9. Bijlagen bij de Toelichting.pdf
Tekst van het document
Op basis van deze boringen is de verontreiniging bij boringen E01 en E03 in horizontale richting afgeperkt. Plaatselijk (E06, E07, E10) zijn in de bovengrond (0,00,3 m-mv) matig verhoogde gehalten zink en licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, PAK en PCB gemeten. Plaatselijk (E05) zijn in de ondergrond (0,5-1,0 m-mv) matig verhoogde gehalten PAK en licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, zink, PCB en minerale olie gemeten. Deze matig verhoogde gehalten komen overeen met de bodemkwaliteitskaart, de gehalten liggen tussen de P80 en P95 in. Op het overige deel zijn maximaal licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie gemeten. Volgens de ARVO moet “bij een overschrijding van de tussenwaarde het mengmonster worden uitgesplitst als het gaat om een sterke afwijking van de bodemkwaliteit van het gebied of zone.” De matig tot sterk verhoogde gehalten zware metalen en PAK komen overeen met de verwachte bodemkwaliteit van het gebied. Deze monsters zijn daarom niet uitgesplitst.
Stantec | m20a0252.r01.docx 8
De hierboven genoemde verontreinigingen maken deel uit van de in de gehele stedelijke ophooglaag heterogeen voorkomende verontreinigingen en geven dan ook geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Het afperken van sterke verontreinigingen op boorpuntniveau is niet zinvol. PFAS Conform het landelijk tijdelijk handelingskader voor PFAS (bron 19) en het beleid van de gemeente Amsterdam voor PFAS (bron 20) is de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocaties A, B en E verontreinigd met PFAS. De overige (meng)monsters zijn niet verontreinigd met PFAS.
Indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit De analyseresultaten van de geanalyseerd grond(meng)monster(s) zijn voor het bepalen van de hergebruikmogelijkheden indicatief getoetst aan de normwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit behorende bij het Besluit bodemkwaliteit. De in het laboratorium gemeten gehalten zijn hierbij omgerekend naar standaard bodem op basis van de gemeten lutum- en organische stofpercentages. De uitwerking van deze (indicatieve) toetsing is opgenomen in bijlage 3.4. In Tabel 7 wordt een overzicht gegeven van de resultaten van de (indicatieve) toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit conform het generieke beleid (landelijke beleid). Bij gebiedsspecifiek beleid dient te worden getoetst aan het door het bevoegd gezag vastgestelde lokale bodembeleid (bodembeheernota, bodemkwaliteitskaart en bodemfunctiekaart) met lokale maximale waarden en eventueel aanvullende specifieke eisen ten aanzien van grondverzet. Op basis van de indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit kan worden geconcludeerd dat de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie A in kwaliteitsklasse Industrie valt, de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) valt in kwaliteitsklassen Wonen en Achtergrondwaarde.
Op basis van de indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit kan worden geconcludeerd dat de slibhoudende kleigrond ter plaatse van boring B30a (0,7-0,9 m-mv) in kwaliteitsklasse Niet toepasbaar valt. De zandige bodem (0,34-1,0 m-mv) ter plaatse van boringen B11, B18, B24, B26, B29, B33 valt in kwaliteitsklasse Industrie. De overige boven- en ondergrond (0,0-4,0 m-mv) van deellocatie B valt in kwaliteitsklassen Wonen en Achtergrondwaarde. Op basis van de indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit kan worden geconcludeerd dat de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie C voornamelijk in kwaliteitsklassen Industrie en Wonen valt. De ondiepe ondergrond (0,5-2,0 m-mv) valt in kwaliteitsklasse Industrie, Wonen en Achtergrondwaarde. De diepere ondergrond (2,0-5,5 m-mv) valt voornamelijk in kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde, plaatselijk (C02, C03, C04, C05, C07, C09, C11, C12) voldoet de diepere ondergrond (2,0-4,5 m-mv) bestaande uit een veenlaag aan kwaliteitsklasse Industrie of Wonen. Op basis van de indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit kan worden geconcludeerd dat de boven- en ondergrond (0,0-1,0 m-mv) ter plaatse van deellocatie D voornamelijk in klasse Industrie valt. Er is geen onderscheid te maken tussen de bodem in de puinheuvels (proefsleuven) en het oorspronkelijke maaiveld (proefgaten).
Op basis van de indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit kan worden geconcludeerd dat de bovengrond (0,08-0,5 m-mv) ter plaatse van boringen E01 en E03 en de ondergrond (0,5-1,0 m-mv) ter plaatse van boring E05 Niet toepasbaar is.
Stantec | m20a0252.r01.docx 9
De overige boven- en ondergrond (0,0-0,8 m-mv) valt voornamelijk in kwaliteitsklasse Industrie. Een deel van de boven- en ondergrond (0,0-1,0 m-mv) valt in kwaliteitsklassen Wonen en Achtergrondwaarde. PFAS Conform het landelijk tijdelijk handelingskader voor PFAS valt de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie A in kwaliteitsklasse Niet toepasbaar. De bovengrond (0,0-0,7 m-mv) met bijmenging ter plaatse van deellocatie B en de kleiige bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie E vallen in kwaliteitsklasse Wonen of Industrie. De overige (meng)monsters vallen in kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Conform het beleid van de gemeente Amsterdam voor PFAS valt de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie A in kwaliteitsklasse Industrie. De bovengrond (0,0-0,7 m-mv) met bijmenging ter plaatse van deellocatie B en de kleiige bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie E vallen in kwaliteitsklasse Toepasbaar. De overige (meng)monsters vallen in kwaliteitsklasse Vrij toepasbaar. Voor een definitieve vaststelling van de bodemkwaliteitsklasse is in veel gevallen een partijkeuring conform AP04 vereist. Een dergelijke keuring onderscheidt zich van het onderhavige onderzoek door een intensievere bemonstering, een aangepaste monstervoorbehandeling in het laboratorium, zowel monstername als analyse in duplo en in enkele gevallen uitloogonderzoek.
Veiligheidskundige aspecten (voorlopige Arbo veiligheidsklassen) Met behulp van de berekeningsmodule van CROW-publicatie 400 (bron 16 en 21) zijn de gehalten van de meest verontreinigde monsters getoetst aan de betreffende veiligheidseisen. Hieruit volgt dat op basis van de CROW 400 (zie Tabel 7) veiligheidsklasse Basishygiëne geldt voor werkzaamheden in de bodem. De gemeten gehalten PFAS zijn dermate laag dat deze niet van invloed zijn op de veiligheidsklasse. Op basis van deze veiligheidsklasse dienen de juiste aanvullende maatregelen genomen te worden gedurende werkzaamheden in de grond. Voor de bijbehorende veiligheidsvoorzieningen, metingen en maatregelen wordt verwezen naar de betreffende publicaties van het CROW.
Algemene kwaliteit grondwater Ter plaatse van deellocatie A, B en C zijn conform de ARVO 15 peilbuizen geplaatst. In tabel 9 zijn de verhoogde concentraties weergegeven.
Stantec | m20a0252.r01.docx 10
Tabel 9: Verhoogde concentraties in het grondwater (ARVO-parameters grondwater) Peilbuis
Filter (cm-mv)
Concentratie
Concentratie
Concentratie
>S
>T
>I
A08
150-250
barium
-
-
B19a-2
200-300
barium, chroom
-
-
B30a
150-250
-
-
-
C01
230-330
-
-
-
C02
200-300
barium
-
-
C03
200-300
barium
-
-
C04
200-300
barium
-
-
C05
200-300
barium
-
-
C06
200-300
barium
-
-
C07
200-300
barium
-
-
C08
200-300
-
-
-
C09
200-300
-
-
-
C10
200-300
barium, chroom
-
-
C11
200-300
-
-
-
C12
200-300
barium, chroom
-
-
Uit de analyseresultaten blijkt dat in het grondwater licht verhoogde concentraties barium en chroom zijn gemeten. De herkomst van de verontreiniging hangt vermoedelijk samen met de natuurlijke achtergrondwaarden. Een verhoogde troebelheid (> 10 NTU) kan invloed hebben op het meetresultaat. Bij een te hoge troebelheid kan een overschatting van het meetresultaat voor organische verbindingen (minerale olie, vluchtige (aromatische en gechloreerde) koolwaterstoffen, PAK en PCB) plaatsvinden. Er kan daardoor ten onrechte vastgesteld worden dat sprake is van een grondwaterverontreiniging. In het grondwater afkomstig uit alle peilbuizen is een NTU > 10 aangetoond. Uit de analyseresultaten blijkt dat er geen van de organische verbindingen in concentraties groter dan de streefwaarde(n) zijn aangetoond. De verhoogde troebelheid heeft geen invloed op de eindconclusie. In aanvulling op het ARVO-grondwaterpakket zijn tevens de lozingsparameters bepaald voor peilbuizen B19a-2, B30a, C05, C07, C10 en C12. In tabel 10 is een overzicht van de gemeten waarden weergegeven, samen met de lozingsnormen voor het oppervlaktewater (Waternet) en het vuilwaterriool (Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied).
