CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 07 Zuidas en Marineterrein (19) 7. Zuidas-Vivaldi kavel 13, kavel voorma

RAAD 27 mei 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi kavel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening. VN2021-01016535.813 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

De maatregelen kunnen variëren van technische aanpassingen aan het vervoer tot aan aanpassingen aan de infrastructuur, met als ultimum remedium: routering. 9.2.2.1 Besluit externe veiligheid transportroutes De ruimtelijke regels ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De regeling in het Bevt kan samengevat worden als volgt: Binnen de zogenaamde basisnetafstand (waar het PR maximaal 10-6 per jaar mag zijn) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegestaan. Binnen de basisnetafstand mogen in principe geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden toegestaan, tenzij hiervoor zwaarwegende redenen zijn. Bij transportroutes die geen onderdeel uitmaken van het basisnet geldt een grenswaarde van PR 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde PR 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Binnen 200 meter van een transportroute geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht voor het GR, zoals aangegeven in artikel 8 van het Bevt. Binnen het invloedsgebied, maar buiten de 200 meter afstand geldt een lichte verantwoordingsplicht. Hierbij dient het bevoegd gezag alleen in te gaan op de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid. bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 77

Het bevoegd gezag kan ook binnen de 200 meter afstand volstaan met een lichte verantwoording in de volgende gevallen: 1. het GR is niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of 2. het GR in de toekomstige situatie: a. met niet meer dan tien procent toeneemt en b. de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Er geldt tevens een motiveringsplicht als nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten in de aangewezen plasbrandaandachtsgebieden (langs wegen of spoorwegen) of in de aangewezen vrijwaringszones (langs binnenwateren). Dit zijn gebieden die getroffen kunnen worden door een ongeval met brandbare vloeistoffen, zoals benzine. Plasbrandenaandachtsgebied In de plasbrandaandachtsgebieden (PAG) gelden naast de hierboven genoemde motiveringsplicht, aanvullende bouweisen ten aanzien van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten op grond van het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012 om personen te beschermen tegen gevolgen van ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Plasbrandaandachtsgebieden zijn in het Bevt aangewezen als gebieden waar bij het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. 9.2.3

Buisleidingen

Op buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het PR. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedgebied toelaat, dient tevens het GR te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied (dit is het gebied waarbinnen de mate van waarschijnlijkheid van een fatale afloop voor personen bij een ongeval 100% is); bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is; het GR is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde; de toename van het GR bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.

Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteit en werking van de buisleiding kunnen verhinderen. Binnen het plangebied of in de nabijheid daarvan liggen geen buisleidingen.

Gemeente Amsterdam

blz. 78

9.3

Beleid

9.3.1

Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam 2012

Om als Amsterdam eenduidig met externe veiligheidsrisico's om te kunnen gaan, moet duidelijk zijn met welke risico's van gevaarlijke stoffen rekening moet worden gehouden, hoe (groeps)risico's als gevolg van gevaarlijke stoffen worden meegewogen in de besluitvorming en welke maatregelen kunnen worden getroffen om deze risico's te beperken. Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid (5 juni 2012) Amsterdam biedt hiervoor een handreiking zodat besluitvorming omtrent en verantwoording van externe veiligheidsrisico's inzichtelijker en makkelijker wordt. Het beleid schept een beeld van aanwezige risico's als gevolg van gevaarlijke stoffen, waar deze zich bevinden en welke acties er worden genomen om deze risico's te beperken. Voor de A10 Zuid geldt dat het GR de oriëntatiewaarde overschrijdt. Met het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) is overeenstemming bereikt over het reduceren van risico's langs de A10 Zuid. De aanleg van de Westrandweg is hier een voorbeeld van. De Westrandweg biedt de mogelijkheid om de A10 Zuid te ontlasten. Na realisatie van het project Zuidasdok loopt de A10 ter hoogte van Zuidas deels ondergronds in een tunnel met categorie C. Het vervoer van gassen (stofcategorie GF3, zoals LGP) mag dan geen gebruik meer maken van de A10 Zuid en vervoer van dergelijke stoffen zal dan niet meer plaatsvinden.

De meest logische route voor het vervoer van GF3 zal dan via de A9 langs Amstelveen zijn. In het project Schiphol Amsterdam-Almere wordt hierin voorzien. Het wijzigingstracébesluit A9 Badhoevedorp-Holendrecht voorziet in een verdiepte ligging ter hoogte van Amstelveen. Er worden geen beperkingen aan de A9 gesteld, zodat vervoer van gevaarlijke stoffen hierlangs kan plaatsvinden. Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam hanteert de lijn waarbij voor nieuwe situaties met overschrijding van de oriëntatiewaarde van het GR als specifieke beslispunten worden voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid worden vooralsnog door de gemeente Amsterdam verantwoord geacht omdat met het ministerie van I&M maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico's.

9.4

Resultaten onderzoeken

9.4.1

Zuidasbrede inventarisatie

Er heeft in 2010 een Zuidasbrede inventarisatie plaatsgevonden van de toename van het groepsrisico (GR) als gevolg van de Zuidasontwikkeling en de mogelijke maatregelen (Externe veiligheid op de Zuidas, 11 januari 2010, zie bijlage 9). Voorts is in het kader van het vastgestelde bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi in 2015 nog advies afgegeven (bijlage 10). Het projectgebied van Zuidas ligt binnen het externe veiligheid-invloedgebied van de A10 zuid waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Om deze reden moet een verantwoording van het GR worden opgesteld voor de bestemmingsplannen van de deelgebieden. De verschillende onderdelen van de Zuidasbrede inventarisatie kunnen hiervoor gebruikt worden. Het is opgesteld voor de volgende deelgebieden: Amsterdam RAI, Frederik Roeskestraat, Gershwin, Ravel, Strawinsky, Vivaldi, Kenniskwartier en Beethoven. Zelfs bij een maximale benutting van de gebruiksruimte in 2020 is er geen plaatsgebonden 10-6 contour aanwezig. Langs de A10 zuid is daarom geen plaatsgebonden 10-6 contour berekend als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen legt daarmee geen ruimtelijke bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 79

