7. Zuidas-Verdi Noordzone IJsbaanpad_1_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Uit de nota volgt dat voor niet-woonfuncties het vereiste aantal fietsparkeerplekken in principe op eigen terrein worden gerealiseerd. De nota beschrijft de norm voor het aantal parkeerplekken voor fietsen aan de hand van 7 verschillende tabellen. Per tabel zijn verschillende specifieke vormen die binnen een categorie vallen opgenomen. Per functie wordt aangegeven hoeveel parkeerplekken moeten worden gerealiseerd in welke zone. Het aantal is meestal een som per 100 m² bvo maar kan ook afhangen van bijvoorbeeld het aantal leerlingen dat naar een school gaat. Voor de omgevingsvergunning relevante aantallen zullen altijd de actuele cijfers bekeken moeten worden. De gegeven normen zijn minimumnormen, initiatiefnemers mogen altijd meer fietsparkeerplaatsen realiseren. In het bestemmingsplan is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend als sprake is van voldoende fietsparkeervoorzieningen. Hierbij wordt dynamisch verwezen naar de nota. Bij het ontwerp van een bouwplan zal door de initiatiefnemer daarom altijd rekening moeten worden gehouden met de actuele normen die volgen uit de nota. De exacte invulling van de planologische mogelijkheden is bepalend voor de uiteindelijke fietsbehoefte. Bovengrondse fietsparkeerstallingen binnen de groenbestemming zijn niet toegestaan, maar fietsparkeren op het maaiveld is wel mogelijk binnen de bestemming 'Verkeer'.
Bij het ontwerp van (inpandige) stallingen moet ook ruimte gecreëerd worden voor bijzondere modellen, zoals bakfietsen en elektrische tweewielers. Voor woningbouw geldt dat het fietsparkeren opgelost wordt in gemeenschappelijke bergingen. 6.4.4
Scooterparkeren
De richtlijnen voor scooterparkeren bij nieuwe woningen en niet-woonfuncties, volgen beiden uit de 'Nota Parkeernormen Fiets en Scooter' (de Nota). Met de term scooter in de Nota worden ook snor- en bromfietsen bedoeld. Per nieuw te realiseren woning geldt een richtlijn van 0,13 scooterparkeerplaatsen. De uitkomst van deze som wordt naar boven afgerond en de parkeerplekken worden op eigen terrein gerealiseerd. Voor de berekening van het aantal scooters bij niet-woonfuncties wordt, anders dan bij fietsparkeren, geen onderscheid gemaakt tussen verschillende zones. De initiatiefnemer zal voor langparkeren voorzieningen op eigen terrein realiseren waarbij wordt uitgegaan van de geldende richtlijn. Voor kort parkeren kan hiervan worden afgeweken als dit niet mogelijk of realistisch is. Scooterparkeerplaatsen in
Gemeente Amsterdam
blz. 84
de openbare ruimte worden dan beschouwd als alternatief. In de Nota is voor het bepalen van het aantal benodigde scooters slechts een richtlijn opgenomen en geen (harde) norm. Op grond van het beleid is er dus geen harde norm of verplichting. Op basis van de Nota zijn in totaal 33 scooterparkeerplaatsen benodigd voor de woonfuncties. De verwachting is echter dat minder scooterparkeerplaatsen aangelegd worden dan is te verwachten op basis van de normen in de Nota. In de praktijk kan met minder scooterparkeerplaatsen worden volstaan, mede door: De opkomst van de elektrische fiets die grotere afstanden kan overbruggen en daarmee concurreert met de scooters; De recent ingevoerde helmplicht waardoor het minder aantrekkelijk wordt om een scooter te gebruiken/bezitten. Op basis van bovenstaande is te verwachten dat met minder scooterparkeerplaatsen kan worden volstaan.
6.5
Conclusie
Gebleken is dat de verkeerseffecten die ontstaan wegens het beoogde programma waarin voorliggend bestemmingsplan voorziet, niet zorgen voor een onaanvaardbare toename van knelpunten. De verkeerstoename bestaat uit ongeveer 1,3% van het geheel aan verkeerseffecten in het plangebied. Daarnaast is gebleken dat (voldoende) invulling wordt gegeven aan de pijlers van het Mobiliteitsplan. Er worden maximaal 150 parkeerplaatsen gerealiseerd uitsluitend in inpandige ondergrondse parkeergarages, waarmee voldoende wordt voorzien in de parkeerbehoefte van bewoners en medewerkers van de kantoren. Aanvullend bevindt de verwachte bezettingsgraad van de parkeerplaatsen op maaiveld zich ruim binnen de acceptabele bezettingsgraad van 90%, en wordt op deze parkeerplaatsen dus ook in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte van de functies die deze plaatsen gebruiken. De beoogde ontwikkeling levert een geringe verkeersgeneratie op, wat naar verwachting geen problemen oplevert ten aanzien van de verkeersafwikkeling. Het aantal benodigde fiets- en scooterparkeerplaatsen zal uiteindelijk definitief bepaald worden ten tijde van de daadwerkelijke aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Hiervoor is voldoende (ondergrondse) parkeergelegenheid.
