CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

6. Toelichting herstelbesluit Westerpark Zuid.pdf

RAAD 8 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Westerpark Zuid (VN2025-011656)36.243 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Bijzonder is dat in 2022 het nieuwe plantsoen wordt vergroot aan de noordzijde. Het groen heeft meer kwaliteit gekregen waarbij de hondenlosloop in de 'tramlus' aan de westzijde is vervangen door vaste plantenborders en het spelen ruim baan kreeg in he centrale deel. Het plantsoen opent zich nu meer naar de buurt toe doordat het hoog opgaande heestergroen daar werd aangepast. Het zuidelijk deel van het plantsoen wordt de entree voor de parkeergarage onder de Singelgracht. Deze entree wordt subtiel opgenomen in het groen waarbij de bouw zodanig is aangepast dat een rij monumentale platanen langs de oostrand grotendeel gespaard kon worden en enkel oudere bomen met speciale verplaatstechnieken iets konden worden verschoven. 2015 Plein 'De Binderij' Gillis van Ledenberchstraat: Deze plek vormde ooit een insteekhaven maar leende zich voor een groene pleininrichting aansuitend op de nieuwbouw met appartementen aan weerszijden. Het groen kwam in zelfbeheer bij de participerende buurtbewoners. 2016 Hugo de Grootplein: Het Hugo de Grootplein is een redelijk druk verkeersplein en al ruim 10 jaar als rotonde ingericht. Er is rust en sfeer op het plein gecreëerd door groene aankleding met vaste planten en heesters in het middelste deel. In 2017 startte de aanleg met vaste planten en bollen vanuit

bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)

blz. 33

een bewonersinitiatief. Het zelfbeheer stopte na twee jaar vanwege gebrek aan vrijwilligers. In 2020 werd het verwaarloosde groen opgeruimd en alsnog door een groenaannemer een beplantingsplan gemaakt en uitgevoerd, in opdracht van Stadsdeelwerken. 2019 Herinrichting Frederik Hendrikstraat: Voor deze hoofdontsluitingsweg van de buurt werd de kwaliteit van de openbare ruimte verbeterd voor voetgangers, fietsers en groen. 2022 Wandelpromenade met groen op de Nassaukade: Langs de kades staan grote breed uitgroeiende bomen, zij geven dit kadeprofiel een groene uitstraling die past bij de Amsterdamse kades. De dichtbebouwde Staatsliedenbuurt is erg stenig met hier en daar een (openbaar toegankelijke) binnentuin die groene verpozing biedt. Zelfbeheerinitiatieven in de oudbouwbuurt blijft sterk achter bij andere buurten van West. Geveltuinen zijn hier wel volop gestimuleerd de afgelopen 20 jaar. Ten opzichte van de gesloten bouwblokken van de Staatsliedenbuurt is het GWL terrein een verademing. De binnenstebuiten gekeerde tuinen en met wingerd begroeide muren bieden een aangenaam groen leefklimaat voor bewoners en omwonenden. Er zijn wensen om in deze buurt meer verhardingen om te zetten naar groen. Het is nog onbekend wanneer deze extra vergroening gaat plaatsvinden.

3.6

Cultuurhistorisch belang van binnentuinen

Voldoende frisse lucht, licht en groen is al eeuwenlang het ideaal voor een kwalitatief goede leefomgeving. Uit het onderzoek "Van licht, lucht en groen word je een 'beter' mens, een cultuurhistorische analyse van de tuin in de Amsterdamse stedenbouw" blijkt dat bij het streven naar goede en betaalbare woonomstandigheden en aantrekkelijke woonbuurten, 'groen' een onlosmakelijke rol speelt. Het ideaal van een vrijstaand huis met een tuin in de nabijheid van de natuur staat niet ter discussie, maar is in feite alleen bereikbaar voor de rijken. De grachtengordel met gesloten bouwblokken en ruime binnentuinen worden keer op keer genoemd als geslaagd voorbeeld. De centrale vraag die in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw gaandeweg steeds scherper geformuleerd wordt is: hoe kan op grote en betaalbare schaal een goede woonkwaliteit met voldoende, groene, buitenruimte in een stedelijk context gebouwd worden voor armlastige arbeiders? De stad wordt vanaf het eind van de 19de eeuw steeds meer als een groot en samenhangend bouwwerk opgevat. In het begin van de 20ste eeuw wordt groen aan voldoende licht en frisse lucht gekoppeld, waarop volgens de Woningwet (1901) en de Gezondheidswet (1901) iedereen recht had.

De idealen worden in de praktijk gebracht door middel van een stedenbouw waaraan zorgvuldige studies vooraf gaan, zoals verkavelingsvormen, verhoudingen tussen bouwhoogtes, blokdieptes, straatbreedtes en bezonningsmodellen.

Gemeente Amsterdam

blz. 34

3.6.1

De 19de eeuwse ring

Het plangebied maakt onderdeel uit van de 19de eeuwse ring. Kenmerkend zijn de gesloten bouwbokken met een duidelijke scheiding tussen privé en openbaar. De binnenterreinen maken geen onderdeel uit van het straatbeeld. Sinds 1858 wordt de hoogte van de blokken medebepaald door de breedte van de straat, die nogal varieerde. Impliciet is de relatie (1:1) tussen de hoogte van het blok en de diepte van het achterterrein. Vanaf 1887 wordt een bepaling in de verordening opgenomen dat de percelen voor maximaal ¾ mogen worden bebouwd. De binnenterreinen zijn doorgaans ondiep en langgerekt. De bezonning van de woningen is afhankelijk van de oriëntatie en niet persé gunstig. De verkaveling van de 19de-eeuwse Ring is deels gebaseerd op de pre-stedelijke slotenverkaveling. De hoogte is nooit meer dan vier bouwlagen met een kap. Uitgebouwde keukenstroken steken in de aaneengesloten open ruimte. Bovendien zijn er vaak opslag- en werkplaatsen op de binnenterreinen en soms ook volledige huizen. Sommige binnenterreinen zijn vrijwel volledig dichtgebouwd. Andere zijn grotendeels onbebouwd en van groen voorzien. De onbebouwde terreinen vormen een rustige en deels groene tegenhanger van de drukke, stenige straatruimte. De openbare ruimte is stenig, met boombeplanting als aankleding langs met name de hoofdwegen, grachten en waterwegen of pleinen.

Open, groene, ruimte is verder beperkt tot een aantal plantsoenen en parken. De openbare ruimte is stenig, met boombeplanting als aankleding met name langs de hoofdwegen, grachten en waterwegen of pleinen. Momenteel zijn de bouwblokken al behoorlijk verdicht door de vele aan- en uitbouwen op het achtererf. Een verdere verdichting van de binnenterreinen doet ernstig afbreuk aan de hoeveelheid groen in de stad en is daarom onwenselijk. In het kader van het stadsbrede project Binnentuinen wordt onderzocht of vergunningsvrij bouwen in de binnentuinen beperkt moeten worden, onder meer op basis van cultuurhistorische- of milieutechnische overwegingen. (Zie: Van licht, lucht en groen wordt je een 'beter' mens: een cultuurhistorische verkenning naar de tuin in de Amsterdamse stedenbouw, Aardse en Statema, 2017.) De binnentuinen vertegenwoordigen evident stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. Vanuit dat oogpunt is er reden om weloverwogen om te gaan met dit onderdeel van de ruimtelijke en groene kernkwaliteiten van Amsterdam. 3.6.2

Woonerven en meanders

In het stadsdeel West zijn binnen het stedelijk weefsel grotere stadsvernieuwingscomplexen gebouwd vanuit dezelfde principes in een architectuur die sterk afwijkt van de omringende negentiende eeuwse bebouwing. In het plangebied van het bestemmingsplan zijn twee stadsvernieuwingsbuurten die een vergelijkbare invulling als woonerven hebben, en in structuur en bebouwing sterk afwijken van omringende gebieden. Stadsvernieuwingsbuurten vormen veelal afgesloten eenheden en wijken af van de karakteristiek van de omringende gebieden. De waarde van deze gebieden ligt vooral lin de samenhang tussen de stedenbouwkundige eenheden. Bij nieuwe invullingen is hernieuwde aansluiting op de structuur van de omgeving gewenst. Het driehoekige Kop van Jut, ofwel het Marcanti-schiereiland, wordt begrensd door de Jan van Galenstraat aan de noordkant, het Westelijke Marktkanaal aan de westkant en de Kostverlorenvaart aan de oostkant. Kop van Jut werd begin jaren ’80 uit de grond gestampt. Van Rhijn ontwierp een buurt met zes langwerpige blokken die evenwijdig aan elkaar liepen en in dezelfde verhouding ten opzichte van elkaar verspringen. Latere aanpassingen zijn in het kader van dit plan ingepast. Kop van Jut is grootendeels planmatig ontworpen en heeft dus een zeer herkenbaar verkavelingspatroon.