belemmeringen op aan de ontwikkeling van de deelgebieden. De realisatie van de programma's van de deelgebieden leidt wel tot een toename van het GR en tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde ter hoogte van verschillende projecten. Om deze reden zijn richtlijnen opgesteld voor de verantwoording van het GR. Daarbij zijn maatregelen voorgesteld ter beperking van de risico's en is gekeken naar mogelijkheden voor zelfredzaamheid en hulpverlening (in paragraaf 9.5) wordt nader op de planspecifieke maatregelen ingegaan. In de Zuidasbrede inventarisatie is tot slot een aantal aandachtspunten opgenomen in het kader van externe veiligheid. Het is van belang om deze punten op te nemen in de verantwoording van het GR voor het betreffende project. Samengevat zijn dit: de realisatie van project Zuidasdok zorgt dat de tunnel van de A10 Zuid ingedeeld wordt als categorie C, zodat het vervoer van GF3 (waaronder LPG) niet meer over de A10 Zuid zal plaatsvinden; de aanbeveling om de vluchtroutes van gebouwen haaks op de A10 zuid te oriënteren; de toetsing op de bereikbaarheid; de algemene bluswatervoorziening; de afstemming tussen ontwerpers en brandweer met betrekking tot de bluswatervoorziening in de gebouwen. 9.4.2

Projectspecifiek onderzoek

In aanvulling op de Zuidasbrede inventarisatie uit 2010 en het onderzoek externe veiligheid uit 2015 heeft tevens onderzoek plaatsgevonden naar de effecten vanwege het voorliggend plan (bijlage 11) in april 2020. A10-Zuid Plaatsgebonden risico In bijlage 1 van de regeling Basisnet zijn voor wegen behorende tot het Basisnet afstanden vastgelegd voor de zogeheten veiligheidszone (de 10-6 plaatsgebonden risicocontour). Voor wegvak N12 is de afstand '0' vermeld. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden van de weg niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling van Vivaldi. Groepsrisico Het groepsrisico is berekend voor de huidige en toekomstige situatie. Figuur 4 toont het groepsrisico van de kilometer met het hoogste groepsrisico. De ligging van dit kilometervak wordt getoond in figuur 5 voor de toekomstige situatie. Door de nieuwe bestemmingsplannen binnen Vivaldi neemt het groepsrisico toe.

Gemeente Amsterdam

blz. 80

Figuur 13: Kilometer met het hoogste groepsrisico A10-Zuid, huidige (zwart) en toekomstige (rood) situatie Na realisatie van het project Zuidasdok waarbij een deel van de A10 als categorie C-tunnel wordt uitgevoerd, neemt het groepsrisico af tot 0.02 keer de oriëntatiewaarde. Dit komt enerzijds doordat er in deze situatie geen transport van GF3 plaatsvindt over de A10-Zuid en anderzijds door de afschermende werking van de tunnel.

Figuur 14: Groepsrisico A10-Zuid na realisatie Zuidasdok, blauw = toekomstige bebouwing en Zuidasdok Plasbrandaandachtsgebied In het Bevt en in het eindrapport basisnet weg is voor rijksinfrastructuur het plasbrandaandachtsgebied (PAG) geïntroduceerd. Het PAG is het gebied tot 30 m van de weg waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook. In de Regeling basisnet is voor de A10-Zuid een PAG voorgeschreven. bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 81

Het PAG is het gebied tot 30 m van de weg waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook. In de Regeling basisnet is voor de A10-Zuid een PAG voorgeschreven. De objecten die deel uitmaken van voorliggend bestemmingsplan liggen op een afstand groter dan 30 m en dus buiten het PAG.

9.5

Verantwoording

9.5.1

De verantwoordingsplicht

De verantwoordingsplicht bestaat uit de volgende stappen: vaststellen van de risico's van de huidige situatie; vaststellen van de risico's na realisatie van de nieuwe plannen; maatregelen ter beperking van de risico's; mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid. Hieronder wordt ingegaan op de mogelijk te nemen maatregelen. Het gaat daarbij om bronmaatregelen, effectmaatregelen en maatregelen voor zelfredzaamheid. Ook wordt ingegaan op de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid. Tevens zal daarbij het advies van de regionale brandweer aan de orde komen. 9.5.2

Bronmaatregelen

Routering vervoer van gevaarlijke stoffen Het in gebruik stellen van de Westrandweg heeft geleid tot vermindering van het aantal transporten met brandbaar gas over de A10 zuid waarmee het groepsrisico (GR) aanzienlijk daalt. De vervoerders gebruiken de Westrandweg en A9 als voorkeursroute naar het zuiden en het oosten. Hier mag echter volgens de regelgeving (nog) niet mee worden gerekend. Ontwikkeling Zuidasdok Ten tijde van het opstellen van deze verantwoording is het Tracébesluit Zuidasdok getekend. In het Tracébesluit staat vermeld dat de tunnel voor wat betreft de toegankelijkheid voor vervoer van gevaarlijke stoffen wordt ingedeeld in categorie C. Voor categorie C is vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen niet toegestaan. Dit betekent dat onder andere LPG niet mag worden vervoerd door de tunnel, met als gevolg dat het GR afneemt. Vervoer van benzine en diesel is wel toegestaan. 9.5.3

Effectmaatregelen

Effectgerichte maatregelen zijn voornamelijk bouwkundig van aard. Deze maatregelen zijn gericht op het reduceren van het aantal gewonden als gevolg van brand of explosies. In hoofdstuk 6 van de Zuidasbrede inventarisatie zijn ter beperking van een plasbrand en voor het vrijkomen van toxische dampen bouwkundige maatregelen voorgesteld. De aanleg van geluidschermen kan, afhankelijk van het soort, bijvoorbeeld de uitstroming van een plas brandbare vloeistoffen beperken. Een eventuele andere bouwkundige maatregel is dat geprojecteerde gebouwen op meer dan 30 meter van de weg worden geplaatst (buiten het invloedgebied van een plasbrand), gemeten vanaf de rand van de linker- of rechterrijstrook. In voorliggend bestemmingsplan zijn geen gebouwen binnen 30 meter van het PAG geprojecteerd.

