CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

7. 0458257-100_def_rap00_Amsterdamse_Bos stadslandbouw.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 22 mei 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Afdoening toezeggingen uit de cie MOW van 13 februari 2025 n.a.v. bespreken van de PFAS vervuiling in het water van het Amsterdamse Bos en gebruik van staalslakken (VN2025-006248)32.340 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen

projectnummer 0458257.100 definitief revisie 00 20 maart 2020

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen

projectnummer 0458257.100 concept revisie 00 20 maart 2020

Auteur M.E. van Horssen

Opdrachtgever Gemeente Amsterdam Weesperstraat 430 1018 DN Amsterdam

datum vrijgave

beschrijving revisie 00

goedkeuring

vrijgave

20 maart 2020

definitief

Drs. P. Dirksen

Ir. H.E Oosterbaan

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

1

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding en situatie Vooronderzoek Doel Onderzoeksstrategie en kwaliteit

1 1 5 5

2

Veldwerk

6

2.1 2.2

Verrichte veldwerkzaamheden Resultaten veldwerk

6 6

3

Laboratoriumonderzoek

9

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8

Uitgevoerd laboratoriumonderzoek Toetsingskader Analyseresultaten grond Analyseresultaten grondwater Analyseresultaten PFAS Analyseresultaten asbest Analyseresultaten landbouwkundig onderzoek Veiligheid

9 11 12 14 14 16 16 17

4

Conclusies en aanbevelingen

19

Bijlagen 1. Toelichting op bodemonderzoek, verantwoording uitvoering onderzoek BRL2000 2. Profielbeschrijvingen en veldwaarnemingen 3. Toetsing grondmonsters aan Wet bodembescherming 4. Toetsing grondwatermonsters aan Wet bodembescherming 5. Normen grond Wet bodembescherming 6. Normen grondwater Wet bodembescherming 7. Toetsing grondmonsters aan Besluit bodemkwaliteit 8. Normen Besluit bodemkwaliteit 9. Analysecertificaten 10. Toetsing grondmonsters PFAS

Tekeningen 0458257.100-S1 Situatie met boringen en peilbuizen

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

1

Inleiding Door Antea Group is in opdracht van de gemeente Amsterdam in de periode december 2019 tot en met januari 2020 een bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op een terrein in het Amsterdamse Bos gelegen nabij de Nieuwe Meerlaan te Amstelveen.

1.1

Aanleiding en situatie De aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen herinrichting van het terrein waarbij ‘stadslandbouw’ gerealiseerd gaat worden. Het terrein ligt in de zuidwesthoek van het Amsterdamse Bos, heeft een totale oppervlakte van circa 1,82 ha en is nu in gebruik als geitenweide. In de onderstaande figuur is de ligging van de onderzoekslocatie in Amstelveen te zien, weergegeven met de rode cirkel.

Figuur 1.1: Overzicht onderzoekslocatie (bron: AGODP)

1.2

Vooronderzoek Voorafgaand aan het uitvoeren van het bodemonderzoek is conform de NEN 5725 een vooronderzoek uitgevoerd omtrent de aan-/afwezigheid, de aard en de ruimtelijke verdeling van eventuele verontreinigingen en bekende gegevens. De aanleiding tot het vooronderzoek is het ‘opstellen van een hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’. De onderstaande onderzoeksvragen worden in dit hoofdstuk beantwoord:  wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende?  is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de verdachte parameters?

Blad 1 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

 

   

is de bodem asbestverdacht? Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek (inclusief de indeling van de onderzoekslocatie in deellocaties met verschillende hypotheses over de aard en verdeling van de verontreinigde stoffen)?

In tabel 1.1 zijn de geraadpleegde bronnen weergegeven. Tabel 1.1: Geraadpleegde bronnen Geraadpleegde bron Topotijdreis.nl Bodemloket Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Bodemkwaliteitskaart Amstelveen

Website, contactpersoon of archief www.topotijdreis.nl www.bodemloket.nl https://odnzkg.nazca4u.nl https://www.bbkamstelland.nl/

Historie De aanleg van het Amsterdamse Bos is gestart in 1934 en hiervan is bekend dat er restafval gebruikt is. Voor de aanleg was de locatie onderdeel van de Rietwijkeroorder Polder. Op de volgende afbeeldingen afkomstig van Topotijdreis is de ontwikkeling door de jaren heen te zien.

Blad 2 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

Figuur 1.2: Onderzoeksgebied in 2018

Figuur 1.3: Onderzoeksgebied in 1981

Blad 3 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

Figuur 1.4: Onderzoeksgebied in 1955

Figuur 1.5: Onderzoeksgebied in 1934

Asbest Bij de aanleg van het Amsterdamse Bos is restafval gebruikt, mogelijk is hier ook asbestverdacht materiaal gebruikt.

Blad 4 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

NGE (niet gesprongen explosieven) Volgens de NGE bodembelastingkaart van de gemeente Amsterdam is de locatie niet verdacht op het voorkomen van conventionele explosieven. Bodembedreigende activiteiten Bij de aanleg van het Amsterdamse Bos is restafval gebruikt, hierbij zijn mogelijk verontreinigingen ontstaan. Er zijn geen gegevens bekend over tanks op of nabij de locatie. Bodemonderzoeken Ter plaatse van de locatie zijn geen relevante bodemonderzoeken uitgevoerd of bekend. Bodemkwaliteitskaart Het onderzoeksgebied valt in de groene zone ‘landbouw/natuur’ van de bodemkwaliteitskaart van Amstelveen voor zowel de bovengrond, de ondergrond als de diepe ondergrond.

1.3

Doel Het onderzoek heeft als doel het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit en opbouw van de bodem, inclusief het bepalen van de bodemkwaliteits- en functieklasse van de bodem. Tevens worden de veiligheidsklassen voor het werken in de bodem vastgesteld. Daarnaast dienen indicatief de landbouwkundige waarden te worden bepaald.

1.4

Onderzoeksstrategie en kwaliteit Voor de specifieke invulling van het onderzoek zijn de volgende protocollen en richtlijnen gehanteerd:  bodemonderzoek conform de ARVO 2019;  NEN 5707 voor asbestonderzoek in grond;  NEN 5740 voor PFAS-onderzoek in grond. Bij het bodemonderzoek conform de ARVO is uitgegaan van een naoorlogse wijk. Met betrekking tot het asbestonderzoek is de strategie voor een grootschalige onverdachte locatie gehanteerd. Het PFAS-onderzoek is uitgevoerd conform de strategie voor een verdachte locatie met homogeen voorkomen van verontreiniging (VED-HO). Met betrekking tot de kwaliteitsaspecten, toegepaste methoden en betrouwbaarheid/garanties van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1. In dit rapport wordt verslag gedaan van de uitgevoerde werkzaamheden en worden de resultaten van het onderzoek beschreven.

Blad 5 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

2

Veldwerk

2.1

Verrichte veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 11, 12 en 19 december 2019 en 6 januari 2020 door de heren P. Aarts, W. van Benthem en P. Molenberg van Antea Group volgens de protocollen 2001, 2002 en 2018 en eventuele aanvullende NEN-/NPR-normen conform de BRL SIKB 2000 (Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB-procescertificaat voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek). Antea Group is volgens dit SIKB-procescertificaat gecertificeerd (zie verder bijlage 1). Ter plaatse is conform de norm een maaiveldinspectie uitgevoerd ten behoeve van het asbestonderzoek. Verder zijn de volgende veldwerkzaamheden uitgevoerd:  5 boringen tot 2,0 m –mv.;  6 boringen tot 1,0 m –mv.;  5 boringen tot 0,5 m –mv.;  10 boringen t.b.v. landbouwkundig onderzoek tot 0,8 m –mv.;  graven van een profielkuil van 1,0 x 0,3 x 0,8 m om de bodemopbouw te kunnen beschrijven voor landbouwkundig onderzoek;  veldinspectie ten behoeve van landbouwkundig onderzoek;  4 boringen zijn afgewerkt tot peilbuis voor het bepalen van de kwaliteit van het grondwater. In verband met de aanwezigheid van een gasleiding (hoge druk) die onder de onderzoekslocatie doorloopt, zijn in deze strook op aanwijzing van de Gasunie geen boringen verricht. De boringen zijn regelmatig over het overige deel van het onderzoeksterrein verspreid.