De privé en collectieve tuinen zijn zeer bepalend voor de stedenbouwkundige opzet, het wijkbeeld en de beleving van de openbare ruimte. De autoluwe doodlopende straten en open bouwblokken, brengen met zich mee dat de openbare ruimte met tamelijk veel collectief groen ingericht is en dat het groen in de kleine privétuintjes visueel overgaat in het collectieve groen. De privétuinen zijn dus naar de openbare weg

bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)

blz. 35

gekeerd en daardoor vol in het zicht. Ze verdienen daarom bescherming. In het noordoostpunt van de Staatsliedenbuurt zijn enkele bouwblokken die afwijken van de omringende 19de eeuwse gesloten bouwblokken. Deze bouwblokken zijn in de jaren tachtig in het kader van de stadsvernieuwing tot stand gekomen. De blokken hebben een afwijkende vorm en zijn niet allemaal gesloten. De architectuur van de blokken kenmerkt zich door een sterke repetitie in de gevel. De balkons zijn op veel plekken in tweetallen geschakeld, waardoor er een horizontaliteit in de gevel ontstaat. Ook daarin wijken deze bouwblokken af van de 19de eeuwse bouwblokken, die een verticale beweging hebben. Marcanti-schiereiland Het driehoekige Kop van Jut, ofwel het Marcanti-schiereiland, wordt begrensd door de Jan van Galenstraat aan de noordkant, het Westelijke Marktkanaal aan de westkant en de Kostverlorenvaart aan de oostkant. Kop van Jut werd begin jaren '80 uit de grond gestampt. Van Rhijn ontwierp een buurt met zes langwerpige blokken die evenwijdig aan elkaar liepen en in dezelfde verhouding ten opzichte van elkaar verspringen. Latere aanpassingen zijn in het kader van dit plan ingepast. Kop van Jut is grootendeels planmatig ontworpen en heeft dus een zeer herkenbaar verkavelingspatroon.

autoluwe doodlopende straten en open bouwblokken, brengen met zich mee dat de openbare ruimte met tamelijk veel collectief groen ingericht is en dat het groen in de kleine privétuintjes visueel overgaat in het collectieve groen. Noordoostpunt Staatsliedenbuurt In het noordoostpunt van de Staatsliedenbuurt zijn enkele bouwblokken die afwijken van de omringende 19de eeuwse gesloten bouwblokken. Deze bouwblokken zijn in de jaren tachtig in het kader van de stadsvernieuwing tot stand gekomen. De blokken hebben een afwijkende vorm en zijn niet allemaal gesloten. De architectuur van de blokken kenmerkt zich door een sterke repetitie in de gevel. De balkons zijn op veel plekken in tweetallen geschakeld, waardoor er een horizontaliteit in de gevel ontstaat. Ook daarin wijken deze bouwblokken af van de 19de eeuwse bouwblokken, die een verticale beweging hebben. 3.6.3

Woongebieden na 1985

Woongebieden na 1985 is een aanduiding voor wijken en buurten, die vaak als een ensemble zijn ontworpen met een eigen architectuur en veelal een zorgvuldig geregisseerde openbare ruimte. De bebouwing van deze gebieden bestaat voor het overgrote deel uit eengezinswoningen met op een aantal gezichtsbepalende plekken en langs randen hogere bebouwing. De waarde van de Woongebieden na 1985 ligt in hun identiteit zoals die tot uitdrukking komt in de samenhang tussen stedenbouwkundige opzet en architectonische uitwerking. De buurten zijn aantrekkelijk als overzichtlijk woongebied met een vaak groen karakter of nadrukkelijk gebruik van waterpartijen. Niet in het algemeen is te zeggen dat voor elk woongebied na 1985 wel of geen bijzondere cultuurhistorische waarden bestaan, voor wat betreft de (binnen)tuinen. Daarom zoomen we in op de gebieden die in het plangebied zijn aangewezen als woongebieden na 1985. GWL terrein Op het GWL terrein was oorspronkelijk onder andere een complex van de Gemeentelijke Waterleidingen gesitueerd. Halverwege de jaren tachtig waren de voorzieningen op het terrein verouderd en was nieuwbouw noodzakelijk. Een ontwerpwedstrijd werd uitgeschreven. Voor het winnende plan zijn de reservoirs gesloopt, maar bleef een groot deel van de oorspronkelijke bebouwing bewaard. Het ontwerp

Gemeente Amsterdam

blz. 36

voor de woonwijk bestaat voornamelijk uit korte, middelhoge woonblokken die in het groen zijn gelegen. De nieuwbouw is voornamelijk in de plaats van de waterreservoirs gekomen, maar langs de west- en noordrand van het terrein staat een tweetal langwerpige flatgebouwen om de vereiste woningdichtheid te kunnen behalen. Het blok aan de noordrand fungeert ook als geluidsbuffer voor de Haarlemmerweg en de rest van de woonwijk, maar het zicht op het terrein vanaf de Haarlemmerweg is hiermee volledig verdwenen. Het terrein wordt geleed door middel van enkele oost-west gelegen voetpaden die doorkruist worden door diagonale paden in noord-zuidrichting. Een deel van de woningen is voorzien van een privétuin. Voor het deel van de bewoners dat niet over een eigen tuin beschikt, zijn er nutstuinen aangelegd in de wijk. De privé en collectieve tuinen zijn zeer bepalend voor de stedenbouwkundige opzet, het wijkbeeld en de beleving van de openbare ruimte. Om zoveel mogelijk openbare ruimte te creëren is de wijk niet voor autoverkeer toegankelijk en zijn er alleen langs de randen enkele parkeerplaatsen aangelegd. De privétuinen zijn naar de openbare weg gekeerd en daardoor vol in het zicht. Ze verdienen daarom bescherming. Kostverlorenstrook De Kostverlorenstrook wordt aangewezen als Thematisch woongebied, binnen de aanduiding 'Woongebieden na 1985'.

Er zijn in dit gebied zeer diverse projecten uitgevoerd. Bij enkelen hiervan is de relatie met de openbare ruimte een belangrijk karakteristiek . Het gaat om Meander (3): Witteneiland (nr. 4), Porschestrip (nr 5) en GDH/Werfterrein (nr. 7). W Meander: De vorm van het complex is zo ontworpen zorgt voor een nauwe relatie met de openbare ruimte. Het project is zo ontworpen dat aan de kant van de Kostverlorenvaart een autovrij en introvert binnenterrein is gelegen. Aan de andere kant heeft ieder appartement uitzicht op de binnentuin. Er profiteren veel burgers van het uitzicht op de binnentuin want het complex heeft een hoge woondichtheid. Project Witteneiland. Het groen van de drie torens loopt naadloos door in dat van de open ruimte. De tuinen grenzen aan openbaar terrein en zijn daarom vol in het zicht. Porchestrip: Het gebouw wordt omringt door openbaar groen. Het openbaar groen sluit aan op de tuinen die horen bij het ten zuiden gelegen complex. De overgang van privé naar openbaar is zorgvuldig ingericht. GDH/Werfterrein: Er is een sterke relatie met de openbare ruimte gecreëerd waarin privétuinen doorlopen naar openbaar groen. De stroken bebouwing zijn bovendien zo gebogen dat er doorzichten zijn naar het water.

bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)

blz. 37

3.7

Belang van groen in de 21ste eeuw

Het denken over groen gaat nog veel verder terug in de tijd: van Socrates tot Thomas Moore, van de tuinen van Eden tot de Westelijke Tuinsteden. Ook nu wordt nog belangrijke waarde toegekend aan groen. Filosofische, sociaal-maatschappelijke, natuur-, culturele, economische, ecologische, klimatologische, duurzaamheids-, educatieve, psychologische en gezondheidsonderzoeken tonen keer op keer aan dat groen onmisbaar is voor de mens. Dit vertaalt zich in verschillende waarden die in de loop der tijd aan groen zijn toegekend. Groen is in feite 'ruimte', namelijk onbebouwde grond die gelegenheid biedt voor privacy, uitzicht, bezinning, ont- en inspanning, frisse lucht en de toetreding van zonlicht. Het spreekt bijna voor zich: een stad zonder onbebouwde ruimte en groen, is geen fijne stad om in te leven. De stedenbouwkundige opzet van Westerpark Zuid met overwegend gesloten bouwblokken brengt met zich mee dat veel groen zich aan het oog onttrekt. Het aantal parken en pleinen in Westerpark Zuid is beperkt en de inrichting van straten gaat vooral uit van verkeer en niet van verblijf. De mogelijkheden voor verblijf zijn beperkt. Dit betekent dat de niet bebouwde ruimte binnen een bouwblok extra belangrijk is voor de kwaliteit van het wonen. Momenteel zijn de bouwblokken in het stadsdeel al behoorlijk verdicht door de vele aan- en uitbouwen op het achtererf.

