A - 10 Ruimtelijke Ordening (22) 2. Bestemmingsplan 11e herziening Landelijk
Tekst van het document
Gemeente Amsterdam
blz. 36
van één woning is goed op te vangen binnen de bestaande wegenstructuur. Parkeren De gemeente Amsterdam maakt voor het bepalen van de parkeerbehoefte gebruik van de Nota Parkeernormen Auto. De nota geldt per 8 juni 2017 (vastgesteld 8 juni 2017, gewijzigd 29 november 2017) en geeft aan hoeveel parkeerplaatsen bij een bepaalde functie van een gebouw gerealiseerd mogen worden. In de Nota Parkeernormen Auto zijn de parkeernormen voor auto's vastgesteld voor nieuwbouw en transformatieprojecten in de stad. De stad is onderverdeeld in drie gebiedstypen, A-, Ben C-locaties, met elk een eigen set parkeernormen voor verschillende woningtypen. De gronden van dit bestemmingsplan zijn aangemerkt als C-locatie. Bij de C-locaties wordt gebiedsspecifiek gekeken of de parkeervraag op eigen terrein moet, of op straat kan worden opgelost. Verder wordt naar de beschikbare (openbare) ruimte gekeken en naar de actuele parkeerdruk op het maatgevende moment. Gezien de mindere bereikbaarheid per openbaar vervoer van de C-locaties, is het uitgangspunt bij de toetsing 1 parkeerplaats per woning. Hiervan kan, mits onderbouwd, naar boven en naar beneden worden afgeweken. In voorliggend geval betreft het de realisatie van twee woningen in een bestaande stolp. In de toekomstige situatie worden er twee parkeerplaatsen per woning gerealiseerd op eigen terrein.
Hiermee wordt het uitgangspunt van 1 parkeerplaats per woning verhoogd en voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid. Figuur 4.5: Nieuwe parkeerplaatsen, groen gearceerd (bron: W3 Architecten).
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 37
Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.
Tabel 4.2: richtafstanden bedrijven en milieuzonering
De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-uitgave zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging, waarbij direct naast woningen ook andere functies voorkomen,
Gemeente Amsterdam
blz. 38
zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-uitgave gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in het buitengebied van Amsterdam. Het perceel heeft momenteel een agrarische functie. Door het planologisch toevoegen van de extra woning dient beoordeeld te worden of voor deze 'nieuwe' woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat en daarnaast dient beoordeeld te worden of omliggende bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering. De naastgelegen percelen bestaan voornamelijk uit woonfuncties. De wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming heeft voor deze percelen in het kader van bedrijven en milieuzonering geen beperking tot gevolg. Aan Het Voorwerf 7 is planologisch gezien een aannemersbedrijf toegestaan (milieucategorie 3.1). De afstand tot dit perceel is meer dan 200 meter, waardoor dit bedrijf verder niet wordt beperkt door de extra woonfunctie. Aan het Voorerf 2 worden paarden gehouden.
Voor deze dieren is niet bij ministeriële regeling (Regeling geurhinder en veehouderij) een geuremissiefactor is vastgesteld. Dit betekent dat binnen de bebouwde kom de afstand tussen het geurgevoelig object en de paardenhouderij ten minste 100 meter moet bedragen en buiten de bebouwde kom deze afstand ten minste 50 meter moet bedragen. De afstand van het perceel aan het Voorerf 2 tot de projectlocatie bedraagt circa 125 meter. Aan het Nopeind 20 is een agrarisch bedrijf gevestigd. Voor het fokken en houden van rundvee geldt binnen gemengd gebied een richtafstand van 50 meter (SBI-2008 0141, 0142). De grens van het bouwvlak tot de projectlocatie (de stolp) bedraagt minstens 50 meter, waardoor aan deze richtafstand wordt voldaan). De geur van dierenverblijven wordt daarnaast volgens een aparte wet beoordeeld: de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze wet geeft echter geen regels voor andere geurbronnen, zoals de geur van de opslag van vaste mest. Met andere woorden: voor de onderbouwing van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij geurgevoelige objecten nabij een mestplaat kunnen niet de afstanden uit de Wgv worden gebruikt. Voor het onderdeel 'aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen onder meer de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' een hulpmiddel zijn.
De milieuregels voor de opslag van vaste mest voor een inrichting zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (art. 3.46) en de Activiteitenregeling milieubeheer. Hieruit blijkt dat er in beginsel een afstand van 100 meter moet worden aangehouden tussen een mestplaat en woningbouw binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Op basis van het Activiteitenbesluit geldt voor een mestsilo derhalve een afstand van 50 meter tot een geurgevoelig object (woning) buiten de bebouwde kom. De afstand van de mestplaat tot de projectlocatie bedraagt circa 160 meter, waardoor de mestplaat verder geen belemmering vormt. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt verder geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 39
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.
Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van het bestemmingplangebied Landelijk Noord heeft een inventarisatie van de eventueel aanwezige risicobronnen binnen het plangebied plaatsgevonden. Daarnaast is op basis van de risicokaart de situatie geactualiseerd. Op de kaart is te zien dat: Het projectgebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Het projectgebied ligt niet binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen.
Het projectgebied wel ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Figuur 4.6: Uitsnede Veiligheidskaart, plangebied rood omcirkeld (bron: Atlasleefomgeving).