Gezien de historie van het terrein en de daarop gebaseerde onderzoeksstrategie (grootschalig onverdacht), wordt het onderzoek representatief geacht voor het gehele terrein. De eerste halve meter van de boringen is voorgegraven conform de NEN 5707 (profielgaten met afmetingen van 0,3x0,3 m2). De boringen zijn vervolgens doorgezet met een handboor (120 mm) tot de maximale boordiepte. De opgegraven en opgeboorde grond is visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen en andersoortige verontreinigingen, gezeefd (20 mm), beschreven en bemonsterd. Voor het asbestonderzoek zijn twee mengmonsters samengesteld van de grond. Na inspectie en monsterneming zijn de graafgaten gedicht met het uitgegraven materiaal. Het grondwater uit de peilbuizen is minimaal één week na plaatsing bemonsterd voor laboratoriumonderzoek. In het veld zijn van het grondwater de zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid gemeten. De locaties van de boringen, de profielkuil en de peilbuizen zijn weergegeven op tekening 0458257.100-S1.

2.2

Resultaten veldwerk De profielbeschrijvingen van de verrichte boringen met de bijbehorende veldwaarnemingen zijn opgenomen in bijlage 2. Tijdens de werkzaamheden was het zicht goed. Bij de maaiveldinspectie is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen, zodat er geen aanleiding was de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie te wijzigen.

Blad 6 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

De bodem bestaat afwisselend uit zand- en kleilagen met verschillende diktes en op verschillende diepten. Er zijn geen bijmengingen aangetroffen met asbestverdacht materiaal of andere materialen. Grondwatergegevens De in het veld verzamelde grondwatergegevens zijn weergegeven in tabel 2.1. Tabel 2.1: Grondwatergegevens Peilbuis (Filter, m –mv.)

Grondwaterstand (m –mv.)

Belucht?

pH

EC (µS/cm)

Troebelheid (NTU)

003 (1,30-2,30)

0,35

nee

6,90

1.050

23

014 (1,30-2,30)

0,09

nee

6,60

1.260

62

019 (1,30-2,30)

0,31

nee

7,00

890

180

024 (1,30-2,30)

0,68

nee

7,25

2.140

54

Een verhoogde troebelheid (>10 NTU) kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting van de gehalten aan organische parameters in het grondwater. In dit onderzoek zijn geen verhoogde gehalten van organische parameters aangetoond met een index > 0,5. De eventuele overschatting van de gehalten als gevolg van een verhoogde troebelheid heeft geen gevolgen voor de interpretatie van de onderzoeksgegevens en de conclusies van dit rapport. Aanvullend onderzoek naar de verhoogde troebelheid is daarom niet uitgevoerd. De overige waarden geven geen aanleiding tot opmerkingen. De pH en EC geven geen aanleiding tot opmerkingen. Landbouwkundig onderzoek Het terrein heeft een grasdichtheid van circa 90%, met enkele gaten die zijn ontstaan door water op het maaiveld. Ten tijde van het onderzoek was de locatie erg drassig en was plasvorming ontstaan op circa 50% van het terrein door regenwater. Voor de profielkuil is een representatieve en droge plek gekozen in het midden van de locatie om de inloop van het maaiveldwater zoveel mogelijk te beperken.

Blad 7 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

Afbeelding 1: Profielkuil

Er is sprake van een zachte en natte grond, waarbij het water op het maaiveld blijft staan. Tot een diepte van circa 0,4 m –mv. bevindt zich een humeuze laag. Er vindt uitspoeling plaats vanuit de humeuze laag tot circa 0,4-0,5 m –mv. Vervolgens is er een grijze siltige zand-/kleilaag met veel roest erin aanwezig. De bewortelingsdiepte is circa 70 cm. De roestvlekken bevinden zich van 0,3 tot 0,7 m –mv. Tot circa 0,2-0,3 m –mv. is roering door het bodemleven nog goed te zien. Tot deze diepte zijn ook nog veel wormen aangetroffen. Vanaf 0,7 à 0,8 m –mv. is sprake van grondwaterinspoeling en staat er water in de profielkuil.

Blad 8 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

3

Laboratoriumonderzoek Het laboratoriumonderzoek is verricht door de door de Raad voor Accreditatie erkende laboratoria van Eurofins Analytico te Barneveld en Eurofins Omegam te Amsterdam. Deze accreditatie betekent dat bij de analyses consequent de juiste en vastgelegde procedures worden gehanteerd zodat de analyseresultaten een hoge betrouwbaarheid hebben. De grond- en grondwatermonsters zijn (voor)behandeld conform het accreditatieschema (AS)3000.

3.1

Uitgevoerd laboratoriumonderzoek Het uitgevoerde laboratoriumonderzoek is weergegeven in tabel 3.1. De samenstelling en selectie van de grond(meng)monsters is gebaseerd op monsterdiepte, bodemtype, onderzoeksdiepte en veldwaarnemingen. Gezien de geografische spreiding vanwege de eerder genoemde gasleiding zijn de monsters van boring 1 separaat ingezet. Tabel 3.1: Laboratoriumonderzoek Monsternaam

Traject (m -mv)

Monstersamenstelling (meetpunt + traject in m -mv)

Analyses

AMM01

0,00-0,50

04, 06, 07, 09, 11, 12, 13

Asbest Grond NEN5898 2016

AMM02

0,00-0,50

01, 16, 17, 21, 23, 26, 28, 29, 30, 31

Asbest Grond NEN5898 2016

MM01

0,00-0,50

003 (0,00-0,50) 006 (0,00-0,40) 009 (0,00-0,50) 004 (0,00-0,50)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

MM02

0,00-0,50

014 (0,00-0,40) 007 (0,00-0,50) 013 (0,00-0,50) 012 (0,00-0,50) 011 (0,00-0,50)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

MM03

0,50-1,10

003 (0,60-1,10) 006 (0,50-1,00) 009 (0,50-1,00) 004 (0,50-1,00)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

MM04

0,40-1,00

014 (0,40-0,90) 019 (0,50-1,00) 013 (0,50-1,00) 011 (0,50-1,00)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

MM05

0,90-1,60

003 (1,10-1,60) 014 (0,90-1,40) 019 (1,00-1,50) 011 (1,00-1,50)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

MM06

1,50-2,00

003 (1,60-2,00) 014 (1,50-2,00) 019 (1,50-2,00) 011 (1,50-2,00)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

MM07

0,00-0,40

017 (0,00-0,30) 016 (0,00-0,30) 021 (0,00-0,40)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

Asbest

Grond

Blad 9 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

Tabel 3.1: Laboratoriumonderzoek Monsternaam

Traject (m -mv)

Monstersamenstelling (meetpunt + traject in m -mv)

Analyses

026 (0,00-0,40) MM08

0,00-0,50

028 (0,00-0,40) 030 (0,00-0,50) 029 (0,00-0,50) 023 (0,00-0,40)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

MM09

0,30-1,00

016 (0,30-0,80) 028 (0,40-0,70) 030 (0,50-1,00)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

MM10

0,40-1,00

021 (0,40-0,90) 026 (0,40-0,90) 029 (0,60-1,00) 023 (0,40-0,70)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

