A - 12 Ruimtelijke Ordening (30) 2. Bestemmingsplan Osdorperweg-Westrandweg
Tekst van het document
10.2
Beleid en regelgeving
10.2.1 Erfgoedwet De Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 vervangen als het gaat om gebouwde monumenten en archeologie. Daarnaast gaat de Erfgoedwet ook over roerend erfgoed. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zoals vergunningen, gaan naar de Omgevingswet die waarschijnlijk in 2021 van kracht wordt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. De wet is op 1 juli 2016 ingegaan. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Gemeente Amsterdam
blz. 42
10.2.2 Archeologiebeleid Amsterdam De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat archeologie vroegtijdig in ruimtelijke ordeningsprocessen wordt geïntegreerd. Hiermee worden twee doelen gediend. Ten eerste een efficiënte voortgang en kostenbeheersing van bouwprocessen en ten tweede een kwalitatief goed en stadsbreed uniform beheer van het archeologische erfgoed. Op basis van de resultaten uit het archeologisch bureauonderzoek wordt bepaald of in het bestemmingsplan regels met betrekking tot archeologie moeten worden opgenomen. De bescherming van (verwachte) archeologische waarden in een bestemmingsplan wordt geregeld met een omgevingsgunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Aan een omgevingsvergunning zijn bouwregels verbonden: die bepalen dat in het belang van de archeologische monumentenzorg de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch rapport met selectiebesluit dient te overleggen. Daarnaast kan in het bestemmingsplan worden opgenomen dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voor het uitvoeren van aanlegwerkzaamheden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Dit houdt in dat aan de vergunning de verplichting wordt gekoppeld om technische maatregelen tot behoud te treffen, om de archeologische resten op te graven of om de werkzaamheden te laten begeleiden door een archeoloog.
De bouwregels en de omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden bevatten daarnaast uitzonderingen die duidelijk maken in welke gevallen archeologisch onderzoek niet nodig is. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan de 19de- of 20ste-eeuwse ophogingen. 10.2.3 Erfgoedverordening Amsterdam De Erfgoedverordening Amsterdam is vastgesteld door de Gemeenteraad op 16 december 2015. De Erfgoedverordening beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam en regelt de volgende onderwerpen: aanwijzing van monumenten tot gemeentelijk monument aanwijzing van stads- en dorpsgezichten tot gemeentelijke stads- en dorpsgezichten een vergunningenstelsel voor aanpassingen aan gemeentelijke en beschermde (rijks)monumenten de inschakeling van de Commissie Welstand en Monumenten als adviesorgaan voor de aanwijzing tot gemeentelijk en beschermd (rijks)monument en gemeentelijk stads- of dorpsgezicht en de verlening van een vergunning voor gemeentelijke en (rijks)monumenten; het regelen van bovengrondse cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen eisen die worden gesteld aan cultuurhistorisch onderzoek en archeologisch onderzoek het regelen van betreding van terreinen in het belang van archeologisch onderzoek in het kader van een bestemmingsplan of een
projectbesluit. 10.2.4 Nota cultuurhistorie Nieuw-West De Nota Cultuurhistorie is op 26 juni 2013 door de stadsdeelraad vastgesteld. De doelstelling van de Nota Cultuurhistorie Nieuw-West is om de hooggewaardeerde architectonische objecten en stedenbouwkundige structuren van de Westelijke Tuinsteden te beschermen zonder daarbij de stedelijke ontwikkeling en de stedelijke vernieuwing in het bijzonder op slot te zetten. De nota bevat richtlijnen hoe om te gaan met cultuurhistorische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Om ervoor te zorgen dat in het verleden vastgesteld stadsdeelbeleid voor behoud en bescherming van erfgoed met het intrekken van de voormalige stadsdeelverordeningen niet verloren gaat, is de Nota Cultuurhistorie met het vaststellen van de Erfgoedverordening Amsterdam op 16 december 2015 opnieuw bekrachtigd.
bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)
blz. 43
10.3
Waardering
10.3.1 Waardering cultuurhistorie In de Nota Cultuurhistorie Nieuw-West is de Cultuurhistorische Waarderingkaart Nieuw-West opgenomen die de basis vormt voor het erfgoedbeleid binnen Amsterdam Nieuw-West. Deze kaart is gebaseerd op: 'Waarderingskaarten AUP-gebieden 2013' Ordekaart uit de "Cultuurhistorische Verkenning 2007, Dorpskern Sloten en Osdorperweg". Ordekaart uit de Welstandsnota Slotervaart (2004). Deze waarderingen zijn vertaald naar richtlijnen op object- en buurtniveau. De objecten met de hoogste waardering zijn op de kaart weergegeven. Het gaat hierbij om de categorieën Orde 1 en 2 voor Pre-AUP gebieden. In het plangebied bevindt zich geen bebouwing dat gewaardeerd is als Orde 1 of 2. De objectwaarderingen zijn geaggregeerd naar buurtniveau. Voor de Pre-AUP-periode wordt hierin onderscheid gemaakt in gebieden van het type 'Pre-AUP Uitzonderlijk' en 'Pre-AUP-Standaard'. Het plangebied behoort tot het type 'Pre-AUP Standaard'.