Stantec | m20a0252.r01.docx 11
Tabel 10: Lozen van grondwater bij ontwatering (art. 3.2 Besluit lozen buiten inrichtingen) Normen
Peilbuizen
Stoffen onopgeloste bestanddelen ijzer totaal Extra eisen bevoegd gezag
Oppervlaktewater
Hemelwaterriool
Vuilwaterriool
B19a -2
B30a
C05
C07
C10
C12
50 mg/l
50 mg/l
300 mg/l
170 mg/l
310 mg/l
20 mg/l
82 mg/l
200 mg/l
150 mg/l
-
5 mg/l
-
28 mg/l
0,18 mg/l
1,7 mg/l
14 mg/l
3,4 mg/l
4,2 mg/l
Waternet
OD NZKG
OD NZKG
BTEX
A
-
50 µg/l
50 µg/l
<
<
<
<
<
<
VOHV*
A
-
20 µg/l
20 µg/l
<
<
<
<
<
<
minerale olie
A
-
500 µg/l
500 µg/l
<
<
<
<
<
<
cadmium
A
-
4 µg/l
4 µg/l
<
<
<
<
<
<
kwik
A
-
1 µg/l
1 µg/l
<
<
<
<
<
<
koper
A
-
11 µg/l
11 µg/l
<
<
<
<
<
<
nikkel
A
-
41 µg/l
41 µg/l
<
<
<
<
<
<
lood
A
-
53 µg/l
53 µg/l
<
<
<
<
<
<
zink
A
-
120 µg/l
120 µg/l
<
<
<
<
<
<
A chroom 24 µg/l 24 µg/l * vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor A aanwezig in NEN/ARVO grondwaterpakket < niet boven limiet OD NZKG gedetecteerd
<
<
<
<
<
<
Uit de analyseresultaten blijkt dat de gemeten concentraties de gestelde norm van Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) op het hemelwaterriool voor ijzer totaal in peilbuizen B19a-2 en C07 overschreden worden. Uit de analyseresultaten blijkt dat de gemeten concentraties de gestelde normen van zowel de OD NZKG als Waternet op het oppervlaktewater en hemelwaterriool voor onopgeloste bestanddelen in peilbuizen B19a-2, B30a, C07, C10 en C12 overschreden wordt. De gestelde norm van de OD NZKG op het vuilwaterriool voor onopgeloste bestanddelen wordt tevens overschreven in peilbuis B30a. Uit de analyseresultaten blijkt dat de gemeten concentraties de gestelde normen van zowel de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) als Waternet voor BTEX, VOHV en zware metalen niet overschrijden.
Stantec | m20a0252.r01.docx 12
Het grondwater mag niet (in)direct) op het oppervlaktewater, hemelwaterriool of vuilwaterriool worden geloosd. Afhankelijk van de wijze van lozing kan bij de uitvoering een standaard zand/slibvang of vergelijkbare zuivering worden gebruikt die onopgeloste bestanddelen afvangt.
4.3
WATERBODEM
In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de toetsingsresultaten. Tabel 11: Samenvatting toetsingsresultaten Waterbodem
Monster (cm-mv)
Toepassen op Landbodem (T1)**
A-WB-MM-01 (0,51,45)1,2 A-WB-MM-02 (1,251,75)2
Niet toepasbaar (minerale olie) Klasse industrie (minerale olie) Altijd toepasbaar
A-WB-MM-03 (0,61,95)3 * **
***
* A/B/AW
1
2 3
Toepassen onder water (T3)***
Verspreiden op aangrenzend perceel (T5)
Toepassen in zoet Veiligheidsoppervlaktewater klasse (T6)*** (CROW 400)
Klasse B (zink)
Niet verspreidbaar
Niet verspreidbaar (zink)
Klasse A (nikkel, minerale olie)
Verspreidbaar
Verspreidbaar
Altijd toepasbaar
Verspreidbaar
Verspreidbaar
Basishygiëne Basishygiëne Basishygiëne
Betreft een overschrijding van de interventiewaarde, zoals opgenomen in tabel 2 van bijlage B uit de Regeling bodemkwaliteit. Voor het toepassen van baggerspecie op landbodem geldt altijd een dubbele toets: aan de ontvangende bodemkwaliteit en aan de bodemfunctieklasse van de locatie waar wordt toegepast die beiden niet in een minder verontreinigde klasse mogen zijn ingedeeld. Het toepassen van meer dan 50 m3 moet gemeld worden bij het bevoegd gezag. De ontvangende waterbodem mag niet in een minder verontreinigde klasse zijn ingedeeld dan de toe te passen baggerspecie; indien baggerspecie voldoet aan klasse A is het materiaal tevens vrij verspreidbaar in zoet oppervlaktewater Het generieke kader wordt begrensd door de achtergrondwaarde en de interventiewaarde waterbodem. Beneden de achtergrondwaarde mag grond en bagger vrij worden verspreid. Boven de Interventiewaarde mag nooit baggerspecie toegepast worden. Tussen de Achtergrondwaarde en Interventiewaarde mag grond of bagger toegepast worden als de bodemkwaliteit niet verslechterd (stand still). Hiervoor zijn 2 klassen geformuleerd (A en B). Een bepaalde klasse mag toegepast worden op dezelfde of minder schone klasse ontvangende waterbodem. De rapportagegrens van PCB 28 is verhoogd in verband met het lage gehalte aan droge stof. Gezien de resultaten wordt geen invloed verwacht op het gerapporteerde resultaat.
Er zijn componenten na C40 aangetroffen, Deze zijn niet van invloed op het gerapporteerde resultaat. Er zijn componenten PAK aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot. Gezien de resultaten wordt geen invloed verwacht op het gerapporteerde resultaat.
In geval van afvoer is de sliblaag niet toepasbaar op landbodem op basis van het verhoogde gehalte minerale olie. De sliblaag voldoet aan klasse B voor toepassing onder water en is niet verspreidbaar op een aangrenzend perceel of in zoet oppervlaktewater. De vaste waterbodem (klei) is toepasbaar op landbodem als klasse Industrie. De vaste waterbodem (klei) voldoet aan klasse A voor toepassing onder water en is verspreidbaar op aangrenzend perceel en in zoet oppervlaktewater.
Stantec | m20a0252.r01.docx 13
De vaste waterbodem (veen) is vrij toepasbaar op landbodem. De vaste waterbodem (veen) is vrij toepasbaar voor toepassing onder water en is verspreidbaar op aangrenzend perceel en in zoet oppervlaktewater. Op basis van de CROW 400 is de geldende veiligheidsklasse voor de sliblaag en de vaste waterbodem (klei en veen) Basishygiëne.
PFAS in waterbodem In onderstaande tabel is een samenvatting van de toetsingsresultaten voor PFAS weergegeven. De analysecertificaten voor PFAS zijn opgenomen in bijlage 5.5. Tabel 12: Samenvatting toetsingsresultaten PFAS Analysemonster (cm-mv) A-WB-MM-01 (0,5-1,45)1,2 A-WB-MM-02 (1,25-1,75)2 A-WB-MM-03 (0,6-1,95)3
PFAS (landelijk tijdelijk handelingskader)
PFAS (beleid Amsterdam)
Landbouw/natuur
Vrij toepasbaar
Landbouw/natuur
Vrij toepasbaar
Landbouw/natuur
Vrij toepasbaar
In monster A-WB-MM-01 van de sliblaag zijn gehalten PFOS boven de detectielimiet aangetoond. Het gemeten gehalte PFOS-totaal bedraagt 0,103 µg/kg d.s. Ook zijn gehalten PFDoDa (0,151 µg/kg d.s.), PFHxS (0,294 µg/kg d.s.) en EtFOSAA (0,151 µg/kg d.s.) boven de detectielimiet aangetoond. In monster A-WB-MM-02 en A-WB-MM-03 van de klei- en zandgrond zijn geen gehalten PFAS boven de detectielimiet gemeten. Landelijk en gemeentelijk beleid Op basis van het landelijk tijdelijk handelingskader (bron 19) vallen de sliblaag, kleilaag en veenlaag in klasse landbouw/natuur. Op basis van het beleid van de gemeente Amsterdam (bron 20) zijn de sliblaag, kleilaag en veenlaag vrij toepasbaar.