Gemeente Amsterdam
blz. 40
Vervoer gevaarlijke stoffen Over de A10 vindt wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-8 -contour, indicator van het invloedsgebied voor het GR, ligt op een afstand van 210 m. De A10 is op een afstand van circa 1.000 meter gelegen. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Bodem
Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. In de huidige situatie gaat het om een stolp die als voormalige bedrijfswoning is gebruikt. De stolp wordt intern verbouwd tot twee woningen. Ten behoeve van de planrealisatie en sloop opstallen is een omgevingsvergunning activiteit bouwen nodig. Hierbij dient tevens een bodemonderzoek uitgevoerd te moeten worden. APS Milieu heeft in opdracht van initiatiefnemer een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). De onderzoeksresultaten zijn hieronder weergegeven.
De sterk puinhoudende bovengrond (M01, traject 0,08-0,58 m-mv, zand) is licht verontreinigd met koper, zink, molybdeen en kwik, matig verontreinigd met PAK en sterk verontreinigd met lood. Wat betreft bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 41
hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse 'niet toepasbaar'. De matig puinhoudende bovengrond (MM02, traject 0,15-0,70 m-mv, klei) is licht verontreinigd met koper en kwik en in eerste instantie matig verontreinigd met lood. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse 'industrie'. De deelmonsters van MM02 zijn separaat geanalyseerd op lood om een beeld te krijgen van de ruimtelijke verdeling van de aangetroffen verontreinigingen met lood. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond ter plaatse van boring 03 (traject 0,15-0,65 mmv) licht verontreinigd is met lood. Ter plaatse van boring 04 is de bovengrond (traject 0,20-0,70 m-mv) sterk verontreinigd met lood. De zwak puinhoudende bovengrond (MM03, traject 0,00-0,50 m-mv, zand) is licht verontreinigd met koper, zink, molybdeen, kwik en lood. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse 'industrie'. De sterk puinhoudende ondergrond (MM04, traject 0,50-1,50 m-mv, klei) is licht verontreinigd met koper, molybdeen, kwik en lood. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse 'industrie'. De ondergrond (MM05, traject 1,00-2,00 m-mv, veen) is licht verontreinigd met koper, zink en molybdeen. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse 'industrie'.
De ondergrond met resten baksteen (MM05, traject 1,00-2,00 m-mv, klei) is licht verontreinigd met koper, molybdeen en lood. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse 'industrie'. Het grondwater (peilbuis 01) is in eerste instantie licht verontreinigd met molybdeen en barium, matig verontreinigd met kobalt en sterk verontreinigd met nikkel en arseen. Deze overschrijding zijn vermoedelijk veroorzaakt door bodemverstoring bij het plaatsen van de peilbuis. Bij herbemonstering bleek de peilbuis niet meer bruikbaar. Er is een nieuwe peilbuis geplaatst ongeveer ter plaatse van boring 2. Het grondwater uit de herplaatste peilbuis is slechts licht verontreinigd met arseen. Opgemerkt wordt dat de herplaatste peilbuis niet exact op dezelfde plek kon worden geplaatst als de eerste peilbuis. De analyseresultaten worden representatief geacht voor de grondwaterkwaliteit van het perceel. Uit de analyseresultaten van het asbestonderzoek blijkt dat in VMM01 analytisch geen asbest is aangetoond. Opgemerkt wordt dat deze analyseresultaten een indicatief karakter hebben. Het was vanwege de aanwezige vloer niet mogelijk een verkennend bodemonderzoek asbest conform NEN 5707 uit te voeren. Indien ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden grond moet worden afgevoerd/herschikt, dient een melding BUS gedaan te worden bij de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.
De proceduretijd van een dergelijke melding is vijf weken. De werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een BRL 7000 gecertificeerd bedrijf. Ook zijn voor de werkzaamheden extra maatregelen nodig in verband met de arbeidsomstandigheden van de grondwerkers. Bovendien is het verplicht dat de werkzaamheden worden gecontroleerd door een onafhankelijk milieukundig begeleider. Het is van belang dat de milieukundige gecertificeerd is volgens BRL 6000 en geregistreerd is op de website van Bodem+. Binnen acht weken na afronding van de sanering moet een evaluatieverslag worden ingediend bij het bevoegd gezag. Indien geen grond van de locatie wordt afgevoerd/herschikt dient een melding in het kader van de wet bodembescherming te worden ingediend bij de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Dit om de ernst en spoedeisendheid van het geval van ernstige bodemverontreiniging vast te stellen. Er kan dan een beschikking worden afgegeven op basis waarvan
Gemeente Amsterdam
blz. 42
een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend kan worden. Conclusie Het aspect bodem vormt, met inachtneming van de bovengenoemde maatregelen, geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Geluid
Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. In de Wet geluidhinder wordt een aantal typen objecten beschermd, waaronder woningen. Onderhavig project bestaat uit het toestaan van een extra wooneenheid binnen de invloedssfeer van verkeerswegen. Het projectgebied ligt niet binnen de wettelijke zones van spoorwegen en van geluidgezoneerde industrieterreinen. Wegverkeer Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van: wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied; wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur; De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied. Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.
