A - 10 Ruimtelijke Ordening (30) 8. Bestemmingsplan Slotermeer 2018.pdf
Tekst van het document
Stadsregio Amsterdam
De Stadsregio Amsterdam is een samenwerkingsverband van zestien gemeenten. De stadsregio werkt onder meer aan verbetering van de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de economische ontwikkeling en heeft in dat kader een aantal beleidsnota's opgesteld. 3.3.2.1 Detailhandelsbeleid Stadsregio Amsterdam Omschrijving De ambitie van de Stadsregio Amsterdam is om een dynamische en fijnmazige detailhandelsstructuur in de stadsregio Amsterdam te realiseren. Een belangrijk speerpunt van het regionaal detailhandelsbeleid is tot op heden altijd de keuze voor een fijnmazige detailhandelsstructuur geweest. Een fijnmazige detailhandelsstructuur zet de leefbaarheid
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 27
centraal en gaat uit van de behoefte van inwoners om dichtbij huis -op aanvaardbare afstand- hun aankopen te kunnen doen. Behoud van een fijnmazige detailhandelstructuur blijft een centraal uitgangspunt van het detailhandelsbeleid. Dat impliceert dat afspraken nodig zijn die de huidige structuur in stand houden of verder versterken: vasthouden aan het op aanvaardbare afstand hebben van winkels in dagelijkse artikelen; vasthouden aan terughoudendheid ten aanzien van nieuwe (perifere) locaties waar (grootschalige) detailhandel is toegestaan; vasthouden aan terughoudendheid ten aanzien van brancheverruiming op bestaande perifere locaties; vasthouden aan het weren van food van bedrijventerreinen en perifere winkellocaties; versterking van bestaande winkelgebieden staat centraal; weidewinkels zijn niet toegestaan. Om deze ambitie te realiseren, zet de Stadsregio in op een aantal speerpunten: terughoudendheid in het toevoegen van nieuwe meters; meer ruimte voor kwaliteit; maatwerk op de perifere locaties; pro-actief acquisitiebeleid. Toetsing In het plangebied is een winkelcentrum gelegen. Winkelcentrum Plein ‘40-'45 bevindt zich centraal in Slotermeer aan het gelijknamige Plein ‘40-'45. Dit winkelcentrum beschikt over ongeveer 40 zaken voor de dagelijkse artikelen, wonen, mode. Ook bevinden zich diverse horecazaken nabij het winkelcentrum.
De ligging van Winkelcentrum Plein ‘40-'45 zorgt ervoor dat de bewoners van Slotermeer op aanvaardbare afstand de dagelijkse artikelen kunnen aanschaffen. Verder zijn er verspreid over Slotermeer nog enkele locaties met detailhandel: o.a de Slotermeerlaan, Burgemeester De Vlugtlaan en de omgeving van het Confuciusplein.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam'
Omschrijving Met de Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam' (17 februari 2011) legt Amsterdam zichzelf, inclusief de stadsdelen, regels op waar ruimtelijke plannen aan moeten voldoen. Amsterdam heeft zichzelf onder meer voor de opgave gesteld te verdichten en tegelijk het omliggende landschap open te houden. Dat leidt tot belangrijke uitgangspunten: het groen in en rond de stad vraagt om stevige bescherming, terwijl andere delen van de stad optimaal worden benut. Verdichting leidt ook tot (geleidelijke) transformatie en toenemende menging. Dat vergt veel van de bestaande infrastructuur en openbare ruimte. Respect voor de rijkdom aan cultuurhistorische schatten van Amsterdam is hierbij een belangrijke voorwaarde. De centrale ambitie van de Structuurvisie is dat Amsterdam zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt aan tal van mensen woon- en werkruimte. Het betekent extra draagvlak voor voorzieningen, extra investeringen in de openbare ruimte en in recreatief gebruik van water en groen en efficiënter omgaan met energie en vervoer, zodat buiten de stad minder landschap hoeft te worden aangetast.
De ambitie is om 70.000 woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen tot 2040 (waarvan 13.350 in Nieuw-West), een intensiever gebruik van de haven en huidige bedrijventerreinen te realiseren en ruimte te maken voor waterberging. Toetsing Gemeente Amsterdam
blz. 28
In de Structuurvisie zijn geen specifieke beleidsdoelen voor Slotermeer geformuleerd. Wel zijn drie gebieden binnen Slotermeer in de Structuurvisie aangewezen als behorend tot de Hoofdgroenstructuur. Op de betekenis daarvan en de manier waarop dit in het bestemmingsplan tot uitdrukking is gebracht, wordt verder ingegaan in paragraaf 15.3. 3.4.2
Koers 2025
Omschrijving Koers 2025 operationaliseert de gemeentelijke structuurvisie en de ambitie voor de bouw van 50.000 woningen in een ontwikkelstrategie voor de stad tot 2025. De strategie maakt het mogelijk om in de komende jaren van grof naar fijn beredeneerde keuzes te maken in de ontwikkeling van de stad. Dat is hard nodig, want de stad groeit. Het aantal inwoners en de bedrijvigheid neemt toe en ook het aantal bezoekers en toeristen groeit snel. Naast het accommoderen van groei wil Koers 2025 kwalitateit aan de stad toevoegen. De toenemende bedrijvigheid verandert snel van karakter. De kennisintensieve en creatieve economie nestelt zich bij voorkeur in het hart van de stad, tussen de bewoners en de uitgaansgelegenheden. De klassieke scheiding tussen wonen en bedrijvigheid is steeds minder makkelijk te maken. Steden staan voor een enorme duurzaamheidsopgave. Ook hier geldt dat gemengde stedelijke milieus, functioneel en qua bevolkingssamenstelling, het best in staat zijn aan deze ontwikkelingen ruimte te bieden. Toetsing In de Koers 2025 wordt een aantal keer op de ontwikkelpotentie van het gebied Geuzenveld-Slotermeer ingegaan. Zo staat er dat het gebied Geuzenveld-Slotermeer in kwaliteit verbeterd moet worden, en dat er een nieuwe aanpak van de stedelijke vernieuwing in Geuzenveld-Slotermeer moet worden gefomuleerd.
Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven, zijn er momenteel nog geen concrete plannen die volgen vanuit Ruimte voor de stad die in het plan kunnen worden meegenomen. Het plan is conserverend van aard. 3.4.3
Kantorenstrategie Amsterdam
Omschrijving De kantorenstrategie van de gemeente Amsterdam is een uitwerking van de Structuurvisie. De inzet van de voorgaande kantorenstrategie, de Kantorenstrategie 2011, was het terugdringen van de kantorenleegstand door beperking van de nieuwbouw, meer transformatie en het herontwikkelen van leegstaande kantoren. Doel was om de totale kantorenvoorraad in Amsterdam in omvang af te laten nemen te nemen en er weer zicht te krijgen op een 'normaal' leegstandspercentage. De afgelopen periode is de dynamiek op de kantorenmarkt echter sterk toegenomen. De vraag naar grote kantoorruimtes is groot, er vestigen zich veel innovatieve kantoorconcepten in de stad en er is veel behoefte aan kantoorruimte voor kleine ICT, communicatie en zakelijke dienstverlening op meer informele plekken. Dit is aanleiding geweest de kantorenstrategie te actualiseren in de 'Kantorenstrategie 2017; Het juiste kantoor op de juiste plek', die op 31 oktober 2017 door het college van B&W is vastgesteld. In de geactualiseerde kantorenstrategie wordt geconstateerd dat in 2019 de frictieleegstand (het percentage leegstand om te kunnen voorzien in de verhuis- en uitbreidingsbehoefte) zal zijn gedaald tot een voor een gezonde kantorenmarkt gewenst niveau van 8%. Op grond van de huidige ontwikkelingen worden in de Kantorenstrategie 2017 de volgende voorstellen gedaan: 4.