Gemeente Amsterdam

blz. 82

9.5.4

Maatregelen voor zelfredzaamheid

Met betrekking tot zelfredzaamheid wordt gekeken naar de zelfredzaamheid van mensen en de mogelijkheden om te kunnen vluchten. De mate van zelfredzaamheid wordt bepaald aan de hand van de mate waarin mensen zelfstandig kunnen besluiten te vluchten en tevens in staat zijn te vluchten. Kinderen, ouderen en minder validen zijn voorbeelden van verminderd zelfredzame mensen. Organisatorische maatregelen zijn van belang om adequaat op te treden bij calamiteiten. Onderliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe functies mogelijk specifiek voor mensen met beperkte zelfredzaamheid. Voldoende bedrijfshulpverleners In de kantoren en voorzieningen dienen voldoende bedrijfshulpverleners aanwezig te zijn met voldoende bijgehouden kennis om in het geval van een calamiteit adequaat te kunnen optreden. Deze gebouwen kunnen dan snel en onafhankelijk van de hulpdiensten geëvacueerd worden. Het opstellen van noodplannen waarin scenario's met gevaarlijke stoffen zijn opgenomen zijn hierbij belangrijk. Gebouwuitgangen haaks op de risicobron De mogelijkheden om een pand te verlaten zijn ook van belang in het kader van zelfredzaamheid. Voorgesteld wordt dat aanwezigen het gebouw en vervolgens het gebied in tegengestelde richting van de A10 kunnen ontvluchten.

Gebiedsontsluiting In de Zuidasbrede inventarisatie is verder per deelgebied de ontsluiting beschreven van het langzaam en het gemotoriseerd verkeer. Voor de zelfredzaamheid is het van belang dat aanwezigen het gebied via een andere route kunnen ontvluchten dan de aanrijdroute van de hulpdiensten. Bij project Vivaldi vormt de ontsluiting van het plangebied geen nader aandachtspunt. 9.5.5

Hulpverlening

Voor de hulpverlening wordt gekeken naar: de bereikbaarheid van het gebied; de aanwezige bluswatervoorzieningen; de capaciteit om het maatgevende scenario aan te kunnen. Deze onderdelen zijn in de Zuidasbrede inventarisatie nader toegelicht. Bereikbaarheid Bij de mogelijkheden voor zelfredzaamheid is al stilgestaan bij de ontsluiting. Het is aan te bevelen dat een plangebied via twee routes bereikbaar is voor motorvoertuigen. Eén ingang voor de hulpdiensten om het gebied te bereiken en één uitgang voor de vluchtenden om het gebied te verlaten. Bluswatervoorziening In hoofdstuk 6 van de Zuidasbrede inventarisatie wordt kort ingegaan op de inzet van bluswater bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Uit de notitie van de gemeente Amsterdam (Bluswatervoorzieningen in de Zuidas, februari 2008) blijkt dat de aanwezigheid van voldoende bluswater een aandachtspunt is voor ontwikkeling van de Zuidas. Naast de algemene bluswatervoorziening op de Zuidas, moeten ook de individuele gebouwen beschikken over voldoende blusvoorzieningen. Hiertoe moet overleg plaatsvinden tussen de ontwerpers en de brandweer. Er is overleg met de brandweer over de ontwikkelingen aan de Zuidas waar dit plan onderdeel van is.

bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 83

Hulpverleningscapaciteit Het aantal mogelijke slachtoffers (gewonden) bepaalt of de brandweer en de geneeskundige hulpverlening in geval van het maatgevende scenario de hulpvraag aankunnen. Opschaling vindt plaats wanneer dit noodzakelijk geacht wordt. De brandweer en de geneeskundige hulpverlening kunnen in de huidige situatie aan maximaal 200 – 250 slachtoffers hulp bieden in een bepaald gebied. Door de Zuidasontwikkeling neemt de hulpvraag bij incidenten toe. Hiermee stijgt ook de kans dat de hulpvraag bij een ongeval met gevaarlijke stoffen het hulpaanbod overschrijdt. 9.5.6

Advies Regionale Brandweer

De brandweer heeft op 3 juli 2020 advies uitgebracht met betrekking tot de ontwikkelingen die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt (bijlage 12) . Hieruit komt naar voren dat de aandachtspunten uit de zuidasbrede inventarisatie en het advies dat in 2015 is gegeven (bijlage 13) op het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi nog steeds van toepassing is. De daarin opgenomen aandachtspunten zijn nog steeds actueel. Bespreking van deze aandachtspunten heeft in § 9.5 uitgebreid plaatsgevonden en die gelden onverkort voor de plannen die mogelijk worden gemaakt met dit bestemmingsplan. 9.5.7

Overwegingen

In de huidige situatie wordt de oriëntatiewaarde van het GR overschreden. Als gevolg van dit bestemmingsplan neemt het GR nader toe. Het feitelijke GR zal, mede door de ontwikkeling van Zuidasdok, in de nabije toekomst beduidend onder het berekende GR liggen. De ontwikkeling van kavels langs de A10, als onderdeel van Zuidas, is voor de gemeente Amsterdam een belangrijke ruimtelijke ontwikkeling. De ontwikkeling waarin voorliggend bestemmingsplan voorziet maakt daarvan onderdeel uit. De ontwikkeling van Zuidas sluit aan bij de gedachte over een duurzame stad waarbij intensief en efficiënt gebruik wordt gemaakt van de schaarse ruimte.

9.6

Conclusie

Het te ontwikkelen programma in Vivaldi en het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A10 zuid leidt tot een toename van het groepsrisico tot ruim over de oriëntatiewaarde. Om deze reden zijn de stappen van de Verantwoordingsplicht doorlopen. De aspecten zoals beschreven in de vorige paragrafen zijn hierbij betrokken. De ontsluiting van het plangebied en de ligging van de entrees van de gebouwen bieden voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bereikbaarheid voor de hulpverlening. Wel is in de planregels de mogelijkheid opgenomen dat, indien advisering van de Regionale Brandweer daartoe aanleiding geeft en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, nadere eisen kunnen worden gesteld aan bouwplannen met betrekking tot de situering van vluchtwegen van de te vestigen bestemmingen ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van de bouwwerken.

Gemeente Amsterdam

blz. 84

bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 85

Hoofdstuk 10 10.1

Bodem

Algemeen

Bij het toekennen van gevoelige bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijk ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. Het bestemmingsplan maakt voor een deel nieuw gebruik mogelijk. Voor kavel 13 is in het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi reeds ingegaan op bodemgerelateerde aspecten en wordt verwezen naar wat daar is opgenomen. Op de voormalig Drentestaete kavel wordt in de eerste fase wel een geheel nieuw gebouw gerealiseerd met een kantoor- en voorzieningenprogramma. Hierna zal worden ingegaan op de bodemgerelateerde aspecten voor het plangebied.