Op grond van de Wet geluidhinder is het stelsel van zonering van wegen erop gebaseerd dat de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig object dat is gelegen binnen de zone van meerdere wegen, per weg wordt bepaald. Voor het aanbrengen van geluidwerende gevelvoorzieningen dient echter uitgegaan te worden van het cumulatieve effect, dus de gezamenlijke geluidbelasting van de wegen, zonder aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder mogen de berekende geluidbelastingen gecorrigeerd (verminderd) worden met 2 tot 4 dB voor wegen waar een representatief te achten snelheid gelijk aan of hoger is dan 70 km/uur en met 5 dB voor de overige wegen (< 70 km/uur). Deze correctie houdt verband met de verwachting dat het verkeer in de toekomst stiller zal worden door technische ontwikkelingen en aanscherping van het type keuringseisen. Voor woningen bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB. Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is onder voorwaarden een ontheffing mogelijk tot de maximale grenswaarde van 63 dB. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van twee geluidsgevoelige objecten, namelijk woningen. Derhalve is er door TecMap een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage d.d. 18 augustus 2021 is toegevoegd in Bijlage 6.
Uit het onderzoek blijkt dat de woningen niet zijn gelegen binnen de zone van een weg zodat deWet geluidhinder niet van toepassing is. Uit de berekeningen en toetsing blijkt verder het volgende: Vanwege het verkeer over de relevante wegen in de directe nabijheid van het plangebied ontstaat in
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 43
2031 een geluidbelasting van maximaal 51 dB Lden. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woonvertrekken te garanderen wordt aanbevolen een karakteristieke geluidwering van tenminste 18 dB te realiseren. Een normale gevel van een woning heeft minimaal een geluidwering van 20 dB zodat niet verwacht wordt dat bijzondere akoestische voorzieningen in de vorm van suskasten of gedemptemechanische ventilatie noodzakelijk zullen zijn. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Luchtkwaliteit
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.
De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de splitsing van een agrarische bedrijfswoning in twee burgerwoningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.4 Verkeer en parkeren) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Tabel 4.3: NIBM-rekentool (geraadpleegd op 30 juni 2021).
Gemeente Amsterdam
blz. 44
In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Uit de NSL Monitoringstool (geraadpleegd op 30 juni 2021) blijkt dat de achtergrondconcentraties van de maatgevende stoffen voor de luchtkwaliteit, stikstofdioxide en fijnstof, ter plaatse van het plangebied (ruim) onder de grenswaarden blijven. Op basis van rekenpunt 1089816 bedragen de waardes voor de jaren 2020 en 2030 voor stikstofdioxide NO2 17,1 en 12,2, voor fijnstof PM10 17,3 en 15,3 en voor fijnstof PM2,5 10,3 en 8,5.
Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Mer-beoordeling
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor alle activiteiten die op de D-lijst staan geldt bovendien sinds 16 mei 2017 dat het bevoegd gezag
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 45
een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. Voor voorliggend project geldt echter dat het Besluit m.e.r. niet van toepassing is, omdat het toevoegen van een extra wooneenheid ter plaatse van een bestaande woning niet op de C of D lijst vermeld staat. Wel staat 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' vermeld in kolom D11.2 van het Besluit mer (zie onderstaande figuur).
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer.
De structuurvisie, De vaststelling van het bedoeld in de artikelen plan, bedoeld in artikel 2.1, 2.2 en 2.3 van de 3.6, eerste lid, Wet ruimtelijke onderdelen a en b, van ordening, en het plan, de Wet ruimtelijke bedoeld in artikel 3.1, ordening dan wel bij het eerste lid, van die wet. ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
D 11. De aanleg, 2 wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproje ct met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
In jurisprudentie is bepaald dat bij de beoordeling of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, gekeken moet worden naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging een rol spelen (o.a. rechtbank Gelderland van 3 juli 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4105 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:694). De rechtbank Noord-Holland heeft in november 2017 geoordeeld dat de transformatie van een kantoorgebouw naar wonen voor 64 arbeidsmigranten niet aan te merken is als een stedelijk ontwikkelingsproject (24 november 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:9184). De rechtbank nam daarbij in aanmerking dat met de omgevingsvergunning alleen een wijziging van het gebruik wordt toegestaan. Het bebouwde oppervlak werd niet uitgebreid. Voorts achtte de rechtbank van belang dat het blijkens de Nota van Toelichting behorende bij het besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Bor (Staatsblad 2014, 333, p. 55) de bedoeling van de regelgever is geweest om met de wijziging van het negende lid te voorzien in de behoefte om snel een besluit te kunnen nemen over de toelaatbaarheid van (al dan niet tijdelijke) bewoning van leegstaande (kantoor)gebouwen.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voor wat betreft de voorgenomen ontwikkeling, geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling. Het bebouwd oppervlak neemt niet toe, er is slechts sprake van het planologisch toestaan van één extra woning. Daarbij komt dat de te verwachten milieueffecten gering zijn, de verkeersintensiteit neemt minimaal toe en het slechts één extra woning betreft. Daarnaast zijn ook andere categorieën die vermeld staan op de C of D lijst in onderhavige situatie niet aan de orde. Er geldt derhalve geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.
Gemeente Amsterdam
blz. 46
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 47
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
In de voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten en het beleid. In dit hoofdstuk worden de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.
5.1
Algemeen
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemming en overige regels.
In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven.
5.2
Inleidende regels
In deze paragraaf wordt een beschrijving van de verschillende bestemmingsregelingen gegeven. 5.2.1
Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal taalgebruik. 5.2.2
Wijze van meten
Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden gemeten moeten worden.