de huidige planvoorraad flexibel inzetten waar op korte termijn (tot 2020) nieuwe kantoren gewenst zijn (Zuidas, Arenapoort, Amstelstation, Marineterrein en Houthaven); 5. doorgaan met het stimuleren van de transformatie van de monofunctionele kantoorlocaties naar gemengde woonwerkgebieden (Amstel III, Riekerpolder en Sloterdijk);
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 29
6. nieuwe, gemengde gebiedsontwikkeling mogelijk maken voor de periode na 2020, als naar verwachting de leegstand is gedaald naar de frictieleegstand van 8%. Ruimte voor de Economie van Morgen Uitgangspunt voor de voorstellen in de Kantorenstrategie 2017 zijn de typeringen van woon- en werkmilieus die zijn opgenomen in 'Ruimte voor de Economie van Morgen, Ruimtelijk Economische visie voor de groei van Amsterdam / Koers 2025'. De visie is de economische uitwerking van de in Koers 2025 genoemde stedelijke gebieden en biedt voor de ontwikkeling van deze nieuwe gebieden de ruimtelijk-economische bouwstenen. In de visie wordt geconstateerd wordt dat de stad aan de vooravond staat van een nieuwe periode van stedelijke groei. Om deze groei een plek te kunnen geven zal het vestigingsklimaat van Amsterdam de komende jaren worden versterkt door monofunctionele kantoorgebieden te veranderen tot aantrekkelijke gemengde woon-werkwijken en een deel van de Amsterdamse bedrijventerreinen te transformeren tot nieuwe woonwijken. De algemene ruimtelijk-economische opgaven daarbij zijn: aansluiten bij de vestigingsbehoefte van de stedelijke kenniseconomie; Amsterdam ontwikkelen als inclusieve stad van en voor iedereen en ruimte maken voor economische diversiteit; rekening houden met economische dynamiek en verandering.
Om de te ontwikkelen gebieden ruimtelijk-economisch kleur te geven, zijn de economische kansen van de gebieden geïnventariseerd en op een kansenkaart getypeerd. Bestaande stad Zowel de Kantorenstrategie als Ruimte voor de Economie van Morgen zijn met name gericht op de in het kader van Koers 2025 te ontwikkelen nieuwe stedelijke gebieden. Ruimte voor de Economie van Morgen bevat echter ook aspecten die relevant zijn voor de bestaande stad en daarmee voor het onderhavige bestemmingsplan. Bij de ruimtelijk-economische opgaven in Ruimte voor de Economie van Morgen gaat het om het voorzien in stedelijke milieus met een grote mate van menging van wonen en werken, waar kan worden gewerkt door een mix met zelfstandige kleinschalige kantoren en bedrijven en waar mogelijkheden worden geboden om de klassieke scheiding tussen wonen en werken te laten vervagen. Toetsing Slotermeer is voornamelijk een woongebied. In het plangebied zijn wel enkele kantoren aanwezig. Dit bestemmingsplan voegt geen nieuwe kantoorlocaties toe die aan de Kantorenstrategie moeten worden getoetst. Indien na de vaststelling van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van een transformatie van kantoor naar een andere functie wordt aangevraagd, dient deze aanvraag wel aan de Kantorenstrategie te worden getoetst.
Aanwezige (kleinschalige) bedrijfsruimtes (in plinten) in het plangebied zijn in overeenstemming met het toekomstige beleid en daarom in principe waardevol om te behouden. 3.4.4 stad'
Detailhandelsbeleid: 'Amsterdam 2018 - 2022, sterke winkelgebieden in een groeiende
Omschrijving In navolging van het regionaal detailhandelsbeleid en onder andere de 'Structuurvisie Amsterdam 2040: Economisch sterk en duurzaam' en het 'Amsterdams Ondernemers Programma 2015-2018', is nieuw gemeentelijk detailhandelsbeleid opgesteld. Het Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022: sterke winkelgebieden in een groeiende stad', dat op 20 december 2017 door de gemeenteraad is vastgesteld, geldt voor de periode 2018-2022, of zoveel langer totdat er nieuw beleid is opgesteld, en dient mede ter vervanging van eerder vastgesteld detailhandelsbeleid op stadsdeelniveau dat per 19 maart 2016 is komen te vervallen.
Gemeente Amsterdam
blz. 30
Met het nieuwe beleid wordt ingespeeld op het veranderde consumentengedrag, waardoor er minder behoefte aan winkels is, en de tegelijkertijd plaatsvindende groei van het aantal inwoners en bezoekers. Het nieuwe detailhandelsbeleid houdt rekening met diverse nieuwe ontwikkelingen in het consumentengedrag en het winkelaanbod. Algemene doelstellingen en uitgangspunten Het detailhandelsbeleid kent twee algemene doelstellingen: Boodschappen dichtbij voor bewoners: met dit beleid wil Amsterdam in de eerste plaats dat bewoners op redelijke afstand van de woning (750 meter loopafstand) dagelijkse boodschappen kunnen doen. Meerdere aantrekkelijke winkelgebieden, ook buiten de binnenstad: Amsterdam heeft als ambitie om meerdere aantrekkelijke winkelgebieden te hebben. Het betreft hier het echte 'winkelen' voor producten die niet elke dag worden gekocht. Voor de verschillende in het beleid onderscheiden typen winkelgebieden gelden in heel Amsterdam algemene uitgangspunten. Een van de belangrijkste daarvan is dat het winkelaanbod in Amsterdam geclusterd wordt in winkelgebieden en dat nieuwe losse winkelvestigingen in beginsel zijn uitgesloten. Hieraan ligt een aantal redenen te grondslag. In de eerste plaats heeft clustering van winkels voordelen voor ondernemers én consumenten: alle benodigde boodschappen zijn vlakbij elkaar verkrijgbaar.
In de tweede plaats profiteren ondernemers in winkelconcentraties van elkaars bezoekersstromen. Verder is het voor de overheid efficiënter en duurzamer om een concentratie van winkels te faciliteren met bijvoorbeeld laad- en losplekken voor bevoorrading, voorzieningen voor fietsen etcetera. Het clusteren van detailhandel, en daarmee efficiëntere bevoorrading, draagt indirect bij aan de ambities van Amsterdam voor een schonere luchtkwaliteit. Gebiedsgerichte koers detailhandel Amsterdam is onderverdeeld in drie zones: een kernzone, een centrumzone en een stadszone. De zones verschillen in het al aanwezige winkelaanbod, de stedenbouwkundige structuur en het verzorgingsgebieden. Naast de stadsbrede beleidslijnen is voor elk van de drie zones een specifieke koers ingezet. De bij de zones behorende opgaven zijn: 7. in de Kernzone: geleiding en spreiding van drukte, aanpak diversiteit, meer belevenis, beperkt nieuwe grootschalige winkels en aandacht voor borging dagelijks aanbod; 8. in de Centrumzone: borging boodschappen in stadsstraten en ruimte voor nieuwe formules en concepten; 9. in de Stadszone: uitrol centrummilieu/transformatie van functies, toekomstbestendig maken van de stadsdeelcentra en aanpak leegstand. Internetverkopen In de detailhandel doet zich een afname voor van het winkelaanbod met niet-dagelijkse artikelen als gevolg van de trend van toenemende internetverkopen.
