CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 11 Duurzaamheid en Circulaire Economie (29) 3. SEO en CE Delft Duurzaamheid en economisch herstel Amsterdam.pdf

Raadscommissie voor Financiën, Economische Zaken, Deelnemingen, Lucht- en Zeehaven, Duurzaamheid 14 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de reactie op motie 467 van het lid Torn inzake de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (Quickscan voor Begroting 2021) (ZD2020-011612)11.109 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Duurzaamheid en economisch herstel Amsterdam

Amsterdam, oktober 2020 In opdracht van de gemeente Amsterdam

Duurzaamheid en economisch herstel Amsterdam Wat zijn de gevolgen voor de arbeidsmarkt?

Bert Tieben Tom Smits Jasper Schilling (CE Delft) Fenneke van de Poll (CE Delft) Joram Dehens (CE Delft)

SEO Economisch Onderzoek - Roetersstraat 29 - 1018 WB Amsterdam - T (+31) 20 525 1630 - www.seo.nl - secretariaat@seo.nl ABN-AMRO IBAN: NL14ABNA0411744356 BIC: ABNANL2A - ING: IBAN: NL96INGB0004641100 BIC: INGBNL2A KvK Amsterdam 41197444 - BTW NL 003023965 B01

“De wetenschap dat het goed is” SEO Economisch Onderzoek doet onafhankelijk toegepast onderzoek in opdracht van overheid en bedrijfsleven. Ons onderzoek helpt onze opdrachtgevers bij het nemen van beslissingen. SEO Economisch Onderzoek is gelieerd aan de Universiteit van Amsterdam. Dat geeft ons zicht op de nieuwste wetenschappelijke methoden. We hebben geen winstoogmerk en investeren continu in het intellectueel kapitaal van de medewerkers via promotietrajecten, het uitbrengen van wetenschappelijke publicaties, kennisnetwerken en congresbezoek.

SEO-rapport nr. 2020-72 CE Delft rapport nr. 20.200243.127 ISBN 978-90-5220-092-7 Informatie & Disclaimer SEO Economisch Onderzoek heeft op de verkregen informatie en data geen onderzoek uitgevoerd dat het karakter draagt van een accountantscontrole of due diligence. SEO is niet verantwoordelijk voor fouten of omissies in de verkregen informatie en data. Copyright © 2020 SEO Amsterdam. Alle rechten voorbehouden. Het is geoorloofd gegevens uit dit rapport te gebruiken in artikelen, onderzoeken en collegesyllabi, mits daarbij de bron duidelijk en nauwkeurig wordt vermeld. Gegevens uit dit rapport mogen niet voor commerciële doeleinden gebruikt worden zonder voorafgaande toestemming van de auteur(s). Toestemming kan worden verkregen via secretariaat@seo.nl.

DUURZAAMHEID EN ECONOMISCH HERSTEL AMSTERDAM

i

Samenvatting De ambities en maatregelen van de gemeente Amsterdam voor duurzaamheid en energietransitie leveren tussen 20202030 circa 12,5 duizend extra arbeidsjaren aan werkgelegenheid op. De inzet om via groene motoren het economische herstel in de komende jaren te bevorderen kunnen in 2021-2025 circa 3.800 arbeidsjaren aan extra werkgelegenheid opleveren en tussen 2026-2030 3.500 arbeidsjaren. Aanleiding De gemeente Amsterdam heeft in de afgelopen periode ambities en beleid geformuleerd op het terrein van duurzaamheid en energietransitie in onder meer de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 en de concept-Transitievisie Warmte. De verwachting is dat de investeringen die benodigd zijn voor uitvoering van de ambities en maatregelen voor de lange termijn gevolgen zullen hebben voor de arbeidsmarkt in de regio. Gezien de impact op de arbeidsmarkt is het relevant dat de economie van Amsterdam nu en de komende jaren de gevolgen zal ondervinden van de coronacrisis. Daarbij komt de vraag naar voren in hoeverre de uitvoering van de agenda voor duurzaamheid en energietransitie in de gemeente Amsterdam een bijdrage kan leveren aan het economische herstel. Vraagstelling De hoofdvragen van dit onderzoek zijn: 1. Wat is de economische impact van de duurzaamheidsmaatregelen op de Amsterdamse economie? 2.

Hoe kunnen duurzaamheidsmaatregelen van de gemeente Amsterdam in de komende 2-3 jaar bijdragen aan het economische herstel in de regio? Resultaten De langetermijnagenda van de gemeente Amsterdam voor duurzaamheid en energietransitie vraagt investeringen van publieke en private partijen. De directe en indirecte productie-effecten van deze investeringen zijn circa € 4,3 miljard in 2021-2025 en lopen op tot € 8,0 miljard in 2026-2030. Deze productie levert 62 duizend arbeidsjaren aan bruto werkgelegenheid op. Dit zijn de werknemers die nodig zijn om deze productie te realiseren. Het bruto werkgelegenheidseffect is een indicator van de transitie die de arbeidsmarkt in Amsterdam te wachten staat waarbij banen in de fossiele industrie worden vervangen door banen in groene sectoren. Niet elke baan in de groene sector levert extra werkgelegenheid op, omdat werknemers van baan veranderen als werk in de fossiele industrie verdwijnt en de groene sector door investeringen aantrekkelijker wordt. Waar de investeringen per saldo extra banen creëren voor werkzoekenden, is sprake van een toename van de netto werkgelegenheid. Voor de langetermijnambities en -maatregelen bedraagt het effect op de netto werkgelegenheid 12,5 duizend arbeidsjaren tussen 2020 en 2030.

De ambitie van de concept-Transitievisie Warmte is qua investeringen het meest omvangrijke deel van deze langetermijnagenda van de gemeente Amsterdam. De gemeente Amsterdam is voornemens om via groene motoren het economische herstel in Amsterdam te bevorderen. Voor deze studie is het economische effect doorgerekend van vier groene motoren op het gebied van renovatie, warmte, zonne-energie en de verduurzaming van

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

ii

gemeentelijke gebouwen (eigen assets). De directe en indirecte productie-effecten van de groene motoren zijn circa € 2,7 miljard in 2021-2025 en lopen op tot € 4,3 mrd. in 2026-2030. De bruto werkgelegenheid bedraagt in 2021-2025 circa 15 duizend arbeidsjaren wat oploopt in de periode 2026-2030 tot 25 duizend arbeidsjaren. De netto werkgelegenheid bedraagt in 2021-2025 circa 3.800 arbeidsjaren en in 2026-2030 circa 3.500 arbeidsjaren. De groene motoren leveren daarmee een bijdrage aan het economische herstel in Amsterdam. De maatregelen die zijn onderzocht in dit rapport betreffen een selectie. Voor zowel de korte als lange termijn is een selectie gemaakt uit de plannen van de gemeente Amsterdam van maatregelen die geschikt zijn voor doorrekening. De daadwerkelijke investeringsagenda zal met andere woorden groter zijn. Het is wel aannemelijk dat de berekeningen van dit rapport het grootste deel beslaan van de totale investeringsagenda.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

DUURZAAMHEID EN ECONOMISCH HERSTEL AMSTERDAM

Inhoud Samenvatting........................................................................................................................ i 1

2

Inleiding..................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding en vraagstelling .................................................................................................. 1 1.2

Methode .................................................................................................................................. 2

1.3

Leeswijzer ............................................................................................................................... 5

Maatregelen en investeringen ................................................................................... 7 2.1 Selectie van de duurzaamheidsmaatregelen ...................................................................... 7 2.2

Warmtetransitie ...................................................................................................................... 9

2.3

Opwek elektriciteit ..............................................................................................................17

2.4

Duurzame mobiliteit ...........................................................................................................22

2.5

Verzwaring van het elektriciteitsnet .................................................................................25

3

Economische effecten..............................................................................................27

4

Conclusies ................................................................................................................29

Literatuur ........................................................................................................................... 31

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

DUURZAAMHEID EN ECONOMISCH HERSTEL AMSTERDAM

1

1 Inleiding Amsterdam gaat investeren in duurzaam economisch herstel als reactie op de coronacrisis. Wat zijn de economische effecten van deze groene motoren voor economisch herstel? Hoeveel werkgelegenheid kan Amsterdam hiermee creëren?

