CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

6. Havenstraatterrein_Toelichting.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 15 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Havenstraatterrein (ZD2021-014414)31.377 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Ook de zuidwestgevel van bouwblok 3 en de noordgevel van bouwblok 4 moeten in de rooilijn worden gebouwd. 2. Flexibele zone per bouweenheid Bij het grootste deel van de gevels is de overgang van openbare ruimte naar private ruimte vorm gegeven met een flexibele zone van 2 meter tussen de openbare ruimte en de rooilijn (zie figuur 3.10). Binnen deze flexibele zone mag in de eerste 0,8 meter per kavel gerekend vanaf de rooilijn maximaal 70 procent bebouwd worden. Daarnaast is er vanaf de tweede bouwlaag nog 0,6 meter ruimte om maximaal 40 procent extra uit te kragen. In de laatste 0,6 meter is bebouwing niet toegestaan en zijn uitsluitend trappen en hellingsbanen toegestaan.

Figuur 3.10 - Regeling flexibele zone

Gemeente Amsterdam

blz. 36

Figuur 3.11 - Voorbeelduitwerkingen flexibele zone Een flexibele zone biedt ruimte voor informeel gebruik op het raakvlak van het publieke en private domein. Door de vrijheden in deze flexibele zone ontstaat er extra ruimte voor individuele expressie en extra kansen op een gevarieerd straatbeeld. In figuur 3.11 zijn voorbeelduitwerkingen opgenomen van de mogelijkheden binnen de flexibele zone. 3. Geen bouwverplichting, geen flexibele zone Voor de zuidoostelijke gevel van bouwblok 3, grenzend aan het plein, geldt dat hier niet verplicht in de rooilijn gebouwd hoeft te worden. In het Investeringsbesluit was voor dit geveldeel de verplichting opgenomen om in de rooilijn te bouwen. Omdat deze verplichting een belemmering vormt voor het realiseren van balkons is in het kader van het bestemmingsplan deze verplichting geschrapt. Dit geveldeel van bouwblok 3 springt hier naar voren om de bijzondere ligging van het plein aan de Stadiongracht te accentueren. Aanvullend op bovenstaande stedenbouwkundige spelregels voor de bebouwingsgrenzen zijn nog enkele gevelregels opgenomen. Voor de gevels waar de maximale toegestane geluidswaarden worden overschreden worden dove gevels voorgeschreven.

Op grond van de Crisis- en herstelwet geldt dat voor een gedeelte van de westelijke geveldeel van blok 3 een dove gevel/geluidwerend vlies verplicht is, indien binnen 10 jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan niet aan de geluidsnormen kan worden voldaan. Voor de gevels waar de voorkeursgrensgrenswaarden voor wegverkeersgeluid en de voor het plangebied vastgestelde geluidsniveaus vanwege inrichtingen worden overschreden geldt dat de eerstelijnsbebouwing aaneengesloten moet worden gebouwd om 'geluidslekken' te voorkomen. Hiervan kan onder voorwaarden worden afgeweken. Zie verder paragraaf 7.3 over geluid. Parkeren De parkeerbehoefte voor auto's moet ondergronds worden opgelost. Autoparkeren op maaiveld wordt, met uitzondering van bezoekersparkeren in de openbare ruimte, uitgesloten. Per bouwblok geldt voor auto's een maximum aantal entrees naar de parkeergarages. Via een binnenplanse afwijking kan onder voorwaarden autoparkeren in het souterrain worden toegestaan. Voor parkeren van fietsen en scooters geldt dat naast parkeren in een ondergrondse garage ook parkeren in het souterrain onder de bouwblokken is toegestaan. Het fietsparkeren voor de basisschool mag ook op maaiveld (op het schoolplein) worden opgelost. In figuur 3.12 is de spelregelkaart voor parkeergarages weergegeven.

Voor het eerste en vierde bouwblok geldt dat hier maximaal twee ondergrondse parkeerlagen zijn toegestaan. bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 37

Voor het tweede en derde bouwlblok geldt dat maximaal één ondergrondse parkeerlaag is toegestaan.

Figuur 3.12 - Spelregelkaart ondergronds parkeren Voor parkeren gelden enkele aanvullende spelregels om het parkeren en de ontsluiting op maaiveld op een stedenbouwkundig verantwoorde manier en op een verkeersveilige manier te regelen (zie figuur 3.13). De entree van de parkeergarage moet gelegen zijn binnen het bouwblok, achter de rooilijn. Daarnaast moet in verband met de verkeersveiligheid ter plaatse van de aangrenzende openbare ruimte rechtstand op eigen terrein worden mogelijk gemaakt.