Bij eventuele toekomstige uitbreidingen of herontwikkelingen van bestaande functies zal bij de aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek moeten worden overlegd, waaruit blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde doel. De Bouwverordening waarborgt de uitvoering van dat bodemonderzoek op dat moment.

10.2

Regelgeving

10.2.1 Wet bodembescherming De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit en Besluit uniforme saneringen). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: 1. Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht. 2. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land. 10.2.2 Nota Bodembeheer Gemeente Amsterdam Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebied specifieke beleid. Deze normen zijn voor Amsterdam opgenomen in de Nota Bodembeheer die op 19 november 2019 in geactualiseerde vorm door de gemeenteraad is vastgesteld en vervangt de voorgaande Nota uit 2013. De nieuwe Nota bevat naast een actualisatie ook op punten een aanscherping en versoepeling van het beleid.

Daarnaast wordt het beheergebied uitgebreid en worden bodemkwaliteitskaarten van omliggende gemeenten (Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Uithoorn en Ouder-Amstel) geaccepteerd als bewijsmiddel voor de kwaliteit van toe te passen grond. Dit vormt de opmaat naar uniformering van het bodembeleid in het hele werkgebied van de Omgevingsdienst

Gemeente Amsterdam

blz. 86

Noordzeekanaalgebied. Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert. Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Voor elke stof is de gekozen lokale maximale waarde afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebied specifieke kader kan een op de functie gerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is. Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico's en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders. Bodemkwaliteitskaart Amsterdam Voor de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam zijn 7 zones gedefinieerd op basis van bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Elke bodemkwaliteitszone heeft een bepaalde kwaliteit, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en de kwaliteit van de grond die er op mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie.

Binnen een zone liggen soms meerdere bodemfuncties, die elk een ander beschermingsniveau en dus een eigen Lokale Maximale Waarde vragen. Voor Amsterdam zijn diverse bodemkwaliteitskaarten opgesteld die behoren bij de Nota Bodembeheer. Op één van deze kaarten is het plangebied aangewezen als zone 1 gebied.

bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 87

Uitsnede zonekaart Nota Bodembeheer De bodemkwaliteit in de meeste naoorlogse wijken van Amsterdam (gedefinieerd als zone 1) voldoet aan de Achtergrondwaarde (AW). Deze grond is in principe geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Daarom was het niet nodig om voor zone 1 gebiedsspecifiek beleid te ontwikkelen. In deze zone is de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag voor alle bodemfuncties dan ook Achtergrondwaarde, conform het generieke beleid. Zone 1-grond mag altijd zonder bodemonderzoek, op basis van de bodemkwaliteitskaart worden ontgraven (in principe is een melding op grond van artikel 28 van de Wbb vereist indien meer dan 50 m³ wordt ontgraven) en toegepast (hiervoor is altijd een melding Besluit bodemkwaliteit vereist, ongeacht de hoeveelheid). Grond afkomstig vanuit alle lagen van zone 1 mag vrij worden toegepast in het gehele beheergebied. Grond van buiten de zone mag worden toegepast, mits een partijkeuring of andere milieuhygienische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de achtergrondwaarde. Voordat gebruik kan worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart voor vrijstellingen van de bodemonderzoeksplicht, zoals hierboven omschreven dient een beknopt vooronderzoek te worden verricht (puntbronnencheck).

Indien dit onderzoek geen aanleiding geeft de locatie van herkomst en toepassing als 'verdacht' aan te merken bestaat vrijstelling van bodemonderzoek.

Gemeente Amsterdam

blz. 88

In de Nota bodembeheer is tot doel gesteld de grond in het plangebied schoon te houden en er is voor dit gebied geen gebied specifiek beleid ontwikkeld. Grond die toegepast wordt in dit gebied moet schoon zijn, ongeacht de bodemfunctie.

10.3

Trillingen spoor

Er bestaan geen wettelijke normen voor trillingshinder als gevolg van het treinverkeer over het spoor. In de praktijk wordt veelal aangesloten bij de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen: Deel A, Schade aan gebouwen Deel B, Hinder voor personen in gebouwen Deel C, Storing aan apparatuur In het verleden is ten behoeve van het projectMER Zuidasdok en het bestemmingsplan Zuidasdok uitgebreid onderzoek verricht naar het aspect trillinghinder, met als doel het in beeld brengen van de trillingen veroorzaakt in de gebruiks- en realisatiefase door de treinen en metro's op het spoorgedeelte vanaf knooppunt De Nieuwe Meer tot en met knooppunt Amstel en op het spoorgedeelte te Diemen (Zuidasdok, Deelrapport trillingen spoor Zuidasdok milieueffectrapport, maart 2015). Op dit traject is beschouwd in hoeverre er hinder ontstaat voor personen in de gebouwen langs het spoor, er schade ontstaat aan gebouwen door spoorgebonden trillingen en wanneer van toepassing storing aan apparatuur in de bebouwing langs het spoor. De intensiteit van de trillingen is getoetst aan de SBR-richtlijn deel B Hinder voor personen in gebouwen. Binnen het onderzoeksgebied is bebouwing langs het spoor in deelgebied Vivaldi ook beschouwd.

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat in de bestaande situatie en toekomstige situatie (na realisatie van Zuidasdok) voor bebouwing binnen Zuidas buiten een zone van 40-55 meter langs het spoor binnen geen trillinghinder optreedt. Voorliggend bestemmingsplan maakt twee kantoorgebouwen mogelijk op een afstand van circa 60 meter en 200 meter van het spoor. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aandacht te zijn voor het aspect trillingen. Gelet op het in het verleden verrichte onderzoek is trillinghinder niet te verwachten gelet op de afstanden van gebouwen tot het spoor. Voor het kantoorgebouw dat is geprojecteerd op het voormalig Drentestaete kavel op circa 200 meter van het spoor is trillinghinder, gelet op de onderzoeksresultaten, uit te sluiten. Voor het kantoorgebouw op kavel 13 dat op circa 60 meter van het spoor is gelegen is trillingshinder gelet op de conclusies in het onderzoek niet te verwachten maar zal een nadere eisenregeling worden opgenomen zodat, indien nodig met eventuele aanpassingen in de constructie trillingshinder in zijn geheel kunnen worden voorkomen. Middels een nadere eisenregeling kan dit aspect dan een rol spelen bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Het onderwerp trillingen kan dan in een vroeg stadium van de planontwikkeling worden meegenomen.