MM11

0,80-2,00

001 (0,80-1,30) 016 (0,90-1,40) 026 (1,00-1,50) 030 (1,55-2,00)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

MM12

1,45-2,00

016 (1,45-1,95) 026 (1,50-2,00)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

001-1

0,00-0,30

001 (0,00-0,30)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

001-2

0,30-0,80

001 (0,30-0,80)

Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam (1)

PMM01

0,00-0,50

003 (0,00-0,50) 006 (0,00-0,40) 009 (0,00-0,50) 011 (0,00-0,50)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

PMM02

0,00-0,50

026 (0,00-0,40) 030 (0,00-0,50) 029 (0,00-0,50) 023 (0,00-0,40)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

PMM03

0,00-0,50

014 (0,00-0,40) 019 (0,00-0,50) 007 (0,00-0,50) 013 (0,00-0,50)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

PMM04

0,40-1,00

021 (0,40-0,90) 026 (0,40-0,90) 029 (0,60-1,00) 023 (0,40-0,70)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

PMM05

0,90-1,60

003 (1,10-1,60) 019 (1,00-1,50) 011 (1,00-1,50) 016 (0,90-1,40)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

PMM06

0,30-1,00

014 (0,40-0,90) 013 (0,50-1,00) 001 (0,30-0,80) 009 (0,50-1,00)

PFAS (28) Handelingskader Organische stof (gloeiverlies)

02 (0,00-0,40) 05 (0,00-0,40) 10 (0,00-0,40)

Bemestingswijzer landbouw/akkerbouw (3)

PFAS

Landbouwkundig onderzoek MM01

0,00-0,40

Blad 10 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

Tabel 3.1: Laboratoriumonderzoek Monsternaam

Traject (m -mv)

Monstersamenstelling (meetpunt + traject in m -mv)

Analyses

08 (0,00-0,40) 18 (0,00-0,40) MM02

0,40-0,80

02 (0,40-0,80) 05 (0,40-0,80) 10 (0,40-0,80) 08 (0,40-0,80) 18 (0,40-0,80)

Bemestingswijzer landbouw/akkerbouw (3)

MM03

0,00-0,40

15 (0,00-0,40) 20 (0,00-0,40) 22 (0,00-0,40) 25 (0,00-0,40) 27 (0,00-0,40)

Bemestingswijzer landbouw/akkerbouw (3)

MM04

0,40-0,80

15 (0,40-0,80) 20 (0,40-0,80) 22 (0,40-0,80) 25 (0,40-0,80) 27 (0,40-0,80)

Bemestingswijzer landbouw/akkerbouw (3)

003-1-1

1,30-2,30

003 (1,30-2,30)

Standaardpakket GW (nieuw) Amsterdam (1) Perfluorverbindingen water

014-1-2

1,30-2,30

014 (1,30-2,30)

Standaardpakket GW (nieuw) Amsterdam (1) Perfluorverbindingen water

019-1-2

1,30-2,30

019 (1,30-2,30)

Standaardpakket GW (nieuw) Amsterdam (1) Perfluorverbindingen water

024-1-1

1,30-2,30

024 (1,30-2,30)

Standaardpakket GW (nieuw) Amsterdam (1)

Grondwater

1: Standaardpakket grond (nieuw) Amsterdam: zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB som 7), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM), minerale olie (GC), chloride; 2: Standaardpakket GW (nieuw) Amsterdam: zware metalen (arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEXN), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (incl. vinylchloride), minerale olie (GC). 3: BemestingsWijzer Akker-/tuinbouw: chemische (o.a. stikstof, fosfor, kalium, magnesium, natrium en calcium), fysische (o.a. koolzure kalk, verslemping, bodemstructuur en bodemtextuur) en biologische parameters (bodemleven).

3.2

Toetsingskader De getoetste analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn weergegeven in de bijlagen 3, 4 en 7. De analysecertificaten zijn toegevoegd in bijlage 9. De resultaten zijn getoetst aan de actuele achtergrond-, streef- en interventiewaarden uit de Regeling bodemkwaliteit en de Circulaire bodemsanering. Hiervoor is gebruik gemaakt van BOTOVA-gevalideerde software. De achtergrond-/streef- en interventiewaarden zijn opgenomen in de bijlagen 5, 6 en 8. Een toelichting op het toetsingskader is opgenomen in bijlage 1. In de tekst zal de term 'verhoogd' worden gebruikt bij gehalten hoger dan de achtergrond- of streefwaarden en lager dan de interventiewaarden. De term 'sterk verhoogd' wordt gebruikt bij gehalten hoger dan of gelijk aan de interventiewaarden. Tevens is bij de getoetste waarden een index opgenomen. Deze index is als volgt berekend: Index = (GSSD - AW) / (I - AW). Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (= GSSD) lager is dan de achtergrondwaarde (= AW). Bij een index boven de 1 ligt de gestandaardiseerde

Blad 11 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

meetwaarde boven de interventiewaarde (= I). Een index tussen de 0 en 0,5 betekent dat de gestandaardiseerde meetwaarde (ver) onder de interventiewaarde ligt. Een index tussen de 0,5 en 1 houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt. Afhankelijk van de specifieke situatie geeft dit mogelijk aanleiding voor het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een nader onderzoek. De analyseresultaten van het asbestonderzoek zijn opgenomen in bijlage 9 en zijn getoetst aan het huidige beleid van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Dit beleid is beschreven in bijlage 1. De gemeente Amsterdam heeft als het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming en in het kader van toepassingen van bouwstoffen, grond en baggerspecie op de landbodem (buiten provinciale en rijksinrichtingen) binnen haar gemeentegrenzen op grond van het Besluit bodemkwaliteit een Besluit genomen waarin beleidsregels met betrekking tot PFAS in Amsterdam zijn vastgesteld (‘Besluit van de gemeente Amsterdam van 5 februari 2020 met nummer 30609 tot vaststelling van de regels omtrent PFAS’). In bijlage 1 zijn de artikelen 7 en 13 van dit besluit integraal overgenomen. De getoetste resultaten zijn opgenomen in bijlage 10.

3.3

Analyseresultaten grond In tabel 3.2 zijn de parameters weergegeven, die de betreffende achtergrond- of interventiewaarde overschrijden.

Tabel 3.2: Overschrijdingstabel grond (Meng)monster (traject m -mv.)

Boringen

MM01 (0,00-0,50)

003 (0,00-0,50), 006 (0,00-0,40), 009 (0,00-0,50), 004 (0,00-0,50)

MM02 (0,00-0,50)

Grondsoort en veldwaarnemingen

Parameters

Conclusie

> AW en index < 0,5 (licht verontreinigd)

> AW en index > 0,5 (matig verontreinigd)

>I (sterk verontreinigd)

Zand, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

014 (0,00-0,40), 007 (0,00-0,50), 013 (0,00-0,50), 012 (0,00-0,50), 011 (0,00-0,50)

Zand, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

MM03 (0,50-1,10)

003 (0,60-1,10), 006 (0,50-1,00), 009 (0,50-1,00), 004 (0,50-1,00)

Zand, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

MM04 (0,40-1,00)

014 (0,40-0,90), 019 (0,50-1,00), 013 (0,50-1,00), 011 (0,50-1,00)

Zand, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

MM05 (0,90-1,60)

003 (1,10-1,60), 014 (0,90-1,40), 019 (1,00-1,50), 011 (1,00-1,50)

Zand, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

MM06 (1,50-2,00)

003 (1,60-2,00), 014 (1,50-2,00), 019 (1,50-2,00), 011 (1,50-2,00)

Zand, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

Blad 12 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

Tabel 3.2: Overschrijdingstabel grond (Meng)monster (traject m -mv.)

