7. Bijlagen bij toelichting herstelbesluit Westerpark Zuid.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Westerpark Zuid
Vastgesteld
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Westerpark Zuid
Colofon
Opdrachtgever Opdrachtnemer
Ruimte en Duurzaamheid
IMRO_idn
NL.IMRO.0363.E1804BPSTD-VG03
Datum print
25 Augustus 2025
Planstatus
vastgesteld
blz. 3
Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting
5
Bijlage 1
Cultuurhistorische verkenning Westerpark Zuid
7
Bijlage 2
Cultuurhistorische verkenning GWL-terrein
59
Bijlage 3
Cultuurhistorische verkenning Kop van Jut
73
Bijlage 4
Archeologisch onderzoek
95
Bijlage 5
Visie Molenterrein De Otter
127
Bijlage 6
Grondwatereffect onderkeldering Amsterdam
145
Bijlage 7
Groenpercentage en vergroeningspotentieel particuliere tuinen
197
Bijlage 8
Advies GGD
207
Bijlage 9
HvA Hittebestendige stad
213
Bijlage 10
Nota van beantwoording zienswijzen
343
Bijlage 11
Vergelijking bouwblokken
357
Gemeente Amsterdam
blz. 4
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 5
Bijlagen bij de toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 6
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 7
Bijlage 1
Cultuurhistorische verkenning Westerpark Zuid
Gemeente Amsterdam
Westerpark-Zuid Cultuurhistorische verkenning C 18-020 Amsterdam 2020
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
2
Inhoud
Inleiding
2
Samenvatting, advies en onderbouwing
3
2.1 Samenvatting 2.2 Advies en onderbouwing
4 4
2
Beleidskader
8
3
Historisch stedenbouwkundige analyse
9
3.1 Ontwikkelingsgeschiedenis 3.1.1 Stadsuitbreiding vanaf 1860: de 19de-eeuwse Ring 3.1.2 Industriële bebouwing 1920-1970 3.1.3 Stadsvernieuwing 1970-1990 3.1.4 Stedelijke vernieuwing na 1990
9 11 23 26 29
3.2 Stedenbouwkundige, typologische en architectonische aspecten
36
Betekenisvolle structuren, elementen en bebouwing
44
Bronnen
47
Colofon
47
1
4
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
1
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Inleiding
Stadsdeel West heeft Monumenten en Archeologie (M en A) verzocht te adviseren over de bovengrondse cultuurhistorische waarden die bij het opstellen van het bestemmingsplan voor het plangebied Westerpark-Zuid van belang zijn. Het plangebied bevat de Staatslieden- en Frederik Hendrikbuurt en wordt begrensd door de Haarlemmervaart, de Singelgracht, de Hugo de Grootgracht, het Oostelijk Marktkanaal, de Waterpoort- en Waterkeringweg. De grens tussen de twee buurten wordt gevormd door de Kostverlorenvaart en de Kattensloot. Dit heeft geresulteerd in een beknopte uiteenzetting van de ontstaansgeschiedenis en een overzicht van de in het gebied aanwezige bovengrondse cultuurhistorische waarden. Voor de ondergrondse cultuurhistorische waarden verwijzen we naar het Archeologisch Bureauonderzoek van M en A. Voor de Kop van Jut en het GWL-terrein zijn tevens aparte cultuurhistorische verkenningen gemaakt: CHV Kop van Jut (d.d. november 2020) en CHV GWL-terrein (M en A, 2012/2018). Bij cultuurhistorische waarden gaat het over sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen.
Het is meestal niet nodig alle cultuurhistorische elementen aan te wijzen als beschermd monument of gezicht. Het is wel van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied.
2
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Bestemmingsplangebied
Afbeelding 1: Bestemmingsplangebied. Deelgebieden GWL-terrein (boven, met een rode stiplijn aangegeven) en Kop van Jut (onder, met een rode stiplijn aangegeven) worden in een aparte cultuurhistorische verkenning behandeld. Uit: Gemeente Amsterdam, 2019.
3
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
1
Samenvatting, advies en onderbouwing
1.1
Samenvatting
De stedenbouwkundige structuur van bestemmingsplangebied Westerpark Zuid is grotendeels bepaald door het 19de-eeuwse uitbreidingsplan van Publieke Werken (bekend als Plan Kalff). De hoofdlijnen daarvan zijn de contour van het bolwerk met de Singelgracht aan de oostzijde en de bestaande vaarwegen die niet alleen onmisbaar waren voor de waterhuishouding, maar ook voor handel en bedrijvigheid: de Kostverlorenvaart, de Kattensloot en de Hugo de Grootgracht. Langs deze vaarten zijn dan ook al sinds de 16de eeuw industriële complexen gevestigd zoals houtzaagmolens en fabrieken. De Kostverlorenvaart scheidt het gebied in twee buurten, de Staatslieden- en de Frederik Hendrikbuurt. De buurten bestaan overwegend uit gesloten bouwblokken van meestal vier tot vijf lagen hoog, die na 1880 gebouwd werden. Een groot deel daarvan is de voor deze periode zo typische speculatiebouw met kleine rug-aan-rugwoningen voor arbeiders. Aan een aantal fraaie kades en pleinen staat sjiekere bebouwing voor de middenklasse en in een beperkt deel van de wijk is tijdens de stadsuitbreiding van de Gordel 2040 sociale woningbouw gerealiseerd. Belangrijke uitzonderingen op deze stedenbouwkundige structuur zijn de blokken die in de jaren tachtig in het kader van de stadsvernieuwing tot stand zijn gekomen, zoals de blokken ter weerszijden van de Limburg van Stirumstraat.
Later volgden stedelijke vernieuwingsprojecten zoals het Meander-project en het GWL-terrein als herontwikkeling van voormalige industrieterreinen. De volhardende acties van krakers en buurtbewoners hebben met name sinds de jaren ’70 de grootschalige sloop van de 19de eeuwse bebouwing tegengehouden. Zodoende bleef de aanwezige 19e -eeuwse stedelijke structuur grotendeels intact. Het resultaat is een gebied dat een belangrijk deel van haar identiteit aan de 19de eeuwse bouwperiode dankt, maar dat tegelijk een rijke morfologie, grote historische gelaagdheid en boeiende variatie aan woningbouwtypologieën bevat. 1.2
Advies en onderbouwing
De adviezen zijn uitgesplist naar de ruimtelijke kenmerken die voor het plangebied gelden. Bebouwing/ architectuur Het verdient aanbeveling om voor de betekenisvolle bebouwing die met een orde 1 of 2 gewaardeerd is, of met een orde 3 in combinatie met een stedenbouwkundige zone A of B, een sloopvergunningsstelsel op te nemen waarbij een bepaling van zodanige strekking wordt opgenomen dat een nadere cultuurhistorische afweging gemaakt moet worden. De achtergrond hiervan is dat sinds 1 april 2012 voor de activiteit slopen alleen nog een meldingsplicht bestaat en geen samenloopregeling bestaat tussen de melding en de omgevingsvergunning. Dit is wel het geval indien een sloopregeling wordt opgenomen in het bestemmingsplan. Aangezien bij de orde 1 en 2 panden, en bij orde 3 panden in combinatie met een stedenbouwkundige zone A of B, het
4
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
ruimtelijke beeld/stads- en straatbeeld in het geding is, ligt hier de ruimtelijke relevantie en relatie met het bestemmingsplan. Cultuurhistorische ensembles Er bevinden zich drie rijksmonumenten in het plangebied die bijzondere aandacht vragen: Schutsluis Haarlemmervaart en molen De Otter uit de 19de eeuw en de drukinktfabriek uit 1939. Deze bouwwerken vormen, samen met sluiswachterswoning, aanbouwen en achterterreinen, waardevolle ensembles die de cultuurhistorische gelaagdheid van het gebied afleesbaar houden. Het verdient aanbeveling om deze ensembles als zodanig te beschermen. Stadsvernieuwing en stedelijke vernieuwing Zorg bij wijzigingen aan de bebouwing dat de samenhang van de verkavelingseenheden behouden blijft. De stadsvernieuwingsprojecten vormen duidelijke architectuureenheden. De grotere stedelijke vernieuwingsprojecten hebben vaak ook een geheel eigen, en van de omgeving afwijkende, verkavelingsvorm. In alle gevallen is het van belang de eenheid binnen de projecten als uitgangspunt te hanteren. N.B. Momenteel wordt aan waarderingskaarten van de stadsvernieuwingspanden, de bedrijven/industrie van na 1950 en de architectuur van na 1970 gewerkt. Hierin zullen zowel de (industriële) architectuur als de stedenbouwkundige eenheden gewaardeerd worden.
