CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 11 Duurzaamheid en Circulaire Economie (29) 4. Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal_Def_Toegankelijke PDF.pdf

Raadscommissie voor Financiën, Economische Zaken, Deelnemingen, Lucht- en Zeehaven, Duurzaamheid 14 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de reactie op motie 467 van het lid Torn inzake de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (Quickscan voor Begroting 2021) (ZD2020-011612)7.661 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal Effect van voorgenomen beleid op CO2-uitstoot

Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal Effect van voorgenomen beleid op CO2-uitstoot

Dit rapport is geschreven door: Sjoerd van der Niet Pien van Berkel Frans Rooijers Lonneke Wielders Delft, CE Delft, februari 2020 Publicatienummer: 20.190228.009 Gemeeenten / Beleid / Beleidsmaatregelen / Kooldioxide / Reductie / Effecten / Gebouwde omgeving / Verkeer / Vervoer / Havens / Industrie Opdrachtgever: Gemeente Amsterdam Alle openbare publicaties van CE Delft zijn verkrijgbaar via www.ce.nl Meer informatie over de studie is te verkrijgen bij de projectleider Sjoerd van der Niet (CE Delft) © copyright, CE Delft, Delft

CE Delft Committed to the Environment CE Delft draagt met onafhankelijk onderzoek en advies bij aan een duurzame samenleving. Wij zijn toonaangevend op het gebied van energie, transport en grondstoffen. Met onze kennis van techniek, beleid en economie helpen we overheden, NGO’s en bedrijven structurele veranderingen te realiseren. Al 40 jaar werken betrokken en kundige medewerkers bij CE Delft om dit waar te maken.

1

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Inhoud Samenvatting

3

1

Inleiding

4

2

CO2-uitstoot in 1990 en 2017

6

3

Gebouwde omgeving

8

4

Mobiliteit

11

5

Haven en Industrie

14

6

Elektriciteit

16

7

Conclusie en discussie

19

A

Bibliografie

21

B

Toelichting CO2-uitstoot 1990 en 2017 B.1 CO2-uitstoot in 2017 B.2 CO2-uitstoot in 1990

23 23 26

2

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Samenvatting Vraagstelling Het College heeft afgesproken om in 2030 55% CO2-reductie te realiseren. Het gaat dan om emissies gekoppeld aan energiegebruik op Amsterdams grondgebied, en 1990 is het ijkjaar. De vraag die de gemeente heeft gesteld, is: In hoeverre zal de doelstelling van 55% reductie in 2030 worden gerealiseerd met voorgenomen beleid?

Uitkomsten De raming zoals die is uitgewerkt in deze rapportage komt uit op een reductie van 21 tot 55% reductie. We willen benadrukken dat dit een raming is van voorgenomen beleid, dat wil zeggen: dit beleid is niet in alle gevallen al aangenomen of van kracht, het is nog niet in uitvoering, en ook het slagen ervan staat nog niet vast. Figuur 1 - CO2-uitstoot in 1990, 2017 en 2030 (kton CO2-eq. per jaar) 6.000 5.000

4.000 ​

-21%

3.000 -48%

2.000

-55%

1.000 1990

2017

1990

GO

MOB

2030

H&I

E

Doel -55%

De onderkant van de bandbreedte (21% reductie in 2030) wordt bepaald door het vastgestelde beleid van zowel het rijk als de gemeente Amsterdam. De bovenkant (55% reductie in 2030) wordt bepaald door het maximale effect van het voorgenomen beleid, ook weer van zowel het rijk als de gemeente. Als zowel het rijk als de gemeente het voorgenomen beleid per sector uitvoeren, en als rekening wordt gehouden met uitvoeringsmogelijkheden bij alle betrokken partijen, dan is een reductie van 48% in 2030 de verwachting van de onderzoekers. Om deze geraamde reductie te realiseren zal zo snel mogelijk het voorgenomen beleid vastgesteld moeten worden, zodat energiegebruikers (bewoners, bedrijven, onderwijs- en zorginstellingen, e.d.) omschakelen van aardgas naar elektriciteit of warmte, van fossiele brandstoffen naar elektrisch, en/of hun energievraag verlagen.

3

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

1 Inleiding Vraagstelling Het College heeft afgesproken om in 2030 55% CO2-reductie te realiseren (gemeenteraad Amsterdam, 2018, p. 40). Het gaat dan om emissies gekoppeld aan energiegebruik op Amsterdams grondgebied, en 1990 is het ijkjaar. De vraag die de gemeente heeft gesteld, is: In hoeverre zal de doelstelling van 55% reductie in 2030 worden gerealiseerd met voorgenomen beleid?

Methode De doorrekening bestaat uit een aantal elementen. Allereerst is het vertrekpunt vastgesteld: de uitstoot in 1990 en de huidige uitstoot. Voor de huidige uitstoot zijn cijfers over 2017 als uitgangspunt genomen. Daarvoor waren alle cijfers beschikbaar. Vervolgens heeft de gemeente een reeks beleidsdocumenten verzameld. Deze behelzen zowel vastgesteld als voorgenomen beleid. We hebben het beleid per maatregel beoordeeld op doelstelling, doelgroep, instrumentarium (juridisch, economisch, faciliterend, of actie met eigen organisatie), en of is gespecificeerd via welke subdoelen het beleid effect zal hebben op het uiteindelijke doel van CO2-uistoot (bijvoorbeeld door gasverbruik te verminderen). Beleid wat te weinig specifiek is op doelgroep, instrumentarium en subdoelen, is niet meegenomen in de doorrekening. Ook hebben we gekeken naar kritische succesfactoren. Het komt voor dat het juridisch kader nog niet gereed is en de gemeente afhankelijk is van nieuwe regels van het rijk. Bovendien ligt de daadwerkelijke reductie uiteindelijk veelal bij bewoners en bedrijven. Het succes van Amsterdams beleid hangt daarmee af van vele factoren die de beoogde transitie meer of minder aantrekkelijk maken voor hen. In het licht hiervan hebben we een bandbreedte opgesteld op de doorrekening van de effecten.

Bovendien hebben we de uitstoot overal afgerond op tientallen kiloton CO2-equivalenten. Autonome ontwikkelingen, met name beleid volgend op het Klimaatakkoord, zullen ook effect hebben op de Amsterdamse CO2-uitstoot. Hiervoor is gebruik gemaakt van de Klimaat- en Energieverkenning 2019 (hierna: KEV) van PBL (2019a), en de doorrekening van het Klimaatakkoord door PBL (2019b). Ook hierin vinden we een bandbreedte. Ten slotte hebben we het effect van groei van de stad geïsoleerd. Groei van de stad zal leiden tot extra CO2-uitstoot, hoewel relatief weinig. Bijvoorbeeld nieuwbouw zal aardgasvrij zijn. Dat is ook te zien als effect van voorgenomen beleid en autonome ontwikkelingen, echter het effect is dan niet zozeer CO2-reductie, maar vermeden groei van CO2-uitstoot. We geven in dit rapport alleen het absolute effect weer: de emissies die erbij komen, niet vermeden emissies. Een specifieke opmerking over elektriciteit: voor de uitstoot van CO2 vanwege elektriciteit gaan we uit van de emissiefactor van elektriciteit van het landelijke net. Dat betekent enerzijds dat eigen opwek binnen Amsterdam met bijvoorbeeld zon-PV of windmolens niet wordt meegeteld als reductie, anders dan dat Amsterdamse inspanningen zoals voorzien in

4

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

de RES wel een bijdrage leveren aan reductie van de landelijke emissiefactor. Anderzijds betekent het dat vergroening van de nationale (en internationale) elektriciteitsproductie als autonome ontwikkeling doorwerkt op de CO 2-uitstoot voor Amsterdamse elektriciteitsvraag. Dit is een belangrijk deel van de geraamde CO2-reductie, omdat nu ruim een derde deel van de CO2-uitstoot van elektriciteitsverbruik komt (39%) en de emissie per kWh door landelijk beleid sterk daalt van 450 g/kWh in 2017 naar 90 g/kWh in 2030. De recente sluiting van de Hemwegkolencentrale en ook extra zon en wind in Amsterdam leveren hier hun bijdrage aan.