Daardoor wordt afbreuk gedaan aan de originele opzet maar ook aan de principes die hieraan ten grondslag lagen. Groen in de stad levert een essentiële bijdrage aan de gezondheid en het sociale welzijn van Amsterdammers. Groen heeft daarom een centrale rol in het beleid van de gemeente Amsterdam. In de Groenvisie, een leefbare stad voor mens en dier 2020 - 2050 schetsen we een beeld van Amsterdam als groene stad en hoe we tussen nu en 2050 Amsterdam verder gaan vergroenen. "We leggen nieuw groen

Gemeente Amsterdam

blz. 38

aan op daken en gevels, langs straten, op pleinen, en maken nieuwe stadsparken en een stadsbos. We zorgen ervoor dat het bestaande groen aantrekkelijker wordt voor meer mensen en dieren, door daar de waarde voor natuur, gezondheid, sociaal welzijn en klimaatadaptatie te vergroten. Dat doen we door in binnentuinen tegels weg te halen, door in stadsparken het eigen karakter te versterken, door groene gebieden zoals volkstuinparken toegankelijker te maken, en door landschapsparken te ontwikkelen in het landschap direct om de stad." Structuurvisie Amsterdam 2040 Het belang van publiek en particulier groen wordt onderstreept in de Structuurvisie Amsterdam 2040 in de volgende passages. Amsterdammers vinden water en groen zo belangrijk omdat het op allerlei niveaus de kwaliteit van het stedelijke leven verbetert. Er is een directe, positieve relatie tussen het groen in de straat en de gezondheid van de bewoners van die straat. Het straatgroen is belangrijk voor het psychologisch welbevinden en nodigt uit tot bewegen Waterberging is voor Amsterdam een steeds groter probleem omdat er meer verhard oppervlak komt en de piekbelastingen door stortbuien groter worden. Onverharde grond vangt water op, houdt het vast en voert het langzaam af naar het grondwater, zodat het rioolstelsel niet wordt belast. Bomen en struiken verdampen veel water.

Ze verminderen ook de concentraties van NO2, CO2 en fijnstof in de lucht en dragen daardoor bij aan een betere luchtkwaliteit. Bomen, grasvelden en parken, fonteinen en waterpleinen zorgen voor demping van de zomerhitte en bevochtiging van de lucht, waardoor het stadsklimaat aangenamer wordt. Voor het behoud van de biodiversiteit tenslotte spelen steden wereldwijd een steeds belangrijker rol. In Amsterdam vinden we onder andere 140 soorten broedvogels en 30 soorten zoogdieren. Een groot deel van die soorten is afhankelijk van het groen en het water in en om de stad. Wat de overige functies van het groen voor de stad betreft is vooral inzet gewenst in het stedelijke gebied zelf. Hoe dichter de bebouwing, hoe meer behoefte er is aan de waterbergende, luchtzuiverende en warmtedempende functies van het groen. Juist in het hoogstedelijke gebied is veel inventiviteit nodig om voor voldoende groen van goede kwaliteit te zorgen. Daarbij kunnen naast het maaiveld ook de gevels en de daken worden benut. Agenda Groen (2016) Amsterdam groeit en vernieuwt zich elke dag. Veranderende leefgewoonten van Amsterdammers, de groei van de stad en de grote aantallen bezoekers vragen om een andere omgang met het groen in de stad.

Het vele groen dat er al in Amsterdam is, krijgt er nieuwe functies bij om het vestigingsklimaat, de toenemende drukte en de effecten van klimaatverandering te faciliteren, terwijl bestaande functies zoals biodiversiteit, recreatie en ondersteuning van de gezondheid moeten worden versterkt. Met de Agenda Groen wordt gestimuleerd om overal in Amsterdam de mogelijkheden te benutten om tijdelijk of permanent groen in de buurt toe te voegen of op te knappen, Het gaat daarbij om geveltuinen, (binnen)tuinen, groene muren, groene boomspiegels, speelplekken, bomen in de straat en postzegelparken. Groenvisie 2020-2050 Amsterdam wil een groene stad zijn, voor nu en voor de generaties na ons. Een leefbare stad voor mens en dier, waar gezondheid, natuur, klimaatadaptatie en sociaal welzijn voorop staan. Groen zorgt ervoor

bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)

blz. 39

dat Amsterdam nog meer een fijne plek wordt én blijft voor mensen en dieren. Om dit te bereiken heeft de gemeente Amsterdam de ‘Groenvisie 2050’ gemaakt. In de concept-Groenvisie wordt een beeld van Amsterdam geschetst als groene stad en hoe Amsterdam tussen nu en 2050 verder vergroend kan worden. Hieronder worden enkele ambities uit de Groenvisie weergegeven. Groen is belangrijk voor een fijne en gezonde leefomgeving en is hard nodig om de stad te beschermen tegen droogte, hitte en extreme regenval. Groen is voor Amsterdam van levensbelang. In een groeiende stad waar er steeds meer vraag is naar woonruimte en de openbare ruimte onze achtertuin is, is er daarom aandacht nodig voor aanleg, behoud en beheer van groen, zodat iedereen daarvan kan blijven genieten. We geven aan wat we daarvoor gaan doen in de hele stad, en voor welk type groen. We leggen nieuw groen aan op daken en gevels, langs straten, op pleinen, en maken nieuwe stadsparken en een stadsbos. We zorgen ervoor dat het bestaande groen aantrekkelijker wordt voor meer mensen en dieren, door daar de waarde voor natuur, gezondheid, sociaal welzijn en klimaatadaptatie te vergroten.

Dat doen we door in binnentuinen tegels weg te halen, door in stadsparken het eigen karakter te versterken, door groene gebieden zoals volkstuinparken toegankelijker te maken, en door landschapsparken te ontwikkelen in het landschap direct om de stad. Bewoners, bedrijven en organisaties worden aangemoedigd om (binnen)tuinen, gevels en daken groener te maken en ecologisch te beheren.Een robuuste groene structuur heeft veel waarde voor mens en dier. Ze bestaat uit verschillende groene elementen: Een groen gebouw (door groene gevel, groen dak en/of (binnen)tuin).Buurtgroen (in straten, op pleinen, langs het water, in buurtparkjes). Parkgebieden (onder andere stads-parken, sportparken, volkstuinparken). Het landschap aan de rand van de stad. Groen en groen-blauwe verbindingen, zoals groene straten, oevers en (wandel- en fiets)routes die tussen de groene elementen de verbindingen vormen Nieuwe natuur in de stad heeft vaak weinig ruimte nodig. Langs kades, straten, op pleinen, in parken, aan gebouwen en in tuinen, overal liggen kansen voor meer natuur. Bijna de helft van de stad bestaat uit gebouwen, tuinen en bedrijventerreinen. Nu we meer verdichten wordt die ruimte steeds belangrijker. We zien kansen om die groener te maken. In 2050 zijn (binnen)tuinen groen en zo ingericht dat ze een paradijs vormen voor bijen en vlinders.