Rooilijnen M en A adviseert de rooilijnen vast te leggen, inclusief aanwezige verspringingen en afgeschuinde hoeken, zodat het verkavelingspatroon van de buurten herkenbaar blijft. De reden hiervoor is dat de stedenbouwkundige structuur van Westerpark Zuid voor een groot deel bestaat uit een raster van wegen waaraan gesloten bouwblokken staan. De rooilijnen bepalen de contouren van de bebouwing. Kenmerkend voor veel van de bouwblokken in de 19de-eeuwse Ring zijn de afgeschuinde hoeken, waardoor de kruispunten optisch groter lijken (zie afbeelding 2). M en A adviseert om ook de achterrooilijnen vast te leggen. Deze rooilijnen bepalen de contouren van de binnentuinen. Zij zijn een belangrijk onderdeel van de stedenbouwkundige opzet. Kruispunt met afgeschuinde hoeken
Afbeelding 2: Kruising Tweede Nassaustraat/Nassaukade/Jacob Catskade. Uit: SAA, 010122011653, 1971.
5
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Bouwhoogtes De bebouwing van de 19de -eeuwse bouwblokken is overwegend vier lagen hoog met een kap, dat aspect is karakteristiek en beeldbepalend. Voor bebouwing met een orde 1 en 2 waardering, of een orde 3 waardering die gelegen zijn aan een straat of plein met een Zone A of B waardering, is het advies om deze bouwhoogte aan te houden, inclusief de kapvorm aan de straatzijde (dus mini- en maximale nok- en goothoogte vastleggen). Belangrijk voor de 19de -eeuwse stedenbouw zijn de accenten op kruispunten van straten. Het verdient aanbeveling om deze accenten, voor zover die in het plangebied voorkomen, in de regels te borgen, met een regeling zodanig opgesteld dat de accenten bij wijzigingen aan de kap niet ingebouwd raken door bijvoorbeeld dakkapellen en dakopbouwen. Kapvormen Bij kapvormen met een helling dienen maximale hellingshoek, nok- en goothoogte te worden vastgelegd en een maximale hellingshoek van 60 graden te worden aangehouden. De reden hiervoor is dat kapvormen bepalend zijn voor het straatbeeld. Of bij (gesloten) bouwblokken kappen dwars of parallel aan de straat zijn toegepast, is afhankelijk van de bouwperiode. In buurten met een grote variatie in bouwhoogte is zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte bij de aanleg van dakterrassen en de realisatie van dakopbouwen bepalend.
M en A adviseert om de regeling voor dakterrassen aan de bouwhoogte en zichtbaarheid vanuit de openbare ruimte te koppelen. Plinten Het verdient aanbeveling om de winkelpuien te beschermen en waar mogelijk ook een (semi)publieke functie te stimuleren. Het doel is om het dichtbouwen van de oorspronkelijke etalages met bijvoorbeeld bergingen te voorkomen. De kleine korrelgrootte van de winkels is kenmerkend voor de 19de -eeuwse wijken, en ook dat ze niet alleen in hoofdstraten maar door de hele wijk verspreid in de kleine zijstraten voorkomen. De winkelpuien zijn duidelijk herkenbaar en vaak ook als bijzondere architectuur vormgegeven. Open winkelpui
Afbeelding 3: Wittenkade. Uit: SAA, 010122012262, 1983.
6
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Groen, water en openbare ruimte M en A adviseert om de groen- en waterstructuren als zodanig te bestemmen, inclusief kleinere groenstroken die nu als 'Verkeer' bestemd zijn (bijvoorbeeld in de buurt Buyskade). Het verdient extra aanbeveling om cultuurhistorisch waardevolle profielen in het bestemmingsplan te verankeren. M en A adviseert om de binnentuinen als zodanig te bestemmen en er geen bouwmogelijkheden (anders dan wat vergunningsvrij is) op te nemen. Ook niet voor erfafscheidingen. Tevens adviseert M en A de voortuinen, voor zover die in het plangebied voorkomen, als zodanig te bestemmen. Dit geldt ook voor andere openbare ruimtes, zoals autovrije straten en pleinen. Westerpark-Zuid kent relatief weinig openbaar groen. De (soms asymmetrische) boombeplanting van straten en grachten (en in het bijzonder van de Nassaukade) behoren van begin af aan tot de 19de eeuwse stadsuitleg en is daarom zeer waardevol. Verder brengt de stedenbouwkundige opzet van Westerpark-Zuid met overheersend gesloten bouwblokken met zich mee dat veel van het aanwezige groen zich bevindt in de privébinnenhoven van de bouwblokken. Dit groen en de onbebouwde ruimte is echter zeer belangrijk voor de kwaliteit van het wonen (waaronder lucht- en lichttoetreding) en daarom werd het tijdens de bouw al als minimale maat gehanteerd.
Momenteel zijn de bouwblokken in het stadsdeel al behoorlijk verdicht door de vele aan- en uitbouwen op het achtererf. Een verdere verdichting van de binnenterreinen doet ernstig afbreuk aan de hoeveelheid groen in de stad en is daarom onwenselijk. In het kader van het stadsbrede project Binnentuinen wordt onderzocht of vergunningsvrij bouwen in de binnentuinen beperkt moeten worden, onder meer op basis van cultuurhistorische- of milieutechnische overwegingen. (Zie: Van licht, lucht en groen wordt je een ‘beter’ mens: een cultuurhistorische verkenning naar de tuin in de Amsterdamse stedenbouw, Aardse en Statema, 2017.) Om die reden dient te worden nagegaan in hoeverre het belang van het openhouden van de binnentuinen in het bestemmingsplan verankerd kan worden. GWL-terrein Het advies voor het GWL-terrein is uitgebracht in een apart rapport, de Cultuurhistorische verkenning GWL-terrein (M en A, 2012/2018). Kop van Jut Het advies voor de Kop van Jut is uitgebracht in een apart rapport, de Cultuurhistorische verkenning Kop van Jut (M en A, 2020).
7
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
2
Beleidskader
Naar aanleiding van de Modernisering van de Monumentenwet en de wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, d.d.17 juni 2011, staatsblad 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 bij het maken van bestemmingsplannen een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden”. In de toelichting van de Bro staat dat dit betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden en daar conclusies aan verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Dit vermindert de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten omdat aan het belang van de cultuurhistorie dan waarde wordt toegekend via het proces van de ruimtelijke ordening. Voor Amsterdam komt het verankeren van de cultuurhistorie in het proces van ruimtelijke ordening ook aan bod in de Beleidsnota ‘Ruimte voor Geschiedenis’ (vastgesteld 13 april 2005) en ‘Spiegel van de Stad, visie op het erfgoed van Amsterdam’ (vastgesteld 14 november 2011) en in ‘Erfgoed voor de stad, agenda voor het erfgoed in een groeiend Amsterdam’(vastgesteld 5 juli 2016).
De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland is een geografische uitwerking van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (besluit d.d.21 juni 2010). De kaart geeft in zijn algemeenheid informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten/monumenten, archeologische verwachtingen en structuurdragers als militaire structuren en historische dijken. Deze informatiekaart is voor wat betreft bovengrondse cultuurhistorische waarden vooral gericht op gemeente overschrijdende zaken. Het is daarom niet gericht op de specifiek Amsterdamse waarden, en het geeft daar dan ook geen beeld van.