Tot slot is de locatie zeer goed bereikbaar met openbaar vervoer vanwege de ligging nabij station Amsterdam Zuid en metrostation Amstelveenseweg. Met al het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet tot onaanvaardbare effecten op het gebied van verkeer, parkeren en mobiliteit zal leiden.
bestemmingsplan_Zuidas-Verdi Noordzone IJsbaanpad (vastgesteld)
blz. 85
Hoofdstuk 7 7.1
Geluid
Algemeen
Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van drie specifieke geluidbronnen: wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wgh gelden zones rond geluidbronnen met mogelijk een grote geluiduitstraling, zoals bij (spoor)wegen en industrieterreinen. Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan worden verschillende geluidgevoelige functies in de zin van de Wet geluidhinder gerealiseerd. Hierom is een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting door Wet geluidhinder bronnen rondom het plangebied. In dit hoofdstuk wordt uitsluitend gekeken naar die geluidseffecten die op grond van de Wet geluidhinder van belang zijn. Geluidseffecten door andere geluidbronnen dan Wgh-bronnen worden in Hoofdstuk 10 (Milieuzonering) van deze plantoelichting verder behandeld.
7.2
Regelgeving
7.2.1
Algemeen
Wanneer een nieuw (of herzien) bestemmingsplan het mogelijk maakt geluidgevoelige bebouwing in de geluidzone van een (spoor)weg of industrieterrein te realiseren, is een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting van een industrieterrein of spoor(weg) op geluidsgevoelige bebouwing noodzakelijk. Indien de door de Wgh aangegeven voorkeursgrenswaarde voor geluidbelasting wordt overschreden, kan een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting) worden verleend door het college van burgemeester en wethouders. Wanneer sprake is van meerdere relevante geluidsbronnen, kan slechts een hogere waarde worden vastgesteld voor zover de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting (artikel 110a, zesde lid, van de Wgh en artikel 1.5 van het Besluit geluidhinder (Bgh)). Verder dient, in het geval van ontheffing op de geluidbelasting, de binnenwaarde te worden gewaarborgd door het eventueel toepassen van gevelmaatregelen. 7.2.2
Wegverkeergeluid
Op grond van artikel 74 van de Wgh bevinden zich langs alle wegen van rechtswege geluidzones waarbinnen de geluidbelasting als gevolg van de weg aan het gestelde in de wet dient te worden getoetst. Dit geldt niet voor wegen: 1. die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied, of 2. waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken. Aantal rijstroken
Geluidzones stedelijk gebied
Geluidszones buitenstedelijk gebied
Weg met één of twee rijstroken
200 meter
250 meter
Weg met drie of meer rijstroken
350 meter
n.v.t.
a
Gemeente Amsterdam
blz. 86
Weg met drie of vier rijstroken n.v.t.
400 meter
Weg met vijf of meer rijstroken
600 meter
n.v.t.
Tabel Breedte van geluidzones langs autowegen in stedelijk gebied. Bron: artikel 74 van de Wet geluidhinder
a buitenstedelijk gebied: gebied buiten de bebouwde kom alsmede, v oor de toepassing v an de hoof dstukken VI (zones langs wegen) en VII (zones langs spoorwegen) v oor zov er het betref t een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement v erkeersregels en v erkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, v oor zov er liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg.
In artikel 76 van de Wgh is geregeld dat bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de wettelijke voorkeursgrenswaarden van de artikelen 82 (bij nieuwbouw) en 100 (in geval het bestemmingsplan voorziet in een reconstructie van een weg) van de Wgh in acht moeten worden genomen. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan nieuwbouw van geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd indien de waarde niet hoger is dan de maximaal toelaatbare hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde en mits deze hogere waarde kan worden verleend (zie paragraaf 7.2.5). Naast bovengenoemde buitenwaarden zijn er in de Wgh tevens maxima gesteld aan binnenwaarden. Toetsing daaraan vindt plaats in het kader van de verlening van en omgevingsvergunning voor bouwen. Type Geluidgevoelig gebouw
Voorkeurs grenswaarde [dB]
Maximaal toelaatbare hogere waarde dan de voorkeursgrensaarde [dB]
Woning
48
buitenstedelijk: 53 binnenstedelijk: 63
Andere geluidsgevoelige gebouwen
48
buitenstedelijk: 53 binnenstedelijk: 63
Tabel Geluidhindernormen wegverk eer bij nieuwbouw Op basis van artikel 110g van de Wgh mag er op de geluidbelasting vanwege een weg, op de gevel van woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen, een aftrek worden toegepast in verband met het stiller worden van het verkeer in de toekomst. De aftrek bedraagt maximaal (artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012): 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt; 5 dB voor overige wegen; 0 dB in het geval de geluidbelasting wordt gebruikt voor de bepaling van de gevelisolatie (overeenkomstig het Bouwbesluit 2012) of het de binnenwaarde betreft. 7.2.3
Spoorweggeluid
Op grond van artikel 106b van de Wgh bevinden zich van rechtswege langs alle spoorwegen geluidzones waarbinnen de geluidbelasting als gevolg van de spoorweg aan het gestelde in de wet dient te worden getoetst. Type Geluidsgevoelig gebouw
Voorkeurs grenswaarde [dB]
Maximaal toelaatbare hogere waarde dan de voorkeursgrensaarde [dB]
bestemmingsplan_Zuidas-Verdi Noordzone IJsbaanpad (vastgesteld)
blz. 87
Woning
55 art. 106 d, lid 1, Wgh Art. 4.9 Bgh
68 art. 106 d, lid 2, Wgh Art. 4.10 Bgh
Onderwijsgebouwen a
53 art. 106 d, lid 6, onder a Wgh Art. 4.9 Bgh
68 art. 106 d, lid 6 Wgh Art. 4.10 Bgh
Ziekenhuizen en verpleeghuizen b
53 art. 106 d, lid 6, onder a Wgh Art. 4.9 Bgh
68 art. 106 d, lid 6 Wgh Art. 4.10 Bgh
Bij AMvB aangewezen andere gezondheidszorggebouwen c
53 art. 106 d, lid 6, onder a Wgh Art. 4.9 Bgh
68 art. 106 d, lid 6 Wgh Art. 4.10 Bgh
Tabel Geluidshindernormen railverkeerslawaai bij nieuwbouw Lden. i. j. k.