Gemeente Amsterdam

blz. 38

Figuur 3.13 - Regeling parkeren ondergronds en in souterrain

3.9

Planvorm

De verbeelding en de planregels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De planregels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de planregels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Het voorliggende bestemmingsplan kan worden getypeerd als een globaal eindplan. Dit houdt in dat het bestemmingsplan in hoofdlijnen de stedenbouwkundige structuur vastlegt, maar vrijheden biedt ten aanzien van bijvoorbeeld woningtypen en de situering van woningen. Tegelijkertijd biedt het plan voor de bouwblokken een rechtstreekse bouwtitel, zodat geen extra procedures doorlopen hoeven te worden voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het ruimtelijk kader voor het plangebied, dat onderdeel is van het Investeringsbesluit (zie bijlage 1 bij bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 39

plantoelichting), vormt daarbij het uitgangspunt voor het bestemmingsplan. In het kader van het bestemmingsplan is het ruimtelijk kader met bijbehorende spelregelkaarten op onderdelen aangepast. Het principe voor het bestemmingsplan is dat geen onnodige beperkingen worden opgelegd aan ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied. Verder houdt het plan rekening met recente wetgeving en beleid en speelt het in op maatschappelijke en economische ontwikkelingen. De ratio achter de keuze voor een globaal eindplan is mede gelegen in het feit dat de woningbouwmarkt in de afgelopen jaren is verschoven van een aanbodgerichte naar een vraaggerichte markt. Meer dan in het verleden moet de bouwwereld inspelen op de wensen en behoeften van de consument. Daar waar de gemeente Amsterdam tot voor kort inzette op gedetailleerd uitgewerkte bestemmingsplannen, bestaat er nu behoefte aan flexibele bestemmingsplannen. Met dergelijke plannen is het mogelijk snel in te spelen op verandering in de markt, zonder dat daar tijdrovende en kostbare procedures voor nodig zijn. Daarbij is het zoeken naar een goede balans tussen rechtszekerheid enerzijds en flexibiliteit anderzijds. Welke keuzes hierin gemaakt zijn wordt nader toegelicht in hoofdstuk 12 van voorliggende toelichting.

3.10

Beeldkwaliteit

Aan de hand van de bebouwingstypologie is de stad verdeeld in zogeheten ruimtelijke systemen. Hiervoor zijn uitgangspunten en welstandscriteria opgesteld, waarmee de ontwerper rekening moet houden. In de welstandsbeoordeling wordt niet alleen het bouwwerk op zichzelf bekeken, maar ook aandacht geschonken aan de relatie met de omgeving. De uitgangspunten en criteria voor beoordeling zijn per groep geschreven. Aan de hand van de beschrijvingen, uitgangspunten en criteria zijn bouwplannen te beoordelen, die passen in het karakter van het systeem en de buurt. Gebieden en gebouwen verschillen in gebruik en van karakter, maar ook in hun belang voor het aanzicht en de identiteit van de stad. Het welstandsniveau is een uitdrukking van de mate van inspanning die bij het opstellen van een plan wordt verwacht ten aanzien van de omgeving en van het bouwwerk op zichzelf. Voor elk gebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven, variërend van eenvoudig tot bijzonder. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. Op basis van het ruimtelijk systeem en het welstandsniveau gelden voor een gebied welstandscriteria. Deze zijn onderverdeeld in criteria ten aanzien van ligging, massa, architectonische uitwerking, materiaal en kleur.

Het welstandstandskader Havenstraatterrein, dat als basis dient voor het op te stellen beeldkwaliteitsplan, wordt in het kader van de inspraak ter inzage gelegd. Voor de start van de tenders voor de bouwblokken wordt het welstandskader Havenstraatterrein door de gemeenteraad vastgesteld.

Gemeente Amsterdam

blz. 40

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 41

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Inleiding

De beleidscontext voor dit bestemmingsplan wordt gevormd door de vigerende beleidsdocumenten op rijks-, provinciaal, regionaal, gemeentelijk en stadsdeelniveau. In dit hoofdstuk is het ruimtelijk relevante beleidskader samengevat. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in algemeen ruimtelijk beleid en ruimtelijk relevant beleid voor de functies wonen, bedrijven en kantoren, maatschappelijk, horeca, detailhandel, groen en sport. Per onderdeel wordt tevens geconcludeerd in hoeverre de beoogde planbeschrijving (zie hoofdstuk 3) past binnen het beschreven beleid. Het sectorale beleid en sectorale wet- en regelgeving ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren, milieu, water, natuur en duurzaamheid is opgenomen in de hoofdstukken 5 t/m 11.

4.2

Algemeen ruimtelijk beleid

4.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze is op 15 september 2020 bekend gemaakt. In de NOVI zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) is door deze nieuwe omgevingsvisie vervangen. De NOVI is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is een instrument van de aankomende Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Het is de eerste integrale nationale beleidsvisie conform de Omgevingswet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de NOVI vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening als structuurvisie. De inrichting van de NOVI sluit aan op de voorwaarden die op basis van de Omgevingswet aan de visie worden gesteld. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de Omgevingswet bedoeld. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De Visie De NOVI bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