8
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
3
Historisch stedenbouwkundige analyse
3.1
Ontwikkelingsgeschiedenis
Het plangebied ligt voor een belangrijk deel in de Sloterpolder, de grootste polder in de vroegere gemeente Sloten. Het gebied tussen Amsterdam en Haarlem werd in de 10e tot 13e eeuw in cultuur gebracht en in het begin van 17e eeuw (tussen 1598 en 1628) ingericht als polder. De polder werd aan de oostzijde begrensd door de Kostverlorenvaart (Costverloren Wetering). Dit is nog altijd een van de belangrijkste ruimtelijke en functionele dragers in het plangebied. De vaart werd in 15de eeuw gegraven om de afwatering op het IJ te verbeteren. Tegelijk is het de verbinding tussen de Schinkel en het IJ en daarmee een belangrijke handels- en transportroute. Na aanleg van de Haarlemmervaart in 1632 werd de Sloterpolder door drie poldermolens bemalen. Deze trekvaart vormde de belangrijkste verbinding tussen Amsterdam en Haarlem en was een relatief veilige en vooral ook kortere route ten opzichte van de moeizaam begaanbare Spaarndammerdijk en het vaak ruige IJ. Aan weerszijden van de weg werden buitenplaatsen gebouwd. In 1674 fuseerde de Sloterpolder met de kleine Middelveldsche Polder (gelegen tussen de Groeneweg en de Uitweg). Sindsdien was de officiële naam Sloterbinnen- en Middelveldse gecombineerde polders. de
Plangebied voor de 19 -eeuwse stadsuitbreiding
Afbeelding 4: Uitsnede van een kaart uit 1746 van het Hoogheemraadschap van Rijnland, deelgebied Amsterdam - Halfweg - Haarlemmerliede. Het plangebied is met een gele lijn aangegeven. Uit: Collectie cartografische documenten van het Hoogheemraadschap van Rijnland, collectienummer A-4485.
Een groot deel van de grond ten westen van de Singelgracht behoorde tot het begin van de 20ste eeuw tot de Gemeente Sloten. Dit deel, ten westen van de Kostverlorenvaart in de Sloter-Binnenpolder bestond grotendeels uit grasland met poldersloten. In 1921 annexeerde Amsterdam het grondgebied van Sloten ten behoeve van stadsuitbreidingen. Het andere deel, tussen de Kostverlorenvaart en de 9
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Amsterdamse stadswallen, werd vanaf de 17de eeuw gekenmerkt door (agrarische) bedrijvigheid met tientallen koren- en houtzaagmolens (zie afbeeldingen 4,5), een belangrijke industrie die de gemeente binnen haar grenzen wilde. Het gebied werd al snel als 'de zaagmolenbuurt' bekend en werd door veel kunstenaars vereeuwigd, waaronder Rembrandt. Van dit grote industriële complex resteert nu slechts molen ‘De Otter’ aan de Gillis van Ledenberchstraat (zie afbeeldingen 6,7).
Zicht op de vele molens
Afbeelding 5: Panorama met houtzaagmolen aan de paden buiten de Singelgracht tussen de Raampoort en de Zaagmolenpoort. Molen ‘De Otter’ is met een zwarte pijl aangegeven. Aquarel van J.M.A. Rieke uit 1880. Uit: Molens in Noord-Holland, 1981, pp. 64-65.
Molen ‘De Otter’ in 1917
‘De Otter’ in 2005 als enige gebleven molen
Afbeeldingen 6 en 7: Kostverlorenvaart, in oostelijke richting gezien naar Gillis van Ledenberchstraat, met molen ‘De Otter’ op de voorgrond. Foto boven: J. van Eck, 1917. Uit: SAA, A01634001334. Foto onder: Martin Alberts, 2005. Uit: SAA, 010122047805.
10
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
3.1.1
Stadsuitbreiding vanaf 1860: de 19de -eeuwse Ring
In de tweede helft van de negentiende eeuw, maakte Amsterdam een sterke bevolkingsgroei door. Slechte oogsten en grote armoede op het platteland leidden tot grote verstedelijking. Overigens zonder dat de situatie daar veel beter was, want de Nederlandse economie verkeerde het grootste deel van de 19de eeuw in slechte omstandigheden. In het derde kwart trok de industrialisatie en gaandeweg ook de economie hier aan. Nieuwe, grootschalige infrastructurele projecten waren daar een cruciale factor voor. Zo werden in deze tijd het Noordzeekanaal en de eerste spoorwegen opgeleverd. Ook andere, kleinere infrastructurele bouwwerken droegen erbij, zoals de in oorsprong uit 1884 daterende schutsluis in de Haarlemmertrekvaart die zich in het bestemmingsplangebied bevindt en dat aangewezen is als rijksmonument. Het sluis is van algemeen belang vanwege de cultuurhistorische en civieltechnischhistorische waarde als laat negentiende-eeuwse representant van de traditionele waterbeheersing in een historisch belangrijke vaarroute. De schutsluis heeft ensemblewaarde met de bijbehorende sluiswachterswoning annex gemaal. De stad barstte in diezelfde tijd zo’n beetje uit haar voegen. Arbeiders woonden in krotwoningen zonder stromend water of riolering, laat staan gas of licht. Na het slechten van de vestingmuren, transformeerde de ring rondom de stad. Zo ook aan de westzijde van de stad.
De ‘buitens’ aan weerszijden van de Haarlemmerweg maakten plaats voor fabrieksgebouwen. En de zaagmolens aan de Kostverlorenvaart voor (vervuilende) bedrijven. De agrarische gronden werden door particuliere bouwmaatschappijen in gebruik genomen voor revolutiebouw - snelle, goedkope en ondeugdelijke woningbouw – die als eerste direct buiten de Singelgracht kwam, zonder enige ruimtelijke coherentie. De schaal waarop deze ongestructureerde ontwikkelingen plaatsvonden maakte, voor het eerst sinds de aanleg van de grachtengordel, een nieuw uitbreidingsplan noodzakelijk. Plan Van Niftrik In 1866 heeft stadsingenieur J.G. van Niftrik een plan gemaakt zodat de gemeente de ontwikkelingen buiten de Singelgracht zou kunnen aansturen. Het plan toont een verdeling van de wijken naar functie en sociale klasse en plaatste de arbeiderswijken dichtbij de havens, en in het verlengde van de bestaande volkswijken. Zo zijn in het verlengde van de Jordaan, in het huidige plangebied twee vakken gepland, vak 1 en vak 2. Vak 1 is vervolgens verdeeld in gebied A voor een burger- of arbeiderswijk en gebied B voor een volkspark. Vak 2 is als fabrieksterrein bestemd, wat op de toen al bestaande situatie aansloot.
Terwijl de duurdere wijken een stervormige structuur met villaparken in de segmenten hebben, bestonden de wijken voor de arbeiders uit rechttoe-rechtaan een gridsysteem van langgerekte gesloten bouwblokken. Andere opvallende kenmerken van het plan zijn de voortzetting van de concentrische vorm van de stad (welke het resultaat was van de 17e -eeuwse uitbreiding toen de grachten werden aangelegd), de grote aandacht voor groen en de brede wegen en ruime pleinen. Het plan Van Niftrik werd echter afgewezen door de gemeente Amsterdam. Het monumentale plan, waar invloeden vanuit Wenen en Parijs in te herkennen zijn, was niet alleen te kostbaar maar ook te sjabloonmatig en hield bovendien geen rekening met de gemeentegrens of de bestaande eigendomsverhoudingen.
11
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Plan van Niftrik
Afbeelding 8: Uitbreidingsplan van Amsterdam van J.G. van Niftrik, ontwerp 1866. Het plangebied is met een zwarte stippenlijn aangegeven. Uit: Stadsarchief Amsterdam.