4.4
ASFALT
De genomen asfaltkernen (33 stuks) zijn aangeboden voor een beschrijving van de constructieopbouw en een PAK-marker test. Op 26 kernen is vervolgens een aanvullende GC/MS analyse uitgevoerd, ter bepaling van de verwerkingsmogelijkheden. Uit de PAK-markertest blijkt dat de kernen B30, B31, B32 en B33 een concentratie PAK groter dan 250 mg/kg d.s in de bovenlaag (OB 0-8 mm dikte) bevatten. Uit de PAK-markertests blijkt dat geen van de overige kernen een concentratie PAK groter dan 250 mg/kg d.s. bevat. De aanvullende GC/MS analyses zijn vervolgens zoveel mogelijk ruimtelijk verdeeld over het onderzoeksgebied. De laagopbouw in boringen B06 en B10 wijkt af van de wegvakken waar ze in zijn gesitueerd.
Stantec | m20a0252.r01.docx 14
Daarom wordt voor beide boringen een separate GC/MS-analyse ingezet om de teerhoudendheid te bepalen. Bij monster B-MA13 is de bovenste toplaag verontreinigd (0-7/8 mm), derhalve is rekening houdend met de zaagsnede de bovenste 27/28 mm niet ingezet als GC/MS-analyse. Daarmee zijn alle verschillende asfalttypen minimaal middels een GC/MS analyse onderzocht (zie bijlage 5.3). Op basis van de aanvullende GC/MS analyses is de PAK concentratie in alle geanalyseerde lagen of kernen kleiner dan 10 mg/kg d.s. Hiermee wordt de hergebruiknorm van 75 mg/kg (CROW 210) niet overschreden. In de genomen asfaltkernen van B30, B31, B32 en B33 (OB 0-8 mm) is op basis van de PAK-marker tests een verontreiniging met PAK aangetroffen die de hergebruiknorm van 75 mg/kg (CROW 210) overschrijdt (zie bijlage 5.2). De toplaag van het asfalt ter plaatse van het fietspad aan de zuidoostzijde is daarom vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet geschikt voor hergebruik. De hoeveelheid teerhoudend asfalt komt neer op ca. 345,0 m2 x 0,028 m (laagdikte asfalt incl. zaagverlies) x 2,5 (omrekening) = 25 ton teerhoudend asfalt. In geen van de overige genomen asfaltkernen is op basis van de PAK-marker tests en/of aanvullende analyse een verontreiniging met PAK aangetroffen die de hergebruiknorm van 75 mg/kg (CROW 210) overschrijdt. De aangetroffen waarden zijn lager dan 10 mg/kg d.s. (zie bijlage 5.2).
Dit is gebleken uit zowel de resultaten van de PAK-marker tests als de aanvullende GC/MS analyses (CROW210). Het asfalt is daarom vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor warm hergebruik. Op basis van deze informatie voldoet het asfaltonderzoek aan de CROW 210. Een overzicht van de constructie/laagopbouw van het asfalt is in bijlage 5 weergegeven.
4.5
FUNDERINGSLAGEN
Van het funderingsmateriaal zijn aparte mengmonsters samengesteld. De samenstelling is weergegeven in tabel 11. Deze mengmonsters zijn ter analyse bij het laboratorium aangeboden. Tabel 13: Mengmonsters funderingsonderzoek Code mengmonster (m-mv)
Boringen
Type materiaal
B-FUN-AP04-1 (0,00 - 0,50)
B01, B02, B03, B04, B05, B06, B07
Baksteen, beton, grind
B-FUN-AP04-2 (0,00 - 0,50)
B08, B09, B10, B11, B12, B27, B28, B29
Baksteen, beton, grind
B-FUN-AP04-3 (0,00 - 0,50)
B17, B18, B19, B24, B25, B26
Baksteen, beton, grind
B-FUN-AP04-4 (0,00 - 0,50)
B13, B14, B15, B16, B20, B21, B22, B23
Baksteen, beton, grind
B-FUN-AP04-5 (0,00 - 0,50)
B30, B31, B32, B33
Baksteen, beton, grind
E-FUN-MM-01 (0,20 - 0,50)
E12
Volledig repac
Uit de analyse van het funderingsmateriaal op organische verbindingen PAK, PCB en minerale olie conform AP04 blijkt dat het materiaal voor deze parameters voldoet aan de eisen uit de Regeling bodemkwaliteit. Dit houdt in dat de fundering als toepasbaar geldt, mits een uitloogproef aantoont dat er geen kans is op uitloging vanuit de fundering. Deze uitloogproef bestaat uit een kolomproef en analyse van het eluaat op 15 metalen (antimoon, arseen, barium, cadmium, kobalt, chroom, koper,
Stantec | m20a0252.r01.docx 15
kwik, lood, molybdeen, nikkel, seleen, tin, vanadium en zink) en 4 anionen (fluoride, bromide, chloride en sulfaat). In het eluaat van de beschikbaarheidsproef van mengmonsters B-FUN-AP04-1 tot en met B-FUNAP04-5 en E-FUN-MM01 zijn verhoogde concentraties van de geanalyseerde parameters gemeten (PAK’s, PCB’s, minerale olie, arseen, barium, chroom, koper, kwik, molybdeen, vanadium, fluoride, chloride, sulfaat), maar deze overschrijden niet de norm voor hergebruik voor niet-vormgegeven bouwstoffen zoals beschreven in de Regeling bodemkwaliteit. Hieruit blijkt dat het materiaal van de wegfundering ter plaatse van als toepasbare bouwstof geldt en dus geschikt is voor hergebruik. Hierbij dient te worden opgemerkt, dat voor een definitieve classificatie een partijkeuring conform BRL SIKB 1000, protocol 1002 mogelijk noodzakelijk is.
4.6
CONCLUSIE WET BODEMBESCHERMING
Ter plaatse van boring B30a (fietspad Orteliuskade) zijn sterk verhoogde gehalten zink en PAK gemeten in de kleiige ondergrond (0,7-0,9 m-mv), tevens is in deze ondergrond bijmenging met slib aangetroffen. De verontreiniging met zink en PAK is zintuiglijk (0,4-0,7 en 0,9-1,1 m-mv: zand, geen bijmenging) in verticale richting afgeperkt. Ter plaatse van B33 is deze slibhoudende kleilaag niet aangetoond. Tevens wordt deze laag zintuiglijk niet aangetroffen in C23 en E09. Boring C23 is geanalyseerd in C-MM-13 (0,5-1,0 m-mv) en boring E09 is geanalyseerd in E-MM-11 (0,5-0,8 mmv), in deze mengmonsters zijn maximaal licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK, minerale olie gemeten. Op basis van deze boringen, zintuiglijke waarnemingen en resultaten is de verontreiniging met PAK tevens horizontaal in zuidelijke en westelijke richting afgeperkt. Op basis van deze zintuiglijke waarnemingen is de verontreiniging voldoende in beeld gebracht, derhalve wordt afperkend onderzoek niet noodzakelijk geacht. Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat er ter plaatse van B30a sprake is van een mogelijk geval van ernstige bodemverontreiniging (>25 m3 sterk verontreinigde grond) met zink en PAK in de kleiige slibhoudende ondergrond (0,7-0,9 m-mv). Geadviseerd wordt om een 5-weekse BUS-melding voor het fietspad Orteliuskade (B30 t/m B33) in te dienen.