Het detailhandelsbeleid benoemt vier typen internetbedrijven en verbindt beleidsuitgangspunten aan elk type. Internetbedrijf dat functioneert als detailhandel: Internetbedrijven met afhaalmogelijkheid en mogelijkheid de goederen ter plaatse te bekijken (in showroom/uitstalling) en/of af te rekenen, functioneren in praktijk net zoals detailhandel en worden zowel binnen de woon- als bedrijfsbestemming ontoelaatbaar geacht. Deze vorm van internetwinkels dient zich te vestigen op een locatie met een detailhandels-/winkelbestemming. Er wordt geen omgevingsvergunning verleend voor locaties waarop detailhandel niet is toegestaan. De andere drie typen internetbedrijven zijn onder voorwaarden wel inpasbaar: Afhaalpunt internetaankopen: Binnen een woonbestemming zijn afhaalpunten voor internetaankopen bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 31
beperkt toelaatbaar via de 'bedrijf aan huisregeling' in het bestemmingsplan. Daarmee blijven de activiteiten ondergeschikt aan de woonfunctie. Vestiging binnen een kantoor- of bedrijfsbestemming is eveneens toelaatbaar. Internetbedrijf waar alleen een elek tronische transactie tot stand komt: Een internetwinkel waar op het woon- of bedrijfsadres alleen een elektronische transactie tot stand komt en die dus verder geen ruimtelijke uitstraling heeft (zoals parkeer- en verkeeroverlast) past binnen de bestemming wonen. Internetbedrijf met opslag- en verzendfunctie: Deze bedrijven zijn binnen een woonbestemming toelaatbaar via de 'bedrijf aan huisregeling' in het bestemmingsplan. Daarmee blijven de activiteiten ondergeschikt aan de woonfunctie. Het detailhandelsbeleid biedt tevens een overzicht van instrumenten om winkelgebieden te versterken. Daarbij gaat het om publiekrechtelijke instrumenten (sturen op functiebehoud en meer of minder m2 winkelruimte), privaatrechtelijke instrumenten zoals erfpachtcontracten, huurcontracten en andere privaatrechtelijke overeenkomsten en stimuleringsmaatregelen zoals die zijn opgenomen in het 'Amsterdams Ondernemersprogramma 2015-2018: Ruimte voor ondernemers' (zoals straatmanagement, gebiedsbranding, oprichten van een Bedrijven Investeringszone (BIZ) et cetera). Toetsing In het plangebied is op diverse locaties detailhandel gevestigd.
Het plan voorziet op de meeste locaties niet in een wijziging van de bestaande situatie. Er is geen sprake van strijd met het detailhandelsbeleid. Op grond van het nieuwe detailhandelsbeleid kunnen in winkelgebieden met beperkt toekomstperspectief de bestemmingsplanmogelijkheden verruimd worden, waarmee mogelijkheden worden gecreëerd voor transformatie. In de planregels zijn daarom aan de bestemmingen "Gemengd" meer functies toegevoegd dan op grond van het vorige plan waren toegestaan. 3.4.5
Overnachtingsbeleid
Omschrijving Op 14 juli 2016 is de "herziening van het Amsterdamse deel van de Regionale hotelstrategie 2016 2022: van hotelbeleid naar overnachtingsbeleid" vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. Het accent wordt in het nieuwe beleid verschoven van een hotelbeleid naar een integraal (regionaal) overnachtingsbeleid dat zich richt op kwaliteit, spreiding en een gelijkwaardig ondernemersveld. Met vernieuwende en concrete instrumenten wordt bijgedragen aan het behoud van de balans tussen wonen, werken en recreëren in de stad. Vraag en aanbod van alle overnachtingsvormen in de Amsterdamse regio worden hierbij als één geheel gezien, waarbij er in ieder geval tot 2022 in heel de stad alleen ruimte wordt geboden aan nieuwe innovatieve en kwalitatieve hotelinitiatieven. Voor de overige overnachtingsvormen wordt het aanbod verder gereguleerd teneinde een legaal, geregistreerd en kwalitatief aanbod te borgen. Het overnachtingsbeleid zorgt voor een rem op de groei van het aantal hotels in Amsterdam, verdere spreiding van hotels over de regio, een stijging van de kwaliteit van al het huidige overnachtingsaanbod, een beter inzicht in de markt, een gelijk speelveld tussen de verschillende accommodatievormen en doet een aanzet tot het stimuleren van nieuwe toeristische trekkers in de metropoolregio Amsterdam. Om dit te bereiken geldt voor de gehele stad `Nee tenzij´.
Medewerking aan nieuwe hotelinitiatieven wordt in Amsterdam in de basis niet gegeven. Alleen als hotelinitiatieven écht iets toevoegen aan de omgeving en de markt wordt een uitzondering gemaakt. Elke bestuurscommissie heeft voor de inwerkingtreding van het nieuwe overnachtingsbeleid (1 januari 2017) de mogelijkheid gehad uitzonderingsgebieden te definiëren. Concepten worden getoetst op verbinding met de buurt, kwaliteit, innovatief karakter, duurzaamheid, houdbaarheid, sociaal ondernemerschap en bijdrage aan het vestigingsklimaat voor bedrijven. Het advies van het adviesteam
Gemeente Amsterdam
blz. 32
hotelontwikkeling wordt verplicht. De hotelladder wordt uitgebreid met onder andere een duurzaamheidstoets,een toets sociaal ondernemen en een eis om een buurtverslag bij een aanvraag bij te voegen. Toetsing In het plangebied zijn twee hotels gevestigd aan de Slotermeerlaan. Deze hotels staan op de gebiedskaart van het Overnachtingsbeleid niet aangewezen als plek waar hotels of uitbreiding van hotels mogelijk zijn onder voorwaarden. Aan de hotels is daarom geen planologische uitbreidingsruimte toegekend ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Ook zijn in het plangebied geen nieuwe hotels toegestaan. Daarmee is het plan in overeenstemming met het overnachtingsbeleid. 3.4.6
Beleidsnotitie short stay
Omschrijving Het Amsterdamse shortstaybeleid is erop gericht om voldoende woningen te bieden aan (voornamelijk buitenlandse) werknemers en Amsterdam zo aantrekkelijk te houden als vestigingslocatie voor bedrijven. Het verblijf van shortstayers in de stad mag echter niet ten koste gaan van de leefbaarheid in de buurt en van het aanbod van goedkope huurwoningen. Naar aanleiding van de evaluatie van het oude shortstaybeleid in 2013 is op 12 februari 2014 een nieuwe beleidsnotitie met betrekking tot shortstay vastgesteld. Op basis daarvan worden geen nieuwe vergunningen voor het aanbieden van shortstay meer verleend. Reeds verleende vergunningen lopen door op basis van de bestaande voorwaarden. Het aantal shortstay-appartementen was op 1 januari 2014 ongeveer 800. Hiermee is het streefgetal uit 2009 bereikt. De effecten van het nieuwe beleid worden in 2017 geëvalueerd. Toetsing De regels van dit bestemmingsplan staan het aanbieden van short-stay niet toe. Het plan is daarmee in overeenstemming met het short stay-beleid. 3.4.7
Woonagenda 2025
Omschrijving Op 19 juli 2017 is de Woonagenda 2025 vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. De Woonagenda 2025 is een kaderstellend en richtinggevend document voor het woonbeleid tot 2025. Het heeft als uitgangspunten voldoende, betaalbare en goede woningen en bevat 20 acties tot 2025. Een van de uitgangspunten uit de Woonagenda 2025 is de focus op een woningbouwprogrammering van 40% gereguleerde huur, 40% middeldure huur en koop en 20% dure huur en koop. Toetsing Het voorliggende bestemmingsplan is conserverend en gaat uit van het bestaande woningareaal. Het beleid uit de Woonagenda is niet van toepassing op bestaande situaties. Bij toekomstige ontwikkelingen in het plangebied is het van belang om rekening te houden met de Woonagenda 2025.