10.4

Conclusie

In de toelichting van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' is voor kavel 13 uitgebreid ingegaan op bodemgerelateerde aspecten. Met betrekking tot de bodem zijn er geen nieuwe omstandigheden aanwezig die nopen tot aanvullend onderzoek of een heroverweging. Kortheidshalve wordt verwezen naar hetgeen hierover in het kader van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' is opgenomen en overwogen. Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding aan te nemen dat de bodemkwaliteit gevolgen heeft voor de uitvoering van een van de ontwikkelingen in het voorliggende bestemmingsplan. Geconcludeerd bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 89

kan worden dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor vaststelling en uitvoering van het bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 90

bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 91

Hoofdstuk 11 11.1

Water

Algemeen

Op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding, conform de watertoets. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in een zo vroeg mogelijk stadium in gesprek brengt. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: 1. De verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken. 2. De verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in acht worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur. De waterparagraaf moet inzicht geven in de vertaling van het waterbeleid naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding en wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem.

11.2

Regelgeving

11.2.1 Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en waarborgt de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld, met als resultaat één vergunning; de watervergunning. Watervergunningen kunnen betrekking hebben op bouw- of aanlegwerkzaamheden bij water en dijken, lozen en onttrekken van water, varen, aanmeren, evenementen en plannen ten behoeve van natuur en recreatie alsmede uitbreidingsplannen. Minstens zo belangrijk is dat zoveel mogelijk activiteiten onder algemene regels vallen. In de regel komt

Gemeente Amsterdam

blz. 92

dit neer op een meldingsplicht in plaats van een vergunningprocedure. Niet alles is in algemene regels vast te leggen en voor deze activiteiten in, op, onder of over watersystemen is er de watervergunning. 11.2.2 Waterbesluit In het Waterbesluit zijn de regels gegeven die betrekking hebben op beheer en gebruik van watersystemen die in beheer zijn bij het Rijk. Voor het gebruik maken van een waterstaatswerk (een oppervlaktewaterlichaam, waterkering of kunstwerk zoals een sluis) kan een watervergunning vereist zijn. Voor de waterstaatswerken in beheer bij het Rijk is dat geregeld in het Waterbesluit en de Waterregeling. Voor regionale waterstaatswerken staan de regels in de keur van het waterschap. Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer zijn o.a. het IJsselmeer en daaraan verbonden wateren zoals het Markermeer en het IJmeer, de Rijn en daarmee verbonden wateren zoals het Amsterdam-Rijnkanaal, het Buiten IJ, het Afgesloten IJ en het Noordzeekanaal (zie bijlage II van het Waterbesluit). Ook de zijwateren van deze oppervlaktewateren zijn in principe in beheer bij het Rijk. Andere watergangen zoals het Nieuwe Diep ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal (Boven Diep) en de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen zijn in beheer bij het Rijk.

Voor het maken of behouden van werken, het plaatsen van vaste substanties of voorwerpen en het uitvoeren van werkzaamheden op of in rijkswateren, anders dan in overeenstemming met de functie, is een watervergunning vereist. In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan zijn geen waterstaatswerken aanwezig die in beheer zijn bij het Rijk. 11.2.3 Keur AGV De Waterschapswet zegt in artikel 78 dat het waterschap verordeningen mag opstellen voor de behartiging van aan het waterschap opgedragen taken. In december 2011 is de Keur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) vastgesteld. De Keur van het Hoogheemraadschap AGV is gericht op het beschermen van de wateraanvoer en -afvoer, de bescherming tegen wateroverlast en overstroming en op het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem. In de toelichting bij de Keur is aangegeven dat de aanleg van verhard oppervlak in beginsel leidt tot een grotere belasting van het oppervlaktewatersysteem en/of rioleringssysteem, omdat pieken in de regenafvoer minder worden afgevlakt door infiltratie. Bij nieuwbouw in stedelijk gebied, verdichting in bestaand stedelijk gebied of de aanleg van wegen is sprake van verharding van gebieden waar voorheen water in de bodem kon worden geborgen. De toename van de belasting van het oppervlaktewatersysteem moet daarom worden gecompenseerd door de initiatiefnemer.

Dat betekent dat het watersysteem na de realisering van de verharding niet zwaarder belast mag worden dan voordien. Op grond van artikel 3.13, onder a, van de Keur is het verboden om zonder vergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap in stedelijk gebied meer dan 1.000 m2 verharding aan te brengen of het verhard oppervlak met 1.000 m2 te laten toenemen. Legger De legger is een openbaar register van het Hoogheemraadschap AGV waarin wordt bepaald aan welke eisen (diepte, hoogte, sterkte etc.) de wateren, dijken en kunstwerken moeten voldoen en dient als uitwerking van de Keur. De legger heeft geen invloed op voorliggend bestemmingsplan.

bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 93

11.3

Beleid

11.3.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet en beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Als bijlage bij het Nationaal Waterplan zijn beleidsnota's toegevoegd over waterveiligheid. Deze beleidsnota's vormen een nadere uitwerking en onderbouwing van de keuzes die in de hoofdtekst staan van het Nationaal Waterplan en dienen in samenhang ermee te worden gelezen. Bij de ontwikkeling van locaties in de stad wordt ernaar gestreefd dat de hoeveelheid groen en water per saldo gelijk blijft of toeneemt. Dit moet stedelijk gebied aantrekkelijk en leefbaar maken en houden. 11.3.2 Provinciale Watervisie 2021 In de Watervisie 2021: Buiten de oevers (november 2015) zijn de hoofdlijnen van het provinciale beleid geformuleerd voor het beheer van het Noord-Hollandse watersysteem. Aan de hand van de thema's veilig, schoon en voldoende is beleid vastgesteld voor de lange termijn (2040) en prioriteiten voor de planperiode (2016-2021).

Het Uitvoeringsprogramma 2016-2021 (december 2015) geeft aan wat de concrete maatregelen zijn om de lange termijn doelstellingen te verwezenlijken. Thema Veilig Beperken van slachtoffers en economische schade via preventie en gevolgenbeperking, door: Kaders stellen voor regionale waterkeringen: vastleggen van normen en tracés in de waterverordeningen en bindende afspraken maken met de waterschappen over de termijnen waarbinnen de regionale keringen op orde moeten zijn. Beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit: toetsen op voldoende ruimtelijke inpassing door de waterbeheerder en bevorderen van ruimtelijke kwaliteit via programma's met cofinanciering door regionale partijen. Waterrobuust inrichten bevorderen: via ruimtelijke maatregelen beperken van aantal slachtoffers en beperken van economische schade en een adequate rampenbestrijding bij (dreiging van) een overstroming. Thema Schoon en Voldoende water Het voorkomen van verontreiniging, overlast en tekort, door: Het bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater: bevorderen dat er voldoende goed water is voor verschillende bestemmingen zoals landbouw, natuur en recreatiegebieden. Zorgen voor schoon en voldoende grondwater: duurzaam beheren van grondwatervoorraden voor verschillend gebruik zoals drinkwater, industrie en energievoorziening.