delen v an het gebouw die niet zijn bestemd v oor geluidsgev oelige onderwijsactiv iteiten maken v oor de toepassing v an deze wet geen deel uit v an een onderwijsgebouw algemene, categorale en academische ziekenhuizen, ev enals v erpleeghuizen v erzorgingstehuizen, psy chiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken en medische kleurerdagv erblijv en
7.2.4
Hogere waarden
Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan een geluidgevoelige functie worden gerealiseerd, indien een hogere waarde is verleend tot de maximale toelaatbare waarde voor geluidbelasting. Voorwaarde voor een hogere waarde is in ieder geval dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard een rol spelen. Wanneer de maximale toelaatbare waarde voor geluidbelasting wordt overschreden, biedt de Wgh de mogelijkheid woningen te realiseren met aan de betreffende zijde(n) een dove gevel (een gevel zonder te openen delen of met slechts incidenteel te openen delen). Ook is het in een dergelijke situatie mogelijk een zogeheten vliesgevel te realiseren. Daarmee wordt bereikt dat op de daadwerkelijke gevel, inclusief de te openen delen, sprake is van een toelaatbare geluidbelasting. De geluidwaarde binnen de woningen (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm. 7.2.5
Cumulatie
Bij blootstelling aan verschillende Wgh geluidbronnen tegelijk (bijv. spoor en weg) moeten de bronnen eerst bij elkaar worden opgeteld voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld. De Wgh geeft voor een dergelijk cumulatieve geluidbelasting geen aparte grenswaarden en evenmin een standaard toetsingsmethode. Wel moet worden gemotiveerd op welke wijze het bevoegd gezag rekening houdt met deze samenloop (cumulatie). Overigens speelt het vraagstuk van de cumulatieve geluidbelasting alleen als voor één of meer van de geluidbronnen een hogere waarde wordt gevraagd. Indien een woning zich in de invloedssfeer bevindt van twee wegen, die elk onder de voorkeursgrenswaarde blijven, dan bestaat er geen plicht tot het berekenen van de cumulatieve geluidwaarde. Conform het gemeentelijk geluidbeleid is er sprake van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan hoogste van de maximum toelaatbare
Gemeente Amsterdam
blz. 88
ontheffingswaarden (gecumuleerde geluidbelasting). Op plaatsen waar dit wordt geconstateerd, zijn woningen alleen mogelijk indien dove gevels of gebouwgebonden geluidschermen worden toegepast.
7.3
Beleid
7.3.1
Amsterdams Geluidsbeleid 2016, hogere waarde Wet geluidhinder
In juli 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam het 'Amsterdams Geluidbeleid 2016, hogere waarde Wet geluidhinder' vastgesteld. Op 5 mei 2019 is dit beleid gewijzigd vastgesteld. Het uitgangspunt van het geluidbeleid is dat iedere woning een stille zijde moet hebben. Een stille zijde is een zijde waarbij de voorkeurswaarde (in ieder geval ter plaatse van te openen ramen en/of deuren) van de Wet geluidhinder (Wgh) niet wordt overschreden. Bij de berekening van een stille zijde moeten ook niet wettelijke geluidbronnen worden betrokken. Aan de stille zijde worden bij voorkeur de slaapkamers gesitueerd, zodat met open raam of deur geslapen kan worden. Alleen ingeval van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan worden afgeweken van dit principe. 7.3.2
Nieuw geluidbeleid
In juli 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam het 'Amsterdams Geluidbeleid 2016, hogere waarde Wet geluidhinder' vastgesteld. Op 5 mei 2019 is dit beleid gewijzigd vastgesteld. Het uitgangspunt van het geluidbeleid is dat iedere woning een stille zijde moet hebben. Een stille zijde is een zijde waarbij de voorkeurswaarde (in ieder geval ter plaatse van te openen ramen en/of deuren) van de Wet geluidhinder (Wgh) niet wordt overschreden. Bij de berekening van een stille zijde moeten ook niet wettelijke geluidbronnen worden betrokken. Aan de stille zijde worden bij voorkeur de slaapkamers gesitueerd, zodat met open raam of deur geslapen kan worden. Alleen ingeval van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, vervoerskundige, landschappelijke of financi?le aard kan worden afgeweken van dit principe.