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 33
Hoofdstuk 4 4.1
Het ruimtelijk kader
Inleiding
Dit bestemmingsplan vervangt het voorgaande bestemmingsplan Slotermeer uit 2008. Dit plan voorziet in een actuele planologische regeling voor heel Slotermeer. Het plan is conserverend van aard. Dat wil zeggen dat het de bestaande situatie vastlegt en de rechten en plichten overneemt die in de het voorgaande bestemmingsplan zijn geregeld alsmede in de sinds de vaststelling van het voorgaande bestemmingsplan verleende omgevingsvergunningen. In Hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied opgenomen. Dit bestemmingsplan is niet opgesteld naar aanleiding van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied. Ondanks de hoofdzakelijk conserverende aard van dit bestemmingsplan voorziet dit plan in een aantal ruimtelijk-functionele wijzigingen. Hierna volgt een beschrijving van deze wijzigingen.
4.2
Ontwikkelingen
4.2.1
Onderscheid grondgebonden en gestapelde woningen
Het gebied Slotermeer kent voor een groot deel gestapelde woningbouw (meerdere woningen boven elkaar), zoals appartementengebouwen. Daarnaast zijn er in het gebied ook grondgebonden woningen (engezinswoningen) aanwezig, waarbij de aanwezige bouwlagen door één huishouden worden gebruikt. Naar aanleiding van de binnengekomen inspraakreacties is bezien of het vanuit ruimtelijk oogpunt gewenst is om in het bestemmingsplan een onderscheid te maken tussen grondgebonden en gestapelde woningbouw. Dat is het geval. De reden is dat de grondgebonden woningen (eengezinswoningen) in Slotermeer voornamelijk zijn gecentreerd in bepaalde buurten. Dat is goed te zien op onderstaande kaart:
De
Gemeente Amsterdam
blz. 34
infrastructuur binnen deze buurten is ingericht op het bestaande aantal zelfstandige woningen. Als de bestaande eengezinswoningen worden omgevormd tot meerdere zelfstandige woningen, leidt dit tot een grotere druk op de bestaande situatie. Het kan met name leiden tot een grotere parkeerdruk en daarmee tot parkeeroverlast. Verder geldt dat hoewel elk geval afzonderlijk waarschijnlijk niet voor een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden zorgt, dit wel het geval zal zijn bij meerdere omvormingen binnen dezelfde buurt. De mate van aanwezigheid van kleine, oude huurwoningen blijkt een voorspellende waarde bij de vroegtijdige probleemsignalering van leefbaarheid. De weerstand bij buurtbewoners tegen het omvormen van eengezinswoningen naar gestapelde bouw vormt een bevestiging van dit bekende signaal. Bij de herstructurering van Nieuw-West in de jaren 2000-2010 is ingezet op een uitgebalanceerde samenstelling van de woningvoorraad. Daarbij zijn ook verwachtingen geschapen bij andere betrokkenen, die hier geld en inspanning voor hebben geleverd, waaronder buurtbewoners. Met bouwkundig splitsen van oude eengezinswoningen in kleine gestapelde huurwoningen wordt deze ontwikkeling en betrokkenheid ondergraven.
Om deze redenen is in het bestemmingsplan onderscheid gemaakt tussen 'gestapelde' en 'grondgebonden' woningen: zij hebben de bestemming 'Wonen – 1', respectievelijk 'Wonen – 2' gekregen. Voor het omzetten van een grondgebonden woning naar gestapelde woningbouw moet hierdoor altijd een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met een bestemmingsplan worden aangevraagd. Deze zal slechts worden verleend als er sprake is van belangen die zwaarder moeten wegen dan het belang bij het behoud van de bestaande voorraad eengezinswoningen zoals hiervoor is beschreven (nee, tenzij). In dat geval moet ook altijd worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat door de aangevraagde situatie niet wordt aangetast. 4.2.2
Horeca
De afgelopen jaren zijn met name rondom Plein '40-'45, op de Slotermeerlaan, Burgemeester De Vlugtlaan en Burgemeester Fockstraat veel nieuwe horecavestigingen geopend. Voor deze vestigingen is door middel van omgevingsvergunningen afgeweken van het bestemmingsplan. De nieuwe horeca heeft gezorgd voor levendigheid en meer veiligheid in het gebied, maar ook voor klachten over overlast. In het bestemmingsplan zijn alle bestaande horecavestigingen die de afgelopen jaren zijn vergund, als zodanig bestemd. Er zijn echter geen planologische mogelijkheden voor nieuwe horecavestigingen opgenomen. Nieuwe horecavestigingen kunnen daarmee alleen worden toegestaan door middel van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan. Deze vergunningen zullen alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan (nee, tenzij): 1. het initiatief binnen het op het moment van aanvraag geldende beleid past; 2. geen overlast (geur, geluid of andere vormen van hinder) voor omwonenden en gebruikers van het gebied ontstaat; 3. de parkeervraag in de nabije omgeving kan worden opgevangen; en 4. geen afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige waarden.
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 35
4.2.3
Inpandige garages Arondeusstraat e.o.