De slibhoudende kleilaag dient apart ontgraven te worden. Ter plaatse van de voormalige gemeentewerf en de school (deellocatie E) is ter plaatse van boringen E01 en E03 een sterk verhoogd gehalte PAK gemeten in de zandige bovengrond (0,08-0,5 m-mv), tevens is in deze bovengrond bijmenging met resten beton en resten baksteen aangetroffen. Ter plaatse van E01 is de verontreiniging zowel zintuiglijk (0,65-0,7 m-mv: veen, resten baksteen) als analytisch (E-MM-06) in verticale richting afgeperkt. Ter plaatse van E03 wordt de verontreiniging zowel zintuiglijk (0,08-0,2 m-mv en 0,5-1,2 m-mv: zand, geen bijmenging) als analytisch (E-MM02/E-MM-09) in verticale richting afgeperkt. In de bovengrond (0,0-0,6 m-mv) van boring C08 is zintuiglijk geen bijmenging aangetoond en zijn analytisch (C-MM-05) maximaal licht verhoogde gehalten kwik, lood, zink en PAK gemeten. Ter plaatse van boring E13 zijn in de bovengrond (0,080,5 m-mv) resten beton aangetroffen, analytisch (E-MM-05) is een licht verhoogd gehalte kwik aangetoond. Zintuiglijk is in de bovengrond van E02 geen bijmenging, van E04 bijmenging met resten beton en in E05 geen bijmenging aangetroffen, analytisch (E-MM-02/E-MM-05) is in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) een licht verhoogd gehalte kwik gemeten. Op basis van deze boringen is de verontreiniging bij boringen E01 en E03 in horizontale richting afgeperkt.
Stantec | m20a0252.r01.docx 16
Op basis van deze zintuiglijke en analytische waarnemingen is de verontreiniging voldoende in beeld gebracht, derhalve wordt afperkend onderzoek niet noodzakelijk geacht. Ter plaatse van E01 en E03 (0,08-0,5 m-mv) is sprake van een mogelijk geval van ernstige bodemverontreiniging (>25 m3 sterk verontreinigde grond) met PAK. De sterke en matige verontreinigingen zijn waarschijnlijk heterogeen over de locatie verspreid aanwezig, als gevolg van de stedelijke ophoging. Geadviseerd wordt om een 5-weekse BUS-melding voor deellocatie E - ‘voormalige gemeentewerf en school’ (boringen E01 t/m E05 en E13) in te dienen. De zandige bovengrond (0,08-0,5 m-mv) met bijmenging resten beton en resten baksteen dient apart ontgraven te worden. Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een geval van sterke grondwaterverontreiniging (>100 m3 sterk verontreinigd grondwater).
4.7
TOETSING HYPOTHESE
In paragraaf 2.3 werd de hypothese gesteld dat de locatie verdacht is op het voorkomen van lichte tot matige verontreinigingen met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie in de grond en lichte verontreinigingen met barium en naftaleen in het grondwater. De locatie is op basis van de ophoogperiode verdacht op het voorkomen van asbest. Het asfalt is verdacht op het voorkomen van PAK (teerhoudend). De funderingen zijn verdacht op het voorkomen van verontreinigingen met sulfaat, PAK, minerale olie en asbest. De locatie is verdacht op het voorkomen van PFAS als gevolg van depositie. • Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de in paragraaf 2.3 opgestelde hypothese voor de bodem verworpen: uit de analyseresultaten blijkt de locatie plaatselijk sterk verontreinigd is met zink en PAK, plaatselijk matig verontreinigd is met koper, lood, zink en PAK en licht verontreinigd is met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie. • De hypothese dat sprake is van de aanwezigheid van asbest wordt verworpen: op de locatie is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. • De hypothese dat sprake is van teerhoudend asfalt wordt ter plaatse van het fietspad aanvaard: de toplaag van het asfalt is teerhoudend en niet geschikt voor hergebruik.
De hypothese dat sprake is van teerhoudend asfalt wordt ter plaatse van de overige onderzoekslocatie verworpen: het asfalt is niet-teerhoudend en geschikt voor warm hergebruik. • De hypothese dat de fundering verontreinigd is met sulfaat, PAK en minerale olie wordt aanvaard, in het funderingsmateriaal zijn verhoogde gehalten PAK’s, PCB’s, minerale olie, arseen, barium, chroom, koper, kwik, molybdeen, vanadium, fluoride, chloride, sulfaat gemeten. Het funderingsmateriaal is wel toepasbaar als niet-vormgegeven bouwstof. De hypothese dat de fundering verontreinigd is met asbest wordt verworpen: er is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. • De hypothese dat de locatie verdacht is op het voorkomen van PFAS als gevolg van depositie wordt aanvaard. Ter plaatse van deellocaties A, B en E is de bovengrond (0,0-0,7 m-mv) verontreinigd met PFAS. De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocaties C en D en de ondergrond ter plaatse van deellocatie A, B, C en D zijn niet verontreinigd met PFAS.
Stantec | m20a0252.r01.docx 17
5.0
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken:
Conclusies bodem en waterbodem • De bodemopbouw ter plaatse van deellocatie: o A (verbreding watergang) bestaat tot een diepte van 0,5-1,3 m-mv uit klei, gevolgd door veen (0,8-2,0 m-mv; 2,6-3,0 m-mv) en zand (0,5-2,6 m-mv). Er zijn zintuigelijk geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen in deze bodemlagen; o A (waterbodemonderzoek) bestaat de waterbodem van 0,55-1,0 tot 0,6-1,45 m-mv uit slib, gevolgd door de vaste waterbodem bestaande uit klei of veen van 1,1 tot 1,95 m-mv. Er zijn zintuigelijk geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen in deze bodemlagen; o B (rijbaan en fietspad) bestaat de bodem tot een diepte van 1,3-3,9 m-mv uit zand, gevolgd door klei (1,3-3,5 m-mv) en veen (3,5-4,0 m-mv). In deze boringen zijn zintuiglijk bijmengingen met baksten, beton en plastic waargenomen; o D (verhogingen nabij zwembad) bestaat de bodem tot 2,0 m-mv uit ophoogzand. In de proefsleuven en proefgaten is een bijmenging met aardewerk, baksteen, beton, ijzer, kolengruis, leisteen, metaal en/of plastic waargenomen; o C (toekomstige nieuwbouw) en E (voormalige gemeentewerf en school) bestaat de bodem tot 1,9-5,5 m-mv uit zand, gevolgd door klei (1,9-4,0 m-mv), zand (3,0-4,0 mmv), veen (3,0-5,5 m-mv) en klei (4,7-5,5 m-mv). In deze boringen zijn zintuiglijke bijmengingen met baksteen, beton, sintels en slib waargenomen.
• Plaatselijk zijn de volgende afwijkende lagen waargenomen: o B04a (0,1-0,5 m-mv): 30% bijmenging met brokken baksteen en brokken beton; o E03 (0,2-0,5 m-mv): 30% bijmenging met brokken baksteen en brokken beton; o C06 (0,1 tot 0,5 m-mv): bijmenging met matig bakstenen sterk beton; o C12 (0,2 tot 0,5 m-mv): bijmenging met sterk baksteen, sterk beton en zwak aardewerk; o E12 is (0,2 tot 0,5 m-mv): volledige repaclaag. • In de bodem ter plaatse van deellocatie: o A zijn maximaal licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink, PAK en PCB aangetoond; o B zijn plaatselijk (B30a, fietspad) in de met zwak slibhoudende kleiige ondergrond (0,7-0,9 m-mv) sterk verhoogde gehalten zink en PAK, matig verhoogde gehalten koper en lood en licht verhoogde gehalten cadmium, kwik, molybdeen, nikkel, PCB en minerale olie gemeten. Op het overige deel van deellocatie B zijn maximaal licht verhoogde gehalten kwik, lood, nikkel, zink, PAK, PCB en minerale olie gemeten; o C zijn plaatselijk in zowel de boven- als ondergrond (0,0-1,1 m-mv) matig verhoogde gehalten koper, zink en PAK gemeten. Op het overige deel van deellocatie C zijn maximaal licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PAK, PCB en minerale olie gemeten; o D zijn maximaal licht verhoogde gehalten koper, kwik, lood, zink, PAK en PCB gemeten;
Stantec | m20a0252.r01.docx 18
E zijn plaatselijk (E01, E03) in de bovengrond (0,08-0,5 m-mv) sterk verhoogde gehalten PAK en licht verhoogde gehalten koper, kwik, lood, zink, PCB en minerale olie. Plaatselijk (E06, E07, E10) zijn in de bovengrond (0,0-0,3 m-mv) matig verhoogde gehalten zink en licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, PAK en PCB gemeten, Plaatselijk (E05) zijn in de ondergrond (0,5-1,0 m-mv) matig verhoogde gehalten PAK en licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, zink, PCB en minerale olie gemeten. Op het overige deel van deellocatie E zijn maximaal licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie gemeten. • Conform het landelijk tijdelijk handelingskader voor PFAS en het beleid van de gemeente Amsterdam voor PFAS is de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie A (verbreding watergang), de bovengrond (0,0-0,7 m-mv) met bijmenging ter plaatse van deellocatie B en de kleiige bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie E verontreinigd met PFAS. De overige grond is niet verontreinigd met PFAS.