1.1

Aanleiding en vraagstelling

De gemeente Amsterdam heeft in de afgelopen periode ambities en beleid geformuleerd op het terrein van duurzaamheid. Deze beleidsplannen zijn: • Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050: ambities en maatregelen voor onder meer CO2reductie en aardgasvrij; • Strategie Amsterdam Circulair 2020-2025: ambities en maatregelen voor de circulaire economie; • Actieplan Schone Lucht: ambities en maatregelen verschonen luchtkwaliteit. Tevens heeft de gemeente Amsterdam een concept Transitievisie Warmte gepubliceerd, die dit najaar wordt vastgesteld. Nu zich een economische crisis aandient, worden de vragen actueel welke economische gevolgen deze crisis zal hebben en wat de economische betekenis is van de duurzaamheidsmaatregelen voor Amsterdam. 1 In hoeverre komen duurzaamheid en economisch herstel tegenover elkaar te staan of kunnen beide hand in hand gaan? Bijvoorbeeld door te kiezen voor investeringen in relatief arbeidsintensieve projecten die goed passen in de energietransitie en spoedig kunnen starten. Deze studie beoogt duidelijk te maken in hoeverre de uitvoering van de agenda voor duurzaamheid en energietransitie in de gemeente Amsterdam een bijdrage kan leveren aan het economische herstel.

De hoofdvragen van dit onderzoek zijn: Wat is de economische impact van de duurzaamheidsmaatregelen op de Amsterdamse economie? • Hoe kunnen duurzaamheidsmaatregelen van de gemeente Amsterdam in de komende 2-3 jaar bijdragen aan het economisch herstel in de regio? •

De deelvragen hierbij zijn: • Wat is de verwachte economische impact van de Amsterdamse duurzaamheidsmaatregelen? In het kader van dit onderzoek gaat het niet om een analyse van alle geïdentificeerde maatregelen, maar om een nader te bepalen selectie van de beoogde maatregelen; • Welke maatregelen en gemeentelijke investeringen dragen zowel bij aan duurzaamheid als aan het economisch herstel in Amsterdam? Bij de laatste deelvraag is relevant dat de gemeente Amsterdam maatregelenpakketten samengesteld heeft om duurzaamheidsmaatregelen te versnellen of te versterken om daarmee als motor voor 1

Zie de motie Torn van 28 april 2020 inzake de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 waarin wordt opgeroepen “een quick scan uit te voeren waarin op pijlerniveau uit de Routekaart in kaart wordt gebracht wat de investeringen en kosten zijn en wat dit oplevert aan baten en gereduceerde kosten.”

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

2

HOOFDSTUK 1

economisch herstel te kunnen fungeren. Dit betreffen maatregelen gericht op renovatie, warmte, zon-PV, verduurzaming gemeentegebouwen (eigen assets), ondersteuning van het MKB en klimaatadaptatie. Afbakening onderzoek Dit onderzoek richt zich op de economische effecten van de maatregelen binnen de duurzaamheidsplannen van Amsterdam voor de korte en lange termijn. Bij de langetermijnmaatregelen is een selectie gemaakt van de maatregelen, die geschikt is voor doorrekening met de in dit rapport gehanteerde methodiek. Ook bij de groene motoren voor economisch herstel ligt de nadruk op de maatregelen waarvan de investeringen bekend zijn en die zich lenen voor doorrekening. De selectie van de maatregelen wordt toegelicht in Hoofdstuk 2. De analyse richt zich op de economische effecten voor de periode 2021-2030. De effecten worden in principe gepresenteerd voor de jaren 2021-2025 en 2026-2030. In sommige gevallen worden de effecten ook weergegeven voor een kortere termijn, bijvoorbeeld het jaar 2021.

1.2

Methode

Maatregelen en investeringen Het startpunt van de analyse is de selectie van de door te rekenen maatregelen en het vaststellen van de omvang van de investeringen die daarmee samenhangen. De investeringsberekeningen zijn gebaseerd op de plannen die door de gemeente gedeeld zijn met CE Delft en SEO. Afhankelijk van de maatregel en de termijn, bevatten de plannen investeringsbedragen of doelstellingen voor aantallen te realiseren aanpassingen (bijvoorbeeld te isoleren woningen). In het laatste geval zijn investeringsbedragen geschat op basis van eigen kentallen door de onderzoeksbureaus. Op basis van de investeringsbedragen is voor elke motor en voor de langetermijnambities een inschatting gemaakt van de verdeling van de investeringen in arbeids- en materiaalkosten. Deze verdeling is afhankelijk van het type project. Bij een renovatieproject is het aandeel arbeidskosten bijvoorbeeld relatief iets groter dan bij een standaard bouwproject, omdat renovaties arbeidsintensiever zijn. Berekening economische effecten Om de economische effecten van de duurzaamheidsmaatregelen te onderzoeken wordt gebruikgemaakt van een input-outputmodel. Een input-outputtabel beschrijft de productie-samenhang tussen sectoren in de Nederlandse economie.

In deze tabel staat hoeveel eenheden producten of diensten een bepaalde sector afneemt van andere sectoren (inputs) en hoeveel eenheden producten of diensten deze sector produceert (outputs). Het begrip productie zoals gebruikt in deze studie heeft dus betrekking op de output van alle sectoren, of dit nu industrie, diensten, overheid of een andere sector betreft. Het CBS stelt jaarlijks een input-outputtabel op van de Nederlandse economie, bestaande uit 81 sectoren.2 Idealiter gebruikt men voor de vertaling naar regionale effecten de verhoudingen in toegevoegde waarde per sector tussen Nederland enerzijds en de gemeente Amsterdam anderzijds, maar het CBS rapporteert deze sectorspecifieke gegevens niet. Wel rapporteert het CBS de omzetgegevens

2

Deze sectoren komen ongeveer overeen met de SBI-2 classificering van het CBS (86 sectoren).

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

INLEIDING

3

voor een deel van de sectoren in het input-outputmodel per COROP-regio. 3 Voor sectoren waarvoor deze omzetgegevens niet beschikbaar zijn, gebruiken we gegevens over banen van werknemers per sector per COROP. Deze sectorindeling is wel grover, namelijk op het niveau van de SBI-hoofdgroep 4. Door deze twee gegevens te combineren kan voor elke sector die we gebruiken in het input-outputmodel het belang van Amsterdam in de Nederlandse economie worden geschat in termen van de toegevoegde waarde per sector. Deze toegevoegde waarden per sector worden tot slot nog eenmaal gecorrigeerd met een correctiefactor zodat de totale toegevoegde waarde voor de regio overeenkomt met het bruto regionaal product (brp) van Amsterdam. 5 Productie die gepaard gaat met de uitvoering van de duurzaamheidsmaatregelen (investeringen) zorgt voor productie in andere sectoren. Dit kan direct gebeuren, doordat de investering in de betreffende sector plaatsvindt, of indirect als afnemende of toeleverende sector (onderlinge leveringen). De input-outputtabel berekent de directe en indirecte effecten van de extra productie per sector. De optelsom van deze extra toegevoegde waarde voor alle sectoren in een jaar is het bbpeffect conform het schema in Figuur 1.1. Figuur 1.1 Schematische weergave van de input-outputanalyse

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

3 4 5

https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83796NED/table?dl=37B9B https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83582NED/table?dl=37B9A In het geval van Amsterdam betreft deze correctie slechts enkele procentpunten. Wanneer de benodigde correctie van grotere orde zou zijn, zou dit impliceren dat de benadering via omzet- en werkgelegenheidscijfers niet nauwkeurig is.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

4

HOOFDSTUK 1

Werkgelegenheidseffecten De directe en indirecte effecten per sector voor Amsterdam kunnen ook worden uitgedrukt in effecten op de werkgelegenheid. Deze werkgelegenheidseffecten worden uitgedrukt in het aantal voltijdsequivalenten. De analyse berekent het aantal fte dat nodig is om de investeringen uit te voeren. Dit is de bruto werkgelegenheid van de duurzaamheidsmaatregelen. De bruto werkgelegenheid volgt rechtstreeks uit de toegevoegde waarde van de investeringen door rekening te houden met de arbeidsproductiviteit in de betreffende sector. 6 De bruto werkgelegenheid kan extra werkgelegenheid betekenen voor de arbeidsmarkt in Amsterdam. Wanneer als gevolg van de investeringen in duurzaamheid een baan wordt gecreëerd voor een werkzoekende spreken we van een impuls voor de netto werkgelegenheid. Bij het berekenen van de netto werkgelegenheid wordt de bruto werkgelegenheid gecorrigeerd voor twee effecten: • Verdringing op de arbeidsmarkt; • Langetermijneffecten op de arbeidsmarkt. Verdringing op de arbeidsmarkt houdt in dat per saldo slechts een deel van de nieuwe banen wordt vervuld door mensen die anders werkloos zouden zijn geweest. Ook als banen behouden blijven rekenen we deze banen toe aan de netto werkgelegenheid, omdat het alternatief werkloosheid zou zijn geweest. Bij de langetermijneffecten op de arbeidsmarkt moeten we rekening houden met de volgende mechanismen.