7.4
Resultaten onderzoeken
Het plangebied voorziet in meerdere geluidgevoelige functies, te weten woningen, een kinderdagverblijf en andere maatschappelijke (zorg) functies. Ten behoeve van de ontwikkelingen van het plangebied is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het omgevingsgeluid, zie Bijlage 6 bij het bestemmingsplan. In dit onderzoek staat aangegeven welke geluidbelastingen op de gevels verwacht mag worden van Wgh geluidbronnen. De resultaten van dit onderzoek worden in deze paragraaf samengevat besproken. In het akoestisch onderzoek is zowel de situatie beschouwd waarin de herontwikkeling van Noordzone IJsbaanpad en Tripolis 100 afzonderlijk van elkaar worden gerealiseerd, als de eindsituatie, waarbij deze ontwikkelingen gezamenlijk zijn beschouwd. Voor voorliggend bestemmingsplan is de beoordeling van de ontwikkeling Tripolis 100 buiten beschouwing gelaten. Vanwege het geluid afkomstig van de Rijksweg A10, de Amstelveensweg en het spoor worden de voorkeursgrenswaarden overschreden. Ook de maximale ontheffingswaarde wordt, vanwege de Rijksweg A10, bij de noordzone van het IJsbaanpad overschreden. Het gaat om de bovenste bouwlagen vanaf 27,5 meter op de zuidzijde van het meest westelijke kavel en 34 meter op de kavel daar direct ten oosten van. Om die reden zijn vanaf deze hoogten, daar waar geluidgevoelige functies worden gerealiseerd, dove gevels nodig.
bestemmingsplan_Zuidas-Verdi Noordzone IJsbaanpad (vastgesteld)
blz. 89
Omdat verschillende verdergaande geluidreducerende maatregelen bezwaren met zich meebrengen, worden hogere waarden aangevraagd ten gevolge van wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Voor de hogere waarden wordt verwezen naar het besluit hogere waarden Zuidas - Verdi Noordzone IJsbaanpad (Bijlage 5 bij het bestemmingsplan). Noordzijde IJsbaanpad Wegverk eergeluid Rijksweg A10 In meerdere situaties geldt dat met betrekking tot het geluid van de A10 zowel de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als de maximale ontheffingswaarde van 53 dB deels wordt overschreden. Uitgezonderd kavel 3 (de tweede kavel bezien vanaf de oostzijde) en kavel 4 (de meest oostelijke kavel, aangezien op deze kavel wordt geen geluidgevoelige functie voorzien) moeten in de worst-casesituatie dove gevels worden toegepast, zie ook figuur 5.1 in paragraaf 5.2 van het geluidrapport met betrekking tot de integrale beoordeling van het omgevingsgeluid. Voor die gevels waar de geluidbelasting wel voldoet aan de maximale ontheffingswaarde maar niet aan de voorkeursgrenswaarde zijn hogere waarden benodigd. In bijlage III-1 en III-2 van het geluidrapport zijn met gele arcering in gevelaanzichten de geveldelen met een hogere waarde weergegeven. Wegverk eergeluid binnenstedelijke wegen Met betrekking tot het geluid van de Amstelveenseweg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale ontheffingswaarde van 63 dB.
Ter plaatse van de noordzone van het IJsbaanpad wordt deels niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Voor die gevels zijn hogere waarden benodigd. In bijlage III-1 en III-2 van het geluidrapport zijn met gele arcering in gevelaanzichten de geveldelen met een hogere waarde weergegeven. Er zijn geen dove gevels benodigd vanwege de binnenstedelijke wegen. Spoorgeluid Met betrekking tot het geluid van de hoofdspoorweg geldt dat bij alle gevels de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor woningen en 53 dB voor onderwijsgebouwen en kinderdagverblijven deels wordt overschreden, maar niet de maximale ontheffingswaarde van 68 dB. Met betrekking tot het hoofdspoor zijn nergens dove gevels nodig. Wel zijn hogere waarden benodigd. Geadviseerd wordt om deze hogere waarden ook te verlenen voor die gevels die vanwege de A10 een dove gevel nodig hebben. In bijlage III-1 en III-2 van het geluidrapport zijn met gele arcering in gevelaanzichten de geveldelen met een hogere waarde weergegeven. Er zijn geen dove gevels benodigd vanwege het spoor. Gecumuleerde geluidbelasting De gecumuleerde geluidbelasting L(VL,cum) bedraagt ten hoogste 60 dB. Deze geluidbelasting doet zich voor op de zuidgevels van de kavels aan de noordzone van het IJsbaanpad. De op het wegverkeerslawaai afgestemde grenswaarde van L(VL,cum) = 66 dB (63+3) wordt nergens overschreden.