Aan de drive in-woningen aan de Arondeusstraat 1-27 (oneven), Burgemeester Eliasstraat 45-71 (oneven) en Victor Rutgersstraat 1-27 (oneven) is in het vorige bestemmingsplan geen aanduiding voor inpandig parkeren toegekend, zodat het gebruik van de eerste bouwlaag als parkeergarage onder het overgangsrecht viel maar niet meer positief bestemd was. In 2018 zijn - naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:613 - alle bewoners van deze straten verzocht om aan te geven of zij de eerste bouwlaag van hun woning als garage willen blijven gebruiken of dat zij daarvan afzien. Ter plaatse van de woningen van de bewoners die hebben aangegeven de eerste bouwlaag als parkeergarage te willen (blijven) gebruiken is in het voorliggende plan de aanduiding 'parkeergarage' toegekend. 4.2.4
Scootsafes
In het vorige plan was een regeling voor scootsafes opgenomen, inhoudende dat van het bestemmingsplan kon worden afgeweken voor de plaatsing van scootsafes. Daarvoor was dus nog wel een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan voor nodig. In het voorliggende plan is de regeling vereenvoudigd: de plaatsing van een scootsafe is binnen de bestemmingen 'Groen 2' en 'Tuin' - onder voorwaarden - rechtstreeks toegestaan. De voorwaarden zijn genoemd in de planregels. Binnen de verkeersbestemmingen wordt de plaatsing van scootsafes niet planologisch toegestaan, omdat de vergunbaarheid van deze situaties een maatwerkbeoordeling vergt. 4.2.5
Uitbreidingsmogelijkheden hotels
De gemeente Amsterdam verleent geen medewerking aan nieuwe hotels (of uitbreiding van bestaande hotels) in een groot deel van de stad. Het overnachtingsbeleid is per 1 januari 2017 van kracht. In een beperkt deel van de stad is het uitgangspunt 'nee, tenzij'. In het plangebied zijn twee hotels gevestigd aan de Slotermeerlaan. Voor zover deze hotels op grond van het vorige bestemmingsplan over uitbreidingsmogelijkheden beschikken, worden die ook in het voorliggende plan toegestaan. Er is namelijk sprake van bestaande rechten die wij dienen te respecteren. Er zijn geen uitbreidingsmogelijkheden opgenomen ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. 4.2.6
Uitbreiding toegestane functies binnen bestemming "Gemengd"
Op grond van het nieuwe detailhandelsbeleid kunnen in winkelgebieden met beperkt toekomstperspectief de bestemmingsplanmogelijkheden verruimd worden, waarmee mogelijkheden worden gecreëerd voor transformatie. In de planregels zijn daarom aan de bestemmingen "Gemengd" meer functies toegevoegd dan op grond van het vorige plan waren toegestaan, te weten: bedrijf van categorie A, kantoor/zakelijke dienstverlening, afhaalpunt tbv internetaankopen, maatschappelijke voorzieningen, culturele voorzieningen, vrijetijdsvoorzieningen. 4.2.7
Sloopbescherming orde 1-panden
Aan panden die in de Nota Cultuurhistorie Nieuw-West (zie paragraaf 10.2.6) zijn aangewezen als 'orde - 1', is de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie 2" toegekend. Voor deze panden geldt hierdoor, op grond van de regels van het bestemmingsplan sloopbescherming.
Gemeente Amsterdam
blz. 36
4.2.8
Tennispark Sloterplas
Op 19 juli 2017 is er een Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) gevestigd op het tennispark Sloterplas, gelegen aan de August Vermeylenstraat 50 ten behoeve van woningbouw. Om de Wvg zijn werking te laten houden, dient er een nieuw bestemmingsplan gemaakt te worden, waarin de beoogde ontwikkeling wordt opgenomen. De plannen van de gemeente voor het Tennispark worden vanwege het ontwikkelingsgerichte karakter ervan niet in het voorliggende bestemmingsplan, maar in een apart bestemmingsplan opgenomen. 4.2.9
Dakopbouwen Noorderhof Noord
De algemeen gangbare woningtypes (met een beukmaat van 5,40 m en een diepte van 10,50 m) kunnen in de meeste gevallen worden voorzien van een dakopbouw. Over de vraag waar wel en geen dakopbouwen kunnen worden toegestaan, is in het verleden veel onduidelijkheid geweest. De overzichtstekening van Noorderhof behorende bij de verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten van 24 oktober 1996 geeft het dakopbouwenplan weer dat tot op heden is gehanteerd. De tekening drukte uit dat in principe alle woningen van het algemeen gangbare type van een dakopbouw kunnen worden voorzien. Hiervan waren uitgezonderd de zogenaamde atriumwoningen van architect Peterse en de woningen die direct aansluiten op de poortgebouwen. Eveneens waren uitgezonderd alle woningen van 'blok VI' (ingesloten door de J.J.M. Vegterstaat en de A.J. Krophollerstraat) exclusief de woningen die aansluiten op het poortgebouw en M.J. Grandpré Molièreplein 20 en 22. In de inspraakfase heeft een bewoner van een van deze woningen verzocht om, in afwijking van het eerdere besluit, toch een dakopbouw toe te staan. Naar aanleiding daarvan zijn in het ontwerpbestemmingsplan een aantal extra dakopbouwen toegestaan, namelijk ter plaatse van J.J.M. Vegterstraat nrs. 18, 16, 10, 8 ,6 ,4 en A.J. Krophollerstraat 17. Vervolgens zijn hier zienswijzen over ingebracht.
Adressanten stellen terecht dat de gemeente ook de schaduweffecten op de omliggende tuinen en de gevolgen voor de privacy van omwonenden bij haar belangenafweging moet betrekken en dat dit bij het beoordelen van de inspraakreactie niet is gebeurd. Daarom is naar aanleiding van de zienswijze van adressanten alsnog een schaduwstudie verricht. De resultaten hiervan zijn als bijlage 1 bij de Nota van beantwoording gevoegd. In de schaduwstudie is gekeken naar de effecten van een mogelijke dakopbouw op J.J.M. Vegterstraat nr. 4,6,8, en 10. Uit de schaduwstudie blijkt dat er inderdaad sprake is van schaduwvorming in de tuin van adressanten. Dit is op meerdere momenten van het jaar het geval (tussen mei en juli), tussen ca. 16.30 en 17.30. Dit geldt ook deels voor de tuin van J.J.M. Vegterstraat 2. Er is ook gekeken naar schaduwvorming in de ochtend voor J.J.M. Vegterstraat 12 en 14. Hier wordt schaduw gevormd op dezelfde data, tussen 09.30-10.30. Op zichzelf is het effect dus niet heel groot, maar omdat het effect zich voordoet juist tijdens een van de schaarse momenten dat er zon in de tuin aanwezig is, leidt het effect in dit geval toch tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van adressanten. Naar aanleiding van de resultaten van de schaduwstudie zijn twee alternatieve opties onderzocht. De eerste optie is om alleen op nr. 6 en 8 dakopbouwen toe te staan.
Dit zou nagenoeg geen schaduwhinder tot gevolg hebben. Aangezien het verzoek om een dakopbouw toe te staan echter niet van de bewoners van nr. 6 en 8 afkomstig is en een risico op precedentwerking bestaat, wordt niet voor deze optie gekozen. De tweede optie die is onderzocht is het zodanig verkleinen van de afmetingen van de dakopbouwen dat er minimale schaduw wordt gecreëerd. Hieruit is gebleken dat alleen met een dakopbouw met een lengte tussen de 2 en 2,20 m, geen sprake is van onaanvaardbare schaduwhinder. Deze maat is afwijkend ten opzichte van de rest van de buurt. Er zijn in de Noorderhof dakopbouwen toegestaan die in vorm afwijken, maar dat is uitsluitend het geval bij dakopbouwen die zijn gesitueerd in een hoekpositie bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 37
van een blok. Deze situatie is hier niet aan de orde. Daarnaast heeft een dakopbouw met een dergelijke beperkte omvang nog nauwelijks toegevoegde waarde voor het wooncomfort. Om die reden is ook deze optie afgevallen. De uitkomst is dat in het vast te stellen bestemmingsplan geen dakopbouwen worden toegestaan aan de JJM Vegterstraat 4, 6 8 en 10. Voor J.J.M. Vegterstraat 15 en 20 kunnen dakopbouwen niet worden toegestaan, omdat dan sprake zou zijn van het dichtzetten van andermans dakterras. Ook op bebouwing van 1 bouwlaag of bebouwing van 3 lagen of hoger worden dakopbouwen niet toegestaan. De voorwaarde is dat plaatsing van de dakopbouw in overeenstemming is met wat in het bouwblok gebruikelijk is. Zowel vanaf de voor als vanaf de achtergevel dient de dakopbouw terugliggend te worden geplaatst. Dit is tot uitdrukking gebracht in de verbeelding. Uitgangspunt hierbij is dat wordt aangesloten bij reeds vergunde dakopbouwen in het bouwblok. Dit betekent dat een dakopbouw 2,25 meter terugliggend geplaatst moet worden ten opzichte van de voorgevel, met een diepte van 4,20 meter. Bij ondiepe woningtypen (minder dan 6,45 m) kan hierdoor geen dakopbouw worden geplaatst. Daarnaast is er bij ondiepe woningtypen (J.J.M. Vegterstraat nrs. 12, 14, 2 en 15 en A.J.