• Conform het Besluit bodemkwaliteit heeft: o de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie A de kwaliteitsklasse Industrie en kent derhalve beperkte toepassingsmogelijkheden, de ondergrond (0,52,0 m-mv) heeft kwaliteitsklasse Wonen (beperkte toepassingsmogelijkheden) en Achtergrondwaarde (vrij toepasbaar); o de ondergrond (0,7-0,9 m-mv) ter plaatse van boring B30a kwaliteitsklasse Niet toepasbaar. De zandige boven- en ondergrond (0,34-1,0 m-mv) heeft kwaliteitsklasse Industrie en kent derhalve beperkte toepassingsmogelijkheden. De overige boven- en ondergrond (0,0-4,0 m-mv) ter plaatse van deellocatie B heeft kwaliteitsklassen Wonen (beperkte toepassingsmogelijkheden) en Achtergrondwaarde (vrij toepasbaar); o de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie C voornamelijk kwaliteitsklasse Industrie en Wonen en kent derhalve beperkte toepassingsmogelijkheden. De ondergrond (0,5-5,5 m-mv) heeft voornamelijk kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde en is derhalve vrij toepasbaar. Plaatselijk voldoet de ondergrond (0,5-5,5 m-mv) aan kwaliteitsklassen Industrie of Wonen en kent derhalve beperkte toepassingsmogelijkheden; o de boven- en ondergrond (0,0-1,0 m-mv) ter plaatse van deellocatie D voornamelijk kwaliteitsklasse Industrie en kent derhalve beperkte toepassingsmogelijkheden.
De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van boring D17 voldoet aan kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde en is vrij toepasbaar. De ondergrond (1,0-2,6 m-mv) valt in kwaliteitsklasse Wonen (beperkte hergebruiksmogelijkheden) of Achtergrondwaarde (vrij toepasbaar); o de bovengrond (0,08-0,5 m-mv) ter plaatse van boringen E01 en E03 en de ondergrond (0,5-1,0 m-mv) ter plaatse van boring E05 kwaliteitsklasse Niet toepasbaar. De overige boven- en ondergrond (0,0-0,8 m-mv) valt in kwaliteitsklasse Industrie en kent derhalve beperkte toepassingsmogelijkheden. Een deel van de boven- en ondergrond (0,0-1,0 m-mv) valt in kwaliteitsklassen Wonen (beperkte toepassingsmogelijkheden) en Achtergrondwaarde (vrij toepasbaar). o
Stantec | m20a0252.r01.docx 19
• Conform het landelijk tijdelijk handlingkader voor PFAS valt de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie A in kwaliteitsklasse Niet toepasbaar. De bovengrond (0,0-0,7 m-mv) met bijmenging ter plaatse van deellocatie B en de kleiige bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie E vallen in kwaliteitsklasse Wonen of Industrie. De overige (meng)monsters vallen in kwaliteitsklasse landbouw/natuur. • Conform het beleid van de gemeente Amsterdam voor PFAS valt de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie A in kwaliteitsklasse Industrie. De bovengrond (0,0-0,7 m-mv) met bijmenging ter plaatse van deellocatie B en de kleiige bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie E vallen in kwaliteitsklasse Toepasbaar. De overige (meng)monsters vallen in kwaliteitsklasse Vrij toepasbaar. • Conform de CROW 400 geldt de veiligheidsklasse Basishygiëne voor werken in de grond. • Het grondwater is licht verontreinigd met barium en chroom. Deze verontreinigingen hangen vermoedelijk samen met natuurlijke achtergrondwaarden. • De sterke en matige verontreinigingen zijn waarschijnlijk heterogeen over de locatie verspreid aanwezig, als gevolg van de stedelijke ophoging.
Uit de analyseresultaten blijkt dat er op de locatie sprake is van een mogelijk geval van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m3 sterk verontreinigde grond) in de grond ter plaatse van: o boring B30a (0,7-0,9 m-mv; zink, PAK > I). De verontreiniging met zink en PAK is zintuiglijk in verticale richting afgeperkt, de verontreiniging is tevens zintuiglijk en analytisch (C-MM-13/E-MM-11) in horizontale richting afgeperkt. Op basis van deze zintuiglijke waarnemingen is de verontreiniging voldoende in beeld gebracht, derhalve wordt afperkend onderzoek niet noodzakelijk geacht. o en ter plaatse van boringen E01 en E03 (0,08-0,5 m-mv; PAK > I). Ter plaatse van E01 is de verontreiniging zowel zintuiglijk als analytisch (E-MM-06) in verticale richting afgeperkt. Ter plaatse van E03 wordt de verontreiniging zowel zintuiglijk als analytisch (E-MM-02/E-MM-09) in verticale richting afgeperkt, de verontreiniging is tevens zintuiglijk en analytisch (C-MM-05/E-MM-02/E-MM-05) in horizontale richting afgeperkt. Op basis van deze zintuiglijke en analytische waarnemingen is de verontreiniging voldoende in beeld gebracht, derhalve wordt afperkend onderzoek niet noodzakelijk geacht. • Uit de analyseresultaten van het waterbodemonderzoek blijkt dat de aanwezige sliblaag niet toepasbaar is op landbodem op basis van het verhoogde gehalte minerale olie.
De sliblaag voldoet aan klasse B voor toepassing onder water en is niet verspreidbaar op aangrenzend perceel en niet verspreidbaar in zoet oppervlaktewater. De sliblaag is op basis van PFAS toepasbaar als landbouw/natuur op basis van het landelijk tijdelijk handlingskader en is vrij toepasbaar op basis van het beleid van de gemeente Amsterdam. • De vaste waterbodem (klei) is toepasbaar op landbodem als klasse Industrie. De vaste waterbodem voldoet aan klasse A voor toepassing onder water is verspreidbaar op aangrenzend perceel en in zoet oppervlaktewater. De vaste waterbodem (klei) is op basis van PFAS toepasbaar als landbouw/natuur op basis van het landelijk tijdelijk handlingskader en is vrij toepasbaar op basis van het beleid van de gemeente Amsterdam. • De vaste waterbodem (veen) is vrij toepasbaar op landbodem. De vaste waterbodem is vrij toepasbaar voor toepassing onder water en is verspreidbaar op aangrenzend perceel en in zoet oppervlaktewater. De vaste waterbodem (veen) is op basis van PFAS toepasbaar als landbouw/natuur op basis van het landelijk tijdelijk handlingskader en is vrij toepasbaar op basis van het beleid van de gemeente Amsterdam.
Stantec | m20a0252.r01.docx 20
• Conform de CROW 400 geldt de veiligheidsklasse Basishygiëne voor werken in de sliblaag en de vaste waterbodem (veen en klei).
Conclusies asfalt en fundering • Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn enkele typen asfalt aangetroffen, namelijk DAB, STAB, GAB, OB en SMA. Het asfalt heeft een gemiddelde dikte van 15,2 centimeter. • In de asfaltkernen van boringen B30, B31, B32 en B33 (OB 0-8 mm) is op basis van de PAKmarker test een verontreiniging met PAK aangetroffen welke de hergebruiksnorm van 75 mg/kg overschrijdt. Het OB-asfalt ter plaatse van boringen B30, B31, B32 en B33 is derhalve vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet geschikt voor warm hergebruik. • In geen van de overige genomen asfaltkernen is op basis van PAK-marker tests en aanvullende analyses een verontreiniging met PAK aangetroffen welke de hergebruiksnorm van 75 mg/kg overschrijdt. De aangetroffen waardes zijn <10 mg/kg d.s. Het asfalt is derhalve vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor warm hergebruik. • Ter plaatse van deellocatie B en E is een funderingslaag aanwezig met een dikte van circa 30,7 centimeter, bestaande uit baksteen, beton, grind en repac. • Voor het funderingsmateriaal van kan worden geconcludeerd, dat de gehalten van de organische verbindingen voldoen aan normen zoals gesteld in de Regeling bodemkwaliteit. Het funderingsmateriaal is derhalve geschikt voor hergebruik.
• Uit de resultaten van het uitlogingsonderzoek blijkt dat het materiaal van deellocatie B en E geschikt is als niet-vormgegeven bouwstof voor hergebruik op basis van de toetsing aan de Regeling bodemkwaliteit. • Voor een definitieve classificatie is een partijkeuring conform BRL SIKB 1000, protocol 1002 mogelijk noodzakelijk.
