7j. Buiksloterham 7e part herz_bijlagen bij toelichting_Bijlage 10 Waterparagraaf.pdf
Tekst van het document
Definitief Versie 4
13 juni 2019
Waterparagraaf voor investeringsbesluit, Buiksloterham
Auteur(s) B. Dijkstra Opdrachtgever G&O Contactpersoon K. Boot Ingenieursbureau
Opsteller B. Dijkstra
Goedgekeurd en vrijgegeven
Datum 13-06-2019
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 2 van 84
Inhoud 1 1.1 1.2 1.3
Inleiding Aanleiding Doel Leeswijzer
4 4 4 5
2 2.1 2.2 2.3
Gebiedsbeschrijving Locatie Maaiveldniveau Beheergebieden
6 6 8 9
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Ondergrond Bodemopbouw Freatisch grondwater Stijghoogte watervoerend pakket Ondergrondse constructies Drainagesystemen
11 11 12 16 16 17
4 Grondwaternorm en eisen 4.1 Gemeentelijke grondwaternorm 4.2 Grondwaterzorgplicht en grondwatertoets
19 19 20
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
21 21 23 27 27 27 28
Grondwater advies Kavels ophogen Cunettenmethode Goed doorlatende kadeconstructies. Mitigerende maatregelen kelderbouw Aanleg oppervlaktewater versus drainage Grondwaterkwaliteit
6 Oppervlaktewater 6.1 Oppervlaktewater 6.2 Watercompensatie
29 29 29
7
31
Waterveiligheid
8 Hemelwater 8.1 Hemelwaterafvoer via riolering 8.2 Rainproof
33 33 34
9
40
Nautische veiligheid
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 3 van 84
Bronvermelding
41
Bijlagen
43
Bijlage 1 ‐ Matenplan BSH 10‐2‐2017 Bijlage 2 ‐ grondwatereffecten van drempels in cunetten Bijlage 3 ‐ Grondwaterstanden Bijlage 4 ‐ Stijghoogte Bijlage 5 ‐ BAG Bijlage 6 ‐ Afspraken RWS Bijlage 7 ‐ Rainproof oplossingenkaart Bijlage 8 ‐ Nautisch plan
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 4 van 84
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Het plangebied Buiksloterham in Amsterdam Noord is een stedelijk industriegebied, dat wordt getransformeerd naar een duurzame wijk, voor wonen en werken. Water heeft altijd een belangrijke rol in en rond Buiksloterham gespeeld. Het IJ, de kanalen en de insteekhavens structureren het plangebied. Van oudsher is een groot deel van de activiteiten in het plangebied gericht geweest op het water. Er zijn nu ongeveer 3.500 woningen in ontwikkeling en in de komende tien jaar worden er meer dan 3.000 woningen gebouwd. Dit wordt gefaseerd ontwikkeld. Ten behoeve van het nieuwe investeringsbesluit heeft Grond en Ontwikkeling (G&O) het Ingenieursbureau Amsterdam (IB) gevraagd een inventarisatie en advies te schrijven waarin aandacht wordt besteed aan het huidige watersysteem en mogelijke toekomstige ruimtelijke ingrepen in het watersysteem. Dit rapport dient niet als waterparagraaf voor het stedenbouwkundig plan of bestemmingsplan, maar uitsluitend om richting te geven aan de planvorming en als input voor het investeringsbesluit.
1.2 Doel Het doel van dit rapport is om in de huidige planvormingsfase inzicht te verschaffen in de randvoorwaarden bij ruimtelijke plannen en besluiten die een effect kunnen hebben op het watersysteem en te waarborgen dat waterhuishoudkundige aspecten bij de planvorming in beschouwing worden genomen. Dankzij dit rapport kan het projectteam vroegtijdig systematische aandacht besteden aan alle waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De volgende specifieke aspecten zijn in dit rapport opgenomen: grondwater oppervlaktewater en waterkwaliteit waterveiligheid hemelwater Nautiek In overleg met de opdrachtgever is in deze rapportage de omgang met woonboten buiten beschouwing gelaten. Dit rapport is voornamelijk gebaseerd op onderzoeken uit het verleden en gebiedskennis bij het IB. Bij verdere uitwerking van het maaiveldontwerp en stedenbouwkundig plan is het noodzakelijk om gegevens te verzamelen (o.a. grondwaterstanden), de uitgangspunten en aannamen te verifiëren en aanvullende toetsing op de plannen uit te voeren.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 5 van 84
1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een gebiedsbeschrijving van het huidig plangebied Buiksloterham gegeven. In hoofdstuk 3 wordt de huidige bodemopbouw, grondwaterstanden en ondergrondse constructies beschreven. De navolgende hoofdstukken zijn opgedeeld in wateraspecten, waarbij grondwater uitgebreider aan bod komt in hoofdstuk 4 en 5. Vervolgens worden de thema’s oppervlaktewater (hoofdstuk 6), waterveiligheid (hoofdstuk 7) en hemelwater (hoofdstuk 8) behandeld. In dit rapport kan, door het ontbreken van een eindbeeld, de eindsituatie niet worden getoetst aan de eisen en voorwaarden ten aanzien van het gemeentelijke en landelijke waterbeleid en waterwetgeving. Daar staat tegenover dat in dit rapport wél de belangrijkste randvoorwaarden worden gegeven vanuit alle wateraspecten en het waterbeleid.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 6 van 84
2 Gebiedsbeschrijving 2.1 Locatie Buiksloterham is een gebied dat omstreeks 1850 is ingepolderd vanuit het IJ (zie Figuur 2‐1 ) . Aanvankelijk was het gebied in gebruik als landbouwgrond. Rond 1930 kreeg de westzijde van de polder, waar het plangebied gelegen is, een industriële bestemming met scheepsbouw en bedrijventerrein (zie Figuur 2‐2). Om deze ontwikkeling mogelijk te maken werden havens, kanalen en dokken gegraven.
Figuur 2‐1 Buiksloterham rond 1850 [17]
Figuur 2‐2 Buiksloterham rond 1930 [17]
Met het slib dat hieruit vrijkwam werd het maaiveld opgehoogd tot boven het oppervlaktewaterpeil van de Noordzeekanaalboezem. Momenteel is een deel van het plangebied in ontwikkeling tot woonbestemming. Het totale ontwikkelingsgebied bedraagt ruim 100 ha en is onderverdeeld in 75 kavels. Figuur 2‐3 geeft de kavelindeling weer. Het plangebied is gevormd door de gebieden rondom de straten Grasweg, Distelweg en Asterweg, van Hasseltkade, Papaverweg en Klaprozenweg. In Bijlage 1 ‐ is het matenplan van 10‐2‐2017 gegeven waarin de status van de kavels (te ontwikkelen, uitgeefbaar terrein e.d.) op dat moment is weergegeven.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Figuur 2‐3 Overzicht plangebied Buiksloterham.
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 7 van 84
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 8 van 84
2.2 Maaiveldniveau In Figuur 2‐4 is een de maaiveldhoogte in de Buiksloterham weergegeven, gebaseerd op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) [1]. In Tabel 2‐1 is een overzicht gegeven van de maaiveldhoogtes. Op een aantal kavels zijn bouwputten aanwezig of wordt gesaneerd op het moment van opname (2014) waardoor de maaiveldhoogtes lager liggen dan daarvoor. Voor de herinrichting van een aantal kavels en wegen zijn de maaiveldhoogtes ingemeten. Recente inmetingen (dgn‐bestanden) van een aantal kavels en wegen in de Buiksloterham zijn bij de gemeente Amsterdam (IB) beschikbaar. Tabel 2‐1 Overzicht maaiveldhoogtes openbaar gebied in de Buiksloterham
Locatie Klaprozenweg Bosrankstraat Vlierweg Papaverweg midden Papaverweg oost Korte Papaverweg Johan van Hasseltkade Ridderspoorweg Distelweg Asterweg Grasweg
Maaiveldniveau (mNAP) circa +0,7 à +0,9 +1,4 à +1,5 +1,0 à +1,1 +0,8 à +0,9 +1,2 à +1,3 +0,6 à +0,8 +09 à +1,2 +1,3 à +1,4 +0,7 à +0,8 +0,6 à +0,8 +0,8 à +1,0
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 9 van 84
sixhaven
Figuur 2‐4 Actuele maaiveldhoogten [1]
2.3 Beheergebieden Het plangebied valt onder het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) waarvan de taken worden uitgevoerd door Waternet. Voor het IJ en de insteekkanalen is de gebiedsbeheerder Rijkswaterstaat (RWS) (zie Figuur 2‐5) . Het plangebied ligt geheel binnen de gemeente Amsterdam dat hier de zorg heeft voor de 3 watertaken (stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater), waarbij de gemeente Amsterdam de uitvoering van de watertaken aan Waternet heeft gemandateerd.