Leeswijzer In Hoofdstuk 2 bespreken we het vertrekpunt: de emissies in 1990 en 2017. In de Hoofdstukken 3 tot en met 6 bespreken we achtereenvolgens de CO2-reductie in de sectoren Gebouwde Omgeving, Mobiliteit, Haven en Industrie, en Elektriciteit. Bij Gebouwde Omgeving zal een verschuiving van gas naar warmtenet en elektriciteit plaatsvinden. De daling van de gasvraag en groei van warmtenetten zijn opgenomen onder Gebouwde Omgeving, de stijging in elektriciteitsvraag onder Elektriciteit. Voor mobiliteit geldt hetzelfde voor de transitie van verbrandingsmotoren naar elektromotoren. In Hoofdstuk 7 is het totaal weergegeven en bespreken we kritische succesfactoren.

5

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

2 CO2-uitstoot in 1990 en 2017 In samenwerking met de gemeente Amsterdam is de CO2-uitstoot voor 2017 vastgesteld. CE Delft heeft de brondata aangeleverd en de gemeente Amsterdam heeft deze verwerkt tot onderstaande gegevens. De uitgangspunten, gebruikte emissiekentallen en bronnen zijn opgenomen in Bijlage B. De CO2-emissie komt op 4.850 kton CO2 in het jaar 2017. Aan overige broeikasgassen wordt er 150 kton CO2-eq. uitgestoten. Het totaal aan CO2equivalenten komt hiermee op 5.000 kton CO2-eq. per jaar. Figuur 2 – Totale CO2-emissie van Amsterdam in 2017 in CO2-equivalenten

Emissies Amsterdam 2017 (kton/jaar in CO2-eq) 1200

1000 800 600 400 200

Elektriciteit

Gebouwde omgeving

Haven en industrie

Overige broeikasg.

WV, snelwegen

Veren

WV, overige wegen

Railverkeer

Recreatievaart

Mobiele werktuigen

AEB

Overige broeikasg.

Visserij

Nat. binnenvaart

Industrie (warmte)

Industrie (gas)

Bouwnijverh. (gas)

Overige broeikasg.

Woningen (warmte)

CD (warmte)

PD (gas)

Woningen (gas)

CD (gas)

Woningen

PD

Industrie

Mobiliteit

CD

Bouwnijverh.

0

Mobiliteit

CD = Commerciële dienstverlening, PD is Publieke dienstverlening en WV = Wegverkeer.

Op basis van deze cijfers is er een herijking gemaakt van de CO 2-emissies (inclusief overige broeikasgassen) in Amsterdam in 1990. Voor Mobiliteit, de AEB en de overige broeikasgassen zijn de data voor 1990 in de Klimaatmonitor beschikbaar. De data voor 1990 voor woningen en bedrijven (commerciële dienstverlening, publieke dienstverlening, industrie en bouwnijverheid) ontbreken daar. Daarvoor is een inschatting gemaakt, en in Bijlage B is opgenomen welke uitgangspunten hiervoor gehanteerd zijn. Figuur 3 geeft de berekende CO2-uitstoot in 1990 weer voor Amsterdam (in termen CO2-equivalenten). Dit is in totaal ongeveer 3.810 kton CO2-eq.

6

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Figuur 3 – Totale CO2-emissie van Amsterdam in 1990 in CO2-equivalenten

Emissies Amsterdam 1990 (kton/jaar in CO2-eq.) 2000 1800 1600 1400

1200 1000 800 600 400 200 0

Woningen

7

Bedrijven (incl AEB)

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Mobiliteit

Overige broeikasgassen

3 Gebouwde omgeving Gebouwde omgeving behelst een aantal categorieën: woningen, commerciële dienstverlening en publieke dienstverlening. We gaan hier in op de warmtevoorziening met aardgas of warmtenetten. Het elektriciteitsverbruik dat ontstaat bij groei van het aantal warmtepompen is opgenomen onder Elektriciteit in Hoofdstuk 6. Maatregelen die zijn beschouwd: 1. Wijk-voor-wijk aardgasvrij. 2. Warmtemotor, oftewel uitbreiding van het warmtenet. 3. Afspraken met woningcorporaties over labelstappen. 4. Verduurzamen warmtebronnen. Autonome ontwikkelingen die zijn beschouwd: 5. Minimaal Label C van gebouwen voor dienstensector. 6. Verduurzaming ziekenhuizen. Groei van de stad: 7. Nieuwbouwwoningen. 8. Nieuwbouw dienstensector.

Toelichting Maatregelen 1 en 2 De gemeente bereidt beleid voor gericht op het aardgasvrij maken van 175.000 woningequivalenten in de periode tot en met 20301. Het grootste deel zal bestaan uit woningen, daarnaast zal een deel bestaan uit utiliteitsbouw. 28 buurten zijn door de gemeente aangemerkt om in eerste instantie de aandacht op te richten. Een tweede deel zal volgen uit de Warmtemotor, immers een gebouw dat overgaat op het warmtenet zal aardgasvrij gemaakt worden. Dan is er nog een resterende opgave om het gestelde beleidsdoel te halen: de opschaling van de wijk-voor-wijkaanpak aardgasvrij. De doelstelling van de Warmtemotor is 110.000 woningen tot 2030. Van de aardgasvrije buurten is verondersteld dat 2/3 op het warmtenet aangesloten wordt en 1/3 zal overgaan op verwarming met warmtepompen (all electric). Daarmee wordt een deel van de opgave van de Warmtemotor gerealiseerd in aardgasvrije buurten. De overlap is uit de berekening gehouden, en het totaaloverzicht is in Tabel 1 weergegeven. Het aardgasvrij maken leidt tot reductie van CO2-uitstoot van gasverbruik. Op basis van huidig gasverbruik (Rijkswaterstaat, lopend a) is hiervan een inschatting gemaakt. Tegelijk wordt er uitstoot geassocieerd met het warmtenet. Allereerst woningen. Voor de 28 buurten is de warmtevraag bepaald op basis van de huidige gasvraag in deze buurten: 1.070 m3 (temperatuurgecorrigeerd).

Voor overige woningen die op het warmtenet worden aangesloten, is gekeken naar het gemiddelde gasverbruik van een woning in Amsterdam: 1.010 m3 (temperatuurgecorrigeerd). (Rijkswaterstaat, lopend a). ________________________________ 1

1 woningequivalent (weq.) is 1 woning of 125 m2 bruto vloeroppervlak (bvo) utiliteitsbouw. Gebruikelijk is om 150 m2 bvo aan te houden in plaats van 125 m2, maar dit laatste gemiddelde oppervlak rekent beter terug naar het aantal vestigingen.