5.3
Bestemmmingsregels
In het plangebied is sprake van meerdere bestemmingen. Een nadere toelichting op de regeling staat in deze paragraaf. Algemeen geldt dat de regeling voor dit bestemmingsplan gebaseerd is op de regeling van het bestemmingsplan Landelijk Noord. Waar nodig is maatwerk toegepast.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
5.3.1
Agrarisch met waarden - Veenweidegebied
Een klein deel aan de noordkant van het perceel krijgt de bestemming Agrarisch met waarden Veenweidegebied. Dit betreft de huidige aanwezige bestemming die aan de noordzijde van de nieuw te realiseren watergang ligt. In het vorige bestemmingsplan (Landelijk Noord) kent de grond hier nog een bouwvlak, die wordt met de vaststelling van dit bestemmingsplan verwijderd. Er zijn dan geen bouwmogelijkheden meer op dit stuk, wat ook ongewenst is. 5.3.2
Tuin
De bestemming 'Tuin' is opgenomen voor het erf van de in het bestemmingsplan opgenomen woningen. Binnen deze bestemming zijn enkel bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde worden gebouwd met een bouwhoogte van 3 meter. Ook zijn erfafscheidingen mogelijk met een hoogte van maximaal 1 meter. 5.3.3
Water
De watergangen in het plangebied hebben de bestemming 'Water' gekregen in het bestemmingsplan. Het gaat hier om de watergang in het noorden van het plangebied. Binnen deze bestemming zijn bouwwerken niet zonder meer toegestaan, zodat het water zijn ruimtelijk en functioneel structurerende functie kan behouden. 5.3.4
Wonen
Binnen de bestemming Wonen zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Er is gekozen voor een gedetailleerde regeling waarbij de maximale goot- en bouwhoogten op de verbeelding zijn aangegeven. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt aangesloten bij de regeling die in het bestemmingsplan Landelijk Noord is getroffen. 5.3.5
Waarde - Archeologie 1
Deze bestemming voorziet in de bescherming van mogelijke archeologische waarden en is integraal overgenomen uit het bestemmingsplan Landelijk Noord. 5.3.6
Waarde - Archeologie 3
Deze bestemming voorziet in de bescherming van mogelijke archeologische waarden en is integraal overgenomen uit het bestemmingsplan Landelijk Noord.
5.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 van de regels zijn de regels opgenomen die betrekking hebben op het gehele plangebied en alle andere regels in het bestemmingsplan.
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 49
5.5
Overgangs- en slotregels
5.5.1
Overgangsrecht
Het overgangsrecht heeft tot doel de rechtszekerheid te verzekeren ten aanzien van bouwwerken die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gebouwd zijn of op grond van een reeds verleende of een nog te moeten afgeven bouwvergunning, gebouwd mogen worden en afwijken van de bebouwingsregels in dit plan. Zij mogen blijven staan of, als een bouwvergunning is verleend, worden gebouwd zolang de afwijking maar niet wordt vergroot en het bouwwerk niet (grotendeels) wordt vernieuwd of veranderd. Ook het gebruik van gronden en de daarop staande opstellen dat – op het tijdstip dat het bestemmingsplan rechtsgeldig wordt – afwijkt van de gegeven bestemming, is in het overgangsrecht geregeld. Het afwijkende gebruik mag worden voorgezet of gewijzigd in een ander gebruik, zolang de afwijking van het bestemmingsplan niet vergroot wordt. 5.5.2
Slotregel
In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Gemeente Amsterdam
blz. 50
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 51
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie Voorafgaand aan deze bestemmingsplanprocedure heeft een vorm van participatie plaatsgevonden. 15 oktober 2020 is 't Nopeind 12 aangekocht door drie particulieren uit het dorp Zunderdorp. Dat leverde felicitaties op van de omliggende buren omdat ze blij waren dat dit project in ontwikkeling zou worden genomen door een partij die met liefde en vakmanschap (één van de drie particulieren is een gewaardeerde restaurateur van stolpen uit het dorp) het project benaderen. Het pand stond op dat moment al drie jaar leeg en was al lange tijd bewoond door een vrouw alleen, iedereen uit het buurtschap kende haar. De huidige bewoners van het buurtschap wonen er allen tussen de 15 en 75 jaar.
Begin januari 2021 zijn de eerste tekeningen voor de renovatie door het architectenbureau opgeleverd en hebben diverse bewoners daar kennis van genomen. Sinds die tijd is er regelmatig belangstelling van de omliggende bewoners in dit buurtschap waar we elkaar dagelijks tegenkomen. De meeste gestelde vraag vanuit de buurt is wanneer er begonnen mag worden met de renovatie. Hierbij wordt dan een toelichting gegeven dat allereerst het bestemmingsplan gewijzigd moet worden. De buurt hoopt dat er spoedig weer een mooie stolp staat waar gezinnen in kunnen wonen. De omwonenden zijn ook geinformeerd bij het verwijderen van twee bomen en het snoeien van een aantal andere bomen afgelopen juli 2021. Vanwege corona is er geen integrale bijeenkomst gehouden om de direct omwonenden te informeren. Wel zijn de direct omwonenden afzonderlijk geinformeerd over de plannen en de reacties zijn overwegend positief op het feit dat deze deels vervallens slolp weer in ere wordt hersteld en wordt opgeknapt. Het bestemmingsplan doorloopt verder de wettelijk vastgelegde procedure, waarmee de maatschappelijke uitvoerbaarheid aangetoond kan worden. Bestuurlijk vooroverleg Het bestemmingsplan is, volgens artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar diverse bestuurlijke overleginstanties.