Gemeente Amsterdam
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 10 van 84
Waterparagraaf Buiksloterham
Dijkring 13
Dijkring 44
RWS
Dijkring 13 HHNK
BSH
Legenda:
AGV
Groen gekleurd = HHNK; Geel gekleurd = AGV; blauw= RWS Rood gekleurd= kanaalbeheer provincie NH Rode lijn= primaire waterkering Blauwe lijn= globale ligging plangebied
Figuur 2‐5 Overzicht van de verantwoordelijke waterbeheerders (waterkwaliteit en waterkwantiteit)
Gemeente Amsterdam
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 11 van 84
Waterparagraaf Buiksloterham
3 Ondergrond 3.1 Bodemopbouw Vanwege de ontstaansgeschiedenis als voormalig slibdepot met industriële activiteit en later als bedrijventerrein, heeft het plangebied een bodemsamenstelling die tot de eerste zandlaag sterk varieert. De eerste 2 à 3 meter vanaf maaiveld zijn grotendeels bepaald door menselijke ingrepen. De Buiksloterham is een landaanwinning geweest op het IJ en kende in eerste instantie een agrarisch gebruik. Later is dit gebied opgehoogd met grond en slib. Ten behoeve van de inrichting als industrieterrein zijn kanalen en havens gegraven die in aan het einde van de 20‐ste eeuw (deels) weer zijn opgevuld met grond (zand). Geologisch gezien bestaat de bodem uit een antropogene (door de mens aangebrachte) laag van 2 á 3 meter op een Holoceen pakket tot circa NAP‐12 à ‐13 m. Dit Holoceen pakket bestaat uit klei en slib met afwisselend enkele zandlaagjes en veen. In de Buiksloterham is in de ondergrond vrijwel overal aan de basis van het Holoceen pakket het basisveen aanwezig met een dikte van circa 0,5 m. Onder het basisveen is voornamelijk Pleistoceen zand aanwezig, tot een diepte van circa NAP‐ 28 m tot NAP‐32 m, met binnen dat pakket een slechtdoorlatende tussenlaag (Alleröd klei) die niet overal aanwezig is. Onder het Pleistocene zand is de Eemklei gelegen, die in Amsterdam als geohydrologische basis kan worden gezien.
Op basis van diverse boringen en sonderingen uit het archief van IB [2][3][4][5] is de algemene bodemopbouw en geohydrologie van het gebied afgeleid en schematisch weergegeven in Tabel 3‐1. Vanwege de sterk variërende bodemopbouw in het gebied kunnen lokaal grote afwijkingen ten opzichte van deze algemene schematisatie optreden. Tabel 3‐1: Algemene bodemopbouw (kan lokaal afwijken) Pakket
van mNAP
tot mNAP
Dikte (m)
Geohydrologische schematisatie
Ophoogzand
+1,2 à +1,5
+0,6 à +1,1
1
Freatisch pakket
Ophooglaag, puin,
+0,6 à +1,1
‐0 à ‐1
0,5 à 2
Freatisch pakket
stortmateriaal, baggerslib Klei/slib/veen
‐0 à ‐1
‐6
5
Wadzand
‐6
‐11,5
5,5
Slecht doorlatende
Basisveen
‐11,5
‐12 à ‐13
0,5
scheidende laag
Eerste zandlaag
‐12 à ‐13
‐15
3
Tussenlaag (alleröd)
‐15
‐19
4
Eerste watervoerend
Tweede zandlaag
‐19
‐28 à ‐32
9
pakket
De Oergeul van het IJ is dat gebied waar een deel van het Pleistocene zand deels of volledig afwezig is. Op basis van boringen en sonderingen is een inschatting gemaakt van de ligging van de oergeul. Een globale ligging van de Oergeul is gepresenteerd in Figuur 3‐1. De Oergeul ligt aan de
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 12 van 84
westrand van het plangebied Buiksloterham [2]. Bij gebiedsontwikkelingen waarbij de ligging van de Oergeul relevant is, zoals aanplempingen en de bouw van goed gefundeerde constructies, is het noodzakelijk de ligging, diepte en dikte van het Pleistocene zand nader in kaart te brengen.
Figuur 3‐1 Globale ligging Oergeul in het blauw aangegeven[2]
3.2 Freatisch grondwater Grondwatergegevens zijnopgevraagd bij Waternet. Daarnaast zijn peilbuizen in het plangebied geplaatst waarin door dataloggers dagelijks de grondwaterstand wordt gemeten. De meetgegevens zijn geverifieerd met handmetingen. Zie Bijlage 3 ‐ voor de complete meetreeksen.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Grondwaterstanden in mNAP GG:gemiddeld GHG:gemiddeld hoogste Mv: maaiveld
Figuur 3‐2: Grondwaterstanden in peilbuizen van de Gemeente Amsterdam en Waternet
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 13 van 84
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 14 van 84
Het gebied heeft een inhomogene bodemopbouw met lokaal verschillende grondwaterstanden tot gevolg. Door klei‐ of sliblenzen in de ophooglaag kunnen grillige en lokaal hoge grondwaterstanden en schijngrondwaterstanden optreden. Daarnaast zijn ondergrondse constructies (zie paragraaf 3.4) en drainagesystemen(zie paragraaf 3.5 ) aanwezig die de grondwaterstand kunnen beïnvloeden. De gemiddelde grondwaterstand (GG) varieert over het projectgebied tussen circa NAP‐0,25 m tot NAP+0,55 m. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) varieert tussen circa NAP‐0,15 m en NAP+0,9 m. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) varieert tussen circa NAP‐0,5 m en NAP+0,45 m. De grondwaterstanden van peilbuizen in en in de omgeving van het plangebied Buiksloterham laten een grillig verloop zien. Met grote variaties op relatief korte afstand, zoals bijvoorbeeld te zien is tussen pb50 en Waternet peilbuis C06208, welke vlak naast elkaar liggen, waar een verschil van bijna 0,4 m is gemeten in de gemiddelde grondwaterstand. De ontwateringsdiepte ten opzichte van de GHG varieert tussen circa 0,1 m en 1,4 m. Het grootste deel van het projectgebied voldoet niet aan het streven van een ontwatering van 0,9 m t.o.v. maaiveld. Met name de Grasweg en de Asterweg hebben de kleinste ontwatering.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Figuur 3‐3: Ontwatering t.o.v. GHG [m
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 15 van 84
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 16 van 84
3.3 Stijghoogte watervoerend pakket De Buiksloterham ligt tussen relatief diepe polders in. Ten opzichte van de BSH ligt: de Buikslotermeerpolder (polderpeil NAP‐4,80 m) noordoostelijk, Watergraafsmeer (polderpeil NAP‐5,5 m) zuidoostelijk en Haarlemmermeerpolder zuidwestelijk (polderpeil circa NAP‐6,0m). Volgens het verloop van de isohypsen in Grondwatertools.nl [20] is de grondwaterstroming in het eerste watervoerende pakket beperkt en noordoostelijk‐ richting de Buikslotermeerpolder. De locaties van de peilbuizen en bijbehorende gemeten stijghoogte zijn in grafieken gepresenteerd in Bijlage 4 ‐ . De stijghoogte in het eerste watervoerende pakket fluctueert in de omgeving van het plangebied tussen NAP ‐1,6 m en NAP ‐2,3 m, met uitschieters in de extreem droge zomer van 2018 ( tot NAP ‐2,9 m ). De gemiddelde stijghoogte is NAP ‐1,9 m. In dit gebied is verder sprake van een inzijgingssituatie; een infiltratiesituatie van het freatisch pakket richting WVP1. Mogelijk wordt er in de Buiksloterham in de toekomst gebruik gemaakt van bodemenergie uit de diepere zandlagen. De kansen en risico’s van bodemenergie voor de Buiksloterham staan beschreven in het Bodemenergieplan Buiksloterham, IF technologie, d.d. 14‐8‐2014 [23].
