8. Zienswijze.pdf
Tekst van het document
AANGETEKEND Aan het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam Aan de Gemeenteraad van Amsterdam Postbus 202 1000 AE AMSTERDAM Vooraf per e-mail: n.van.bennekom@amsterdam.nl
Mr. J.F. de Groot MRICS Advocaat | Partner T +31 20 605 65 44 F +31 20 605 67 04 M +31 6 5152 7324 E j.de.groot@houthoff.com Postbus 75505 1070 AM Amsterdam Gustav Mahlerplein 50 Amsterdam
Amsterdam, 17 mei 2021 Inzake: Bezwaarschrift en zienswijze Wet voorkeursrecht gemeenten Onze ref: 650001115/26211252.2
BEZWAARSCHRIFT TEVENS ZIENSWIJZE TEVENS VERZOEK TOT INTREKKING ARTIKEL 8 LID 2 WVG
Geacht College, geachte Raad, Namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Andritz Asko Emera B.V. (hierna: "Andritz"), gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te (1096 BN) Amsterdam aan de Willem Fenengastraat 10, maak ik hierbij – en mitsdien tijdig – bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam ("het College") bezwaar tegen het besluit van het College d.d. 20 april 2021 tot het (voorlopig) op de voet van artikel 6 Wet voorkeursrecht gemeenten ("Wvg") aanwijzen van het perceel kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie AG, nummer 813, groot 3.724 m2, plaatselijk bekend als Willem Fenengastraat 8 en 10 ("het Perceel"). Andritz is rechthebbende op het erfpachtrecht ten aanzien van het Perceel. Dit besluit werd aan Andritz bekendgemaakt bij brief van 21 april 2021, waarvan ik een afschrift als bijlage 1 bijvoeg. Het voorlopig voorkeursrecht is gepubliceerd in de Staatscourant van 21 april 2021, nr. 19839 en is daarmee per 22 april 2021 in werking getreden. Namens Andritz dien ik hierbij voorts bij de gemeenteraad van Amsterdam een zienswijze in tegen het bij voormelde brief van 21 april 2021 tevens bekendgemaakte voornemen om de gemeenteraad binnen drie maanden na inwerkingtreding van het voorlopig voorkeursrecht voor te stellen op de voet van artikel 5 Wvg te besluiten tot het vestigen (bestendigen) van een voorkeursrecht op het Perceel.
Houthoff is de handelsnaam van Houthoff Coöperatief U.A., statutair gevestigd te Amsterdam (KvK Amsterdam nr. 34216182). De algemene voorwaarden van Houthoff, waarin een beperking van aansprakelijkheid, de toepasselijkheid van Nederlands recht en de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank te Amsterdam zijn bedongen, zijn op alle opdrachten van toepassing. De algemene voorwaarden worden op verzoek toegezonden, maar zijn eveneens te vinden op www.houthoff.com Houthoff is the trade name of Houthoff Coöperatief U.A. with registered office in Amsterdam (Chamber of Commerce Amsterdam no. 34216182). Houthoff's general terms and conditions, which stipulate a limitation of liability, the applicability of Dutch law and the exclusive jurisdiction of the District Court of Amsterdam, the Netherlands, are applicable to all services performed. A copy of the general terms and conditions is available on request or at www.houthoff.com
Gelet op de aard van de bezwaren, die tevens de zienswijze vormen, waaruit volgt dat het (voorlopig) aanwijzingsbesluit onmiskenbaar niet aan de wettelijke vereisten daarvoor voldoet, heeft dit document tevens te gelden als een verzoek tot intrekking van het thans ten aanzien van het Perceel geldende aanwijzingsbesluit, zulks op de voet van artikel 8, lid 1 Wvg. Onderhavig bezwaarschrift (bij het college), tevens zienswijze (bij de gemeenteraad), tevens verzoek tot intrekking (bij het college), zal hierna van een motivering worden voorzien. 1.
Bezwaar tegen besluit tot voorlopige aanwijzing
1.1.
Namens Andritz voer ik de volgende bezwaren aan tegen het besluit van het College van 20 april 2021.