Nederland staat voor een groot aantal opgaven, op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De NOVI biedt daarbij een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Omgevingskwaliteit is daarbij het kernbegrip. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak waarbij overheden en maatschappelijke organisaties met regie vanuit het Rijk integrale afwegingen maken. Beschreven wordt een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Toelichting In de toelichting worden 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving beschreven en de daarbij horende opgaven waarvoor het Rijk zich gesteld ziet. Steeds wordt per belang het huidige beleid gekoppeld en wordt de opgave gesteld die met het belang samenhangt. Uitvoeringsagenda

Gemeente Amsterdam

blz. 42

In de uitvoeringsagenda staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. In de uitvoeringsagenda worden de opgaven centraal gesteld aan de hand van vier prioriteiten. De Uitvoeringsagenda beschrijft de volgende vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, beschermen en ontwikkelen gaan niet altijd en overal zonder meer samen en ze zijn soms onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen De NOVI heeft geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de NOVI die juridische borging vragen, zijn daarom geborgd in het Barro. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geen van de in het Barro geregelde onderwerpen zijn van toepassing op dit bestemmingsplan. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit rijksbeleid. 4.2.2

Ladder duurzame verstedelijking

Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' ingevoegd als artikel 3.1.6 lid 2. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder geeft invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige en transparante afweging bij ruimtelijke besluiten. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied en de keuzes die daaruit volgen. Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij het toetsingskader lichter in gebruik is geworden. Het doorlopen van de drie motiveringstredes en aantonen van de actuele regionale behoefte is niet meer verplicht. Wel moet voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling worden gegeven. Verder is toegevoegd dat bij nieuwe moederplannen met een wijzigingsbevoegdheid de laddertoets kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van het wijzigingsplan. Demografische en economische ontwikkeling bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 43

De behoeftevraag naar functies als wonen, werken, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen is in grote mate afhankelijk van de toekomstige demografische en economische ontwikkelingen in het gebied. Uit het rapport Demografische ontwikkelingen 2010-2040 van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt de Metropoolregio Amsterdam aanhoudend (tot 2040) sterk tot zeer sterk te groeien: 10 procent tot meer dan 20 procent. Ook de huishoudensontwikkeling geeft dezelfde trend met een stevige groei van 20 procent of meer. De verwachting is dat de gemeente Amsterdam in 2040 ruim 50.000 huishoudens meer heeft dan in 2010. De werkzame beroepsbevolking in de Metropoolregio Amsterdam zal toenemen. Om de concurrentie met andere economisch topregio's aan te kunnen dient het hoogstedelijk centrummilieu doorontwikkeld te worden. Intensivering van het grondgebruik in de stad is hierbij van groot belang. Een grotere mix van wonen en werken, waarbij kansrijke economische sectoren de ruimte krijgen. Meer woon- en werkruimte betekent meer draagvlak voor voorzieningen. Daarbij horen horeca, detailhandel en een diversiteit aan culturele en onderwijsinstellingen. De nieuwe economie bestaat uit een complex van functies: wonen, werken en recreëren. Beschrijving behoefte Het Havenstraatterrein is gelegen in bestaand stedelijk gebied, nabij het centrum van Amsterdam.

Als gevolg van de transformatie verdwijnt de huidige bedrijfsmatige invulling van het plangebied. De huidige invulling is extensief en laagwaardig (tijdelijke loodsen). De ontwikkeling van het plangebied tot gemengd woon-werkgebied is opgenomen in de voorheen geldende Structuurvisie Amsterdam, vastgelegd in het Investeringsbesluit Havenstraatterrein en leidt tot een nieuwe bestemming. De ontwikkeling zorgt voor de toevoeging van een kwalitatief hoogwaardig stedelijk milieu, sluit aan op de uitrol van het centrummilieu en voorziet in een aanzienlijke intensivering van het ruimtegebruik (zie hoofdstuk 3). De ruimtevraag, kan in zijn geheel worden opgevangen in bestaand stedelijk gebied. De gemeente houdt scherp toezicht op de ontwikkeling van andere projecten in de stad met als doel te voorkomen dat deze projecten met elkaar concurreren. Er wordt gezorgd voor goede contractafspraken met marktpartijen. De interesse van marktpartijen voor het plangebied is onderzocht via een marktconsultatie en door het plan intern te toetsen. Daaruit blijkt dat de belangstelling voor het Havenstraatterrein groot is. De transformatie van het Havenstraatterrein kan worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Om die reden wordt de behoefte aan de ontwikkeling, die het bestemmingsplan mogelijk maakt, beschreven.