3.4 Ondergrondse constructies In het gebied zijn kelders en voormalige kades langs de gedempte grachten aanwezig. Ondergrondse constructies zoals particuliere kelders, parkeergarages of waterremmende oeverconstructies zoals kadeconstructies met damwanden kunnen invloed hebben op de grondwaterstroming en grondwaterstand in de omgeving. Ondergrondse constructies kunnen voor een blokkade voor de grondwaterstroming zorgen. Op basis van gebiedskennis van het Ingenieursbureau van de Gemeente Amsterdam zijn de huidige en mogelijk toekomstige (vergunde) kelders in kaart gebracht en in het oranje aangegeven in Figuur 3‐4. Op de niet‐ingekleurde kavels zijn geen volledig verdiepte kelders, ondergrondse parkeergarages of ondergrondse damwandconstructies aanwezig[25]. Bij gebruik van onderstaand kaartje is het belangrijk de aanwezigheid van de ondergrondse constructies nogmaals te verifiëren.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 17 van 84
Figuur 3‐4: Ruimtereservering kelders voor toekomstige kavels
Bij werkzaamheden in de nabijheid waarbij de grondwaterstand verlaagd wordt, dient te worden voorkomen dat het funderingshout droogvalt. Derhalve is een eerste globale inventarisatie gedaan van gebouwen met houten funderingen. Panden die voor 1945 zijn gebouwd staan mogelijk op houten palen. In Bijlage 5 ‐ zijn deze vooroorlogse panden aangegeven. Geadviseerd wordt om te onderzoeken of deze panden inderdaad op houten palen staan. Met deze panden dient rekening te worden gehouden tijdens werkzaamheden waarbij de grondwaterstand wordt verlaagd. In het gebied is in ieder geval één houten paalfundering met zekerheid bekend: het ‘directeurshuis’ aan Distelweg 64‐66.
3.5 Drainagesystemen Volgens de Leidingenkaart (2015) van Waternet zijn er geen drainagesystemen binnen het plangebied aanwezig [9]. Drainagesystemen die niet door Waternet/AGV worden onderhouden zijn niet in deze kaart weergegeven. In 2016 is in de Klaprozenweg drainage aangelegd ten behoeve van de ontwatering van nieuw geplante bomen, zie Figuur 3‐5. Deze drainage is in beheer bij Waternet.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 18 van 84
Figuur 3‐5 Doorsnede van drain in draineerzand met geotextiel (links) en tracé drain (rechts).
Vermoedelijk ligt er wel drainage in een aantal straten, maar deze is niet in het beheer van Waternet. Ook ligt er riolering, die mogelijk drainerend werkt, omdat deze vanwege ouderdom lek kan zijn. De aanwezige drainage en lekke riolering houden lokaal de grondwaterstand op peil. Wanneer de drainerende functie verminderd of helemaal wegvalt zal de grondwaterstand mogelijk stijgen. Dit treedt in de toekomst op: bij vervanging van de lekke riolering, waardoor deze niet meer kan draineren. als de drainage dichtslibt of verstopt raakt. Om in de toekomst een goede ontwatering in de Buiksloterham te realiseren, dient in de grondwatertoets rekening te worden gehouden met dit effect. Conform het huidige gemeentelijke beleid is het niet meer wenselijk om nieuwe drainage aan te leggen, omdat het als een niet‐duurzaam en onderhoudsgevoelige systeem wordt beschouwd. Daarnaast zijn in het gebied een aantal bodemverontreinigingen aanwezig, waarbij met drainage het risico bestaat op verspreiding en/of verplaatsing van verontreinigingen. Bij herontwikkeling wordt in eerste instantie geadviseerd de benodigde ontwateringsdiepte bij voorkeur te realiseren door voldoende hoogte in het maaiveld aan te brengen, de aanleg van cunetten, voldoende doorsteken naar het oppervlaktewater te maken en gebruik te maken van goed doorlatend ophoogzand.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 19 van 84
4 Grondwaternorm en eisen 4.1 Gemeentelijke grondwaternorm Ter verduidelijking zijn in Figuur 4-1 zijn een aantal hydrologische begrippen nader toegelicht.
Figuur 4‐1 Hydrologische begrippen in beeld.
Conform het GRP2016‐2021 [11] dient voor alle nieuwbouw in de eindsituatie te voldoen aan de gemeentelijke grondwaternorm. Dit betekent voor kruipruimteloos bouwen een ontwateringsdiepte van minimaal 0,5 m t.o.v. een grondwaterstand die gedurende maximaal 5 aaneengesloten dagen met een herhalingstijd van 1x/2 jaar overschreden wordt. Voor bouwen met kruipruimtes geldt een ontwateringsnorm van minimaal 0,9 m t.o.v. de maatgevend hoge grondwaterstand. Aanvullend hierop: kunnen beheerders van kabels, leidingen, wegen, sporen en openbaar groen aanvullende eisen hebben voor de aanwezige ontwatering (=afstand tussen grondwater en maaiveld) acht de gemeente Amsterdam voor de aanplant van bomen een ontwateringsdiepte van minimaal 0,9 m t.o.v. de GHG wenselijk. Het plan is het beleid aan te passen na 2021 om uniform 0,9 m ontwateringsnorm te hebben, waarmee de bovenstaande 0,5 m voor kruipruimteloos bouwen zou komen te vervallen. Het advies is om voor de Buiksloterham uit te gaan van een ontwateringsnorm van 0,9 m.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 20 van 84
4.2 Grondwaterzorgplicht en grondwatertoets De grondwaterzorgplicht vereist dat ontwikkelingen in het plangebied zowel tijdens uitvoering als in de eindsituatie geen verslechtering van de grondwatersituatie mogen veroorzaken, ook niet voor naastgelegen gebieden. Een verslechtering in de eindsituatie kan bijvoorbeeld ontstaan door grote nieuwe ondergrondse obstructies zoals ondergrondse parkeergarages, tunnels, ondoorlatende damwanden of ondoorlatende kadeconstructies die de grondwaterstroming blokkeren. In ongunstige gevallen kunnen deze blokkades leiden tot grondwateroverlast (vernatting en plasvorming aan maaiveld, overlast voor bomen) of grondwateronderlast. De invloed op het grondwatersysteem van nieuwe ondergrondse ontwikkelingen (zoals parkeerkelders en damwanden) en wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem dient daarom te worden onderbouwd met berekeningen (modelsimulaties). Daarnaast dienen ontwikkelaars ook rekening te houden met de grondwatersituatie in binnentuinen, waar vanwege kelderbouw risico kan ontstaan op ingesloten grondwater en grondwateroverlast. Als onderdeel van de waterparagraaf in het bestemmingsplan en bij de aanvraag van watervergunningen voor nieuwe ondergrondse constructies dient om die reden een grondwatertoets te worden uitgevoerd waarin het cumulatieve effect van alle ontwikkelingen wordt meegenomen.
Deze grondwatertoets is in deze rapportage niet beschouwd, omdat het een waterparagraaf voor het investeringsbesluit betreft. Voorafgaand aan de besteksfase wordt met een grondwatermonitoring en een grondwatermodel de toekomstige situatie met ontwikkelingen getoetst, rekening houdend met klimaatverandering (grondwatertoets). Eventuele mitigerende maatregelen om de grondwaterstand te beheersen kunnen zodoende tijdig in de herontwikkeling worden ingepland. Om de lokale grondwatersituatie te onderzoeken zijn de volgende acties nodig: 1. De planvorming dient al te zijn uitgewerkt tot een (concept) stedenbouwkundig plan zodat de uitgangspunten helder zijn om de toekomstige grondwaterstand te kunnen berekenen . 2. Met de gegevens uit de monitoring kan het grondwatermodel worden geijkt en dient een grondwatertoets voor het plangebied te worden uitgevoerd. Idealiter wordt gebruik gemaakt van meetreeksen van minimaal 10 jaar. Dit duurt echter te lang voor de huidige planvorming. Daarom wordt in dit geval het grondwatermodel geijkt op basis van de grondwatermonitoring en bestaande peilbuisgegevens van Waternet. 3. Op basis van de grondwatertoets wordt een advies te worden opgesteld, waarin de toekomstige maaiveldhoogte wordt bepaald.
