CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 09 Ruimtelijke Ordening (30) Bijlage 2a. Advies bevoegdheden stadsdelen - Nauta Dutilh

RAAD 26 januari 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Gebruikmaken van aanwijzingsbevoegdheden bij de Omgevingswet VN2021-0349393.620 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ADVOCATEN • NOTARISSEN • BELASTINGADVISEURS

Erik Minderhoud en Wyke de Vos T +31 20 71 71 949 F +31 20 71 71 333 erik.minderhoud@nautadutilh.com wyke.devos@nautadutilh.com Memorandum

Amsterdam, 26 november 2013

Aan Ter attentie van Betreft

Dienst Ruimtelijke Ordening en Dienst Juridische Zaken Renee van Bommel en Jurien Korzelius 5009.5824 - Advies bevoegdheden bestuurscommissies

Inleiding 1

Op 28 februari jl. is de Wet tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen bekendgemaakt (hierna: "de Wet afschaffing deelgemeenten").1 Deze wet is nog niet in werking getreden. Na de inwerkingtreding van deze wet heeft het gemeentebestuur niet meer de bevoegdheid om deelgemeenten en deelgemeentebesturen in te stellen. Wel bestaat nog steeds de mogelijkheid om op grond van artikel 83 Gemeentewet bestuurscommissies in te stellen.

2

In verband met de in Amsterdam beoogde instelling van bestuurscommissies, als bedoeld in artikel 83 van de Gemeentewet, is ons - in aanvulling op de adviezen van Renee van Bommel (Dro), de heer Konijnenbelt en de VU - verzocht te adviseren over de vraag in hoeverre bepaalde omgevingsrechtelijke bevoegdheden die thans bij de gemeenteraad/stadsdeelraad dan wel het college/dagelijks bestuur rusten, toegekend kunnen worden aan de bestuurscommissies, en zo ja, op welke wijze? Het betreft de volgende bevoegdheden: a. het vaststellen van een wijzigingsplan, als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub a, Wro; b. het vaststellen van een uitwerkingsplan, als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub b, Wro; c. het verlenen van een omgevingsvergunning teneinde buitenplans van bij het bestemmingplan aan te geven regels te kunnen afwijken, als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c, juncto, artikel 2.12, lid

1

Wet van 7 februari 2013, Stb. 2013, 76.

Amsterdam Brussel Londen Luxemburg New York Rotterdam

Dit memo is vertrouwelijk en kan onderworpen zijn aan een beroepsgeheim. Deze mag niet worden gebruikt, geopenbaard, verveelvoudigd, gedistribueerd of behouden door een ander dan de beoogde ontvanger. Alle juridische relaties zijn onderworpen aan NautaDutilh N.V. 's algemene voorwaarden (zie www.nautadutilh.com/terms), die een aansprakelijkheidsbeperking bevatten, zijn gedeponeerd bij de Rotterdamse rechtbank en op verzoek kosteloos zullen worden toegezonden. Nederlands recht is van toepassing en geschillen zullen worden onderworpen aan de exclusieve bevoegdheid van de Amsterdamse of Rotterdamse rechtbank, naar keuze van de eiser. NautaDutilh N.V.; statutaire zetel Rotterdam; handelsregister no. 24338323. ABN AMRO Bank 46.69.93.293; ING Bank 50296; Deutsche Bank 44.10.72.127; ten name van Stichting Beheer Derdengelden Advocatuur NautaDutilh.

50095824 M 10614694 / 1

2

1, sub a, onder 3 Wabo. (hierna: "Wabo afwijkingsbesluiten" ). Advies Bevoegdheden van de bestuurscommissie 3

Op grond van artikel 83 Gemeentewet kan de raad, het college of de burgemeester bestuurscommissies instellen. Een bestuurscommissie beschikt enkel over die bevoegdheden die door de raad, het college onderscheidenlijk de burgemeester zijn overgedragen. De bevoegdheden dienen bij het instellingsbesluit van de bestuurscommissie te worden bepaald, aldus de tweede volzin van het eerste lid van artikel 83 Gemeentewet. Delegatie

4

Waar de wetgever in artikel 83 Gemeentewet spreekt over 'overdracht van bevoegdheden', wordt delegatie bedoeld2 . Bij delegatie gaat het om het overdragen door een bestuursorgaan (delegans) van een bevoegdheid aan een ander (delegataris) die deze bevoegdheid onder eigen verantwoordelijkheid gaat uitoefenen.3 De delegans kan de gedelegeerde bevoegdheid niet meer zelf uitoefenen en kan uitsluitend ter zake van de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid beleidsregels geven.4 Delegatie kan zien op de overdracht van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten maar ook op de overdracht van andere bevoegdheden.5 Artikel 10:21 Awb bepaalt in deze situatie dat afdeling 10.1.2 van de Awb in dat geval van overeenkomstige toepassing is. Delegatie kan ingevolge artikel 10:15 Awb alleen dan plaatsvinden indien in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Dat geldt ook voor subdelegatie. Een wettelijke grondslag ziet niet alleen op een grondslag in een wet in formele zin, ook een voorschrift uit een gemeentelijke verordening kan als grondslag dienen.6

5

Voor de bevoegdheid tot overdracht van raads-, college- en burgemeestersbevoegdheden is in onderscheidenlijk de artikelen 156, eerste lid (voor de raad), artikel 165, eerste lid (voor het college) en artikel 178, eerste lid Gemeentewet (voor de burgemeester) een wettelijke grondslag aanwezig.

2

art. 10:13 Awb Zie artikel 10:13 Awb. Artikelen 10:16 en 10:17 Awb. 5 Aanpassingswet derde tranche Awb I, Kamerstukken II 1996/97, 25 280, 6, p. 8. 6 Kamerstukken II 1988/89, 21 221, 3, p. 17. 3 4

50095824 M 10614694 / 1

3

6

De raad kan op grond van artikel 156 Gemeentewet bevoegdheden overdragen aan het college, een door hem ingestelde bestuurscommissie en een deelraad, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Artikel 156 Gemeentewet bevat een aantal bevoegdheden die expliciet van overdracht worden uitgesloten.7 Deze lijst wordt door de wetgever niet als limitatief beschouwd.8 Daarnaast zijn er bevoegdheden die zich naar hun aard tegen overdracht verzetten.9 Zo komen niet in aanmerking voor delegatie de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar alsmede bevoegdheden bedoeld in artikel 36, tweede lid, artikel 44, vijfde lid en artikel 60, eerste lid Gemeentewet en bijvoorbeeld het benoemen van wethouders en de griffier van de gemeenteraad. Ten slotte is delegatie van medebewindbevoegdheden uitgesloten als het stelsel van de Medebewindwet die de bevoegdheid aan de raad toekende zich ertegen verzet.10

7

Artikel 165 Gemeentewet regelt de mogelijkheid voor het college om bevoegdheden over te dragen aan een door hem ingestelde bestuurscommissie. In het artikel wordt die mogelijkheid geboden, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen overdracht verzet. Sommige bevoegdheden lenen zich niet voor delegatie door het college, zoals die welke betrekking hebben op belangrijke elementen van de verhouding tussen de raad en het college.11

8

Ook in de jurisprudentie wordt aangenomen dat sommige bevoegdheden zich niet voor delegatie lenen.12 Om die reden is bij de delegatiebepalingen in de Awb de beperking opgenomen dat overdracht van de bevoegdheid niet mogelijk is, indien de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet.13 Mandaat

9

Naast delegatie kunnen bevoegdheden ook aan een bestuurscommissie gemandateerd worden. Bij mandaat gaat het om een bevoegdheidsuitoefening waarvoor het mandaterende bestuursorgaan verantwoordelijk blijft en waarover het dan ook de zeggenschap blijft houden. Onder mandaat wordt dan ook verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursor-

7

Artikel 156, tweede lid, GemW. Kamerstukken I 1990/91, 19 403, 64b, p. 4-5. 9 Zie artikel 156, eerste lid, GemW. 10 ABRvS 5 februari 1999, Gst. 7098, 2. 11 Kamerstukken I 1990/91, 19 403, 64b, p. 4-5. 12 Zie bijvoorbeeld ABRS 15 februari 1999, Gst. 7098, 2; ABRS 27 juni 2000, JB 2000, 222; ABRS 28 december 2011, JB 2002, 63. 13 Artikel 165, eerste lid, GemW; Kamerstukken II 2000/01, 27547, 3, p. 3 (MvT). 8

50095824 M 10614694 / 1

4

gaan besluiten te nemen.14 10

Een bestuursorgaan kan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet.15 In het tweede lid van artikel 10:3 Awb staan bevoegdheden vermeld die in ieder geval niet voor mandaat vatbaar zijn.16 Wij noemen hier de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften. Het is in beginsel niet toegestaan deze bevoegdheid te mandateren tenzij bij de verlening van die bevoegdheid in mandaat is voorzien.

11

Het bestuursorgaan dat mandaat verleent wordt behalve mandaatverlener ook wel mandans genoemd. Degene die het mandaat omvangt wordt behalve gemandateerde ook wel mandataris genoemd. De mandaatgever blijft altijd bevoegd de gemandateerde bevoegdheid zelf uit te oefenen.17 Het vaststellen van een wijzigingsplan respectievelijk uitwerkingsplan

12

Het vaststellen van een wijzigingsplan of een uitwerkingsplan is op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening ("Wro") een bevoegdheid van de raad, die op grond van artikel 3.6 Wro bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan worden gedelegeerd aan het college. Het college kan in dat geval binnen de bij het plan te bepalen grenzen het plan wijzigen dan wel heeft de plicht dit te moeten uitwerken.

13

Met betrekking tot de procedure van het vaststellen van een wijzigingsplan kan het volgende worden opgemerkt. Het vaststellen van een wijzigingsplan is niet verplicht en betreft derhalve een bevoegdheid. Bij de voorbereiding van het wijzigingsplan dient de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4. Awb te worden gevolgd (zie artikel 3.9a Awb), waarna voor belanghebbenden een rechtstreekse beroepsmogelijkheid op de ABRvS open staat.

14

Het vaststellen van een uitwerkingsplan is daarentegen een plicht. Een vastgesteld uitwerkingsplan maakt als het ware deel uit van het moederplan.18 Bij een uitwerkingsplan geldt ook de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Binnen acht weken na afloop van de termijn van terin-

14

Artikel 10:1 Awb. Artikel 10:3, eerste lid, Awb. Zie bijvoorbeeld ABRS 28 februari 2007, Gst. 2007, 78, JOM 2007, 253 en ABRS 15 oktober 2008, AB 2009, 15. 17 Artikel 10:7 Awb. 18 P.J.J. van Buuren, Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2010, p. 61. 15 16

50095824 M 10614694 / 1

5

zagelegging van het ontwerp uitwerkingsplan dient omtrent de uitwerking te worden besloten. Wabo afwijkingsbesluiten 15

Op grond van artikel 2.1, lid 1, sub c, juncto, artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: "Wabo") kan een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwen in strijd met een bestemmingsplan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Het college is ingevolge artikel 2.4, eerste lid, Wabo, in beginsel het bevoegde gezag inzake het beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning.19

16

Als het college een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3, Wabo wil verlenen, dan dient de raad een verklaring te geven dat hij daartegen geen bedenkingen heeft (tenzij sprake is van een project van provinciaal of nationaal belang, in welke gevallen gedeputeerde staten of de minister van VROM de verklaring moet afgeven).20 Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan de raad categorieën van gevallen aanwijzen waarvoor geen verklaring is vereist. Delegatie van de wijzigingsbevoegdheid, de uitwerkingsplicht en de bevoegdheid tot het nemen van een Wabo afwijkingsbesluit aan een bestuurscommissie

17

Om een antwoord te kunnen geven op de vraag of de wijzigingsbevoegdheid, uitwerkingsplicht en de bevoegdheid tot het nemen van Wabo afwijkingsbesluiten kunnen worden gedelegeerd aan een bestuurscommissie, dient te worden gekeken naar het stelsel van de bevoegdheidsbepalingen in de Wro, de bedoeling van de wetgever in de Gemeentewet met betrekking tot de hoedanigheid van bestuurscommissies, alsmede naar de aard van delegatie zoals de Awb wetgever dit voor ogen heeft.

18

Vooropgesteld moet worden dat de raad op grond van artikel 3.6 Wro in een bestemmingsplan kan bepalen dat een wijzigingsbevoegdheid en/of een uitwerkingsplicht aan het college wordt toegekend. In zoverre mag worden aangenomen dat de Wro wetgever delegatie van deze bevoegdheden exclusief aan het college mogelijk heeft willen maken, waardoor de-

19 20

Zie voor uitzonderingen het tweede tot en met vijfde lid van artikel 2.4 Wabo. Artikel 6.7, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht jo. artikel 2.27, eerste lid, Wabo.

50095824 M 10614694 / 1

6

legatie door de raad op grond van artikel 156 Gemeentewet aan een ander dan het college, bijvoorbeeld een bestuurscommissie, moet worden geacht te zijn uitgesloten. Voor dit standpunt vinden wij mede steun in het feit dat de wetgever ten aanzien van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, die eveneens genoemd wordt in artikel 3.6 Wro, geen expliciete delegatiebevoegdheid heeft opgenomen. 19

Subdelegatie van de wijzigingsbevoegdheid en de uitwerkingsplicht door het college aan de bestuurscommissie is eveneens uitgesloten aangezien hiervoor de op grond van artikel 10:15 Awb vereiste wettelijke grondslag ontbreekt. Artikel 165 Gemeentewet kan naar onze mening niet als zodanig dienen, nu de bevoegdheidsoverdracht aan een bestuurscommissie op grond van dit artikel alleen door het orgaan kan geschieden aan wie de bevoegdheid in eerste instantie bij wet is toegekend, in dit geval de raad21. Hierdoor is het voor het college juridisch niet mogelijk de hem gedelegeerde wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsplicht door te delegeren naar een bestuurscommissie.

20

Wat betreft de bevoegdheid om een Wabo afwijkingsbesluit te nemen is van belang dat deze bevoegdheid door de wetgever in de Wabo is geattribueerd aan het college. Op grond van artikel 165 Gemeentewet kan het college aan hem geattribueerde bevoegdheden in beginsel delegeren aan een bestuurscommissie, tenzij de aard van de bevoegdheden zich hiertegen verzet. Wij zijn van mening dat dit laatste - in elk geval voor de 'grotere' projecten - het geval is. Daartoe is het volgende van belang.

21

De wetgever beschouwt een bestuurscommissie als een territoriaal, functioneel orgaan. Zij is, in tegenstelling tot een deelraad, geen algemeen vertegenwoordigend orgaan, zodat rechtstreekse verkiezingen op grond van artikel 4 van de Grondwet niet noodzakelijk zijn. Aan een bestuurscommissie kan volgens de wetgever niet de behartiging van een aanzienlijk deel van de belangen van een deel van de gemeente worden opgedragen. Het takenpakket van een dergelijke commissie kan dus nooit zo breed en algemeen zijn als dat van een deelgemeente, ofwel het mag geen 'brede belangenafweging' vergen.22 Onder een brede belangenafweging moet hier worden verstaan een afweging van de belangen die bij bovengenoemde ruimtelijke bevoegdheden zijn betrokken in relatie tot andere bevoegdheden in het ruimtelijk- en omgevingsdomein, zoals, zonder limitatief te zijn, die op grond van de Woningwet, de Huisvestingswet, de Wabo en de Wet milieubeheer. Wel kan - en dat stelt de VU ook - een be-

21 22

Tekst en Commentaar bij Gemeentewet en Provinciewet, p.187, opm. 2 Kamerstukken II 2011/12, 33 017, 3, p. 2.

50095824 M 10614694 / 1

7

stuurscommissie het college, dan wel de raad, voorzien van advies en ondersteuning bij het uitoefenen van dergelijke aan de raad dan wel het college toegekende bevoegdheden, zolang de raad of het college uiteindelijk formeel zelf het besluit neemt. 22

Wij delen het standpunt van de VU en Konijnenbelt dat het vaststellen van bestemmingsplannen moet worden aangemerkt als een besluit dat naar zijn aard niet kan worden gedelegeerd omdat daarvoor een brede belangenafweging, zoals hiervoor beschreven, is vereist. Wij zijn van mening dat deze redenering in beginsel ook opgaat voor de bevoegdheid tot het nemen van Wabo afwijkingsbesluiten en voor het besluit van de raad om categorieën van gevallen aan te wijzen waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. Dergelijke besluiten vergen in het kader van een goede ruimtelijke ordening vaak eenzelfde brede belangenafweging waartoe, zoals beschreven, een bestuurscommissie naar zijn aard niet bevoegd kan zijn. Bovendien is van belang dat in geval van delegatie van Wabo afwijkingsbesluiten de verantwoordingsrelatie tussen bestuurscommissie en het college verdwijnt aangezien de bestuurscommissie in dat geval de afwijkingsbevoegdheid onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent.

23

Mogelijke uitzonderingen op het voorgaande zijn naar onze mening voorstelbaar voor Wabo afwijkingsbesluiten met betrekking tot de kleinere projecten waarvoor geen verklaring van bedenking is vereist en die niet of nauwelijks een 'brede belangenafweging' vergen. Wij plaatsen echter wel kanttekeningen bij de praktische uitvoerbaarheid van het maken van een dergelijk onderscheid, aangezien het niet eenvoudig zal zijn een categorie van afwijkingsbesluiten zodanig te formuleren dat geen sprake is van strijdigheid met de bedoeling van de wetgever om bestuurscommissies enkel een voorbereidende en uitvoerende taak toe te kennen. In elk geval kan het financieel belang dat met een project is gemoeid niet de doorslag geven, aangezien dat belang niet per definitie uitsluit dat geen sprake zal zijn van een 'brede belangenafweging'.

24

Ten slotte voegen wij met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid en de uitwerkingsplicht hieraan nog het volgende toe. Mocht, in weerwil van hetgeen wij onder 17 tot en met 19 hebben betoogd, het stelsel van de Wro zich niet verzetten tegen delegatie van deze bevoegdheden, wij in dat geval van mening zijn dat de aard van deze bevoegdheden zich daar wel tegen verzet, vanwege het gestelde onder 21 en 22. Daargelaten de vraag of deze bevoegdheden betrekking (kunnen) hebben op het nemen van algemeen verbindende voorschriften, vergen zij in de praktijk vaak -

50095824 M 10614694 / 1

8

hoewel in mindere mate dan bij het Wabo afwijkingsbesluit - een dusdanig brede belangenafweging die zich niet goed verhoudt met de bedoeling van de wetgever om aan bestuurscommissies vooral ondersteunende en uitvoerende taken toe te kennen. 25

Gezien het voorgaande concluderen wij dat de wijzigingsbevoegdheid, de uitwerkingsplicht en het nemen van een afwijkingsbesluit en het aanwijzen van categorieën van gevallen waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist, zich naar hun aard niet lijken te lenen voor (sub)delegatie aan een bestuurscommissie. Het is juridisch echter voorstelbaar dat met betrekking tot de Wabo afwijkingsbesluiten een uitzondering wordt gemaakt voor 'kleinere', nader te specificeren, projecten. Mandaat van de wijzigingsbevoegdheid, de uitwerkingsplicht en de bevoegdheid tot het nemen van een Wabo afwijkingsbesluit aan een bestuurscommissie

26

Het is vervolgens de vraag of voornoemde bevoegdheden gemandateerd kunnen worden aan een bestuurscommissie. Wat betreft de uitwerkingsplicht merken wij het volgende op.

27

Voorop gesteld zij dat het vaststellen van een uitwerkingsplan moet worden aangemerkt als het vaststellen van een algemeen verbindend voorschrift. Daarbij nemen wij in aanmerking dat de bestemmingen en regels van een uitwerkingsplan in samenhang met die van het moederplan dienen te worden gelezen. Het uitwerkingsplan maakt als het ware onderdeel uit van het moederplan. Hoewel een bestemmingsplan een besluit van algemene strekking is, zijn de aan het bestemmingsplan verbonden gebruiksvoorschriften algemeen verbindende voorschriften.23 Daarbij komt dat de Afdeling in een uitspraak van 28 februari 200724, expliciet heeft overwogen dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een uitwerkingsplan ziet op het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften.

28

Zoals hierboven beschreven kunnen algemeen verbindende voorschriften uitsluitend worden gemandateerd indien bij de verlening tot het vaststellen van die algemeen verbindende voorschriften in mandaatverlening is voorzien. Dit betekent voor de uitwerkingsplicht dat in het moederplan moet worden voorzien in mandaatverlening aan de bestuurscommissie. Het is echter de vraag of het juridisch mogelijk is om in de planregels van

23

Wet ruimtelijke ordening, Kamerstukken II, 2002-2003, 28916, nr. 3, p. 20. Zie ook HR 7 november 1973, NJ 1974, 141. 24 ABRS 28 februari 2007, Gst 2007, 78.

50095824 M 10614694 / 1

9

een bestemmingsplan in mandaatverlening te voorzien nu de planregels uitsluitend een ruimtelijk belang mogen dienen. De Afdeling laat het antwoord op deze vraag in voornoemde uitspraak van 28 februari 2007 in het midden. 29

Wat betreft de wijzigingsbevoegdheid en de bevoegdheid tot het nemen van Wabo afwijkingsbesluiten is het volgende van belang. Los van de vraag of deze bevoegdheden, evenals het vaststellen van een uitwerkingsplan, moeten worden aangemerkt als het vaststellen van een algemeen verbindend voorschrift, betwijfelen wij of de aard van deze bevoegdheden zich leent voor mandatering.

30

Er kunnen zich twee gevallen voordoen waarin de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet. Ten eerste is er het geval dat de bevoegdheid een zodanig karakter heeft dat mandaatverlening in het geheel uitgesloten moet worden geacht, omdat de besluitvorming door het orgaan dat de wetgever heeft aangewezen moet plaatsvinden. Ten tweede is er het geval dat de aard van de bevoegdheid niet principieel aan mandaatverlening in de weg staat, maar de mandaatverlening in het concrete geval, gelet op de aard van de bevoegdheid, niet is toegestaan. Ook de positie van de gemandateerde op zichzelf of ten opzichte van de mandaatgever kan ertoe leiden dat de aard van de bevoegdheid aan de mandaatverlening in de weg staat. In het bijzonder moet worden gedacht aan de situatie dat de te mandateren bevoegdheid niet in de sfeer van de normale bevoegdheidsuitoefening van de gemandateerde ligt25.

31

Hoewel wij voor mandaatverlening meer ruimte zien dan voor delegatie zijn wij van mening dat mandaat zich evenmin goed verdraagt met de aard van de wijzigingsbevoegdheid en de 'grotere' afwijkingsbesluiten. Het betreffen, zoals gezegd, bevoegdheden die een brede belangenafweging vergen en een relatief grote beleidsvrijheid geven. Dit gaat verder dan de door de wetgever beoogde taakstelling aan de bestuurscommissies. In zoverre zou kunnen worden gesteld dat de te mandateren bevoegdheden niet in de sfeer van de normale bevoegdheidsuitoefening van de gemandateerde ligt. Dat blijkt ook uit de bijlage bij de Verordening op de bestuurscommissies 2013, waarin uitsluitend uitvoerende ofwel beleid realiserende taken aan de bestuurscommissies zijn toegekend.

32

De slotsom is dat de aard van de hierboven genoemde bevoegdheden zich niet goed lijkt te verhouden met het instrument van mandaatverlening.

25

Tekst en Commentaar Awb, p. 885, aant. 3b.

50095824 M 10614694 / 1

10

Een uitzondering zou mogelijk gemaakt kunnen worden voor de kleinere Wabo afwijkingsbesluiten. De voorbereiding 33

Overigens laat het voorgaande onverlet dat wij voor de bestuurscommissies met betrekking tot voornoemde bevoegdheden wel een voorbereidende en adviserende taak zien. Of dit praktisch gezien, onder meer in verband met het halen van beslistermijnen, haalbaar is, dient nader te worden onderzocht. Wij kunnen ons in elk geval met betrekking tot de vaststelling van een uitwerkingsplan voorstellen dat een bestuurscommissie het plan voorbereidt tot de ter inzage legging van het ontwerp plan. Daarna zal, gelet op de beslistermijn van 8 weken, het college de voorbereiding verder zelf ter hand moeten nemen. Conclusie

34

Samengevat luidt onze conclusie: De vaststelling van uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen en 'grotere', nader te bepalen, Wabo afwijkingsbesluiten kunnen niet worden gedelegeerd of gemandateerd aan de bestuurscommissies. Dit ligt mogelijk anders voor de 'kleinere' Wabo afwijkingsbesluiten. Wij zien hoe dan ook wel een voorbereidende taak voor de bestuurscommissies weggelegd met betrekking tot voornoemde bevoegdheden.

35

Het is ten slotte van belang dat het uiteindelijk de rechter is die een oordeel zal moeten geven over de vraag of de hierboven genoemde bevoegdheden, hetzij via delegatie, hetzij via mandaat, aan de bestuurscommissies kunnen worden toegekend.

-----0o0-----

50095824 M 10614694 / 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11067134/1