CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 11 Ruimtelijke Ordening (21) 2. Nota van beantwoording (GEANONIMISEERD)

RAAD 13 juli 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Winkeldiversiteit Centrum 2 en gedeeltelijk intrekken van het voorbereidingsbesluit Winkeldiversiteit Centrum 2 VN2022-01597512.523 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Gemeente Amsterdam

Pagina 21 van 28

ingreep worden gevonden in diverse bestuurlijke stukken, zoals de toelichting vermeldt, sluit naadloos aan bij de genoemde uitspraak van de Afdeling. Strijd met het evenredigheidsbeginsel Indiener ziet strijd met dit beginsel omdat de regeling zou ingrijpen in bestaande rechten van de exploitant van de coffeeshop. Zoals reeds vastgesteld is dat niet het geval. Nu de bestaande situatie wordt vastgelegd wordt ook geen aantasting van rechten van de eigenaar gezien. De mogelijkheid om de gehele eerste bouwlaag voor horeca 3 te gebruiken wordt weliswaar met de ingreep verboden. De ruimte kan echter, gelet op zijn functie ten behoeve van bereikbaarheid en vluchten van een groot aantal andere ruimtes niet werkelijk voor horeca 3 in gebruik worden genomen. De bereikbaarheid van bovengelegen en omliggende woningen en de vluchtweg van een automatenhal zullen althans niet zonder bezwaren van praktische en juridische aard worden doorkruist. Strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur De regeling ziet op deze locatie omdat is vastgesteld dat maar een deel van de eerste bouwlaag in gebruik is als vluchtroute ten behoeve van horeca 3. Daarmee is de eerste bouwlaag van deze locatie anders dan eerste bouwlagen van andere locaties waar een volledige horeca 3 vestiging wordt geëxploiteerd. Er is geen sprake van gelijke gevallen noch van willekeur.

Motiveringsgebrek Zoals uitgelegd is heel wel duidelijk waarom deze locatie in het (ontwerp)bestemmingsplan is opgenomen en heel veel andere locaties niet. De stelling dat uit de motivering heel specifiek moet blijken waarom deze locatie met die regeling in een plan is opgenomen wordt niet gedeeld. De opsomming van beleidsstukken in de toelichting vormen met elkaar de analyse van specifieke gegevens die ten grondslag ligt aan de ingreep, precies zoals de Afdeling de toets uitvoerde bij haar uitspraak van 15 april 2020. Het (ontwerp)bestemmingsplan ligt in het verlengde van de ingreep die door de Afdeling werd getoetst. Een tot de locatie toegespitste toelichting waarom het verbod op deze locatie bijdraagt aan het doel van het tegengaan van de monocultuur is daarvoor geen vereiste. Daarentegen is hierboven al uiteen gezet dat met het ontwerpbestemmingsplan bestaande legaal gebruik mogelijk blijft en het wegbestemmen alleen betrekking heeft op een functie die planologisch weliswaar is toegestaan maar feitelijk niet aanwezig is. Daarmee is duidelijk dat met het opnemen van het verbod van horeca 3 op de eerste bouwlaag wordt voorkomen dat zich in de toekomst een functie vestigt die bijdraagt aan de ongewenste monocultuur. Van een motiveringsgebrek is om die reden geen sprake. Conclusie: Burgemeester en wethouders stellen voor de zienswijze ongegrond te verklaren.

Wel wordt voorgesteld om naar aanleiding van de zienswijze een wijziging in bijlage 1 bij de regels toe te passen. Voorgesteld wordt in de tabel de tekst ‘Haringpakkerssteeg 5: 3, met uitzondering van het gebouwdeel waar de nooduitgang van de horeca 3 gevestigd in Haringpakkerssteeg 3 zich bevindt. Deze blijft toegestaan.’ te wijzigen naar: ‘Haringpakkerssteeg 5A-K: 3, met uitzondering van het deel van de eerste bouwlaag dat in gebruik is als vluchtweg ten behoeve van horeca 3. Deze blijft toegestaan’.

Gemeente Amsterdam

14.