8

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Vervolgens de utiliteitsbouw. Aangenomen is dat gebouwen in de dienstensector binnen de aardgasvrije buurten ook voor twee derde overgaan op het warmtenet. Er is uitgegaan van 750 m3 aardgasvraag per woningequivalent commerciële dienstverlening en 2.010 m3 bij publieke dienstverlening, op basis van gasverbruik (Rijkswaterstaat, lopend a) en oppervlaktes (aangeleverd door de gemeente) en exclusief AMC en VU. Die zijn opgenomen onder Maatregel 6. Tabel 1 - Aantal woningen/ woningequivalenten aardgasvrij te maken en/of op warmtenet aan te sluiten Woningen

Commerciële dienstverlening

Publieke dienstverlening

Totaal

28 aardgasvrije buurten

58.200

3.600

4.100

65.900

Extra aardgasvrije buurten

46.200

18.600

3.900

68.700

Aardgasvrij vanwege Warmtemotor maar buiten aardgasvrije buurten

40.400

40.400

Totaal aardgasvrij

144.800

22.200

8.000

175.000

-waarvan warmtenet

110.000

14.800

5.300

128.200

Maatregel 3 Met woningcorporaties zijn samenwerkingsafspraken gemaakt lopend tot 2023. Onderdeel hiervan is dat zij 8% CO2 reduceren (AFWC; FAH, Gemeente Amsterdam, 2019) (afspraak 21-b). Maatregel 4 Het warmtenet heeft twee bronnen: de AEB en de Diemercentrale. Voor de AEB gaan we voor 2030 uit van CCS/CCU (zie Hoofdstuk 5). Dit betekent dat de emissiefactor daalt, oftewel de uitstoot per geleverde joule aan warmte. Voor de Diemercentrale gaan we uit van inzet van zowel biomassa als gas in 2030, waardoor ook daar de emissiefactor daalt ten opzichte van nu. De huidige emissiefactor is daarmee 0,031 kg/MJ (zie ook Bijlage B) en in 2030 zal dit circa 0,017 kg/MJ zijn. Ontwikkeling 5 Kantoren groter dan 100 m2 dienen per 2023 minimaal Label C te hebben, volgens het Bouwbesluit 2012. De inschatting van het effect hiervan op gasverbruik en CO2-uitstoot is gemaakt door de huidige labelverdeling en gasverbruik (Rijkswaterstaat, lopend a) te combineren met een tabel met percentuele besparing per labelstap. Dit is in 2018 uitgezocht door Liander op basis van eigen data (Boeschoten, 2018). Ontwikkeling 6 De ziekenhuizen AMC en VU zijn buiten bovenstaande berekeningen van publieke dienstverlening gehouden. AMC en VU vallen binnen ETS en stootten samen 75 kton uit in 2017.

We hebben in de raming aangehouden dat zij de ontwikkelingen volgen conform de reductiedoelstelling in het Klimaatakkoord voor ETS-bedrijven (zie ook Item 14 in het hoofdstuk over Haven en Industrie). Dit ligt bovendien in lijn met scenario’s uit de Routekaart verduurzaming van het zorgvastgoed – ziekenhuizen (TNO, 2019) op basis waarvan we een bandbreedte hebben opgesteld. Een belangrijke onzekere factor is of WKK’s2 blijven worden ingezet en wat daarvoor eventueel in de plaats kan komen.

________________________________ 2

9

Warmtekrachtkoppeling, installatie waarin aardgas wordt gestookt en die zowel warmte als elektriciteit levert.

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Groei 7 Nieuwbouw van woningen zal aardgasvrij zijn. Er komt dus geen CO 2-uitstoot bij van gasverbruik. Het effect van elektrisch verwarmen is opgenomen in Hoofdstuk 6 over elektriciteit. Een deel van de nieuwbouw zal op het warmtenet worden aangesloten. Hierop is de emissiefactor toegepast zoals hierboven besproken onder item 4. De totale nieuwbouw bedraagt circa 70.000 woningen (ABF Research, 2019). Hierover is aangenomen dat 10.000 woningen worden aangesloten op het warmtenet en de rest all electric zal zijn. Per nieuwbouwwoning op het warmtenet is gerekend met 38 GJ voor ruimteverwarming en tapwater (CE Delft, 2019b). Groei 8 Nieuwbouw van kantoren is verondersteld all electric te zijn.

Uitkomsten Het aardgasverbruik neemt af, maar het warmtenet groeit. Wel neemt de emissiefactor van warmteverbruik af. De uitstoot van overige broeikasgassen is proportioneel aan de overige ontwikkelingen. Tabel 2 - CO2-uitstoot gebouwde omgeving (kton CO2-eq. per jaar) 2017

2030 Raming

2030 Bandbreedte

Aardgasverbruik woningen

650

360

290-370

Aardgasverbruik commerciële dienstverlening

260

210

210-210

Aardgasverbruik publieke dienstverlening

220

170

160-180

Warmteverbruik woningen

30

80

100-120

Warmteverbruik diensten

40

30

40-50

Uitstoot overige broeikasgassen

50

30

30-30

1.250

880

820-960

Totaal

Figuur 4 - Raming van CO2-reductie gebouwde omgeving (kton CO2-eq. per jaar) uitgesplitst naar maatregelen, autonome ontwikkelingen en groei van de stad3

________________________________ 3

Maatregelen en autonome ontwikkelingen werken beide tegelijk op de huidige emissies. De berekening van de reductie heeft de vorm (1-M) * (1-A), oftewel een formule met het product van de twee factoren. Dit betekent dat het effect van meerdere maatregelen niet de optelsom is van de effecten van afzonderlijke maatregelen. Hier zijn toch optelbare percentages opgegeven. Dit kan enkel door een volgorde te veronderstellen, hier: eerst de maatregelen, daarna de autonome ontwikkelingen.

10

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

4 Mobiliteit Mobiliteit behelst alle verkeer, inclusief mobiele werktuigen en goederenvervoer over weg en het spoor, maar exclusief binnenvaart. Voor het wegverkeer zijn zowel gemeentelijke, provinciale als rijkswegen meegenomen. De huidige CO 2-uitstoot komt van gebruik van fossiele brandstoffen. Het elektriciteitsverbruik wat ontstaat bij groei van elektrische voertuigen is opgenomen onder Elektriciteit in Hoofdstuk 6. Maatregelen: 9. Actieplan Schone Lucht. 10. Autoluw beleid. Autonome ontwikkelingen: 11. Schoner verkeer door het Klimaatakkoord. Groei van de stad: 12. Groei van de mobiliteitsvraag.

Toelichting Maatregel 9 Actieplan Schone Lucht (Gemeente Amsterdam, 2019c) voorziet stapsgewijze invoering en uitbreiding van milieuzones voor de diverse modaliteiten. In 2030 zou voor alle modaliteiten moeten gelden dat enkel uitstootvrij verkeer is toegestaan in de bebouwde kom. In principe zou dat leiden tot 100% emissievrij verkeer. Echter, er kan reden zijn voor ontheffingen, en de milieuzones zullen niet altijd nageleefd worden. Handhaving is een opgave. Per modaliteit is een inschatting gemaakt welk deel van het verkeer in 2030 emissievrij zal zijn: — personenauto 95% — taxi 95% — bestelwagen 95% — vrachtwagen 95% — ov-bus 100% — touringcar 95% — motor 95% — bromfiets 95% — veren 95% — plezier- en passagiersvaart 95% — tram 100% — metro 100% — mobiele werktuigen 75% Bij deze inschatting is een belangrijk voorbehoud van toepassing: de gemeente heeft nu niet voor alle modaliteiten het mandaat om de voorgenomen milieuzones in te voeren. Wat betreft particuliere automobiliteit zal in 2022 een evaluatie van milieuzones plaatsvinden met het rijk. In de raming is aangenomen dat de gemeente het voorgenomen beleid wel zal kunnen uitvoeren. In de bandbreedte houden we rekening met een situatie waarin slechts beperkt mandaat voor de milieuzones zal komen.