1.2.
Andritz behoudt zich het recht voor om deze bezwaren in een later stadium van een nadere onderbouwing of toelichting te voorzien.
College niet bevoegd: Perceel is reeds betrokken in vigerende structuurvisie en bestemmingsplan 1.3.
Andritz wijst er in de eerste plaats op dat het College niet bevoegd was het Perceel op de voet van artikel 6 Wvg – en derhalve met een procedure die niet voldoet aan de eisen van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht ("Awb") – aan te wijzen als te zijn belast met een voorkeursrecht. Daarmee is het genomen besluit onrechtmatig.
1.4.
Het systeem van de Wvg voorziet erin dat indien en zolang er nog geen structuurvisie of bestemmingsplan is vastgesteld, maar nog alleen een bestemming is 'toegedacht', het College gronden zonder voorafgaande voorprocedure ('als verrassingsaanval') op de voet van artikel 6 Wvg kan aanwijzen, waarna de gemeenteraad binnen drie maanden – nog altijd zonder specifieke planologische basis – op de voet van artikel 5 Wvg een bestendigend raadsbesluit kan nemen.
1.5.
In casu is ten aanzien van het Perceel zowel een structuurvisie vigerend, te weten de Structuurvisie Amsterdam 2040, vastgesteld op 28 april 2011, als een bestemmingsplan, te weten het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Overamstel', vastgesteld op 20 januari 2010. Dit volgt uit het bestreden besluit. Blijkens zowel de vigerende structuurvisie als het bestemmingsplan heeft het Perceel de bestemming bedrijventerrein. Het Perceel wordt conform deze bestemming gebruikt.
1.6.
Ook het Ontwikkelkader Kauwgomballenkwartier, vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam op 2 juli 2020 ("het Ontwikkelkader"), gaat ervan uit dat het vigerende bestemmingsplan nog altijd volledig leidend is ten aanzien van het Perceel en dat juist wordt uitgegaan van ontwikkelen binnen het vigerende bestemmingsplan. Zie de volgende passage uit bedoeld Ontwikkelkader, p. 33:
2/10
"ONTWIKKELEN BINNEN HET VIGERENDE BESTEMMINGSPLAN Het huidige bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Overamstel' (2010) biedt ruimte aan de zittende bedrijven en dit wordt op veel plekken gecontinueerd. Er wordt geen nieuw bestemmingsplan voor het gehele gebied opgesteld, hiermee worden bestaande rechten niet ingeperkt. Uitbreiding van creatieve bedrijvigheid binnen het vigerende bestemmingsplan vindt op dit moment ook plaats. De verwachting is dat op basis van het Ontwikkelkader er kavelgewijs uitgebreide procedures plaatsvinden die het vigerende bestemmingsplan ten dele wijzigen." Hieruit volgt dat, als de gemeente al een voorkeursrecht had willen vestigen, dat had dienen te gebeuren middels een besluit van de gemeenteraad gebaseerd op artikel 3 Wvg. Zie daarover ABRvS 18 november 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA3707. Nu evenwel het Perceel reeds wordt gebruikt conform dat bestemmingsplan, is van een afwijkend gebruik ten opzichte van het 'toegekende' gebruik geen sprake, zodat geen bevoegdheid tot het vestigen van een voorkeursrecht zou bestaan, ook niet op de grondslag van artikel 3 Wvg. 1.7.
Een bevoegdheid voor het College om een voorlopig voorkeursrecht te vestigen op de voet van artikel 6 Wvg bestaat onder deze omstandigheden a fortiori niet, zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met de wet, alsmede met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (waaronder het formele en materiële zorgvuldigheidsbeginsel, waarin begrepen het beginsel van een zorgvuldige afweging van belangen).
College niet bevoegd: vereiste afwijkende toegedachte bestemming ontbreekt 1.8.