Gebouwen hebben daken met planten, geveltuinen, groene gevels met klimplanten en zijn aantrekkelijk voor insecten, vleermuizen en vogels. Het groen op kavels en gebouwen draagt bij aan een verlaging van de temperatuur in de stad op hete dagen en zorgt dat het riool minder belast wordt tijdens hoosbuien. Vooral op plekken in de stad die erg versteend zijn en waar weinig schaduw is, stimuleren we om gevels, daken en tuinen groener te maken. Zo kan op natuurlijke wijze voor verkoeling worden gezorgd. In de binnentuinen, voortuinen en geveltuinen kan het regenwater worden opgevangen en gebruikt bij het tuinieren. We zorgen voor meer samenwerking tussen tuingebruikers en eigenaren van binnentuinen. Dat biedt de kans om meer binnentuinen klimaatbestendig en groen te maken.

Gemeente Amsterdam

blz. 40

3.8

Volksgezondheid

De GGD is gevraagd advies te geven op de relatie tussen bebouwing op binnenterreinen en de volksgezondheid, zie Advies GGD. Daarnaast zijn de bevindingen uit een onderzoek door de Hogeschool van Amsterdam (HvA) betrokken. Onderzocht is hoe gemeenten inzicht kunnen krijgen in de vragen wat hun hitteopgave is en welke maatregelen effectief zijn om de stad hittebestendig te maken, zie HvA Hittebestendige stad. De GGD stelt dat de binnentuinen in Westerpark Zuid van groot belang zijn voor een prettig leefklimaat en de gezondheid en het welzijn van de bewoners. Dit geldt voor de bewoners met een tuin, maar ook voor de bewoners die op de eerste verdieping of hoger wonen. De binnentuinen bieden rust en ruimte. In Westerpark Zuid , waar aan de voorzijde van de (woon)bebouwing de drukte van de stad duidelijk aanwezig is en de mogelijkheden tot recreëren in een rustige omgeving zich op enige afstand van de woning bevinden, dient de rust aan achterzijde van de woning als compensatie. Op het moment dat de tuinen bebouwd worden, gaat dit ten koste van de ruimtelijke beleving van de binnentuin. Dit geldt voornamelijk voor de bewoners op hogere verdiepingen. Zij hebben immers niet de baten die de ondernemers en bewoners op de begane grond wel hebben van de tuinbebouwing. 3.8.1

Hitte

Een thema dat zich steeds meer manifesteert in de stad is hitteproblematiek. Hoge temperaturen kunnen leiden tot hittestress. Hittestress vormt een bedreiging voor de gezondheid. Het kan leiden tot verminderd thermisch comfort, slaapverstoring, gedragsverandering (grotere agressie) en verminderde arbeidsproductiviteit. Hittestress kan ook tot zwaardere aan hitte gerelateerde ziekten leiden zoals: huiduitslag, huiduitslag, krampen, oververmoeidheid, beroertes, nierfalen en ademhalingsproblemen, met mogelijk levensbedreigende gevolgen. Hittestress zorgt voor een groeiend aantal zieken, ziekenhuisopnamen en sterfgevallen; arbeidsprestaties nemen af en het arbeidsverzuim neemt toe. In Nederland stijgt tijdens hittegolven de sterfte met 12% (ongeveer 40 doden per dag extra), zie: https://www.tno.nl/media/3959/factsheet-hittestress.pdf en https://www.quickscangezondeleefomgeving.nl/wp-content/uploads/2018/02/GGW-Factsheet-Hitte-v2.0. pdf. Hittestress komt met name voor bij ouderen, baby's, mensen met chronische aandoeningen, personen die bepaalde medicijnen gebruiken en mensen met een lage sociaal economische status omdat zij vaak al een hoge ziektelast (of zwakkere gezondheid) hebben. Vergrijzing en het gegeven dat ouderen steeds langer thuis blijven wonen zal in de komende decennia leiden tot een grotere groep kwetsbaren. (Zie: De Meer G et al, GGD-richtlijn medische milieukunde.

Gezondheidsrisico's van zomerse omstandigheden, RIVM 2012, https://www.rivm.nl/hitte ). Problemen met hitte in het stedelijk gebied worden verergerd door klimaatopwarming, waardoor we steeds vaker te maken hebben hoge luchttemperaturen: hete dagen en hete nachten. Metropoolregio Amsterdam heeft onderzoek naar de verwachte klimaatverandering in Amsterdam gedaan. Het aantal zomerse dagen (en nachten) zal rond 2085 in Amsterdam zijn opgelopen van 20 naar ongeveer 40. Dit betekent dat de kans op een hittegolf steeds groter wordt. Wanneer de zomers warmer worden, zullen meer mensen een airco aanschaffen. Airco's zijn slecht voor het milieu: ze kosten veel energie en dragen bij aan het broeikaseffect. De aanschaf van airco's kan dus op zijn beurt de klimaatverandering versnellen en/of verergeren. De gebouwde omgeving en de inrichting van de stad kunnen ervoor zorgen dat de gevoelstemperatuur op bepaalde locaties onaangenaam hoog wordt. Dit wordt het stedelijk hitte eiland effect genoemd. De hitte wordt op twee manieren versterkt. Dit wordt verder toegelicht in het onderzoek van de HvA, zie Bijlage 9:

bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)

blz. 41

1. Vooral in de avond en 's nachts zorgt het hitte-eilandeffect ervoor dat de luchttemperatuur in de stad een paar graden warmer is dan de omgeving (Steeneveld et al., 2011; Brandsma en Wolters, 2012). Het effect neemt toe als gevolg van stadsuitbreiding en -inbreiding. 2. Met name overdag kan de gevoelstemperatuur op bepaalde locaties in de stad onaangenaam hoog worden. Dat komt vooral doordat daar geen schaduw van bomen is of doordat bepaalde materialen veel warmte uitstralen, zoals asfalt en baksteen en de reflectie van zonnestraling door ramen en glazen gevels of zeer lichtgekleurde oppervlakken. Verschillen in de gevoelstemperatuur tussen verschillende plekken in de stad kunnen hierdoor oplopen tot 22°C (Klok et al., 2019). De grootte van dit stedelijk hitte-eiland effect hangt sterk af van de dichtheid en hoogte van de bebouwing en van de hoeveelheid groen. Donkere oppervlaktes absorberen de hitte namelijk meer dan witte of groene oppervlaktes. Dit speelt des te meer nu de temperaturen door klimaatverandering stijgen. Cijfers laten zien dat in de afgelopen 70 jaar het aantal zomerse dagen in Amsterdam verdubbeld is. Er is een duidelijke stijgende trend. In versteende gebieden zoals Westerpark Zuid zijn de effecten groter dan in meer groene gebieden binnen en buiten de stad.

Westerpark Zuid is binnen Amsterdam een versteend gebied met relatief weinig groen.Het is belangrijk dat men rekening houdt met hitteproblematiek en inspeelt op de te verwachten ontwikkelingen.

Afbeelding: kaart hittestress (Bron: Atlas Natuurlijk Kapitaal) Deze kaart geeft het stedelijk hitte-eiland effect (UHI) weer in °C. Dit is het gemiddelde luchttemperatuursverschil tussen de stedelijke en omliggende landelijke gebieden. Het stedelijk hitte-eiland effect is het sterkst 's nachts. Het zorgt ervoor dat de luchttemperatuur 's nachts niet daalt waardoor gevoelige bevolkingsgroepen (baby's, kinderen, ouderen) gezondheidseffecten ondervinden. De waarden op de kaart zijn jaargemiddelden. Het temperatuurverschil tussen stad en omringend gebied blijft daardoor onder de 3 graden. Op hete zomerdagen kan het verschil echter beduidend verder oplopen dan de waarden in de kaart, zeker tijdens de avonden als het platteland sneller afkoelt dan de stad. Mogelijke maatregelen tegen hittestress In het onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam, zie Bijlage 9, zijn maatregelen in kaart gebracht om de stad hittebestendig te maken. Inrichtingsmaatregelen voor een hittebestendige stad zijn onder te

Gemeente Amsterdam

blz. 42

verdelen in 1. maatregelen die stadsbreed zorgen voor een verlaging in de luchttemperatuur 2. maatregelen die lokaal de gevoelstemperatuur verlagen, waarmee op straat- of buurtschaal koele plekken kunnen worden gecreëerd. Bijna alle maatregelen zijn gebaseerd op vier verkoelende principes: verdamping, beschaduwing, reflectie en ventilatie, die ieder op een eigen manier zijn gekoppeld aan de stedelijke energiebalans en de energiebalans van het lichaam, die de uiteindelijke lucht- en gevoelstemperatuur bepalen. Onderzoek op basis van metingen in Nederland heeft uitgewezen dat een toename van de fractie groen op wijk- of stadsschaal met 10 procentpunten tot een verkoeling van ongeveer 0,5°C leidt. Toename van verdamping door het aanleggen van zoveel mogelijk groene en blauwe oppervlakken is op stadsschaal de effectiefste manier om de luchttemperatuur naar beneden te krijgen. Hoe meer vegetatie en water er is, hoe meer energie er van het invallende zonlicht wordt gebruikt voor verdamping en hoe minder energie er overblijft om de stad en de lucht op te warmen. Op basis van metingen in Nederland (Steeneveld et al., 2011; Heusinkveld et al., 2014; Van Hove et al., 2015) wordt voor Nederlandse steden gesteld dat een toename van de fractie groen op wijk- of stadsschaal met 10 procentpunten zal leiden tot een verkoeling van ongeveer 0,5°C.