Het bestemmingsplan biedt een directe bouwtitel voor wonen, bedrijvigheid, horeca, detailhandel (supermarkten zijn uitgezonderd), een basisschool, maatschappelijke dienstverlening, consumentverzorgende dienstverlening en culturele voorzieningen. Voor deze functies gelden de volgende maximum aantallen en maatvoeringen: Wonen: maximaal 500 bij recht tot maximaal 750 via afwijkingsbevoegdheid Bedrijven: maximaal 5.000 m2 (maximaal 300 m2 per vestiging) Horeca van categorie 3 en 4: maximaal 1.500 m2 (maximaal 300 m2 per vestiging) Detailhandel: maximaal 1.500 m2 (maximaal 300 m2 per vestiging) Basisschool inclusief buitenschoolse opvang en kinderdagopvang: 4.000 m2 Maatschappelijke dienstverlening: maximaal 1.500 m2 (maximaal 300 m2 per vestiging) Consumentverzorgende dienstverlening: maximaal 1.500 m2 (maximaal 300 m2 per vestiging) Culturele voorzieningen: maximaal 1.500 m2 (maximaal 300 m2 per vestiging)

Gemeente Amsterdam

blz. 44

Wonen De woningbehoefte in de Metropoolregio Amsterdam is zeer groot en voor de komende decennia van structurele aard. De stadsregio behoort landelijk tot één van de weinige regio's in Nederland waar het tot nu toe niet lukt om het woningtekort terug te dringen. Die woningbehoefte heeft veel te maken met de regionale economische ontwikkeling. De Amsterdamse regio is in economische termen de succesvolste van Nederland en wordt gezien als een belangrijke motor van de nationale economie. Met de partners in de Metropoolregio is afgesproken dat Amsterdam haar woningvoorraad met 50.000 woningen uitbreidt binnen het bestaande stedelijke gebied in de periode 2010-2030. In de periode tot 2050 heeft Amsterdam de ambitie de voorraad met totaal 150.000 woningen uitgebreid te hebben. De druk op de Amsterdamse woningmarkt neem toe. De schaarste zorgt voor stijgende prijzen waardoor de betaalbaarheid voor lagere en middeninkomens verder onder druk komt te staan. De vraag naar woningen in Amsterdam is onverminderd groot, met name in de stedelijke woonmilieus binnen de Ring A10. Het centrum met het aangrenzende Zuid, Oud-West en Oostelijk Havengebied vormen samen de centraal stedelijke zone. De vraag naar stedelijk wonen is hier groot en door de unieke kwaliteiten heeft dit gebied weinig concurrentie in de regio.

Veel mensen willen juist hier wonen, de dichtheid van bebouwing, voorzieningen en activiteiten is hier heel hoog. Gemeentelijke prognoses geven aan dat er 3.000 tot 7.500 woningtoevoegingen per jaar moeten plaatsvinden om in de woningbehoefte te voorzien. Er vestigen zich veel nieuwe mensen in de stad: netto circa 10.000 per jaar. De komende decennia zal het aantal ouderen in Amsterdam fors toenemen. Door het landelijk beleid zullen veel ouderen langer zelfstandig blijven wonen. In bouwplannen zal dan ook ruimte moeten zijn voor nieuwbouw die ook geschikt is voor ouderen. Ook de vraag naar studentenwoningen is in Amsterdam onverminderd groot, zodat de komende jaren de bouw van studentenhuisvesting blijvend gestimuleerd moet worden. Tot slot is behoefte aan ruimte voor zelfbouwers en bouwgroepen. Naast de woningvraag van nieuwe inwoners wordt met het mogelijk maken van nieuwe woningen ook een doorstroombeweging in de stad in gang gezet. Voor de gezinshuishoudens die nu noodgedwongen in te krappe woningen blijven wonen, ontstaan er mogelijkheden om binnen hun wensen in de stad te blijven wonen. De woningen die zij in verschillende buurten achterlaten zijn geschikt voor kleine huishoudens en starters op de woningmarkt. De middenhuur kan de sleutel vormen voor een betere verdeling van de schaarse woonruimte in Amsterdam.

Er zit nu vaak een groot gat tussen de sociale huurprijzen tot afgerond 700 euro per maand en de huurprijzen in de vrije sector. Door veel woningen te bouwen met een middenhuur kunnen de relatief welvarende mensen in een sociale huurwoning verleid worden om te verhuizen. Er moeten meer middensegment woningen worden gebouwd. De gemeente heeft hiertoe in 2017 het Actieplan meer middeldure huur en de Woonagenda 2025 vastgesteld. De gemeente Amsterdam heeft gezien deze toenemende woningbehoefte de ambitie uitgesproken om vanaf 2018 per jaar minimaal 5.000 woningen te realiseren, waarvan 500 sociale huurwoningen. Om tegemoet te komen aan de grote vraag naar nieuwbouwwoningen is het zaak om hierop in te spelen door woningbouw planologisch mogelijk te maken: de planvoorraad moet worden vergroot. De ontwikkeling van het Havenstraatterrein tot gemengd stedelijk woonmilieu levert een belangrijke bijdrage aan de stedelijke woningbehoefte in de gewilde centraal stedelijke zone. Er wordt met name ingezet op woningen in het middensegment (50 procent), aangezien daar veel vraag naar is terwijl het aanbod daarin nog achterblijft. Er wordt echter ook ruimte geboden voor vrije sector (20 procent) en sociale huur (30 procent). Bedrijven In het kader van het Platform Bedrijven en Kantoren wordt gewerkt aan een gezamenlijke strategie voor bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 45