Er zijn nog andere kritische succesfactoren: voor de transitie naar elektrische voertuigen is voldoende laadinfrastructuur essentieel. Ook beschikbaarheid en aanschafkosten van

11

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

elektrische voertuigen zelf kunnen een knelpunt vormen voor inwoners om aan de milieuzones te voldoen. Als de milieuzones in de bebouwde kom kunnen worden ingevoerd en uitgebreid, dan zal dit ook uitstralen op het verkeer op rijkswegen. Daarvan is de A10 uiteraard de voornaamste. Verkeer op de A10 gaat deels de stad in of uit, deels betreft het doorgaand verkeer. TNO heeft voor de gemeente de uitstraling berekend op basis van verkeersstromen en komt uit op 45%. Dat impliceert dat, indien alle verkeer binnen de stad uitstootvrij is, dan daarmee de uitstoot op de wegen erbuiten met 45% daalt. Maatregel 10 In Agenda Amsterdam Autoluw stelt de gemeente 27 maatregelen, pilots en onderzoeken voor om Amsterdammers en bezoekers te stimuleren vaker te kiezen voor alternatieven voor de auto (Gemeente Amsterdam, 2019b). We hebben niet van elk afzonderlijk voorstel een te verwachten effect geanalyseerd. Voor het geheel is gekeken naar het effect op de automobiliteit. Hiervoor hebben we historische trends doorgetrokken. Beleid gericht op een autoluwe stad is niet nieuw, en terwijl de stad is blijven groeien, is de automobiliteit (in voertuigkilometers) ongeveer gelijk gebleven. We hebben aangenomen dat autoluw beleid in de toekomst ditzelfde effect kan hebben: het vormt tegenwicht voor de groei van mobiliteitsvraag en kanaliseert deze naar openbaar vervoer, fiets en lopen.

Ontwikkeling 11 Behalve het beleid van de gemeente, zal er ook rijksbeleid komen volgend op het Klimaatakkoord, met het effect dat men steeds meer elektrisch zal rijden. In de berekening zijn we hier als volgt mee omgegaan: voor de automobiliteit die niet al door milieuzones uitstootvrij wordt, zal de beoogde transitie deels alsnog tot stand komen conform het Klimaatakkoord. Dit geldt dus met name voor het verkeer op de A10 dat niet de stad binnengaat. PBL voorziet een daling van 35,6 Mton CO2-uitstoot in 2018 naar 31,7 Mton in 2030 voor mobiliteit in Nederland (PBL, 2019a). We hebben deze verhouding overgenomen. Groei 12 Mobiliteit groeit ongeveer proportioneel met de bevolking. Bevolkingsgroei van 13% (ABF Research, 2019) zal dus in principe leiden tot 13% grotere mobiliteitsvraag. Autoluw beleid kan deze groei opvangen, zodat het autoverkeer min of meer gelijk blijft aan nu.

Uitkomsten De milieuzones vormen de drijvende kracht voor CO2-reductie in mobiliteit. Indien de milieuzones kunnen worden ingericht zoals voorgenomen, en groeiende mobiliteitsvraag wordt opgevangen door autoluw beleid, dan kan een reductie gerealiseerd worden van 870 kton in 2017 tot circa 210 kton in 2030 (-76%).

12

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Tabel 3 - CO2-uitstoot mobiliteit (kton CO2-eq. per jaar) 2017

2030 Raming

2030 Bandbreedte

Brandstofverbruik wegverkeer excl. snelwegen

430

20

20-170

Brandstofverbruik wegverkeer snelwegen

310

160

150-200

Brandstofverbruik mobiele werktuigen

100

30

30-80

Brandstofverbruik recreatievaart

4

0

0-1

Brandstofverbruik veren

4

0

0-1

Brandstofverbruik railverkeer

1

1

1-1

Uitstoot overige broeikasgassen

30

10

10-20

870

210

200-480

Totaal

Figuur 5 - Raming van CO2-reductie mobiliteit (kton CO2-eq. per jaar) uitgesplitst naar maatregelen, autonome ontwikkelingen en groei van de stad

13

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

5 Haven en Industrie Haven en Industrie behelzen de uitstoot van aardgasverbruik in industrie en bouwnijverheid, van warmteverbruik in de industrie, van brandstoffen in binnenvaart en visserij, de uitstoot van de AEB, en uitstoot van overige broeikasgassen in de industrie. Maatregelen: 13. CCS/CCU bij de AEB. Autonome ontwikkelingen: 14. Afspraken uit het Klimaatakkoord. 15. Groei van bulktransport. Groei van de stad: 16. Geen.

Toelichting Maatregel 13 De AEB stoot jaarlijks circa 1,5 kton aan CO2 uit. Een groot deel (63%) van het verbrande afval is biogeen, zodat per saldo 550 ton wordt geteld bij Haven en Industrie (16 kton wordt bij gebouwde omgeving geteld vanwege het warmtenet). AEB heeft in 2019 een haalbaarheidsstudie uitgevoerd naar afvang van CO2. Daarbij is naar de technische, economische en maatschappelijke haalbaarheid gekeken. AEB heeft in deze studie de afvang van de hoogrendementscentrale onderzocht waarbij jaarlijks circa 500 kton CO 2 wordt afgevangen. Ontwikkeling14 Voor de Haven en Industrie is verder geen voorgenomen beleid in deze analyse opgenomen. Industriebeleid is vooral van nationaal en internationaal niveau. We kijken daarom naar het Klimaatakkoord. Dat stelt een nationale CO2-heffing voor de industrie voor. PBL geeft aan dat de uitstoot van de industrie in Nederland dan zou dalen van 57,2 Mton in 2018 naar 39,9 Mton in 2030, met de opmerking: ‘Het instrumentarium in de industrie vereist nog dermate belangrijke vormgevingskeuzes, dat in tegenstelling tot andere sectoren, de aangegeven waarde niet het resultaat maar het uitgangspunt is van de analyse. Daarom is een puntwaarde en geen bandbreedte gegeven’. (PBL, 2019b, p. 13) Wij sluiten ons daarbij aan.

Dat betekent een daling proportioneel aan wat landelijk is voorzien in het Klimaatakkoord, en ook wij hebben geen bandbreedte. Ontwikkeling 15 Voor de uitstoot van binnenvaart en visserij volgen we de projecties uit de KEV aangaande bunkerbrandstoffen (PBL, 2019a, p. 179). Groei 16 Er zijn geen aannames gedaan over groei, dat wil zeggen, aangenomen is dat omvang en productie van Haven en Industrie gelijk blijven.

14

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Uitkomsten De raming van de reductie door voorgenomen beleid komt uit op 65% ten opzichte van 2017. Het grootste deel van de reductie komt van CO 2-afvang bij AEB. De uitstoot van overige broeikasgassen was in 2017 voor 12 kton afkomstig van AEB en de rest van overige categorieën; voor 2030 is een gewogen gemiddelde genomen conform deze verdeling. Tabel 4 - CO2-uitstoot Haven en Industrie (kton CO2-eq. per jaar) 2017

2030 Raming

2030 Bandbreedte

Aardgasverbruik industrie

250

170

170-170

Aardgasverbruik bouwnijverheid

10

10

10-10

Warmteverbruik industrie

4

3

3-3

Brandstofverbruik nationale binnenvaart

20

20

20-30

Brandstofverbruik visserij AEB Uitstoot overige broeikgasgassen Totaal

1

1

1-1

550

50

50-390

80

60

50-70

920

320

300-670

Figuur 6 - Raming van CO2-reductie Haven en Industrie (kton CO2-eq. per jaar) uitgesplitst naar maatregelen, autonome ontwikkelingen en groei van de stad

15

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

6 Elektriciteit De elektriciteitsvraag komt van gebouwde omgeving (woningen en dienstensector), datacenters, mobiliteit, bouwnijverheid en industrie. Om de CO2-uitstoot te berekenen die daarmee gepaard gaat, is de emissiefactor voor elektriciteit van het landelijke net aangehouden. Maatregelen: 17. Inzet warmtepompen in aardgasvrije wijken (woningen). 18. Inzet warmtepompen in aardgasvrije wijken (dienstensector). 19. Elektriciteitsvraag voor mobiliteit na Actieplan Schone Lucht en Autoluw beleid. Autonome ontwikkelingen: 20. Emissiefactor. 21. Besparing (huishoudens, dienstensector, nijverheid, industrie). Groei van de stad: 22. Nieuwbouwwoningen. 23. Nieuwbouw dienstensector. 24. Groei datacenters. 25. Groei mobiliteitsvraag.