Boringen

MM07 (0,00-0,40)

017 (0,00-0,30), 016 (0,00-0,30), 021 (0,00-0,40), 026 (0,00-0,40)

MM08 (0,00-0,50)

Grondsoort en veldwaarnemingen

Parameters

Conclusie

> AW en index < 0,5 (licht verontreinigd)

> AW en index > 0,5 (matig verontreinigd)

>I (sterk verontreinigd)

Klei, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

028 (0,00-0,40), 030 (0,00-0,50), 029 (0,00-0,50), 023 (0,00-0,40)

Klei, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

MM09 (0,30-1,00)

016 (0,30-0,80), 028 (0,40-0,70), 030 (0,50-1,00)

Klei, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

MM10 (0,40-1,00)

021 (0,40-0,90), 026 (0,40-0,90), 029 (0,60-1,00), 023 (0,40-0,70)

Zand, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

MM11 (0,80-2,00)

001 (0,80-1,30), 016 (0,90-1,40), 026 (1,00-1,50), 030 (1,55-2,00)

Zand, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

MM12 (1,45-2,00)

016 (1,45-1,95), 026 (1,50-2,00)

Klei, -

PCB (som 7)

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

001-1 (0,00-0,30)

001 (0,00-0,30)

Klei, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

001-2 (0,30-0,80)

001 (0,30-0,80)

Zand, -

-

-

-

Wbb: Voldoet aan achtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde

Verklaring bij de tabel: : Geen van de onderzochte parameters overschrijdt de betreffende toetsingswaarde; AW : Achtergrondwaarde; I : Interventiewaarde.

Uit de resultaten blijkt dat er plaatselijk in de kleiige ondergrond (mengmonster MM12) een licht verhoogd gehalte aan PCB is gemeten. De gehalten aan overige onderzochte stoffen in dit monster en in de overige monsters van de boven- en ondergrond zijn niet verhoogd.

Blad 13 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

3.4

Analyseresultaten grondwater In tabel 3.3 zijn de resultaten van het laboratoriumonderzoek voor grondwater samengevat. Tabel 3.3: Overschrijdingstabel grondwater Monster

Peilbuis (filter, m –mv.)

Parameters > S en index < 0,5 (licht verontreinigd)

> S en index > 0,5 (matig verontreinigd)

>I (sterk verontreinigd)

003-1-1

1 (1,30-2,30)

-

-

-

014-1-2

1 (1,30-2,30)

-

-

-

019-1-2

1 (1,30-2,30)

-

-

-

024-1-1

1 (1,30-2,30)

Tetrachlooretheen (Per)

-

-

Verklaring tabel: - : Geen van de onderzochte parameters overschrijdt de betreffende toetsingswaarde S : streefwaarde, I : interventiewaarde

In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan tetrachlooretheen (per) gemeten.

3.5

Analyseresultaten PFAS In de volgende tabel zijn de conclusies van de toetsing van de in de grond gemeten gehalten aan PFAS weergegeven. Voor de toetsing wordt verwezen naar bijlage 10. Tabel 3.4: Overschrijdingstabel PFAS in grond (Meng)monster Meetpunt(en) Grondsoort en (traject in m –mv.) veldwaarnemingen PMM01 003 (0,00-0,50) Zand, 006 (0,00-0,40) 009 (0,00-0,50) 011 (0,00-0,50) PMM02 026 (0,00-0,40) Klei, 030 (0,00-0,50) 029 (0,00-0,50) 023 (0,00-0,40) PMM03 014 (0,00-0,40) Zand, 019 (0,00-0,50) 007 (0,00-0,50) 013 (0,00-0,50) PMM04 021 (0,40-0,90) Zand, 026 (0,40-0,90) 029 (0,60-1,00) 023 (0,40-0,70) PMM05 003 (1,10-1,60) Zand, 019 (1,00-1,50) 011 (1,00-1,50) 016 (0,90-1,40) PMM06 014 (0,40-0,90) Zand, 013 (0,50-1,00) 001 (0,30-0,80) 009 (0,50-1,00)

Parameters Licht verontreinigd -

Sterk verontreinigd -

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

De gemeten PFAS-waarden zijn lager dan de vastgelegde waarden in het Wbb-beleid, de grond is niet verontreinigd met PFAS.

Blad 14 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

De resultaten van de toetsing aan de normen uit het ‘Tijdelijk handelingskader’ zijn opgenomen in tabel 3.5. Tabel 3.5: Overschrijdingstabel PFAS in grond (Meng)monster Meetpunt(en) PFOS (som) (traject in m –mv.) PMM01 003 (0,00-0,50) Landbouw/natuur 006 (0,00-0,40) 009 (0,00-0,50) 011 (0,00-0,50) PMM02 026 (0,00-0,40) Landbouw/natuur 030 (0,00-0,50) 029 (0,00-0,50) 023 (0,00-0,40) PMM03 014 (0,00-0,40) Landbouw/natuur 019 (0,00-0,50) 007 (0,00-0,50) 013 (0,00-0,50) PMM04 021 (0,40-0,90) Landbouw/natuur 026 (0,40-0,90) 029 (0,60-1,00) 023 (0,40-0,70) PMM05 003 (1,10-1,60) Landbouw/natuur 019 (1,00-1,50) 011 (1,00-1,50) 016 (0,90-1,40) PMM06 014 (0,40-0,90) Landbouw/natuur 013 (0,50-1,00) 001 (0,30-0,80) 009 (0,50-1,00)

PFOA (som)

Overige PFAS

Definitieve indeling

Wonen/industrie

Landbouw/natuur

Wonen/industrie

Landbouw/natuur Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen/industrie

Landbouw/natuur

Wonen/industrie

Landbouw/natuur Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

De mengmonsters PMM01 en PMM03 worden geclassificeerd als wonen/industrie, de overige mengmonsters als landbouw/natuur. Tabel 3.6: Overschrijdingstabel PFAS in grondwater WaterFilterdiepte Parameters monster (m –mv.) Licht verontreinigd Sterk verontreinigd 003-1-1 1,30 - 2,30 Som PFOA #, Som PFOS # 014-1-2 1,30 - 2,30 Som PFOA #, Som PFOS # 019-1-2 1,30 - 2,30 Som PFOA #, Som PFOS # Verklaring bij de tabel: : Geen van de onderzochte stoffen overschrijdt de betreffende toetsingswaarde; # : Opgemerkt wordt dat zowel lineair en vertakt lager zijn dan de detectiegrens, de gerapporteerde Somwaarde is echter hoger dan 0,01 µg/l waardoor hier in theorie sprake is van een licht verhoogd gehalte.

De gehalten aan individuele PFOS en PFOA in het grondwater liggen onder de detectielimiet. De gerapporteerde somwaardes zijn echter hoger dan 0,01 µg/l waardoor hier sprake is van een licht verhoogd gehalte.

Blad 15 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

3.6

Analyseresultaten asbest In tabel 3.7 zijn de resultaten voor asbest in grond (<50% bodemvreemd materiaal) weergegeven. Tabel 3.7: Analyseresultaten asbest in fijne fractie grond Monstercode (m – mv.)

Gat(en)

Grondsoort en veldwaarnemingen

Gemeten gehalte serpentijn (mg/kg)

Gemeten gehalte amfibool (mg/kg)

Totaal gemeten gehalte asbest (mg/kg)

Gewogen gehalte asbest (mg/kg)

AMM01 (0,05-0,50)

04, 06, 07, 09, 11, 12, 13

Zand

<0,9

0,0

<0,9

<0,9

AMM02 (0,05-0,50)

01, 16, 17, 21, 23, 26, 28, 29, 30, 31

Klei

<0,7

0,0

<0,7

<0,7

Uit het onderzoek blijkt dat er in het zand visueel en analytisch geen asbest is aangetoond.