de planning van kantoor- en bedrijfslocaties in de Metropoolregio Amsterdam. Daarin wordt gezien de kantorenleegstand ingezet op het schrappen van kantorenaanbod, maar ook op transformatie. Binnenstedelijke bedrijventerreinen zijn van belang voor het functioneren van de stad. Dit blijkt uit de beperkte leegstand. Bovendien tonen prognoses aan dat de vraag naar deze binnenstedelijke bedrijventerreinen in de toekomst onverminderd hoog blijft. Hier komt bij dat 70.000 woningen erbij in de stad ook een groeiende vraag naar bouw- en onderhoudswerkzaamheden, naar voedsel en naar diensten met zich mee zal brengen. Het gaat om ambachten, bouwbedrijven, loodgieters, onderhoud- en reparatiebedrijven en toeleveranciers. Dit scala aan bedrijfjes, de stadsverzorgende bedrijvigheid, draagt er in belangrijke mate toe bij dat de stad kan blijven functioneren als volwaardig leefmilieu. Het Havenstraatterrein is aangewezen als te transformeren gebied naar wonen en werken. Daarbij geldt dat ook ruimte moet worden geboden aan stadsverzorgende bedrijvigheid (zie verder paragraaf 4.4.3). In de huidige situatie zijn in het plangebied overwegend bedrijven gevestigd. Het gaat om een grote mix aan bedrijvigheid. De meeste bedrijven zullen gezien de lage huren in de toekomstige situatie niet kunnen blijven. In het bestemmingsplan wordt ruimte geboden aan totaal 5.000 m2 bedrijvigheid.

Van belang is dat op het Havenstraatterrein uitsluitend bedrijvigheid kan worden toegestaan voor zover deze mengbaar is met wonen. Door bedrijven uit milieucategorie 1 en 2 en onder voorwaarden bedrijven uit milieucategorie 3.1 toe te staan wordt echter volop ruimte geboden voor stadsverzorgende bedrijven. Horeca Uit de Structuurvisie Amsterdam volgt dat kleinschaligheid kenmerkend is voor Amsterdam en dat wonen, werken en recreëren minder gescheiden zijn in ruimte en tijd. Dit leidt tot een sterk toenemende vraag naar gemengde, kleinschalige milieus. Dat geldt ook voor horecavoorzieningen. Als gevolg van de toename van het aantal inwoners zal de gewenste horecadichtheid moeten toenemen. Het toevoegen van horeca is een lokale afweging. Het toevoegen van horeca op kleine schaal is wenselijk ter ondersteuning van de woonfunctie in het gebied. Daarbij kan gedacht worden aan een koffiebar, lunchroom of restaurant. Dergelijke horeca voorziet met name in een lokale behoefte, dat wil zeggen de behoefte van de toekomstige bewoners en werknemers in het plangebied en in de omgeving van het plangebied. Het bestemmingsplan maakt horeca van categorie 3 en 4 mogelijk met een maximum vestigingsgrootte van 300 m2. Het totale maximum voor horeca bedraagt 1.500 m2.

Detailhandel De uitgangspositie van de Metropoolregio Amsterdam voor de ontwikkeling van detailhandel is beter dan in de rest van het land. De economische positie en groeiverwachting zijn in de regio beduidend hoger dan elders, de groei van het inwonertal is tweemaal zo groot als gemiddeld en de leegstand is beduidend lager dan gemiddeld. De ontwikkelingsmogelijkheden voor detailhandel zijn desondanks verminderd. In de Metropoolregio Amsterdam is per saldo ruimte voor een toevoeging van 100.000 m2 winkelvloeroppervlak (wvo) tussen 2020 en 2030. De planvoorraad detailhandel in de regio Amsterdam is circa 150.000 m2 wvo (inclusief wat in aanbouw is). In stadsdeel Zuid ligt voornamelijk de groei van bevolkingspotentieel ten grondslag aan de marktruimte. Het Havenstraatterrein is geen winkelgebied en wordt dat ook niet: vanwege de enigszins perifere ligging (gelegen in de tweede lijn vanaf de Amstelveenseweg) en de bestaande winkelstructuur is de locatie niet geschikt voor grootschalige detailhandel of (grote) supermarkten. Voor het Havenstraatterrein is draagvlak voor detailhandel voornamelijk afkomstig van de toekomstige bewoners en gebruikers van het gebied en de directe omgeving. Supermarkten zijn niet toegestaan, gezien het reeds aanwezige aanbod op loopafstand.