Toelichting Maatregel 17 Wijken die aardgasvrij gemaakt worden, zullen voor verwarming overgaan op warmtepompen (all electric) of het warmtenet. We hebben de verhouding 1/3 respectievelijk 2/3 aangenomen. Voor de additionele elektriciteitsvraag voor de warmtepompen hebben we de huidige gasvraag als uitgangspunt genomen. Met het rendement van cv-ketels kan daaruit de nuttige warmtevraag worden berekend, en met de efficiëntie van warmtepompen (coëfficiënt of performance, COP) ten slotte de elektriciteitsvraag. hr-ketels hebben een COP van 1,07: met elke joule aan verbrandingsenergie in aardgas wordt 1,07 joule aan warmte geproduceerd. Warmtepompen hebben een COP van circa 4 (CE Delft, 2019c) met elektriciteit wordt warmte uit de bodem of lucht gehaald, zodat met elke kilowattuur aan elektriciteit uiteindelijk vier keer zoveel warmte kan worden geproduceerd. Bij de bandbreedte hebben we geredeneerd vanuit de totale emissies van gebouwde omgeving (zowel gasverbruik, warmteverbruik als elektriciteitsverbruik): meer dan wel minder aardgasvrije woningen betekent meer respectievelijk minder elektriciteitsvraag. Maatregel 18 Voor aardgasvrije kantoren en gebouwen in publieke dienstverlening is een berekening gedaan vergelijkbaar met aardgasvrije woningen.

Maatregel 19 Actieplan Schone Lucht voorziet invoering en uitbreiding van milieuzones, ten behoeve van uitstootvrije mobiliteit (zoals besproken in Hoofdstuk 4). We gaan ervan uit dat de mobiliteit van fossiele brandstoffen overgaat op elektrische voertuigen, niet op brandstofcellen met waterstof. De milieuzones leiden dus tot een additionele elektriciteitsvraag.

16

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Uit cijfers van het huidige verkeer berekenen we de toekomstige elektriciteitsvraag. Dit is gedaan met behulp van verbruikscijfers per modaliteit (CE Delft, 2014) met een Tesla als referentie voor elektrische voertuigen (Elektrische voertuigen, lopend)De uitkomsten zijn in overeenstemming met de vuistregel dat elektromotoren ongeveer drie keer efficiënter zijn dan verbrandingsmotoren (PBL, 2019a). Voor de CO2-uitstoot die gepaard gaat met de elektriciteitsvraag, kijken we naar de emissiefactor van elektriciteit van het net, zie hiervoor item 20. Bij de bandbreedte hebben we geredeneerd vanuit het geheel van mobiliteit (fossiel plus elektrisch): minder of juist meer vervoer op fossiele brandstoffen betekent meer respectievelijk minder elektrisch vervoer. Ontwikkeling 20 De emissiefactor van elektriciteit van het net zal afnemen. In de KEV is berekend dat de emissiefactor door onder meer het Klimaatakkoord zal dalen tot 0,09 kg/kWh (PBL, 2019a, Tabel 13). Voor de bandbreedte hebben we de bandbreedte voor de uitstoot van de elektriciteitssector overgenomen (PBL, 2019a, p. 13). Ontwikkeling 21 We hanteren de besparingspercentages uit de KEV (PBL, 2019a, p. tabel 17). Voor huishoudens gaat het om 1,0% per jaar, voor de dienstensector om 1,5%, en voor nijverheid om 0,5%. Groei 22 Er komen circa 70.000 woningen bij, waarvan 60.000 all electric en 10.000 op het warmtenet.

Voor all electric nieuwbouw gaan we uit van 1.900 kWh voor ruimteverwarming, 1.180 kWh voor tapwater en 2.160 kWh voor apparaten en per woning per jaar verlichting (CE Delft, 2019c; Rijkswaterstaat, lopend b). Voor nieuwbouw aangesloten op het warmtenet zal er enkel elektriciteitsvraag voor apparatuur en verlichting zijn, en hiervoor gaan we uit van 2.160 kWh per woning per jaar. Groei 23 Momenteel is er circa 7 miljoen m2 bruto vloeroppervlakte aan kantoren. Dit zal volgens het Kantorenplan groeien (Gemeente Amsterdam, 2019a). In de periode tot en met 2022 zal 170.000 m2 onttrokken worden en 710.000 m2 opgeleverd. In de periode daarna tot en met 2016 zal 50.000 m2 onttrokken worden en 600.000 m2 opgeleverd. Per saldo komt er dan 1,09 miljoen m2 bvo bij. Voor de verwarming gaan we uit van 34 kWh/m2 (RVO, 2017, p. 49), en voor apparaten en verlichting van 39 kWh/m2 (ECN, 2017, pp. tabel 11, label A). Groei 24 De hoeveelheid datacenters kan verder groeien, met een bijbehorende elektriciteitsvraag. We gaan uit van 181 MW vermogen aan huidige datacenters Tabel 5 in (CE Delft, 2019a; CE Delft, 2019b). Er is nu een tijdelijk moratorium op nieuwe datacenters, maar er is nog geen voorgenomen beleid voor daarna. Daarom zijn we voor 2030 uitgegaan van de Thematische studie elektriciteit Amsterdam (Gemeente Amsterdam ; Liander, 2019).

Hierin zijn drie scenario’s opgesteld voor 2050 met groei tot 670 MW (laag), 990 MW (midden), of 1.260 MW (hoog). Voor 2030 hebben we lineaire interpolatie gedaan, wat neerkomt op respectievelijk 344, 451 of 541 MW. Verder gaan we uit van 4.800 vollasturen, de emissiefactor zoals besproken onder item 20, en efficiëntiewinst conform besparing in de dienstensector onder item 21.

17

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Groei 25 De elektriciteitsvraag van mobiliteit is mede afhankelijk van groei van de stad. De mobiliteitsvraag is ongeveer proportioneel aan de bevolking, en daarom gaan we uit van 13% groei. Ook hier geldt dat de raming er uiteindelijk op neerkomt dat autoluw beleid de groei opvangt.

Uitkomsten Het elektriciteitsverbruik stijgt door elektrificatie van verwarming en vervoer, niettemin nemen de emissies af. De emissiefactor wordt namelijk kleiner door schonere elektriciteitsproductie nationaal. Daar levert Amsterdam wel een bijdrage aan, maar is grotendeels afhankelijk van beleid buiten Amsterdam. Tabel 5 - CO2-uitstoot elektriciteit (kton CO2-eq. per jaar) 2017

2030 Raming

2030 Bandbreedte

Elektriciteitsverbruik woningen

400

110

80-160

Elektriciteitsverbruik commerciële dienstverlening excl. datacenters

670

120

90-190

Elektriciteitsverbruik datacenters

390

180

100-340

Elektriciteitsverbruik publieke dienstverlening

280

50

40-70

Elektriciteitsverbruik mobiliteit

-

60

50-50

Elektriciteitsverbruik industrie

200

40

30-60

Elektriciteitsverbruik bouwnijverheid

20

3

2-5

1.960

570

390-880

Totaal

Figuur 7 - Raming van CO2-reductie elektriciteit (kton CO2-eq. per jaar) uitgesplitst naar maatregelen, autonome ontwikkelingen en groei van de stad4

________________________________ 4

Door maatregelen van de gemeente is er een verschuiving van aardgas en fossiele brandstoffen naar elektriciteit. De elektriciteitsvraag groeit dus. De grafiek geeft in het blokje ‘Maatregelen’ weer in hoeveel extra CO2-uitstoot dit resulteert bij de toekomstige emissiefactor.