Voor zover in het bestreden besluit wordt vermeld dat aan de onderhavige locatie de bestemmingen 'maatschappelijk, groen en/of wonen' worden toegedacht, vindt dit geen basis in het meest recente door de gemeenteraad van Amsterdam vastgestelde beleidsdocument, te weten het Ontwikkelkader. Onder het kopje 'kernboodschap' van het collegebesluit van 20 april 2021 staat als toelichting vermeld: "Het college besluit de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) toe te passen op een deel van de locatie van Willem Fenengastraat te Amsterdam. Voor onder meer onderhavige locatie is het ontwikkelkader 'Kauwgomballenkwartier' op 2 juli 2020 vastgesteld. Dit kader houdt in het transformeren van het 'Kauwgomballenkwartier" naar een gemengde woon-/werkwijk met bijbehorende voorzieningen. Voor de onderhavige locatie wordt een gewijzigd gebruik ten behoeve van maatschappelijk, groen en/of wonen voorzien. Om de kans op een (succesvolle) herontwikkeling te vergroten, is het noodzakelijk om de regie te behouden." Daarmee staat vast dat kennelijk is beoogd dat het Ontwikkelkader de beleidsmatige basis is voor het gevestigde (voorlopige) voorkeursrecht.
3/10
1.9.
Andritz heeft kennisgenomen van de inhoud van het Ontwikkelkader. Anders evenwel dan in het collegebesluit wordt gesuggereerd, is daaraan niet te ontlenen dat ten aanzien van het Perceel de bestemming 'maatschappelijk, groen en/of wonen' wordt toegedacht. Ten aanzien van kavel 'IH3', waarin het Perceel gelegen is (zie Ontwikkelkader p. 30), is aan het Ontwikkelkader niets anders te ontlenen dan dat het een kavel is als elke andere kavel binnen het plangebied, met dien verstande dat het behoort tot een 'zoekgebied toegevoegde openbare ruimte', en dat de gevels een maximale bouwhoogte van 24 meter zouden kennen. Dat juist op deze kavel een school zou zijn geprojecteerd – hetgeen Andritz middels een op 12 mei 2021 mondeling van mevrouw N. van Bennekom verkregen toelichting heeft begrepen – volgt niet uit het Ontwikkelkader en volgt overigens uit geen enkel openbaar gepubliceerd formeel genomen beleidsbesluit.
In het licht van het bestaande – nog maar recent door de gemeenteraad vastgestelde – beleidskader in de vom van het Ontwikkelkader, is het voor het rechtsgeldig vestigen van een voorkeursrecht onvoldoende dat eenvoudig in het artikel 6 Wvg-besluit de enkele stelling wordt opgenomen omtrent een 'toegedachte' bestemming, indien die stelling geen grondslag vindt in dat beleidskader, noch in enig ander gepubliceerd en daarmee kenbaar formeel planologisch of stedenbouwkundig voornemen. Dat klemt te meer indien deze 'toegedachte' bestemming strijdig is met het Ontwikkelkader, waarvan nu juist een kenmerk is dat daarin niet aan specifieke kavels specifieke bestemmingen worden toegedacht, maar waarin sprake is van een organische ontwikkeling binnen het ruime Ontwikkelkader.
1.10.
Gelet hierop kan niet worden aangenomen, althans blijkt niet uit het gepubliceerde beleid van de Gemeente, dat ten aanzien van het Perceel sprake is van een toegedachte bestemming 'maatschappelijk, groen en/of wonen'. Daarmee ontbreekt de basis voor het nemen van een op artikel 6 Wvg gebaseerd (voorlopig) aanwijzingsbesluit, hetgeen het genomen besluit onrechtmatig doet zijn.
Vestiging voorlopig voorkeursrecht in strijd met de wet: er wordt voor het Perceel niet toegewerkt naar een bestemmingsplan 1.11.