Conclusies asbest • Op basis van het historisch onderzoek conform NEN 5725 is de locatie verdacht voor aanwezigheid van asbest. • Er is tijdens het onderzoek visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. • In het opgegraven materiaal is plaatselijk een puinhoudende bijmenging aangetroffen. Dit funderingsmateriaal is kwantitatief geanalyseerd op voorkomen van asbest en hierbij is geen asbest aangetroffen. • Uit analyse van de mengmonsters asbest in grond blijkt dat deze geen verhoogde concentraties asbest bevatten.
Aanbevelingen • Uit onderhavig onderzoek blijkt dat er op de locatie sterk verhoogde gehalten zink en PAK gemeten zijn. Op de locatie is vermoedelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. • De verontreinigde ophooglaag is door vrijwel heel Amsterdam aanwezig. Gezien de toekomstige werkzaamheden (tijdelijk uitplaatsen en/of vrijkomen van enkele m3 grond) wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Uitkartering van de verontreiniging is niet relevant. • Door de aard en concentraties van de in de grond aanwezige stoffen kent bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond een beperkt hergebruik.
Stantec | m20a0252.r01.docx 21
• Ter plaatse van de locaties waar sprake is van een geval van sterke bodemverontreiniging dient bij toekomstige graafwerkzaamheden een melding in het kader van Besluit Uniforme Saneringen (5-weekse BUS-melding) gedaan te worden bij het bevoegd gezag (OD NZKG). Indien de grond weer wordt teruggeplaatst in de ontgraving kan een melding in de categorie ‘tijdelijk uitplaatsen’ volstaan. Na uitvoering van de werkzaamheden dient tevens een BUSevaluatieverslag ingediend te worden. • Vijf dagen voorafgaand aan de saneringswerkzaamheden dient een startmelding te worden gedaan bij de OD NZKG. • Gedurende graafwerkzaamheden dienen arbeidshygiënische maatregelen te worden nageleefd. Voor de bijbehorende veiligheidsvoorzieningen, metingen en maatregelen wordt verwezen naar de betreffende publicaties van het CROW. • Indien vrijkomende grond wordt afgevoerd naar een andere zone van de Bodemkwaliteitskaart of naar een andere gemeente kunnen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn om de uiteindelijke hergebruikmogelijkheden van de grond vast te stellen. • Het verdient ten slotte altijd aanbeveling om tijdens grondwerkzaamheden alert te zijn op een eventuele onvoorziene verontreiniging van de bodem.
Stantec | m20a0252.r01.docx 22
BRONVERMELDINGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
8.
9. 10. 11. 12. 13.
14.
15. 16. 17. 18.
19. 20.
21.
Amsterdamse Richtlijn voor Verkennend Onderzoek (ARVO 2020), Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, 26 mei 2020. NEN 5725:2017, Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 oktober 2017. NEN 5707+C2:2017, Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 december 2017. NEN 5898:2015/C1:2016, ‘Bepaling van het gehalte aan asbest in grond, waterbodem, bouwen sloopafval en granulaat’, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 augustus 2016. NEN 5717:2017, ‘Bodem - Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek’, NEN, 1 december 2017. NEN 5720:2017, ‘Bodem- Waterbodem- Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek’, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 december 2017. BRL SIKB 2000, ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. Protocol 2001, ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. Protocol 2002, ‘Het nemen van grondwatermonsters’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018.
Protocol 2003, ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. Protocol 2018, ‘Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant nummer 16675, 27 juni 2013. Regeling bodemkwaliteit, regeling van 13 december 2007, houdende regels voor de uitvoering van de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr. 247, 20 december 2007 en bijbehorende wijzigingen en besluiten. Besluit bodemkwaliteit, besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr. 469, 3 december 2007 en bijbehorende wijzigingen, besluiten en rectificaties. Bodemkaart ‘dempingen en ophogingen in Amsterdam’, Dienst Milieu en Bouwtoezicht, 25 februari 2005. CROW-publicatie nummer 400 'Werken in of met verontreinigde bodem’, druk 2, december 2017. CROW-publicatie nummer 210 'Richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt', juni 2015. NEN 5740:2009+A1:2016 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 april 2016.
Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2 juli 2020. Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent PFAS in de bodem (Beleidsregels PFAS gemeente Amsterdam 2020), Gemeenteblad nr. 30609, 5 februari 2020. Notitie SRC-arbo-waarden PFAS (PFOS, PFOA, GenX) en omvang met overig PFAS, TAUW, 23 juli 2019.
Stantec | m20a0252.r01.docx 23
Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2.1: Bijlage 2.2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2: Bijlage 3.3: Bijlage 3.4: Bijlage 3.5: Bijlage 3.6: Bijlage 3.7: Bijlage 4.1: Bijlage 4.2: Bijlage 5.1: Bijlage 5.2: Bijlage 5.3: Bijlage 5.4: Bijlage 5.5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8:
Overzichtskaart (1:25.000) Situatietekening (1:1.250) Situatietekening asfaltvakken (1:1.250) Verklarende woordenlijst Kwaliteit, referentiekader en betrouwbaarheid Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel) Toetsing analyseresultaten grondwater conform Wbb (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten grond aan het Bbk (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten fundering aan de Rbk (inclusief normtabel) Toetsing waterbodem T1, T3, T5, T6 Boorbeschrijvingen inclusief legenda Kwaliteitsborging veldwerk Analysecertificaten grond en grondwater Analysecertificaten fundering Analysecertificaten asfalt Analysecertificaten asbest Analysecertificaten waterbodem Foto’s onderzoeklocatie Historisch onderzoek Tabel laboratoriumonderzoek/analysestrategie
Bijlage 1: Overzichtskaart (1:25.000)
Bodem- en verhardingsonderzoek Mercatorpark te Amsterdam Overzichtstekening Legenda
J )
Projectlocatie
0
250
J )
750
1.000 m
Opdrachtgever: Gemeente Amsterdam Datum: Schaal: Status:
±
22-10-2020 1:25.000 Definitief
Projectnummer: M20A0252 Formaat: A4 landscape Tekenaar: NIKO
N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M20\M20A0252
500
Bijlage 2.1: Situatietekening (1:1.250)
Bodem- en verhardingsonderzoek Mercatorpark te Amsterdam Situatietekening
B01
( B02 ! ( ( ! (
B04a
! .
?
Peilbuis tot 3,0 m-mv
! . ( ! . B14 (
?
Peilbuis tot 4,0 m-mv
?
Peilbuis tot 5,5 m-mv
C06
! .
Boring tot 1,0 m-mv
B26
2 %
Boring tot 1,5 m-mv
D
Boring tot 2,0 m-mv
_ ^
Boring tot 4,0 m-mv
>
Boring tot 5,5 m-mv
! ( (
Asfalt- en constructieboring met boring tot 0,5 m-mv
! . (
Asfalt- en constructieboring met boring tot 1,0 m-mv
ú8(%2ú
B19a-2 ?
! (
ú8ú ?
B21
_ ^
! . C22 )
B25
B15
D11 D12 . !
) ! .
! . (
( B16 ! ( (
B24
B22a
! .
B22
( ! .
B23
(
B29
ú8ú ?
C07 B18
D01
! . (
! ! ( ( . (
D21
B17
( úC02 ú8?
! (
?
! ( ( B05a
B28 _ ^ ( ! ( (
! (
ú8ú
ú8úú ú8ú ú8
! ( (
B19
_ ^ (
C01
! ( B06 ( ! ( (
B27
B19a
B05
! (
C13
)
D20 B08
! .
D19
) ! .
! ( (
ú8ú
C03
?
B09
_ ^ ^ _ (
B09a
D07
D17
D16
! . )
! . )
! . )
D06 C14 ! .
C18
ú8ú C08
ú8ú
?
?
C19
! . )
B10
E01
! . )
ú8ú
C04
E02
! . )
E11
! .
?
! . )
B11a
! . B11
( ú8ú ! .
C12
)
A05
! A
! A
E09
E07
! . )
)
B31
E10
0
) ú8ú ! .
C11
C23
?
! . )
A10
! .
B12
A07
) ! .
A06
! ( (
D
! A
A-WB-B06
D
ú8ú A08
! A
A-WB-B07
20
( ! (
A09
? ! .
A-WB-B09 ! A
) ! .