Belangrijk onderdeel van het ophoogadvies is een geotechnisch advies waarin de te verwachten zettingen worden bepaald die ontstaan door het gewicht van het ophoogpakket. Voorstel is het grondwatermodel te actualiseren wanneer meer bekend is over het gebied.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 21 van 84
5 Grondwater advies In afstemming met de opdrachtgever G&O is in grote lijnen vanaf 2004 al besloten voor een combinatie van ophogen, doorlatend maken van kadeconstructies en de cunettenmethode. De combinatie van maatregelen is conform de wensen van het projectteam bedoeld als algemene richtlijnen voor een goede waterhuishouding in de Buiksloterham. 1. Maaiveld van de kavels en wegen op gewenste hoogte brengen. 2. Aanbrengen zandcunetten o zandcunetten van circa 1,5 m diepte onder alle openbare wegen (niet onder trottoirs vanwege kabels en leidingen) met een doorlatendheid van minimaal 7 m/d. o Aanvullend op eerdere grondwateradviezen is afgesproken dat alle zandcunetten worden aangelegd tot NAP‐0,6 m, dit om (klei)drempels te voorkomen en voldoende doorstroombare cunetdikte te creëren. In Bijlage 2 ‐ is in een schematische tekening het verhogende grondwatereffect van (klei)drempels opgenomen. o Zoveel mogelijk doorsteken naar het oppervlaktewater maken door het aanbrengen van zandcunetten op kavels in ontwikkeling, zoals op kavel 52 3. Goed doorlatende kadeconstructies . o ter plaatse van aansluiting zandcunetten op oppervlaktewater. o Goed doorlatende (geperforeerde) kadeconstructies bij kavels. 4. Effect van kelderbouw op grondwater inzichtelijk maken en mitigerende maatregelen treffen. 5. Aanleg drainagemiddelen (oppervlaktewater en/of eventueel buisdrainage).
Naarmate meer kavels worden voorzien van een goed doorlatende leeflaag, er meer doorsteken naar het oppervlaktewater worden gerealiseerd neemt het belang van het functioneren van de buisdrainage af. In dit stadium in de transformatie van bedrijventerrein naar woon‐werkgebied is er vraag naar maatwerk, waarin per locatie wordt aangegeven welke maatregelen (kosten)effectief kunnen zijn. Bovenstaande adviezen zijn hieronder per punt in een paragraaf uitgewerkt
5.1 Kavels ophogen Bij de nieuw te ontwikkelen kavels en openbare ruimte dient het maaiveld bij voorkeur te worden opgehoogd. Ophogen is in de praktijk niet altijd te realiseren; door gefaseerde ontwikkelingen is er niet voldoende ruimte om hoogteverschillen tussen bestaande en opgehoogde kavels of wegen op te vangen. Het maaiveld dient te worden opgehoogd met goed doorlatend zand met een doorlatendheid van minimaal 7 m/d. Daarnaast dient ophogen gecombineerd te worden met maatregel 2 (zandcunetten), maatregel 3 (goed doorlatende kadeconstructies) en maatregel 4
Gemeente Amsterdam
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 22 van 84
Waterparagraaf Buiksloterham
(bijv. verlengen van Papaverkanaal en de aanleg van (tijdelijke) drainage in de hoofdwegen, in Asterweg, Distelweg, Papaverweg, Klaprozenweg en mogelijk in de Grasweg). Door de gefaseerde ontwikkeling is het belangrijk dat elke keer dat een particuliere kavel van eigenaar wisselt wordt aangestuurd om aan te sluiten bij het nieuwe gewenste maaiveldniveau. Om deze werkwijze te borgen, is het verstandig dit bij voorkeur vast te leggen in het bestemmingsplan en anders in de bouwenvelop. Geef duidelijk aan dat de eigenaar dan tijdelijke voorzieningen moet treffen om de toegankelijkheid van zijn kavel te waarborgen. Wanneer een groot aantal kavels is ontwikkeld, kunnen ook de wegen op het hogere niveau komen. Waar dat niet mogelijk of gewenst is, accepteer dat sommige kavels lager blijven liggen tussen reeds opgehoogde wegen met de juiste tijdelijke maatregelen zoals:. 1. Aanleg hellingbaan met op het laagste punt een kolk of roostergootje. Bij de hoogteverschillen tot circa 0,5 m hoeft een hellingbaan niet meer dan 10 m lengte te hebben, en kunnen voetgangers met drie treden volstaan. Dit is maatwerk en moet met de eigenaren worden overlegd. 2. Hemelwater zoveel mogelijk afvoeren naar het oppervlaktewater door het maaiveld (van de kavel en weg) richting het oppervlaktewater te profileren en/of goten of buizen aan te leggen.
` Onderscheppen wegwater in goot en afvoer naar riool hellingbaan
Omdraaien hemelwaterafvoer door lichte aanpassingen
regenriool Figuur 5‐1 Omdraaien hemelwaterafvoer kavels richting oppervlaktewater
3. Als er geen oppervlaktewater in de omgeving is kan afstromend regenwater worden onderschept door een afgedekte goot tussen de weg en de kavel om te voorkomen dat de kavel blank komt te staan. 4. Als er geen oppervlaktewater grenst aan de kavel of eigenaren teveel aanpassingen moeten doen kan water worden afgevoerd naar het hemelwaterriool. Een terugslagklep is noodzakelijk om te voorkomen dat water uit het hemelwaterriool terugloopt naar de laaggelegen kavel. Dit laatste model kent grote risico’s, omdat de kavels afhankelijk zijn van een goed functionerend en voldoende groot gedimensioneerd rioolsysteem.
Gemeente Amsterdam
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 23 van 84
Waterparagraaf Buiksloterham
` Onderscheppen wegwater in goot en afvoer naar riool hellingbaan
hemelwaterafvoer richting eigen goot op kavel
terugslagklep regenriool (iets dieper) Figuur 5‐2 hemelwaterafvoer kavels naar het regenriool
Risico’s waar rekening mee gehouden moet worden bij het ophogen van het maaiveld zijn: Zettingsverschillen tussen straten en kavels, die kunnen leiden tot schuine stoeptegels of tot het breken van kabels en leidingen. Flexibele huisaansluitingen, moderne koppelstukken (pendelstukken) of overlengte kunnen uitkomst bieden. Over de diepteligging moeten afspraken worden gemaakt met kabels‐ en leidingenbeheerders en eigenaren over de minimale gronddekking (i.v.m. beschadiging) en maximale gronddekking (i.v.m. bereikbaarheid) en het voorkomen van teveel zettingen (i.v.m. breken) Wanneer de ophoging plaatsvindt vlak naast bestaande gebouwen kunnen krachten op de bestaande funderingen ontstaan. Het is de vraag in hoeverre de bestaande funderingen deze krachten aankunnen. Dit punt moet gecheckt worden.
5.2 Cunettenmethode In de grondwateradviezen van 2004,2010 en 2017 is een combinatie van maatregelen voor de verbetering van de grondwaterhuishouding voorgesteld. Hier wordt aanbevolen om zandcunetten van 1,5 m diepte onder alle openbare wegen (niet onder trottoirs vanwege kabels en leidingen) van goed doorlatend zand ( k‐waarde > 7 m/d),aan te brengen. Aanvullend op eerdere grondwateradviezen is afgesproken dat alle zandcunetten worden aangelegd tot NAP‐0,6 m, dit om (klei)drempels te voorkomen en voldoende doorstroombare cunetdikte te creëren. Dit principe is weergegeven in Bijlage 2 ‐ . Dit principe heeft verschillende voordelen: Het grondwater kan beter afstromen naar het oppervlaktewater (mits de kadeconstructie ook waterdoorlatend is) waardoor de grondwaterstand daalt, de nutsbedrijven hebben de garantie dat hun kabels en leidingen in schoon zand liggen en de aangrenzende kavels hebben profijt van deze goed doorlatende wegcunetten in de openbare ruimte (zie Figuur 5‐3).