Pagina 22 van 28

Zienswijze indiener 14

Samenvattend: Deze zienswijze, ingediend namens de exploitant van de horeca gevestigd aan de Gravenstraat 5 is inhoudelijk gelijkluidend aan zienswijze 10, ingediend namens de eigenaar van het pand. De zienswijze is aangevuld met een betoog dat het (ontwerp)bestemmingsplan in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de Dienstenrichtlijn. Reactie: Verwezen wordt naar de reactie op zienswijze 10. Conclusie: Burgemeester en wethouders stellen voor de zienswijze gegrond te verklaren en het adres Gravenstraat 5 uit het bestemmingplan te verwijderen. Nu volledig wordt tegemoetgekomen aan het gestelde in de zienswijze wordt aan de overige argumenten niet toegekomen. 15.

Zienswijze indiener 15

Samenvattend: Deze zienswijze is gericht tegen het verbod om in de panden Molensteeg 1 en Oudezijds Achterburgwal 30 een speelautomatenhal te exploiteren. Indiener heeft deze panden onder opschortende voorwaarde van vergunningverlening, gehuurd en daarna gekocht. Op 11 maart 2014 werden bij de Gemeente Amsterdam door de nieuw opgerichte vennootschappen Nedcoin 1 BV en Nedcoin 2 BV, vergunningaanvragen ingediend om op adressen de aldaar reeds lange tijd gevestigde speelautomatenhallen te kunnen exploiteren. De aanvragen zijn op 21 april 2021 door de burgemeester buiten behandeling gesteld. Hierover is nog beroep bij de rechtbank aanhangig. De zienswijze grijpt terug op een situatie in 2014, 2015. De gemeenteraad heeft toen de bestemming tot automatenhal willen schrappen door middel van een zogenaamde leegstandsbepaling, opgenomen in het bestemmingsplan Postcodegebied 1012. De regeling is niet onherroepelijk geworden. Eerst is deze door de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geschorst, waarna deze door de Afdeling is vernietigd. De schorsing was gebaseerd op het gegeven dat het kunnen verkrijgen van een exploitatievergunning op basis van de ingediende aanvragen wel haast illusoir zou worden als voordien de bestemming zou zijn vervallen. Strijd met het bestemmingsplan is immers een weigeringsgrond voor de exploitatievergunning.

Omdat nog steeds niet onherroepelijk is beslist over de vergunningaanvragen, en de Burgemeester op oneigenlijke gronden de aanvragen buiten behandeling heeft gesteld waartegen op 20 oktober 2021 beroep is ingesteld, verzoekt indiener de gemeenteraad om de panden Molensteeg 1 en Oudezijds Achterburgwal 30 te verwijderen van de lijst met panden waarvan de huidige of bestaande functie is of wordt verboden.

Gemeente Amsterdam

Pagina 23 van 28

Reactie: De vergelijking die indiener maakt met de situatie in 2014, 2015 is begrijpelijk. Er worden echter ook relevante verschillen gezien. De adressen zijn nu betrokken in een ingreep die ziet op een samenstel van functies in het gebied en niet alleen op leegstaande automatenhallen. De ingreep is voor al deze functies in het gebied hetzelfde: was (is) het adres niet in gebruik voor de functie, dan wordt met het (ontwerp)bestemmingsplan de functie wegbestemd. In enkele gevallen is, gelet op het evenredigheidsbeginsel, een uitzondering gemaakt. Het gaat om adressen waarvoor omstreeks de datum van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit op 24 december 2021 een kansrijke exploitatievergunning is aangevraagd en/of een ruimte rond die datum onvoorwaardelijk is aangehuurd. Dit doet zich met betrekking tot de panden Molensteeg 1 en Oudezijds Achterburgwal 30 niet voor. De overeengekomen afspraken over huur en eigendomsoverdracht zijn niet onvoorwaardelijk, maar zijn gekoppeld aan het verkrijgen van de vergunningen. De vergunningaanvragen zijn bij besluit van 21 april 2021 inderdaad buiten behandeling gesteld. Ook al is het besluit nog niet onherroepelijk, ziet de burgemeester deze procedure met vertrouwen tegemoet zodat daarin geen reden is gelegen om van het verbod af te zien. Conclusie: Burgemeester en wethouder stellen voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 16.