Er zijn op basis van de gecumuleerde geluidbelastingen dan ook geen extra maatregelen benodigd. Maatregelen Ten aanzien van mogelijke geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 110a, lid 5, van de Wet geluidhinder geldt het volgende: •
Geluidreducerend asfalt
Gemeente Amsterdam
blz. 90
Overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde tot circa 4 dB kunnen worden weggenomen door het toepassen van een geluidreducerend asfalt. Met een stil asfalttype op de Amstelveenseweg wordt echter niet overal aan de voorkeursgrenswaarde voldaan. De Amstelveenseweg is een belangrijke ontsluitingsweg met een aantal, door verkeerslichten geregelde kruisingen. Gezien deze kruisingen zal er bij het toepassen van een geluidreducerend wegdek groot en snel kwaliteitsverlies optreden door het afremmende en optrekkende verkeer. Op de A10 zal op basis van het Tracébesluit ZuidasDok dubbellaags ZOAB worden aangelegd. •
Snelheidsbeperking
Het beperken van de snelheid is een mogelijkheid om het verkeerslawaai te beperken. Een snelheidsverlaging is niet aan de orde omdat in stedelijke verkeersplannen niet is voorzien in een snelheidsverlaging op de wijkontsluitingswegen en dit wegens onder andere de bereikbaarheid door alarmdiensten niet wenselijk is. •
Terugdringen verkeersintensiteiten
Het terugdringen van het verkeer leidt eveneens tot onvoldoende geluidreductie. Voor een geluidreductie van 5 dB bijvoorbeeld zou het verkeer tot ongeveer een derde van de oorspronkelijke verkeersintensiteiten moeten worden verminderd. Verkeersplannen van onder meer de gemeente voorzien hier niet in. •
Geluidsschermen
Door het toepassen van geluidschermen langs de wegen kunnen extra geluidreducties worden behaald. Het plaatsen van schermen langs stedelijke wegen is stedenbouwkundig niet gewenst vanwege de benodigde hoogte (vaak even hoog als de beschouwde woonverdieping(en)) en de sociale veiligheid. De A10 zal op basis van het Tracébesluit ZuidasDok van dubbellaags ZOAB worden voorzien en van geluidschermen. Ter hoogte van het plangebied Kenniskwartier wordt conform het Tracébesluit een tussenbermscherm (geplaatst tussen de zuidelijke hoofdrijbaan en de parallelrijbaan) toegepast met een hoogte van 4 meter, en een zijbermscherm (geplaatst aan de buitenzijde van de parallelrijbaan) met een hoogte van 2 tot 3 meter. Verdere ophoging van deze geluidschermen is alleen effectief indien deze schermen en schermverhoging voorbij de Schinkel wordt doorgezet. Omdat het gebouw Venster op de gebouwen Tripolis 200/300 is gerealiseerd neemt dit gebouw al een groot deel van de geluidafschermende functie op zich. •
Afstand woningen tot wegen vergroten
De stedenbouwkundige opzet van het plangebied en de verdere omgeving biedt geen ruimte om de woningen op grotere afstand van de wegen te projecteren. Wel is gekozen is om aan de eerstelijnsbebouwing van aan de Amstelveenseweg een niet-geluidgevoelige functie te projecteren (kantoor). •
Maatregelen aan geluidgevoelige functies zelf
Het is ten slotte ook mogelijk om maatregelen te treffen aan geluidgevoelige functies zelf, in de vorm van dove gevels of gebouwgebonden geluidschermen, teneinde aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Met een dove gevel worden de gevels uitgesloten van toetsing aan de Wet geluidhinder. bestemmingsplan_Zuidas-Verdi Noordzone IJsbaanpad (vastgesteld)
blz. 91
Het (vrijwillig) toepassen van geluidschermen aan de gevels of het toepassen van dove gevels heeft dusdanig veel consequenties voor de ventilatie- en brandveiligheidscondities, dat de ontwerpvrijheden van de woningen sterk wordt ingeperkt. Omdat een gebouwgebonden geluidscherm ook relatief veel kosten met zich meebrengt, is het reëler om de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde toe te staan en de overschrijding door een goede gevelwering op te lossen. Dit betekent dat minder kostbare maatregelen nodig zijn. Met het vaststellen van een hogere waarde is bij verdere uitwerking van het plan volgens de bepalingsmethoden die in het Bouwbesluit/Besluit bouwwerken leefomgeving zijn aangewezen een goede geluidwering en een verantwoorde akoestische situatie gewaarborgd. In de regels van het bestemmingsplan is bij de bestemmingen die woningen mogelijk maken bepaald dat iedere woning over een stille zijde moet beschikken. Tevens is in de regels aangegeven aan welke gevelzijde en vanaf welke bouwhoogte c.q. bouwlaag verplichte dove gevels nodig zijn. Het gaat dan om (delen van) woningen waarvoor geen hogere waarde kan worden vastgesteld vanwege het overschrijden van de maximale ontheffingswaarde. Als gevolg hiervan moeten hogere waarden worden vastgesteld. In dat kader is advies gevraagd aan het TAVGA (Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluid Amsterdam).
Advies TAVGA Het conceptbesluit hogere waarden is op 17 februari 2022 ter advisering voorgelegd aan het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluid Amsterdam. Het conceptbesluit hogere waarden zag toen nog op een groter plangebied (o.a. inclusief Tripolis 100). De conclusies en het advies van het TAVGA zijn: Vaststellen van hogere waarden akkoord met in achtneming van de volgende punten: In het besluit hogere waarde en in de toelichting van het bestemmingsplan motiveren hoe bij de beoordeling van de stille zijde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt bereikt als rekening wordt gehouden met andere dan Wgh-bronnen (generatoren, Olympisch stadion, Sporthallen Zuid, luchtinstallaties, evenementen, fietspad IJsbaanpad); Indien uit de beoordeling van de stille zijde en bijbehorend akoestisch onderzoek vragen of knelpunten naar voren komen, wordt in overweging gegeven deze aan TAVGA voor te leggen. Bovenvermelde conclusies en adviezen zijn doorgevoerd, voor zover deze ook relevant zijn voor het plangebied Noordzone IJsbaanpad. Andere geluidsbronnen Ingevolge van het TAVGA-advies (en in het kader van een goede ruimtelijke ordening) dient te worden gemotiveerd hoe bij de beoordeling van een stille zijde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden bereikt als rekening wordt gehouden met andere (niet Wgh) geluidsbronnen.