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 24 van 84
Figuur 5‐3 Indicatief dwarsprofiel cunettenmethode bij maaiveld NAP+1,5/+1,35m (niet op schaal)
In dit stadium in de transformatie van bedrijventerrein naar woon‐werkgebied dient op lokale schaal een afweging gemaakt tussen de gewenste ontwatering (met of zonder bomen) en de effectiviteit en benodigde breedte en diepte van de cunetten. Door maatwerk per locatie zal niet overal een breed en diep cunet noodzakelijk zijn. De definitieve bepaling van de breedte en diepte van de cunetten wordt bepaald op basis van de grondwatermonitoring en de grondwatermodellering. Vooruitlopend op de resultaten van de grondwatermodellering is de noodzaak en afmeting van een cunet onder andere afhankelijk van de volgende 4 variabelen: 1. Het verschil tussen de huidige ontwatering en de gewenste ontwatering. a. Op de Grasweg is de huidige ontwatering kleiner dan de gewenste ontwatering. Hier is het noodzakelijk een diep en breed cunet aan te leggen en mogelijk een drain om nader tot de gewenste ontwatering te komen. b. Op de hoek van de Asterweg en de Distelweg is de huidige ontwatering kleiner dan 50 cm. De gewenste ontwatering voor deze locatie is meer dan 90 cm in verband met de geplande bomen. Hier is het noodzakelijk een diep en breed cunet in combinatie met een drain aan te leggen om nader tot de gewenste ontwatering te komen. 2. De afstand van het cunet tot het oppervlaktewater (drainagebasis) a. De Hasseltkade en Veldbiesstraat en Kropaarstraat liggen direct aan het oppervlaktewater.
Bij aanleg van een 1,2m dikke leeflaag wordt hier een goede ontwatering verwacht en is een diep cunet niet nodig. De kade dient wel uitgerust te zijn met een grindkoffer met doorsteken.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 25 van 84
b. Delen van de Papaverweg liggen relatief ver van het oppervlaktewater. Hier is de opstuwing/opbolling van de grondwaterstand het grootst. Als op basis van de grondwatermodellering en grondwatermonitoring de ontwatering hier zeer slecht blijkt te zijn, wordt aanbevolen om een zo diep en breed mogelijk cunet of eventueel een drain aan te leggen. 3. De kans op drempelvorming. Indien een straat als afvoer dient voor achterliggend gebied kan een smaller of ondieper cunet een belemmering vormen voor de afstroom van grondwater naar het oppervlaktewater. In de van Hasseltkade dient een diep cunet te worden aangebracht, daar waar de dwarsstraten ( bijvoorbeeld de Boterbloemstraat en Christofferkruidstraat) de Hasseltkade kruisen. 4. Of het realiseerbaar is. Ter plaatse van de Grasweg wordt een landhoofd van en brug gerealiseerd waardoor het maaiveld ter plaatse aanzienlijk hoger ligt en het cunet erg diep ten opzichte van maaiveld komt te liggen. Derhalve wordt het diepe cunet doorgestoken via kavel 60 naar het Tolhuiskanaal. Op basis van bovenstaande 4 variabelen voor de aanleg van cunetten is in Figuur 5‐4 een voorstel gedaan voor de ligging van de diepere cunetten. Locaties met diepe zandcunetten zijn aangegeven met geel Locaties waar een leeflaag volstaat zijn aangegeven met roze. 1. Locaties met diepe zandcunetten en evt. (tijdelijke) buisdrainage zijn aangegeven met paars.
De aanleg van drainage dient voorkomen te worden door het implementeren van andere maatregelen zoals: aanleg oppervlaktewater, perforeren of doorlatende maken van kades en ophogen van het maaiveld. Naarmate meer kavels worden voorzien van een goed doorlatende leeflaag, er meer doorsteken naar het oppervlaktewater worden gerealiseerd neemt het belang van het functioneren van de buisdrainage af. Locaties waar het nog niet bekend is zijn niet ingekleurd. De uiteindelijke grootte en breedte van de cunetten wordt bepaald op basis van de resultaten van de grondwatermonitoring en de grondwatermodellering en daarnaast dient een optimalisatie te worden uitgevoerd in overleg met specialisten met vak‐ en gebiedskennis. De kaart in Figuur 5‐4 heeft geen status en is slechts ter indicatie. Een optimalisatieslag van deze kaart is noodzakelijk om de ligging en diepte van cunetten te bepalen
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 26 van 84
Cunettenmethode dient geïmplementeerd te worden in combinatie met andere maatregelen zoals: Waterdoorlatende kades Ophogen tot kavel/straatniveau NAP+1,5/+1,35 m Aanleg drainagemiddelen (oppervlaktewater en/of buisdrainage) De uiteindelijke grootte en breedte van de cunetten wordt bepaald op basis van de resultaten van de grondwatermonitoring en de grondwatermodellering en daarnaast dient een optimalisatie te worden uitgevoerd door specialisten met vak‐ en gebiedskennis. Deze kaart heeft geen status en is slechts ter indicatie.
Figuur 5‐4 Concept voorstel voor ligging leeflaag en diepere cunetten, ter indicatie van de mogelijkheden.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 27 van 84
5.3 Goed doorlatende kadeconstructies. Een andere effectieve maatregel is om de huidige kadeconstructies te perforeren om bij te dragen aan het verlagen van de grondwaterstand. In Figuur 5‐4 is in lichtblauw aangegeven waar het doorlatend maken van de kade effectief is. Belangrijk is verder dat er goed doorlatende kadeconstructies ter plaatse van de aansluiting van zandcunetten op het oppervlaktewater worden aangelegd voor de afvoer van grondwater. Daar waar particuliere kavel van eigenaar wisselt is het belangrijk aan te sturen op het toepassen van grondverbetering en de aanleg van goeddoorlatende kadeconstructies. Demping van watergangen of aanplempingen kunnen veranderingen van de grondwaterstand in de omgeving tot gevolg hebben. De dempingen dienen vanaf NAP‐0,6 m of dieper integraal te worden opgehoogd met goed doorlatend zand ( k‐waarde > 7 m/d), om (klei)drempels te voorkomen en voldoende doorstroombare dikte te creëren. Daarnaast dienen ook van de nieuwe aanplempingen de kadeconstructies waterdoorlatend te worden uitgevoerd.
5.4 Mitigerende maatregelen kelderbouw Indien uit de grondwatertoets blijkt dat nieuwe ontwikkelingen, zoals de aanleg van kelders of dempingen, negatieve invloed hebben op het grondwatersysteem, of risico’s veroorzaken voor de omgeving, moeten mitigerende maatregelen worden toegepast. Te denken valt dan aan het realiseren van grondverbetering naast‐ en onder ondergrondse parkeergarages en/of het aanbrengen van perforaties in ondergrondse damwanden. De gemeente kan er ook voor kiezen om restricties aan ondergronds bouwen op te leggen in het bestemmingsplan of bouwenvelop. Geadviseerd word om ook restricties op te leggen voor het bouwen met kruipruimtes en actieve hemelwaterinfiltratie (zowel openbare als private ruimte).
5.5 Aanleg oppervlaktewater versus drainage Indien ophoging niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat bestaande aangrenzende gebouwen gehandhaafd blijven, heeft conform gemeentelijk beleid GRP2016‐2021 aanleg van extra oppervlaktewater de voorkeur boven drainage [11]. Aanleg van oppervlaktewater zal in veel gevallen, vanwege de huidige bebouwing, niet realiseerbaar zijn. In sommige gevallen is niet te vermijden dat drainage wordt toegepast om aan de grondwaternorm te voldoen. In dat geval dient de drainage robuust te worden uitgevoerd; dat wil zeggen dat de drainage bij voorkeur zo ontworpen wordt dat deze niet periodiek droogvalt (wat kan leiden tot verstopping door ijzeroxidatie).De drainage dient te worden omhuld door een koffer van goed doorlatend materiaal (grind of drainagezand) met geotextiel omhulling (geweven, poriegrootte >300 mµ) om ingroei van wortels tegen te gaan.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 28 van 84
5.6 Grondwaterkwaliteit In grote delen van het plangebied komen verontreinigingen voor. De bij het Ingenieursbureau Amsterdam bekende verontreinigingen in de BSH zijn opgenomen in de ‘Algemene uitgangspunten en onderbouwing GREX BSH 2018 raming’ [21]. In het plangebied zijn bedrijfsmatige activiteiten geweest waarbij oplosmiddelen en minerale olie werden gebruikt. Dit heeft vaak geleid tot het ontstaan van mobiele verontreinigingen, verontreinigingen die zich kunnen verspreiden middels het grondwater. Er zijn verschillende vlekken bekend in de Buiksloterham; zo zijn er verschillende vlekken met VOCI (gechloreerde koolwaterstoffen) die, vanwege hun hogere soortelijke gewicht, zich tot op grotere diepte hebben kunnen verspreiden. Andere mobiele verontreinigingen die veelvuldig voorkomen zijn minerale olie en aromaten, met name als gevolg van opslag en lekkage ter plaatse van tanks. De aanpak van de mobiele verontreinigingen is afhankelijk van de aard van de verontreiniging. Oppervlakkige verontreinigingen zoals minerale olie kan gemakkelijk met een herinrichting worden ontgraven, diepe verontreinigingen vragen een specifiek andere saneringsaanpak, te denken valt aan stimulering van de natuurlijke afbraak tot onttrekken van grondwater met zuivering. Advies over de aanpak van de bodem‐ en grondwaterverontreinigingen valt buiten de scope van voorliggende rapportage.