De volgende intanties hebben een reactie gegeven: Provincie Noord-Holland De provincie heeft in haar reactie van 11 juli 2022 aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Het plan is getoetst aan de Omgevingsverordening en het realiseren van twee woningen in een karakteristieke boerderij is akkoord bevonden.
Veiligheidsregio Amsterdam - Amstelland De veiligheidsregio heeft op 31 mei 2022 per brief haar reactie gegeven waarbij zij aangeeft dat voor wat betreft het onderzoek naar relevante risicobronnen er geen nader onderzoek hoeft plaats te vinden. Wel verzoekt zij de gemeente Amsterdam om bij de nadere uit werking van (bouwwerken in) het plangebied de invulling van de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen met hun af te (laten) stemmen. Dit zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning gedaan worden.
Gemeente Amsterdam
blz. 52
HoogheemraadschapHollands Noorderkwartier Het hoogheemraadschap heeft per mail op 10 juni 2022 haar reactie gegeven. Zij hebben de volgende aandachtspunten meegegeven: 1. bestaand watersysteem: de huidige duiker aan de noordkant zorgt nu vaak voor problemen, het is positief dat deze vervangen wordt door een watergang. Paragraaf 4.2 is aangevuld met de informatie over het bestaande watersysteem. 2. beleidskader: het beleidskader ontbreekt nog voor een deel: paragraaf 4.2 is aangevuld met het relevante beleidskader. 3. onderhoud waterloop: er wordt geadviseerd om bij nieuwbouw minimaal 3 meter vanaf de waterkant te bouwen in verband met onderhoud. Hier wordt in de uitwerking rekening mee gehouden. Ook wordt tekstueel in paragraaf 4.2 toegevoegd dat het huishoudelijk afvalwater (DWA) op de bestaande riolering wordt aangesloten. 4. klimaatadaptatie: er moet nog een kopje 'klimaatadaptatie' opgenomen worden. Dit is in paragraaf 4.2 toegevoegd waarbij aandacht is besteed aan mogelijke wateroverlast. 5. bodemverontreiniging nieuwe waterloop: de vraag is gesteld of in het verleden op de plek van de nieuw te graven waterloop al ooit een watergang aanwezig was die gedempt is. Antwoord hierop is dat hier nooit een watergang heeft gelegen en dat er derhalve ook geen sprake is van demping met puin dat gevolgen zou kunnen hebben voor de uitloging naar de nieuwe watergang. 6.
watervergunning: voor het graven van de waterloop, het aanbrengen van de dam met duiker is een watervergunning van het hoogheemraadschap noodzakelijk. Deze watervergunning is op 5 mei 2022 inmiddels afgegeven (registratienummer: 22.0449205).
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan is gedurende 6 weken ter inzage gelegd vanaf donderdag 17 november 2022 tot en met woensdag 28 december 2022. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Vervolg Vervolgens wordt het bestemmingsplan vastgesteld. De publicatie van het vaststellingsbesluit vindt (over het algemeen) plaats binnen twee weken na de vaststelling. Tijdens de daarop volgende inzagetermijn (6 weken) is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Het vaststellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij er een voorlopige voorziening is aangevraagd.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
De economische uitvoerbaarheid moet aangetoond worden. Bepalend daarbij zijn de grondexploitatieregeling en de financiële haalbaarheid van de ontwikkelingen die in het plangebied mogelijk worden gemaakt. Grondexploitatieregeling De grondexploitatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening is van toepassing, omdat bij recht een bouwplan mogelijk wordt gemaakt. Dit betekent dat een exploitatieplan bij het bestemmingsplan moet worden vastgesteld, om zo het kostenverhaal van de gemeente vast te leggen. In dit geval is daarvan echter geen sprake, omdat tussen de gemeente en de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 53
wordt gesloten. Met deze overeenkomst wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd, net als een planschaderegeling en de sloopverplichting. Financiële haalbaarheid Bij dit bestemmingsplan gaat het om een initiatief van een particuliere partij. De initiatiefnemer financiert de ontwikkeling en alle werkzaamheden die daarbij van toepassing zijn. Daarbij horen onder meer ook de plankosten. Er is een exploitatieopzet gemaakt. Het bestemmingsplan is hierdoor economisch uitvoerbaar.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 55
Bijlagen
Gemeente Amsterdam
blz. 56
bestemmingsplan_11e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 57
Bijlage 1
Rapportage stikstof
Gemeente Amsterdam
cliënt:
J.C. Sap
adres:
’t Nopeind 108 2027 AE Amsterdam
omschrijving:
stikstofdepositieberekening gebruiksfase ’t Nopeind 12 te Amsterdam
van:
ir. Linda van der Valk
datum:
7 september 2021
Geachte heer Sap, Hiermee ontvangt u de briefrapportage voor de stikstofdepositieberekening op basis van het rekenprogramma AERIUS van het ministerie van Economische Zaken. De berekening is uitgevoerd voor de gebruiksfase van twee nieuwe woningen aan ’t Nopeind 12 te Amsterdam, zie afbeelding 1 en 2. Voor de aanlegfase van dit project is het niet langer nodig om een afzonderlijke berekening te maken vanwege de vrijstelling voor de bouw vastgelegd in de Stikstofwet die op 1-7-2021 in werking is getreden. Afbeelding 1 en 2. Projectgebied binnen kader (GoogleMaps)
Het doel van de stikstofdepositieberekening is het vaststellen of een Passende beoordeling of vergunning nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Eerst volgt een algemene beschrijving van het voormalige PAS, de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 en de gevolgen voor het verlenen van toestemming. Daarna worden de uitgangspunten besproken van de stikstofuitstoot van de gebruiksfase. De uitgangspunten zijn gebruikt als invoergegevens in de berekening van het rekenmodel Aerius.