Op grond van het Detailhandelsbeleid kan beperkt ruimte worden geboden voor kleinschalige winkels buiten de aangegeven winkelgebieden. Het bestemmingsplan biedt geen ruimte

Gemeente Amsterdam

blz. 46

voor grootschalige detailhandel, waar regionale afstemming voor nodig is: uitsluitend enkele kleine vestigingen tot maximaal 300 m2 zijn toegestaan tot een totaal maximum van 1.500 m2. Basisschool Uit de gemeentelijke leerlingenprognose blijkt dat het leerlingenaantal in het primair onderwijs de komende jaren toeneemt. Er zijn diverse oorzaken voor deze verwachte groei. Er is een duidelijke toename van het aantal geboortes in de periode 2008-2011: in 2011 woonden er ruim 11.000 0-jarigen in Amsterdam, ruim 10 procent meer dan in 2008. Dit leidt ertoe dat het leerlingenaantal in het primair onderwijs sinds 2013 stijgt. Ook het feit dat gezinnen met kinderen vaker in de stad blijven wonen zorgt voor een toename van het aantal leerlingen. In het schooljaar 2013/2014 gingen er ruim 61.000 leerlingen naar een Amsterdamse basisschool. In 2019/2020 waren dit er ruim 65.000, 4.000 meer dan het huidige aantal (+7 procent), wat neerkomt op ongeveer 160 klassen extra. Opvallend in stadsdeel Zuid is dat er meer kinderen naar school gaan dan er in het stadsdeel wonen. Dat is het gevolg van de instroom naar Zuid van leerlingen die in andere stadsdelen wonen. De basisgeneratie in Zuid zal de komende jaren naar verwachting toenemen. Als gevolg van de geboortepiek in 2010 hebben we tot 2021 een toename van de basisgeneratie in Zuid gezien en daarmee ook een toename van de leerlingenaantallen.

Tot 2030 worden er in Zuid ongeveer 5.000 nieuwbouwwoningen verwacht. De behoefte aan uitbreidingen van scholen en de bouw van nieuwe scholen in Zuid is daarmee aangetoond. Uit het Integraal Huisvestingsplan primair onderwijs stadsdeel Zuid is gebleken dat er concrete behoefte is aan een basisschool op het Havenstraatterrein en is er inmiddels reeds een school geselecteerd. Dienstverlening en culturele voorzieningen Door landelijke ontwikkelingen op het gebied van wet- en regelgeving, demografische ontwikkeling en de transformatie van het Havenstraatterrein met meer woningen, zal de vraag naar het aantal en type voorzieningen veranderen. Daarbij gaat het om commerciële en niet-commerciële voorzieningen. Bij de ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de ruimte voor kleinschalige voorzieningen die voorzien in een lokale behoefte. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in maatschappelijke dienstverlening, consumentverzorgende dienstverlening en culturele voorzieningen. Door de toevoeging van woningbouw op het Havenstraatterrein zal mogelijk behoefte ontstaan aan maatschappelijke functies zoals een medisch centrum, een fysiotherapeut, een huisartsenpost en een apotheek of een Wmo-steunpunt.

Hetzelfde geldt voor consumentverzorgende dienstverlening, zoals een fitnessruimte, een kapper of een beautycentrum en culturele voorzieningen zoals een klein museum of een expositieruimte. Ook hier gaat het uitsluitend om het voorzien in een lokale behoefte die voortkomt uit de toevoeging van woningbouw in het plangebied. Dergelijke voorzieningen hebben hooguit een verzorgingsfunctie op wijkniveau. Op grond van het bestemmingsplan zijn geen grootschalige voorzieningen toegestaan. Voor maatschappelijke dienstverlening, consumentverzorgende dienstverlening en culturele voorzieningen geldt dat uitsluitend kleinschalige functies van maximaal 300 m2 bvo zijn toegestaan tot een totaal maximum van 1.500 m2 bvo per functie. Conclusie Het bestemmingsplan is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Daaruit volgt dat de beoogde ontwikkeling van het Havenstraatterrein voorziet in een behoefte, die zich met name op stedelijk en lokaal niveau manifesteert. De ruimtevraag kan geheel worden opgevangen in bestaand stedelijk gebied.

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 47

4.2.3

Luchthavenindelingbesluit Schiphol

Op grond van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) gelden hoogtebeperkingen voor een gebied rondom de luchthaven. In de gebiedsdelen waar hoogtebeperkingen gelden mogen op basis van artikel 2.2.2 van het LIB geen objecten worden opgericht of geplaatst die hoger zijn dan de in bijlage 4 bij het besluit aangegeven maximale hoogtes. Per 1 juli 2015 is het LIB gewijzigd. Een belangrijke reden om het LIB op dit punt te wijzigen heeft te maken met het borgen van de vliegveiligheid. Een deel van het beperkingengebied en de regels voor het gebruik van grond binnen die gebieden is daarom gewijzigd. De wijzigingen hangen samen met gewijzigde of nieuwe internationale regels en hebben betrekking op de volgende onderwerpen: Verlagen van de noodklimtoetsvlakken; Completeren en actualiseren van de toetsvlakken voor luchtverkeersapparatuur; Toevoegen en opnemen van nieuwe toetsvlakken; Instellen van een toetszone voor windturbines; Instellen van een toetszone voor gebruik van laserinstallaties; Opnemen van beperkingen voor bomen en struiken. Het plangebied valt binnen de beperkingenzone waarin hoogtebeperkingen zijn vastgelegd (zie figuur 4.1). De maximum bouwhoogte volgens het LIB bedraagt ter plaatse 46 meter in het noordoostelijke deel van het plangebied. De maximum bouwhoogte loopt in westelijke richting af naar 44 meter. De hoogtematen zijn gerelateerd aan NAP ter plaatse.