Wel adviseren we om het grondwater te laten analyseren op het standaard stoffenpakket en de lozingsparameters Onopgeloste Bestanddelen en IJzer ten bate van bouwbemalingen. Om verdere verontreiniging van het gebied te voorkomen dient gedurende de bouw‐ en gebruiksfase van bouwwerken maar ook bij inrichting en gebruik van de openbare ruimte het gebruik van uitlogende materialen voorkomen te worden. Uitlogende materialen leiden tot verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en waterbodem. Emissies naar het oppervlaktewater van bitumineuze materialen, PAK (via geïmpregneerd hout), lood, zink en koper (via regenwaterafvoer) moeten worden tegengegaan. Afhankelijk van de gebruikte (bouw)materialen kan een melding of een vergunning noodzakelijk zijn, vooral wanneer deze materialen in contact (kunnen) komen met (regen)water. Niet uitlogende materialen die toegepast mogen worden zijn o.a.: ‐ Beton ‐ Hout (FSC keurmerk geleverde houtsoorten); ‐ Europees naaldhout, eventueel in combinatie met kunststof doek; ‐ Siberische lariks; ‐ Wilgentenen; ‐ Beton met BSB‐certtificaat1; ‐ Enkamat A501; ‐ Gerecycled plastic; ‐ Staal met plastic coating.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 29 van 84
6 Oppervlaktewater 6.1 Oppervlaktewater De ligging van het oppervlaktewater in de Buiksloterham: Tolhuiskanaal, Johan van Hasseltkanaal, Papaverkanaal, Buiksloterkanaal, Distelhaven en het IJ is aangegeven in Figuur 2‐3. Het oppervlaktewater in de Buiksloterham maakt deel uit van de Noordzeekanaalboezem. Waterbeheerder Rijkswaterstaat (RWS) onderhoudt hierin een streefpeil van NAP ‐0,4 m. De waterstanden fluctueren tussen een waterstand van NAP ‐0,55 m en NAP ‐0,30 m [24]. Rijkswaterstaat is op grond van de Waterwet verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐, waterkwaliteits‐ en het waterstaatkundig beheer van de Noordzeekanaalboezem. De waterbodem in het IJ en de havens is op de meeste locaties sterk verontreinigd met zware metalen, PAK en minerale olie. Voor het slaan of trekken van palen, dempen en het plaatsen van objecten moet men rekening houden met sanerende maatregelen om verspreiding van verontreiniging in de diepte tegen te gaan. Alle ontwikkelingen in de Buiksloterham moeten voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW heeft als doel om te komen tot een goede waterkwaliteit en ecologie. De KRW doelen gelden voor een waterlichaam als geheel; voor dit project is dat de Noordzeekanaalboezem. Doodlopende watergangen zijn vanuit waterbeheer onwenselijk in verband met resulterende verslechtering van de waterkwaliteit.
6.2 Watercompensatie Voor dempingen, compensaties en verhardingstoenames in de Noordzeekanaalboezem is het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) leidend en voor het land de Keur AGV [16]. De belangrijkste regels zijn: 1. Een demping in het gebied dient 1 op 1 te worden gecompenseerd in de vorm van oppervlaktewater in hetzelfde watersysteem. 2. verhardingstoename1: voor de aanleg van verharding dient 10% te worden gecompenseerd in oppervlaktewater. 3. De waterbalans dient ten alle tijden positief te blijven (dus eerst compenseren en dan dempen).
1
in het beheergebied van HHNK dient een verhardingstoename van meer dan 800 m2 te worden gecompenseerd, in het beheergebied van AGV geldt dit bij meer dan 1000 m2 verhardingstoename .
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 30 van 84
Voor het dempen, aanplempen of graven van oppervlaktewater binnen de Noordzeekanaalboezem gelden de voorschriften van Rijkswaterstaat. Met Rijkwaterstaat zijn reeds afspraken gemaakt over de wijze waarop de dempingen en de aanleg van verharding kunnen worden gecompenseerd. De afspraken en de goedkeuring staan in bijlage Bijlage 6 ‐ . Een deel van de voorgenomen dempingen kunnen worden gecompenseerd in de waterbalans van de Noorder IJplas. In de meest recente waterbalans (d.d. 1‐7‐2016), die door RWS is vastgesteld, was nog +4.772 m2 aan watercompensatie beschikbaar. Dit oppervlak is gereserveerd voor de BSH. De waterbalans van de Noorder IJplas dient bijgevoegd te worden aan de vergunningaanvraag. In gebiedsontwikkelingen waar meer water wordt gegraven dan gedempt of verhard is de waterbalans positief. Van deze (zeldzame) projecten kan watercompensatie worden overgenomen. Voorwaarde is dat deze gebiedsontwikkelingen binnen hetzelfde peilvak dan de BSH liggen ‐ het Noordzeekanaal/Amsterdam Rijnkanaal [16]. De waterbalans van het betreffende project dient dan bijgevoegd te worden aan de vergunningaanvraag Het overgrote deel van de toekomstige dempingen in de Buiksloterham moet elders worden gecompenseerd.
De Buiksloterham valt in hetzelfde peilvak (Noordzeekanaal / Amsterdam‐Rijnkanaal) als die van het Havenbedrijf en daarom kan er vanuit de Waterbank van het Havenbedrijf worden gecompenseerd. Een vierkante meter ‘watercompensatie’ kost € 215,‐ excl. BTW (op d.d.19‐06‐2018) [19]. In de BSH worden bepaalde gebieden verhard. Voor de aanleg van verharding geldt een extra regel omtrent watercompensatie, namelijk dat ook kan worden gecompenseerd door elders te ontharden [16]. Op basis van de meest recente tekening ‘Lufo‐nieuwLand’ van d.d. 28‐5‐2019 [27] wordt er 15.378 m2gedempt. Hiervan kan 4.772 m2 worden gecompenseerd in de NoorderIJplas en 10.606 m2 worden aangekocht bij het Havenbedrijf. De kosten voor de aankoop zijn €2.280.290,‐. Voor het graven of dempen van oppervlaktewater is een watervergunning benodigd. De aanvraag wordt via het OmgevingsLOket (OLO) ingediend en via de email opgestuurd naar WNN‐ruimtelijkeplannen@rws.nl. Daarna wordt de aanvraag door RWS en Waternet beoordeeld. De waterbalans van de Noorder IJplas, de waterbalans van projecten waarvan watercompensatie is overgenomen en de schriftelijke vrijwaring van het Havenbedrijf wordt met de aanvraag voor de demping of verharding meegestuurd, zodat de meest recente waterbalans door bevoegd gezag goedgekeurd kan worden. De waterbalans dient ten alle tijden positief te blijven (dus eerst compenseren en dan dempen).