Een lagere werkloosheid maakt het voor werkgevers moeilijker om geschikte werknemers te vinden. Dit leidt met enige vertraging tot extra loonstijgingen (bijvoorbeeld in CAO’s), die vervolgens leiden tot het verdwijnen van banen elders in de economie. Volgens de gangbare ‘algemeen evenwichtstheorie’ zal daardoor op lange termijn de werkloosheid even groot zijn als wanneer er geen extra investering had plaatsgevonden. De werkloosheid op lange termijn wordt alleen beïnvloed door factoren die aangrijpen bij de omvang van het arbeidsaanbod (bijvoorbeeld een hogere arbeidsparticipatie) of een verandering in de arbeidsproductiviteit. Dit langetermijneffect is toegelicht in het bovendeel van Figuur 1.2. Het onderdeel van de figuur geeft de relatie aan tussen bruto en netto werkgelegenheid. Het effect op de netto werkgelegenheid is afhankelijk van hoe ruim of krap de arbeidsmarkt is. Bij een werkloosheidpercentage van 8 procent is de impuls voor de netto werkgelegenheid in het eerste jaar ongeveer 75 procent van het aantal bruto banen. Bij een werkloosheidspercentage van 3 procent is deze bijdrage slechts 23 procent van het aantal bruto banen en zullen extra investeringen leiden tot extra verkrapping van de arbeidsmarkt. De impact op de netto werkgelegenheid neemt bovendien af in de loop van de tijd, doordat werknemers vertraagd reageren op veranderingen in werk en loon.

De berekeningen voor dit rapport zijn uitgevoerd voor een werkloosheidspercentage van 6 procent in de periode 2021-2030.

6

De arbeidsproductiviteit is gedefinieerd als de toegevoegde waarde per gewerkt uur.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

INLEIDING

Figuur 1.2

Bron:

1.3

5

Het verschil tussen bruto en netto werkgelegenheid

SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de duurzaamheidsmaatregelen voor Amsterdam die onderwerp zijn van deze studie. Hoofdstuk 3 berekent de economische effecten van deze investeringen. In hoofdstuk 4 worden de belangrijkste conclusies uit het onderzoek getrokken.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

DUURZAAMHEID EN ECONOMISCH HERSTEL AMSTERDAM

2

7

Maatregelen en investeringen

De groene motoren richten zich op renovatie, warmte, zon-PV en verduurzaming van gemeentebouwen. Dit hoofdstuk licht de selectie van de maatregelen toe, beschrijft de vormgeving van de groene motoren en verklaart de omvang van de investeringen.

2.1

Selectie van de duurzaamheidsmaatregelen

Het beleid van de gemeente Amsterdam op de terreinen Schone lucht en Duurzaamheid telt op tot meer dan 200 verschillende maatregelen. Niet alle maatregelen leiden direct tot investeringen en werkgelegenheidseffecten, en niet alle maatregelen zijn even eenvoudig te concretiseren. Samen met de gemeente Amsterdam is een selectie gemaakt van de maatregelen. Daarnaast was het de oorspronkelijke wens van de gemeente Amsterdam om ook de activiteiten uit het programma circulaire economie door te rekenen. In overleg met de gemeente is echter geconcludeerd dat hoewel de ambitie van dit programma is om de huidige economie om te vormen naar een circulaire, de beoogde maatregelen op de korte termijn zich niet lenen voor een doorrekening met de hier gekozen methodiek. Bij de keuze van maatregelen is ten eerste gekozen om de motoren voor economisch herstel door te rekenen, daar waar deze concreet zijn en overlappen met de maatregelen op de terreinen Schone lucht en Duurzaamheid. Dit betreffen maatregelen gericht op renovatie, warmte, zon-PV, en de verduurzaming van gemeentegebouwen (eigen assets). Deze motoren bestaan veelal zowel uit algemene ambities op de lange termijn, en een aantal concrete maatregelen voor de korte termijn.

Hiernaast is er vanuit het beleid van de gemeente een selectie gemaakt van de maatregelen en ambities, die geschikt zijn voor doorrekening met de in dit rapport gehanteerde methodiek, en waarbij maatregelen uit de routekaart ook voortkomen uit het gemeentelijke beleid. De routekaart beschrijft de langetermijnvisie en -strategie op de Amsterdamse energietransitie in 4 thema’s: • gebouwde omgeving; • verkeer en vervoer; • elektriciteit; • haven en industrie. Hierbij is het onderwerp haven en industrie komen te vervallen. De maatregelen in de routekaart op dit thema zijn mede geïnitieerd door de haven zelf, en worden niet direct veroorzaakt door het gemeentelijke beleid omschreven in de routekaart. Dit wil overigens niet zeggen dat de acties omschreven in de routekaart geen werkgelegenheid met zich meebrengen, maar deze zijn niet toe te schrijven aan de gemeente Amsterdam (zie Box 2.1).

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

8

HOOFDSTUK 2

Box 2.1 Afvang en opslag van CO2

Een voorbeeld van een project in de sector haven en industrie betreft het plan genaamd Athos voor afvang en opslag van CO2 in het Noordzeekanaalgebied. Dit plan is een gemeenschappelijk initiatief van Gasunie, Energie Beheer Nederland (EBN), het havenbedrijf Port of Amsterdam en staalproducent Tata Steel. Het project is in een voorbereidend stadium. In het Klimaatakkoord wordt het genoemd als een potentieel CCS-project. Tata Steel in IJmuiden en de afvalverbranding AEB in Amsterdam zouden de bronnen moeten zijn voor CO2 in Athos. CO2 kan worden opgeslagen in de Noordzee en nuttig toegepast in de glastuinbouw en de industrie. Volgens een haalbaarheidsstudie kan via Athos 7,5 Mton CO2 per jaar worden opgevangen. De beslissing zou in 2021 moeten vallen. In 2027 zou Athos operationeel moeten worden. De omvang van deze investering zou circa €1,2 mrd. kunnen bedragen voor het afvangen van de CO2 bij een staalfabriek en een afvalverbrandingsinstallatie (zie: SEO 2020). Een investering van deze omvang zou een positieve bijdrage leveren aan de werkgelegenheid in het Noordzeekanaalgebied. Bij de verdere selectie van maatregelen uit de resterende drie thema’s is gekozen om de plaatsing van windenergie en de effecten van de milieuzones en laadpalen aanvullend mee te nemen in de analyse.

Hiernaast is ervoor gekozen om het effect van de warmtetransitie volledig te maken door ook de resterende maatregelen die niet vielen onder de ambities in de warmte- en renovatiemotor door te rekenen. Tot slot is gekozen om de werkgelegenheidseffecten van de benodigde verzwaring van het elektriciteitsnet in beeld te brengen. Gedurende het onderzoek is tevens gekeken of het mogelijk was om in deze studie de effecten van de Amsterdamse milieuprestaties voor nieuwbouw mee te nemen, maar dat bleek uiteindelijk te bewerkelijk binnen de scope van het onderzoek. De uiteindelijk gekozen maatregelen zijn samengevat in Figuur 2.1. De maatregelen omvatten een deel van het totale duurzaamheidsbeleid van de gemeente, maar beslaan naar ons oordeel wel een flink deel van de investeringen in de stad. Ook is de analyse beperkt tot de tijdhorizon waarop investeringen en dus effecten met een redelijke mate van zekerheid kunnen worden ingeschat. Bij elektrisch vervoer en de netwerkinfrastructuur is de onzekerheid na 2025 aanzienlijk en zijn er voor de periode 2026-2030 om die reden geen effecten doorgerekend. Tot slot moet nog worden aangegeven dat er op de lange termijn veelal ambities zijn gebruikt in plaats van maatregelen: de maatregelen op de lange termijn zijn op dit moment nog niet bekend.

Het is op dit moment niet duidelijk of, en zo ja hoe, de gemeente Amsterdam deze ambities zal verwezenlijken.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MAATREGELEN EN INVESTERINGEN

Figuur 2.1.

9

Geselecteerde maatregelen en versnellingsmotoren.*

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft * Per maatregel is ook aangegeven tot welke pijler in de routekaart deze behoort.