Berekening stikstof GEBRUIKSFASE AERIUS ’t Nopeinde 12 te Amsterdam
1
Waarom een stikstofbeleid? In Nederlandse natuurgebieden met de status Natura 2000-gebied, zijn problemen met de stikstofdepositie. Door onder andere het verkeer, landbouw en industrie komen onbedoeld meststoffen (ammoniak en stikstofoxiden) via de lucht op kwetsbare natuurgebieden neer. Planten zoals gras en brandnetels profiteren van de meststoffen en nemen in massa toe. Het grootste deel van deze plantensoorten hebben deze specialisatie niet, kunnen niet zo snel meegroeien en worden verdrongen. De botanische soortenrijkdom neemt af. Het aanhoudende overschot aan meststoffen heeft effecten op het hele ecosysteem. Zo verandert bijvoorbeeld de samenstelling van bodemlarven en rupsen, zodat broedvogels niet het juiste voedsel kunnen vinden voor hun nakomelingen. Steeds meer vogel- en insectensoorten verdwijnen en de biodiversiteit neemt af. Om kwetsbare soorten een toekomst te blijven geven is het daarom van belang dat de uitstoot van stikstof wordt teruggedrongen. Uitspraak Raad van State 29 mei 2019 De uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 heeft ertoe geleid dat de ingeschatte verlaging van de stikstofdepositie in Nederland te onzeker is. Er mag niet vanuit worden gegaan dat de stikstofdepositie ook daadwerkelijk daalt in de toekomst. De ontwikkelruimte is daarmee (vooralsnog) niet beschikbaar voor toekomstige ontwikkelingen.
Nederland heeft daarnaast te weinig inspanningen verricht om de stikstofdepositie proactief te verlagen. De PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) is sinds 29 mei 2019 niet meer wetmatig. Momenteel wordt gesproken van de “voormalige PAS”. Het systeem van meldingen binnen de PAS van projecten die een depositie lager dan 1 mol/ha/jaar hebben, maar hoger dan 0,05 mol/ha/jaar is daarmee ongeldig. Met de uitspraak van 29 mei 2019 staat ook de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar ter discussie. Momenteel worden alleen voor projecten die geen toename van stikstofdepositie tot gevolg hebben, toestemming verleend. Met versie 3.0 van Aerius die in januari 2021 beschikbaar is gesteld, kunnen weliswaar berekeningen worden gedaan op basis van het rekenmodel die wel voldoet aan de uitspraak van de Raad van state, maar de drempelwaarde is vooralsnog 0,00 mol/ha/jaar. Uitgangspunten gebruiksfase Gasverbruik Het gasverbruik van de eerste woning komt overeen met het gasverbruik van de bestaande woning. Zekerheidshalve is het gasverbruik meegenomen van de eerste woning, om te voorkomen dat de aanname ten aanzien van de stikstofuitstoot te laag zou zijn. De tweede woningen wordt gasloos uitgevoerd en daarom zal geen sprake zijn van gasverbruik. Een C.V.-ketel gebruikt aardgas om de woning te kunnen verwarmen.
Het uitgangspunt is een gemiddeld gasverbruik van 2.400 m3 per jaar voor een vrijstaande woning van 2 -3 personen (bron: http://www.energieleveranciers.nl/gemiddeld- energieverbruik). De verbruiksgegevens van het aantal m3 gas per jaar worden omgerekend naar het aantal kg stikstof per jaar. Een C.V.ketel gebruikt aardgas om de woning te kunnen verwarmen. 1 m3 gas (Groningen kwaliteit) gebruikt op basis van de samenstelling 8,43 Nm3 lucht (stoichiometrisch).
Berekening stikstof GEBRUIKSFASE AERIUS ’t Nopeinde 12 te Amsterdam
2
Dit geeft een stoichiometrisch rookgasvolume van 7,7 Nm3 (droog). Bij een zuurstofovermaat van 3% wordt dit getal gecorrigeerd met 21/ (21-3) = 1,16667. De concentratie NOx bedraagt 70 mg/Nm3 (droog rookgas bij 3% zuurstof). De jaaremissie is als volgt berekend: 2.400 * 7,7 * 1,16667 * 70 = 1490599,6 mg/jaar =1,49 kg stikstof per jaar. De uitstoot vindt plaats door middel van een emissiepunt (schoorsteen) op het dak op een hoogte van naar schatting 6 meter. Verkeer bestaand Om de verkeersaantrekkende werking van de herontwikkeling te bepalen is uitgegaan van kencijfers van het CROW (publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2018). Onder verkeersgeneratie wordt verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) per etmaal. Het aantal vervoersbewegingen is afhankelijk van het woonmilieutype. Bewoners in een stad maken meer gebruik van het openbaar vervoer dan van de auto. De kencijfers van het CROW voor de verkeersgeneratie van woningen bestaat uit 6 woonmilieutypes. Voor onderhavige project is gekozen voor het woonmilieutype “Landelijk wonen”, waarbij per woning de gemiddelde verkeersgeneratie 7,4 vervoersbewegingen per etmaal is. Met twee woningen is het uitgangspunt 14,8 vervoersbewegingen per etmaal. Daarnaast is uitgegaan van 1% middelzwaar vrachtverkeer voor leveranciers, wat afgerond neerkomt op: •
1 middelzwaar vrachtverkeer (14,8*365*0,01=) 54 per jaar.