11.3.3 Waterbeheerplan Waterschap Amstel Gooi- en Vechtstreek 2016-2021 Op 8 oktober 2015 heeft het Algemeen Bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AVG) het Waterbeheerplan AGV 2016-2021: Waterbewust en Waterrobuust vastgesteld. Het betreft het tweede waterbeheerplan van het Hoogheemraadschap AGV in de nieuwe zesjarige waterplancyclus van het Rijk, de provincie en het waterschap. Het waterbeheerplan gaat in op de hoofdtaken van het waterschap: veiligheid, voldoende water en schoon water. Ook wordt aandacht gegeven aan de maatschappelijke (neven)taken, te weten nautisch en vaarwegbeheer, recreatief medegebruik, natuurbeheer en cultuurhistorische, landschappelijke en

Gemeente Amsterdam

blz. 94

architectonische waarden. Voor elk van deze thema's is aangegeven wat het wensbeeld is op de middellange termijn, wat de doelen zijn, wat de aanpak op hoofdlijnen is en op welke indicatoren de resultaten van dat taakveld worden beoordeeld. 11.3.4 Gemeentelijk rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen: inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater; inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater; treffen van grondwatermaatregelen in openbaar gebied. In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam (GRA) 2016-2021 staat vermeld hoe deze drie zorgplichten voor de komende jaren door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Het doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam deze watertaken uitvoert en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer is opgenomen. Het GRA 2016-2021 heeft de volgende uitgangspunten: Stedelijk afvalwater zoveel mogelijk scheiding aan de bron van de componenten van stedelijk afvalwater; waar mogelijk decentrale zuivering in plaats van de huidige centrale, zolang dit duidelijk aanwijsbare voordelen biedt.

Hemelwater de perceeleigenaar is in principe zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater op eigen terrein; de verwerking van hemelwater is een inspannings- en geen resultaatverplichting voor de gemeente; uitgangspunt is om verontreinigd hemelwater gescheiden te houden van het overige hemelwater; gebruik heeft de voorkeur boven direct lozen; gemeente houdt bij de inrichting van de openbare ruimte rekening met het tijdelijk opvangen van extreme buien. Grondwater duurzaam functionerend grondwatersysteem om nieuwe hinder voorkomen en bestaande hinder weg te nemen; de perceeleigenaar is in principe zelf verantwoordelijk voor het grondwater op eigen terrein. 11.3.5 Waterbeleid Zuidas In de Visie Zuidas 2016 is uitgebreid aandacht besteed aan het thema water in het hoofdstuk 'Verbonden door groen en water'. Water is een belangrijke voorwaarde voor het stedelijk leven. Door klimaatverandering lopen de temperaturen in de stad op en worden regenbuien extremer. Water heeft een dempende werking op temperaturen in de stad en kan effectief zijn in het (tijdelijk) bergen van regenwater. Bovendien is meer, diverser en goed verbonden water belangrijk voor een divers dier- en plantenleven. De bergingscapaciteit van water is belangrijk. Daarom wordt het water in samenhang ontworpen. Dat geldt voor grondwater, oppervlaktewater en hemelwater in zowel de openbare ruimte als privéruimte.

Bij extreme regenbuien moet Zuidas regenbestendig zijn: het water wordt op de kavels zelf opgevangen en geborgd. Daarnaast maken we een aantal plekken geschikt voor waterberging bij piekbuien. In Kop Zuidas leggen we bijvoorbeeld in de straten een slim systeem aan van waterbergende groenstroken. bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 95

Binnen Zuidas wordt ingezet op een robuuste waterstructuur die de verblijfskwaliteit verhoogt en functioneel is voor het goed afvoeren van regenwater en voor regulering van het grondwater. In ieder geval moet de afvoer van grondwater via het rioolstelsel worden voorkomen. In Zuidas worden bovendien alle plannen op hun bijdrage aan een goed stadsklimaat getoetst. Ontwikkelende partijen en de gemeente moeten hun inzet op het verbeteren van het microklimaat zichtbaar maken, bijvoorbeeld door de aanleg van groene daken of binnentuinen.

11.4

Watertoets

In het kader van bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi is eerder al onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de waterhuishouding voor kavel 13. Gelet op de realisatie van de omringende kavels en de wijzigingen ten opzichte van de watertoets die eerder is uitgevoerd, is de watertoets geactualiseerd en opnieuw doorlopen (bijlage 14). Voor de kavel van NSI is gelet op de reeds aanwezige (ondergrondse) verharding geen nader onderzoek naar de waterhuishouding noodzakelijk gevonden. 11.4.1 Ontwikkeling plangebied In het kader van bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi is een watertoets uitgevoerd, waarin ook kavel 13 is meegenomen. De watertoets is nu opnieuw gedaan. Onder kavel 12 en 14 zijn bij realisatie geen kelders aangelegd. Deze wijzigingen zijn meegenomen en de toets is op dat punt geactualiseerd. In de watertoets die in het kader van voorliggend bestemmingsplan is opgesteld, is onderstaande samenvatting gegeven over de onderwerpen waterkering, hemelwater, oppervlaktewater en grondwater. De ontwikkeling eerste fase van NSI brengt zowel boven als ondergronds geen extra verharding met zich mee en heeft daarom geen directe invloed op de waterhuishouding en behoeft geen nadere onderbouwing op dit onderdeel. 11.4.2 Waterkering Ten noorden van kavel 13 bevindt zich een secundaire directe verholen waterkering. Het kavel bevindt zich niet in de beschermingszone van de waterkering.