2.2

Warmtetransitie

De gemeente Amsterdam heeft in concept een transitievisie warmte opgesteld (Amsterdam, 2020b). In deze transitievisie heeft Amsterdam aangegeven hoe zij de transitie van de gebouwde omgeving naar een verwarming zonder aardgas voor zich zien. Dit tijdspad schetst het langetermijnperspectief voor de gemeente. Op de korte termijn is er ook nog een drietal maatregelenpakketten samengesteld om duurzaamheidsmaatregelen op dit terrein te versnellen of te versterken, de zogenaamde motoren voor economisch herstel. De volledige investeringsopgave tot 2030 is om deze reden opgeknipt in een drietal onderdelen: het isoleren van de woningen en utiliteitsbouw (renovatiemotor), het aansluiten van woningen op warmtenetten (warmtemotor), en de overige kosten die nodig zijn om woningen en utiliteitsbouw van het aardgas af te halen (overige kosten installaties). Tot slot is ook gekeken naar de investeringen in het eigen vastgoed van de gemeente. Hiermee zijn bijna alle kosten van de warmtetransitie gedekt.7

2.2.1 Renovatiemotor Doelstelling Volgens de transitievisie warmte van Amsterdam (Amsterdam, 2020b) zullen er in 2030 bijna 180.000 woningen en 72.000 woningequivalenten (WEQ) utiliteitsbouw 8 van het aardgas zijn. Hiervan hebben 65.000 woningen momenteel al het benodigde isolatieniveau. Dit betekent dat er in de 7

8

Voor de overige kosten installaties zijn voor utiliteitsbouw die aangesloten wordt op warmtenetten de aansluitkosten voor het lokale distributienet en de warmtewisselaar meegenomen. Eventuele extra investeringen in onderstations en extra transportleidingen zijn niet meegenomen. Volgens de TVW staat 80 m2 utiliteitsbouw gelijk aan 1 woningequivalent

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

10

HOOFDSTUK 2

periode tot 2030 115.000 woningen gerenoveerd moeten worden om tot het benodigde isolatieniveau te komen. Voor het overgrote deel van de utiliteitsbouw geldt dat er gerenoveerd moet worden; het benodigde niveau is afhankelijk van de techniek in de transitievisie. Maatregelen De maatregelen bestaan uit een basispakket en een tweetal kortetermijnmaatregelen. Basispakket Het basispakket van de renovatiemotor is gebaseerd op de ambities uit de Transitie Visie Warmte (TVW). Dit zijn de 115.000 woningen zoals beschreven in de doelstelling. Per buurt is in kaart gebracht hoeveel gebouwen in de TVW naar welke warmteoptie overstappen voor 2030 en wat het benodigde isolatieniveau is. Vervolgens is berekend wat de kosten zijn om tot dit gewenste isolatieniveau te komen. Vervolgens is bepaald welk percentage van de buurt in 2030 volgens het transitiepad in de TVW reeds volledig gereed is. Op basis van dit percentage zijn de investeringen in het jaar 2030 bepaald. Kortetermijnmaatregelen Op de korte termijn wordt een drietal maatregelen bovenop het basispakket genomen: 1. Isolatietrein; 2. Vergaande renovatie; 3. Collectieve inkoop. 1. Isolatietrein Aanvullend op de Warmtemotor (zie Hoofdstuk 2.2.2) beoogt de gemeente om de komende 5 jaar woningcorporaties aan te zetten om 20.000 woningen (die worden aangesloten op een collectief warmtenet) van eenvoudige isolatiemaatregelen te voorzien.

Dit betekent dat er per jaar 4.000 woningen zullen worden aangepakt. Voor de 27 buurten hebben wij gekeken wat de bouwkundige kenmerken van de woningen zijn. Hiervan zien wij dat een groot deel van de woningen voor 1991 is gebouwd. Dit betekent dat voor de meeste woningen de ingrepen spouwisolatie + kierdichting en HR++ glas nodig zijn om tot een isolatieniveau te komen wat geschikt is voor een 70°C warmtenet. Mechanische ventilatie is alleen nodig in gevallen dat er zwaarder geïsoleerd moet worden. De gemeente heeft de volgende gegevens aangeleverd voor de kosten van deze ingrepen (Tabel 2.1): Tabel 2.1

Investeringen isolatietrein

Isolatie-ingreep

Per woning

Per jaar

Totaal

Spouwisolatie + kierdichting

€1.500

€ 6.000.000

€ 30.000

Optie HR++ glas

€2.500

€ 10.000.000

€ 50.000

Optie mechanische ventilatie

€2.000

€ 8.000.000

€ 40.000

Bron: Gemeente Amsterdam

Het is de wens van de gemeente Amsterdam om de resultaten weer te geven in een bandbreedte. Vandaar dat er drie ‘scenario’s’ zijn opgesteld, waarbij telkens additioneel een isolatiemaatregel wordt toegevoegd. Deze zijn te vinden in Tabel 2.2.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MAATREGELEN EN INVESTERINGEN

Tabel 2.2 Bandbreedte

11

Bandbreedte isolatietrein Investering per woning

Investering totaal Isolatie ingreep

Laag

€ 1.500

€ 30.000.000

Spouwisolatie en kierdichting

Basisscenario

€ 4.000

€ 80.000.000

Spouwisolatie, kierdichting en HR++ glas

Hoog

€ 6.000

€ 120.000.000

Spouwisolatie, kierdichting, HR++ glas en mechanische ventilatie

Bron: Gemeente Amsterdam

2. Collectieve inkoop Naast het isoleren van corporatiewoningen zet de gemeente ook in op isolatie bij particuliere woningeigenaren. De gemeente organiseert jaarlijks collectieve inkoopacties. Hieronder vallen inkoopacties van zon-PV en HR++ glas. In totaal verwacht de gemeente dat er hiermee jaarlijks 1.500 maatregelen worden uitgelokt, waarvan 1.000 zon-installaties (€ 5.000 per stuk) en 500 HR++ glas (€ 2.500 per stuk). Van deze investeringen zien wij de investeringen in HR++ glas als onderdeel van het basispakket, en de investeringen in zon-installaties als additionele investeringen. Fasering Het basispakket wordt uitgevoerd over de jaren tot aan 2030, volgens het tempo zoals aangegeven in de TVW. De isolatietrein loopt de komende 5 jaar. De collectieve inkoop is een jaarlijkse actie die ook na 2025 zal doorlopen. Omvang van de investeringen Bovenstaande activiteiten tellen op tot de volgende investeringen voor de periode 2021-2030 (Tabel 2.3). Tabel 2.3

Totale investeringen periode 2021-2030

Netto investeringen basispakket

Basisscenario

Laag

Hoog

€1.881.000.000

€1.881.000.000

€1.881.000.000

Isolatietrein

€80.000.000

€ 30.000.000

€ 120.000.000

Collectieve inkoop

€ 6.250.000

€ 6.250.000

€ 6.250.000

€1.967.250.000

€1.917.250.000

€2.007.250.000

Totaal

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

2.2.2 Warmtemotor Doelstelling De gemeente Amsterdam heeft met de warmtemotor de ambitie om het aantal warmteaansluitingen te doen groeien met 20.000 aansluitingen in 2025 en 110.000 aansluitingen in 2035. In deze stap worden de daaraan gekoppelde kosten per jaar berekend. De ontwikkeling van het aantal woningen aangesloten op het warmtenet zoals aangegeven door de gemeente is te zien in de figuur hieronder. Het aantal aansluitingen in 2025 en 2035 volgen de vooropgestelde ambitie van respectievelijk 20.000 en 110.000 aansluitingen. De investeringen vinden een jaar voor realisatie plaats. In de berekeningen zijn enkel de maatrelen tot en met 2030 meegenomen.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

12

Figuur 2.2

HOOFDSTUK 2

Versneld aansluiten van woningen op een warmtenet

Bron: Gemeente Amsterdam

Beschrijving maatregelen Deze maatregel bestaat uit het versneld aansluiten van woningen op een warmtenet. Naast de investeringen in het warmtenet zullen gelijktijdig ook andere investeringen worden versneld. Het gaat hier om de zogenaamde meekoppelkansen. In de onderstaande tabel worden de door de gemeente Amsterdam aangegeven meekoppelkansen weergegeven, met bijbehorend percentage aan investeringen, zoals uitgezocht door de Rebel Group voor de gemeente Amsterdam. Tabel 2.4

Meekoppelkansen bij aanleg van een warmtenet

Meekoppelkansen

Grootte investeringen

Vernieuwing riolering

100% van aanlegkosten warmtenet

Vernieuwing/verzwaring e-net

25% van aanlegkosten warmtenet

Openbare ruimte

150% van aanlegkosten warmtenet

Bron: Gemeente Amsterdam/Rebel Group

Omvang van de investeringen De gemeente heeft al onderzoek gedaan naar de verwachte investeringen voor de volgende buurten: Vensterpolder, Jacob Geel, Banne Noord. Om tot een gemiddeld bedrag te komen zijn de geraamde kosten voor het aanleggen van het warmtenet in deze buurten gemiddeld. De data voor de benodigde aanpassingen in de woning zijn afkomstig uit berekeningen van woningcorporaties. Per woning is er een investering nodig van € 8.000 voor aansluiting op het warmtenet en € 10.000 voor woninggebonden investeringen. Een specifiekere onderverdeling van elk van deze investeringen is aangeleverd door de gemeente. Ieder onderdeel is vervolgens logischerwijs toegewezen aan een SBI-categorie. De investeringen worden gemaakt 1 jaar voordat de woningen aangesloten worden. Na het aansluiten op een warmtenet vervallen er ook kosten, voor ketelonderhoud,

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MAATREGELEN EN INVESTERINGEN

13

rookgasafvoer etc. Deze vermeden kosten zijn als negatieve waarden opgenomen omdat zij feitelijk leiden tot een verlies aan investeringen. Tabel 2.5

Investeringen warmtemotor

Bedragen in € mln.