Ook reflectie van zonnestraling terug de atmosfeer in door het gebruik van witte daken, andere reflecterende stedelijke materialen zorgen ervoor dat er minder energie beschikbaar is om de lucht op te warmen, waardoor de luchttemperatuur stadsbreed omlaag gaat. Een verlaging van de luchttemperatuur met 1°C (door 20 procentpunt meer groen) is overigens niet veel als het meer dan 30°C is. Om hitteproblemen overdag te beperken dient men de gevoelstemperatuur te beperken. Van alle verkoelende principes hebben schaduw en wind het sterkste effect op de gevoelstemperatuur en kunnen er met schaduw en ruimte voor wind lokaal koele plekken worden gecreëerd. Schaduw zorgt ervoor dat ons lichaam minder wordt opgewarmd en wind bevordert de warmteuitwisseling tussen lichaam en omgeving, waardoor de gevoelstemperatuur lager blijft. Van de genoemde principes is schaduw het effectiefste manier om de gevolgen van hitte tegen te gaan en lokaal koelteplekken te creëren. Dat kan met bomen. Bomen zorgen lokaal voor schaduw en verdampen daarnaast aanzienlijke hoeveelheden water – tot wel 170 liter per dag (Waternet, 2019). De sterkste verkoeling wordt in het onderzoek van de Hogeschool van Amsteram waargenomen bij de schaduw van een boom die ook nog de gevel beschaduwt.

Op plaatsen waar de ruimte te klein is om bomen te planten, worden andere schaduwbiedende voorzieningen, zoals pergola's, parasols of doeken. Hoewel laag groen in de straat weinig effect heeft op de gevoelstemperatuur kan het toch sterk bijdragen aan het aangenamer en aantrekkelijker maken van een straat. Maar ook vegetatie die niet veel schaduw geeft, kan effectief zijn. Heesters en kleine bomen en groene gevels zijn vooral effectief omdat ze de oppervlaktetemperaturen van gevels verkoelen; tot 15,5°C aan de buitenmuur en 1,7°C aan de binnenmuur (Hoelscher et al., 2016). Koelere gevels stralen minder warmte uit en dragen meer bij aan een comfortabele omgeving. Deze maatregelen kunnen ook worden gebruikt in andere wijktypen met smalle straten en weinig vegetatie, bijvoorbeeld in winkelstraten. Zoals groene gevels de buitenmuur kunnen koelen, kan gras de oppervlaktetemperatuur verminderen. Vergeleken met betonnen bestrating kan de oppervlaktetemperatuur van gras 24°C lager zijn (Armson et al., 2012). Het onderzoek van de HvA laat zien dat het gazon ook de gevoelstemperatuur beïnvloedt. Groene daken kunnen helpen het hitte-eilandeffect te verminderen en zomerse luchttemperaturen direct boven het dak te verlagen. Het effect van individuele en enkele groendaken wordt meestal niet waargenomen op straatniveau. Verschillende modelstudies hebben echter aangetoond dat als elk

bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)

blz. 43

gebouw in de stad zou worden bedekt met een groendak, het verkoelend effect op straatniveau maximaal 4 ° C zou zijn De bevindingen uit het onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam komen overeen met het advies van de GGD, zie Advies GGD. Daarin wordt gesteld dat de temperatuur in de stad onder meer kan worden verlaagd door meer groen en minder bestrating of bebouwing. Groen kan voor schaduw zorgen en door verdamping vindt verkoeling plaats. Op een hete zomerse dag kan het wel 10 tot 15 graden koeler zijn onder een boom dan in de zon. Een afname van het groen door verdere bebouwing in binnentuinen toe te staan, kan in het al erg versteende Westerpark Zuid leiden tot meer hittestress. Verdere verdichting en verharding van de binnentuinen is vanuit gezondheidsoogpunt niet wenselijk. 3.8.2

Beleving van de drukke stad

In een drukke, compacte stad als Amsterdam is geluidsoverlast nooit geheel te vermijden. Geluid hoort bij een levendige, bruisende stad, maar te veel geluid kan leiden tot hinder en slaapverstoring, stress en vermoeidheid. De gemeente Amsterdam is met 5.277 personen per vierkante meter, na de gemeente Den Haag de meest dichtbevolkte gemeente. Er gebeurt ontzettend veel. In Stad in Balans 2018-2022 wordt de beleidsambitie om te komen tot een nieuw evenwicht tussen bewoners enerzijds en bezoekers anderzijds uitgewerkt. Het is belangrijk om de leefbaarheid voor bewoners weer voorop te zetten. Uit onderzoek blijkt: Geluidsbelaste locaties veroorzaken meer hinder als ze ook een druk aanzicht hebben. Analoog hieraan neemt de hinder af als het aanzicht aangenaam is. Westerpark Zuid is een drukke omgeving. Haarlemmerweg, Frederik Hendrikstraat en Jan van Galenstraat zijn enkele van de verkeersroutes die een geluidsbelasting van meer dan 70 dB bereiken. Lawaai is schadelijk voor de gezondheid. De langdurige blootstelling aan lawaai kan uiteenlopende gezondheidseffecten hebben, zoals geprikkeldheid, slaapstoornissen, negatieve gevolgen voor het hart- en bloedvatenstelsel of de stofwisseling en cognitieve functiestoornissen bij kinderen. Om deze reden bestaat er wet en regelgeving om geluidsgevoelige gebouwen te beschermen tegen geluidsoverlast. Het gaat dan om o.a.

woningen, scholen en ziekenhuizen. Lawaai is schadelijk voor de gezondheid, terwijl stille plekken in de stad juist kunnen compenseren voor de drukte van de stad, bijdragen aan herstel en 'op adem komen' (Stille gebieden in de stad, De stad is stiller dan je denkt, Ministerie van VROM, 2009). Het belang van een stille ruimte in combinatie met een aangenaam, rustig aangezicht, wordt ook in de literatuur in de gezondheidswetenschappen bevestigd (zie "The acoustic and visual factors influencing the construction of tranquil space in urban and rural environments tranquil spaces-quiet places?; Pheasant e.a., 2007). Er is onderzoek dat uitwijst dat uitzicht op een groene tuin goed is voor de gezondheid. In het artikel “Groen: goed voor de gezondheid” van de Universiteit van Wageningen staat dat de relatie tussen groen en gezondheid al in de jaren 80 werd onderzocht. De resultaten waren zo opmerkelijk dat toptijdschrift Science (1984) er plaats voor inruimde. Roger S. Ulrich liet zien dat patiënten die na een galblaasoperatie uitzicht hadden op groene bomen sneller herstelden dan zij die op een stenen muur uitkeken. Deze studie was het startschot voor vele onderzoeken naar de helende werking van de natuur. Ook Nederlands onderzoek wijst uit: wie in een groene woonomgeving leeft, voelt zich vaker gezonder en is minder vaak ziek.