Plan Kalff Het Plan Kalff uit 1875-76 is een door initiatief van de directeur van Publieke Werken, ir. J. Kalff, herziene versie van het voornoemde uitbreidingsplan van Van Niftrik. Plan Kalff - in feite het resultaat van het samenwerken van Kalff en Van Niftrik - is nooit daadwerkelijk vastgesteld maar vormde evengoed het kader waarbinnen de particuliere bouwmaatschappijen in relatieve vrijheid konden opereren. Formeel is het nog steeds concentrische ontwerp niet meer zo monumentaal als dat van Van Niftrik maar een segregatie van de wijken naar sociale klasse is daar nog steeds aanwezig. De bolwerken zijn ook hier verdwenen, op een enkele uitzondering na, zoals het Eerste Marnixplantsoen. De Singelgracht- en kade werden waar nodig geëgaliseerd en gestroomlijnd. Op een aantal plekken werden de kruispunten tot pleinen vergroot, door afschuining van de hoeken. De gemeentegrens werd op strikt wijze gerespecteerd en is de oorzaak van het richtingsverschil tussen de verkavelingen in de Staatslieden- en Frederik Hendrikbuurt. De stedenbouwkundige opzet van het plan - een strak gridsysteem van gesloten bouwblokken met hier en daar een geknikte straat en een hiërarchische wegenstructuur - is het resultaat van pragmatische 12
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
overwegingen. Dit is zichtbaar zowel in de structuur van de wijken en de vorm van de bebouwing als in de verschillende verkavelingsrichtingen. Het plan is dus gemaakt als een optelsom van deelverkavelingen in plaats van een poging om tot de ideale vorm van de stad en de nieuwe stadsuitbreiding als geheel te komen. Plan van Kalff
Afbeelding 9: Uitbreidingsplan van Amsterdam van J. Kalff en J.G. van Niftrik, 1875-1876. Het plangebied is met een zwarte stippenlijn aangegeven. Uit: Stadsarchief Amsterdam.
Het plan was vrij schematisch en de gefaseerde uitvoering daarvan is gebeurd op basis van een veelheid van kleinere deelplannen. De minimumbreedte van de straten en de minimumhoogte van het gesloten bouwblok waren wel voorgeschreven, maar er was geen rekening gehouden met de bezonning. Pleinen, parken en plantsoenen waren daar gepland waar de grond niet in particulier bezit was. Dit was ook het geval bij het grote plein met plantsoen dat in de Frederik Hendrikbuurt is opgenomen - het huidige Frederik Hendrikplantsoen - dat deels op de bolwerken werd gepland (zie afbeeldingen 29,30). Ondanks het feit dat in dit plan rekening is gehouden met de bestaande eigendomsverhoudingen, duurde de aanleg van zowel de Staatsliedenbuurt als de Frederik Hendrikbuurt vrij lang, onder meer vanwege moeizame onteigeningsprocedures langs de Kostverlorenkade.
13
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Uitvoering Plan Kalff Het Plan Kalff met zijn strakke verkaveling werd toen als nogal oninteressant gezien. Een makelaar diende namens zijn klant (de grondeigenaresse) een gewijzigd plan voor een deel van de Staatsliedenbuurt in (tussen de Haarlemmerweg, de Kostverlorenvaart en de toenmalige grens met de gemeente Sloten) met bochten in de straten en twee extra pleinen, het Van Hogendorpplein en het Van Limburg Stirumplein (zie afbeeldingen 10, 16, 18, 19, 20). Tegelijkertijd werd de diepte en de lengte van de bouwblokken verminderd. Dat leidde tot kleinere bouwblokken met extra straten en dus extra gevelwanden en meer woningen. Dit was echter niet ongebruikelijk, aangezien grondexploitanten niet alleen een verfraaiing van de buurten wilden voor een hogere woningwaarde maar ook een grotere dichtheid van het aantal te verhuren woningen. Dit deelplan is in 1883 door de gemeente goedgekeurd en vervolgens uitgevoerd. Vergelijkbare processen vonden op andere locaties in het plangebied plaats. Planvorming anno 1915
Afbeelding 10: Kaart van Amsterdam, Publieke Werken, uitsnede ter plaatse van het plangebied (met een zwarte stippenlijn aangegeven) waarop J. van Eck de planvorming heeft aangegeven, 1915. Uit: Stadsarchief Amsterdam.
14
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Staatsliedenbuurt Het gebied ten westen van de Groen van Prinstererstraat en ten noorden van de Kostverlorenvaart was oorspronkelijk geen onderdeel van het Plan Kalff. Dit gebied werd pas in 1896 bij de gemeente Amsterdam getrokken. In 1897 besloot de gemeente om in een deel van het gebied dat aan de Haarlemmerweg grenst een grootschalig pompstation met waterreservoir te bouwen, de Gemeentelijke Waterleidingen (GWL). In 1902 werd door privé ontwikkelaars een stedenbouwkundig plan gemaakt voor de rest van het gebied. Aan de Buyskade langs de rand van de stad en goed bereikbaar over het water, en in het gebied tussen de Van Hallstraat, de Eerste Keucheniusstraat en de Van der Palmkade werd hoofdzakelijk kleinschalige industrie en bedrijvigheid gevestigd, in het bijzonder de Palmitinefabriek die in 1875 tot Westelijke Entrepot werd verbouwd en later bekend stond als het AWIC-terrein (Amsterdams Westelijk Industrie Centrum). In de Staatsliedenbuurt werden in het eerste kwart van de 20ste eeuw, tijdens de stadsuitbreiding van de Gordel 20-40, een aantal sociale woningbouw gerealiseerd die het resultaat is van de bevlogen inzet en samenwerking van het sociaal democratische gemeentebestuur, woningbouwverenigingen en vooruitstrevende architecten.
Zo zijn er in de jaren 1910 tussen de De Kempenaerstraat, de Keucheniusstraat, de Van Bossestraat en de Van Hogendorpstraat twee blokken met verenigingsbouw gerealiseerd. Het eveneens gesubsidieerde woningbouwcomplex aan het Van Beuningenplein, door architect De Bazel ontworpen (zie afbeelding 14, 15), kwam in 1916/17 gereed en andere blokken dateren werkelijk van de jaren twintig en dertig. In de Van Bossestraat werd in 1925 de ‘Prinsesseschool’ gebouwd (Nederlands Hervormde ULO), welke genoemd werd naar de (in 1918 gebouwd en in 1982 gesloopt) Prinsessekerk op de Van Hallstraat. Van Hallstraat en Gemeentelijke Waterleidingen
Afbeelding 11: Van Hallstraat, vanuit de Haarlemmerweg gezien. Aan de rechterkant is de Gemeentelijke Waterleidingen (GWL) te zien en aan de linkerkant is woningbouw te zien. Uit: SAA, B00000011236, 1972.
15
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Westergasfabriek, Gemeentelijke Waterleidingen en Westelijk Entrepot
Afbeelding 12: Luchtfoto in noordelijke richting. In het midden, aan de noordzijde van de Haarlemmervaart, is de Westergasfabriek en aan de zuidzijde het pompstation van de Gemeentewaterleidingen met watertoren. Van het midden naar beneden, recht over de foto, de van Hallstraat, en oost daarvan de Groen van Prinstererstraat. Rechtsonder de Westelijk Entrepot, aan de Kostverlorenvaart. Uit: SAA, 010009015626, 1969.
Buiskade en Westelijk Entrepot
Afbeelding 13: Luchtfoto van de Kostverlorenvaart en omgeving gezien in noordwestelijke richting. Midden links is de Van Hallstraat. Midden rechts is de Wittenkade. Midden is de Amsterdamse Zakkenhandel, Buijskade 8, en rechts het Westelijk Entrepot. Uit: SAA, A04139000321, 1956 (copyright: Aviodrome Luchtfotografie).
16
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Woningbouwcomplex aan het Van Beuningenplein
Afbeelding 14: Speeltuin op het Van Beuningenplein, met op de achtergrond de woningbouw van architect De Bazel. Uit: SAA, OSIM00004001942, circa 1925. Afbeelding 15: Woningen van architect De Bazel aan De Kempenaerstraat- Van Beuningenplein, 1916/17. Uit: SAA, 5293FO016395, datum onbekend.
Terwijl in het westelijke deel van de Saatsliedenbuurt een menging van industrie, voorzieningen en (gesubsidieerde) woningbouw kwam, verrezen in het oostelijke deel van de Staatsliedenbuurt vooral etagewoningen voor arbeiders en gemeenteambtenaren met uniform verrezen. Vanwege dat laatste werd deze buurt ook wel de 'koperen knopen buurt' genoemd. Het Van Hogendorpplein en het Van Limburg Stirumplein bevinden zich in dit deel van de buurt, waar de gesloten bouwblokken met overwegend 19de-eeuwse woningbouw gevuld werden. Echter, in de Wittenbuurt (tussen de Kattensloot en de Kostverlorenvaart) is een combinatie van woningbouw, industrie en (maatschappelijke) voorzieningen zoals de Nassaukerk ontstaan.
Bocht Fannius Scholtenstraat
Afbeelding 16: Bocht Fannius Scholtenstraat. Uit: SAA, PRKBB00016000004, 1915.