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Totaal

Aantal woningen aardgasvrij (cumulatief)

500

4000

8500

13500

20000

29000

38000

47000

56000

65000

65000

Investering

72

81

90

117

162

162

162

162

162

162

1332

w.v. arbeid (43%)

31

35

39

50

70

70

70

70

70

70

573

w.v. materiaal (57%)

41

46

51

67

92

92

92

92

92

92

759

Vermeden kosten

-12

-14

-15

-20

-27

-27

-27

-27

-27

-27

-222

Versnelling overige investeringen (15%)

17

19

21

27

37

37

37

37

37

37

305

Bron: Gemeente Amsterdam; bewerking SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

Als referentiebedrag is 15 procent van het totaalbedrag van de meekoppelkansen meegenomen. De reden hiervoor is dat een deel van de meekoppelkansen investeringen zijn die anders ook worden uitgevoerd. Daarnaast is niet zeker dat ze daadwerkelijk worden ‘meegekoppeld’. Bovendien gaat het potentieel om grote investeringen, die een veelvoud bedragen van de investering die centraal staat in deze maatregelen: het realiseren van aansluitingen op een warmtenet.

2.2.3 Overige kosten voor de warmtetransitie De Transitievisie Warmte (TVW) heeft de ambitie dat in 2040 de gebouwde omgeving Klimaatneutraal is. Het grootste deel van de investeringen uit de Transitievisie is meegenomen in de uitwerking van de renovatie- en warmtemotor. De renovatiemotor bevat alle benodigde investeringen voor isolatiemaatregelen in de bestaande bouw (woningen en utiliteitsbouw) tot en met 2030 (volgens het transitiepad van de TVW). De warmtemotor bevat alle benodigde investeringen van zowel de installatie als de benodigde energie-infrastructuur van woningen in die buurten die voor 2030 overgaan op een warmtenet (stadsverwarming). De netverzwaringen die nodig zijn voor de toepassing van all-electric technieken worden meegenomen in hoofdstuk 0. Een aantal investeringen uit de TVW is nog niet meegenomen in de motoren. In dit onderdeel worden deze investeringen alsnog bepaald. Het gaat hier om: • All-electric warmtepompen. Een deel van de woningen zal all-electric worden verwarmd. De woningisolatie is meegenomen in de renovatiemotor, maar de kosten van de warmtepomp, en de kosten van het plaatsen van de warmtepomp zijn dat niet. De aanname in de TVW is dat er een mix is tussen lucht- en bodemwarmtepompen.

Voor de berekening van de investeringen gaan we uit van een gelijkmatige verdeling (50 procent bodemwarmtepompen en 50 procent luchtwarmtepompen); • ‘Aardgasvrij gasnet’. In de TVW gaat een deel van de woningen over op een ‘aardgasvrij gasnet’. Hierbij gaat de TVW uit van het inzetten van een combinatie van gasketels en hybride warmtepompen. Deze mix is niet nader gespecificeerd. Voor de berekening van de investeringen zijn we uitgegaan van een gelijkmatige verdeling (50 procent gasketels en 50 procent hybride warmtepompen);

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

14

HOOFDSTUK 2

Warmtenetten voor utiliteitsbouw. De warmtemotor omvat alle investeringen van woningen die overgaan op warmtenetten. De aansluitingen van utiliteitsbouw op deze netten zijn daarin nog niet meegenomen. We nemen in dit onderdeel de installatiekosten van de warmtewisselaar mee en de aansluitkosten op het warmtenet (ook wel het wijknet of distributienet genoemd); • Lokale bronnetten. In de TVW gaat een deel van de utiliteiten en de woningen over op een lokaal WKO-net. In dit onderdeel zijn zowel de installatiekosten van een warmtewisselaar met individuele warmtepomp (deze is nodig om tapwater te verwarmen tot de minimale eis van 55°C) als de aansluitkosten van het net meegenomen voor zowel de woningen en utiliteitsbouw die in de TVW op deze techniek overgaan. •

Voor het tempo is hetzelfde tempo als de renovatiemotor aangehouden. Hiermee komen wij in totaal op de volgende investeringskosten (Tabel 2.6). Tabel 2.6

Investeringskosten voor de overige kosten voor de warmtetransitie tot en met 2030

Categorie Installatiekosten Techniek

Aansluitkosten (distributienet)

Hybride warmte- All-electric pompen

Lokale bronnetten Warmtenet

Lokaal bronnet

Warmtenet

Woningen € 59.628.000

€ 255.971.000

€ 269.067.000

In warmtemotor

€ 147.564.000

In warmtemotor

Utiliteiten

€ 134.430.000

€ 266.506.000

€ 58.479.000

€ 266.506.000

€ 350.872.000

€ 27.667.000

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

2.2.4 Eigen assets motor Doelstelling De gemeentelijke organisatie heeft de ambitie om in 2030 klimaatneutraal te zijn. Een groot deel van deze opgave ligt bij het verduurzamen van de vastgoedportefeuille. De gemeente heeft daarom het plan om 100 gemeentegebouwen versneld naar BENG-niveau te brengen in plaats van naar label A. Daarnaast wil de gemeente Amsterdam investeren in versnelde verLEDding van sportvelden. Een derde maatregel is de implementatie van recoverysystemen voor terugwinning van remenergie bij de metro’s in de stad. Tot slot staan in deze motor ook maatregelen over het opwekken van elektriciteit door zonnepanelen. Wegens overlap met de zonmotor zijn deze maatregelen hier niet meegenomen. Hieronder worden de maatregelen die zijn meegenomen nader omschreven. Beschrijving maatregelen

Renovatie eigen gebouwen De gemeente Amsterdam heeft energiescans uitgevoerd voor 100 gemeentegebouwen. De gemeente heeft de ambitie om deze gebouwen naar BENG-niveau brengen in plaats van Label A. Voor de uitvoering van de maatregel bestaan twee scenario’s: • In het scenario Energielabel A zijn er enkel isolatiemaatregelen nodig. Bij goed-geïsoleerde woningen zijn isolatiemaatregelen vaak overbodig of slechts een kleine aanpassing hier en daar afhankelijk van het specifieke gebouw. Het gaat om weinig investeringen verspreid over verschillende maatregelen. Bij slecht-geïsoleerde gebouwen zijn grote aanpassingen nodig. Vooral de aanpassing van gevels en daken zijn dure investeringen;

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MAATREGELEN EN INVESTERINGEN

•

15

Het BENG-scenario gaat een stap verder. Naast isolatiemaatregelen worden er aanvullende maatregelen genomen om het gebouw nog energiezuiniger en zelfvoorzienend te maken. Denk aan de installatie van een warmtepomp en PV-panelen.

