn de regels van de Keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier van toepassing. Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. Algemene bouwregels In deze regel wordt geregeld dat bepaalde overschrijdingen van de bouwregels zijn toegestaan. Algemene gebruiksregels In deze regel worden de algemene regels omtrent gebruik vastgelegd. Naast het algemene gebruiksverbod om de gronden en opstallen in strijd met de bestemming te gebruiken, is een aantal activiteiten uitgezonderd.
Algemene aanduidingsregels In dit artikel is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarbij, bij het indienen van een omgevingsvergunning voor nieuwe gevoelige functies, dient te worden aangetoond dat voldaan kan worden aan in het artikel genoemde normen voor geluid en geur. Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden algemene afwijkingsregels opgesomd. Er kan voor gebouwen van nutsvoorzieningen en elektriciteitsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals gedenktekens, plastieken en dergelijke worden afgeweken van de regels. Ook kan van de regels worden afgeweken voor geringe afwijkingen en tevens mag de in de regels toegestane maximale bouwhoogte worden overschreden in bepaalde gevallen. Hetzelfde geldt voor de op de verbeelding aangegeven bestemmings- of bouwgrenzen. Algemene wijzigingsregels In deze regels staan de algemene wijzigingsbevoegdheden beschreven. Overige regels In dit artikel wordt de mogelijkheid gegeven tot het stellen van nadere eisen. Overgangsrecht De overgangsregel is evenals de anti-dubbeltelregel overgenomen uit de standaardregels uit het Bro. Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.
Gemeente Amsterdam
blz. 72
bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)
blz. 73
Hoofdstuk 7 7.1
Economische uitvoerbaarheid
Investeringen en opbrengsten
Ten behoeve van de investeringen in de ontwikkeling van het gebied is door de gemeenteraad op 22 januari 2020 de Investeringsnota Klaprozenbuurt vastgesteld. Het investeringsbesluit is noodzakelijk voor de daadwerkelijke uitvoering aangezien op basis van de grondexploitatiebegroting, een uitvoeringskrediet beschikbaar komt. De grondexploitatie maakt deel uit van de totaalexploitatie van het gehele projectgebied.
7.2
Grondexploitatiewet
Ruimtelijke ontwikkelingen gaan in de regel gepaard met gemeentelijke investeringen in gemeenschappelijk te gebruiken voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, waarvan de gemeente de kosten kan en mag verhalen op de ontwikkelaar(s). Alhoewel er reeds lange tijd gemeentelijke instrumenten bestaan voor kostenverhaal, bleken deze telkens tekort te schieten, waardoor gemeenten uiteindelijk bleven zitten met gemaakte kosten die niet meer te verhalen waren. Het instrument de Grondexploitatiewet (Grex), dient om het risico van grondexploitatie voor gemeenten te verkleinen. De Grex is als aparte wet tot stand gekomen, maar uiteindelijk ingepast in hoofdstuk 6 van de Wro en is daarmee sinds 1 juli 2008 van kracht. In de Grex wordt de verdeling van kosten en opbrengsten bij de ontwikkeling van een bouwlocatie geregeld, voor het geval dat de gemeente niet de ontwikkelende partij is. In de fase van de bouwplantoetsing zal de aanvraag omgevingsvergunning ook moeten worden getoetst aan een op grond van de Grex opgesteld exploitatieplan, tenminste: als het noodzakelijk was een exploitatieplan op te stellen. In artikel 6.12 lid 1 Wro is geregeld, dat bij elk voorgenomen bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro, een exploitatieplan verplicht is. Ter illustratie: dat geldt al bij de bouw van één woning.
Echter: er gelden wel uitzonderingen op de noodzaak een exploitatieplan op te stellen, zoals geregeld in artikel 6.12 lid 2 Wro. De belangrijkste uitzondering is, dat een exploitatieplan niet noodzakelijk is, als het kostenverhaal van de grondexploitatie "reeds anderszins is verzekerd". Het plan en de Grex Ingevolge artikel 6.12 Wro besluit het bevoegd gezag, of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat de gemeente Amsterdam volledig eigenaar is van de gronden waarop het bestemmingsplan van toepassing is of omdat het kostenverhaal plaats heeft op basis van anterieure overeenkomsten. Het kostenverhaal, zoals bedoeld in de Wro, is grotendeels verzekerd via het erfpachtstelsel. In het plangebied wordt dus voldaan aan de vereiste van reeds anderszins verzekerd" zijn. Het toepassen van het erfpachtstelsel ten behoeve van kostenverhaal past goed binnen de Wro omdat die wet het uitgangspunt van het privaatrechtelijke spoor voorop stelt. Erfpacht is immers een privaatrechtelijk instrument waarbij de gemeente als eigenaar bepaalt tegen welke vergoeding haar gronden in gebruik mogen worden genomen door derden.
Naar zijn aard biedt dit systeem de gemeente de mogelijkheid om kosten die de gemeente maakt ten behoeve van de grondexploitatie van gronden te verhalen op derden die gebruik maken van die gronden. Opgemerkt zij nog dat de gemeente telkens eigenaar is en blijft van die gronden. Kostenverhaal met behulp van erfpacht past daarom binnen het wettelijk voorzien systeem voor het verhaal van de kosten van de grondexploitatie. De gemeente ontvangt immers een vergoeding voor het
Gemeente Amsterdam
blz. 74
gebruik van de gronden. Uit deze vergoeding kunnen de kosten van de grondexploitatie worden bekostigd. Het is daarom niet noodzakelijk een exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)
blz. 75
Hoofdstuk 8 8.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro)
In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan Klaprozenbuurt om reactie verstuurd naar de volgende instanties: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Rijkswaterstaat West-Nederland Noord; Gedeputeerde Staten van Provincie Noord-Holland; Waternet / Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht; Brandweer Amsterdam-Amstelland; TenneT T.S.O.; Liander; N.V. Nederlandse Gasunie; Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
In Bijlage 17 is de Nota van beantwoording overlegreacties toegevoegd. In deze nota zijn de ingekomen reacties samengevat en voorzien van een reactie.
8.2
Participatie
De planvoorbereiding voor de gebiedsontwikkeling Klaprozenbuurt is gestart in 2016. Met de vestiging van de Wet voorkeursrecht gemeenten in december 2016 is het signaal gegeven aan de buurt dat de planvoorbereiding is gestart. De verkennende fase (principebesluitfase) is in januari 2018 afgerond. Het haalbaarheidsonderzoek (projectbesluitfase) is afgerond in februari 2019. Parallel aan de bestemmingsplanprocedure van het bestemmingsplan Klaprozenbuurt (1) is er gewerkt aan het investeringsbesluit inclusief stedenbouwkundig plan. Op 2 juli 2019 is het concept Stedenbouwkundig Plan Klaprozenbuurt vrijgegeven voor inspraak. Gedurende de planvorming is stevig ingezet op co-creatie en participatie met de buurt en belanghebbenden. De basis van het stedenbouwkundig ontwerp is een stedenbouwkundig schetsontwerp dat is opgeleverd na een intensief participatietraject. In het najaar van 2018 heeft het bewonersinitiatief 'de Groene Draak' (met daarin omwonenden uit de Buiksloterbreek, bewoners van de woonboten van Zijkanaal I en bewoners van het Marjoleinterrein) een visie opgesteld voor het plangebied. Ook een groep bewoners uit de Buiksloterham stelde in dezelfde periode een visie op voor de Klaprozenbuurt. De visie en schetsen van zowel bewoners als het projectteam vormden het vertrekpunt voor een intensief participatief ontwerptraject.