Deze gegevens zijn ingevoerd in het rekenmodel AERIUS. De verkeersbewegingen zijn berekend voor de aansluiting op de N247, op een afstand van 2,5 kilometer. Een algemeen criterium voor wegverkeer is namelijk dat de gevolgen voor het milieu van dit verkeer niet meer aan het project kunnen worden toegerekend wanneer geacht kan worden dat dit verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Resultaten AERIUS De ingevoerde gegevens en de resultaten zijn samengevat in bijgevoegd rapport, welke automatisch wordt gegenereerd door AERIUS. Uit de berekeningen blijkt dat als gevolg van de gebruiksfase, geen sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, zie afbeelding 3.
Berekening stikstof GEBRUIKSFASE AERIUS ’t Nopeinde 12 te Amsterdam
3
Afbeelding 3. Projectlocatie en resultaat gebruiksfase (Aerius.nl)
Conclusie Geconcludeerd wordt dat in de gebruiksfase van twee woningen aan ’t Nopeinde 12 te Amsterdam, geen negatieve effecten met zich mee zal brengen op beschermde Natura 2000gebieden als gevolg van gebruiksfase van twee nieuwe woningen. De effecten zijn lager dan 0,00 mol/ha/jaar en daarmee verwaarloosbaar. Hierbij is het bestaande gebruik van de huidige/oude woning buiten beschouwing gelaten, omdat deze stikstofuitstoot in mindering mag worden gebracht op het totaal van de stikstofuitstoot in de nieuwe situatie (interne saldering). De berekening is daarom uit gegaan van een worst-case scenario. Significant negatieve effecten als gevolg van de gebruiksfase van het plan kunnen derhalve worden uitgesloten. Een Passende beoordeling en/of vergunning van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Indien u naar aanleiding van deze briefrapportage vragen hebt, kunt u contact opnemen met ondergetekende. Met vriendelijke groet,
Ir. Linda van der Valk Linda@dresmevandervalk.nl
Berekening stikstof GEBRUIKSFASE AERIUS ’t Nopeinde 12 te Amsterdam
4
Bijlage 1. AERIUS-rapport
Berekening stikstof GEBRUIKSFASE AERIUS ’t Nopeinde 12 te Amsterdam
5
blz. 63
Bijlage 2
Stikstofdepositieberekening
Gemeente Amsterdam
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RXk91dJkP8ta (07 september 2021) pagina 1/5
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
J.C. Sap - van Saane
't Nopeind 12, 2027AE Amsterdam
Omschrijving
AERIUS kenmerk
't Nopeind 10B
RXk91dJkP8ta
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
07 september 2021, 11:23
2022
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
5,00 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Renovatie boerderij naar twee woningen GEBRUIKSFASE
Situatie 1
RXk91dJkP8ta (07 september 2021) pagina 2/5
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Bron Sector
verkeer Wegverkeer | Buitenwegen
CV Wonen en Werken | Woningen
Resultaten
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
< 1 kg/j
3,50 kg/j
-
1,50 kg/j
RXk91dJkP8ta (07 september 2021) pagina 3/5
Resultaten
Emissie (per bron)
verkeer 125088, 491698 3,50 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
14,8 / etmaal NOx NH3
3,21 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
54,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud Temporele variatie NOx
Resultaten
Situatie 1
CV 126146, 491455 6,0 m 0,000 MW Continue emissie 1,50 kg/j
RXk91dJkP8ta (07 september 2021) pagina 4/5
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210525_2040287d5b Database versie 2020_20210713_c09c249ebe Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Situatie 1
RXk91dJkP8ta (07 september 2021) pagina 5/5
blz. 69
Bijlage 3
Quickscan Wet natuurbescherming
Gemeente Amsterdam
Quickscan Wet natuurbescherming ’t Nopeind 12 te Amsterdam
Opdrachtgever:
J.C. Sap – van Saane ’t Nopeind 10B 2027 AE Amsterdam
Versienummer:
1.0
Datum:
31 mei 2021
Auteur: Paraaf:
mevrouw ir. L. van der Valk
Quickscan Wet natuurbescherming ’t Nopeind 12 te Amsterdam| 31 mei 2021
Pagina 2 van 18
Colofon Dresmé&vanderValk Postbus 225 1970 AE IJmuiden +31 (0)6 47570615 linda@dresmevandervalk.nl www.dresmevandervalk.nl
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Dresmé&vanderValk.