Groen vermindert stress, bijvoorbeeld doordat van alleen al het zien van natuur een rustgevend effect uitgaat. Een groene en stille omgeving is essentieel voor het goed kunnen rusten en ontspannen, zie het onderzoek "Quiet Areas and the Need for Quietness in Amsterdam" (H. Booi en F. van den Berg, 2012). Onderzoeker Jan Hassink schrijft in het artikel 'Groen: goed voor de gezondheid' voor de Universiteit van Wageningen: 'Voor kwetsbare groepen, zoals ouderen en mensen met een lage sociaaleconomische status, is het gebruik van groen belangrijk. Het verbetert hun gezondheid en welzijn. Toegang tot groen

Gemeente Amsterdam

blz. 44

kan bijdragen aan het verkleinen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen. Dat zijn verschillen in gezondheid en sterfte tussen mensen met een hoge en mensen met een lagere (sociaaleconomische) positie in de maatschappij. Maar deze laatste groep heeft vaak minder groen in de woonomgeving. En de kwaliteit en het onderhoudsniveau van het groen dat er is, is vaak lager, waardoor het effect van groen dat waarschijnlijk ook minder is. Daarbovenop komt dat deze groep ook een kleinere actieradius heeft en bijvoorbeeld minder vaak naar een verder weg gelegen bos gaat.' Doordat de tuinen in Westerpark Zuid in hoog tempo verstenen, lijkt de conclusie dat men niet zoveel waarde hecht aan een groen uitzicht. Een tuin vol stenen lijkt geliefd. De cijfers wijzen echter anders uit. Juist voor een woning met een groene tuin is men bereid om extra te betalen. Groen in de directe omgeving verhoogt de woningwaarde met 4% tot 15%. Dit is o.a. te lezen in de Handleiding De Levende Tuin van Branchevereniging VHG. Groen vertegenwoordigt dus ook een bepaalde emotionele en esthetische waarde. Om de stille beleving van de binnentuinen kracht bij te zetten en daarmee het verblijfsklimaat aangenaam te houden, is een verregaande (visuele) verdichting van de binnentuinen niet wenselijk.

De geluiden in de binnentuinen zijn hoofdzakelijk geluiden die door mensen, dieren en weersomstandigheden worden voortgebracht, mede dankzij het jarenlange verbod op een bedrijfsmatig gebruik van de tuin. Deze "natuurlijke" geluiden worden over het algemeen als prettig en niet storend ervaren.

3.9

Overlast door hemelwater

Amsterdam Rainproof is een initiatief om samen met bewoners, bedrijven, kennisinstellingen en overheid de stad bestand te maken tegen hoosbuien. Door het vergroten van de sponswerking van de grond, wordt het regenwater vertraagd afgevoerd en neemt het risico op schade aan panden en infrastructuur af. Amsterdam Rainproof heeft bekeken waar de stad kwetsbaar is voor extreme neerslag. In het model is een fictieve bui van 100mm/uur gesimuleerd. Het simuleert waar regenwater op straat blijft staan. Op een andere kaart is te zien bij welke panden het regenwater tegen de gevels staat. Uit de berekeningen wordt duidelijk dat een extreme bui zowel op particulier als op openbaar terrein voor overlast kan zorgen en mogelijk tot schade kan leiden. In het plangebied is een groot aantal panden met kans op schade. Er verzamelt zich veel regenwater in binnentuinen. Een groot aantal binnentuinen heeft zelfs kans op een regenwateraccumulatie van 20 tot 50 cm. Gezien de hoge mate van verharding, is de gevoeligheid van deze delen van stadsdeel West voor extreme neerslag goed verklaarbaar. Door klimaatverandering zullen er vaker extreme buien plaatsvinden. Als het regenwater niet voldoende vertraagd kan worden afgevoerd, is er vaker kans op schade. Voor het verbeteren van de regenbestendigheid zijn verschillende maatregelen mogelijk die effectief kunnen zijn.

Als neerslag op onverharde ondergrond valt, kan het direct infiltreren in de grond en hoeft deze niet via het riool afgevoerd te worden. Hoe minder verharding en hoe meer onverharde ondergrond betekent dus hoe meer neerslag direct kan infiltreren. Hiermee wordt de infiltratiecapaciteit van de tuin of het binnenterrein vergroot. Dit helpt wateroverlast te beperken bij de heftige piekbuien die in de toekomst steeds meer zullen voorkomen. Omgekeerd, hoe meer verharding hoe meer het riool wordt belast. In het algemeen zijn binnentuinen met een goede verhouding tussen groen en verharding niet aangesloten op het rioolstelsel. Naarmate de verharding toeneemt is er minder ruimte voor het regenwater en neemt de kans op overlast toe. Door uitbouwen neemt het groen oppervlak in de binnentuinen vaak af. Dit omdat men het vaak wel fijn vindt om een terras van gelijk formaat in de tuin te behouden. De uitbouw duwt het groen de tuin uit. Het uitbouwen van woningen gaat dus rechtstreeks ten koste van het waterbergend vermogen van zowel de onder- als bovengrond van de binnentuinen. Het niet bebouwde oppervlak en het groen neemt af, terwijl de afvoer van regenwater vanaf het extra bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)

blz. 45

dakoppervlak juist toeneemt. Conclusie Gezien de al slechte situatie in delen van het plangebied ten aanzien van de gevoeligheid voor extreme neerslag, de verslechtering van deze situatie door de bijkomende verharding ten gevolge van uitbouwen en omdat de perceeleigenaar de zorgplicht heeft om hemelwater op eigen terrein te verwerken, is uitbouwen niet aan te bevelen. Als er wel wordt uitgebouwd, dan wordt geadviseerd zorg te dragen voor compenserende maatregelen voor het verwerken van hemelwater op eigen terrein. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een groen dak. Tegenwoordig bestaat er ook doorlatende of waterpasserende verharding. Dat wil zeggen dat deze klinkers/tegels met open voeg zo zijn gemaakt dat er genoeg ruimte beschikbaar is waar het water direct de grond in kan zakken. Het hoeft dan niet via het riool afgevoerd te worden en het grondwater wordt vanzelf aangevuld.

3.10

Ecologie en biodiversiteit

Afname van biodiversiteit Zowel in Nederland, in Europa als wereldwijd is veel oorspronkelijke natuur verloren gegaan. De populatieomvang van inheemse soorten is gedaald. Sommige soorten zijn zelfs helemaal verdwenen. In Nederland is het verlies aan oppervlakte en kwaliteit van oorspronkelijke natuur aanzienlijk groter geweest dan gemiddeld in Europa of de wereld. De laatste decennia lijkt deze afname in Europa te vertragen en in Nederland tot stilstand gekomen te zijn. Dat neemt niet weg dat in Nederland de biodiversiteit van ruim 40% in 1900 tot ongeveer 15% in 2000 is gedaald. Biodiversiteit wordt gemeten in Mean Species Abundance (MSA). Een MSA van 15% betekent dat de populaties van inheemse planten- en diersoorten gemiddeld een omvang hebben van 15% van de natuurlijke situatie. De MSA geeft dus weer hoeveel oorspronkelijke biodiversiteit nog over is. In vergelijking tot Europa en de rest van de wereld heeft Nederland aanzienlijk minder biodiversiteit over.

Gemeente Amsterdam

blz. 46

Het CBS houdt objectieve cijfers bij, in samenwerking met de rijksoverheid in "Compendium voor de Leefomgeving". Bovenstaande cijfers komen uit het artikel Verlies natuurlijkheid in Nederland, Europa en de wereld. Nederland is een van de dichtstbevolkte landen ter wereld en het grootste deel van het landoppervlak is zeer productieve landbouwgrond. Allerlei maatregelen om de landbouwproductie te verhogen, zoals de ontwatering van natte gebieden en het gebruik van kunstmest, maar ook verstedelijking, vervuiling en overbevissing hebben afgelopen eeuw geleid tot een achteruitgang van biodiversiteit. Biodiversiteit is belangrijk omdat alle flora en fauna samen onderdeel uitmaken van een systeem. De voedselketen begint in de bodem waar bodemleven (schimmels/ongewervelden/ insecten) een voedselbron vormt voor planten, insecten en hogere levensvormen als vogels en zoogdieren. Biodiversiteit begint dus bij een vitaal bodemleven. Het bodemleven is een essentiële basis voor een groot aantal vitale bodemfuncties en speelt een fundamentele rol in het natuurlijke bodem-watersysteem. Als een onderdeel uit de keten wegvalt kan dat grote gevolgen hebben. Bijvoorbeeld, als de bij uitsterft, wordt het grootste gedeelte van onze gewassen niet meer bestuift. Dit zorgt ervoor dat niet alleen onze voedselvoorziening, maar ook die van andere dieren in gevaar komt.