Het systeem van de Wet voorkeursrecht gemeenten is aldus vormgegeven dat een voorlopig gevestigd voorkeursrecht (artikel 6 Wvg) maximaal voor de duur van 3 maanden geldt en dat het door de raad kan worden bestendigd middels een op artikel 5 Wvg gebaseerd besluit (als de gronden nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan of structuurvisie). Het voorkeursrecht loopt door als binnen 3 jaar een structuurvisie wordt vastgesteld, en loopt ook weer door als binnen weer 3 jaar daarna een bestemmingsplan wordt vastgesteld. Worden deze termijnen niet gehaald, dan vervalt het voorkeursrecht van rechtswege. Wordt op deze wijze wel tijdig naar een bestendiging middels een vastgesteld bestemmingsplan toegewerkt, dan kan het voorkeursrecht tot 10 jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan blijven gelden.
4/10
1.12.
Uit dit wettelijk systeem volgt dat vestiging van een gemeentelijk voorkeursrecht op gronden van particulieren veronderstelt dat deze gronden – uiteindelijk – in een met alle bestuursrechtelijke waarborgen omkleed tot stand gekomen bestemmingsplan worden opgenomen. Alleen met díe waarborg heeft de wetgever voorzien in de mogelijkheid dat gronden van particulieren gedurende een reeks van jaren belast worden met de beperkingen van het eigendomsrecht die de toepassing van de Wet voorkeursrecht gemeenten uit de aard der zaak met zich brengt.
1.13.
De wijze van ontwikkeling die de Gemeente ten aanzien van het Kauwgomballenkwartier voorstaat, verdraagt zich niet met toepassing van de Wet voorkeursrecht gemeenten in het concrete geval. De gemeenteraad heeft in de Ontwikkelvisie expliciet neergelegd dat voor het gebied geen nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld (p. 33). Met zoveel woorden is in het Ontwikkelkader neergelegd (p. 88): "Voor het Kauwgomballenkwartier stelt de gemeente geen nieuw bestemmingsplan op en laat de initiatieven vanuit de markt het tempo bepalen". Nu derhalve ten aanzien van het gebied waarin het Perceel is gelegen geen sprake zal zijn van een eindbeeld dat wordt neergelegd in een bestemmingsplan, bestaat er geen bevoegdheid voor het College om op de voet van artikel 6 Wvg een voorlopig voorkeursrecht te vestigen. Zou deze bevoegdheid wel worden aangenomen, dan zou dit ertoe leiden dat het Perceel gedurende enige jaren belast blijft met de beperkingen die de Wet voorkeursrecht gemeenten met zich brengt, terwijl zich na 6 jaren en 3 maanden de situatie voordoet – die de Gemeente in feite reeds thans met het Ontwikkelkader van 2 juli 2020 heeft aangekondigd en die derhalve thans reeds manifest is – dat geen bestemmingsplan blijkt te zijn vastgesteld als gevolg waarvan het voorkeursrecht op de voet van artikel 9 Wvg (alsdan) van rechtswege vervalt.
1.14.
Het is onrechtmatig om een voorkeursrecht te vestigen in een situatie waarin op voorhand bekend is dat zich, na enige jaren, hoe dan ook de situatie voordoet dat het voorkeursrecht niet meer aan de wettelijke eisen voldoet. In dat geval wordt het voorkeursrecht kennelijk voor een ander doel aangewend, dan waarvoor het bedoeld is (détournement de pouvoir).
Vestiging voorlopig voorkeursrecht in strijd met het eigen beleid van de gemeente: uit het Ontwikkelkader blijkt van een organische gebiedsontwikkeling zonder regie van de gemeente en zonder actief grondbeleid 1.15.
De kernboodschap die de gemeenteraad in het Ontwikkelkader heeft neergelegd, luidt dat de initiatieven die moeten leiden tot de beoogde herontwikkeling uit de zittende erfpachters zelf moeten komen. De Gemeente zal de gebiedsontwikkeling slechts faciliteren. Aan het Ontwikkelkader wordt het volgende ontleend (p. 31): "Met de vaststelling van het Principebesluit in maart 2018 heeft de stad gekozen voor een geleidelijke transformatie van het Kauwgomballenkwartier van een
5/10
traditioneel bedrijventerrein naar een gemengde woon/werkwijk. Maar anders dan in het Amstelkwartier, waar de nadruk op wonen ligt, ligt in het Kauwgomballenkwartier de nadruk op werken en wordt deze zelfs geïntensiveerd. (…) Het overgrote deel van de kavels in het Kauwgomballenkwartier is in erfpacht uitgegeven. Dat was voor de gemeente reden om het initiatief voor gebiedstransformatie met name aan de zittende gebruikers en bewoners te laten en hun voorstellen te faciliteren of aan te vullen. (…) De rol van de gemeente is om partijen te stimuleren en om ontwikkelingen in het Kauwgomballenkwartier in hun onderlinge samenhang te bekijken." 1.16.