17
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Etagewoningen aan de Wittenkade
Afbeelding 17: Wittenkade, gerekend vanaf Fannius Scholtenstraat. Voorgrond: Kostverlorenvaart. Uit: SAA, 010122012265, 1983.
Van Hogendorpplein
Afbeelding 18: Van Hogendorpplein. In het midden de Van der Duijnstraat gezien met daarachter het Westerpark, de Haarlemmertrekvaart en de Haarlemmerweg. Uit, SAA, 010009010386, jaren zestig.
Van Limburg Stirumplein
Afbeelding 19+20: Van Limburg Stirumplein in 1909 (links) en in 1983, nog voor de vernieuwing (rechts). Uit: SAA, PRKBB00030000002 en 010122007043.
18
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Haarlemmerweg in 1870
Haarlemmerweg in 1941
Afbeeldingen 21+22: Kaarten met situatie rondom de Haarlemmerweg in 1870 (boven) en 1941 (onder). De situatie van 1941 is op de kaart van 1843 geprojecteerd. Uit: De Amsterdamsche Schans & de Buitensingel, J. van Eck 1948.
19
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Frederik Hendrikbuurt De Frederik Hendrikbuurt was pas omstreeks 1925 geheel bebouwd maar al vanaf 1880 verrezen aan de Nassaukade herenhuizen voor de gegoede burgerij. Hierachter realiseerde men (particuliere) etagewoningen voor arbeiders. Verder werden enkele scholen gebouwd. Het gebied tussen de Tweede Nassaustraat en de Jacob Catskade werd vanaf 1890 verhuurd als industrie- en opslagterreinen. Ook in de noordwestelijke hoek van de buurt werd industrie gevestigd, aan het zuidelijke deel van de Jacob Catskade. De voor de middenstand bestemde woningen zijn hier onder meer te vinden in de Frederik Hendrikstraat. Tussen deze straat en de ten westen hiervan gelegen industrie werden omstreeks de Eerste Wereldoorlog diverse woningen voor arbeiders gerealiseerd. Ze werden toegevoegd als een latere invulling van al deels bebouwde terreinen. Industrie en groen langs het water
Afbeelding 23: Luchtfoto Westerpark. Linksonder is de Singelgracht en er aangrenzend is de Frederik Hendrikplantsoen. In de omgeving van de Kostverlorenvaart en de Kattensloot zijn drie clusters met industrie te zien. De kleinere cluster bevindt zich in de noordwestelijke hoek van de Frederik Hendrikbuurt. Uit: SAA, B00000037117, 1985.
Frederik Hendrikstraat
Afbeeldingen 24+25: Frederik Hendrikstraat circa 1910 (links) en in 1983 (rechts). Uit: SAA, PBKD00009000001 en 010122010536.
20
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Frederik Hendrikstraat en Hugo de Grootplein
Afbeelding 26: Frederik Hendrikstraat ter plaatse van het Hugo de Grootplein, Uit: SAA, B00000037799, 1987.
Herenhuizen aan de Nassaukade
Afbeeldingen 27+28: Herenhuizen aan de Nassaukade. Uit: SAA, 010122028889 en B00000012838, vroeg jaren tachtig.
21
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Singelgracht in 1870
Singelgracht in 1941
Afbeeldingen 29+30: Kaarten met situatie in de Frederik Hendrikbuurt in 1870 (boven) en 1941 (onder). De situatie van 1941 is op de kaart van 1841 geprojecteerd. De Frederik Hendrikplantsoen en het Hugo de Grootplein zijn goed op de tekening te zien. Uit: De Amsterdamsche Schans & de Buitensingel, J. van Eck 1948.
22
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
3.1.2
Industriële bebouwing 1920-1970
De hierboven beschreven woningbouw was voor een groot deel bestemd voor de arbeiders die in de havengebieden werkten, en in de industrie die zich aan de rand van deze buurten langs de belangrijkste infrastructuur van de Haarlemmertrekvaart, het spoor en de Kostverlorenvaart bevond. De stedelijke structuur van Westerpark-Zuid was hiermee rond 1920 min of meer voltooid (zie afbeelding 37). Sindsdien werd tot in de jaren ’80 vrijwel geen woningbouw meer gepleegd. Wel ontstonden in deze periode enkele bedrijfsruimtes. In de Staatsliedenbuurt werd in de omgeving van de Buyskade relatief kleinschalige industrie gebouwd. Voorbeelden hiervan zijn de drukinktfabriek aan de Van Hallstraat in 1939, naar ontwerp van B. Merkelbach (rijksmonument), de verffabriek Wodan in 1942 naar ontwerp van L. Peters (gemeentelijk monument) en het kantoorcomplex van de Nillmij op de hoek van de Van Hallstraat en de Donker Curtiusstraat in 1965, naar ontwerp van J.D. Postma, dat overigens als een van de weinige projecten in deze omgeving niet lang na de oorlog tot stand kwam – binnenkort komt hier studentenhuisvesting. Inktfabriek
Afbeelding 31 +32: Inktfabriek aan de Van Hallstraat. Links: Gezien vanaf basculebrug naar achterkant aan de Kostverlorenvaart. Uit: SAA, 010122006855, 1995. Rechts: Luchtfoto van de Kostverlorenvaart en omgeving gezien in noord-noordwestelijke richting met in het midden de inktfabriek. Uit: SAA, A04139000315, 1957 (rechthebbende: Aviodrome Luchtfotografie).
Verffabriek Wodan
Afbeelding 33: Verffabriek Wodan in 2017. Uit: https://020apps.nl/18501940/Donker_Curtiusstraat/21-23.
23
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Kantoorgebouw van Nillmij
Afbeelding 34: Kantoorgebouw met reclame van Nillmij-verzekeringen. Uit: SAA, 010122006866, 1969.
In de Frederik Hendrikbuurt werd het gebied langs de Kostverlorenvaart, waar het houtzaagmolencomplex ‘De Otter’ met de oudste nog bestaande paltrokmolen van Nederland zich bevindt, eveneens voor de vestiging van op dat moment moderne industrie in gebruik genomen. Dit in afwijking op de eerdere plannen van de gemeente om daar woningbouw te realiseren. Deze panden zijn onlangs in woningen getransformeerd.
Bedrijfspanden langs de Kostverlorenvaart
Afbeeldingen 35 en 36: Voormalige bedrijfspanden langs de Kostverlorenvaart. Foto’s: M en A 2018.
24
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Plangebied en omgeving in 1880-1952
Afbeelding 37: Uitsneden van kaarten van Amsterdam ter plaatse van het plangebied (met een gele lijn aangegeven). De kaarten laten de ontwikkeling ter plaatse van het plangebied zien, in verhouding met de omgeving. Met de klok mee: 1880, 1895, 1900, 1920, 1929 en 1952. Uit: http://www.topotijdreis.nl/
25
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
3.1.3
Stadsvernieuwing 1970-1990: bouwen voor de buurt!
Het plangebied Westerpark-Zuid is sinds de voltooiing als woonwijk in het begin van de 20e eeuw nauwelijks gewijzigd. Pas in de jaren zestig begon de wijk langzaam te veranderen. Ten eerste wat bevolkingssamenstelling betreft. Omdat de meeste huizen te klein waren om aan de eisen van (moderne) gezinnen te voldoen - 90% van de ruim 11.000 woningen had 3 kamers of minder – vertrokken zij naar andere stadsdelen of gemeentes; Nieuwe bewoners kwamen, meestal studenten en buitenlandse arbeiders voor wie de lage huurprijzen aantrekkelijk waren. Aan het einde van de jaren zestig maakte de gemeente nieuw beleid (Eerste- en Tweede Nota’s Stadsvernieuwing, 1969/1971) om de achteruitgang van de oude Amsterdamse buurten aan te pakken. Westerpark-Zuid werd toen aangewezen als ‘instandhoudingsgebied’ waar de huizen na kleine verbeteringen nog minimaal 10 jaar zouden kunnen blijven staan. Sommige huizen waren echter zo slecht dat de bewoners vertrokken en de gemeente ze moest dichttimmeren. Omdat er tegelijk woningnood was, leidde deze leegstand in de jaren zeventig tot de eerste kraakacties in de wijk. Leegstand en kraakbeweging
Afbeelding 38 (links): Dichtgetimmerd pand aan de Fannius Scholtenstraat. Uit: SAA, 010122006569, 1971. Afbeelding 39 (rechts): kraakactie voor jongerenhuisvesting in de Van Hogendorpstraat, 1977. Uit: Website 'Het Staatsarchief: Het archief van de kraak- en actiebeweging in Nederland'.