Het plangebied ligt binnen dijkring 14. Voor dijkring 14 is, in het kader van de Waterwet, een overstromingsrisico vanuit de rivieren en de zee bepaald van 1/10.000 jaar. In de toekomstige situatie wordt de waterkering enkele meters verplaatst naar de noordzijde van de nieuw aan te leggen tunnel van het Zuidasdok, naar verwachting gebeurt dit in 2024. Dit heeft geen invloed op kavel 13. 11.4.3 Oppervlaktewater Kavel 13 is gelegen in de Binnendijkse Buitenveldertse polder. Het streefpeil is NAP -2,0 meter. In 2017/2018 is de watergang ten noorden van kavel 13 reeds verlegd naar het noorden. In een later stadium wordt deze verder verbreed en de tijdelijke duikers worden verwijderd. Bij de afwerking van de watergang dienen de taluds of kadeconstructies (grond)waterdoorlatend te zijn zodat het oppervlaktewater in contact staat met het grondwater. In de Zuidas wordt gewerkt met de Actuele Waterbalans Zuidas conform het Protocol Waterbalans Zuidas. Kavel 13 dient waterneutraal ontwikkeld te worden. De ontwikkeling van kavel 13 kan daarom in de waterbalans als neutraal worden opgenomen. Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en waterbodem tegen te gaan wordt vanuit de Keur AGV het gebruik van uitlogende materialen tijdens de bouw- en gebruiksfase voorkomen en worden emissies naar het oppervlaktewater van PAK, lood, zink en koper tegengegaan.

Gemeente Amsterdam

blz. 96

Bij het beheer zal ook zo min mogelijk gebruik worden gemaakt van middelen die kunnen leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- of grondwater. 11.4.4 Grondwater De aanleg van kelders op onder andere kavel 13 heeft een negatief effect op de grondwaterstand door de blokkerende werking van grondwaterstroming naar de watergang. Echter indien de verschillende kelders niet geschakeld worden (ruimte voor grondwaterstroming) en het nieuwe maaiveld op NAP -0,55 m wordt aangelegd, voldoet het grondwatersysteem. Op kavel 12 en 14 zijn geen kelders aangelegd en kavel 13 staat niet in verbinding met andere kelders. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van de gemeentelijke ontwateringseis van 0,5 m (kruipruimteloos bouwen) en aan de ontwateringseis voor bomen (0,9 m). 11.4.5 Hemelwater en rainproof Naar verwachting zullen in de toekomst extreme regenbuien door klimaatverandering vaker voorkomen. Amsterdam wil de bestendigheid van de stad op het gebied van hemelwater verder verbeteren, om deze reden is in het GRPA de verplichting opgelegd om gebieden Rainproof in te richten. Het plangebied moet daarom zodanig worden ingericht dat extreme neerslag niet tot overlast zorgt in het plangebied of in de omgeving. Binnen deelgebied Vivaldi zijn geen knelpunten vastgesteld op het gebied van regenbestendigheid (rainproof).

Voor het deelgebied Vivaldi is een rainproofoplossingenkaart opgesteld. Naast kavel 13 ligt een waterbergende straat, hier kan water bijvoorbeeld in groenstroken of tussen de stoepbanden tijdelijk worden geborgen. Tussen kavel 13 en kavel 14 (Van der Valk) is een overloop voorzien richting de watergang. Kavel 13 zelf dient waterneutraal te zijn. Kavels zullen eerder worden opgeleverd dan de buitenruimte en dit is een reden om watervertragende maatregelen op kavelniveau vast te leggen (bijvoorbeeld middels een bouwenvelop). De sterk verharde Zuidas is gevoelig voor hittestress. Op kavelschaal kan hiermee rekening worden gehouden door het toevoegen van groen en het gebruik van lichtgekleurde en niet warmtegeleidende materialen. In de bouwenvelop wordt dit aan de ontwikkelaar meegegeven. In het bestemmingsplan is voorzien in een regeling waarbij een zeker percentage aan dakbegroeiing is vereist wanneer niet is voorzien in zonnepanelen of een dakterras. 11.4.6 WKO's Er zijn in de huidige situatie geen Warmte Koude Opslag systemen (WKO's) aanwezig op kavel 13. WKO's liggen wel aan de westzijde van Vivaldi. Hiervoor is het Masterplan Warmte Koude Opslag Zuidas Ravel-Vivaldi opgesteld. Uit het Masterplan blijkt ruimte te zijn voor de aanleg van een WKO nabij kavel 13.

11.5

Conclusie

Vanuit oogpunt van de verschillende (grond)watergerelateerde aspecten zijn er geen belemmeringen aanwezig die aan uitvoering van voorliggend bestemmingsplan in de weg staan.

bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 97

Hoofdstuk 12 12.1

Natuur en Landschap

Algemeen

Daar waar bestemmingsplannen en inpassingsplannen ruimtelijke ontwikkelingen en projecten mogelijk maken, moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er niet toe leiden dat te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan. Naast de wettelijke regelingen voor gebieds- en soortenbescherming is het van belang te constateren dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke Hoofdgroenstructuur.

In de 'Structuurvisie Amsterdam 2040 - Economisch sterk en duurzaam' (17 februari 2011) is de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam vastgelegd.

12.2

Toetsingskader

Er is één wettelijke regeling van belang, te weten de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) heeft als doel te komen tot één integrale en vereenvoudigde regeling van de natuurbescherming. Hierbij is de Europese regelgeving als uitgangspunt genomen. Wanneer geen specifieke natuurbescherming in de Europese regelgeving is voorzien worden op rijksniveau regels vastgelegd, zodat een consistent, samenhangend en transparant stelsel van regels op het gebied van natuur ontstaat. Gebiedsbescherming In de Wnb zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur (Natura 2000-gebieden). Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied (externe werking) moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Indien het bestemmingsplan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van een Natura 2000-gebied verslechtert of een significant verstorend effect heeft (dit wordt de verslechterings- en verstoringstoets genoemd) dient een vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd. Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura 2000-gebied is gelegen.

Indien het plan mogelijk significante negatieve gevolgen heeft voor deze gebieden dient bovendien een passende beoordeling te worden gemaakt. Significant negatieve gevolgen treden op als de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied worden aangetast. Is dit het geval, dan kan alleen een vergunning worden verkregen indien wordt voldaan aan de zogenaamde ADC-criteria. Dat wil zeggen dat voor het plan geen alternatieven zijn, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar

Gemeente Amsterdam

blz. 98

belang en is voorzien in compenserende maatregelen. Soortenbescherming De Wnb beschermt vele in het wild en van nature in Nederland voorkomende dieren. De wet kent verschillende beschermingsregimes voor diverse soorten. De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde diersoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. Voor van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels geldt dat het verboden is om nesten, rustplaatsen of eieren te vernielen. Ook is het verboden om vogels te verstoren, tenzij de verstoring geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de soort. Voor algemene soorten, geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen of beheer en onderhoud een op grond van de Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb. Voor overige soorten is geen ontheffing nodig indien de Minister van Economische Zaken en Klimaat of de provincie een gedragscode heeft goedgekeurd voor het uitvoeren van de werkzaamheden. De gemeente Amsterdam heeft een gedragscode opgesteld die de minister van (destijds) LNV heeft goedgekeurd.