! A
30
40
50 m
Opdrachtgever:
Gemeente Amsterdam
Datum: Schaal: Status:
1-12-2020 1:1.250 Definitief
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
M20A0252 A3 landscape NIKO
A11
C15
?
10
B32
! . )
E04
! .
B30a
! ( ?
! ( (
E05
! . ) A-WB-B05 A-WB-B04
ú ( ú8
B30
! .
>
! . )
! . )
E08
E03
C20
C10
?
E12
! . )
! . )
! .
ú8ú
! . )
C09
?
! . )
! . D ! A-WB-B02 A
Projectgebied
E06
E13
B10a
! ( (
C17
A-WB-B01 ! A
Proefgat met boring tot 1,0 m-mv Proefsleuf
D04
C21
ú8ú
) C05
D05
D15
! .
A03 A04 D A-WB-B03 ! . ! A
Asfalt- en constructieboring met boring tot 4,0 m-mv
D08
C16
! . )
A02
D03
D14
! .
D18
! . )
A01
_ ^ ( ! . )
D13
! .
! . )
D09
D02
D10
! .
A-WB-B10
B33
( ! .
A-WB-B08 ! A
±
N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M20\M20A0252
B20
! ( (
B04
Slibsteek tot 0,5 m in vaste waterbodem
B13
! ( (
Legenda ! A
B07
B20a
! .
! ( (
B03
Bijlage 2.2: Situatietekening asfaltvakken (1:1.250)
Bodem- en verhardingsonderzoek Mercatorpark te Amsterdam
B04 ! (
B13
! . ( ! . ( B14
B27 ! (
( (
B05 ! (
(
Situatietekening asfaltvakken
(
(
Legenda
(
(
(
B19 ! (
( B21
B26
B28 _ ^ ( ! ( (
_ ^ (
! ( (
Asfalt- en constructieboring met boring tot 0,5 m-mv
! . (
Asfalt- en constructieboring met boring tot 1,0 m-mv
_ ^ (
Asfalt- en constructieboring met boring tot 4,0 m-mv
Asfaltvakken 1. Kruising Orteliuskade
B25 ! .
B15 ! (
(
( B16 ! ( (
2. Rijbaan Admiraal Helfrichstraat 3. Doctor Jan van Breemenstraat
B29
B22 ! (
(
B23 ! (
B24 ! .
(
B17 B18 ! ( ! .
( (
! . (
4. Reparatievak 5. Fietspad Orteliuskade (teerhoudend)
(
B08 ! (
Projectgebied
(
B09
( _ ^
B30 ! (
( B10 ! (
(
B31 ! (
(
0 B32 ! (
(
10
20
B33 ! .
( B12 ! (
(
±
40
50 m
Opdrachtgever:
Gemeente Amsterdam
Datum: Schaal: Status:
1-12-2020 1:1.250 Definitief
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
M20A0252 A3 landscape NIKO
B11
! . (
30
N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M20\M20A0252
B20
! ( (
B07 ! ( B06 ! (
B03 ! (
B02 ! (
B01 ! (
Bijlage 3.1: Verklarende woordenlijst
VERKLARENDE WOORDENLIJST Een grond- en/of grondwaterverontreiniging kan veroorzaakt worden door verschillende parameters. Soms betreft het stoffen die van nature in de bodem voorkomen. In andere gevallen is er sprake van milieuvreemde stoffen. Om een indicatie te krijgen van een eventuele grond(water)verontreiniging worden analyses uitgevoerd op verschillende parameters.
Toetsingskader Sinds oktober 2008 zijn in het kader van de Wet bodembescherming de streefwaarden (grondwater) en interventiewaarden (grond en grondwater) van kracht en daarmee het toetsingskader voor beoordeling van de kwaliteit van grond en grondwater. Daarnaast gelden voor de toepassing van grond de (landelijke) achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit.
Achtergrondwaarde (grond) De Achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond.
Streefwaarde (grondwater) Als de streefwaarde wordt overschreden is er sprake van bodemverontreiniging. Voor de stoffen die van nature voorkomen, komt de streefwaarde overeen met het zogenaamde ‘gemiddelde achtergrondgehalte’. Voor stoffen die niet van nature in de bodem voorkomen is de streefwaarde gelijkgesteld aan de aantoonbaarheidsgrens van de huidige analysetechnieken, ook wel ‘detectiegrens’ genoemd.
Tussenwaarde Deze waarde geeft de milieukwaliteit aan, waarbij er sprake is van verhoogde, maar in het algemeen niet potentieel onaanvaardbare, risico's voor mens en milieu. Het betreft een rekenkundig gemiddelde van de Achtergrondwaarde (grond) of Streefwaarde (grondwater) en de Interventiewaarde, dat niet rechtstreeks aan een specifiek risiconiveau is gekoppeld. Overschrijding van deze waarde heeft slechts een indicatieve functie, namelijk het aangeven van de noodzaak om een nader onderzoek naar de kwaliteit van de bodem uit te voeren. Grond of grondwater die de tussenwaarde wel maar niet de interventiewaarde overschrijdt, wordt aangeduid als matig verontreinigd.
Interventiewaarde De interventiewaarde is de waarde die aangeeft bij welke concentratie sprake kan zijn van een dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van de bodem voor plant, mens en dier.
Toetsingswaarden asbest Voor asbest in grond geldt alleen een interventiewaarde c.q. restconcentratienorm. Deze norm is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. asbest (gewogen). De Interventiewaarde voor asbest is gebaseerd op het verwaarloosbaar risiconiveau (VR). Grond met een gehalte aan asbest (gewogen) lager dan de Interventiewaarde mag hierdoor als niet verontreinigd worden aangemerkt. Het gewogen gehalte aan asbest wordt berekend door het gehalte aan serpentijn asbest te vermeerderen met tienmaal het gehalte aan amfibool asbest.
Geval van ernstige bodemverontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde en de verontreiniging is ontstaan voor 1987. Asbest is uitgezonderd van dit volumecriterium.
BRL SIKB 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek Alleen bedrijven die door het Ministerie van I en M zijn erkend mogen veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek verzorgen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Zij zijn ook de enigen die voor deze activiteit het keurmerk ‘Kwaliteitswaarborging bodembeheer SIKB' mogen voeren. Bedrijven met een erkenning staan vermeld op de lijst met erkende veldwerkers bij milieuhygiënisch bodemonderzoek op de website van Rijkswaterstaat Leefomgeving (www.rwsleefomgeving.nl).
Besluit bodemkwaliteit Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Volgens dit besluit kan per gemeente een beleid worden gevoerd, waarin rekening gehouden is met lokale omstandigheden. Per gemeente dient voor toepassing gecontroleerd te worden of er sprake is van gebiedsspecifiek beleid of dat de generieke normen van het besluit van toepassing zijn. Voor de ontvangende bodem dient de bodemkwaliteit te zijn vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden afgeleid van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Als geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld moet met bodemonderzoek de kwaliteit van de ontvangende bodem worden vastgesteld. Een dergelijk onderzoek dient tenminste te worden uitgevoerd volgens een onderzoeksstrategie uit de NEN 5740.
PARAMETERS Asbest Asbest is een verzamelnaam voor een aantal in de natuur voorkomende mineralen, die zijn opgebouwd uit fijne, microscopisch kleine vezels. Losse asbestvezels zijn met het blote oog niet zichtbaar. Asbestvezels zijn sterk en flexibel tegelijk. Bovendien zijn ze thermisch en elektrisch isolerend, bestand tegen zuren en logen en hebben ze een hoge wrijvingsweerstand. Hierdoor zijn ze geschikt voor veel verschillende toepassingen, als: • golfplaten; • waterleidingbuizen; • rem- en frictiemateriaal; • isolatiemateriaal. Asbest is met name na de Tweede Wereldoorlog veel gebruikt. Niet-hechtgebonden asbest is sinds 1983 vrijwel niet meer toegepast. De beroepsmatige toepassing en verkoop van alle soorten asbest is sinds 1 juli 1993 volledig verboden.
Minerale olie Onder verontreinigingen met minerale olie vallen o.a. benzine, diesel en huisbrandolieverontreinigingen. Verontreinigingen met minerale olie komen veelvuldig voor. Minerale olie is in de meeste gevallen in de bodem terechtgekomen door lekkage bij ondergrondse tanks of calamiteiten. Een olieverontreiniging is in de meeste gevallen goed zintuiglijk waarneembaar door geurafwijkingen en/of met behulp van de olie-op-watertest. Bij de olie-op-watertest wordt een beetje grond in water gebracht. De in de grond aanwezige olie komt boven drijven en wordt zichtbaar als een oliefilm. Na analyse kan in de meeste gevallen een redelijk betrouwbare indicatie worden gegeven van de oliesoort. Indien sprake is van een benzineverontreiniging dient tevens rekening gehouden te worden met een verontreiniging met vluchtige aromaten (BTEXN) en bij nieuwe gevallen met ETBE of MTBE.
Organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) Bestrijdingsmiddelen worden ook wel pesticiden genoemd. Met name bij (voormalige) tuinbouwkassen en akkerbouw wordt rekening gehouden met deze vorm van verontreiniging. DDT en drins zijn bekende voorbeelden.
Polychloorbifenylen (PCB) PCB zijn olieachtige vloeistoffen die veel zijn toegepast in transformatoren en condensatoren vanwege hun goede elektrisch-isolerende eigenschap in combinatie met het bestand zijn tegen hoge temperaturen. In het verleden zijn PCB ook toegepast in producten als motorolie, tl-armaturen, inkt, lijm en verf. Tegenwoordig zijn PCB op de zwarte lijst geplaatst en is de toepassing ervan verboden. PCB zijn voor mens en dier met name schadelijk omdat zij de eigenschap hebben om zich op te hopen in vet.
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) PAK zijn teerachtige producten. PAK wordt gevormd bij diverse verbrandings- en chemische processen, veelal door onvolledige verbranding van koolstofverbindingen. PAK kan in hoge gehaltes voorkomen in asfalt, steenkoolteer, pek, creosoot, diverse oliesoorten, zuiveringsslib en dakbedekkingsmaterialen. In de bodem komen PAK-verbindingen vaak voor in combinatie met koolas of sintels. In totaal bestaan er circa 250 verschillende PAK-verbindingen. Bij analyse op PAK ten behoeve van bodemonderzoek wordt een selectie van deze verbindingen geanalyseerd, bijvoorbeeld de zogeheten zestien van EPA of tien van VROM. Enkele PAK-verbindingen, zoals benzo(a)pyreen, zijn carcinogeen ofwel kankerverwekkend.
Vluchtige aromaten (BTEXN) Vluchtige aromaten (BTEXN = benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen) worden bereid uit aardoliën. Ze zijn met name aanwezig in benzine en oplosmiddelen (bv. thinner). Ze zijn vrij vluchtig en hebben een sterk oplossend vermogen voor een groot aantal kunststoffen. Van bijvoorbeeld benzeen is bekend dat het kankerverwekkend is.
Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOH/ VOCl) Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen zijn koolwaterstoffen met een halogeenverbinding, met name chloor is in dit kader bekend. VOH/ VOCl worden veel gebruikt als ontvettings- en schoonmaakmiddelen bij chemische wasserijen, metaalindustrie en drukkerijen. Met name verontreinigingen met ‘Per’ (tetrachlooretheen) en ‘Tri’ (trichlooretheen) komen veel voor. Per en Tri hebben een hoog soortelijk gewicht (zwaarder dan water) en zijn vrij vluchtig. Ook deze stoffen hebben een sterk oplossend vermogen voor een groot aantal kunststoffen. Van deze stoffen is bekend dat ze het zenuwstelsel aan kunnen tasten.
Zware metalen Zware metalen komen van nature in kleine hoeveelheden voor in de bodem. In deze hoeveelheden zijn ze niet schadelijk voor volksgezondheid of milieu. Grote (schadelijke) hoeveelheden zware metalen zijn in veel gevallen in het milieu terecht gekomen door: • verwerking metaalertsen; • metaalbewerking; • metaaloppervlaktebehandeling (galvaniseren/emailleren); • glazuren van aardewerk (loodwit); • metalen in drukinkt, cosmetica, katalysatoren, accu's, batterijen en verbrandingsafval (sintels, cokes, vliegas, slakken). Zware metalen komen in de bodem vaak in combinatie met puin en aardewerk voor. Door toepassing van lood als antiklopmiddel in benzine zijn grote hoeveelheden lood diffuus verspreid in het milieu terecht gekomen, vooral langs wegen en in stedelijke gebieden.
PFAS De groep van poly- en perfluor-alkyl stoffen (PFAS) is een grote verzameling van koolstofverbindingen waarbij de waterstofatomen door fluor vervangen zijn. Van deze groep zijn de stoffen PFOS en PFOA het meest bekend. Er zijn meer dan 6.000 typen PFAS-verbindingen bekend, die veelvuldig worden toegepast in consumentenproducten als waterafstotende kleding, textiel, tapijt, in leer, papier en in industriële producten zoals verf en brandblusschuim. Tijdens de productie, het gebruik en in de afvalfase komen de stoffen op verschillende manieren in de lucht, bodem en water terecht. De stoffen worden nauwelijks afgebroken in het milieu en kunnen duizenden jaren blijven bestaan. Door bioaccumulatie kunnen de stoffen in de voedselketen terechtkomen. PFAS kunnen schadelijke effecten hebben op de nieren, lever, voortplanting, het immuunsysteem en zijn potentieel kankerverwekkend. PFOS De afkorting PFOS staat voor perfluor-octaansulfonaat. De stof is vooral bekend van de toepassing in brandblusmiddelen. In 1969 is PFOS houdend brandblusschuim geïntroduceerd in Nederland. Sinds 2011 is het gebruik van PFOS voor deze toepassing in de EU verboden. In plaats van PFOS worden nu diverse PFAS verbindingen met kleinere ketens gebruikt in brandblusschuim. PFOA PFOA is de afkorting voor perfluor-octaanzuur en is tot 2012 gebruikt als een hulpstof in de bereiding van Teflon.
Vanwege de aanwezigheid van acht koolstofatomen wordt soms ook wel de minder specifieke afkorting C8 gebruikt. GenX GenX is strikt genomen geen stof, maar een technologie die sinds 2012 wordt gebruikt bij het produceren van fluorhoudende polymeren zoals Teflon. Bij de GenX-technologie wordt de stof 2,3,3,3-tetrafluoro-2-(heptafluoropropoxy)-propaanzuur (FRD-903) en het ammoniumzout ervan (FRD-902) gebruikt.
Bijlage 3.2: Kwaliteit, referentiekader en betrouwbaarheid
KWALITEIT De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform een gecertificeerd kwaliteitssysteem (ISO 9001:2015, ISO 14001:2015 en VCA*). Voor dit project is Lotte van Asselt opgetreden als senior adviseur. Voor het onderdeel asbest in bodem binnen dit project is Lotte van Asselt opgetreden als erkend projectleider protocol 2018. Het veldwerk is uitgevoerd onder het procescertificaat van de BRL SIKB 2000: ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’ (bron 7), protocol 2001: ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’ (bron 8) en protocol 2002: ‘Het nemen van grondwatermonsters’ (bron 9). Het waterbodemonderzoek is uitgevoerd onder protocol 2003 ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek’ (bron 10). Het asbestonderzoek is uitgevoerd onder protocol 2018, ’Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem’ (bron 11).
2001 + 2002 + 2003 + 2018
De procesonderdelen, uitvoering veldwerk en overdracht monsters aan laboratorium zijn uitbesteed aan VWB bodem B.V. (certificaat EC-SIK-20264). Het veldwerk is uitgevoerd door de heren E. de Graaf, S. Ozcan , A. Polat en het waterbodemonderzoek en de watermonstername door de heer A. Polat. Zij zijn erkend en geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving. De procesonderdelen, begeleiding erkend projectleider en rapportage zijn uitgevoerd door Stantec B.V. Stantec B.V. is voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Kiwa Nederland B.V. Ons meest recente certificaatnummer kunt u hier vinden: https://www.stantec.com/nl/about/certifications-memberships. De uitgevoerde kernboringen vallen niet onder een specifieke BRL of protocol. Er is geen (volledige) locatie inspectie uitgevoerd vanwege de aanwezige begroeiing en de aanwezigheid van verharding. Ter plaatse van de asfaltverharding zijn geen proefgaten gegraven, gezien zowel visueel als analytisch geen asbest is aangetoond, beschouwen wij dit als een niet kritieke afwijking. Wij verklaren dat de beschreven uitvoering van kritische functies onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd conform de eisen die de BRL daartoe stelt vanuit de Regeling bodemkwaliteit. De kwaliteitsborgingsformulieren zijn opgenomen in bijlage 4.2. Stantec B.V. en VWB bodem B.V.