De richtlijnen voor 'Pre-AUP Standaard' zijn als volgt: Bebouwing: Bebouwing heeft een individueel karakter; Nieuwbouw situeren in samenhang met de historische verkavelingsrichting; Behoud bestaande doorzichten vanaf wegen naar achterland; Bebouwing blijft minimaal twee meter uit de oeverlijn; Ruimte tussen huizen in Oud-Osdorp handhaven; Binnen de dorpskern Oud-Osdorp de rooilijn handhaven; Bouwplannen voldoen aan de welstandsnota De Schoonheid van Amsterdam 2013. Netwerken: Groene, blauwe en grijze Raamwerk blijft in stand; Bestaande slotenpatroon blijft in hoofdlijnen gehandhaafd; Verkavelingsrichting is leidend bij nieuwe ontwikkelingen; Hoogteverschillen (o.a. kades, dijken, polders) blijven zo veel mogelijk in tact; Behoud van groene oevers van de sloten, een houten beschoeiing kan wel; Aandacht voor boombeplanting rondom (nieuw aan te leggen) grootschalige bedrijfsgebouwen of -terreinen; Nog bestaande bruggen worden niet door een dam vervangen; aanleg brug heeft voorkeur; Kavels mogen niet geheel verstenen (bebouwing en verharding); vóór de voorgevelrooilijn dient minimaal 50% van het erf groen te blijven; Inheemse, historisch voorkomende boomsoorten toepassen. Het plangebied kent geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
10.3.2 Waardering archeologie Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een bureauonderzoek (quickscan) uitgevoerd naar de aanwezigheid van archeologische waarden (Bijlage 3 Beleidskader Archeologie). Voor het grootste deel van het terrein geldt een negatieve verwachting, vanwege diepgaande bodemroerende werkzaamheden bij turfwinning en de aanleg van de Ookmeerweg in de 20ste eeuw. Een uitzondering hierop is een 75-meter zone langs de Osdorperweg, waar geconcentreerde bewoningssporen kunnen voorkomen daterend vanaf de late middeleeuwen. De verwachting voor het bestemmingsplangebied is omgezet naar beleidsregels ten aanzien van het behoud van archeologische waarden. Voor de zone langs de Osdorperweg geldt beleidscategorie 3 (uitzondering van de archeologische onderzoeksplicht bij ingrepen kleiner dan 100 m2 of minder diep dan 0,5). Voor het overig deel van het plangebied geldt beleidscategorie 11 (vrijstelling van archeologisch onderzoek bij alle bodemingrepen). Hiernaast geldt voor het gehele plangebied de wettelijke meldingsplicht. Indien tijdens de uitvoering van werkzaamheden vondsten worden gedaan, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.
10.4
Conclusie
10.4.1 Cultuurhistorie Het plangebied behoort tot het beschermingsregime 'Pre-AUP Standaard' volgens de Cultuurhistorische Waarderingkaart Amsterdam Nieuw-West. Voor dit regime zijn richtlijnen opgenomen voor de bebouwing en netwerken. Aangezien het een conserverend bestemmingsplan betreft, zijn de richtlijnen hier niet van toepassing. Het plangebied kent verder geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten. 10.4.2 Archeologie Voor de zone langs de Osdorperweg geldt een hoge verwachting en beleidscategorie 3. Voor het overig deel van het plangebied geldt een negatieve verwachting en vrijstelling van archeologisch onderzoek bij alle bodemingrepen. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied conform de Erfgoedwet een vondstmeldingsplicht. Voor het gebied met beleidscategorie 3 is een dubbelbestemming opgenomen.
bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)
blz. 45
Hoofdstuk 11 11.1
Duurzaamheid
Algemeen
Het aspect duurzaamheid speelt de laatste jaren steeds meer een rol bij gebiedsontwikkelingen. Dit begint al bij het formuleren van het kader en de ambities voor een plangebied. Een bestemmingsplan kan ten aanzien van het aspect duurzaamheid alleen datgene regelen wat een direct verband houdt met de bestemming die aan de gronden wordt toegekend. De planregels moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van de gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden.
11.2
Beleid en regelgeving
11.2.1 Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie De Provincie Noord-Holland wil zoveel mogelijk bijdragen aan de afname van de oorzaken van klimaatverandering. Daarom wil de Provincie het energieverbruik in samenwerking met gemeenten in het stedelijk gebied, op bedrijventerreinen en in de glastuinbouw zoveel mogelijk beperken en de resterende vraag met duurzame energie invullen. De toepassing van duurzame energie in de gebouwde omgeving moet worden vergroot. Artikel 33 ("Energie en duurzaam bouwen") van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (die op 1 november 2010 in werking is getreden) bepaalt dat bestemmingsplannen voor woningbouw, renovatie (herstructurering), bedrijventerreinen en kantoorlocaties en glastuinbouw dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en inzet van duurzame energie, waaronder mede wordt verstaan het gebruik van restwarmte, WKO en aardwarmte, zonne-energie, biomassa. Verder dient nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking aan eisen van duurzaam bouwen te voldoen. 11.2.2 Gemeente Amsterdam Duurzaamheid staat hoog op de Amsterdamse agenda. Burgers, bedrijven en overheden zijn zich steeds meer bewust van hun gedrag en hun verantwoordelijkheid voor hun omgeving.