Figuur 4.1 - Hoogtebeperkingen LIB Schiphol Het bestemmingsplan maakt een bouwhoogte mogelijk van maximaal 24 meter. Op basis van de algemene afwijkingsregels is het mogelijk om ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen zoals schoorstenen, ventilatie-inrichtingen en antennes met 3 meter af te wijken van de maximale bouwhoogte. Daarmee is dus maximaal een bouwhoogte van 27 meter mogelijk. De conclusie is dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het LIB.

Gemeente Amsterdam

blz. 48

4.2.4

Omgevingsvisie Noord-Holland 2050

Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de 'Omgevingsvisie NH2050' vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond. In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving: 1. Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend; 2. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert; 3. Sterke kernen, sterke regio's, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden; 4. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie; 5. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal.

Met de Omgevingsvisie zijn de wettelijke verplichte provinciale plannen (Structuurvisie, het Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan, het Milieubeleidsplan en de Watervisie) komen te vervallen. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het provinciaal beleid. 4.2.5

Provinciale Omgevingsverordening (POV) NH2020

Op 17 november 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 van de provincie Noord-Holland in werking getreden. De omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De provinciale Omgevingsverordening (POV) geeft een verdere invulling van de hoofdambitie van de Omgevingsvisie, een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De regels geven de kaders waarbinnen deze ruimte voor afweging en maatwerk mogelijk is en zijn in overeenstemming met de ontwikkelprincipes en ambities zoals verwoord in de Omgevingsvisie. Deze regels zijn er onder andere op gericht om zoveel mogelijk binnenstedelijk te verdichten en het landschap te behouden en beschermen. In de POV is de provinciale regelgeving (zoals ten aanzien van milieu en luchthavens) beleidsneutraal omgezet ten opzichte van de voordien geldende provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Het beleidsneutrale karakter betekent dat de in de PRV geldende regelgeving zonder aanpassing van de normstelling en met een gelijkwaardig beschermingsniveau is overgezet in de integrale POV. Waar nodig zijn de regels wel verduidelijkt en vereenvoudigd. De provincie werkt overigens aan de opvolger van de Omgevingsverordening NH2020; de Omgevingsverordening NH2022.

Deze zal tegelijk in werking treden met de Omgevingswet, naar verwachting op 1 juli 2022. Ook de Omgevingsverordening NH2022 is gericht op een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid, zoals omschreven in de Omgevingsvisie NH2050.

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 49

In de provinciale omgevingsverordening is (gelet op artikel 1.1.1 eerste lid onder h. van het Besluit ruimtelijke ordening) het gehele onderhavige plangebied aangemerkt als bestaand stedelijk gebied: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Blijkens de toelichting van de POV zijn gemeenten verplicht om bestemmingsplannen voor het bestaand stedelijk gebied te maken en hebben zij bij de invulling daarvan een grote mate van beleidsvrijheid. Dit laatste geldt zowel ten aanzien van het voldoen aan de huisvestingsvraag als het voldoen aan voldoende en gedifferentieerde ruimte voor economische activiteiten. Op grond van artikel 6.24 'Wonen binnen de LIB 5 zone' van de POV geldt dat binnen de 20 Ke contour van Schiphol uitsluitend woningen zijn toegestaan binnen bestaand stedelijk gebied. Voor zover een bestemmingsplan nieuwe woningen toestaat binnen die contour wordt in de plantoelichting rekenschap gegeven van het feit dat sprake is van geluid vanwege luchtverkeer en worden de redenen vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen.

Een deel van het plangebied ligt binnen de 20 Ke contour (zie figuur 4.2), zodat artikel 6.24 POV van toepassing is.

Figuur 4.2 - Woningbouw binnen 20 Ke contour Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de provinciale verordening. Het bestemmingsplan voorziet in woningbouw binnen de 20 Ke contour in bestaand stedelijk gebied. In paragraaf 7.3 van de plantoelichting wordt rekenschap gegeven van geluid vanwege vliegverkeer. 4.2.6

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

Op 8 juli 2021 is de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 'Een menselijke metropool' vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. De Omgevingsvisie beschrijft de gewenste ruimtelijke toekomst van Amsterdam tot 2050. Hierbij is uitgegaan van een aanhoudende groei van de bevolking en economie in de Metropoolregio Amsterdam. De opgave is om de woningmarkt in balans te brengen, de economie te vernieuwen, de werkgelegenheid te herstellen en de verduurzaming en klimaatbestendigheid van de stad te versnellen. Daarbinnen neemt Amsterdam haar verantwoordelijkheid door in bestaand stedelijk gebied ruimte te bieden voor 150.000 extra woningen, 300.000 extra Amsterdammers en 200.000 extra arbeidsplaatsen, plus alle daarbij behorende stedelijke voorzieningen. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur vijf strategische keuzes: 1. Meerkernige ontwikkeling

Gemeente Amsterdam

blz. 50

Van uitrol centrumgebied naar een meerkernige en meer diverse verstedelijking Regionale spreiding stedelijke voorzieningen en werkgelegenheid. Onderscheidende ontwikkeling Nieuw-West, Zuidoost en Noord. Twee bruggen over het IJ en een regionaal fietsnetwerk.