3.7

Analyseresultaten landbouwkundig onderzoek Van het zuidelijk terreindeel zijn van de grond de mengmonsters MM01 (0,0-0,4 m -mv.) en MM02 (0,4-0,8 m –mv.) samengesteld en geanalyseerd op chemische, fysische en biologische eigenschappen. Voor het noordelijk deel zijn dit de mengmonsters MM03 (0,0-0,4 m -mv.) en MM04 (0,4-0,8 m –mv.). De bodem is relatief zuur en kan als lichte klei, zavel (kleiig zand) worden aangeduid. De diepere laag bevat minder beschikbare, vrij opneembare nutriënten (N, P, C) en spoorelementen (K, Na, Mg) waarbij de bodemgebonden nutriënten en spoorelementen in principe wel beschikbaar zijn. Uit de analyse van de grondmonsters blijkt dat relatief weinig P aanwezig is in relatie tot een gewenste samenstelling voor de opname van planten. Dit heeft echter weinig invloed op de groei van gewassen omdat de opname van P via het bodemvocht verloopt en dan specifiek via fosfaten die hierin zijn opgelost. Bij een goede beworteling en vochthuishouding van de bodem is er geen beperking vanuit de grondfase voor de hoeveelheid nutriënten of spoorelementen, omdat deze goed oplosbaar zijn en daarom in voldoende mate in de water- en vochtfase aanwezig zullen zijn. Afhankelijk van de toe te passen gewassen verdient het aanbeveling om deze parameters regelmatig te analyseren.

Doel is vast te stellen of sprake is van een achteruitgang van de bodemkwaliteit waardoor wel limitatie voor plantopname kan gaan optreden. In dat geval moet het bodembeheer worden aangepast of bemesting worden toegepast. Ten aanzien van de opname van spoorelementen geldt ook dat in de diepere lagen de plantopname voor calcium laag is. Opname van sporenelementen vindt vooral plaats in het begin van het groeiseizoen. Voor calcium geldt wederom dat deze vrij opneembaar is via het bodemvocht en dat de bodemgebonden hoeveelheid als meer dan voldoende kan worden beoordeeld. Voor calcium is ook het koolzure kalkgehalte van belang. Uit de analyse blijkt dat koolzure kalk goed beschikbaar is. Calcium komt hieruit automatisch beschikbaar via verzuring door gewasgroei of bemesting. Concluderend wordt opgemerkt dat de bodemgeschiktheid voor (stads)landbouw als goed kan worden aangemerkt.

Blad 16 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

3.8

Veiligheid CROW 400 Voor alle niet-vluchtige stoffen wordt de humane ernstige risicowaarde (Serious Risk Concentration Humane, SRChumaan) gehanteerd als grondslag voor het bepalen van de veiligheidsklassen. Deze waarde geeft de concentratie van een stof weer in een bepaalde matrix, te weten grond, grondwater en waterbodem. Als deze concentratie wordt overschreden, is er sprake van ernstige risico’s voor de veiligheid en gezondheid van volwassen personen. Er zijn risicoklassen opgesteld waarbij onderscheid gemaakt is in vluchtige en niet-vluchtige stoffen. In het kort ziet de verdeling van veiligheidsklassen er als volgt uit: 

Oranje Niet-vluchtig: o 75% ≤ SRC ≤ 100%

Rood Niet-vluchtig: SRC > 100% + CM ≤ 1000 mg/kg of CM ≤ 1000 µg/l

o o 

Zwart Niet-vluchtig: SRC > 100% + CM > 1000 mg/kg of CM > 1000 µg/l of Asbest > 100 mg/kg

o o 

Oranje Vluchtig:

Rood Vluchtig:

> Tussenwaarde ≤ Interventiewaarde

o

> Interventiewaarde + voldoende ventilatie in de werksituatie

o o 

Zwart Vluchtig:

o o o

> Interventiewaarde + mogelijk onvoldoende ventilatie in de werksituatie of CM-stoffen

Als uitgangspunt voor de toetsing wordt het grondwater beschouwd en wordt in eerste instantie uitgegaan van onvoldoende ventilatiemogelijkheden (worst-case). Over het algemeen zijn de ventilatiemogelijkheden bij werkzaamheden in een sleuf onvoldoende, bij graafwerkzaamheden met een grotere breedte zijn de ventilatiemogelijkheden mogelijk wel voldoende. Tabel 3.8: Bepaling veiligheidsklassen conform CROW 400 Monsternaam

Monstertype

Veiligheidsklasse met maatgevende stof(fen) Vluchtige stoffen Onvoldoende / voldoende ventilatie

Niet-vluchtige stoffen

basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne -

basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne basishygiëne

Grond MM01 (*) MM02 (*) MM03 (*) MM04 (*) MM05 (*) MM06 (*) MM07 (*) MM08 (*) MM09 (*) MM10 (*) MM11 (*) MM12 (*) 001-1 (*) 001-2 (*) AMM01

grond grond grond grond grond grond grond grond grond grond grond grond grond grond asbest grond/puin

-

Blad 17 van 19

-

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

Monsternaam

AMM02

Monstertype

asbest grond/puin

Veiligheidsklasse met maatgevende stof(fen) Vluchtige stoffen Onvoldoende / voldoende ventilatie -

Niet-vluchtige stoffen basishygiëne -

Grondwater 003-1-1 (*) grondwater basishygiëne basishygiëne 014-1-2 (*) grondwater basishygiëne basishygiëne 019-1-2 (*) grondwater basishygiëne basishygiëne 024-1-1 (*) grondwater basishygiëne basishygiëne Toelichting - : Niet van toepassing * : Er is een stof onderzocht waarvoor geen norm is gedefinieerd. Deze stof is niet getoetst. Het betreft: monster MM01 t/m MM12. 001-1, 001-2: Chloride monster 003-1-1, 014-1-2, 019-1-2, 024-1-1: 1,3-Dichloorpropaan, 1,1-Dichloorpropaan, meta-/para-Xyleen, ortho-Xyleen, cis-1,2Dichlooretheen, trans-1,2-Dichlooretheen en 1,2-Dichloorpropaan

Er zijn enkele stoffen onderzocht waarvoor geen norm is gedefinieerd. Aangezien de monsters conform AS3000 zijn voorbehandeld en met uitzondering van chloride geen van deze stoffen de detectielimiet overschrijden, voldoen de monsters voor deze stoffen indicatief aan het niveau basishygiëne conform de CROW400. Uit de tabel blijkt dat de veiligheidsklasse basishygiëne van toepassing is op de werkzaamheden.

Blad 18 van 19

Rapport Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 20 maart 2020 revisie 00

4

Conclusies en aanbevelingen Grond In de kleiige ondergrond is plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan PCB gemeten. In de grond is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond. De gemeten PFAS-gehalten zijn lager dan de vastgelegde waarden in het Wbb-beleid, de grond is niet verontreinigd met PFAS. Grondwater In het grondwater is plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan tetrachlooretheen gemeten. Hiervoor is geen verklaring bekend. Aangezien het gehalte echter de tussenwaarde niet overschrijdt, is er geen reden voor aanvullend onderzoek. De gehalten aan individuele PFOS en PFOA in het grondwater liggen onder de detectielimiet. Toetsing hypothese Formeel dient de hypothese ‘onverdacht’ verworpen te worden vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater. Aangezien de gemeten gehalten beneden de zgn. tussenwaarde liggen, wordt aanvullend onderzoek echter niet noodzakelijk of zinvol geacht. Landbouwkundige analyse De bodemgeschiktheid voor (stads)landbouw kan in het algemeen als goed worden aangemerkt. Onduidelijk is echter hoe deze ‘landbouw’ er uit komt te zien en welke teelt (gewassen, bomen) er gaat plaatsvinden. Afhankelijk van de inrichting kan het wenselijk zijn ook andere factoren te betrekken bij het ontwerp.