In de planning dient rekening te worden gehouden met de benodigde tijd voor het aanvragen, aanleggen of graven van watercompensatie. Ontwikkelingen in het oppervlaktewater en aan de oevers van het plangebied zijn in veel gevallen watervergunningsplichtig of meldingsplichtig.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 31 van 84
7 Waterveiligheid Het plangebied Buiksloterham bevindt zich binnen dijkring 44. Dit gebied wordt beschermd door de Oranjesluizen aan de oostzijde en de sluizen van IJmuiden aan de westzijde. Volgens de Waterwet is voor dijkring 44 de huidige veiligheidsnorm 1:1.250 [7]. Dat is de kans op overschrijding van de waterstand die veilig gekeerd moet kunnen worden. Deze kans is niet gelijk aan de overstromingskans van het gehele dijkringgebied. Het gebied ten noorden van de Buiksloterdijk bevindt zich binnen dijkring 13. Op 300 m ten noorden van het plangebied Buiksloterham bevindt zich de primaire waterkering “de Waterlandse Zeedijk”, die deel uitmaakt van dijkring 13. Deze is aangegeven door een rode lijn in Figuur 2‐5. In het kader van het Deltaprogramma zijn de normen voor waterveiligheid veranderd. Hieruit volgt dat na 2030, wanneer de Lekdijk en de waterkering IJmuiden zijn verbeterd, het beschermingsniveau van dijkring 44 hoger ligt. De primaire waterkering wordt dan afgewaardeerd en mogelijk wordt het profiel van de primaire waterkering aangepast. De oevers van het IJ hebben geen status als waterkering. In het plangebied Buiksloterham zijn verder geen constructies aanwezig die onder de WBR (Wet Beheer Rijkswaterstaatswerken) vallen. Ondoorlatende kadeconstructies kunnen een blokkade veroorzaken voor de afstroming van grondwater.
Hierdoor kan de grondwaterstand stijgen, waardoor de ontwateringsdiepte afneemt. In sommige gevallen kan dit zelfs tot grondwateroverlast leiden. Bij de vervanging van de huidige kades is het uitgangspunt dat de kadeconstructies waterdoorlatend worden gemaakt, zodat het freatisch grondwater kan afstromen naar het oppervlaktewater. Als lokaal niet aan de grondwaternorm wordt voldaan kan perforatie van de huidige kades (zodat deze meer waterdoorlatend worden) een verbetering van de grondwatersituatie bewerkstelligen. Door de perforaties van geotextiel te voorzien wordt uitspoeling van grond voorkomen. Daarnaast raden we aan om aan de landzijde ter hoogte van de perforaties een grindkoffer of drainzandkoffer aan te brengen. Deze werkwijze dient als ontwerpprincipe te worden aangehouden bij alle nieuw aan te brengen kadeconstructies in het plangebied. Het is vanuit de watervisie Amsterdam 2040 [18] gewenst om de kades en oevers openbaar toegankelijk te maken om het water beleefbaar en zichtbaar te maken voor het publiek. De voorkeur gaat uit naar een ‘zachte oever’ in plaats van de huidige harde oevers in het plangebied Buiksloterham. Op een natuurlijke of stortstenen oever krijgen flora & fauna meer kansen om te groeien en dat levert een positieve bijdrage aan de KRW doelen, de waterkwaliteit en de ecologie van de omgeving.
Ontwikkelingen aan de oevers en kades zijn in veel gevallen meldings‐ of vergunningsplichtig. Deze ontwikkelingen dienen te worden gemeld bij Rijkwaterstaat.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 32 van 84
De oevers van het IJ hebben geen status als waterkering. Desondanks is het belangrijk dat het gebied zich in de toekomst voldoende wapent tegen hoogwater. De huidige waterstanden van het Noorzeekanaal fluctueren tussen NAP ‐0,55 m en NAP ‐0,30 m [24]. In het kader van klimaatverandering met neerslagtoenames en zeespiegelstijging bestaat het reële risico dat het peil van het Noordzeekanaal in de toekomst minder strak gehandhaafd kan worden. Dit komt door de grotere neerslag‐afvoerdebieten vanuit het achterland. Daarnaast is er door zeespiegelstijging minder spuitijd bij IJmuiden waardoor het Noordzeekanaal minder water kan afvoeren. Derhalve ambieert het AGV op het gebied van waterveiligheid voor nieuwe hoogstedelijke ontwikkelingen langs de IJ‐oever een toekomstig maaiveldniveau voor wonen van minimaal NAP+1,0 m [15]. In Figuur 7‐1 zijn alle locaties die lager dan NAP+1,0 m liggen aangeven op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) van de Buiksloterham weergegeven [1]. Uit Figuur 7‐1 blijkt dat de Papaverweg, Distelweg, Asterweg, Grasweg, Klaprozenweg en Vlierstraat circa 10 à 20 cm opgehoogd moeten worden om aan de ambitie van het AGV te voldoen. Een aantal kavels liggen braak of worden gesaneerd op het moment van opname van de AHN3. Deze zijn reeds opgehoogd of krijgen een maaiveldniveau hoger dan NAP+1,0 m.
Figuur 7‐1 Gebieden lager dan NAP+1,0 m op basis van de AHN3 [1], laagstgelegen delen zijn saneringen en/of bouwputten
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 33 van 84
8 Hemelwater 8.1 Hemelwaterafvoer via riolering De hemelwaterafvoer in de bestaande straten is voornamelijk geregeld via een gemengd rioolstelsel [9]. Het vuilwater wordt via het gemengde riool rechtstreeks naar de rioolzuivering gebracht. In de Papaverweg Oost en aan de kop van de Grasweg ligt een gescheiden stelsel (zie Figuur 8‐1). In de Klaprozenweg ligt een hemelwaterriool.
Figuur 8‐1 Riolering Buiksloterham [9]
Waternet voert de gemeentelijke rioleringstaak uit namens de Gemeente Amsterdam. In nieuwe en her te ontwikkelen gebieden wordt over het algemeen aangestuurd op een gescheiden rioolstelsel. Hierbij wordt in het algemeen een HWA en DWA‐riool aangelegd. De eigenaar van een terrein is primair verantwoordelijk voor de afvoer van het hemelwater dat op eigen terrein valt. De gemeente hoeft niet het hemelwater afkomstig van particulier terrein af te voeren. Bij terreinen aan het oppervlaktewater wordt aangestuurd op het direct lozen op het oppervlaktewater. Indien er geen oppervlaktewater in de buurt is, kan het hemelwater worden aangeboden aan de gemeentelijke hemelwaterriolering.
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 34 van 84
In de Buiksloterham is nog een extra riool nodig (vacuümriool), omdat Waternet hier ‘nieuwe sanitatie‘ wil toepassen. Dit is een manier om het afvalwater van huishoudens bij de bron te scheiden. Er zijn twee stromen: zwart en grijs water. Zwart water is toiletwater. Grijs water komt uit de gootsteen, douche, (af)wasmachine en andere kranen. Uit zwart en grijs water worden bepaalde stoffen en energie gewonnen.
8.2 Rainproof Bij extreme buien past niet alle neerslag in het riool. Overtollige neerslag zal op straat blijven staan en kan schade veroorzaken. Conform de doelstellingen van Amsterdam Rainproof [12] en het GRP 2016‐2021 [11] geldt voor de Buiksloterham dat bij de herontwikkeling een bui van 60 mm in 1 uur kan worden verwerkt zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur te veroorzaken. Mogelijk wordt deze ambitie in de toekomst opgeschroefd (100 mm in 1 uur of 120 mm in 2 uur). Met deze doelstelling dient in het ontwerp van het stedenbouwkundig plan en het maaiveld rekening te worden gehouden. Conform het GRP 2016‐2021 [11] dient circa 20 mm in 1 uur verwerkt te worden door de riolering en de andere 40 mm in de openbare en particuliere ruimte. Om de accumulatie van water op straat (knelpunten) inzichtelijk te maken is in opdracht van Waternet in 2016 een modelberekening gemaakt in het model 3DI. De kans op hemelwaterknelpunten in de Buiksloterham is relatief groot omdat het een hoog stedelijk gebied is met relatief veel verhard oppervlak, bovendien infiltreert de ondergrond slecht, waardoor hemelwater langer op straat blijft staan. Figuur 8‐2 toont de accumulatie van meer dan 100 mm water op straat bij een bui van 60 mm in 1 uur. De accumulatie van water op openbaar terrein in het plangebied Buiksloterham treedt op in: 1. de westzijde van de Distelweg en 2.