Zienswijze indiener 16

Samenvattend: Het ontwerp voorziet ter zake van de panden Molensteeg 1 en Oudezijds Achterburgwal 30 in een verbod om hierin een speelautomatenhal te vestigen. Indiener acht dit ongerechtvaardigd en ook niet in overeenstemming met het doel van het bestemmingsplan. De exploitatie van de speelautomatenhallen is niet definitief gestopt. Op 17 maart 2014 heeft indiener de panden (onder de ontbindende voorwaarde van vergunningverlening) verhuurd aan nieuwe (kandidaat)exploitanten van de speelautomatenhallen, genaamd Nedcoin 1 B.V. en Nedcoin 2 B.V. Op 24 september 2018 heeft RL Properties de panden verkocht aan dezelfde (kandidaat)exploitanten. De levering van de panden heeft nog niet kunnen plaatsvinden omdat dit afhankelijk is van o.a. vergunningverlening door de burgemeester aan de (kandidaat)exploitanten. Tot het moment van levering van de panden blijft genoemde huurovereenkomst zijn werking behouden. De voor de exploitatie benodigde vergunningen zijn door de (kandidaat)exploitanten reeds op 11 maart 2014 bij de burgemeester aangevraagd. Na een zeer langdurig vergunningstraject heeft de burgemeester op 16 april 2021 besloten om de aanvragen buiten behandeling te stellen. Tegen die beslissing heeft de exploitant, na het doorlopen van een bezwaarprocedure bij de burgemeester, op 20 oktober 2021 bij de rechtbank Amsterdam beroep ingesteld.

Derhalve is het besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvragen nog niet definitief. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de exploitatie in de panden Molensteeg 1 en Oudezijds Achterburgwal 30 niet definitief is gestopt. In tegendeel. Er is immers sprake van een huur- dan wel koopovereenkomst met een (kandidaat)exploitant die al lang geleden vergunningen heeft

Gemeente Amsterdam

Pagina 24 van 28

aangevraagd voor de exploitatie van de speelautomatenhallen in beide panden. Deze procedure loopt nog, zodat ten onrechte is geconcludeerd dat de exploitatie definitief is gestopt. Weliswaar was de exploitatie feitelijk niet aan de orde ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp, maar dit is slechts het gevolg van de (tegenwerkende) besluitvorming door de burgemeester zelf. Het heeft er alle schijn van dat het wegbestemmen van de functie speelautomatenhal van genoemde percelen bewust aan de gemeenteraad wordt voorgesteld om een extra horde op te werpen voor de blijkbaar door de gemeente onwenselijk geachte vergunningverlening aan de (kandidaat)exploitant. De gemeenteraad zou zich daarmee voor een tweede keer aan dezelfde steen stoten. Indiener brengt in herinnering dat de gemeenteraad eerder heeft getracht de op de panden rustende speelhalbestemming weg te bestemmen, althans uit te laten sterven. Dit vond plaats in het kader van het thans vigerende maar destijds nieuwe bestemmingsplan Postcodegebied 1012. Hierin nam de gemeenteraad een leegstandsbepaling op die inhield dat wanneer een functie in een pand in het postcodegebied een jaar lang niet was uitgeoefend, het betreffende pand die specifieke bestemming zou verliezen.

De uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de uitspraak in de bodemprocedure zijn aangehaald en toegelicht. Zie de samenvatting van zienswijze 16. Indiener brengt naar voren dat niet valt in te zien hoe er een planologische rechtvaardiging zou bestaat tot het wegbestemmen van de speelautomatenbestemming op haar percelen. Zou deze bestemming op haar panden vervallen, dan blijft er in het Wallengebied namelijk nog maar een exploitant over, te weten Mario-Patrick BV handelend onder de naam Casino City op de adressen Lange Niezel 1 en Oudezijds Achterburgwal 35. Niet valt in te zien waarom een exploitant op dergelijke wijze wordt bevoordeeld. Het wegbestemmen van twee speelautomatenhallen in het Wallengebied is alleen al om die reden onaanvaardbaar. Met het wegbestemmen kent uw raad feitelijk een monopolypositie toe aan de enige overgebleven exploitant in het Red Light District. Er zal in dit drukbezochte gebied nooit meer sprake zijn van enige concurrentie voor deze exploitant, die daarentegen een aanzienlijke omzetdaling te wachten staat als de speelhallen in de Molensteeg en op de Oudezijds Achterburgwal weer opengaan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een bestemmingsplan niet bedoeld om concurrentieverhoudingen te regelen.