Waar is een grote diversiteit aan soorten te vinden? In 'Natuurwaarden in kaart 2016' worden de volgende aspecten genoemd: Structuurrijkdom (landschappelijke heterogeniteit) Een gebied met hectaren van allemaal dezelfde monoculturen is funest voor de variatie aan dieren- en plantenleven. Slechts weinig dieren gedijen wel op een dieet wat bestaat uit één soort planten. In landbouwgebied zijn daarom weinig verschillende soorten te vinden. Gebruiksdruk: Een groengebied dat vaak gebruikt wordt, heeft een lagere biodiversiteit dan een gebied dat wat vaker met rust wordt gelaten. Een sportveld of een park waarin regelmatig evenementen worden gehouden, is voor veel organismen niet aantrekkelijk.

bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)

blz. 47

Het gevoerde agrarische beheer: In groengebieden waar traditioneel beheer wordt toegepast, worden relatief lage soortenaantallen aangetroffen. Hier wordt regelmatig onkruid verwijderd en de toplaag, waarin het meeste bodemleven zich bevindt, wordt meerdere keren per jaar verstoord. Een gebied waarin de natuur zoveel mogelijk haar eigen gang kan gaan, heeft meer potentie. De structuur van het landschap: Ruige gebieden laten meer biodiversiteit zien dan gebieden die meer zijn gestructureerd opgezet. Waar in een stadsbos uit de jaren zestig, zeventig en tachtig heel overzichtelijk bestaat uit bomen, paadjes en bankjes - zijn in een stuk struinnatuur open velden, waterpartijen en ruige bossen te vinden. Oppervlakte en isolatie van de gebieden: Een klein stuk groen dat ver van ander groen is afgelegen heeft minder potentie dan een groter gebied, of een gebied dat in verbinding staat met andere gebieden. De stad biedt kansen voor biodiversiteit Het behouden van een grote diversiteit aan flora en fauna is niet alleen een taak voor gebieden buiten de stad. Juist de stad kan hierin een belangrijke rol betekenen. De ecologie kent de term 'refugium'. Dit is een toevluchtsoord voor bepaalde soorten planten en dieren. Als bepaalde omgevingen voor soorten onleefbaar worden, verplaatsen zij naar een andere omgeving.

Tijdens de ijstijd trokken noordelijke dieren naar de warmere zuidelijke zones. Tegenwoordig worden soorten verdreven door grootschalige ontbossing en de intensivering van de landbouw. Een refugium kan ook op kleinere tijd- en ruimteschaal plaatsvinden, zoals bij een vervenend moeras of een volgroeiende heide. Er bestaat een grote behoefte aan refugia, nu we in snel tempo onze grote ecosystemen zoals de regenwouden en de oceanen, inclusief de daarbij behorende biodiversiteit aan het reduceren zijn. De stad kan worden gezien als refugium voor soorten die door de agrarische industrie verdreven zijn uit het buitengebied, zo schrijven Jacques Vink, Piet Vollaard en Niels de Zwarte in Stads Natuur Maken (2017). Terwijl de biodiversiteit in het buitengebied steeds verder afneemt, neemt die van de stad juist toe. De biodiversiteit van de stad is hoger dan in de meeste groene gebieden die door landbouw worden gedomineerd. In Amsterdam leven zo'n 10.000 verschillende soorten dieren en planten (Groenvisie 2050). De Natuurwaardenkaart Amsterdam 2016 toont aan dat de natuurwaarde in Amsterdam toeneemt. Specifieke deelonderzoeken naar de verspreiding van huismus, dagvlinders, wilde bijen en muurplanten onderbouwen die conclusie. De stad wordt vooral gekenmerkt door de stenige omgeving van gebouwen en straten. Daartussen bevindt zich een scala aan groene en natte plekken, groot en klein.

Het is de combinatie van steen en groen die de stad voor veel soorten een aantrekkelijke plek maakt en die de stad als biotoop onderscheidt van die van het buitengebied. Biodiversiteit heeft ook veel te bieden voor de mensen die in de stad wonen. Zo hebben bepaalde diersoorten die wij als onprettig ervaren in een omgeving met groen en water minder kans om in een plaag te veranderen dan in een omgeving die minder variatie heeft. In zo'n omgeving kunnen meerdere dier- en plantensoorten bestaan. De kans dat één soort gaat 'overwoekeren' is kleiner. Zo kunnen verschillende vogelsoorten en insecten helpen om de populatie van eikenprocessierupsen onder controle te houden. Dit is des te meer belangrijk doordat door o.a. klimaatverwarming het aantal eikenprocessierupsen in Nederland toeneemt. Hetzelfde geldt voor muggen. Het lijkt erop dat het aantal muggen toeneemt, en daarmee ook de kans op infectieziekten. In andere woorden: biodiversiteit kan voorkomen dat diersoorten een plaag worden die andere onderdelen van de ketel verstoort. Plaats voor biodiversiteit in Westerpark Zuid Voor de meeste soorten is groen en water een vereiste. In Westerpark Zuid is weinig ruimte voor openbaar groen. Het openbaar groen dat er is, is niet altijd gevarieerd aan planten. De hoge gebruiks- en

Gemeente Amsterdam

blz. 48

verkeersdruk van de openbare ruimte is sterk nadelig voor de ontwikkeling van natuurwaarden of de instandhouding van soorten. Dat betekent dat de natuur zich hier niet ongestoord kan ontwikkelen. Een groot deel van het stedelijk groen in Westerpark Zuid bestaat uit private tuinen. De tuinen spelen daarom een grote rol in het behoud van biodiversiteit. Ook omdat tuinen veel rustiger zijn dan het openbaar groen, hebben andere dieren de kans om zich hier te vestigen. Met name wanneer het percentage van het groen in de openbare ruimte slechts enkele procenten bedraagt, zoals het geval is in Westerpark Zuid, zijn (binnen)tuinen een belangrijke uitvalsbasis voor flora en fauna. In vergelijking met openbaar groen, zijn de omstandigheden voor organismen beter in de meeste (binnen)tuinen. Tuinen kunnen een belangrijke rol spelen, ook als ze klein zijn. In hele kleine tuintjes kun je per vierkante meter gemiddeld minstens evenveel soorten vinden als in grotere tuinen. Het meeste leven bevindt zich tenslotte in de bodem. Bovendien sluiten tuinen meestal aan op een groter geheel van tuintjes, die uitwisseling van dierenleven mogelijk maken met name van vogels en andere vliegende dieren. Sommige van deze dieren kunnen niet zo ver vliegen. Voor hen kan een tuin een noodzakelijke tussenstop zijn tussen twee natuurgebieden.

Doordat elke tuin anders is, is het samenspel van tuinen samen een interessante een verblijfplaats voor veel verschillende soorten. Conclusie Voor Westerpark Zuid geldt dat in tuinen de randvoorwaarden voor biodiversiteit meer aanwezig zijn dan in het aanwezige openbare groen. Particuliere tuinen kunnen een belangrijke bijdrage aan de ecologische waarden en biodiversiteit in de stad leveren. Meer verharding betekent minder ruimte voor flora en fauna. Het is daarom van belang dat wordt voorkomen dat tuinen verder verstenen.

3.11

Relevante factoren per bouwblok

Er zijn meerdere redenen om het vergunningsstelsel in te voeren. Niet elk van de argumenten geldt (in gelijke mate) voor elk bouwblok. We hebben zes factoren geïdentificeerd en alle 129 bouwblokken in het plangebied op basis hiervan beoordeeld. De tabel in de bijlage geeft een overzicht van welke factoren er voor elk bouwblok gelden. Voor wat betreft de hitteproblematiek zijn drie relevante datasets gevonden: 1. Afstand van het bouwblok tot de meest dichtbij zijnde koele plek 2. Aanwezigheid van het stedelijk hitte eiland – effect 3. Gevoelstemperatuur op een warme zomerdag Een hoge gevoelstemperatuur is extra zorgelijk als de temperatuur 's avonds en 's nachts onvoldoende afkoelt, of er geen koele plek in de buurt is. Er zijn voor elk van deze karakteristieken grenswaarden vastgesteld. Als de gevoelstemperatuur de grenswaarde overschrijdt, en één van de andere twee factoren van toepassing is, is het vergunningsstelsel passend. Voor wat betreft de regenwater problematiek is een dataset gevonden waarin de regenwateraccumulatie na een stortbui in kaart is gebracht. Wateraccumulatie na een stortbui kan leiden tot schade aan bebouwing en infrastructuur. De accumulatie van het regenwater boven de gestelde grenswaarde is een reden om het vergunningsstelsel passend te achten.