18

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

7 Conclusie en discussie Raming op basis van voorgenomen beleid De resultaten zijn hieronder samengevat. Ten opzichte van de uitstoot in 1990 komt de raming uit op 48% reductie, tegenover de doelstelling van 55%. De bandbreedte voorziet 21% tot 55% reductie. Samengevat is er bij gebouwde omgeving een verschuiving van aardgas naar warmte en elektriciteit, bij mobiliteit van fossiele brandstoffen naar elektriciteit, is bij industrie nationaal beleid als trend aangenomen, en bij elektriciteit is er stijging van de vraag maar daalt de emissiefactor sterk. Elektrificatie van verwarming en mobiliteit heeft een positief effect op de CO2-reductie allereerst door efficiëntiewinst (warmtepompen hebben een hogere COP dan ketels, elektromotoren zijn efficiënter dan verbrandingsmotoren) en vervolgens door de lage emissiefactor die voor 2030 is voorzien. Groei van de stad, inclusief datacenters, zorgt voor beperkte nieuwe CO2-uistoot: 170 kton, +3% ten opzichte van huidige uitstoot bij een groei van 13% in het aantal inwoners. De nieuwe CO2-uitstoot blijft beperkt mits nieuwbouw inderdaad aardgasvrij zal zijn, de extra mobiliteit uitstootvrij, en de emissiefactor van elektriciteit inderdaad sterk zal dalen. Dit laatste is met name belangrijk voor groei van datacenters. Tabel 6 - CO2-uitstoot totaal (kton CO2-eq. per jaar) 1990

2017

2030 Raming

2030 Bandbreedte

1.250

880

820-960

Mobiliteit

870

210

200-480

Haven en Industrie

920

320

300-670

1.960

570

390-880

5.000

1.990

1.720-3.000

Gebouwde omgeving

Elektriciteit Totaal

3.810

Figuur 8 - CO2-uitstoot totaal in 1990, 2017 en 2030 (kton CO2-eq. per jaar) 6.000 5.000

4.000 ​

-21%

3.000 -48%

2.000

-55%

1.000 1990

2017

1990

19

GO

MOB

2030

H&I

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

E

Doel -55%

Figuur 9 - Raming van CO2-reductie (kton CO2-eq. per jaar) uitgesplitst naar maatregelen, autonome ontwikkelingen en groei van de stad

Kritische succesfactoren Wat zijn nu de meest bepalende factoren voor de geraamde CO2-reductie? De belangrijkste factor is de emissiefactor van elektriciteit. Ter illustratie: zouden we de raming voor 2030 helemaal gelijk houden en alleen de emissiefactor op de waarde van 2017 zetten (0,45 kg/kWh in plaats van 0,09 kg/kWh), dan komt de CO 2-uitstoot uit op 4.300 kton in plaats van 1.990 kton5. Dit is een autonome ontwikkeling, waar de stad Amsterdam in beperkte mate een bijdrage aan kan leveren met hernieuwbare opwek. Door de verschuiving van energiegebruik van gas en fossiele brandstoffen naar elektriciteit, wordt de emissiefactor extra van belang. Hierna komt CO2-afvang bij de AEB. Die is nu op 500 kton geschat en vormt daarmee ongeveer een zesde van de totale geraamde reductie. De milieuzones hebben een effect van vergelijkbare grootte (ca. 500 kton). Kritisch is hier of de gemeente mandaat krijgt om deze in te voeren. Bovendien zal de transitie naar elektrische voertuigen gefaciliteerd moeten worden met voldoende laadinfrastructuur. Met de wijk-voor-wijk-aanpak en de Warmtemotor kan ook circa 300 kton gereduceerd worden. Het succes zal uit de praktijk moeten blijken, kritisch zijn in ieder geval twee zaken.

Ten eerste, krijgen gemeenten de bevoegdheid om wijken van het gas af te sluiten, en onder welke voorwaarden, en vanaf wanneer? En ten tweede, in hoeverre is het (financieel) voor bewoners aantrekkelijk om de transitie te maken van het gas af? De gasprijs voor de consument, de kosten van nieuwe installaties of van warmtelevering, grondgebonden leningen, en de informatievoorziening hierover zullen in sterke mate het succes van de maatregelen voor de gebouwde omgeving bepalen. En dit ligt niet geheel in de hand van de gemeente, maar zeker ook bij het rijk. ________________________________ 5

Zoals aangegeven in Voetnoot vormt het effect van meerdere maatregelen niet de optelsom van de effecten van afzonderlijke maatregelen. Wanneer we één factor veranderen en de rest gelijk houden, dan geeft dat een indicatie voor de gevoeligheid voor die factor. Maar deze gevoeligheden per factor kunnen we niet optellen. Ze staan uiteindelijk niet los van elkaar, maar hangen samen. Bijvoorbeeld: de gevoeligheid voor de emissiefactor is groter bij meer elektrificatie.

20

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

A Bibliografie ABF Research, 2019. Primos: Woningvoorraad - Amsterdam. [Online] Available at: https://primos.abfresearch.nl//jive/ViewerTable.aspx?&wsguid=4f55ac89fede-4417-b658-a126756fe7f7&ps=-605 [Geopend 11 november 2019]. AEB Amsterdam, 2017. CO2 is een bruikbare grondstof. [Online] Available at: https://www.aebamsterdam.nl/over-aeb/nieuws/2017/co2-is-een-bruikbaregrondstof/ [Geopend 2020]. AFWC; FAH, Gemeente Amsterdam, 2019. Samenwerkingsafspraken 2020-2023: Amsterdamse prestatieafspraken tussen de huurderskoepels, de woningcorporaties en de gemeente (Onderhandelakkoord 7 november 2019), Amsterdam: Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties; Federatie Amsterdamse Huurderskoepels, Gemeente Amsterdam. Boeschoten, S., 2018. Potentiële energiebesparing na isolatiemaatregelen (niet openbaar), sl: Liander. CE Delft, 2014. STREAM Personenvervoer 2014 : Studie naar Transportemissies van Alle Modaliteiten: emissiekentallen 2011, Delft: CE Delft. CE Delft, 2017. Spreadsheet CO2-emissie Amsterdam 2016_20_04_18 (3.L29), Delft: CE Delft. CE Delft, 2019a. Rapportage systeemstudie energieinfrastructuur Noord-Holland 2020-2050, Delft: CE Delft. CE Delft, 2019b. Alle warmtetechnieken voor bewoners : factsheets Individuele technieken, Hogetemperatuuur-warmtenet.

[Online] Available at: https://www.ce.nl/assets/upload/image/Plaatjes%20themapagina's/Duurzame%20stad/CE_ Delft_5R19_Factsheet_warmtenet_HT_Def.pdf [Geopend 2019]. CE Delft, 2019c. Alle warmtetechnieken voor bewoners : factsheet Luchtwarmtepomp. [Online] Available at: https://www.ce.nl/assets/upload/file/Rapporten/2018/Factsheets%20warmtetechnieken/0 4_Factsheet%20Luchtwarmtepomp_DEF.pdf [Geopend 2020]. CO2 emissiefactoren, 2019. Lijst emissiefactoren. [Online] Available at: https://www.co2emissiefactoren.nl/lijst-emissiefactoren/ [Geopend 2019]. ECN, 2017. Energielabels en het daadwerkelijk energieverbruik van kantoren, Petten: ECN.