Fasering De investeringen voor de Eigen Assets motor vinden voor 2025 plaats, naar verwachting dus in de huidige collegeperiode (t/m 2022). Omvang van de investeringen De gemeente heeft energiescans laten uitvoeren door Ecocert BV van de desbetreffende 100 gemeentegebouwen. De energiescans zijn op een erg gedetailleerd niveau opgesteld. Een algemene benadering is gehanteerd om tot een opdeling van de investeringen te komen naar maatregelen. Op basis van een steekproef van enkele gebouwen en expert judgement zijn Tabel 2.7 en Tabel 2.8 opgesteld. Tabel 2.7

Gehanteerde verdeling van de investeringskosten over verschillende isolatiemaatregelen

Maatregel

A/B

C tot G

Goed geïsoleerd

Slecht geïsoleerd

Vloerisolatie

25%

10%

Dakisolatie

25%

30%

Gevelisolatie

25%

40%

Glasisolatie

25%

20%

Totaal

100%

100%

Bron: Gemeente Amsterdam; bewerking SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

Tabel 2.8

Gehanteerde verdeling van de investeringskosten over verschillende isolatiemaatregelen bij het (bijna) BENG-scenario

Maatregel

A/B

C tot G

Goed geïsoleerd

Slecht geïsoleerd

Vloerisolatie

1%

5%

Dakisolatie

1%

15%

Gevelisolatie

1%

20%

Glasisolatie

1%

10%

LED-verlichting

8%

5%

PV-panelen

8%

5%

Mechanische balansventilatie

20%

10%

Warmtepomp en LT verwarming

60%

30%

Totaal

100%

100%

Bron: Gemeente Amsterdam; bewerking SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

16

HOOFDSTUK 2

Verder wordt er per maatregel een onderscheid gemaakt tussen arbeidskosten en materiaalkosten. In Tabel 2.9 zijn hiervoor de aannames weergegeven. Isolatiemaatregelen vragen veel arbeid. Bij de technische installaties wegen de kosten van de materialen meer door dan die van de arbeid. Tabel 2.9

Percentage arbeidskosten per investering in de gebouwmaatregel

Maatregel

Percentage arbeid

Isolatie Vloer

55%

Dak

65%

Gevel

60%

Glas

50%

LED-verlichting

25%

PV-panelen

50%

Mechanische balansventilatie

30%

Warmtepomp en LT verwarming

30%

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

Gezamenlijk leidt dit tot de volgende totale investeringen voor de eigen assets van de gemeente Amsterdam (Tabel 2.10): Tabel 2.10

Totale investeringen Eigen Assets

Investeringen 100 Assets

Gebouwinvesteringen

Opslag monumenten

Projectvoorbereiding

Label A Scenario

€ 11.200.650

€ 2.240.130

€ 2.016.117

(Bijna) Energieneutraal Scenario

€ 24.614.735

€ 4.922.947

€ 4.430.652

Bron: Gemeente Amsterdam; bewerking SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

In Tabel 2.11 is aangegeven hoe deze investeringen zijn verspreid over de verschillende gebouwtypen en is een onderverdeling van de kosten in materiaal- en arbeidskosten weergegeven. Tabel 2.11

Onderverdeling gebouwinvesteringen Scenario Label A A/B Goed geïsoleerd

C tot G Slecht geïsoleerd

Scenario Bijna Energieneutraal Totaal

A/B Goed geïsoleerd

C tot G Slecht geïsoleerd

Totaal

Arbeid

€ 101.775

€ 6.503.954

€ 6.605.729

€ 1.440.656

€ 9.119.911

€ 10.560.567

Materiaal

€ 75.225

€ 4.519.697

€ 4.594.922

€ 3.019.579

€ 11.034.589

€ 14.054.168

Totaal

€ 11.200.650

€ 24.614.735

Bron: Gemeente Amsterdam; bewerking SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

Versnelde verLEDding sportvelden LED-veldverlichting is vele malen zuiniger dan conventionele verlichting. De gemeente Amsterdam is van plan € 8 miljoen te investeren om lichtarmaturen en verlichtingsmasten te voorzien van LED-verlichting. Deze investeringen zullen plaatsvinden in 2021-2022.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MAATREGELEN EN INVESTERINGEN

17

Retrofit van een LED-armatuur bestaat voor ca. 15 procent tot 30 procent uit arbeidskosten. De rest zijn kosten voor leveranties (CE Delft, 2020). Omwille van de eenvoud is geopteerd voor 25 procent arbeidskosten. Dit leidt tot de onderstaande kostenverdeling. Tabel 2.12

Kostenverdeling verLEDding sportvelden Investeringen

Arbeid

€ 2 miljoen

Materiaal

€ 6 miljoen

Totaal

€ 8 miljoen

Bron: Gemeente Amsterdam

Recoverysystemen voor terugwinning remenergie De metro’s in Amsterdam zijn in staat om, als ze remmen bij aankomst in een station, energie terug te winnen en af te geven aan het tractienet. Om deze overtollige energie goed te kunnen beheersen - het net moet immers stabiel blijven - is het nodig om een recoverysysteem te plaatsen dat de vrijkomende energie terug kan leveren aan het elektriciteitsnet. De gemeente Amsterdam wil mogelijk financieel bijdragen aan de implementatie van recoverysystemen voor terugwinning van remenergie uit de metro. Deze investeringen vinden plaats in 2021-2022. De kosten voor de maatregel bedragen naar schatting € 2 miljoen, waarvan het merendeel bestaat uit materiaalkasten (aanschaf van het systeem).

2.3

Opwek elektriciteit

2.3.1 Zon-PV De ambitie op het gebied van Zon-PV is onderverdeeld in twee delen: 1. de algehele ambitie voor zon in Amsterdam, voortkomend uit de routekaart Amsterdam (Amsterdam, 2020) en de Regionale Energiestrategie (RES regio NHZ, 2020); 2. Specifieke versnellingsmaatregelen voor het plaatsen van zonnepanelen op daken van woningcorporaties op de korte termijn. Algehele ambitie De gemeente Amsterdam beschrijft in de routekaart de volgende ambities voor het gerealiseerde vermogen van zonne-energie in Amsterdam: 250 MW in 2022 en 550 MW in 2030. Om deze ambities te vertalen naar investeringen zijn deze vermogens onderverdeeld in drie verschillende categorieën: kleinschalige pv-installaties (< 15 kWp), grootschalige gebouwgebonden pv-installaties, en grootschalige niet-gebouwgebonden pv-installaties. De verwachte verhouding tussen de verschillende categorieën wordt overgenomen uit de RES-invulformulieren die binnen de RES NHZ door de gemeente Amsterdam ter beschikking zijn gesteld aan de netbeheerders. De ingevulde formulieren tellen echter op tot 600 MW ipv 550 MW. De resultaten zijn hierom herschaald om te zorgen dat de gehanteerde piekvermogens overeenkomen met de ambities van de routekaart. Dit levert het volgende groeipad op (Figuur 2.3).

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

18

HOOFDSTUK 2

Figuur 2.3

Ontwikkeling geïnstalleerd piekvermogen zon-pv in Amsterdam

Bron: Gemeente Amsterdam

Bepaling van de investeringen en operationele kosten Om de investeringen en operationele kosten te bepalen is gebruikgemaakt van verschillende studies, die bedragen geven per WP geïnstalleerd vermogen. De categorieën kleinschalig (< 15kWp), grootschalig gebouwgebonden en grootschalig grondgebonden verschillen onderling wat betreft investeringen en operationele kosten en zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 2.13

Bepaling investeringen pv-installaties 9

Categorie

Investeringen 2020 (€/Wp)

Investeringen 2030 (€/Wp)

Operationele kos- Operationele kosten 2020 ten 2030 (€/Wp/jaar) (€/Wp/jaar)

Kleinschalig

1,6

1,4

0

0

Grootschalig gebouwgebonden

0,7

0,6

0,02

0,02

Grootschalig grondgebonden

0,7

0,6

0,015

0,015

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

Resultaten Het geschetste groeipad en de investeringen per geïnstalleerd vermogen zijn gebruikt voor het berekenen van de jaarlijkse investeringen en operationele kosten. Deze zijn respectievelijk weergegeven in Tabel 2.14 en Tabel 2.15

9

Deze investeringskosten zijn bepaald uit meerdere bronnen. De grootschalige gebouw- en grondgebonden systemen maken gebruik van kentallen uit de studie Kosten zontoepassingen (CE Delft, 2020). De investeringskentallen voor kleinschalige systemen zijn afkomstig van Milieucentraal (Milieucentraal, 2020). Hierbij is voor toekomstige investeringen een leercurve voor kostprijsdaling toegepast. Deze leercurve is hetzelfde als die gehanteerd is bij grote systemen.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MAATREGELEN EN INVESTERINGEN

Tabel 2.14

19

Investeringen die elk jaar gemaakt worden om het geïnstalleerd piekvermogen verder uit te breiden

Investeringen in € mln.