Er zijn in en rond het plangebied diverse Wet milieubeheer-geluidsbronnen (inrichtingen) aanwezig. Het gaat voornamelijk om het Olympisch Stadion dat ten noorden van het plangebied ligt, de Sporthallen Zuid die ten westen van het plangebied liggen en het gasdrukmeet- en regelstation aan de noordzijde van het IJsbaanpad. Ten aanzien van het Olympisch Stadion en de Sporthallen Zuid geldt dat in de nachtperiode kan worden voldaan aan de dan geldende grenswaarde van 40 dBA. Het gasdrukmeet- en regelstation moet gezien de richtafstanden die gelden op grond van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (10 meter) kunnen voldoen aan de grenswaarde van 40 dBA Gemeente Amsterdam
blz. 92
in de nachtperiode. De afstand tot de woningen bedraagt op grond van regels vanwege externe veiligheid ten minste 25 meter. In de planregels van het bestemmingsplan is om die reden geborgd dat binnen een zone van 25 meter geen woningen en andere kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. In de nachtperiode dient het gasdrukmeet- en regelstation te voldoen aan de langtijdgemiddelde geluidgrenswaarde van 40 dB(A), conform het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer. Voor de volledigheid wordt geadviseerd om de stille zijde aan een zijde van het woongebouw te situeren die van het gasdrukmeet- en regelstation is afgewend (mits die zijde ook met betrekking tot Wet geluidhinderbronnen stil is). Indien dit niet mogelijk is kan een kunstmatige geluidsluwe gevel worden gerealiseerd (een stille zijde door gebouwmaatregelen). Er zijn verder geen andere geluidsbronnen die relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een stille zijde. In de paragraaf hierna wordt nader toegelicht op welke wijze in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de toekomstige woningen, de aanwezige geluidbronnen en de bescherming van een goede ruimtelijke ordening.
7.5
Regeling in bestemmingsplan
De bescherming van de toekomstige woningen, maatschappelijke functies (voor zover geluidgevoelig) en kinderdagverblijven tegen geluidbelasting door alle geluidbronnen én behoud van een stille zijde, wordt in het bestemmingsplan als volgt geborgd. Daar waar geluidgevoelige functies zijn toegestaan en de maximaal toelaatbare geluidwaarden worden overschreden, schrijft het bestemmingsplan voor dat op aangewezen gevels een vliesgevel of een dove gevel (geen te openen geveldelen) moet worden gerealiseerd (lid 3.2.3, onder a en lid 4.2.3, onder a, van de planregels). Dit geldt voor het meest westelijke gebouw voor de zuidelijke gevels vanaf een hoogte van 27,5 meter. Voor het gebouw daar direct ten oosten daarvan geldt dit voor de zuidelijke gevel vanaf een hoogte van 34 meter. Zodra kan worden aangetoond dat de geluidbelasting, als gevolg van gerealiseerde nieuwe bebouwing met een afschermend effect, tot onder de maximale geluidwaarden is afgenomen kan binnenplans worden afgeweken van de eis van een dove- of vliesgevel (lid 3.3, onder a, en lid 4.3, onder a, van de planregels).
Figuur 7.1: overzicht dove gevels, bron: Akoestisch onderzoek Referentie 02563-55410-07v2, p. 21. Met betrekking tot de geluidbronnen anders dan Wgh-bronnen het volgende. In artikelleden 3.2.3. onder b en 4.2.3. onder b van de planregels is geborgd dat de geluidwering van de gevel zodanig is dat tijdens activiteiten die binnen de reguliere bedrijfssituatie van het Olympisch Stadion vallen het geluidsniveau binnen de verblijfsruimten van een woonruimte ten hoogste een langtijdgemiddelde 35 dB (A) etmaalwaarde bedraagt en maximaal 55 dB (A) etmaalwaarde bedraagt.
bestemmingsplan_Zuidas-Verdi Noordzone IJsbaanpad (vastgesteld)
blz. 93
Daarnaast is geborgd dat de geluidwering van de gevel zodanig is dat tijdens incidentele activiteiten van het Olympisch Stadion (twaalf keer per jaar) de gevelgeluidwering zodanig moet zijn dat er een maximale waarde van 50 dB(A) wordt behaald in de woningen (zie lid 3.2.3, onder c, en lid 4.2.3, onder c, van de planregels). Hiermee is geborgd dat zowel vanwege de bedrijfsactiviteiten van het Olympisch Stadion als vanwege het gasdrukmeet- en regelstation sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tot slot is in de regels van het bestemmingsplan opgenomen dat iedere woning over een stille zijde moet beschikken (lid 3.2.3, onder d, en lid 4.2.3, onder d, van de planregels). Het gasdrukmeet- en regelstation en het Olympisch Stadion zijn beide gelegen aan de noordzone van het plangebied. Dit betekent dat er een zijde van de woningen meer dan de andere zijden belast zal worden met geluid. Zowel het Olympisch Stadion als het gasdrukmeet- en regelstation zijn inrichtingen waarvoor geldt dat na 23.00 uur tot 07.00 uur een maximale geluidbelasting van 40 dB (A) is toegestaan op grond van het Activiteitenbesluit. Het geluidbeleid van de gemeente Amsterdam schrijft voor dat voldaan kan worden aan de eis van een stille zijde, indien de geluidbelasting door inrichtingen in de nachtperiode (23.00 uur – 07.00 uur) niet hoger is dan 40 dB (A).