Krophollerstraat 15) vanwege de ondiepte ook sprake van veel schaduwwerking op de achtertuin en bij het plaatsen van dakopbouwen. Daarom is het plaatsen van dakopbouwen bij deze woningen niet toegestaan. 4.2.10 Voetgangersbrug Harry Koningsbergerstraat - N200 Sloterdijk wordt in de komende jaren ontwikkeld met een grote hoeveelheid extra woningen. Naar aanleiding hiervan zijn in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken gemaakt over de realisatie van meer verbindingen tussen de noord- en zuidkant van de Haarlemmerweg. In dat verband wil de gemeente een voetgangersbrug realiseren over het water ter hoogte van de Harry Koningsbergerstraat.
Locatie beoogde voetgangersbrug
Gemeente Amsterdam
blz. 38
Deze locatie is gekozen op basis van een ligging binnen de gelijkmatige interval van verbindingen over de weg. De exacte locatie enerzijds is bepaald op basis van de ligging van een hoge druk persleiding onder de Subangstraat en anderzijds op basis van de ligging ten opzichte van het naastgelegen appartementencomplex. De vereniging van eigenaren van het naastgelegen appartementencomplex heeft via een inspraakreactie op het bestemmingsplan laten weten dat ze de oversteek het liefst zo ver mogelijk van hun gevel af willen hebben. Mede op basis hiervan zijn aanpassingen aan het ontwerp gedaan. De VVE is akkoord met de locatie zoals in deze brief aangegeven. De voetgangersbrug is afgestemd met Waternet en AGV en meegenomen in de besluitvorming van de investeringen in de N200. Deze is twee maal naar de raad geweest inclusief eventuele inspraakmogelijkheid. Over deze locatie is niet ingesproken. Er moet nog wel een watervergunning en omgevingsvergunning te worden aangevraagd. 4.2.11 Aanpassingen naar geldende wet- en regelgeving De planregels en verbeelding zijn geüpdatet naar de actuele standaarden. Het vorige plan is nog vastgesteld onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening, terwijl inmiddels de Wet ruimtelijke ordening van kracht is.
Bestemmingsplannen moeten op grond van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening tegenwoordig voldoen aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP), Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI). Ook zijn de definities in sommige gevallen aangepast naar de thans geldende landelijke en Amsterdamse standaarden.
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 39
Hoofdstuk 5
M.e.r./mer(-beoordelings)plicht
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De regelgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage is verankerd in de Wet milieubeheer. Voor sommige plannen of activiteiten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken (m.e.r.-beoordeling). Ook kan er sprake zijn van een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling. In het Besluit m.e.r. is opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben. Voorliggend bestemmingsplan is conserverend van aard en voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen. Dit bestemmingsplan leidt hierdoor niet tot significante nieuwe emissies en heeft geen significante verkeersaantrekkende werking. Er is dan ook geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)plicht.
Evenmin is het bepaalde ten aanzien van de vormvrije m.e.r.-beoordeling van toepassing.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 41
Hoofdstuk 6 6.1
Verkeer en parkeren
Algemeen
In deze paragraaf worden de beleidsstukken of besluiten genoemd die direct aan de inrichting van het gebied ten behoeve van het verkeer ten grondslag liggen. In deze paragraaf wordt verder de bereikbaarheid/ontsluiting van het gebied voor de auto, OV, fiets en voetganger beschreven. Ook het auto- en fietsparkeren wordt kort in beeld gebracht. Er wordt ook kort omschreven hoe aangesloten wordt op de grotere verkeersnetwerken buiten het plangebied.
6.2
Beleid en regelgeving
6.2.1
Regionaal Verkeer & Vervoerplan
Het Regionaal Verkeer & Vervoerplan (RVVP) uit 2004 is het beleidskader op het gebied van verkeer en vervoer van de Vervoerregio Amsterdam. Het is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling, voor de uitvoering van de exploitatie van het openbaar vervoer en de subsidieverlening op het gebied van infrastructuur en verkeersveiligheid. Het RVVP is door de Vervoerregio Amsterdam gemaakt in samenspraak met de gemeenten, andere overheden en een aantal betrokken belangenorganisaties. Het RVVP is opgesteld binnen de ambities die de stadsregio-gemeenten gezamenlijk hebben geformuleerd. Deze ambities zijn: het creëren van een gezonde, gedifferentieerde economie met internationale concurrentiekracht, het bieden van een goed sociaal klimaat aan de inwoners en het zorgen voor een duurzame leefomgeving. De hoofdlijnen van beleid zijn samen te vatten in een aantal strategieën: een samenhangend netwerk, gebiedsgerichte aanpak, prijsbeleid, duidelijke keuzes voor leefbaarheid en veiligheid en een slagvaardige samenwerking en financiering. Een groot deel van de regionale OV-verbindingen voldoet nog niet aan de kwaliteitseisen voor snelheid, betrouwbaarheid en gemak. De strategie voor het openbaar vervoer is het selectief uitbreiden van het netwerk en het verbeteren van de exploitatie om middelen vrij te maken voor beter regionaal openbaar vervoer.
Jaarlijks wordt bij het RVVP een uitvoeringsprogramma opgesteld. In dit uitvoeringsprogramma worden de concrete programma's en projecten genoemd voor het lopende jaar. Voor 2017 geldt dat het uitvoeringsprogramma voor het laatst wordt gebaseerd op de RVVP uit 2004. De Stadsregio Amsterdam werkt samen met de provincies Noord-Holland en Flevoland en met de gemeenten Almere en Lelystad aan een nieuw, gezamelijk beleidskader voor het verkeer- en vervoersbeleid. Dit nieuwe beleidskader, de Strategische Visie Mobiliteit, zal vanaf het jaar 2018 het programma van de Vervoerregio Amsterdam bepalen. 6.2.2
Regionale OV-Visie
De OV-Visie 2010-2030 is samen met gemeenten van de Stadsregio Amsterdam, aangrenzende overheden, maatschappelijke organisaties (reizigersverenigingen) en vervoersbedrijven ontwikkeld en op 24 juni 2008 vastgesteld door de Regioraad. Het aanleggen van grootschalige infrastructuur vraagt een lange voorbereidingstijd. Daarom is een visie nodig voor de langere termijn. Op basis van de visie wordt ook een investeringsstrategie gemaakt. Met de visie kunnen juiste en toekomstvaste keuzes worden gemaakt in de aanleg of aanpassingen van het OV-netwerk in de regio.