Daarvan is in casu echter zonder meer sprake. Het verlies van de bestemming speelautomatenhal zal de waarde van de panden sterk doen dalen, en zal de waarde van RLC 1 BV en RLC 2 BV (de aldaar gevestigde speelautomatenhallen) in rook doen opgaan. Reactie: Het standpunt dat de exploitatie niet is beëindigd is gebaseerd op het feit dat een huurcontract is gesloten onder de ontbindende voorwaarde van verlening van de exploitatievergunning, en de beslissing op de aanvragen om exploitatievergunning nog niet onherroepelijk is. Erkend wordt dat de beslissing niet onherroepelijk is, maar het standpunt wordt niet gedeeld dat om deze reden de exploitatie niet definitief is geëindigd. De vergunningaanvragen worden niet als kansrijk gezien. Integendeel: zij zijn bij besluit van 21 april 2021 inderdaad buiten behandeling gesteld. Ook al is het besluit nog niet onherroepelijk, ziet de burgemeester deze procedure met vertrouwen

Gemeente Amsterdam

Pagina 25 van 28

tegemoet zodat daarin geen reden is gelegen om van het verbod af te zien. Daarbij komt dat de weg dat nog een andere partij op de korte termijn een vergunning zou kunnen aanvragen en verkrijgen inmiddels geheel is afgesloten. Op 18 maart 2022 is de Verordening kansspelautomaten en speelautomatenhallen Amsterdam in werking getreden. De verordening is vastgesteld met het doel om nieuwe spelers op de markt te laten meedingen naar een exploitatievergunning, en brengt met zich mee dat de burgemeester geen vergunningen verleend zolang deze niet heeft besloten het tijdvak voor aanvragen open te stellen. Uit de toelichting op de verordening is op te maken dat dit naar verwachting niet voor 2033 zal gebeuren. Nu een vergunning en een huurcontract blijvend zullen ontbreken wordt het erop gehouden dat het gebruik is beëindigd. De suggestie dat wordt voorgesteld de adressen weg te bestemmen om daarmee een extra horde op te werpen voor de blijkbaar door de gemeente onwenselijk geachte vergunningverlening aan de (kandidaat)exploitant, wordt van de hand gewezen. De vergelijking met de situatie in 2014, 2015, toen als gevolg van gerechtelijke uitspraken de uitsterfregeling buiten toepassing is gebleven en geschrapt is begrijpelijk, maar niet terecht. Er worden relevante verschillen gezien.

De adressen zijn nu betrokken in een ingreep die ziet op een samenstel van functies in het gebied en niet alleen op leegstaande automatenhallen. De ingreep is voor al deze functies in het gebied hetzelfde: was (is) het adres niet in gebruik voor de functie, dan wordt met het (ontwerp)bestemmingsplan de functie wegbestemd. Kortheidshalve wordt naar de plantoelichting verwezen. In enkele geval is, gelet op het evenredigheidsbeginsel, een uitzondering gemaakt. Het gaat om adressen waarvoor omstreeks de datum van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit op 24 december 2021 een kansrijke exploitatievergunning is aangevraagd en/of een ruimte rond die datum onvoorwaardelijk is aangehuurd. Dit doet zich, zoals in de vorige alinea al uiteengezet, met betrekking tot de panden Molensteeg 1 en Oudezijds Achterburgwal 30 niet voor. De stelling dat geen planologische rechtvaardiging bestaat voor de ingreep, en deze is ingezet om concurrentieverhoudingen te beïnvloeden, wordt niet begrepen. In de alinea hierboven is onder verwijzing naar de plantoelichting uiteengezet wat het doel is van het (ontwerp) bestemmingsplan. Daaruit volgt dat concurrentieverhoudingen daarbij geen enkele rol spelen.

Dat bij deze stelling uitsluitend het wallengebied wordt betrokken, past bovendien niet bij het gekozen gebied waarbinnen de ingreep plaatsvindt; dat gebied is veel ruimer terwijl zich daarbinnen meer speelautomaten bevinden dan alleen in het wallengebied. Erkend wordt dat de ingreep de waarde van de panden kan beïnvloeden en mogelijk ook de waarde van exploitatie B.V.’s. Dat brengt echter niet met zich mee dat de ingreep bij afweging van alle belangen niet zou mogen worden toegepast. Conclusie: Burgemeester en wethouder stellen voor de zienswijze ongegrond te verklaren.