21

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Elektrische voertuigen, lopend. Database : Tesla. [Online] Available at: https://ev-database.nl/search/?q=tesla [Geopend 2020]. Gemeente Amsterdam ; Liander, 2019. Thematische studie elektriciteit Amsterdam, Amsterdam: Gemeenter Amsterdam. Gemeente Amsterdam, 2019a. Kantorenplan 2019-2026 : Toekomstbestendige kantoren voor de vraag van vandaag en morgen, concept 19 maart, Amsterdam: Gemeente Amsterdam. Gemeente Amsterdam, 2019b. Amsterdam maakt ruimte : Agenda Amsterdam Autoluw, Amsterdam: Gemeente Amsterdam. Gemeente Amsterdam, 2019c. Actieplan Schone lucht : Uitstootvrij Amsterdam, Amsterdam: Gemeente Amsterdam. Gemeenteraad Amsterdam, 2018. Een nieuwe lente en een nieuw geluid : Coalitieakkoord Amsterdam , Amsterdam: Coalitie Gemeenteraad Amsterdam. Klimaatakkoord.nl, 2019. Klimaatakkoord, Den Haag: Rijksoverheid. PBL, 2019a. Klimaat- en Energieverkenning 2019 (KEV), Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). PBL, 2019b. Het Klimaatakkoord : effecten en aandachtspunten, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Rijkswaterstaat, lopend a. Klimaatmonitor; gasgebruik Amsterdam. [Online] Available at: https://klimaatmonitor.databank.nl/Jive [Geopend 2019]. Rijkswaterstaat, lopend b. Klimaatmonitor : Gemiddeld elektriciteitsgebruik alle woningen 2017- Gemeenten : Amsterdam.

[Online] Available at: https://klimaatmonitor.databank.nl/Jive?workspace_guid=a98a90e5-2f464972-9987-a8cb6b580df2 [Geopend 2020]. RIVM, 2019. Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990-2017: National Inventory Report 2019, Den Haag): RIVM. RVO, 2017. Referentie gebouwen BENG (Bijna EnergieNeutrale Gebouwen) , Utrecht: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). TNO, 2019. Routekaart verduurzaming van het zorgvastgoed – ziekenhuizen, sl: TNO Innovation for Life.

22

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

B Toelichting CO2-uitstoot 1990 en 2017 B.1

CO2-uitstoot in 2017 In onderstaande tabel staan de uitgangspunten en de bronnen voor de berekening van de CO2-emissies uit deze rapportage. De CO2-emissie uit deze rapportage verschilt van de CO 2emissie zoals die eerder altijd gerapporteerd is in de monitoringsrapportages. Dit komt onder andere door een wijziging in scope. De belangrijkste wijzigingen zijn: — uitgangspunt voor de CO2-emissies zijn de data uit de klimaatmonitor en niet meer uit Energieinbeeld; — overige broeikasgassen worden meegenomen; — nationale binnenvaart, Visserij en de emissies van afvalverbranding van de AEB worden nu meegenomen. Deze zijn opgenomen in de categorie ‘industrie en haven’; — veren, railverkeer en snelwegen worden nu meegenomen bij de categorie ‘mobiliteit’. Tabel 7 – Uitgangspunten om de CO2-uitstoot in 2017 te bepalen. Uitgangspunt/bron Zichtjaar

2017

Methodiek

De CO2-uitstoot voor Amsterdam is berekend op basis van de eindverbruikersmethode. Dit wil zeggen dat we uitgaan van het verbruik van elektriciteit, gas en warmte en dit middels een CO2-kental omrekenen naar CO2-emissies. De CO2-emissies van elektriciteits- en warmteproductie op Amsterdams grondgebied (de zogenaamde puntbronemissies) vallen buiten deze scope. Om deze reden nemen we van de AEB enkel de niet-biogene emissies mee van de afvalverbranding, waarbij we corrigeren voor de emissies die worden toegerekend aan de warmtelevering conform de eindverbruikersmethode. Voor de overige broeikasgassen is de data uit de Emissieregistratie gebruikt. Hier wordt wel uitgegaan van de emissies uit de bronnen (de puntbronemissies). Deze overige broeikasgassen worden met de Global Warming Potentials volgens IPCC AR4 omgerekend naar CO2-equivalenten. Alle categorieën die volgens Klimaatwet niet in de scope zitten (internationale luchten scheepvaart en veenbomems) zijn niet meegenomen in analyse (zowel bij CO2 en overige broeikasgassen)

Elektriciteit

23

In deze categorie zijn de CO2-emissies van het elektriciteitsverbruik in de gemeente Amsterdam opgenomen. Deze CO2-emissies zijn rechtstreek overgenomen uit de Klimaatmonitor. Hierin is al het elektriciteitsverbruik via het laag-, midden-, en hoogspanningsnet meegenomen. Het elektriciteitsverbruik dat achter de meter wordt opgewekt (zoals door zonnepanelen) is niet meegenomen in het elektriciteitsverbruik. Dit heeft geen consequenties voor de totale CO2-uitstoot omdat elektriciteitsverbruik uit zonnepanelen geen CO2-emissies veroorzaakt.

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Indien de data niet bekend was voor een bepaalde sector, is geïnterpoleerd op basis van de jaren waarover de data wel beschikbaar waren. In de tabel hieronder staat hoe de categorieën zijn opgebouwd.

Gebouwde omgeving

Categorie in deze rapportage

Categorie uit de Klimaatmonitor

Woningen

Woningen

Commerciële dienstverlening

SBI A, G, H, I, J, K, L, M en N

Publieke dienstverlening

SBI O, P, Q, R en S

Industrie

Industrie en SBI B, D en E

Bouwnijverheid

SBI F

In deze categorie zijn alle emissies opgenomen die gerelateerd zijn aan de warmtevraag van de gebouwde omgeving in de gemeente Amsterdam. Deze warmtevraag kan ingevuld worden door aardgas verstookt in individuele ketels, aardgas verstookt in collectieve warmte-installaties, warmte uit de AEB en warmte uit de Diemencentrale. De CO2-uitstoot van het verstoken van aardgas in individuele ketels is overgenomen uit de Klimaatmonitor. Indien de data niet bekend was voor een bepaalde sector, is geïnterpoleerd op basis van de jaren waarover de data wel beschikbaar waren. De data van het gasverbruik van collectieve warmte-installaties (zoals blokverwarming), warmte uit de AEB en warmte uit de Diemencentrale zijn aangeleverd door Vattenfall. De emissiefactoren van warmte uit de AEB, c.q. de Diemencentrale zijn bepaald door CE Delft. Deze emissiefactoren zijn respectievelijke 23,4kg CO2/GJ en 34,3kg CO2/GJ. De emissie voor warmte uit collectieve warmte-installaties is overgenomen uit de klimaatmonitor en bedraagt 36,0 kg/GJ. Het zakelijk warmteverbruik uit de data van Vattenfall is volledig toegewezen aan commerciële dienstverlening, er kunnen in praktijk ook gebouwen in publieke dienstverlening tussen zitten. De uitstoot voor de overige broeikasgassen komt van de Emissieregistratie.

Het gaat hier met name om methaanemissies (CH4) van het verstoken van aardgas (gasslib) bij huishoudens en methaanemissies (CH4) en Distikstofoxide (N2O) van de landbouwsector (SBI A) In de tabel hieronder staat hoe de categorieën zijn opgebouwd.