Zo is inzicht in de Gemiddeld Laagste en Hoogste Grondwaterstand (GLG en GHG) bijvoorbeeld een belangrijke parameter bij de gewaskeuze. Het verdient aanbeveling om de analyseresultaten opnieuw in beschouwing te nemen als het soort gewas bekend is. Doel is dan om na te gaan of eventueel voor dit specifieke gewas nog een aanvullende grondbewerking nodig is. Grondbewerking heeft bijvoorbeeld invloed op de verdeling van de organische stof over het bodemprofiel en daarmee op de chemische bodemkwaliteit. Organische stof in de bodem is belangrijk omdat deze invloed heeft op de bodemstructuur en zorg draagt voor de levering van stikstof, fosfaat en andere nutriënten aan gewassen. Dit wordt veroorzaakt door de afbraak van organische stof en de binding van nutriënten en uitwisseling met het bodemvocht. Door te veel, te diep of te ondiep uitgevoerde grondbewerkingen kan snel een verstoring optreden ten opzichte van de gewenste (chemische) bodemkwaliteit. Kortom, het verdient aanbeveling om, afhankelijk van het toe te passen gewas en definitieve indeling van het terrein, de juiste expertise in te schakelen om optimale omstandigheden te creëren. Veiligheidsklassen Mochten er graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden dan is op basis van de CROW 400 de veiligheidsklasse basishygiëne van toepassing op de graafwerkzaamheden.

Voornoemde conclusies zijn gebaseerd op het vooronderzoek, de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten van dit onderzoek. Antea Group Almere, maart 2020

Blad 19 van 19

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 28 januari 2020, revisie 00

Bijlage 1 Toelichting op bodemonderzoek, verantwoording uitvoering onderzoek BRL2000

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 maart 2020, revisie 00

Kwaliteitsaspecten bodemonderzoek Betrouwbaarheid/garanties Bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van al dan niet verdachte bodemlagen. Hoewel Antea Group conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving handelt, is het juist deze steekproefsgewijze benadering die het onmogelijk maakt garanties ten aanzien van de verontreinigingssituatie af te geven op basis van de resultaten van een bodemonderzoek. Het vorenstaande betekent dat Antea Group op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Antea Group uitgevoerde bodemonderzoek neemt. In een voorkomend geval adviseren wij u altijd contact op te nemen met uw aanspreekpunt binnen Antea Group. In dit kader kan ook worden opgemerkt dat de voor het historisch onderzoek geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Voor het verkrijgen van historische informatie is Antea Group wel afhankelijk van deze bronnen, waardoor Antea Group niet kan instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie. Certificatie/accreditatie Antea Group is gecertificeerd volgens NEN-ISO 9001. Ons bureau is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodemonderzoek (VKB).

Het veldwerk ten behoeve van het milieuhygiënisch bodemonderzoek is uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000 (Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB-procescertificaat voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek). Hierbij wordt opgemerkt dat werkzaamheden verricht conform de NEN 5707 vallen onder de BRL SIKB 2000, protocol 2018. Werkzaamheden verricht conform de NEN 5897 vallen buiten de certificatieregeling. In de bijlage 'Verantwoording uitvoering onderzoek BRL 2000' is vermeld of Antea Group het veldwerk zelf heeft uitgevoerd of heeft uitbesteed aan een ander bureau. Zowel Antea Group als de bureaus waaraan Antea Group veldwerk uitbesteedt, zijn volgens de BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend. Eventuele afwijkingen van de beoordelingsrichtlijn zijn in voorliggend rapport vermeld. In de bijlage 'Verantwoording uitvoering onderzoek BRL 2000' staan de namen en parafen van de veldmedewerkers die de kritische functies binnen het veldwerk hebben uitgevoerd. De naleving van de kwaliteitseisen en procedures wordt periodiek getoetst door interne auditors en externe auditors, onder toezicht van de Raad voor Accreditatie (RvA). De onderzochte locatie is niet in eigendom van Antea Group of gerelateerde zusterbedrijven. De in het bodemonderzoek benodigde analyses van grond en grondwater laat Antea Group verrichten door een RvA geaccrediteerd laboratorium.

Deze accreditatie garandeert dat bij de analyses consequent de juiste en vastgelegde procedures worden gehanteerd zodat de analyseresultaten een hoge betrouwbaarheid hebben. Voor de analyses geldt dat deze conform het Accreditatieschema (AS)3000 zijn uitgevoerd. De analyseresultaten zijn gevalideerd getoetst middels BOTOVA. Toepassing grond Het bodemonderzoek geeft inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in het kader van het gebruik en/of de bestemming van de onderzochte locatie. Indien echter grond van de locatie wordt afgevoerd voor toepassing elders, volstaan de resultaten van het verrichte bodemonderzoek mogelijk niet. Afhankelijk van de omvang van de af te voeren partij(en) grond en de eisen die door de acceptant of het bevoegd gezag ter plaatse van de nieuwe toepassingslocatie worden gesteld (bijvoorbeeld aanwezigheid van een bodemkwaliteitskaart met bijbehorend bodembeheerplan), dient de grond eventueel nog conform de richtlijnen van het Besluit bodemkwaliteit te worden onderzocht. Asbest Met nadruk wordt vermeld dat onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de bodem geen onderdeel uitmaakt van onderzoek dat door Antea Group is uitgevoerd volgens de NEN 5740. Alleen als in de rapportage is vermeld dat er onderzoek conform NEN 5707 is uitgevoerd, is specifiek asbestonderzoek gedaan. Als tijdens

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 maart 2020, revisie 00

het veldwerk in de bodem asbestverdachte materialen zijn opgemerkt, komt dit in de profielbeschrijvingen en de conclusies naar voren.

Toelichting op het uitgevoerde onderzoek Verkennend asbestonderzoek Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden dient een visuele inspectie van het onderzoeksterrein te worden uitgevoerd. Hierbij wordt de toplaag van het terrein afgezocht naar asbestverdacht materiaal en puinrestanten. In voorkomende gevallen is visuele maaiveldinspectie zeer beperkt of niet mogelijk vanwege de aanwezigheid van verharding en/of vegetatie. Het uitvoeren van een maaiveldinspectie wordt gebruikt om te beoordelen of er binnen de onderzoekslocatie gedeelten aanwezig zijn die als meer of minder verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest kunnen worden aangemerkt. Verspreid over de onderzoekslocatie zijn gaten gegraven van 0,3 x 0,3 m tot 0,5 m -mv (meter beneden maaiveld). In deze gaten zijn boringen verricht tot circa 1 m -mv. De opgeboorde grond is beoordeeld op het voorkomen van verontreinigingen, beschreven en bemonsterd. Het opgegraven materiaal is uitgespreid, geharkt/gezeefd en visueel geïnspecteerd op het voorkomen van asbestverdachte materialen. Na inspectie en monsterneming zijn de gaten gedicht met het uitgegraven materiaal. De posities van de gaten met boringen zijn ingemeten en weergegeven op de situatietekening. Verkennend bodemonderzoek Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd met als richtlijn ARVO 2019.