Gemeente Amsterdam

17.

Pagina 26 van 28

Zienswijze indiener 17

Samenvattend: Indiener begrijpt niet waarom het adres in het ontwerpbestemmingsplan is opgenomen en niet omliggende panden met een vergelijkbare invulling aan deze toeristisch-commerciële strip. Voorts vraagt indiener zich af op welke wijze rekening is gehouden met de waarde van het vastgoed. Daarbij tekent hij aan dat de waarde van het omliggende vastgoed vaster is, nu dit ruimer inzetbaar is voor de commerciële verhuurmarkt. Reactie: Op het adres is op grond van het bestemmingsplan Postcodegebied 1012 een souvenirwinkel toegestaan. Uit de inventarisatie die is gemaakt ten behoeve van het voorbereidingsbesluit uit 2017 en het daaropvolgende bestemmingsplan Winkeldiversiteit Centrum in 2018 bleek dat het adres ook in gebruik was om tickets te verkopen. Daarom mag het adres op grond van genoemd bestemmingsplan uit 2018 ook worden gebruikt als toeristische dienstverlening. Bij de inventarisatie in december 2021 en bij de nacontrole op 24 december 2021 bleek uit niets dat het adres nog voor deze functie werd gebruikt. Er werd louter een winkel gezien waar souvenirs werden verkocht. Aan de gevel is een enkel reclamebord bevestigd met daarop de tekst: ‘drinks, sim cards, souvenirs’. De bedoeling van het (ontwerp)bestemmingsplan Winkeldiversiteit Centrum 2 is om onder meer op toeristen gericht gebruik dat niet meer aanwezig is, voor de toekomst te verbieden.

Daarom is Damrak 10 in het ontwerpbestemmingplan opgenomen. Het gebruik als souvenirwinkel mag zonder meer worden voortgezet. Aan indiener kan worden toegegeven dat de ingreep invloed kan hebben op de waarde van het vastgoed. Het dagelijks bestuur heeft zich hiervan rekenschap gegeven. Het heeft hem niet weerhouden van het voornemen om de ingreep te doen. Conclusie: Het dagelijks bestuur is van oordeel dat de zienswijze inhoudelijk ongegrond is.

18.

Zienswijze indiener 18

Samenvattend De zienswijze is ingediend namens de eigenaren. Gravenstraat 26 eerste bouwlaag (Huis) heeft de aanduiding eetwinkel, tweede bouwlaag heeft de aanduiding horeca 4. De eerste en tweede bouwlaag zijn aangeduid voor horeca 4. Met het (ontwerp)bestemmingsplan worden deze functies wegbestemd. Indiener geeft aan dat de eigenaar de panden medio 2017 met het oog op genoemde gebruiksfuncties hebben aangekocht. De panden dienden ingrijpend te worden gerenoveerd. Inmiddels staan de panden langere tijd leeg wegens langlopende huurgeschillen/uitkoop van huurders, asbestinventarisatie en –sanering, interne sloopwerkzaamheden.

Gemeente Amsterdam

Pagina 27 van 28

Op 1 april 2021 is een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het verbouwen tot en gebruiken van de panden als restaurant en twee woningen. Mede omdat een doorbraak van de panden volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan, is deze vergunning op 9 juli 2021 geweigerd. Vervolgens heeft vervolgoverleg plaatsgevonden met de gemeente over de mogelijkheden om de panden te herontwikkelen, waarbij eigenaren hebben aangegeven de wens te koesteren om gebruik te maken van de horecafunctie. Naar hun oordeel is daarom geen sprake van de in de toelichting van het ontwerp bedoelde situatie waarin een bestaande exploitatie op een adres definitief is gestopt. Zij hebben immers een concreet initiatief getoond om opnieuw horeca in de panden te realiseren. Voor de eigenaren is sprake van een onaanvaardbare financiële verslechtering die niet evenredig kan worden geacht met het door de gemeenteraad gestelde algemene belang. Zij hebben laten becijferen dat de huuropbrengst zal dalen van 30.000,- naar 12.000,- euro. Daarbij kan niet onvermeld blijven dat de gemeente het door haar nu kennelijk zo verfoeide toerisme jarenlang zelf heeft aangemoedigd, met als logisch gevolg een op toeristen gericht aanbod. In de plantoelichting is bij het kopje Economische uitvoerbaarheid vermeld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het plan niet economisch uitvoerbaar is.