Gemeente Amsterdam
blz. 42
6.2.3
Mobiliteitsaanpak Amsterdam
De MobiliteitsAanpak Amsterdam vormt de uitwerking van de Structuurvisie op het gebied van verkeer en vervoer. Waar de Amsterdamse structuurvisie een visie op de stad is voor de lange termijn (2040) en verschillende beleidsvelden binnen het ruimtelijk domein met elkaar in verband brengt, richt de MobiliteitsAanpak Amsterdam zich op de middellange termijn en op samenhang binnen het Amsterdamse mobiliteitsbeleid.
6.3
Verkeer
6.3.1
Huidige situatie
Autoverk eer Slotermeer wordt ontsloten via de Haarlemmerweg, de Burgemeester de Vlugtlaan, de Burgemeester Röellstraat en de Slotermeerlaan, die overgaat in de President Allendelaan. Via de Haarlemmerweg (net buiten het plangebied), de Burgemeester de Vlugtlaan en de Burgemeester Röellstraat zijn vanuit Slotermeer de snelweg A10 en het centrum van Amsterdam bereikbaar. Via de Slotermeerlaan en de President Allendelaan is Osdorp bereikbaar. Langzaam verkeer Slotermeer is via diverse fiets- en voetverbindingen met andere delen van de stad verbonden. De hoofdverbindingen voor langzaam verkeer bevinden zich veelal naast de verbindingen voor autoverkeer. Er zijn ook vrijliggende verbindingen voor langzaam verkeer. Via bijvoorbeeld het Gerbrandypark is het mogelijk om te voet of per fiets stadsdeel West te bereiken. Via het (te verleggen) fiets-/voetpad tussen de Burgemeester Fockstraat en de Haarlemmerweg kan vanuit Slotermeer in de richting van station Sloterdijk worden gereisd. Openbaar vervoer Slotermeer beschikt over een ruim aanbod aan openbaarvervoersverbindingen. Diverse bus- en tramlijnen doen Slotermeer aan. De diverse bus- en tramlijnen halteren vrijwel allemaal op meerdere locaties in Slotermeer. Aan de rand van Slotermeer bevinden zich de metrostations Burgemeester de Vlugtlaan en Jan van Galenstraat. Middels de openbaarvervoersverbindingen in Slotermeer zijn o.a.
Station Sloterdijk, Station Lelylaan, Station Zuid en Station Amsterdam Centraal gemakkelijk bereikbaar. Via de openbaarvervoersverbindingen zijn (al dan niet met overstappen) ook de overige delen van de Amsterdam te bereiken. Vaarverk eer Het plangebied is bereikbaar voor vaarverkeer via de Burgemeester van Tienhovengracht, de Burgemeester Cramergracht en de Sloterplas. Via de Burgemeester van Tienhovengracht, die over gaat in de Erasmusgracht, kan vanuit Slotermeer richting stadsdeel West en verder richting het centrum van Amsterdam worden gevaren.
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 43
6.4
Parkeren
Ten behoeve van parkeren zijn in Slotermeer hoofdzakelijk ongebouwde parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd. Op diverse locaties in Slotermeer is parkeren op eigen terrein mogelijk, zowel bij woningen als bij kantoor- en bedrijfsfuncties. Het gaat hierbij om zowel gebouwde als ongebouwde parkeervoorzieningen op eigen terrein. Parkeernormen Sinds 1 juli 2017 is de parkeernota 'Nota Parkeernormen Auto' van toepassing. In deze nota zijn de parkeernormen opgenomen voor verschillende functies opgenomen. De nota maakt een onderscheid tussen de functies wonen, kantoren en voorzieningen: Wonen - Dit betreft alle gebouwen met een woonfunctie. De nota maakt een onderscheid tussen sociale huurwoningen en vrije sectorwoningen. Hierbij is een sociale huurwoning een woning met een huurprijs onder de liberalisatiegrens en een vrije sectorwoning een koopwoning of een huurwoning met een huurprijs boven de liberalisatiegrens. Kantoren - Dit betreft alle gebouwen met een kantoorfunctie. Voorzieningen - Alles wat geen woning of kantoor is, valt volgens de nota onder deze categorie. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om gebouwen met een commerciële of maatschappelijke functie. Aangezien het plan conserverend van aard is en niet in nieuwe ontwikkelingen voorziet, is toetsing aan de parkeernota niet nodig.
Voor toekomstige ontwikkelingen in het plangebied zijn de parkeernormen uit de op dat moment meest actuele parkeernota van toepassing. Dit is in de planregels tot uitdrukking gebracht.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 45
Hoofdstuk 7 7.1
Geluid
Algemeen
Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen, rond grote bestaande industrieterreinen en rondom bestaande luchtvaartterreinen.
7.2
Beleid en regelgeving
7.2.1
Algemeen
In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn geluidsnormen opgenomen voor toelaatbare geluidsniveaus. De normen gelden voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen gelegen binnen de geluidszone van een (spoor)weg of industrieterrein. Wanneer een nieuw (of gewijzigd) bestemmingsplan het mogelijk maakt geluidsgevoelige bebouwing in de geluidszone van een industrieterrein of (spoor)weg te realiseren, is een akoestisch onderzoek noodzakelijk naar de geluidsbelasting van een industrieterrein of spoor(weg) op geluidsgevoelige bebouwing. Indien de hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden, kan op grond van de Wgh een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting) worden verleend door het bevoegd gezag. Voorwaarde is dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard een rol spelen. Het toepassen van maatregelen dient in volgorde van prioriteit gericht te zijn op bronmaatregelen (geluiddempers, aanpassing wielen/spoor, aanpassing wegverharding en/of aangepaste rijsnelheden) en overdrachtsmaatregelen (geluidsschermen/geluidswallen). 7.2.2
Vaststellen van hogere grenswaarden: Amsterdams Geluidbeleid
Op 29 maart 2016 is het vernieuwde "Amsterdams geluidbeleid 2016 Hogere Waarde Wet Geluidhinder" vastgesteld, omdat het in 2007 vastgestelde beleid niet voldeed. Het Amsterdams geluidbeleid 2016 maakt het geluidbeleid kenbaar, beschrijft het doel van het beleid en geeft de mogelijkheid rekening te houden met nieuwe situaties en nieuwe maatregelen. Het doel van het geluidbeleid is het borgen van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij het bouwen van woningen (inclusief plaatsen voor woonwagens/woonschepen) en andere geluidgevoelige functies op geluidbelaste locaties. Doel van de centrale wet- en regelgeving en van het Amsterdams geluidbeleid is het bevorderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Doel is niet het uitbannen van geluid, wel een (ongezond) teveel aan lawaai te voorkomen. Het gaat om geluidbeleid voor het bouwen op geluidbelaste locaties én om Amsterdams geluidsbeleid dat uitvoering geeft aan de verplichtingen van de Europese richtlijn omgevingslawaai. Uitgangspunt van het Amsterdams geluidbeleid is dus dat iedere woning een stille zijde heeft. Dit uitgangspunt geldt alleen voor een woonfunctie, niet voor andere functies. Wanneer de stille zijde tevens beschikt over een buitenruimte heeft ook deze buitenruimte bij voorkeur een aanvaardbaar geluidniveau.