Verspreid over de onderzoekslocatie zijn boringen verricht. De opgeboorde grond is beoordeeld op het voorkomen van verontreinigingen, beschreven en bemonsterd. Indien het grondwater zich nabij of binnen de ontgravingsdiepte van de werkzaamheden bevindt, is een peilbuis geplaatst ten behoeve van de monstername van het grondwater. De peilbuis is direct na plaatsing grondig afgepompt en minimaal één week later, na nogmaals goed afpompen, bemonsterd voor laboratoriumonderzoek. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand opgenomen en zijn de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en de troebelheid gemeten. Voor het vaststellen van de algemene bodemkwaliteit is de grond onderzocht op het standaard stoffenpakket voor Amsterdam. Dit betreft analyses op:  Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, molybdeen, koper, kwik, lood, nikkel en zink);  Polychloorbifenylen (PCB's; som 7);  Minerale olie (GC; inclusief voorbehandeling);  Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK-totaal, 10 stuks volgens VROM);  Percentages lutum, organische- en droge stof.  Chloride De selectie van de grond(meng)monsters is gebaseerd op monsterdiepte, bodemtype en veldwaarnemingen. Voor het vaststellen van de algemene bodemkwaliteit is het grondwater onderzocht op het standaard stoffenpakket.

Dit betreft analyses op:  Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink);  Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, xylenen, styreen en ethylbenzeen) en naftaleen;  Vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCL);  Minerale olie (GC).

Bepaling veiligheidsklassen Vooral hetgeen in branchepublicaties is aangegeven wordt door de Inspectie SZW beschouwd als 'de stand der techniek' en dient derhalve zorgvuldig te worden nagekomen.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 maart 2020, revisie 00

De veiligheidsklasse die in dit onderzoek is vastgesteld, betreft de voorlopige veiligheidsklasse. Bij het vaststellen van de voorlopige veiligheidsklasse zijn aannamen gedaan met betrekking tot de omstandigheden tijdens de uitvoer van de werkzaamheden. Wanneer het werk een geraamde duur van meer dan 30 mensdagen beslaat en er meer dan 20 werknemers op de locatie tegelijk werkzaam zijn, of indien de geraamde duur van het werk meer dan 500 mensdagen beslaat, dan dient eveneens via een kennisgeving aan Inspectie SZW het voornemen tot het tot stand brengen van het werk te worden gemeld.

Toelichting op de toetsingskaders Toetsingskader achtergrond-, streef- en interventiewaarden Hieronder wordt uitgebreider op de begrippen achtergrond-, streef- en interventiewaarden en hun betekenis ingegaan. Bij de toetsing wordt een uitspraak gedaan op parameterniveau én op monsterniveau. Met betrekking tot het bepalen van de achtergrondwaarden kan in sommige gevallen de overall-conclusie op monsterniveau afwijken ten opzichte van de conclusie op parameterniveau als gevolg van de toetsregel die in artikel 4.2.2 van de Regeling bodemkwaliteit staat. In dit artikel wordt beschreven wat onder het overschrijden van de achtergrondwaarden wordt verstaan. De achtergrondwaarden (AW) zijn landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit en geven de bovengrens aan voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. Dit omdat in dergelijke gronden geen belasting door lokale verontreinigingsbronnen aanwezig wordt geacht. De streefwaarde (S) geeft het concentratieniveau in grondwater aan waarboven wel en waaronder geen sprake is van een aantoonbare verontreiniging.

De interventiewaarde (I) geeft het concentratieniveau in de grond, waterbodem of grondwater aan waarboven de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant en dier heeft, in ernstige mate kunnen zijn verminderd. In het overheidsbeleid wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging, indien de gemiddelde concentratie aan één stof de interventiewaarde overschrijdt in tenminste 25 m³ grond/slib of voor het grondwater in tenminste 100 m³ bodemvolume. Over de hoeveelheid grond/slib of grondwater waarop een eventuele overschrijding van de interventiewaarde zich voordoet kan in een eerste onderzoek meestal nog geen betrouwbare uitspraak worden gedaan. Daarom kunnen op basis van de resultaten van dit eerste onderzoek dan ook geen conclusies worden getrokken ten aanzien van het al dan niet ernstig zijn van het verontreinigingsgeval. Bij de getoetste waarden is tevens een index opgenomen. Deze index is als volgt berekend: Index = (GSSD - AW (of S) ) / (I - AW (of S) ). Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD) lager is dan de achtergrondwaarde. Bij een index boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde. Een index tussen de 0 en 0,5 betekent dat de gestandaardiseerde meetwaarde (ver) onder de interventiewaarde ligt.

Een index tussen de 0,5 en 1 houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt. Afhankelijk van de specifieke situatie geeft dit mogelijk aanleiding tot het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een nader onderzoek. Met een nader bodemonderzoek kunnen de ernst en de spoedeisendheid van het geval worden vastgesteld. Een nader onderzoek kan worden uitgevoerd als er een duidelijke indicatie bestaat dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging kan zich ook voordoen zonder dat de interventiewaarden worden overschreden. Als een verontreiniging zich zodanig in een ander milieucompartiment (bijv. het grondwater) of objecten (bijv. consumptiegewassen) verspreidt dat daar schadelijke effecten kunnen optreden, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ook als het bij puntbronnen van verontreinigingen (bijv. op grond van berekeningen) waarschijnlijk is dat zonder maatregelen op korte termijn (binnen maximaal enkele maanden) een verontreiniging van eerder genoemde 25 of 100 m³ bodemvolume kan optreden, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 maart 2020, revisie 00

Bij de toetsing worden de gemeten gehalten in grondmonsters aan de hand van geanalyseerde of geschatte gehalten organisch stof en lutum gevalideerd omgerekend middels BOTOVA naar zogenaamde standaardbodemcondities (bodem met 10% organische stof en 25% lutum). Indien de gehalten of concentraties in grond- en grondwatermonsters lager zijn dan de gerapporteerde rapportagegrens worden deze gevalideerd herberekend middels BOTOVA tot een gestandaardiseerde meetwaarde (gerapporteerde rapportagegrens maal 0,7). Deze gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD) worden vergeleken met de normwaarden. Barium In de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 is aangegeven dat de norm voor barium tijdelijk is ingetrokken. Gebleken is namelijk dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg ds (voor standaardbodem). Analyses op barium dienen wel nog te worden uitgevoerd, maar de resultaten hoeven dus niet meer getoetst te worden, tenzij een duidelijke antropogene bron aanwezig is. Het gemeten gehalte aan barium is conform de circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, niet getoetst aan de voormalige interventiewaarde.

Dit in verband met het voor deze parameter ontbreken van een aanwijsbare antropogene bron. Toetsingskader asbest De resultaten van het NEN 5707+C2 onderzoek worden conform het huidige overheidsbeleid getoetst aan de interventiewaarde uit de Circulaire bodemsanering. De interventiewaarde voor asbest in bodem, grond en baggerspecie bedraagt 100 mg/kg ds, waarbij is uitgegaan van het zogenaamde 'gewogen gehalte' (het gehalte serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal het gehalte amfiboolasbest). Het gewogen gehalte asbest dat aan de interventiewaarde wordt getoetst, is het berekende totaal van asbesthoudend materiaal (grootte > 20 mm) en asbest in de fijne fractie (< 20 mm). Indien onderzoek is gedaan naar respirabele vezels, wordt de gemeten concentratie getoetst aan de risicogrenswaarde van 10 mg/kg (gewogen). Indien deze concentratie niet wordt overschreden is er geen sprake van onaanvaardbare risico’s. Voor het bepalen van de spoedeisendheid van een sanering van een bodemverontreiniging met asbest die is ontstaan voor juni 1993 dient gebruik te worden gemaakt van het protocol 'Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem - protocol asbest'. Dit protocol is opgenomen als bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering. Op basis van het fysische en chemische karakter is er voor asbest geen sprake van verspreidingsrisico's en ecologische risico's, maar wel van humane risico's.