Afbeelding 40: Affiche van de Gezamenlijke Aktiegroepen tegen Leegstand, 1976. Uit: Website 'Het Staatsarchief: Het archief van de kraak- en actiebeweging in Nederland'.
26
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Een kraaknetwerk kwam snel tot stand en de krakers uit de Staatsliedenbuurt werden bijzonder actief, ook elders in de stad. Als de krakers van de rechter een pand moesten verlaten, gaven de ontruimingen onder politiedwang aanleiding tot intensief verzet en rellen. Het karakter van de wijk veranderde vervolgens razend snel tot een waar krakersbastion met eigen patrouilles en waar politie noch burgemeester getolereerd werden. Dit in combinatie met de slechte bouwkundige staat van de woningen maakte het moeilijk om voornamelijk de Staatsliedenbuurt te gebruiken voor de herhuisvesting van bewoners die slechte woningen moesten verlaten. In de Ontwerp-raamnota Stadsvernieuwing (1977) waren de vier ‘actiegebieden’ uit de tweede nota tot elf buurten uitgebreid, en deze keer zat de Staatsliedenbuurt ertussen. De nota stelde voor dat ook voor gezinnen met kinderen en voor de middenklassen gebouwd moest worden om zo de ‘onevenwichtige bevolkingssamenstelling’ en de ‘sociale desintegratie’ tegen te gaan. Deze nota heeft felle kritiek ontvangen van actiegroepen en politieke partijen en na de gemeenteverkiezingen van 1978 werd een programma-akkoord gesloten waarin besloten werd om buurtgericht te gaan bouwen, voor de zittende bewoners, in plaats van voor een toekomstige ideale bevolkingssamenstelling.
Behoud en herstel kregen een grotere prioriteit dan nieuwbouw en sociale woningbouw zou gebouwd worden in plaats van koopwoningen. De stadsvernieuwingsinitiatieven die volgden zijn in overleg met de buurtbewoners en in fases gebeurd en er is sprake van een contextuele architectuur die de aanwezige stedelijke structuren respecteert. De acties van krakers en bewoners hebben de massale sloop van de buurt dus tegengehouden en zorgde voor het behoud van de bestaande 19e -eeuwse stedelijke structuur (zie afbeelding 41). Situatie sociale woningbouw
Afbeelding 41: Kaart met de situatie van de sociale woningbouw in de Staatslieden- en Frederik Hendrikbuurt. In rood zijn alle sociale nieuwbouw vanaf 1968 te zien. In zwart staat het eerder gebouwde sociale woningbezit aangegeven. Uit: Stadsvernieuwingsgids van Amsterdam, 1985.
27
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Zoals gezegd stond behoud en herstel in de buurten voorop en alle door woningbouwverenigingen en de gemeente gebouwde vooroorlogse woningbouw werd gerenoveerd. De van particulieren aangekochte woningen die sindsdien tot het sociale woningbezit behoren werden verbeterd, variërend van kleine opknapbeurten tot ingrijpende renovaties. In dat kader werden bijvoorbeeld de woningen van De Bazel op het Van Beuningenplein in 1975 aangepakt. In die gevallen waar de toestand van de huizen te slecht is, komt sociale nieuwbouw. Dit is voornamelijk in de noordoostpunt van de Staatsliedenbuurt het geval. Na een ernstige brand in de Van der Duijnstraat kwam dit deel in aanmerking voor stadsvernieuwing. Als eerste werden er in 1978 in samenwerking met (bejaarde) buurtbewoners plannen ontwikkeld voor het bouwen van seniorenwoningen ter plaatse van een oude kininefabriek aan de De Wittenkade. Dit is het eerste project waar geëxperimenteerd werd met een nieuwe verkaveling waarbij de straatwand is opengebroken, in tegenstelling tot de meerderheid van de gevallen waar vervangende nieuwbouw binnen het bestaande kwam. In 1979 werd vervolgens een stedenbouwkundig plan opgesteld als kader waarbinnen andere nieuwbouw uitgevoerd werd en in de jaren tachtig werd de rest van de noordoostpunt gebouwd (zie afbeeldingen 42,43).
Andere voorbeelden van stadsvernieuwingsprojecten uit die tijd zijn een invulling in de Van Beuningenstraat die 'de bocht' werd genoemd omdat het mee loopt met de ronding van de straat, en een gezondheidscentrum met daarboven woningen dat ter plaatse van de gesloopte Prinsessekerk aan de Van Hallstraat. Beide projecten zijn in 1982/1983 uitgevoerd. In de Frederik Hendrikbuurt werd, onder andere, een bejaardenhuis in 1968 gebouwd op de plaats van de gereformeerde Raamkerk; Een leeg kavel aan de Jacob Catskade, op de hoek met de Wittenstraat, werd in 1984 met woningbouw ingevuld (zie afbeelding 44). Langzaam maar zeker werd nog meer nieuwbouw in de wijk geïntroduceerd wat sporadisch gepaard gaat met afwijkende stedenbouwkundige structuren. De vernieuwing met behoud van de bestaande 19de -eeuwse woonwijken en hun ruimtelijke structuren ging overigens na 1990 ook gewoon door, bijvoorbeeld in de omgeving van het Van Limburg Stirumplein waar een aantal bouwblokken door nieuwbouw zijn vervangen. Noordoostpunt
Afbeelding 42 (links): Stedenbouwkundig plan Noordoostpunt Staatsliedenbuurt, 1978. Rechtsonder is de S-vormige blok met seniorenwoningen te zien. Uit: Westerpark: Barren, Sparren en Koperen Knopen, 2007. Afbeelding 43 (rechts): Luchtfoto Noordoosthoek ter plaatse van het Van Limburg Stirumplein. Uit: SAA, B00000037402, 1986.
28
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Nieuwbouw aan de Jacob Catskade
Afbeelding 44: Aan de rechterkant is de nieuwbouw aan de Jacob Catskade, op de hoek met de Wittenstraat, te zien. Uit: SAA, 010122012291, 1999.
3.1.4
Stedelijke vernieuwing na 1990: tijd voor verkavelingsexperimenten
Vanwege een toename van de voorzieningen en een ruimere indeling van de woningen door nieuwbouw en renovatie nam het aantal wooneenheden af ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Tegelijkertijd vertrokken met name de industriële bedrijven sinds de jaren zeventig geleidelijk uit dit deel van de stad. De gemeente zag deze voormalige industrieterreinen als ideale locaties om nieuwe woningen te bouwen. De nieuwbouwprojecten van na 1990 vonden daarom overwegend plaats op die locaties. Kenmerkend voor deze periode is tevens de hernieuwde terughoudende rol van de overheid (vergelijkbaar met die van de 19e eeuw). De corporaties worden zelfstandiger en er wordt veel meer door particuliere ondernemers gebouwd. Situatie van enkele nieuwbouwprojecten
1 4 3
2
5
6
7
Afbeelding 45: Situatie van enkele nieuwbouwprojecten van na 1990. Uit: Westerpark: Architectuur in een Amsterdams stadsdeel 1990-1998, 1998, binnenzijde van de omslag.