Dit betekent dat er voor de nachtperiode kan worden voldaan aan de eis van een stille zijde. Voor de volledigheid wordt geadviseerd om de stille zijde aan een zijde van het woongebouw te situeren die van beide inrichtingen is afgewend (mits die zijde ook met betrekking tot Wet geluidhinder bronnen stil is). Indien dit niet mogelijk is kan een kunstmatige stille zijde worden gerealiseerd (een geluidsluwe gevel door gebouwmaatregelen). De overige gevels zijn, met uitzondering van de te realiseren dove gevels, minder zwaar belast. Met andere woorden: de eis van een stille zijde kan met gebouwmaatregelen en andere ontwerpopgaven worden gerealiseerd. In hoofdstuk 17.4 wordt de juridische regeling voor geluid in het plangebied nader toegelicht. Daarbij wordt ingegaan op de onderbouwing ten aanzien van de verschillende planregels die in het bestemmingsplan zijn opgenomen om te borgen dat in de toekomst geluidgevoelige functies kunnen worden gerealiseerd.
7.6
Conclusie
Hoewel er binnen het plangebied sprake is van een aanzienlijk geluidniveau, blijkt uit verschillende geluidonderzoeken dat met de situering van wel- en niet-geluidgevoelige functies in het gebied, de realisatie van woningbouw en andere geluidgevoelige functies met een goed woon- en leefklimaat mogelijk is.
Gemeente Amsterdam
blz. 94
bestemmingsplan_Zuidas-Verdi Noordzone IJsbaanpad (vastgesteld)
blz. 95
Hoofdstuk 8 8.1
Luchtkwaliteit
Algemeen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit het oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Er kunnen in dat verband belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn.
8.2
Regelgeving
8.2.1
Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit)
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Ingevolge deze wet is de specifiek op luchtkwaliteit betrekking hebbende titel 5.2 in de Wet milieubeheer (Wm) opgenomen, waarin luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd. De kern van deze regeling wordt gevormd door een landelijke programmatische aanpak, die ervoor zorgt dat, in de meeste gevallen, niet meer per project aan luchtkwaliteitsnormen hoeft te worden getoetst. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wm kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden vastgesteld indien (samengevat) aannemelijk is gemaakt dat als gevolg van de uitvoering van hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt: (waarschijnlijk) geen sprake is van een overschrijding van een in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarde; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft of bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met het bestemmingsplan samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; geen sprake is van het in betekenende mate (ibm) bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; deze uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit genoemd of
beschreven in, dan wel passend binnen of in elk geval niet in strijd met het vastgesteld programma (te weten het NSL, waarover later meer). Het hierboven gestelde is niet relevant indien hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt is beschreven in, dan wel betrekking heeft op een ontwikkeling die is beschreven in het vastgesteld Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Voor de in dit programma opgenomen ontwikkelingen is berekend wat de effecten zijn op de luchtkwaliteit. Vervolgens is in het programma een pakket maatregelen opgenomen waarmee de negatieve gevolgen van deze ontwikkelingen worden gecompenseerd. Grenswaarden In bijlage 2 van de Wm zijn de grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels voor de diverse stoffen opgenomen. Voor fijn stof en stikstofdioxide zijn de belangrijkste grenswaarden in onderstaande tabel weergegeven. Grenswaarde (µg/m 3)
Stof
Maatgevend beoordelingscriterium
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie 40
Gemeente Amsterdam
blz. 96
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie 40
Fijn stof (PM10)
24-uurgemiddelde concentratie
Fijn stof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie 25
50, mag maximaal 35 keer per jaar overschreden worden; dit is gelijk aan een grenswaarde van 32,1 ìg/m 3 voor de jaargemiddelde concentratie PM10
Figuur 8.1: Tabel 1, bijlage 2 bij de Wet milieubeheer Bij de berekening geldt een plaatsafhankelijke aftrek voor de jaargemiddelde norm voor fijn stof. Voor Amsterdam bedraagt deze aftrek 6 µg/m³ en voor het 24-uurgemiddelde zes overschrijdingen per jaar. Met deze aftrek mag de dagnorm derhalve 41 keer worden overschreden. Bij overschrijding van de grenswaarden is het van belang of sprake is van een niet in betekenende mate-project (nibm-project). Als de bijdrage aan de jaargemiddelde concentratie van zowel fijn stof als stikstofdioxide niet groter is dan 3%, draagt een project niet in betekenende mate bij aan de concentratie in de lucht van fijn stof en stikstofdioxide. Voor nibm-projecten vindt ten aanzien van de overschrijding van luchtkwaliteitsnormen geen verdere toetsing meer plaats. Als de bijdrage aan de jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide groter is dan 3% draagt het project in betekenende mate bij aan de concentratie in de lucht van fijn stof en stikstofdioxide. De volgende vraag is dan of het project is aangesloten bij het NSL. Als een project past binnen de omschrijving waarmee het in het NSL is opgenomen, wordt een eventueel optredende verslechtering van de luchtkwaliteit aangepakt door de maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit die eveneens onderdeel uitmaken van het NSL.
Aldus wordt voorkomen dat uiteindelijk sprake is van een overschrijding van de luchtkwaliteitnormen en de luchtkwaliteit aan het vaststellen van een bestemmingsplan in de weg staat. 8.2.2
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)
Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wm kan een bestemmingsplan van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de lucht van fijnstof en stikstofdioxide worden vastgesteld indien het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen, of in elk geval niet in strijd is met het NSL. Het NSL is gericht op het bereiken van de grenswaarden die worden overschreden (artikel 12 van de Wm). In het NSL zijn zowel nationale generieke maatregelen, als regionale maatregelen opgenomen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Het programma benoemt en beschrijft projecten die naar verwachting worden ontwikkeld in de periode waarop het NSL betrekking heeft. Door de negatieve effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit af te zetten tegen de positieve effecten van alle in het programma genoemde maatregelen op de luchtkwaliteit, wordt getoetst of een project past binnen het NSL. Bij een bevestigend antwoord op deze vraag vindt voor het betreffende project geen aparte toetsing aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit meer plaats. Op 6 december 2016 is besloten dat het NSL tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing is (Besluit tweede verlenging NSL). Het project Zuidas is in het NSL opgenomen met IB-nummer 724 en wordt in het NSL getypeerd als een gemengd project.