Het Ontwikkelkader vermeldt op p. 33: "ONTWIKKELEN BINNEN HET VIGERENDE BESTEMMINGSPLAN Het huidige bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Overamstel' (2010) biedt ruimte aan de zittende bedrijven en dit wordt op veel plekken gecontinueerd. Er wordt geen nieuw bestemmingsplan voor het gehele gebied opgesteld, hiermee worden bestaande rechten niet ingeperkt. Uitbreiding van creatieve bedrijvigheid binnen het vigerende bestemmingsplan vindt op dit moment ook plaats. De verwachting is dat op basis van het Ontwikkelkader er kavelgewijs uitgebreide procedures plaatsvinden die het vigerende bestemmingsplan ten dele wijzigen. UITGEEFBARE KAVELS EN ACTIEF GRONDBELEID In het Kauwgomballenkwartier liggen nog twee kleine uitgeefbare kavels. Voorlopig beschouwt de gemeente deze kavels als 'strategische ruimte' en worden ze de eerste jaren nog niet uitgegeven. Alleen in uitzonderlijke gevallen overweegt de gemeente aankoop van reeds in erfpacht uitgegeven kavels. ONTWIKKELING ZONDER VAST EINDBEELD De consequentie van deze ontwikkelstrategie is dat niet zal worden toegewerkt naar een specifiek eindbeeld of einddatum. Zo is door de gemeente op voorhand geen planning te geven wanneer welke kavels zullen zijn ontwikkeld. Het ontwikkelkader dwingt namelijk geen kavelontwikkeling af: het biedt enkel de mogelijkheden hiertoe. Het initiatief voor ontwikkeling blijft bij de erfpachters.
(…) Erfpachters hebben dus drie mogelijkheden: niet ontwikkelen, ontwikkelen binnen ontwikkelkader en ontwikkelen binnen huidig bestemmingsplan." (onderstrepingen toegevoegd, adv.)
1.17.
Het Ontwikkelkader biedt derhalve op geen enkele wijze een basis voor het vestigen van voorkeursrechten op gronden binnen het plangebied, waaronder het Perceel. In het bestreden besluit, alsook in het raadsvoorstel strekkende tot bestendiging van het voorkeursrecht op de voet van artikel 5 Wvg, is in het geheel niet gesteld, noch aannemelijk
6/10
gemaakt, dat ten aanzien van specifiek het Perceel sprake is van een 'uitzonderlijk geval' als bedoeld in het Ontwikkelkader op basis waarvan de Gemeente, in weerwil van haar in het Ontwikkelkader neergelegde beleid om geen actief grondbeleid toe te passen, toch aankoop van in erfpacht uitgegeven grond zou overwegen, en daarvoor zelfs het bij actief grondbeleid behorende instrumentarium van de Wet voorkeursrecht gemeenten zou kunnen inzetten (nog daargelaten dat daarvoor, zoals in het voorgaande is weergegeven, om meerdere redenen ook geen (wettelijke) bevoegdheid bestaat). De in het collegebesluit vermelde 'argumenten' om het voorkeursrecht te vestigen staan daarbij haaks op de ontwikkelstrategie die in het Ontwikkelkader uitgebreid en eenduidig is uiteengezet, en waarin voor een actief grondbeleid zoals de Gemeente dat thans (alleen voor het Perceel) toepast geen plaats is. De Gemeente verklaart daarin nu juist niet primair regie te willen uitoefenen, maar faciliterend en volgend te zijn ten aanzien van initiatieven van de erfpachters zelf. Strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur 1.18.