29
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
In tegenstelling tot stadsvernieuwing in de 19de-eeuwse woningbouwwijken, wordt in deze periode nauwelijks of helemaal geen rekening gehouden met de bestaande industriële bebouwing. Deze tabula rasa-achtige herontwikkeling van de industrieterreinen is zeker gunstig geweest voor een vrije aanpak van de verkavelingsstructuren en na 1990 zijn er aan de wijk een aantal opmerkelijke projecten toegevoegd. Echter, het betekende ook een verlies van historisch waardevolle gebouwen en ensembles. Hierna worden de belangrijkste afzonderlijke projecten behandeld. GWL-terrein (nr. 1 op afb. 45) Zie voor de geschiedenis van het GWL-terrein de CHV GWL-terrein (M en A, 2012/2018). Staats I en II (nr. 2 op afb. 45) Deze twee bouwblokken zijn in 1993 in opdracht van Algemene Woningbouw Vereniging (AWV) ontworpen ter vervanging van verouderde woningbouw en zijn in 1996 opgeleverd. Hier was het inpassen in de omgeving uitgangspunt en de bestaande rooilijnen en bouwhoogtes zijn grotendeels gerespecteerd. De vernieuwing is vooral in de architectuur van architectenbureau Duinker van der Torre te vinden, op de plasticiteit van de Amsterdamse School geïnspireerd. De gebouwen hebben verder een plat dak en het blok Staats I is deels open. Bij dit blok wordt er tevens aan de westelijke kant ruimte voor een pleintje gecreëerd. Bij Staats II moest een bestaande blok aangevuld worden.
Bij beide blokken gaat het uitsluitend om duurdere sociale huurwoningen en alle (84) woningen hebben royale maar ingetogen balkons. Bouwplan Staats I en II
Afbeelding 46 (links): Situatie Staats I en II, met boven Staats II en onder Staats I. Uit: Westerpark: Architectuur in een Amsterdams stadsdeel 1990-1998, 1998, p. 65. Afbeeldingen 47 en 48: Axonometrie (rechts boven) en plattegrond begane grond (rechts onder) Staats I. Uit: Westerpark: Architectuur in een Amsterdams stadsdeel 1990-1998, 1998, pp. 62, 64.
30
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Meander I en II (nr. 3 op afb. 45) Het nieuwbouwproject Meander is op het voormalige AWIC-terrein (Amsterdams Westelijk Industrie Centrum/ Westelijk Entrepot) gebouwd. Het project is in 1995-1997 door Rob Krier en Christoph Kohl Architecten ontworpen in opdracht van Het Oosten en LATEI. De nieuwbouw is in twee fases opgeleverd, in 1999 en in 2005. De bijzondere meandervorm maakte het mogelijk om een bestaande (gesloten) bouwblok af te ronden en op tegelijkertijd openbare ruimte te creëren, alle appartementen een relatie met het water te geven en in een hoge woondichtheid te bouwen (160 woningen per hectare). Op zoek naar aansluiting op de omliggende bebouwing is er voor een historiserende architectuur gekozen, met veel aandacht voor detaillering/ decoratie. Het programma is in samenwerking met Stadsdeel Westerpark opgesteld en bestaat uit een mix van koop- en sociale huurwoningen, een basisschool met een overdekt speelplein, een openbare bibliotheek, ateliers, bedrijfsruimte en een ondergrondse parkeergarage voor de bewoners. Het slingerende volume heeft zes bouwlagen en de drie torens acht bouwlagen. Het autovrije en introverte binnenterrein met stadsplein is aan de kant van de Kostverlorenvaart ontworpen.
Nieuwbouwproject Meander
Afbeelding 49 (links): Situatie Meander. Uit: Westerpark: Architectuur in een Amsterdams stadsdeel 1990-1998, 1998, pp. 62, 64. Afbeelding 50 (rechts): Detail architectuur en inrichting openbare ruimte. Uit: M en A, 2018.
Witteneiland (nr. 4 op afb. 45) Het woningbouwproject Witteneiland is in 1993 door architectenbureau L. Lafour & R. Wijk ontworpen in opdracht van Rochdale en is in 1997 opgeleverd. Deze voormalige industrielocatie is lang, smal en op de kop aan twee zijden door water begrensd. Het toenmalige stadsdeel Westerpark stelde voor een deel van de locatie met wat geslotener bebouwing in te vullen en een deel met solitaire gebouwen waar men 31
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
tussendoor naar het water zou kunnen kijken. De architecten hebben gekozen voor een semi-gesloten bouwblok dat aan de oostkant door de bestaande Nassaukerk wordt afgesloten. Op de kopse kant, waar de Kostverlorenvaart en Kattensloot samenkomen, staan drie zeven danwel achtlaagse torens die om een hof zijn gelegen. Het groen hiervan loopt naadloos door in dat van de openbare ruimte. Het project bevat een menging van (deels sociale) huur- en koopwoningen. Situatie woningbouwproject Witteneiland
Afbeelding 51: Situatie woningbouwproject Witteneiland. Uit: Westerpark: Architectuur in een Amsterdams stadsdeel 1990-1998, 1998, pp. 62, 64.
Zicht op de torens op het Witteneiland
Afbeelding 52: Zicht op de torens op het Witteneiland. Foto: M en A, 2018.
Porschestrip (nr. 5 op afb. 42) Dit nieuwbouwproject kwam tot stand ter vervanging van industrie en enkele 19de-eeuws woonhuizen. De architecten van bureau Peter Geusebroek, in opdracht van Muwi Vastgoed en Woningstichting Zomers Buiten, hebben een open strook ontworpen in afwijking van de wensen van het stadsdeel dat de bestaande achterliggende bebouwing aan wilde vullen tot een gesloten bouwblok. Deze strook is in 1992 ontworpen en in 1995 opgeleverd en verdeelt het terrein in een langgerekte kade aan de Kattensloot op 32
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
het noorden en een binnenstraat tussen het oude en het nieuwe blok. Het aantal bouwlagen varieert van vijf tot zeven, met een onderdoorgang in het midden. Er is tevens een kromming in het gebouw aangebracht zodat de zon op de aan de noordzijde gelegen kade kan komen. Verder heeft het gebouw een rustige vlakke noordkant en een informele achterkant op het zuiden met balkons of tuintjes en voordeuren aan de binnenstraat. De architectuur verschilt van west naar oost - van het koop- naar het huurgedeelte - van horizontale Amsterdamse School-achtige elementen naar verticale negentiende eeuw-achtige elementen om zo de variatie in de buurt te weerspiegelen. Op de kop telt het gebouw een extra bouwlaag waardoor het een duidelijk accent heeft aan de kant van de Kostverlorenvaart. Het programma bevat een mix van huur- en koopwoningen. Plattegrond Porschestrip
Afbeelding 53: Plattegrond van de begane grond van de Porschestrip, het zuiden is boven. Uit: Westerpark: Architectuur in een Amsterdams stadsdeel 1990-1998, 1998, p. 61.
Zicht op de kop van de Porschestrip
Afbeelding 54: Zicht op het Witteneiland (links) en op de westelijke kop van de Porschestrip (rechts). Foto: M en A, 2018.
33
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Buyskade (nr. 6 op afb. 42) Dit project is een combinatie van sociale huur- en koopwoningen en werkruimten, waar in dit deel van de stad in destijds nog weinig aanbod van was. Van der Waals/Zeinstra architecten maakten in opdracht van De Principaal en Bouwbedrijf De Nijs & Zn. tussen 1993 en 1995 in twee verschillende onderdelen een ontwerp: De Stadshuizen en De Introductie. Daarin lieten zij iets van de industriële sfeer van het gebied bestaan. Dit heeft geleid tot het aanhouden van een bestaand bedrijfsgebouw en tot het ontwerpen van ‘samengestelde volumes’ op basis van de aangetroffen situatie. De repeterende schuine daken verwijzen naar industriële sheddaken. Het heeft tevens geleid tot het experimenteren met hybride vormen van wonen en bedrijvigheid. De opleverging was in 1998. Nieuwbouwproject Buyskade – De Stadshuizen
Afbeeldingen 55 en 56: Situatie (links boven) en gevel (links onder) van De Stadshuizen. Uit: Westerpark: Architectuur in een Amsterdams stadsdeel 1990-1998, 1998, p. 84. Afbeelding 57 (rechts): De Stadshuizen. Foto: M en A, 2018.
GDH/Werfterrein (nr. 7 op afb. 42) Het GDH/Werfterrein woningbouwproject is in 1987 door architectenbureau L. Lafour & R. Wijk ontworpen in opdracht van Woningstichting Zomers Buiten en Muwi Vastgoed en is in 1995 opgeleverd. Deze voormalige industrielocatie is net als het Witteneiland door water begrensd, in dit geval door de Kostverlorenvaart en de Hugo de Grootgracht. De architecten hebben alles kunnen ontwerpen, van stedenbouw tot inrichting van het maaiveld. De lagere stroken (vier bouwlagen) zijn zo gebogen dat 34
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
doorzichten ontstaan naar het water. De hogere torenachtige volumes van acht bouwlagen staan aan de rand van de Kostverlorenvaart. Het project bevat een menging van sociale huurwoningen, premiekoopwoningen en bedrijfsruimtes.