24

Categorie in deze rapportage

Categorieën

Woningen (gas)

Woningen (klimaatmonitor)

Commerciële dienstverlening (gas)

SBI A, G, H, I, J, K, L, M en N (klimaatmonitor)

Publieke dienstverlening (gas)

SBI O, P, Q, R en S

Woningen (warmte)

B-to-C Particulier warmteverbruik (Vattenfall)

Commerciële dienstverlening (warmte)

B-to-B Zakelijk warmteverbruik alle stadsdelen excl. Westpoort (Vattenfall)

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Overige broeikasgassen

Haven en industrie

Alle overige broeikasgassen bij subdoelgroep Consumenten, HDO en landbouw (Emissieregistratie)

In deze categorie zijn alle emissies opgenomen die gerelateerd zijn aan de warmtevraag van de industrie in de gemeente Amsterdam. Deze warmtevraag kan ingevuld worden door aardgas verstookt in individuele ketels of warmte uit de AEB en warmte uit de Diemencentrale. De CO2-uitstoot van het verstoken van aardgas in individuele ketels is overgenomen uit de Klimaatmonitor. Indien de data niet bekend was voor een bepaalde sector, is geïnterpoleerd op basis van de jaren waarover de data wel beschikbaar waren. De data van het gasverbruik van warmte uit de AEB en warmte uit de Diemencentrale zijn aangeleverd door Vattenfall. De emissiefactoren van warmte uit de AEB, c.q. de Diemencentrale zijn bepaald door CE Delft. Deze emissiefactoren zijn respectievelijke 23,4kg CO2/GJ en 34,3kg CO2/GJ. De CO2-uitstoot voor nationale binnenvaart, visserij en AEB komt van de Emissieregistratie. Op de CO2-uitstoot van de AEB is een correctie toegepast. Het totaal van 1.537 kton CO2 is gecorrigeerd voor het aandeel biogeen (63%) (RIVM, 2019). Daarna is de resterende emissie van 553 kton CO2 verminderd met de CO2emissie die gealloceerd is aan de warmtelevering in Amsterdam (16 kton CO2). De uitstoot voor de overige broeikasgassen komt van de Emissieregistratie. Het gaat hier met name om methaanemissies (CH4) uit rioolwaterzuiveringsinstallaties en Distikstofoxide (N2O) van de AVI’s.

In de tabel hieronder staat hoe de categorieën zijn opgebouwd.

25

Categorie in deze rapportage

Categorieën

Industrie (gas)

Industrie en SBI B en E (klimaatmonitor)

Bouwnijverheid (gas)

SBI F (klimaatmonitor)

Industrie (warmte)

B-to-B zakelijk warmte Westpoort (Vattenfall)

Nationale binnenvaart

Binnenvaart nationaal en binnenvaart nationaal duwvaart (emissieregistratie)

Visserij

Visserij, Nederlandse kottervisserij en binnenvisserij; Visserij, diepzeetrawlers; Visserij, buitenlandse viskotters (emissieregistratie)

AEB

AVI’s (emissieregistratie)

Overige broeikasgassen

Alle overige broeikasgassen bij afvalverwijdering, bouw, chemische industrie, drinkwatervoorziening, energiesector, overige industrie, raffinaderijen, riolering en waterzuiveringsinstallaties en verkeer en vervoer (binnenscheepvaart en visserij (emissieregstratie)

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Mobiliteit

In deze categorie zijn alle emissies opgenomen die gerelateerd zijn aan de sector mobiliteit in de gemeente Amsterdam. Alle data over de CO2-uitstoot en de overige broeikasgassen komen uit de emissieregistratie.

B.2

Categorie in deze rapportage

Categorieën uit de emissieregistratie

Mobiele werktuigen

Mobiele werktuigen.

Railverkeer

Spoorwegen diesel personenvervoer, spoorwegen vrachtvervoer (diesel)

Recreatievaart

Recreatievaart

Veren

Binnenvaart passagiers- en veerboten

Wegverkeer, overige wegen

Uitlaatgassen autobussen, touringcars, lichte bedrijfsvoertuigen, zware bedrijfsvoertuigen, motorfietsen, brommobielen, bromfietsen en personenauto’s (zowel bebouwde kom en buitenweg als LPG, aardgas, diesel en benzine)

Wegverkeer, snelwegen

Uitlaatgassen autobussen, touringcars, lichte bedrijfsvoertuigen, zware bedrijfsvoertuigen, motorfietsen en personenauto’s (snelwegen en LPG, aardgas, diesel en benzine)

Overige broeikasgassen

Alle overige broeikasgassen uit bovenstaande categorieën

CO2-uitstoot in 1990 Zoals in Paragraaf B.1 beschreven, is dit jaar een aantal methodologische wijzigingen doorgevoerd. Om deze reden is de CO2-uitstoot voor 1990 herijkt. Het is niet mogelijk om de emissies over 1990 in dezelfde categorieën te presenteren als de categorieën van 2017 zoals beschreven in Tabel 7. Dit is zo omdat de groeifactoren waarmee 1990 wordt gereconstrueerd, voorheen bepaald zijn voor de categorieën woningen en bedrijven, los van de opdeling elektriciteit, gas en warmte. In Tabel 8 staan de uitgangspunten voor deze herijking. Tabel 8 – Uitgangspunten om de CO2-uitstoot in 2017 te bepalen. Uitgangspunt/bron

26

Zichtjaar

1990

Methodiek

Herijking van de emissiecijfers over 2017

Woningen

De emissies voor woningen (zowel voor elektriciteit, gas als warmte) zijn door middel van een groeifactor en data uit 2013 uit de klimaatmonitor geschaald naar de emissies voor 1990. Deze groeifactoren zijn vastgesteld in de monitoring over 2016 (CE Delft, 2017). Deze groeifactor voor 1990 ten opzicht van 2013 is 93%

Bedrijven

De emissies voor bedrijven (bouwnijverheid, commerciële dienstverlening en publieke dienstverlening) zijn door middel van een groeifactor en data uit 2013 geschaald naar de emissies voor 1990. Deze groeifactoren zijn vastgesteld in de monitoring over 2016 (CE Delft, 2017). Deze groeifactor voor 1990 ten opzichte van 2013 is 63%. Aan deze categorie zijn vervolgens de emissies uit de binnenscheepvaart, visserij en AEB uit 1990 toegevoegd. De emissies voor 1990 komen rechtstreeks uit de Emissieregistratie, alleen voor de AEB is een schatting gemaakt op basis van de

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

verbrandingscapaciteit in 1990 bij de voorloper van het AEB (aangeleverd door het AEB). Mobiliteit

De emissies voor mobiliteit voor 1990 komen rechtstreeks uit de Emissieregistratie

Overige broeikasgassen

De emissies voor de overige broeikasgassen komen rechtstreeks uit de Emissieregistratie. Hier zijn twee bewerkingen op uitgevoerd: — uitstoot door trifluormethaan in 1990 verwijderd, is ten onrechte aan Amsterdam toegewezen, komt alleen door DuPont in Dordrecht; — in de dataset Emissieregistratie zit voor 1990 voor Amsterdam geen uitstoot door landbouw, daarvoor inschatting gedaan o.b.v. landelijke ontwikkeling 1990-2017.

Figuur 10 – Totale CO2-emissie van Amsterdam in 1990 in CO2-equivalenten

Emissies Amsterdam 1990 (kton/jaar in CO2-eq.) 2000 1800 1600 1400

1200 1000 800 600 400 200 0

Woningen

27

Bedrijven (incl AEB)

190228 - Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal - Februari 2020

Mobiliteit

Overige broeikasgassen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9575224/1