Met voorliggend bestemmingsplan wordt voorzien in een uitbreiding van het kantoor- en
bestemmingsplan_Zuidas-Verdi Noordzone IJsbaanpad (vastgesteld)
blz. 97
voorzieningenprogramma. De programmatoevoeging maakt deel uit van het Zuidasprogramma zoals dat is aangemeld voor het NSL. Gezien het nog resterende programma voor wonen, kantoren en voorzieningen past het programma, waarin voorliggend bestemmingsplan voorziet, ruimschoots binnen de uitgangspunten van het NSL. 8.2.3
Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)
Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is in januari 2009 in werking getreden. Met dit besluit wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Het besluit heeft niet tot doel om op voorhand elk risico af te dekken, maar om de meest nijpende situaties via een dwingende regeling te voorkomen. Tot de gevoelige bestemmingen behoren scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat het besluit is gericht op functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen zijnde kinderen, ouderen en zieken. Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof; PM10 ) en/of voor stikstofdioxide (NO2 ).
Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw. Eenmalig kan een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming worden toegestaan indien die leidt tot een toename van niet meer dan 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft. Hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven. Het bestemmingsplan maakt binnen 300 meter van de A10 geen gevoelige bestemmingen mogelijk.
8.3
Beleid
8.3.1
Actieplan schone lucht
Zie paragraaf 3.4.9.2 voor de bespreking van het Actieplan schone lucht. 8.3.2
Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam
De Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam is op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders. Op 10 december 2013 heeft het College besloten om de Gemeenteraad voor te stellen om de werking van de richtlijn uit te breiden. De Gemeenteraad heeft hiermee ingestemd, door op 22 januari 2014 de Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit (inclusief een 'Afwegingskader verkeersstromen in relatie tot de gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit') vast te stellen als aanvullend toetsingskader op de Structuurvisie Amsterdam 2040. Uitgangspunten van de richtlijn zijn dat:
Gemeente Amsterdam
blz. 98
binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 motorvoertuigen (mvt) per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerstelijns bebouwing worden geprojecteerd. Van de onder 1 en 2 genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren dan is een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), afdeling Milieu en Gezondheid nodig. Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overig spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, dat als gevoelige bestemming aanduidt gebouwen die geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgings-, verpleeg- of bejaardentehuis. De Amstelveenseweg is een stedelijke weg met meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal.
Om die reden zijn in de eerstelijnsbebouwing langs de Amstelveenseweg gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit uitgesloten. Hiermee wordt voldaan aan de Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam.
8.4
Resultaten onderzoeken
In het kader van de MER-procedure voor het gehele Verdi-gebied is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke effecten van de gebiedsontwikkeling op het punt van luchtkwaliteit. In het onderzoek zijn de toekomstige ontwikkelingen in het deelgebied Verdi samengevat tot twee varianten (Plan en Plan-max), aangevuld met een autonome situatie voor dit deelgebied. Het doel van het onderzoek was enerzijds het in beeld brengen van de effecten van de varianten en anderzijds een toetsing aan de grenswaarden. Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling van deelgebied Verdi op meerdere wegen leidt tot een toename van verkeer en daarmee tot een toename van concentraties NO2, PM10 en PM2,5. De ontwikkelingen leiden niet tot overschrijding van wettelijke grenswaarden in 2030. Ook de advieswaarden van de WHO worden binnen het deelgebied Verdi in 2030 niet overschreden. Naar aanleiding van het advies van de Commissie MER (zie ook paragraaf 5.3) is een aanvullend onderzoek opgesteld (onderdeel van Bijlage 1 bij het bestemmingsplan). Dit betrof met name het geografisch in beeld brengen van de luchtkwaliteit binnen Verdi. Daarmee is inzichtelijk gemaakt hoe de situatie plaatselijk is, voor wat betreft de te verwachten luchtkwaliteit. Mede op basis hiervan zijn de luchtkwaliteitgevoelige functies als een kindedagverblijf in het gebied op een verantwoorde wijze te situeren.
8.5
Conclusie
Per 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. Nu dit van kracht is, hoeven de hierin opgenomen projecten niet meer aan de grenswaarden te worden getoetst. In plaats daarvan vindt de zogenaamde programmatoetsing plaats. Daarbij gaat het erom of een project is genoemd of beschreven, dan wel past binnen het NSL. Een nadere toets is niet aan de orde. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er geen strijd is met de betreffende regeling in de Wet milieubeheer. Wat betreft gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit wordt niet voorzien in nieuwe vestiging van dergelijke functies binnen 300 meter van de A10 of in de eerstelijnsbebouwing langs de Amstelveenseweg. Dit is
bestemmingsplan_Zuidas-Verdi Noordzone IJsbaanpad (vastgesteld)
blz. 99
in de planregels als zodanig vastgelegd. Daarmee wordt voorzien in uitvoering van de vastgestelde richtlijn.
Gemeente Amsterdam
blz. 100
bestemmingsplan_Zuidas-Verdi Noordzone IJsbaanpad (vastgesteld)