Voor wat betreft het cultuurhistorisch belang is een dataset gevonden waaruit de verschillende welstandssystemen die in Amsterdam aanwezig zijn, in kaart zijn gebracht. In de vorige paragraaf is uitgelegd waarom onbebouwde binnenterrein van belang zijn, in de in het plangebied aanwezige welstandssystemen.

bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)

blz. 49

Voor het aantonen van het belang van binnentuinen voor biodiversiteit is een relatie gelegd met het percentage groen in de openbare ruimte. Een lager percentage groen in de openbare ruimte, betekent dat binnentuinen belangrijker zijn om veel soorten flora en fauna in de stad te huisvesten, ook omdat uitwisseling tussen verschillende gebieden noodzakelijk is. We vinden dat als er twee factoren aanwezig zijn, dit voldoende is om het vergunningsstelsel te rechtvaardigen. Op onderstaande kaart kan worden afgelezen welk nummer naar welk bouwblok verwijst. In de bijlage wordt de onderzoeksmethode uiteengezet.

Op onderstaande kaart is af te lezen hoeveel van deze factoren voor ieder bouwblok gelden. Welke factoren er voor elk bouwblok gelden, is in de bijlage terug te vinden.

Gemeente Amsterdam

blz. 50

3.12

Belangenafweging

In het plangebied spelen meerdere belangen als het gaat om bebouwing van binnentuinen. Er is een uitbreidingswens van bewoners en ondernemers op de begane grond. Deze wens staat in bepaalde gevallen haaks op de andere belangen zoals de zorg voor een goed woon- en leefklimaat. Verstening maakt steden extra kwetsbaar voor de gevolgen van extreme regenbuien, droogte en hoge temperaturen. Want door verstening kan neerslag maar beperkt in de bodem infiltreren, wat tot droogte én wateroverlast kan leiden. Daarnaast kan op warme dagen de gevoelstemperatuur door het vele steen op sommige plekken erg hoog worden. Door een gebied te vergroenen, zorg je ervoor dat het water juist vrij in de bodem kan infiltreren, bomen en planten water kunnen opnemen en het vervolgens verdampen of het grondwater ermee aanvullen. Daarnaast draagt groen niet alleen bij aan klimaatadaptatie, het versterkt ook de leefbaarheid en biodiversiteit. Deze algemene belangen zijn gediend bij het tegengaan van verregaande verdichting van bebouwing en verharding van de binnentuinen.

bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)

blz. 51

Niet alle genoemde argumenten gelden in gelijke mate voor elk bouwblok. Met een data-analyse is inzichtelijk gemaakt wat de karakteristieken per bouwblok zijn. De conclusie is dat voor ieder bouwblok voldoende belangen in het geding zijn, om de invoer van het vergunningsstelsel te rechtvaardigen. Dit betekent niet dat verdere verharding in het achtererfgebied niet meer mogelijk is. Het betekent dat de gemeente maatwerk kan leveren. Zij kan voorwaarden stellen die de negatieve gevolgen van de verdere verharding opvangen. De openbare ruimte in het plangebied biedt onvoldoende mogelijkheden om het woon- en leefklimaat te beschermen. Er bestaan daarom voldoende redenen om een vergunningsstelsel in te voeren, in afwijking van de bepalingen uit Bijlage II Bor. De belangenafweging leidt tot twee maatregelen om het bestaande groen en de onverharde delen van het achtererfgebied te beschermen: 1. het vergunningvrij uitbouwen in het achtererfgebied wordt beperkt. Dit houdt in dat het aanbouwen in het achtererfgebied alleen nog kan onder voorwaarden of zelfs in het geheel niet. 2. Het wordt verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning nieuwe verharding aan te brengen. Er zijn twee voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning wel verleend kan worden: a. als aangetoond wordt dat het waterbergend vermogen van de tuin minstens 60 millimeter per uur bedraagt; b.

als de gronden voor niet meer dan 50% wordt verhard, waarbij de oppervlakte van bebouwde gronden als verharding wordt meeberekend. Door de invoer van een vergunningsstelsel geldt feitelijk een dubbele belangenafweging. De eerste is de afweging van belangen die resulteert in een vergunningstelsel in het hele gebied. De tweede is de belangenafweging bij de vergunningaanvraag.

3.13

Conclusie

In landelijke wetgeving, het Besluit Omgevingsrecht (Bor), is geregeld dat bepaalde bouwwerken in het achtererfgebied zonder vergunning gebouwd mogen worden. Omdat er geen vergunning nodig is, kan de gemeente nu geen voorwaarden verbinden aan dat soort bouwwerken. De tuinen en binnentuinen op het achtererfgebied zijn waardevol voor de volksgezondheid, waterberging, cultuurhistorie en biodiversiteit. Met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening worden deze waarden geborgd door een dubbelbestemming Waarde - Landschap te leggen op het achtererfgebied, zodat de tuinen in Westerpark Zuid zo goed mogelijk zijn voorbereid op klimaatveranderingen. Vergunningvrije bouwwerken zijn niet langer onvoorwaardelijk mogelijk. Daarnaast wordt het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning nieuwe verharding, bijvoorbeeld in de vorm van tegels, aan te brengen in het achtererfgebied. Het doel van het bestemmingsplan is niet het nastreven van een absoluut verbod op aanbouwen of betegelen, maar het creëren van een vergunningstelsel. Zodat per bouwplan en per situatie een afweging kan worden gemaakt in welke gevallen wel en in welke gevallen geen vergunning verleend wordt. Deze afweging zal moeten plaats vinden in het kader van een buitenplanse afwijking (op grond van artikel 2.12 lid 1, sub a onder 2 en 3 van de Wabo).

Bestaande bouwwerken, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze herziening vergunningvrij zijn gerealiseerd, zijn op grond van Waarde - Landschap positief bestemd. Dat wil zeggen dat ze legaal zijn en niet, als gevolg van deze herziening, onder overgangsrecht worden gebracht. Bestaande bouwwerken, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze herziening vergunningvrij zijn gerealiseerd, mogen worden vernieuwd of veranderd. Artikel 24.3 van het bestemmingsplan verbiedt om nieuwe verharding aan te brengen op gronden met de

Gemeente Amsterdam

blz. 52

dubbelbestemming "Waarde - Landschap". In afwijking hiervan is het mogelijk een vergunning aan te vragen. Een vergunning kan worden verleend als niet meer dan de helft van de achtertuin of achtererf wordt verhard, maar dan moet die verharding wel minimaal een waterbergend vermogen hebben van 60 mm / uur. Bij de meeste binnentuinen in een bouwblok volstaan deze voorwaarden. Indien de tuin een grotere omvang heeft dan gemiddeld kan een eigenstandige afweging nodig zijn. Om de belangen van klimaatadaptatie, tegengaan hittestress, gezondheid, vergroening zo goed mogelijk te dienen is voor grotere tuinen een separaat afwegingskader opgenomen onder sub c. (Amendement van de leden Van Renssen, Bloemberg-Issa en Minderhoud d.d. 5 april 2023, Ingekomen onder nummer 123, Status: Aangenomen). Bij de invulling van dit kader kunnen de voorwaarden onder sub a en b betrokken worden. Systematiek Verharding die al aanwezig is op het moment dat het bestemmingsplan in werking treedt, kan blijven liggen. Daarvoor hoeft niet alsnog een vergunning te worden aangevraagd. Ook niet als op dat moment meer dan helft van de tuin is verhard. In dat geval spreken we van bestaande verharding. En het vervangen van bijvoorbeeld een kapotte tegel of klinker kan ook gewoon plaatsvinden zonder vergunningplicht. We spreken dan van normaal onderhoud en beheer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16032957/2