Dat zorgt er bijvoorbeeld voor dat steeds meer bedrijven inspelen op de steeds grotere vraag naar duurzame producten waardoor zij daarmee hun imago zien verbeteren. Duurzaamheid gaat voor een groot deel over de vraag welke ambities bouwende en beherende partijen hebben. Ambities en het daadwerkelijk committeren aan de ambities zijn niet altijd een op een gelijk. Duurzaamheid gaat dan ook over maatwerk. Elk project zal zijn eigen 'kleur' krijgen waarbij het zwaartepunt bij elk van hen anders zal liggen. De gemeente verwacht als sturingsinstrument het meeste effect door ontwikkelende partijen te stimuleren om op vrijwillige basis (maar niet vrijblijvend) ambities te formuleren om CO² neutraal te gaan ontwikkelen en een energievisie op te stellen. Voor bestaande bedrijven biedt de Wet Milieubeheer mogelijkheden om bij controles energiebesparingplannen te stimuleren en zelfs te vereisen. 11.2.3 Stadsdeel Nieuw-West Energie en duurzaamheid Een belangrijke doelstelling is om als stadsdeel actief mee te werken aan het realiseren van de
Gemeente Amsterdam
blz. 46
Amsterdamse doelstelling om 40% CO2 te reduceren in 2025 ten opzichte van 1990. Uitgangspunt ten aanzien van de bouw is dat renovatie en nieuwbouw van woningen en utiliteit zo energiezuinig mogelijk wordt uitgevoerd met een duurzaam casco en dat met duurzame energie in de resterende energievraag wordt voorzien. Stadsdeel Nieuw-West heeft de Amsterdamse doelstelling overgenomen dat vanaf 2015 alle nieuwbouw klimaatneutraal is. Klimaatneutraal bouwen betekent dat alle energie voor verwarmen, koelen, tapwater en alle gebouwgebonden elektragebruik wordt bespaard dan wel duurzaam wordt opgewekt, zonder gebruik te maken van fossiele brandstoffen. Voor het bepalen de energieprestatie van de gebouwen kunnen algemeen gebruikte meetinstrumenten worden gehanteerd. Bij het klimaatneutraal bouwen wordt de volgende aanpak gehanteerd: Stap 1: Duurzaam casco met onder meer goede isolatie (gevel, dak, vloer, deur), toepassen van energiezuinige ventilatie, laag temperatuur verwarming e.d.; Stap 2: Duurzame warmte/ koudevoorziening door bijvoorbeeld stadswarmte, warmte-koude opslag in de bodem en zonnecollectoren; Stap 3: Lokaal opwekken duurzame energie door bijvoorbeeld zonnepanelen en windturbines om in de resterende gebouwgebonden elektriciteitsvraag te voorzien.
Overige uitgangspunten die wat betreft energie en duurzaamheid van belang zijn: Voor de renovatie van woningen is het streven minimaal twee energielabel stappen te maken; Bij het toepassen van duurzame energiesystemen, zoals zonnepanelen en windturbines, is hetstreven om dit al bij het ontwerp van dak, gevel en overstekken te integreren; Bij gebouwen is het streven om groene daken aan te leggen; Uitgangspunt is het gebruik van duurzame materialen zoals FSC-hout (of vergelijkbaar) en een voorkeur voor gerecyclede of cradle-to-cradle producten. Gebruik van uitlogende materialen zoals zink, koper en lood wordt vermeden. Bij de openbare ruimte is het streven een duurzame inrichting die zo min mogelijk milieubelasting veroorzaakt door onder meer de volgende maatregelen: duurzaam materiaalgebruik en daarbij de landelijke duurzaamheidcriteria van AgentschapNL te hanteren; energiezuinige openbare verlichting; maatregelen in het kader van klimaatadaptatie; fysiek ruimte reserveren voor milieuvriendelijk gedrag. Dit betekent bijvoorbeeld voldoende fietsparkeergelegenheid, voldoende afvalbakken voor gescheiden inzameling en oplaadpunten voor elektrisch vervoer.
11.3
Toetsing
Dit bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast en staat geen nieuwe ontwikkelingen toe. In de toekomst zal, bij nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, het aspect duurzaamheid onderdeel zijn van de afwegingen.
bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)
blz. 47
Hoofdstuk 12 12.1
Externe veiligheid
Algemeen
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.
Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens. Het deelgebied Osdorperweg-Westrandweg ligt niet binnen het invloedsgebied van een spoorweg of binnenwater waarlangs of waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Wel ligt het gebied binnen de invloedszone van de rijksweg A5. Ten oosten van het deelgebied loopt een hoge druk aardgasleiding, het invloedsgebied van deze buisleiding rijkt echter niet tot het deelgebied Osdorperweg-Westrandweg. Hieronder worden de risico's van deze activiteiten voor de omgeving omschreven.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
12.2
Beleid en regelgeving
12.2.1 Beleid externe veiligheid Het doel van het beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren voor aanwezigen in de omgeving van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties. De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid. 12.2.2 Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing.
Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. 12.2.3 Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden.
Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Voor de wijze waarop het PR en GR beoordeeld moeten worden, is de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (verder: de Circulaire) van toepassing. De Circulaire beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. De overheid vraagt gemeenten, provincies en infrabeheerders om medewerking aan dit beleid te verlenen door bij de besluitvorming die onder hun verantwoordelijkheid valt, de veiligheidsbelangen overeenkomstig deze Circulaire af te wegen. Hierbij gaat het om diverse besluiten gerelateerd aan vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ordening.
bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)
blz. 49
Op basis van de Circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Voor het GR geldt op basis van de Circulaire voor het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht in de gevallen van een overschrijding van de oriëntatiewaarde of een toename van het GR. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De Circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Desondanks kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een verantwoording voor het groepsrisico ook buiten deze 200 meter op zijn plaats zijn, met eventuele beperkingen, zoals bijvoorbeeld in de sfeer van maatregelen die de zelfredzaamheid van de bevolking bevorderen. 12.2.4 Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing.
Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.
Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteit en werking van de buisleiding kunnen verhinderen.
Gemeente Amsterdam
blz. 50
12.2.5 Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico's zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico s aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan.
Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door burgemeester en wethouders expliciet is toegestaan.
12.3
Toetsing
12.3.1 Risicovolle inrichtingen Binnen het plangebied en in de omgeving zijn geen inrichtingen aanwezig waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd of opgeslagen. 12.3.2 Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren Osdorperweg-Westrandweg Het deelgebied Osdorperweg-Westrandweg ligt binnen het invloedsgebied van de rijksweg A5, over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaatst. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van het wegtransport mogelijk. Alleen de huidige situatie wordt bestemd. Binnen het plangebied zijn er twee woningen aan de Osdorperweg gelegen. Voor deze locatie is een memo externe veiligheid door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied opgesteld (d.d. 23 maart 2018, zie Bijlage 4). Het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en neemt met minder dan 10% toe in de nieuwe situatie. Daarom is er geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk en hoeft uitsluitend artikel 7 van het Bevt uitgewerkt worden. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp met gevaarlijke stoffen op de weg en b.
de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)
blz. 51
voordoet met gevaarlijke stoffen. Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid Gemeente Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid stelt dat objecten specifiek bedoeld voor minder-zelfredzame personen (voorzieningen) buiten de 100% letaliteitscontour van de transportroute moeten worden gesitueerd. De ruimtelijke ontwikkeling betreft geen objecten specifiek bedoeld voor minder-zelfredzame personen. Zodoende wordt op dit punt voldaan aan het Uitvoeringsbeleid. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden. Zodoende wordt op dit punt ook voldaan aan het Uitvoeringsbeleid. Verantwoording In verband met de verantwoording van het groepsrisico is advies van de brandweer gevraagd. Uit dit advies blijkt dat gezien de aard van het bestemmingsplan wordt verwacht dat de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen in het plangebied goed te bestrijden en te beperken zijn. Ook de zelfredzaamheid van de aanwezige in het plangebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering. 12.3.3 Buisleidingen Osdorperweg-Westrandweg Ten oosten van het deelgebied Osdorperweg-Westrandweg loopt een hoge druk aardgasleiding. Voorliggend bestemmingsplan ligt niet binnen de invloedszone van deze aardgasleiding en is derhalve niet relevant.
Gemeente Amsterdam
blz. 52
bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)
blz. 53
Hoofdstuk 13
Luchthavenindelingsbesluit
In artikel 8.8, lid 1, van de Wet luchtvaart is bepaald dat onder andere bij de vaststelling van een bestemmingsplan het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) in acht moet worden genomen. Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) onder de Wet luchtvaart en is oorspronkelijk op 31 augustus 2004 in werking getreden. Het bestaat uit de volgende drie onderdelen, die elk iets anders juridisch vastleggen: 1. Het luchthavengebied; 2. Het beperkingengebied in verband met Vliegveiligheid: a. Regels omtrent de beperking van de maximale hoogte van objecten in verband met de veiligheid van het luchtverkeer; 3. Het beperkingengebied in verband met Geluid en Externe Veiligheid: a. Regels omtrent de beperking van de bestemming en het gebruik van de grond in verband met het externe veiligheidsrisico vanwege het luchtverkeer; b. Regels omtrent de beperking van de bestemming en het gebruik van de grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchtverkeer. Per 1 januari 2018 is het Luchthavenindelingbesluit (LIB) gewijzigd. Deze wijziging is doorgevoerd om de regels voor externe veiligheid en geluidbelasting door het luchtverkeer rond Schiphol te actualiseren.
Het gaat om regels voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen over de bestemming en het gebruik van grond om zo de geluidhinder en de externe veiligheidsrisico’s door ruimtelijke ontwikkelingen te beperken. Concreet betekent dit: Verankering regels voor het 20Ke-gebied (voortaan: ‘afwegingsgebied geluid en externe veiligheid’). Deze waren tot dit besluit gebaseerd op de Nota Ruimte. Verbetering effectiviteit en efficiëntie van regelgeving. Gemeenten, provincies en ILT met ruim 10 jaar praktijkervaring met het LIB hebben hiervoor voorstellen ingediend. Meer eigen afwegingsruimte en daarmee verantwoordelijkheid voor gemeenten. Dit vloeit voort uit de flexibilisering van de regels voor binnenstedelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Opname in de regels van het besluit zelf: de criteria waaraan een aanvraag om een verklaring van geen bezwaar van de minister om te mogen afwijken van het LIB werd getoetst, zijn opgenomen in de regels van het besluit. Gemeenten hebben deze verklaring niet meer nodig om positief te kunnen besluiten over een omgevingsvergunning. Stroomlijning van de begripsbepalingen met andere wetgeving voor geluidbelasting en externe veiligheid. Anticiperen op de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet om regels te vereenvoudigen en flexibiliseren, de decentrale afwegingsruimte te vergroten, begrippen te stroomlijnen en procedures te verminderen.