Hoewel de gedragscode zijn basis vindt in de Flora- en faunawet, die inmiddels is vervallen, is de werking van de gedragscode door de staatssecretaris van Economische Zaken ambtshalve verlengd totdat op de nieuwe gedragscode is beslist. Bij naleving van deze gedragscode geldt dan ook een vrijstelling voor de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Ontheffingen mogen slechts worden verleend wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat, geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan en de ontheffing nodig is met het oog op in de Wnb bepaalde belangen. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wnb aan de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat. Dit zal zich voordoen wanneer de uitvoering van het bestemmingsplan tot ingrepen noodzaakt waarvoor geen vrijstelling geldt of geen ontheffing op grond van de Wnb kan worden verleend. In dat geval is het bestemmingsplan vanwege de Wnb onuitvoerbaar.

12.3

Resultaten onderzoeken

12.3.1 Algemeen Binnen Zuidas heeft een inventarisatie plaatsgevonden om inzichtelijk te maken welke beschermde soorten zich in het gebied (kunnen) bevinden. Deze inventarisatie heeft geleid tot het rapport 'Inventarisatie beschermde soorten Wet natuurbescherming Zuidas-Zuidasdokgebied 2017' en dateert van februari 2018 (bijlage 15). Kort gezegd volgt uit de inventarisatie dat van een aantal soorten uitgesloten kan worden dat zij in het gebied voorkomt. Voor een aantal soorten dient nader onderzoek te worden verricht. Resultaten Roofvogels In 2017 zijn diverse veldverkenningen uitgevoerd. Uit deze verkenningen volgt dat een sperwer in het Beatrixpark in het bosje naar de RAI nog altijd aanwezig is. Deze sperwer is reeds sinds 2013 op deze locatie waargenomen. De boomvalk is in 2017 niet teruggekeerd in één van de populieren in Kenniskwartier Noord. Ook in de, ten behoeve van de ontwikkeling van Kenniskwartier Noord, geplaatste kuntshorsten heeft geen boomvalk gebroed. Tot slot wordt opgemerkt dat een broedpaar slechtvalken op het ABN-AMRO gebouw nog steeds aanwezig is. bestemmingsplan_Zuidas-Vivaldi k avel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 99

Resultaten huismussen Strawinsk y In juni 2017 heeft een verkenning plaatsgevonden bij de gebouwen van Strawinksy naar huismussen. Er zijn geen huismussen waargenomen. Wat overigens niet verwonderlijk is, gelet op de nieuwe gebouwen en de weinig beschikbare, kleine ruimten. Resultaten Vleermuizen In het plangebied Kop Zuidas zijn meerdere gewone dwergvleermuizen waargenomen die tijdens de ochtendschemer naar het noorden vlogen. In het plangebied Beethoven (de zuidrand van het Beatrixpark) zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Wel foerageerden daar veel gewone en ruige dwergvleermuizen boven de waterpartijen. In het najaar van 2017 (september) zijn meer dan honderd laatvliegers, gewone en dwergvleermuizen de ondergang van de Rijksweg A10 bij de Amstel gepaseerd. Naar alle waarschijnlijkheid hebben de vleermuizen hun verblijfplaatsen ten noordwesten van de begraafplaats Zorgvlied en foerageren zij ten zuiden van de Rijksweg A10. Iepenpage Met een mogelijke maar onzeker uitzondering van een waarneming in het Beatrixpark is geen iepenpage waargenomen. 12.3.2 Toetsing Wnb: kavel 13 en NSI eerste fase In opdracht van gemeente Amsterdam heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming voor de ontwikkeling van kavel 13 en de eerste fae van NSI in Vivaldi.

De ontwikkelingen kunnen alleen doorgaan als deze niet in strijd zijn met de bepalingen als opgenomen in de Wnb, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Beide onderzoeken zijn op 2 december 2019 afgerond (bijlagen 16 en 17). De conclusies uit het onderzoek luiden als volgt. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming (vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna). Het is uit te sluiten dat de ontwikkeling negatieve effecten heeft op beschermde Natura 2000-gebieden, NNN-gebieden of beschermde houtopstanden. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? De beoogde ontwikkeling is niet strijdig met de Wnb. Negatieve effecten op beschermde soorten kunnen uitgesloten worden en/of voorkomen worden. Met betrekking tot broedvogels zijn wel maatregelen nodig om negatieve effecten te voorkomen. Het is niet uit te sluiten dat de voorgenomen ontwikkelingen negatieve effecten hebben op in gebruik zijnde nesten van broedvogels. Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig? De werkzaamheden dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen gestart te worden, voor deze locaties zijn de maanden november tot en met februari geschikt om te starten met de werkzaamheden.

Als dat niet kan dan is een broedvogelcontrole nodig om te voorkomen dat in gebruik zijnde nesten van broedvogels worden verstoord of vernietigd tijdens de werkzaamheden. Er dient dan een verstoringsvrije zone rondom het nest te worden aangehouden. De zone moet worden aangehouden tot het broedgeval niet meer aanwezig is. Meestal duurt dit enkele weken tot enkele maanden. Daarna kan ook binnen de verstoringsvrije zone gewerkt worden. Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? Als de werkzaamheden ergens in de periode maart t/m oktober gestart worden, dan is een Gemeente Amsterdam

blz. 100

broedvogelcontrole nodig. Als tijdens de controle blijkt dat in gebruik zijnde nesten van broedvogels aanwezig zijn, dan is een verstoringsvrije zone rondom het nest nodig. Deze zone wordt aangehouden tot het broedgeval niet meer aanwezig is. Meestal duurt dit enkele weken tot enkele maanden. Daarna kan ook binnen de verstoringsvrije zone gewerkt worden. In onderstaande tabel is een samenvatting opgenomen van de toetsing aan de soortenbescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10181741/1