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Kleinschalig

0,0

56,9

55,9

54,8

12,1

11,9

11,6

11,4

11,2

10,9

10,7

Grootschalig (gebouwgebonden)

0,0

32,3

32,0

31,7

13,1

13,0

12,8

12,7

12,6

12,4

12,3

Grootschalig (niet-gebouwgebonden)

0,0

1,8

1,8

1,7

1,7

1,7

1,6

1,6

1,6

1,6

1,6

Totaal

0,0

91,0

89,6

88,3

26,9

26,5

26,1

25,7

25,3

24,9

24,5

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

Tabel 2.15

Operationele kosten totale geïnstalleerde vermogen

Operationele kosten in miljoen euro/jaar

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Kleinschalig

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Grootschalig (gebouwgebonden)

0,8

1,8

2,8

3,8

4,3

4,7

5,1

5,5

6,0

6,4

6,8

Grootschalig (niet-gebouwgebonden)

0,0

0,0

0,1

0,1

0,2

0,2

0,3

0,3

0,4

0,4

0,4

Totaal

0,8

1,9

2,9

4,0

4,4

4,9

5,4

5,9

6,3

6,8

7,3

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

Versnelling plaatsen zon-pv op corporatiewoningen Doelstelling Het doel is het versneld realiseren van eigen zonnestroom voor huurders van corporatiewoningen. De uitrol van zonnepanelen op corporatiedaken leidt tot verduurzaming, arbeidsplaatsen en tot een positieve sociale impact doordat huurders kunnen profiteren van de zonnestroom. Beschrijving maatregelen De gemeente richt een risicofonds in om het risico weg te nemen dat te weinig bewoners inschrijven voor de start van zonprojecten op grote daken. Projecten kunnen eerder starten en gehele daken worden benut in plaats van slechts een deel. De gemeente geeft volgende waarden aan als verwachte ambitie per woningcorporatie: • Ymere: Met de maatregelen kunnen ± 6.400 panelen aangesloten worden bij Ymere als geheel. In Amsterdam is het ongeveer de helft, dus ± 3.200 panelen; • Stadgenoot: met de maatregelen kunnen ± 6.400 panelen aangesloten worden; • De Alliantie: met de maatregelen kunnen ± 1.800 panelen aangesloten worden. Uitgaande van een vermogen van 300 Wpiek per zonnepaneel leidt dit tot een totaal vermogen van 3,42 MWpiek voor de 11.400 zonnepanelen. 10 De motor richt zich op meergezinswoningen (flats) van woningcorporaties. Daken van meergezinswoningen in Amsterdam hebben al snel een dakoppervlak van 400 m² en laten ruim meer dan 50 zonnepanelen (15kWp) toe. 11

10 11

https://www.milieucentraal.nl/energie-besparen/zonnepanelen/zonnepanelen-kopen/prijs-en-opbrengst-zonnepanelen/ https://www.zonatlas.nl/amsterdam/ontdek-de-zonatlas/

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

20

HOOFDSTUK 2

Fasering De realisatie van de motor zal plaatsvinden in 2021. Omvang van de investeringen De beoogde installaties horen in de categorie fotovoltaïsche zonnepanelen ≥15 kWp en <1 MWp. De investeringskosten en operationele systemen van grootschalige zon-pv systemen zijn gebaseerd op basis van een recent rapport over de kosten van zontoepassingen (CE Delft 2020). Deze kosten zijn in overeenstemming met de Eindadvies basisbedragen SDE++ 2020 van PBL. De kosten voor deze systemen worden weergegeven in de volgende tabellen. Er is ook een inzichtelijke toewijzing van de kostenposten aan SBI-categorieën opgesteld. Tabel 2.16

Investeringen en operationele kosten voor fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en <1 MWp Bedrag

Investeringen (€/Watt)

0,7

Operationele kosten (€/Watt/jaar)

0,0168

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

Tabel 2.17

Totale investeringskosten en operationele kosten zonmotor woningcorporaties

Bedragen in € miljoen

Bedrag

Investeringen

2,39

Operationele kosten

0,057

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

2.3.2 Windenergie De gemeente Amsterdam heeft plannen om de hoeveelheid windenergie in de gemeente uit te breiden. Het huidige geïnstalleerde windvermogen bedraagt 66 MW. Hier wordt op korte termijn in 2021 11 MW aan toegevoegd. Op lange termijn wordt gestreefd naar 127 MW in 2030 (RESregio NHZ, 2020). Figuur 2.4 geeft de ontwikkeling weer van het geïnstalleerde windvermogen tot aan 2030, waarbij de groei van windenergie tussen 2021 en 2030 lineair is geïnterpoleerd.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MAATREGELEN EN INVESTERINGEN

Figuur 2.4

21

Toename van het geïnstalleerde windvermogen periode 2020-2030

Bron: Gemeente Amsterdam

Korte termijn In 2021 wordt er 11 MW toegevoegd aan het geïnstalleerde windvermogen door de constructie van 10 nieuwe windturbines van 2,2 MW ter vervanging van 16 oude 0,66 MW windturbines. (RESregio NHZ, 2020). Tabel 2.18

Ontwikkeling windturbines korte termijn # windturbines

Vermogen per turbine (MW)

Totaal vermogen (MW)

Productie (GWh)

InvesterinOperationele gen (mln. €) lasten (mln. €/jaar)

Oude windturbines 16

0,66

10,56

20,48

0 (Afbraak 12)

-0,37

Nieuwe windturbi- 10 nes

2,2

22

56

24,53

0,93

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

Aan de hand van de methodiek uit het conceptadvies wind op land voor de SDE++ 2021 (Cleijne H., Pisca I.en Lensink S., 2020) is een kostenonderverdeling gemaakt. De kostenkengetallen uit de SDE++ berekening zijn generiek opgesteld. Er kunnen in de praktijk dan ook kostenvariaties optreden naar gelang het type windturbine en de omvang van de turbine-opstelling. Daarnaast houdt de SDE++ berekening ook geen rekening met mogelijke participatiekosten ter compensatie voor omwonenden. CE Delft heeft aan deze onderverdeling een SBI-categorie toegekend. De investeringskosten voor de turbine zelf bedragen ongeveer twee derde van de investeringen.

12

De afbraakkosten zijn erg projectafhankelijk. Kosten zijn onder meer afhankelijk van wat er precies met de 16 oude turbines en locaties gebeurt, en of de fundering en elektriciteitsaansluiting opnieuw gebruikt kunnen worden voor nieuwe turbines of niet. Aangenomen is dat de synergievoordelen van het plaatsen van een turbine op een bestaande windturbinelocatie de afbraakkosten compenseert.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

22

HOOFDSTUK 2

Lange termijn Tussen 2021 en 2030 zal er 50 MW extra vermogen aan windturbines geplaatst worden. (Amsterdam, 2020). Een gelijkmatige lineaire toename van windturbines is aangenomen voor deze periode, zie Figuur 2.4 Tabel 2.19

Ontwikkeling windturbines lange termijn

Windturbines

Totaal Productie (GWh) extra vermogen (MW)

Investeringen (mln. €)

Operationele lasten (mln. €/jaar)

50

55,8

1,7

97

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

Op eenzelfde wijze als bij de korte termijn kostenverdeling is de langetermijnonderverdeling bepaald.

2.4

Duurzame mobiliteit

Vanuit het programma Schone Lucht is een tweetal maatregelen 13 geselecteerd waar de economische effecten van in kaart zijn gebracht. Het betreft: 1. Uitbreiding van de publieke laadinfrastructuur tot 2025; 2. De invoering van een emissievrije zone voor stadslogistiek in 2025. Ambitie De gemeente Amsterdam heeft in de routekaart de ambitie geformuleerd om in 2025 het aantal publieke laadpunten te hebben uitgebreid naar 16.000-23.000, van de circa 3.300 laadpalen ten tijde van het opstellen van de routekaart. In 2025 wil Amsterdam een emissievrije zone binnen de ring A10 hebben gerealiseerd voor vracht- en bestelwagens, taxi’s, ov-bussen en touringcars (Amsterdam, 2019). Fasering Beide maatregelen zijn uitgevoerd in 2025. Bepaling van de investeringen en operationele kosten Uitbreiding van de publieke laadinfrastructuur tot 2025 De gemeente Amsterdam gaat voor 2025 uit van 16.000-23.000 publieke laadpunten (informatie aangeleverd in project). Voor de huidige situatie is uitgegaan van de klimaatmonitor, die aangeeft dat er in januari 2020 circa 3.715 publieke en 1.735 (semi) publieke laadpunten voor personenauto’s waren in Amsterdam (Rijkswaterstaat, 2020).