De regels in het LIB vanwege geluid en externe veiligheid zijn met dit wijzigingsbesluit beter uitvoerbaar geworden. Tegelijkertijd is de consistentie met andere (ruimtelijke) regelgeving verbeterd. Het voorliggende plan valt binnen het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid. Voor onderhavig plangebied betekent dit dat buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties zijn toegestaan. Daarnaast dienen gemeenten te motiveren op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. Voorliggend bestemmingsplan legt de huidige situatie vast en voorziet in in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Derhalve is het niet noodzakelijk om te motiveren op welke wijze rekening gehouden is met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
Het plangebied plan valt binnen het beperkingengebied voor hoogte van het LIB. Als gevolg hiervan zijn in het plangebied geen gebouwen hoger dan 41 meter boven NAP mogelijk. Dit conserverende bestemmingsplan maakt dergelijke gebouwen niet mogelijk. Het plangebied ligt binnen de zone waar geen nieuwe vogelaantrekkende functies (zoals viskwekerijen en grote waterpartijen) zijn toegestaan. Dit bestemmingsplan bestemd de huidige situatie en maakt geen nieuwe vogelaantrekkende functies mogelijk. Het plangebied plan valt binnen het beperkingengebied voor windturbines en lasers van het LIB. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe windturbines en/of lasers mogelijk.
bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)
blz. 55
Hoofdstuk 14 14.1
Milieuhinder bedrijvigheid
Algemeen
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. In het bestemmingsplan kan de afstand tussen milieugevoelige en milieubelastende activiteiten worden vastgelegd. Het regelen van die afstand wordt ook wel milieuzonering genoemd. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.
14.2
Regelgeving
De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering, Handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk (VNG-publicatie) is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: de richtafstandenlijst; twee omgevingstypen; een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals een rustig buitengebied). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Gemengd gebied / gebied met functiemenging Gemengde gebieden zijn gebieden met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals kleine bedrijven. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-publicatie zijn afgestemd op een rustige woonwijk.
Deze richtafstanden kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Verdere reducties zijn niet te verantwoorden, omdat in algemene zin niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en het functioneren van bedrijven niet in gevaar wordt gebracht.
14.3
Conclusie
De Osdorperweg kan aangewezen worden als gemengd gebied vanwege de ligging aan de hoofdinfrastructuur.
Gemeente Amsterdam
blz. 56
In de omgeving van de Osdorperweg zijn verschillende bedrijven en tuinbouwkassen gevestigd. Kassen met of zonder gasverwarming kennen een richtafstand in gemengd gebied van 10 meter. De woningen aan de Osdorperweg 826 en 828 liggen op ruim 250 meter van deze kassen. Bedrijven in de nabijheid van de woningen worden mogelijk gemaakt in categorie A en B. Deze bedrijven liggen om meer dan 400 meter afstand Categorie A Het betreft activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan een woning - in gebieden met functiemenging - kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B Het betreft activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies moeten plaatsvinden. Gezien de grote afstanden tussen de woningen en de bedrijven en kassen bestaat er geen aanleiding en/of noodzaak om onderzoek te doen naar milieuhinder door bedrijven. In het kader van hinder van bedrijven zijn geen belemmeringen te constateren voor het bestemmingsplan Osdorperweg-Westrandweg. Mocht zich in de toekomst een bedrijf vestigen dan is deze mogelijk een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.
In dat geval gelden de voorschriften welke zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Dit kan bijvoorbeeld voorschriften betreffen met betrekking tot het redelijkerwijs inperken van overlast van lawaai of stank van deze bedrijven.
bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)
blz. 57
Hoofdstuk 15 15.1
Natuur en Landschap
Algemeen
Daar waar bestemmingsplannen en inpassingsplannen ruimtelijke ontwikkelingen en projecten mogelijk maken, moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen(soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan. Naast de wettelijke regelingen voor gebieds- en soortenbescherming is het van belang te constateren dat een deel van het plangebied van dit bestemmingsplan onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke Hoofdgroenstructuur.
In de 'Structuurvisie Amsterdam 2040 - Economisch sterk en duurzaam' (17 februari 2011) is de hoofdgroenstructuur van Amsterdam vastgelegd. Tevens is het toetsingskader voor de hoofdgroenstructuur opgenomen en is een Technische Adviescommissie (TAC) ingesteld. Deze commissie adviseert het college van burgemeester en wethouders over de inpasbaarheid van bouwinitiatieven in de Hoofdgroenstructuur.
15.2
Beleid en regelgeving
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de oude Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. 15.2.1 Wet natuurbescherming Omschrijving Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Met de Wet natuurbescherming wordt gepoogd om een eind te maken aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. De wet beoogt één integraal en vereenvoudigd kader voor Natuurbescherming te introduceren. Het nieuwe stelsel neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt en beoogt qua systematiek dicht tegen de formuleringen uit de richtlijnen aan te kruipen. De wet valt, als het gaat om beschermingsregimes, uiteen in een regime voor gebiedbescherming en een voor soortenbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedbescherming binnen de Wnb ziet alleen op de bescherming van de zogenaamde Natura 2000-gebieden en niet meer voor op de op grond van de oude wet aangewezen beschermde Natuurmonumenten, voor zover deze niet deels dan wel geheel vallen binnen een Natura 2000-gebied.