In dit kader worden twee categorieën van (humane) risico's onderscheiden: Acceptabele risico's Hierbij dienen de plaats, mate en omvang van de bodemverontreiniging nauwkeurig geregistreerd te worden bij het Kadaster. Ook kan het bevoegd gezag voorschrijven om beheersmaatregelen te treffen om blootstelling aan de verontreiniging te voorkomen. Als de inrichting van de locatie wijzigt, dienen de locatiespecifieke risico's opnieuw te worden beoordeeld. Onacceptabele risico's Naast kadastrale registratie dienen spoedig saneringsmaatregelen te worden genomen op het betreffende deel van de locatie. De termijn 'spoedig' dient uitgewerkt te worden door het bevoegd gezag in een beschikking. Puin De resultaten van het NEN 5897+C2 onderzoek worden conform het huidige overheidsbeleid getoetst aan de regelingeving zoals opgenomen in het Productenbesluit asbest. In het Productenbesluit asbest is vermeld dat het verboden is om asbest of asbesthoudende producten te vervaardigen, in Nederland in te voeren, voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen, toe te passen of te bewerken. Een product wordt niet als asbesthoudend beschouwd als aan het product geen asbest opzettelijk is toegevoegd en het gehalte serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal het gehalte

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 maart 2020, revisie 00

amfiboolasbest niet hoger is dan 100 mg/kg ds. Deze waarde wordt in voorliggende rapportage aangeduid als restconcentratienorm. Hergebruik van grond en puin Indien de grond en het puin worden hergebruikt, is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. In dit besluit is opgenomen dat voor asbest in grond en puin een gewogen gehalte van 100 mg/kg ds (het gehalte serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal het gehalte amfiboolasbest) als maximale samenstellingswaarde geldt. PFAS In de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit zijn (nog) geen normen opgenomen voor PFOS/PFOA in de grond en het grondwater. Derhalve heeft de gemeente Amsterdam in augustus 2018 een beleidsregel vastgesteld voor de stoffen PFOS en PFOA. Hieronder is samengevat hoe volgens de beleidsregel omgegaan wordt met historische verontreinigingen (ontstaan voor 1987), wanneer een locatie als verontreinigd wordt beschouwd en wanneer deze verontreiniging tevens leidt tot zodanige risico’s dat spoedige sanering noodzakelijk is.

De gemeente Amsterdam heeft als het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming en in het kader van toepassingen van bouwstoffen, grond en baggerspecie op de landbodem (buiten provinciale en rijksinrichtingen) binnen haar gemeentegrenzen op grond van het Besluit bodemkwaliteit een Besluit genomen waarin beleidsregels met betrekking tot PFAS in Amsterdam zijn vastgesteld (“Besluit van de gemeente Amsterdam van 5 februari 2020 met nummer 30609 tot vaststelling van de regels omtrent PFAS”). In het onderstaande zijn de artikelen 7 en 13 van dit besluit integraal overgenomen. Artikel 7: Beoordelingskader en sanering historische bodemverontreiniging met PFAS: 1. Op (gemeten) gehalten van PFAS in grond is voor toetsing aan de in dit artikel benoemdegrenswaarden de bodemtypecorrectie volgens artikel 1 onder o van toepassing. De gemetengehalten worden in beginsel gerapporteerd met als rapportagegrenzen 0,1 μg/kg d.s. voor gronden 0,01 μg/l voor grondwater. 2. Indien de op een locatie aangetroffen (gecorrigeerde) gehalten van PFOS en PFOA in de grondlager zijn dan of gelijk aan respectievelijk 1,5 μg/kg d.s. en 1,7 μg/kg d.s. en/of in grondwater lager zijn dan of gelijk aan 0,01 μg/l, wordt de locatie als niet verontreinigd beschouwd. 3. Indien de (gecorrigeerde) gehalten van PFOS in de grond hoger zijn dan 1,5 μg/kg d.s. en lager dan of gelijk aan 110 μg/kg d.s.

en/of de gehalten in het grondwater hoger zijn dan 0,01 μg/l en lager dan of gelijk aan 4,7 μg/l, of indien de (gecorrigeerde) gehalten van PFOA in de grond hoger zijn dan 1,7 μg/kg d.s. en lager dan of gelijk aan 1.100 μg/kg d.s. en/of de gehalten in het grondwater hoger zijn dan 0,01 μg/l en lager dan of gelijk aan 0,39 μg/l, wordt de locatie als verontreinigd beschouwd, maar is er geen bodemsanering noodzakelijk. 4. Bij (gecorrigeerde) gehalten van PFOS in de grond hoger dan 110 μg/kg d.s. en/of gehalten in grondwater hoger dan 4,7 μg/l, en/of bij (gecorrigeerde) gehalten van PFOA in de grond hoger dan 1.100 μg/kg d.s. en/of gehalten in grondwater hoger dan 0,39 μg/l wordt de bodem als ernstig verontreinigd beschouwd waarbij aangenomen wordt dat de verontreiniging tevens leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. 5. Degene die voornemens is de bodem te saneren dient schriftelijk in een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet te onderbouwen hoe de sanering van de historische bodemverontreiniging met PFAS wordt uitgevoerd en welke saneringsdoelstelling er behaald wordt. Indien de saneringsdoelstelling PFOS hoger is dan 110 μg/kg d.s. in grond of 4,7 μg/l in grondwater en/of de saneringsdoelstelling PFOA hoger is dan 1.100 μg/kg d.s.

in grond of 0,39 μg/l in grondwater dient dit duidelijk gemotiveerd te worden en alleen indien het College van B&W schriftelijk instemmen met deze afwijkende saneringsdoelstelling kan deze doelstelling als uitgangspunt worden gekozen voor de sanering. 6. Stoffen behorend tot PFAS dienen individueel per stof beoordeeld te worden. Voor gehalten van PFAS, anders dan PFOS en PFOA, gelden de normen en handelwijze in deze beleidsregel zoals die voor PFOS gelden. Indien sprake is van een combinatie-verontreiniging met meerdere individuele PFAS, anders dan PFOS of PFOA, geldt aanvullend op de individuele beoordeling dat de som van die verontreinigingen beoordeeld wordt aan vier maal de waarde voor ernstige verontreiniging voor PFOS.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Amsterdamse Bos te Amstelveen projectnummer 0458257.100 maart 2020, revisie 00

Artikel 13: Toepassingen van PFOS-, PFOA- of overige PFAS-houdende grond en/of baggerspecie. Punt 1 uit dit artikel: Toepassingen van grond en baggerspecie, waar conform artikel 11 onderzoek gedaan is naar de voor bodemtype gecorrigeerde aanwezige gehalten aan PFAS (minimaal PFOS en PFOA), zijn binnen de gemeente Amsterdam toegestaan na (dubbele) toetsing op stofniveau aan de Bodemfunctie (uit de vigerende Nota bodembeheer) en de Bodemkwaliteit van de ontvangende bodem. Er moet per stof (ic. minimaal PFOS en PFOA) voldaan worden aan de strengste eis volgens de navolgende functie- en kwaliteitsklasse-indeling. De dubbele toets dient te worden uitgevoerd voor de locatie waar de toepassing plaatsvindt. Dit geldt ook voor de vormen van tijdelijke opslag van grond en baggerspecie (anders dan verspreidbare bagger) zoals genoemd in het Besluit. Het (gemeten) gehalte wordt volgens artikel 1 onder o voorafgaand aan toetsing gecorrigeerd. De volgende Bodemfunctie- en Bodemkwaliteits-klasseringen met bijbehorende maximale waarden voor een standaard bodem op stofniveau voor PFOS en PFOA zijn geschikt voor toepassing: a1. ‘Klasse Niet ingedeeld - PFOS/PFOA-Vrij toepasbaar’; indien het gehalte aan PFOS de waarde van1,5 μg/kg d.s. en het gehalte aan PFOA de waarde van 1,7 μg/kg d.s. in de toe te passen grond of baggerspecie niet overschrijdt; a2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15514461/1