13

Het was oorspronkelijk het doel om ook de effecten van invoering van een ZE-zone voor personenvervoer binnen de ring, per 2030, uit te rekenen . Echter, de verwachtingen over de groei van elektrisch personenvervoer lopen zeer sterk uiteen, en in de literatuurstudie is geen goede bron gevonden voor het bepalen van het effect van de ZE-zone in 2030 op de stromen/voertuigen in Amsterdam. Om deze reden is deze maatregel afgevallen.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MAATREGELEN EN INVESTERINGEN

23

Er is een literatuurstudie uitgevoerd naar de kosten van laadinfrastructuur voor personenauto’s. Op basis van een drietal studies (CE Delft, 2019, NKL, 2017 en Ecorys & EVCONSULT, 2017) is gekomen tot de een verdeling van kosten (uitgaande van een 3×25A laadpaal), zie Tabel 2.20. Tabel 2.20

Kostenverdeling plaatsing publieke laadpaal

Type kosten

Bedrag (€)

Omschrijving

Materiaalkosten

€1.100,-

Levering laadpaal

Installatie

€1.270,-

Locatie bepalen Inrichten parkeervak Plaatsingskosten aannemer

Jaarlijkse kosten

€285,-

Communicatiekosten Onderhoud/reparatie Service bij gebruikersproblemen

Bron: CE Delft, 2019, NKL, 2017 en Ecorys & EVCONSULT, 2017

De ambities voor het plaatsen van laadpalen na 2025 zijn op dit moment niet bekend. Naar verwachting zal de groei doorzetten, door de groei van het aantal elektrische personenauto’s, mede ingegeven door de milieuzone voor personenvervoer in 2030. Echter, de exacte mate van groei is op dit moment niet goed te bepalen, zie ook voetnoot 12. Om deze reden zijn enkel de ambities tot en met 2025 doorgerekend. De invoering van een emissievrije zone voor stadslogistiek in 2025 De invoering van een emissievrije zone voor stadslogistiek leidt tot het vervangen van fossiel aangedreven voertuigen voor elektrisch aangedreven voertuigen. Voor deze voertuigen is ook aanvullende laadinfrastructuur nodig die privaat gerealiseerd zal worden. Beide effecten zijn in beeld gebracht. Laadinfrastructuur voor stadslogistiek In de tabel hieronder staan projecties voor zowel het aantal laadpalen als laadpunten voor 2025 voor de stadslogistiek in Amsterdam. Dit is gebaseerd op de studie Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen in stadslogistiek (CE Delft 2019), waarin prognoses voor de regio Groot-Amsterdam zijn opgesteld. Aangezien de regio Groot-Amsterdam groter is dan de gemeente Amsterdam, moest een aanname worden gemaakt voor het percentage dat binnen de gemeentegrens van Amsterdam valt. Dit is gedaan op basis van het percentage inwoners van Groot-Amsterdam dat in Amsterdam woont: 65 procent.

Het totaal geschatte laadpalen in Amsterdam in 2025 voor stadslogistiek komt daarmee op ruim 7.500 laadpalen voor bestelauto’s en bijna 400 voor vrachtauto’s. Mogelijk dat er in deze inschatting een overlap zit met de uitbreiding van de publieke laadinfrastructuur voor de publieke laadpalen (langs de weg en thuis) voor bestelauto’s, het is onbekend of in de ambitie van de gemeente Amsterdam de publieke laadpalen ook is ingegeven om de laadvraag van stadslogistiek op te vangen.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

24

Tabel 2.21

HOOFDSTUK 2

Prognose laadinfrastructuur stadslogistiek in Groot-Amsterdam Aantal laadpalen

Aantal laadpunten

250kW

10

10

Depot

150kW

235-579

1.157

Klant

150kW

183

183

418-772

1.350

Vervoersvorm

Locatie

Type laden

Vrachtauto

Langs de weg

Totaal Bestelauto

Langs de weg (snel)

50kW

28

28

Langs de weg (publiek)

20kW

292

292

Thuis (publiek in de wijk)

20kW

7.654

11.481

Depot

20kW

1.715-2.648

5.295

Klant

20kW

326

326

9.723-10.656

17.130

Totaal Bron: CE Delft (2019)

In de eerder genoemde studie naar laadinfrastructuur voor stadslogistiek (CE Delft, 2019) is gedetailleerde informatie over de kosten van laadinfrastructuur voor stadslogistiek opgenomen. Er zijn zowel voor bestel- als vrachtwagens verschillende typen laadpunten. Wij hebben hier de versimpelde aanname gedaan dat de twee meest voorkomende typen volledig worden ingezet. Dit is “AC20” voor bestelwagens en “HPC150” voor vrachtwagens. De kosten zijn weergegeven in Tabel 2.22. Tabel 2.22

Kosten van twee meest voorkomende typen laadinfrastructuur voor stadslogistiek AC20

HPC150

Materiaalkosten

€2.200,- €25.000,-

Installatie

€520,-

€9.375,-

Onderhoud

€285,-

€3.326,-

Bron: CE Delft (2019)

Nieuwe voertuigen stadslogistiek Uit de studie naar laadinfrastructuur voor stadslogistiek (CE Delft 2019) kan worden opgemaakt dat er in Groot-Amsterdam 15.000 bestelauto’s en 1.100 vrachtauto’s zijn die de emissievrije zone (ZE-zone) regelmatig bezoeken en een standplaats in Groot-Amsterdam hebben. CE Delft heeft aangenomen dat als gevolg van de ZE-zone 80 procent van deze voertuigen in Groot Amsterdam in 2025 geëlektrificeerd zal zijn. Daarnaast zal naar verwachting een deel van de vervoerders andere manieren van vervoer gaan gebruiken. Als hierop weer de factor 65 procent wordt toegepast om deze getallen naar de gemeente Amsterdam te vertalen, dan krijgen wij: • 7.800 bestelauto’s; • 572 vrachtauto’s. Verder is er aangenomen dat er momenteel geen elektrische vrachtwagens zijn, en 232 elektrische bestelbussen. Dit laatste is gebaseerd op het feit dat er naar schatting 2.320 elektrische bestelbussen in Nederland zijn (Topsector logistiek; Connekt; CE Delft; TNO, 2018), waarvan de aanname is gemaakt dat 10 procent van deze bussen in Amsterdam rondrijdt. Een belangrijke opmerking

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MAATREGELEN EN INVESTERINGEN

25

hierbij is dat er in deze studie geen vergelijking is gemaakt met een referentiescenario (zonder invoering ZE-zone), waarbij ook een deel van het wagenpark zou zijn vervangen. Op basis van de inzichten uit de studie naar laadinfrastructuur voor stadslogistiek (CE Delft 2019) nemen wij aan dat een elektrische bestelwagen gemiddeld € 25.000 kost en een vrachtwagen gemiddeld € 190.000. Totale investeringen Wanneer we de groeiprognoses en prijsindicaties met elkaar combineren komen we tot de volgende jaarlijkse investeringen voor laadinfrastructuur en nieuwe voertuigen. Tabel 2.23

Totale jaarlijkse investeringen in duurzame mobiliteit tot en met 2025

Investeringen in € duizend

2021

2022

2023

2024

2025

Laadinfrastructuur personenvervoer Aanschaf

1.706

2.239

2.944

3.874

5.105

Installatie

1.969

2.585

3.399

4.472

8.189

Onderhoud

910

1.145

1.440

1.812

2.280

Aanschaf

2.443

3.748

6.736

12.459

22.779

Installatie

685

1.024

1.897

3.635

7.186

Onderhoud

205

302

571

1.121

2.330

12.710

20.260

34.880

Laadinfrastructuur stadslogistiek

Nieuwe voertuigen stadslogistiek 14 Aanschaf

66.740 147.415

Bron: SEO Economisch Onderzoek/CE Delft

2.5

Verzwaring van het elektriciteitsnet

Door nieuwbouw van woningen en datacenters, laadpalen voor elektrisch verkeer, de bouw van zonnepanelen en windmolens en de plaatsing van warmtepompen in woningen komt er een hogere capaciteitsvraag op het elektriciteitsnet in Amsterdam. Het duurzaamheidsbeleid van Amsterdam zal daarmee de oorzaak zijn van een deel van de benodigde verzwaring van het elektriciteitsnet in Amsterdam. Door netbeheer Liander en de gemeente Amsterdam is een studie gedaan naar de gevolgen van een aantal maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder de energietransitie, op het elektriciteitsnet (Liander, gemeente Amsterdam, 2019). Van Liander zijn in vertrouwelijkheid de prognoses voor investeringsbedragen ontvangen voor de gemeente Amsterdam voor de komende 5 jaar. Deze bedragen bevatten zowel investeringen in het net als onderhoud en storingen. Liander geeft aan dat deze bedragen grove inschattingen zijn, en dat daadwerkelijke cijfers kunnen afwijken. De investeringsbedragen van Liander zijn gebruikt voor een inschatting van de werkgelegenheidseffecten op de korte termijn. Hierbij moet worden aangegeven dat deze effecten niet volledig toe 14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9575223/1