Gemeente Amsterdam
blz. 58
Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt op grond van de Wet een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan moet al duidelijk zijn of de ontwikkelingsmogelijkheden die in het plan worden opgenomen niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Het in de wet opgenomen beschermingsregime voor soort valt uiteen in drie afzonderlijke regimes, die elkaar deels overlappen. Het gaat om de volgende regimes: 1. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn.
Met betrekking tot deze soorten zijn verschillende verbodsbepalingen opgenomen onder meer een verbod om dieren opzettelijk te verstoren, een verbod nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen en een verbod om planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ontheffing van deze verboden is mogelijk mits wordt vastgesteld dat er een er geen andere bevredigende oplossing is en met zekerheid geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding . Bovendien dient sprake te zijn van een van de ontheffingsgronden die zijn opgenomen in de Hrl. De belangrijkste ontheffingsgronden zijn: a. het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; b. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; c. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 2.
Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels die beschermd zijn op grond van de Vogelrichtlijn. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het verboden is vogels opzettelijk te storen. Ontheffing van de verbodsbepaling is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn niet als ontheffingsgrond genoemd en kunnen niet ten grondslag worden gelegd aan een ontheffing te verlenen. Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. Dit betekent overigens niet dat het vernielen, verplaatsen of het beschadigen van nesten is toegestaan, hier gelden aanvullend de eerder genoemde verbodsbepalingen. 3. Het beschermingsregime voor nationale soorten, dat van toepassing is op soorten die vermeld zijn op de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: er geen andere bevredigende oplossing is, en indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er wordt vanuit gegaan dat jurisprudentie van de afdeling die onder de Flora- en faunawet bestond, ook van toepassing is op het nieuwe wettelijke stelsel.
Dit betekent dat een bestemmingsplan alleen kan worden vastgesteld, als is aangetoond dat de verbodsbepalingen ter bescherming van bepaalde soorten uit de Wnb niet aan de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Dit kan door het
bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)
blz. 59
doen van ecologisch onderzoek worden aangetoond. Toetsing In het plangebied van dit bestemmingsplan bevinden zich geen Natura 2000-gebieden. Er worden met dit conserverende bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarmee gebieden of soorten worden verstoord. De verbodsbepalingen ter bescherming van bepaalde soorten uit de Wnb staan dan ook niet in aan de weg aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 15.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening De provinciale ecologische structuur is in 2010 vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Deze heeft als doel het behoud en de ontwikkeling van de Ecologische hoofdstructuur (EHS) en de ecologische verbindingszones (EVZ). De provincie heeft de recreatiegebieden met hoge natuurwaarden ook opgenomen in de ecologische hoofdstructuur. In de structuurvisie is opgenomen dat de provincie Noord-Holland de gebieden met een hoge biodiversiteit beschermt en deze uitbouwt tot een robuust samenhangend netwerk. Daarnaast stelt ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening een regeling bij verordening verplicht. Het behoud en ontwikkeling van de EHS en de EVZ kan op diverse wijzen in het bestemmingsplan worden opgenomen. Op 12 december 2016 hebben Provinciale Staten een wijziging van de Provinciale Ruimtelijke Verordening vastgesteld, die op 1 maart 2017 in werking is getreden.
Artikel 19 van de PRV regelt de planologische bescherming van de EHS en EVZ in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het opnemen van de natuurfunctie in het bestemmingsplan dient pas te geschieden wanneer de natuurfunctie ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Wel dienen bestemmingsplannen een wijzigingsbevoegdheid te bevatten, waarmee de bestemmingswijziging naar ‘natuur’ gerealiseerd kan worden. Dit gebeurt na verwerving of ontpachting van de desbetreffende percelen of na het afsluiten van een overeenkomst voor particulier natuurbeheer. Ook dient de wijzigingsbevoegdheid te worden gebruikt als gedeputeerde staten aan provinciale staten zullen verzoeken een besluit tot verzoek voor onteigening aan de Kroon te doen. Het eerste en tweede lid bevatten tevens een verwijzing naar de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS. In het natuurbeheerplan van de provincie is opgenomen hoe de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied bepaald kunnen worden. Toetsing Ten oosten van de Westrandweg loopt een EVZ. Deze zone is in voorliggend bestemmingsplan deels bestemd tot 'Natuur', de gronden die bestemd zijn tot 'Agrarisch met waarden' zijn in erfpacht uitgegeven. De gronden kennen een wijzigingsbevoegdheid voor de bestemming 'Natuur'. 15.2.3 Gemeentelijk beleid 15.2.3.1
Hoofdgroenstructuur
Omschrijving Op 17 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Amsterdam de Structuurvisie Amsterdam 2040 vastgesteld. In de structuurvisie is de benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam minimaal wil borgen, vastgelegd als de Hoofdgroenstructuur. Het groen in en om de stad draagt immers in hoge mate bij aan de kwaliteit van de Amsterdamse woon- en werkomgeving. Het is één van de redenen waarom Amsterdam populair is als vestigingsplaats.