Aan de stille zijde worden bij voorkeur de slaapkamers gesitueerd zodat met open raam of deur geslapen kan worden. Woningen waarvoor hogere waarden worden vastgesteld dienen in principe te beschikken over een stille zijde. Van dit principe mag slechts worden afgeweken als het realiseren van
Gemeente Amsterdam
blz. 46
een stille zijde overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (criteria opgenomen in artikel 110g Wgh). Een woning die moet worden uitgevoerd met een dove gevel dient te allen tijde te zijn voorzien van een stille zijde, behoudens uitzonderlijke gevallen. Het Amsterdams geluidbeleid richt zich op het realiseren van geluidgevoelige functies binnen de zones zoals genoemd in de Wet geluidhinder. Ondanks dat de stedelijke omgeving van Amsterdam met zich meebrengt dat op veel plaatsen een hoge geluidbelasting aanwezig is, moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven. Een hogere waarde kan niet altijd vermeden worden en zelfs een stille zijde is niet altijd mogelijk, maar wel blijft de bescherming van het woon- en leefklimaat van belang. Bij het ontwerpen van een bouwplan dient dat al te worden meegenomen. Als dat redelijkerwijs niet haalbaar is, is een goede motivatie van groot belang, des te meer naarmate de geluidbelasting hoger is. Het Amsterdams geluidbeleid biedt de basis en het gereedschap voor het maken van een evenwichtige afweging van belangen. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden.
Voor zover een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde (tot ten hoogste de maximaal toegestane ontheffingswaarde) hoort bij een ruimtelijk besluit waar de bevoegdheid gemandateerd of gedelegeerd is aan een bestuurscommissie (hierna: BCO) of stadsdeelsecretaris, ligt ook de bevoegdheid tot vaststellen van hogere waarden bij die BCO of stadsdeelsecretaris. Voordat hogere waarden worden vastgesteld is het conceptbesluit hogere waarden ter advisering voorgelegd aan het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluid Amsterdam (TAVGA). Het advies van het TAVGA wordt betrokken bij de besluitvorming en genoemd in het besluit.
7.3
Toetsing
Industrieterrein Westpoort Het plangebied van dit bestemmingsplan bevindt zich voor een groot deel in de geluidszone van industrieterrein Westpoort. In 2015 zijn de contouren van de geluidzone aangepast door de inwerkingtreding van het Inpassingsplan aanpassing geluidzones Westpoort en Hoogtij. Hierdoor valt het meest zuidelijk gelegen deel van het plangebied nu niet meer binnen de geluidzone. Op onderstaande afbeelding is de oude en nieuwe geluidszone weergegeven.
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 47
Ligging oude geluidzone industrieterrein Westpoort (rode lijn) en de nieuwe geluidzone (blauwe lijn) (bron: provinciaal inpassingsplan geluidzones Westpoort en Hoogtij) Het bestemmingsplan Slotermeer 2018 maakt geen nieuwe geluidgevoelige bebouwing (woningen, scholen, zorginstellingen en kinderdagverblijven) mogelijk ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Om die reden hoeft geen akoestisch onderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan te worden verricht. Wel dienen initiatiefnemers van nieuwe ontwikkelingen in Slotermeer – waarbij geluidgevoelige bebouwing is voorzien – zich te realiseren dat (bijna) altijd een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Op grond van artikel 40 van de Wgh is het verplicht om een geluidzone vanwege industrielawaai in het bestemmingsplan vast te leggen met de gebiedsaanduiding 'geluidzone – industrie'. Dat is in dit bestemmingsplan gebeurd. Het gebied waaraan de gebiedsaanduiding is toegekend is gelijk aan het gebied dat in het inpassingsplan is aangewezen. In de regels is bepaald dat het oprichten van nieuwe, of het uitbreiden van bestaande, geluidgevoelige bebouwing alleen is toegestaan als de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein “Westpoort” op de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.
Geluidzones wegen en spoorwegen Het oostelijk deel van het plangebied ligt in de geluidzone van een spoorweg. De breedte van de zone is op grond van de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder 100 m, gemeten vanuit buitenste spoorstaaf. Het gaat dus om een relatief smalle strook ten oosten van het ringspoor. De geluidzone hoeft niet op de verbeelding van het bestemmingsplan te worden opgenomen. Het bestemmingsplan staat geen nieuwe geluidgevoelige bebouwing toe in de desbetreffende zone.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 49
Hoofdstuk 8 8.1
Luchtkwaliteit
Algemeen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn.
8.2
Beleid en regelgeving
8.2.1
Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit)
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in onder meer de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. 8.2.2
Besluit en Regeling Niet in betekenende mate bijdragen (Nibm)
In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van 1,2 ìg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekende mate' wordt beschouwd. Om versnippering van nibm-projecten in meerdere nibm-projecten te voorkomen is een anticumulatie artikel opgenomen. Deze heeft betrekking op aan elkaar grenzende of in elkaars directe nabijheid gelegen bedrijfslocaties, kantoorlocaties, woningbouwlocaties of locaties voor inrichtingen of infrastructuur die (samengevat) worden gerealiseerd die gebruikmaken van dezelfde ontsluitingsinfrastructuur en die aan elkaar grenzen of in elkaars nabijheid zijn gelegen (tot een maximum van 1.000 meter). In het Besluit nibm is bepaald dat deze locaties voor als één locatie worden gezien. Dit is om te voorkomen dat grote projecten in kleine stukjes worden opgedeeld die allemaal onder de nibm-regeling zouden kunnen vallen. 8.2.3
Besluit gevoelige bestemmingen
De AMvB is in januari 2009 in werking getreden. Met deze AMvB wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Deze AMvB vormt een aanvulling op het beginsel van een goede ruimtelijke ordening zoals verankerd in de Wet ruimtelijke ordening. De AMvB heeft niet tot doel om op voorhand elk risico af te dekken, maar om de meest nijpende situaties via een dwingende regeling te voorkomen. Tot de gevoelige bestemmingen behoren: scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat de AMvB is gericht op functies
Gemeente Amsterdam
blz. 50
die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen, zijnde kinderen, ouderen en zieken. Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof; PM10 ) en/of voor stikstofdioxide (NO2 ). Ook tijdens de zogenoemde derogatieperiode blijven voor de toepassing van deze AMvB de oorspronkelijke (dus niet tijdelijk verhoogde) grenswaarden gelden van 40 µg/m3 jaargemiddeld voor PM10 en voor NO2 en 50 µg/m3 etmaalgemiddeld met maximaal 35 overschrijdingsdagen per jaar voor PM10. Indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw.
Eenmalig kan een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming worden toegestaan die leidt tot een toename van maximaal 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft; hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven. Gezien de aanzienlijke afstand van het plangebied tot rijks- en provinciale wegen, ruimschoots meer dan 300 meter is een expliciete toets aan normen uit de AMvB niet noodzakelijk. 8.2.4
Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam
Deze richtlijn, op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders, is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam (Amendement C - Gemeenteblad afd. 1, nr. 148). Uitgangspunten zijn dat: 1. binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; 2. bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd. Van de onder 1 en 2 genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren, dan is een advies van de GGD, afdeling Milieu en Gezondheid nodig. Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overige spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt voldaan aan de genoemde uitgangspunten.