Betwijfeld wordt of een dergelijke summiere motivering wel voldoet aan de vereisten van artikel 3.1.6, aanhef en onder f van het Besluit ruimtelijke ordening dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting, waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Uit jurisprudentie van de Raad van State volgt dat de raad bij de beoordeling of sprake is van goede ruimtelijke ordening in beginsel het onderdeel planschade niet behoeft mee te wegen. Wel laat de Raad van State de mogelijkheid open dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar is. Gezien het grote aantal panden waarbij gebruiksfuncties worden wegbestemd en dus planschadeclaims zijn te verwachten, en mede gelet op het feitelijk ontbreken van een toelichting in het bestemmingsplan over de uitvoerbaarheid, kan worden gesteld dat de raad in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar is. Reactie Uit openbaar beschikbaar beeldmateriaal blijkt dat het horecagebruik en gebruik als eetwinkel tussen 2016 en 2018 is gestaakt en sindsdien gestaakt is gebleven. Inmiddels dus minstens vier jaar.

De redenen die daarvoor worden aangevoerd (langlopende huurgeschillen/uitkoop van huurders, asbestinventarisatie en –sanering, interne sloopwerkzaamheden) rechtvaardigen naar het oordeel van het college onvoldoende de conclusie dat de eigenaar voortvarend poogt om het horecagebruik en gebruik als eetwinkel te hervatten. In feite geeft ook de aanvraag omgevingsvergunning die medio 2021 is geweigerd alsmede dat er sindsdien geen ander concreet en haalbaar plan is voor de panden, blijk van geringe voortvarendheid. De aanvraag omgevingsvergunning behelsde immers behalve een doorbraak ook een omzetting van de eerste bouwlaag van Gravenstraat 26 naar horeca, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan en het geldende beleid over horeca-uitbreiding in de binnenstad. Daarom werd de vergunning geweigerd. Het college deelt de opvatting niet dat de eigenaren hebben aangetoond dat de horeca-exploitatie niet is gestaakt of er voldoende concreet initiatief is getoond om opnieuw horeca in de panden te realiseren, zodanig dat de functies in de panden niet behoren te worden wegbestemd. Al jarenlang is er geen exploitatie, geen omgevingsvergunning voor de ingrijpende

Gemeente Amsterdam

Pagina 28 van 28

verbouwing en geen beoogde nieuwe horeca-exploitant. Eigenaren hebben juist door hun handelwijze passief het risico aanvaard dat de gebruiksmogelijkheden op enig moment zouden worden wegbestemd.

Ten aanzien van de financiële uitvoerbaarheid beroept indiener zich op een uitspraak van de Raad van State waarin is overwogen dat de raad bij vaststelling van een bestemmingsplan de financieeleconomische uitvoerbaarheid ervan moet beoordelen en dat in dat kader moet worden beoordeeld of op voorhand in redelijkheid moet worden ingezien dat het plan niet kan worden uitgevoerd. In de aangehaalde uitspraak heeft de Raad van State overigens geoordeeld dat van een dergelijke situatie geen sprake was. Het college wijst erop dat het bestemmingsplan Winkeldiversiteit Centrum 2 zo is ingericht dat de gebruiksmogelijkheid is wegbestemd, maar door middel van een omgevingsvergunning voor binnenplans afwijken van het bestemmingsplan onder voorwaarden weer toestemming kan worden verkregen voor die gebruiksmogelijkheden. Het horecagebruik en het gebruik als eetwinkel in de Gravenstraat 26 en 28 zouden dus kunnen worden hervat indien daartoe een aanvraag wordt ingediend die past binnen de binnenplanse beoordelingsregels. Dat geldt ook voor alle andere in het plan betrokken adressen. De panden kunnen op die manier hun waarde behouden. Het college ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid moet inzien dat het plan op financieel-economische gronden niet uitvoerbaar is. Conclusie: Burgemeester en wethouder stellen voor de zienswijze ongegrond te verklaren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11673827/1