Gemeente Amsterdam
blz. 60
De Hoofdgroenstructuur omvat de gebieden die waardevol zijn voor de stad en de metropool, omdat zij een onmisbare functie vervullen voor groene recreatie, verbetering leefklimaat, waterhuishouding, hittedemping, verbetering luchtkwaliteit, biodiversiteit en voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn belangrijke aspecten. Plannen in de Hoofdgroenstructuur vragen om een afgewogen oordeel. Om dit mogelijk te maken, is een deskundigenadvies geïntroduceerd, dat specifiek betrekking heeft op de inpasbaarheid van een initiatief. Hiertoe is de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) ingesteld. De tac toetst alle plannen van de stad die aan burgemeester en wethouders ter besluitvorming of ter advisering worden voorgelegd aan de beleidsregels voor de Hoofdgroenstructuur en adviseert burgemeester en wethouders, wanneer zij dit nodig acht. Ingrepen in de Hoofdgroenstructuur worden op inpasbaarheid beoordeeld. In de structuurvisie zijn de beoordelingscriteria opgenomen, per groentype wordt aangegeven welke ingrepen wel en niet zijn toegestaan. De verschillende groentypen zijn: curiosa, corridor, ruigtegebied of struinnatuur, stadsrandpolder, stadspark, begraafplaats, volkstuinpark of schoolwerktuin en sportpark. Bij de toetsing op inpasbaarheid worden de voor het betreffende groentype geldende richtlijnen gehanteerd.
Osdorperbobenpolder / Lutkemeerpolder Het plangebied ten westen van de Westrandweg maakt deel uit van de Hoofdgroenstructuur. Het betreft de Osdorperbobenpolder/Lutkemeerpolder en is aangeduid als het groentype Stadsrandpolder. Het plangebied ten noorden van de Ookmeerweg maakt ook deel uit van de Hoofdgroenstructuur. Het betreft de Osdorperbinnenpolder en is ook aangeduid als het groentype Stadsrandpolder. Ingevolge de Structuurvisie luidt de beleidsintentie: Stimuleren van stadslandbouw en zorgboerderijen (in bestaande bouw). Stimuleren van natuureducatie. Tegengaan verrommeling door voorkomen van uitplaatsing van NIMBY-functies (NIMBY: not in my backyard). Bij Waterland en Amstelland is het behoud van het cultuurhistorisch karakter uitgangspunt. De openheid van het gebied mag niet aangetast worden. Overnachtginsmogelijkheden alleen kleinschalig in bestaande bouw. Inpasbare voorzieningen: Kleinschalige recreatieve voorzieningen: observatiepunten, informatieborden, routing (land, water), kano- en roeibootcentra, informatiecentrum, picknicktafels, bankjes. Kleinschalige horeca, gericht op passerende recreanten. Geen leisure of andere recreatieve voorzieningen met een verkeersaantrekkende werking (auto). Nieuwe voorzieningen moeten aansluiten bij het recreatieve profiel van het gebied en dit versterken.
Nieuwe voorzieningen mogen niet concurreren met soortgelijke voorzieningen in de nabije omgeving.
15.2.3.2
Ecologische structuur
Omschrijving Op 17 februari 2011 is de structuurvisie "Amsterdam 2040: economisch sterk en duurzaam" vastgesteld door de Amsterdamse gemeenteraad. In de structuurvisie is een globale kaart opgenomen van een ecologische structuur voor Amsterdam, ter versterking van en aanvulling op de provinciale ecologische hoofdstructuur. Bij de behandeling van de structuurvisie in de Amsterdamse gemeenteraad werd een bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)
blz. 61
motie aangenomen waarin werd gevraagd om nadere precisering van deze ecologische structuur. De ecologische visie is daarvan de invulling en wordt beschouwd als een uitwerking van de structuurvisie. Dat betekent dat ruimtelijke plannen aan deze visie zullen worden getoetst. Daarbij wordt gelet op het volgende beleidsuitgangspunt: "De ecologische hoofdstructuur wordt gerespecteerd, knelpunten worden aangepakt en voor wijzigingen is, vergelijkbaar met de hoofdgroenstructuur, een besluit van de gemeenteraad nodig." Toetsing Op de kaart met de ecologische structuur is te zien dat enkele delen van de ecologische structuur zich (deels) bevinden in het plangebied: ten westen van de Westrandweg. De bestaande situatie op deze locaties worden door voorliggend bestemmingsplan niet gewijzigd. 15.2.3.3
Groene AS-verbinding Osdorperbovenpolder Tuinen van West
De Groene AS is een ecologische en recreatieve verbindingszone tussen Amstelland en Spaarnwoude. In 1995 is een ontwikkelingsplan opgesteld om deze verbindingszone te realiseren. Deze verbinding is noodzakelijk, omdat het de laatste potentiële groene ader is tussen het veenweidegebied van Amstelland en dat rondom Spaarnwoude. Destijds is besloten dat verschillende natuurgebieden aaneen worden geschakeld zodat daartussen weer een samenhang zou ontstaan. Daarnaast was het doel om een aantrekkelijk traject tot stand te laten komen voor routegebonden recreatie. Onderdeel van de Groene AS is het project Groene AS-verbinding Osdorperbovenpolder (december 2012). Deze Groene AS verbinding verbindt projecten in de Lutkemeerpolder en langs de Ringvaart enerzijds, en het natuurgebied in de Osdorperbinnenpolder-Noord (Kluut II) anderzijds. Met dit project werd 13,6 ha. natuur beoogd. Dit project is een belangrijke schakel in moerasnatuur, een ecologische passage voor de Groene AS en tevens natuurcompensatie voor de aanleg van de Westrandweg. Dit project is inmiddels uitgevoerd en gerealiseerd en bestond uit drie onderdelen, twee onderdelen van dit project liggen binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Ecologische passage Osdorperweg/Osdorpervaart Het terrein onder en rondom het viaduct van de Westrandweg is ingericht met bloemrijk grasland, water en rietmoeras.