Quickscan Wet natuurbescherming ’t Nopeind 12 te Amsterdam| 31 mei 2021
Pagina 3 van 18
Inhoudsopgave pagina
1
INLEIDING ............................................................................................................................ 4 1.1 AANLEIDING .................................................................................................................................. 4 1.2 DOEL ........................................................................................................................................... 4 1.3 INDELING VAN DE RAPPORTAGE ........................................................................................................ 4
2
WETTELIJK KADER .............................................................................................................. 5 2.1 GEBIEDSBESCHERMING ................................................................................................................... 5 2.2 BESCHERMDE SOORTEN .................................................................................................................. 5
3
PROJECTBESCHRIJVING ..................................................................................................... 8 3.1 LIGGING ....................................................................................................................................... 8 3.2 BESCHRIJVING VAN HET PROJECT....................................................................................................... 8
4
BESCHERMDE GEBIEDEN.................................................................................................. 10
5
ONDERZOEKSMETHODE .................................................................................................. 11
6
RESULTATEN...................................................................................................................... 13 6.1 VLEERMUIZEN ............................................................................................................................. 13 6.2 BROEDVOGELS............................................................................................................................. 14 6.3 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN .................................................................................................... 15 6.4 FLORA ........................................................................................................................................ 15 6.5 AMFIBIEËN EN REPTIELEN .............................................................................................................. 15
7
CONCLUSIE ........................................................................................................................ 17
Quickscan Wet natuurbescherming ’t Nopeind 12 te Amsterdam| 31 mei 2021
1
Pagina 4 van 18
INLEIDING
In mei 2021 is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd voor een vrijstaande voormalige boerderijwoning aan ’t Nopeind 12 te Amsterdam.
1.1
Aanleiding
De aanleiding van onderhavige onderzoek is het voornemen om de bestaande boerderij te renoveren naar twee woningen en de sloop van twee schuren en mestplaten. Mogelijk verdwijnen met de renovatie en sloop vaste verblijfplaatsen van beschermde soorten zoals vleermuizen of huismus. De initiatiefnemer heeft op basis van de zorgplicht een onderzoeksplicht. Onderhavige rapportage beschrijft het uitgevoerde oriënterende onderzoek naar beschermde soorten en gebieden.
1.2
Doel
Het doel van de Quickscan Wet natuurbescherming is meerledig: • Vaststellen dan wel uitsluiten -voor zover mogelijk- van beschermde flora en fauna in het projectgebied en bepalen of een nader onderzoek nodig is. •
Vaststellen wat de mogelijke effecten zijn op beschermde flora en fauna en beschermde gebieden
•
als gevolg van de herontwikkeling; Indien als gevolg van de renovatie en sloop negatieve effecten te verwachten zijn, dient te worden bepaald of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd is.
1.3
Indeling van de rapportage
De Quickscan Wet natuurbescherming bestaat uit zeven hoofdstukken. Het wettelijk kader van natuurbescherming is te vinden in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 is het projectgebied en het voorgenomen initiatief beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft of sprake is van gebiedsbescherming. In hoofdstuk 5 is de methode van het onderzoek uiteengezet en in hoofdstuk 6 zijn de onderzoeksresultaten beschreven. Hoofdstuk 7 bestaat uit de conclusies.
Quickscan Wet natuurbescherming ’t Nopeind 12 te Amsterdam| 31 mei 2021
2
Pagina 5 van 18
WETTELIJK KADER
De Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van flora en fauna, (natuur)gebieden en bossen. De Wet natuurbescherming bevat niet alleen regels ten aanzien van beschermde soorten flora en fauna en ‘ruimtelijke ingrepen’, maar ook andere onderwerpen zoals bezit en handel, gebiedsbescherming, houtopstanden, beheer en schadebestrijding. Voor plannen die betrekking hebben op ‘ruimtelijke ingrepen’, zoals sloop- en renovatiewerkzaamheden en nieuwbouwplanen zijn de onderwerpen soortenbescherming, gebiedsbescherming en soms ook houtopstanden relevant. Hierna zijn deze onderwerpen op een rij gezet.
2.1
Gebiedsbescherming
Voor gebiedsbescherming is weinig veranderd ten opzichte van de Natuurbeschermingswet 1998. Bij ruimtelijke ingrepen dient te worden nagegaan of initiatieven negatieve effecten kunnen hebben op aangewezen beschermde Natura 2000-gebieden. Gedacht kan worden aan negatieve effecten die samengaan met activiteiten in of aan de randen van een Natura 2000-gebied, zoals verstoring door licht of geluid. Een activiteit die op grotere afstand een negatief effect kan hebben op beschermde gebieden, is bijvoorbeeld de uitstoot van vermestende stoffen. Een wijdverspreid negatief effect is de depositie van stikstof die wordt uitgestoten door het verkeer of verwarmingsketels van gebouwen. Door de toename van stikstof verandert de vegetatie. Soorten als grassen, bramen en brandnetels profiteren hiervan en verdringen plantensoorten die zich gespecialiseerd hebben in schrale omstandigheden. Hierdoor neemt de biodiversiteit af. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur of EHS). Voorts worden bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen door de provincies aangewezen. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de natuurdoelen of landschappelijke waarden.
Anders dan voorheen is de status als NNN verankerd in de Wet natuurbescherming.
2.2
Beschermde soorten
Europese soorten (bijlage IV Habitatrichtlijn, bijlage 1 verdrag van Bonn en bijlage 2 van verdrag van Bern) De soorten die beschermd zijn op basis van het verdrag van Bern en Bonn zijn gelijkgesteld aan de soorten die genoemd zijn in de Habitatrichtlijn. Deze (Europese) soorten mogen niet opzettelijk1 mogen worden beschadigd. Het is niet toegestaan deze soorten opzettelijk te vangen, te verstoren of te doden. Ook is het niet toegestaan eieren te vernietigen, te rapen of te vervoeren. •
1
Met opzet wordt bedoeld: het willens en wetens met aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten.