CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 08 Ruimtelijke Ordening (21) 1. Bestemmingsplan 9e herziening Landelijk

RAAD 13 juli 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan 9e herziening Landelijk Noord VN2022-01629421.502 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De uiteindelijke beslissing hierover ligt bij de bevoegde overheid. Algemeen Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Er dient dan rekening gehouden te worden met de aangetoonde (sterke) verontreinigingen. Op basis hiervan adviseert Econsultancy om de sterke verontreiniging te saneren conform een door een bevoegde overheid (gemeente) goedgekeurd plan van aanpak. Econsultancy adviseert in dat kader de sterke verontreiniging met koper en lood volledig te verwijderen. De aangetroffen bijmengingen met puin, ter plaatse van boringen 14 en 15 zijn separaat onderzocht en gerapporteerd (Econsultancy, rapportnr. 13395.004, d.d. 22 januari 2021). 4.3.4

Conclusie

Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Wel is in de toplaag van de bodem een gehalte aan lood gemeten hoger dan 370 mg/kg d.s. Op grond van de Nota Bodembeheer Amsterdam 2019 (Hoofdstuk 5) is er bij nieuwbouw ‘from scratch’ sprake van een saneringsverplichting bij loodgehalten boven 370 mg/kg d.s. Onderzoek hiernaar moet worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning. De aangetroffen bodemverontreiniging vormt ook geen milieuhygiënische belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. En is er geen nader onderzoek nodig naar asbest in de bodem. Gesteld wordt dat het plan gezien vanuit dit aspect gerealiseerd kan worden. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond Gemeente Amsterdam

blz. 32

en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

4.4

Geluid

Econsultancy heeft het benodigde akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 6 bijgesloten. De voor akoestiek zijnde relevante weg betreft uitsluitend de Uitdammerdijk. Dit betreft een geluidszoneerde weg. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 41 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Conclusie Dit aspect levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.5

Erfgoed

Archeologie Voor de onderbouwing van het aspect archeologie wordt verwezen naar paragraaf 2.3. Cultuurhistorie De cultuurhistorische betekenis van Uitdam komt tot uitdrukking in het bijzondere landschap waarin de ontstaansgeschiedenis nog duidelijk afleesbaar is in het bijzondere patroon van water, wegen, dijken en polders. In de huidige situatie bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken op het perceel. De huidige bebouwing wordt gevormd door twee eenvoudige atelier woningen die door de toenmalige gebruiker van het perceel is gebouwd. Door verwaarlozing door de jaren heen zijn de bebouwingen niet meer bewoonbaar. Conclusie Dit aspect levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.6

Luchtkwaliteit

In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 1 woning mogelijk. Daardoor is deze ontwikkeling aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan zijn de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) bekeken. Uit de monitoringstool (2020) blijkt dat de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) ter plaatse van de dichtstbij gelegen doorgaande bestemmingsplan_9e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 33

weg, Uitdammerdijk, nergens meer bedragen dan grenswaarden 40 ug/m3. De concentratie NO2 bedraagt maximaal 11,1 ug/m3 en concentratie PM10 bedraagt maximaal 16 ug/m3. De fijnstof (PM2,5) concentraties zijn nergens hoger dan 9,3 ug/m3 (grenswaarde 25 ug/m3). Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6 waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog lager is. Conclusie Dit aspect levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.7

Verkeer en parkeren

In subparagraaf 3.2.4 is toegelicht dat het aspect parkeren voor het plan inzichtelijk moet worden gemaakt met een maatwerkberekening. Voor de beoordeling verkeer en parkeren is gebruik gemaakt van CROW publicatie ''Toekomstig bestendig parkeren (december 2018)''. In deze publicatie zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. Er zijn kencijfers omtrent verkeersgeneratie en parkeerkencijfers, met een minimale en maximale aan te houden band breedte. Bij gebruikmaking van deze publicatie is er van uitgegaan dat het plangebied in 'sterk stedelijk gebied' ligt en in een zone ligt die kan worden aangemerkt als 'rest bebouwde kom'. Beoordeling De ritproductie per weekdagetmaal en parkeerkencijfers, met een minimale en maximale aan te houden bandbreedte, behorende bij de in het plangebied te realiseren woning zijn in onderstaande tabel inzichtelijk gemaakt.

vrijstaand

Verkeersgeneratie kencijfers

Parkeerkencijfers (pp)

min

max

gemiddeld

min

max

gemiddeld

7,4

8,2

7,8

1,6

2,4

2,0

Tabel kencijfers verkeersgeneratie en parkeernormen Het planvoornemen betreft de realisatie van 1 vrijstaande woning. De parkeervraag en de verkeersgeneratie is op basis van bovenstaande tabel doorgerekend. Aantallen Verkeersgeneratie woningen

vrijstaand

1

Parkeervraag (pp)

min

max

gemiddeld

min

max

gemiddeld

7,4

8,2

7,8

1,6

2,4

2

Tabel verkeersgeneratie en parkeervraag De realisatie van 1 woning leidt niet tot een toename van de verkeersaantrekkende werking (van

Gemeente Amsterdam

blz. 34

motorvoertuigbewegingen) van en naar het plangebied, omdat het aantal woningen ten opzichte van de bestaande situatie met 1 afneemt. Er worden daarom geen problemen voor de verkeersafwikkeling op de Uitdammerdijk verwacht. Blijkens het gemeentelijk parkeerbeleid moet het parkeren op eigen terrein worden opgelost. Het plangebied ligt in zone C. Voor deze locaties zijn geen minimum parkeernormen en maximum parkeernormen bepaald. Voor deze locaties wordt door middel van maatwerk de parkeervraag inzichtelijk gemaakt. Uit bovenstaande maatwerkberekening volgt dat aangaande de parkeerbehoefte minimaal 1,6 parkeerplaatsen en maximaal 2,4 parkeerplaatsen moeten worden aangelegd. De parkeeroplossing wordt geheel op eigen erf opgelost. Bij de ingang van het perceel, ter hoogte van de Uitdammerdijk, kan voldoende ruimte worden gerealiseerd om de benodigde parkeerplaatsen aan te leggen. Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot een verkeerstoename van en naar het plangebied. Het parkeren kan rondom het perceel worden opgelost. Hierbij is voldoende ruimte beschikbaar bij de ingang van het plangebied, om twee auto's te parkeren. Daarmee kan worden voldaan aan de maximale norm. Het planvoornemen voldoet daarmee aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Deze aspecten leveren geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.8

Externe veiligheid

Voor het milieuaspect externe veiligheid zijn een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen. Het Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. Die grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR), een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR). Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden in dit kader twee normstellingen gehanteerd, te weten: Het plaatsgebonden risico: richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; Het groepsrisico: stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Beoordeling Aan de hand van de risicokaart is beoordeeld welke risicobronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Er zijn binnen een straal van 1 kilometer geen risicobronnen aanwezig. Conclusie Dit aspect levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

bestemmingsplan_9e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 35

4.9

M.e.r.

Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: Onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden. Onderdeel B is reeds vervallen. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is. Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Het planvoornemen betreft geen activiteit genoemd in de D-lijst in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Er is geen sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt wel een vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Vormvrije m.e.r. beoordeling Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud.

Met betrekking tot de inhoud moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten', te weten: De kenmerken van het project; De plaats van het project; De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project In het bestemmingsplan wordt de realisatie van maximaal 1 woning planologisch mogelijk gemaakt. Ten opzichte van de bestaande situatie neemt het aantal woningen met 1 af. De omvang van het project in relatie tot de drempelwaarden in lijst D is relatief klein. Plaats van het project Het plangebied ligt aan de Uitdammerdijk 40-42 in het buitengebied van Amsterdam (ten zuidoosten van de dorpskern Uitdam). Het plangebied van het bestemmingsplan '9e herziening Landelijk Noord' wordt globaal als volgt begrensd: noorden: de kreek het Uitdammer Die oosten: natuurgebied langs de Uitdammerdijk zuiden: Uitdammerdijk westen: natuurgebied langs de Uitdammerdijk Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de digitale verbeelding.

Kenmerken van het potentiële effect De voor het milieu relevante wijzigingen die in het bestemmingsplan zijn doorgevoerd, hebben betrekking op: het planologisch mogelijk maken van de realisatie van 1 vrijstaande woning en het opheffen van de planologische mogelijkheid om ter plaatse van de locatie Uitdammerdijk 40 een nieuwe woning te Gemeente Amsterdam

blz. 36

kunnen realiseren. In de hiervoor beschreven paragrafen in dit hoofdstuk is nagaan of er milieueffecten optreden ten gevolgen van het plan. Uit de beoordelingen volgt dat er geen effecten zijn te verwachten die de bestemmingsplanwijziging belemmeren.

bestemmingsplan_9e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 37

Hoofdstuk 5 5.1

Natuur en Landschap

Algemeen

Daar waar bestemmingsplannen en inpassingsplannen ruimtelijke ontwikkelingen en projecten mogelijk maken, moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan.

5.2

Flora- en fauna

Habitus heeft ter plaatse van het plangebied een quickscan flora en fauna verricht. Het rapport is als Bijlage 8 bijgesloten. 5.2.1

Gebiedsbescherming

Binnen het plangebied bevinden zich geen gebieden behorend tot Natura 2000. Binnen het plangebied bevinden zich wel gebieden behorend tot Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit deze beoordeling van dit onderdeel zijn de volgende conclusies getrokken: Indien in het nader (nog uit te voeren) onderzoek een meervleermuis wordt aangetroffen in het plangebied dient er een nadere effectbeoordeling uitgevoerd te worden naar beschermde gebieden. Er is een aeriuscalculatie benodigd om te bepalen of er depositie-effecten optreden. Deze berekening is uitgevoerd en is toegelicht in subsubparagraaf 5.2.1.1. Er is vervolgonderzoek nodig naar beschermde gebieden. Een NNN-toetsing is nodig om de effecten op het NNN nader te bepalen. Deze toetsing is opgesteld en wordt toegelicht in subsubparagraaf 5.2.1.2.

Gemeente Amsterdam

blz. 38

Afbeelding ligging plangebied (rode omlijning) met verwachte werkzaamheden ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (PDOK, 2020; provincie Noord-Holland, 2020). 5.2.1.1 Nader onderzoek stikstofdepositie Voor het planvoornemen is een nader onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Deze is als Bijlage 10 bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner is dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. 5.2.1.2 Onderbouwing NNN Wegens de ligging van het plangebied (deels) binnen het aangewezen NNN gebied is een onderbouwing opgesteld voor dit gebied, het rapport is als Bijlage 7 Onderbouwing Natuurnetwerk Nederland. In dit rapport is de mogelijkheid onderzocht tot een herbegrenzing van het NNN. Hiertoe is er een analyse gedaan van de natuurwaarden in het betreffende perceel en worden deze vergeleken met de wezenlijke kenmerken en waarden van het betreffende NNN-gebied. De centrale vraag luidt: Is er een NNN-herbegrenzing mogelijk voor het perceel aan de Uitdammerdijk 40 binnen de regels die hiervoor gelden? Conclusie

bestemmingsplan_9e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 39

De conclusie geeft antwoord op de centrale vraag. Het antwoord hierop luidt: De wijziging van de begrenzing van het NNN-gebied Waterland oost binnen het perceel aan de Uitdammerdijk 40 kan plaatsvinden binnen de regels van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, artikel 2.10.5. Hier staat in dat de provincie de begrenzing van het NNN-gebied kan aanpassen wanneer het: 1. ten behoeve is van een verbetering van de samenhang of een betere ruimtelijke inpassing van het NNN, zolang de wezenlijke kenmerken en waarden behouden blijven en de oppervlakte ten minste gelijk blijft. 2. ten behoeve is van een kleinschalige ontwikkeling, zolang de aantasting van de samenhang en de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN beperkt is, de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN of een vergroting van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland, en de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft. De grenswijziging verbetert de samenhang van het NNN, omdat de vorm van de begrenzing uniformer wordt en meer de aanwezige vegetatiestructuren volgt. Daarnaast leiden de voorgenomen werkzaamheden in combinatie met de grenswijziging tot een verbetering van de wezenlijke kenmerken en waarden. De vegetatie in het nieuwe NNN-deel sluit beter aan bij de visie van het NNN-gebied Waterland oost.

Ook is er in het nieuwe deel een grotere potentie tot hoge natuurwaarden. Deze kunnen benut worden door natuurbeheer in het perceel uit te gaan voeren. Bovendien zal de oppervlakte van het NNN gelijk blijven. De voorgestelde situatie leidt dus tot een verbetering van het NNN ten opzichte van de huidige situatie. De provincie Noord-Holland heeft geen bezwaren voor de wijziging van de begrenzing van de NNN.

Gemeente Amsterdam

blz. 40

Afbeelding het voorstel voor de nieuwe begrenzing van het NNN op het perceel van Uitdammerdijk 40. De zwarte lijn geeft de nieuwe grenslijn aan. De oppervlakte van gebied wat aan het NNN wordt toegevoegd is in het lichtgroen weergegeven. Het gebied wat buiten het NNN zal vallen is in het roze aangegeven. De oppervlakte van deze gebieden is gelijk, namelijk 572 vierkante meter. De voorgestelde begrenzing volgt aan de noord- en oostkant de grenzen van het perceel (Luchtfoto: PDOK, 2021; Begrenzing NNN: Provincie Noord-Holland, 2021). Vervolgstappen De herbegrenzing is voorgelegd aan de provincie Noord-Holland. Er zijn geen provinciale bezwaren ten aanzien van de voorgestelde herbegrenzing. Daarnaast is op 7 maart 2022 het ontwerp van een wijzigingsbesluit voor de Omgevingsverordening NH2020, wijzigingsbesluit - wijziging werkingsgebieden OV NH (ronde 1 2022), ter inzage gelegd. Gevolg van deze wijziging is dat NNN niet langer van toepassing is op de nieuwbouwlocatie. Derhalve kan het planvoornemen op dit onderdeel doorgang vinden. Daarnaast kan er in de aanvraag aangegeven worden dat het wenselijk is om het ambitiebeheertype van het perceel te wijzigen naar N05.03 Veenmoeras, zoals beschreven in dit rapport. De definitieve locatie van de schuur dient bepaald te worden op basis van de voorgestelde locaties en voorwaarden*.

Deze stap is gezet door het inpassen van de schuur binnen het gebied dat in het herbegrenzingsvoorstel buiten het NNN komt te liggen. Hiermee wordt geen bebouwing opgericht binnen het herbegrensde NNN gebied * Voorstel locatie schuur De eigenaar wil de schuur gebruiken ten behoeve van natuurbeheer op het perceel. Hiervoor dient de schuur op een bereikbare plek naast het pad geplaatst te worden. In de afbeelding zijn twee voorstellen voor de locatie van de schuur weergegeven. Bij deze voorstellen is er rekening gehouden met de begrenzing van het NNN en de aanwezige vegetatie. Het heeft de voorkeur de schuur aan de oostkant van het pad te plaatsen, omdat hier meer ruimte is en omdat de natuurwaarden hier lager zijn. Plaatsing aan de westzijde van het pad is ook mogelijk, zolang de schuur niet noordelijker geplaatst wordt dan de huidige bebouwing op die locatie en buiten de voorgestelde begrenzing van het NNN valt. De oriëntatie van de schuur kan naar wens gewijzigd worden. Op de voorgestelde locaties zijn de minste ingrepen in de vegetatie benodigd. Deze suggestie is verwerkt in het plan.

bestemmingsplan_9e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 41

Afbeelding het voorstel voor de plaatsing van de nieuwe schuur in het plangebied vergeleken met de voorgenomen locatie. De voorgestelde nieuwe begrenzing van het NNN is in zwart weergegeven (Luchtfoto: PDOK, 2021). 5.2.2

Soortenbescherming

Op basis van de quickscan is geconcludeerd dat er voor diverse soorten maatregelen en/of nadere onderzoeken nodig zijn. Voor iedere soort waarvoor de Wet Natuurbescherming en/of het natuurbeleid van de provincie (mogelijk) wordt overtreden, wordt hieronder de vervolgstap beschreven. Vleermuizen: er is nader onderzoek nodig onder het pannendak van 1 van de 2 woningen en in de boomholtes. Hermelijn, wezel en bunzing: verblijfplaatsen en nesten. Er is nader onderzoek nodig. Noordse woelmuis en waterspitsmuis. Er is nader onderzoek nodig. Buizerd, boomvalk en havik: nesten. Dit onderzoek is alleen benodigd indien er niet voldaan kan worden aan de maatregelen. Deze maatregelen betreffen het intact laten van de bomen waar deze soorten mogelijk kunnen verblijven en het uitvoeren van de werkzaamheden buiten de broedperiode. Aan beide maatregelen wordt voldaan. Er worden geen bomen gekapt ten gevolge van het bouwplan en de werkzaamheden worden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Mochten er wel werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd dan wordt eerst nader onderzoek gedaan of er nesten van deze beschermde soorten in de bomen aanwezig zijn. Grote vos: overwinteringsbiotoop. De geschikte winterverblijfplaatsen moeten worden onderzocht (houten bebouwing en eventueel boomholtes).

Winterverblijfplaatsen in de houtstapels kunnen niet onderzocht worden zonder verstoring te veroorzaken. Hiervoor zijn maatregelen benodigd: 1. Maatregel 1: verwijder de houtstapels buiten de winterrust van grote vos. De winterrust loopt globaal van augustus t/m maart.

Gemeente Amsterdam

blz. 42

2. Maatregel 2: creëer een alternatieve winterrustplaats in de vorm van houtstapels op een andere plaats op het perceel waar geen werkzaamheden plaatsvinden. Deze winterrustplaats dient uiterlijk eind juni gereed te zijn. Aan deze maatregelen gaat voldaan worden. Voor de vogels zonder jaarrond beschermd nest dient buiten het broedseizoen te worden gewerkt. Aan deze maatregel wordt voldaan. Mochten er wel werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaatsvinden dan wordt eerst een broedvogelinspectie uitgevoerd.

Afbeelding kaart met het plangebied, biotopen waar plant- en diersoorten in verwacht worden en relevante waarnemingen. G = grote vos, M = marters: hermelijn, wezel en bunzing, N = Noordse woelmuis, W = waterspitsmuis, R = ringslang, RV = roofvogels, VM = vleermuizen, V = vogels zonder jaarrond beschermd nest *In de bomen kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen en winterverblijfplaatsen van grote vos aanwezig zijn, indien er geschikte openingen zijn De benodigde nadere onderzoeken worden uitgevoerd. In de verdere planvorming worden daarnaast de maatregelen zoals beschreven in het rapport indien nodig uitgevoerd. 5.2.2.1 Nader onderzoek beschermde soorten Habitus heeft ter plaatse van het plangebied een nader onderzoek beschermde soorten verricht. Het rapport is als Bijlage 9 bijgesloten. Op basis van het nadere onderzoek is geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling naar verwachting in strijd met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming omdat de bestemmingsplan_9e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 43

boommarter en de hermelijn aanwezig zijn in het gebied. Er is namelijk één verblijfplaats van de boommarter in het plangebied. Daarnaast is er essentieel leefgebied aangetroffen van boommarter en hermelijn. De aangetroffen verblijfplaats en het aangetroffen leefgebied zal vernietigd worden door uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden. Dit betreft een overtreding van Artikel 3.10, lid 1b, van de Wet natuurbescherming voor de boommarter en hermelijn. Daarnaast is bij de werkzaamheden kans op het doden van de boommarter en hermelijn. Dit betekent een overtreding van Artikel 3.1, lid 1a, van de Wet natuurbescherming voor de boommarter en hermelijn. Het doden van de boommarter en hermelijn zal te allen tijde voorkomen moeten worden door het nemen van maatregelen. Vervolgtraject Tijdens het onderzoek is aangetoond dat er beschermde soorten aanwezig zijn en een wetsovertreding te verwachten is. De ontwikkeling kan nog steeds doorgang vinden als een ontheffing verkregen wordt. Maatregelen In het plangebied is essentieel leefgebied met verblijfplaatsen aanwezig van één boommarter en één hermelijn.

Indien de werkzaamheden doorgang vinden en er een ontheffing wordt aangevraagd, dienen de volgende maatregelen genomen te worden om overtreding van de Wet natuurbescherming voor de boommarter en hermelijn te voorkomen, dan wel om de schadelijke effecten van de werkzaamheden te compenseren en/of mitigeren: realiseer voldoende alternatief leefgebied met verblijfplaatsen, voor een duurzaam voortbestaan van de lokale marterpopulatie; maak het leefgebied met de verblijfplaatsen dat verwijderd moet worden ongeschikt voordat de werkzaamheden plaatsvinden; start met de werkzaamheden buiten de gevoelige periode van de hermelijn (half maart tot eind augustus) en de boommarter (begin april tot eind juli).

5.2.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming. Hiervoor wordt dan ook ontheffing aangevraagd bij het bevoegde gezag. Voor het onderdeel gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming is nader onderzoek gedaan naar de stikstof en is een onderbouwing NNN opgesteld. Uit het onderzoek stikstof volgt dat geen belemmeringen optreden. De provincie Noord-Holland heeft geen bezwaren voor de wijziging van de begrenzing van de NNN.

5.3

Hoofdgroenstructuur: TAC advies

5.3.1

Toetsingskader

Structuurvisie Op 17 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Amsterdam de Structuurvisie Amsterdam 2040 vastgesteld. In de structuurvisie is de benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam minimaal wil borgen, vastgelegd als de Hoofdgroenstructuur. Het groen in en om de stad draagt immers in hoge mate bij aan de kwaliteit van de Amsterdamse woon- en werkomgeving. Het is één van de redenen waarom Amsterdam populair is als vestigingsplaats.

Gemeente Amsterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11673784/1