De waterlopen ter weerszijden van de Osdorperweg hebben natuurlijke oevers gekregen die aansluiten op een faunapassage onder de Osdorperweg door. Het terrein tussen deze weg en de Osdorpervaart is ingericht volgens de karakteristieke eilandenstructuur van de kavels tussen weg en vaar met zoveel mogelijk overgangen van land naar water. Moeraszone Osdorperbovenpolder De oppervlakte van dit deel is 7 ha. en omvatte het (grotendeels) omzetten van het huidige grasland in rietmoeras en het verbreden van watergangen. Hierbij is de slagenverkaveling gehandhaafd. Deze herverkaveling volgens het oude principe is ontstaan na het gedeeltelijk vervenen van de polder tussen 1900 en 1920. Door het afgraven van grond tot 20 cm. onder maaiveld en het aanplanten van riet is de omzetting van grasland naar rietmoeras bereikt. Herinrichting voormalige slibvelden De voormalige Slibvelden liggen in de noordwesthoek van de Lutkemeerpolder en liggen buiten het
Gemeente Amsterdam
blz. 62
plangebied van voorliggend bestemmingsplan. De landschappelijke inrichting van deze velden wordt echter wel besproken gezien de landschappelijke verbinding met de andere twee onderdelen van het project. 6 ha. van het terrein viel binnen de compensatieverplichting van Rijkswaterstaat en is her ingericht. De voormalige Slibvelden zijn 1959 ingericht voor de Rioolzuivering West. Materiaal uit deze zuivering bleek onverkoopbaar, het terrein is lang een baggerdepot geweest. Het terrein werd tot de aanleg van de Westrandweg gebruikt voor opslag van zand en grond. Het terrein is nu ingericht als een gevarieerd natuurlandschap. De af te graven gronden voor het hoofddoel natte natuur is ter plekke verwerkt. Hierdoor zijn er terpen ontstaan met een variabele hoogte tot maximaal 10 meter. Er zijn een aantal eilanden ontstaan met verschillende karakters. De waterlopen benadrukken de natte natuur die is geïntroduceerd in het voormalig droge gebied. In het noorden sluit dit aan op de rietmoerassen in de Osdorperbovenpolder.
15.3
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan bestemd de huidige situatie rondom de Westrandweg die voortkomt uit onder andere de natuurcompensatie vanwege de aanleg van de Westrandweg. De gronden van de moeraszone Osdorperbovenpolder zijn bestemd tot 'Natuur' en 'Agrarisch met waarden' waarin het behoud, herstel of de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de uitgeveende Osdorper Bovenpolder geregeld is. Ten oosten van de Westrandweg loopt een EVZ. Deze zone is in voorliggend bestemmingsplan deels bestemd tot 'Natuur'. De gronden die in erfpacht zijn uitgegeven in deze zone zijn bestemd tot 'Agrarisch met waarden' en kunnen middels een wijzigingsbevoegdheid gewijzigd worden in 'Natuur'.
bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)
blz. 63
Hoofdstuk 16 16.1
Water
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.
ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem.
De waterparagraaf geeft ook een weergave van de watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur. Hieronder wordt eerst de toepasselijke regelgeving beschreven. Naast de Europese en nationale wetgeving worden ook de toepasselijke (beleids)regels van de bevoegde lagere organen genoemd. Het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht is water(kwaliteit- en kwantiteit)beheerder in het plangebied. De gemeente Amsterdam is verantwoordelijk voor het beheer van water als openbare ruimte; het stadsdeel verleent de vergunningen voor het afmeren van (woon)schepen en het aanleggen van steigers. Hierna worden de verschillende waterhuishoudkundige aspecten in beschouwing genomen.
16.2
Beleid en regelgeving
16.2.1 Rijksbeleid 16.2.1.1
Waterwet
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden, waarmee een achttal wetten is samengevoegd tot één wet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Met als resultaat één vergunning; de watervergunning. Watervergunningen kunnen betrekking hebben op bouw- of aanlegwerkzaamheden bij water en dijken; lozen en onttrekken van water; varen, aanmeren en evenementen en plannen ten behoeve van natuur en recreatie en uitbreidingsplannen. Minstens zo belangrijk is dat zoveel mogelijk activiteiten onder algemene regels vallen. In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in plaats van een vergunningenprocedure. Niet alles is in algemene regels
Gemeente Amsterdam
blz. 64
vast te leggen en voor deze activiteiten in, op, onder of over watersystemen is er de watervergunning. Personen die een ligplaats hebben of aanvragen moeten tevens een watervergunning aanvragen bij het bevoegd gezag. 16.2.1.2
Nationaal waterplan
Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan pleit voor meer samenhang tussen het beleid voor water, ruimtelijke ordening en milieu, gericht op de verschillende belangen zoals veiligheid, landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, transport, recreatie en visserij, daarbij ruimte scheppend voor gebiedsgericht maatwerk. Het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 is vastgesteld op 10 december 2015. Dit plan vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Het Nationaal Waterplan geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de komende zes jaar en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingsrisico's. De Stroomgebied- beheerplannen, het Programma van maatregelen mariene strategie, de Beleidsnota Noordzee en de Overstromingsrisicobeheerplannen maken onderdeel uit van het Nationaal Waterplan.