de Asterweg en 3. de westzijde van de Papaverweg 4. de Vlierweg de relatief laag gelegen gebieden: 5. Distelweg 6. Klaprozenweg nabij Papaverhoek
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 35 van 84
Figuur 8‐2 Accumulatie (cm) bij bui van 60 mm in 1 uur van Amsterdam [10]
Schade aan gebouwen treedt op wanneer er 20 cm (of meer) water tegen de gevel aan staat. Aanname is dat een doorgaande weg met meer dan 20 cm accumulatie van water tot gevolg heeft dat de wegen slecht begaanbaar zijn voor nood‐/ hulpdiensten. Een aantal panden aan deze wegen lopen risico op schade. Ook op particulier terrein treedt in het model meer dan 20 cm wateraccumulatie op; in veel gevallen is het braakliggend terrein of bouwterrein, in een aantal gevallen ligt de kavel lager dan de aangrenzende weg, waardoor er wateroverlast kan optreden (particulier parkeerterreinen aan bijvoorbeeld de Christoffel Kruidstraat en Asterweg 18). Verder treedt bij aan de Klaprozenweg bij de Papaverhoek over een lengte van circa 200 m meer dan 20 cm accumulatie van water op, waardoor de wegen slecht begaanbaar zijn voor nood‐/ hulpdiensten. Conform het gemeentelijk beleid dient, tijdens herontwikkelingen, de Buiksloterham regenbestendig te worden ingericht. Daarin moeten bovenstaande 6 potentiele ‘knelpunten’ nader worden beschouwd. Dit dient nader te worden onderzocht door o.a. een locatiebezoek en/of nauwkeurige inmeting en/of regenmodelberekening. Voor verwerking van hemelwater geldt conform de NBW de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen, afvoeren’ voor, die moet worden gevolgd bij de aanpak van wateroverlast in een watersysteem [8].
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 36 van 84
De drietrapsstrategie is verwerkt in een Rainroof oplossingenkaarten. Het deel van de Buiksloterham ten zuiden van het Johan Hasseltkanaal is gepresenteerd in Bijlage 7 ‐ . Voor het deel ten noorden van het Johan van Hasseltkanaal ligt bij Waternet een conceptversie klaar. Op de oplossingenkaart is inzichtelijk gemaakt waar de kansen in het gebied liggen om water vast te houden en/of te bergen en waar het hemelwater naartoe kan worden afgevoerd. Er is onderscheid gemaakt in 3 soorten straten: (1) waterspreidende straten, (2) waterafvoerende straten en (3) waterbergende straten. De uitleg van deze straatsoorten staat in Figuur 8‐3. Waterspreidende straten In een waterspreidende straat wordt het water geborgen tussen de trottoirbanden, kan er extra vergroend worden en dient er indien mogelijk water geïnfiltreerd te worden. Om het water te begeleiden, worden er watertegenhoudende drempels toegepast Waterafvoerende straten Waterafvoerende straten kennen, in tegenstelling tot waterspreidende straten, geen obstructies, maar bergen eveneens water tussen de trottoirbanden. Het water wordt geleid naar open goten en groenzones Waterbergende straten Deze straten worden voorzien van Rainproof maatregelen. Zij bergen overtollig water in o.a. groene voorzieningen en in ondergrondse bergingen. Tussen de trottoirbanden wordt (bij hoofdwegen) geen water geborgen.
Waterbergend kansgebied In het plangebied bevinden zich ook water‐bergende kansgebieden. Dit zijn gebieden met veel groen (zoals grasvelden), maar kunnen ook verdiepte maaiveld locaties zijn (denk bijvoorbeeld aan wadi’s of mogelijkheden tot waterplein). Naast bergend gebied is in de oplossingenkaart ook infiltratie gebied aangegeven als kansgebied. Figuur 8‐3 Uitleg straatsoorten die in de oplossingenkaart worden gebruikt [22]
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 37 van 84
De strategieën om met hemelwater om te gaan is in het kort weergegeven in Tabel 8‐1 en hieronder verder uitgewerkt. Tabel 8‐1 Hemelwaterafvoer strategieën
Strategie Riolering Vasthouden Bergen
Locatie overal nergens In brede straten
Afvoeren
Oeverpark en in groene zones Wegen
Waterrobuust bouwen Droogtebestendig
Type watervoorziening Gescheiden Infiltratie niet geschikt Holle wegen, waterberging tegen stoeprand, waterpleinen Wadi
Kavels
Geleiding over de weg, open goten, direct vanaf kavel naar oppervlaktewater Grondophoging, gebouw op palen
overal
Ondergrondse opslag, waterbergende daken
In principe is het gunstig om neerslag lokaal ‘vast te houden’ door te infiltreren. Infiltratie van hemelwater in de bodem is mogelijk als de grondwaterstand laag genoeg is om de gemeentelijke grondwaternorm te halen en als de infiltratiecapaciteit van de bodem dit toelaat. Bovendien moet de kwaliteit van het hemelwater voldoende zijn om te kunnen infiltreren. Aanname is dat de Buiksloterham qua bodemopbouw geen geschikt gebied voor infiltratie is, omdat het grondwater nu al hoog staat en de bodemopbouw zich over het algemeen niet goed leent voor actieve infiltratie. Voor de nieuw te ontwikkelen kavels moet worden uitgegaan dat er geen hemelwater actief wordt geïnfiltreerd in de bodem (freatisch pakket). Geadviseerd wordt dit als voorwaarde in bouwenveloppen op te nemen. Wel kan in de Buiksloterham worden gezocht naar kansen voor (vertraagd) ‘afvoeren’ of tijdelijk ‘bergen’. Er zijn in de Rainproof oplossingenkaart in Bijlage 7 ‐ een tweetal waterbergende kansgebieden aangegeven. Deze kansgebieden zijn kavel 52 en kavel 39, die in de Buiksloterham ten zuiden van het Johan van Hasseltkanaal liggen. In de Buiksloterham ten noorden van het Johan van Hasseltkanaal liggen de kansgebieden onder andere in de nog te dempen groene oevers en in het park bij het Papaverkanaal.
De straten en parkeerterreinen in de Buiksloterham bieden mogelijkheden om tijdens hevige buien door herprofilering van de weg tijdelijk water vertraagd af te voeren of te bergen. Deze locaties zijn in de oplossingenkaart aangegeven met een ‘waterspreidende straat’. In de Buiksloterham ten noorden van het Johan van Hasseltkanaal is dit onder andere in de nog aan te leggen groenstroken in brede wegen (Papaverweg). Tot slot wordt water afgevoerd naar het hemelwaterriool of bij voorkeur naar het oppervlaktewater. Voorbeelden van ‘berging’ (holle wegen, waterberging tegen de stoeprand, waterpleinen) en ‘afvoeren’ (geleiding over de weg, opeen goten) zijn te vinden op www.rainproof.nl. Voor een robuust klimaatbestendig ontwerp van het plangebied kunnen de richtlijnen van Amsterdam Rainproof gevolgd worden (www.rainproof.nl).
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham
Versie 4 13 juni 2019 Kenmerk Pagina 38 van 84
Kavels die hun hemelwater rechtstreeks kunnen lozen op Rijkswater hoeven in het kader van Rainproof geen hemelwater te bergen. Het lozen van overtollig hemelwater op Rijkswater veroorzaakt geen schade en is daarmee Rainproof. Kavels die gebruik willen maken van gemeentelijke voorzieningen voor het afvoeren van hemelwater (bijv. HWA‐riool) moeten minimaal een bui van 60 millimeter (gelijk aan 60 liter per m2) kunnen verwerken op eigen terrein (zie Figuur 8‐4) . De waterbergingsvoorziening moet na 24 uur weer leeg en beschikbaar zijn voor een volgende bui. Pas als er in 24 uur tijd meer dan 60 millimeter regenwater valt, mag hemelwater onder vrij verval worden aangeboden aan de openbare ruimte. Hemelwater op daken mag via geknepen afvoer (bovengronds) aan openbare ruimte worden afgevoerd met een maximaal debiet 2,5 l/m2/uur (2,5 mm/uur) (zie Figuur 8‐5) . Deze eisen ten aanzien van particuliere hemelwaterverwerking worden vastgelegd in het bestemmingsplan en/of in de kavelpaspoorten. Doordat hiermee het (HWA)riool wordt ontlast, neemt de kans op overlast ook in de openbare ruimte af.
Figuur 8‐4 Maatregelen voor verwerken regenwater op eigen terrein (bron: Stichting Rioned, www.riool.net)
Figuur 8‐5 Waterberging en uitstroom met een maximaal debiet 2,5 l/m2/uur (2,5 mm/uur)
Gemeente Amsterdam Waterparagraaf Buiksloterham