Andritz is richting de Gemeente in haar onderlinge contacten open geweest in de mogelijkheid dat zij haar bestaande bedrijfsactiviteiten op het Perceel zou beëindigen. Terwijl de Gemeente op de hoogte was van het voornemen van Andritz om zich door middel van het aantrekken van vastgoedadviseurs voor te bereiden op een mogelijke toekomstige situatie, heeft de Gemeente de vertrouwelijkheid van deze gesprekken geschonden door op basis van middels die gesprekken verkregen wetenschap Andritz te confronteren met een zonder toepassing van een bestuurlijke voorprocedure – en in strijd met de wet en het eigen beleid van de Gemeente – gevestigd voorlopig voorkeursrecht dat Andritz thans blokkeert in haar voornemens. Dat dit de gang van zaken is geweest, blijkt uit het bestreden besluit waar de Gemeente heeft vermeld: "De gemeente heeft vernomen dat de onderhavige locatie mogelijk door een derde partij wordt aangekocht." De Gemeente ziet daarbij over het hoofd dat (a) het Ontwikkelkader het ontwikkelinitiatief juist bij de erfpachters laat en (b) dat een van de mogelijke koersen die Andritz met haar Perceel op zou gaan juist die van zelfrealisatie zou kunnen zijn, al dan niet in verbinding met een derde partij die kennis en kunde heeft op het terrein van gebiedsontwikkeling.
Ook een verkoop aan een derde partij die vervolgens de initiatieven ontwikkelt die de Gemeente beoogt te faciliteren, zou mogelijk zijn. Al dergelijke handelwijzen zouden zonder meer passen binnen de ontwikkelstrategie die de Gemeente blijkens het Ontwikkelkader voor ogen staat, hetgeen een belangrijke contra-indicatie is voor de bevoegdheid tot het vestigen van voorkeursrechten op basis van de Wvg. Uit het Ontwikkelkader blijkt voorts dat, nu het primaat bij de erfpachters ligt en zij in beginsel blijvende bescherming genieten onder het vigerende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Overamstel', het College, door het thans bestreden besluit te nemen en zich daarbij de belangen die voor Andritz voortvloeien
7/10
uit het bestaande publiekrechtelijke kader niet aan te trekken, heeft gehandeld in strijd met de formele en materiële zorgvuldigheid, in strijd met het vereiste van een zorgvuldige afweging van belangen, in strijd met het vertrouwensbeginsel, in strijd met het beginsel van fair play en in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Strijd met de verplichtingen van de Gemeente uit hoofde van de erfpachtovereenkomst 1.19.
Daarbij heeft bovendien te gelden dat de gemeente Amsterdam in deze ook handelt als privaatrechtelijke contractspartner van Andritz. Het is immers de Gemeente die het Perceel contractueel als bedrijventerrein aan Andritz in erfpacht heeft uitgegeven. De erfpachtovereenkomst is volledig existent en beide partijen dienen zich daaraan te houden. Andritz en de Gemeente staan derhalve ook tot elkaar in een privaatrechtelijke (erfpacht)relatie, waar de Gemeente met haar publiekrechtelijke pet op, op onrechtmatige wijze doorheen kruist. Zo gaat een overheid niet met de belangen van een contractueel gesprekspartner om, hetgeen te meer klemt, nu in het bestreden besluit in het geheel geen gewag wordt gemaakt van de wel aan de Gemeente kenbare belangen van Andritz. Deze handelwijze tart daarmee de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die middels de schakelbepaling van artikel 3:14 BW ook op privaatrechtelijk handelen van de Gemeente van toepassing zijn, hetgeen het collegebesluit ook om die reden onrechtmatig doet zijn.
1.20.
Andritz moet de Gemeente erop wijzen dat haar handelwijze kwalificeert als een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van op de Gemeente jegens Andritz rustende contractuele dan wel precontractuele verplichtingen op basis van de bestaande erfpachtovereenkomst, die Andritz het recht geeft op het genot van de erfpacht, maar ook om dit erfpachtrecht binnen de grenzen van de erfpachtvoorwaarden te vervreemden. Het College is zich, bij het nemen van het bestreden besluit, van deze privaatrechtelijke verplichtingen van de Gemeente jegens Andritz kennelijk niet bewust geweest, terwijl anderzijds deze positie van de erfpachters in het onderhavige gebied juist wel wordt gerespecteerd in het Ontwikkelkader.