Afbeeldingen 58 en 59: Situatie (links) en plattegrond (rechts) van het woningbouwproject op het GDH/Werfterrein. Uit: Westerpark: Architectuur in een Amsterdams stadsdeel 1990-1998, 1998, p. 48.
35
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
3.2. Stedenbouwkundige, typologische en architectonische aspecten Stedenbouwkundige opzet Aan de Staatsliedenbuurt ligt een gridsysteem ten grondslag dat in de late 19e eeuw gedeeltelijk over het bestaande kanalen- en slotenpatroon werd heen gelegd. Uitzondering hierop zijn de ontwikkelingen die tot stand zijn gekomen in de tweede helft van de 20e eeuw en in de 21e eeuw. De Staatsliedenbuurt heeft twee te onderscheiden delen, een negentiende-eeuwse waaiervormig noordoostelijk deel en een lange gerekte strook ten west van de Van Hallstraat waar rond de eeuwwisseling een menging van sociale woningbouw en industrie zich vestigde in een diversiteit van verkavelingsvormen. Terwijl de Staatsliedenbuurt hoofdzakelijk oost-west is verkaveld, is de Frederik Hendrikbuurt hoofdzakelijk noord-zuid verkaveld, met een stratenpatroon haaks op de Singelgracht en door de Frederik Hendrikstraat, de Frederik Hendrikplantsoen en het Hugo de Grootplein gedomineerd. Hier is de gang van de oorspronkelijke sloten alleen nog aanwezig in de Jacob Catskade en de Hugo de Grootkade. De Tweede Hugo de Grootstraat vormt samen met de Jan van Galenstraat één van de radialen die vanuit de concentrische binnenstad naar de Westelijke Tuinsteden loopt.
Langs de Da Costagracht, in de aangrenzende Da Costabuurt, is de noord-zuid gerichte verkaveling van de buurt voortgezet en de Frederik Hendrikstraat is onderdeel van een brede verkeersbaan om de stad die in de Pijp de naam Ceintuurbaan dan ook bekomt. De twee buurten zijn hoofdzakelijk met gesloten bouwblokken gebouwd en zijn van elkaar 'gescheiden' via de Kostverlorenvaart en de Kattensloot. Verder is het plangebied aan de noordkant door de Haarlemmerweg begrensd en ten noorden daarvan bevinden zich het Westerpark en het Westergasfabriekterrein. Openbare ruimte, groen en water De waarden van groen hebben de manier waarop Amsterdam sinds de 17de eeuw is vormgegeven, sterk bepaald. Het groen is misschien wel dé rode draad in de ontwikkeling van de moderne stad. Om te beginnen in de grachtengordel. Die werd door en voor de rijken gebouwd, en groen zit daar ruimschoots in verwerkt: diepe binnentuinen en bomen langs de grachten zorgen voor een weldadige woonomgeving - iets wat in groot contrast stond met het dicht bebouwde middeleeuwse stadshart. De regelgeving (keuren) waarmee de tuinen van de grachtengordel vanouds wordt beschermd, toont dat dat hier vanaf begin veel belang aan gehecht is. Tussen 1680 en 1865 behoudt Amsterdam haar 17de-eeuwse omvang.
Maar dan, in de tweede helft van de 19de eeuw, barst de stad letterlijk uit zijn voegen en grote aantallen arbeiders leven in armoede in volgepakte krottenwijken. Epidemieën veroorzaken talloze slachtoffers. In het denken over de nieuwe stadsuitbreidingen, gold de grachtengordel en de manier waarop hierin met het groen is omgegaan, als lichtend voorbeeld. En hoewel een dergelijke aanleg financieel noch politiek haalbaar was voor de grote aantallen armlastige inwoners die vanaf dat moment gehuisvest moeten worden, worden soortgelijke leefbaarheidskwaliteiten wel nagestreefd. Er zijn drie partijen die deze problematiek op hun agenda zetten: de hygiënisten, de filantropen en de lokale overheid. Ze houden zich alle drie bezig met de kwaliteit van wonen, maar alle drie vanuit een ander perspectief. De hygiënisten richten zich op openbare sanitaire voorzieningen, de lokale overheid richt zich op de infrastructuur en kleinschalige particuliere initiatieven voor de gegoede burgerij, en de filantropen op goede woningen voor de arbeiders. Het gemeentebestuur is verantwoordelijk voor de regelgeving.
36
C 18-020 Juli 2020
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Ook al blijkt uit de regelgeving van die tijd de visie dat de overheid geen noemenswaardige regie op zich nam op het gebied van stedenbouw, evengoed wordt er in de verordening uit 1858 wel een koppeling gelegd tussen de bouwhoogtes en de straatbreedtes ten behoeve van goede lichtinval. Maar over de diepte van de binnenterreinen worden geen regels opgenomen. Desalniettemin blijkt dat men wel ideeën had over het belang van bouwblokdieptes voor de woonkwaliteit, zo merkt stadsingenieur J. G. van Niftrik het volgende op: “Als de huizen 12 a 14 meters hoogte hebben, dan kunnen in de benedenachterkamers nooit de zonnestralen door de vensters schijnen, als de tuin niet even breed is. Dat de afstand tusschen de gevels der huizen minstens even groot moet zijn als de hoogte dier perceelen, is een zoo eenvoudig hygiënisch voorschrift dat spreker er niet verder bij behoeft stil te staan”.1 De bebouwing in de 19de-eeuwse Ring, waarvan Westerpark-Zuid onderdeel uitmaakt, betreft voornamelijk gesloten bouwblokken. Sinds 1858 wordt, zoals hierboven weergeven, de hoogte van de blokken (maximaal vier woonlagen) medebepaald door de breedte van de straat, die nogal varieerde. Impliciet is de relatie (1:1) tussen de hoogte van het blok en de diepte van het achterterrein. Vanaf 1887 wordt een bepaling in de verordening opgenomen dat de percelen voor maximaal ¾ mogen worden bebouwd.
De binnenterreinen zijn doorgaans ondiep en langgerekt. Sommige binnenterreinen zijn vrijwel volledig dichtgebouwd. Andere zijn grotendeels onbebouwd en van groen voorzien. De bezonning is afhankelijk van de oriëntatie en niet persé gunstig. De resterende onbebouwde terreinen vormen, net als in de binnenstad, evengoed een rustige en deels groene tegenhanger van de drukke, stenige straatruimte. De stedenbouwkundige opzet van Westerpark-Zuid brengt met zich mee dat veel groen zich in de binnenhoven van de blokken bevindt. Dit betekent dat de niet-bebouwde ruimte binnen een bouwblok extra belangrijk is voor de kwaliteit van het wonen. Openbare groenvoorzieningen zijn beperkt tot boomaanplant in de straten, op pleinen en langs kades en een enkel plantsoen of wandelpark. Aan de westzijde van de stad was dat het Westerpark (t0t aan de Westergasfabriek). De restanten van de Bolwerken werden ook als wandelstrook gezien. Te midden van de woonwijken zijn de belangrijkste openbare (deels groene) voorzieningen het Van Beuningenplein in de Staatsliedenbuurt en het Frederik Hendrikplantsoen en het Van Oldenbarneveldtplein in de Frederik Hendrikbuurt. Het Frederik Hendrikplantsoen was al in het Plan Kalff opgenomen en was deels op de oude bolwerken gepland.
De klassieke inrichting ervan is in de loop van de jaren in een informelere parkaanleg in Engelse landschapsstijl veranderd, met verschillende ruimtes die samenkomen met behulp van meanderende routes en zorgvuldig gepositioneerde speelvoorzieningen. Het oorspronkelijke ontwerp is echter in de huidige situatie nog af te lezen. Kleinere groene voorzieningen, zoals het Van Bossepad, de plantsoentjes aan de Van Reenenstraat en de boombeplanting van straten en grachten (en in het bijzonder van de Nassaukade), behoren van begin af aan tot de 19de -eeuwse stadsuitleg en dragen ook bij aan de groene beleving van de buurten.