Strijd met (pre)contractuele goede trouw 1.21.
Voor zover al niet geoordeeld zou kunnen worden dat in casu sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering voor het nemen en handhaven van het onderhavige voorkeursrechtbesluit, is het nemen van dit besluit niet alleen in strijd met de hiervoor vermelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar ook in strijd met de goede trouw die de rechtsverhouding tussen contractspartners beheerst.
2.
Zienswijze tegen voornemen tot bestendiging voorkeursrecht
2.1.
Andritz voert als motivering van haar zienswijze tegen het voornemen tot bestendiging van het voorkeursrecht middels een op de voet van artikel 5 Wvg te nemen raadsbesluit – zoals dat blijkt uit het bij de brief van 21 april 2021 gevoegde raadsvoorstel – aan hetgeen Andritz hiervoor onder § 1.3 tot en met § 1.21 heeft doen opmerken. Deze onderdelen van
8/10
de motivering van het bezwaarschrift gelieven hier, mutatis mutandis, geacht worden te zijn herhaald en ingelast als motivering van de zienswijze tegen bedoeld voorgenomen raadsbesluit. 2.2.
De zienswijze van Andritz luidt, op de aldus aangevoerde gronden, dat de gemeenteraad niet bevoegd is het voorgenomen aanwijzingsbesluit op de voet van artikel 5 Wvg te nemen, althans dat een op deze basis bestendigend voorkeursrecht in strijd is met de wet, althans met het gepubliceerde beleid van de Gemeente zoals dat onder meer kenbaar is uit het Ontwikkelkader, althans in strijd met de privaatrechtelijke goede trouw zoals deze onder meer voortvloeit uit de bestaande erfpachtverhouding, althans in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3.
Verzoek intrekking voorkeursaanwijzing artikel 8, lid 2 Wvg
3.1.
Nu, zoals uit de motivering van het bezwaar en van de zienswijze blijkt, het inmiddels in werking getreden voorlopige voorkeursrecht niet aan de door de wet daaraan gestelde eisen voldoet, verzoekt Andritz door deze het College om op de voet van artikel 8, lid 2 juncto lid 1 Wvg over te gaan tot onverwijlde intrekking van de aanwijzing.
4.
Aansprakelijkstelling en schadevergoeding
4.1.
Andritz houdt de Gemeente aansprakelijk voor alle schade die zij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de onrechtmatige vestiging van een voorkeursrecht op haar Perceel. Andritz zal de schade die voor haar uit een te nemen casu quo te handhaven voorkeursrecht voortvloeit op de Gemeente verhalen.
5.
Slot
5.1.
Gelet op het vorenstaande verzoekt Andritz het college van burgemeester en wethouders om haar bezwaar gegrond te verklaren en – in heroverweging – het besluit tot het vestigen van een voorlopig voorkeursrecht op de voet van artikel 6 Wvg te herroepen door dit besluit in te trekken.
5.2.
Andritz verzoekt voorts het College om haar op de voet van artikel 7:15, lid 2 Awb de kosten te vergoeden die zij in het kader van deze bezwaarprocedure heeft gemaakt en nog zal maken.
5.3.
Andritz verzoekt om naar aanleiding van dit bezwaarschrift te worden gehoord.
9/10
5.4.
Voor zover het betreft het voornemen om de gemeenteraad voor te stellen het voorkeursrecht door het nemen van een besluit op de voet van artikel 5 Wvg te bestendigen, luidt de hiervoor verwoorde zienswijze dat de gemeenteraad daarvan behoort af te zien, om de redenen als aangegeven.
Hoogachtend, Houthoff
J.F. de Groot
Bijlage: Brief 21 april 2021 houdende toezending van het Wvg-besluit van 20 april 2021
10/10
Bijlage