2. Groeien binnen grenzen Verdichting door complete en duurzame wijkontwikkeling Ruimte voor 150.000 woningen erbij in complete buurten. Verduurzamen bestaande buurten en woningen. Behoud van productieve bedrijvigheid in Amsterdam. Ruimte voor schone energie en duurzame initiatieven. Verduurzaming van de haven.

3. Duurzaam en gezond bewegen Heel Amsterdam een ov-, wandel- en fietsstad Een leefomgeving die uitnodigt tot ontmoeting, spelen en bewegen. Meer ruimte voor fietsers en voetgangers. Auto's zijn te gast. Verkeerswegen (Gooiseweg, Lelylaan, Burg. Roellstraat) worden groene stadslanen begeleid door bebouwing. Schaalsprong metro- en treinnet en vervoerhubs om stad en rest van de regio te verbinden.

4. Rigoureus vergroenen Een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving voor mens en dier Openbare ruimte zo groen mogelijk inrichten. Ontwikkeling parken (Hondsrugpark, Gaasperdakpark, Marineterrein, Zuidasdokpark en NDSM-Oost). Groene routes en ecologische verbindingen. Investeren in het landschap: natuurontwikkeling, kringlooplandbouw, en ruimte voor sporten en bewegen. Beschermen van rust- en ruigtegebieden (Oeverlanden, Bretten, Diemerbos)

5. Samen stadmaken. Richting geven op hoofdlijnen en ruimte bieden aan initiatief Gelijkwaardige (digitale) informatiepositie bij planvorming. Buurtbatenovereenkomsten en buurtomgevingsvisies. Grotere rol Amsterdammers bij beheer en ontwikkeling. Ruim baan voor wooncooperaties: naar 10% van de woningvoorraad in 2040. De Omgevingsvisie bestaat uit vier delen: 1. Visie Deze beschrijft de ontwikkeling van Amsterdam en de regio, de grote opgaven en de visie tot 2050, waarbij de hiervoor genoemde vijf strategische keuzes centraal staan.

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 51

2. Waar Dit deel behandelt de ruimtelijke koers bij de visie van de stad als onderdeel van de regio en geeft per stadsdeel een beknopte uitwerking en een adaptieve ontwikkelstrategie op hoofdlijnen. Hier zijn de regionale visiekaart en het ruimtelijk beeld van de stad en agglomeratie opgenomen. Deze zijn als ruimtelijk-programmatisch kader uitgewerkt in een serie kaarten. 3. Wat Dit deel geeft een overzicht van het Amsterdamse beleid voor de leefomgeving. Per sectoraal thema wordt aangegeven welke nieuwe richtingen verkend moeten worden. 4. Hoe Dit deel gaat over de doorwerking van de omgevingsvisie. Het agendeert veranderopgaven voor onze organisatie en in de samenwerking met samenleving, markt en andere overheden die nodig zijn om de visie uit te voeren. In de visiekaart die bij de Omgevingsvisie hoort is het plangebied aangewezen als gemengd en centrumgebied.

Figuur 4.3 - Visiekaart Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (integraal) en figuur 4.4 - Visiekaart Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (uitvergroot) Delen van Zuid worden steeds meer onderdeel van het stadscentrum. Daarnaast ontstaat rond het station Zuid juist een nieuw centrum van Amsterdam: de Zuidas ontwikkelt zich verder tot hoogstedelijke kern. Zuidas speelt steeds meer een rol van betekenis voor de omliggende gebieden, het functioneren van de stad als geheel en de economische positie van de regio. De internationale bereikbaarheid van deze locatie maakt dat Zuidas een belangrijke rol heeft in de veelzijdige economie van Amsterdam. Zuidas groeit kortom door als het centrum voor internationaal zakendoen en als integraal onderdeel van het stedelijk weefsel, een bestemming voor alle Amsterdammers. Stadsdeel Zuid is een zeer populaire woonplek. In het hele stadsdeel is daardoor sprake van grote bouwdynamiek. Daarbij is behoud van bestaande kwaliteiten, de leefbaarheid, het groen en kleinschalige voorzieningen, met ruimte voor mogelijkheden voor transformatie het uitgangspunt. Investeren in bestaande buurten blijft hard nodig. In de kwaliteit van woningen, het groen en de openbare ruimte en in de verbindingen, zoals stadsstraten en stadslanen. Deze smeden het staddeel immers aaneen en verankeren Zuid in de omliggende stad. Zuid kent veel bijzonder groen. Zo ligt er een aantal

Gemeente Amsterdam

blz. 52

hoogwaardige parken en zijn de twee entrees naar de scheggen een belangrijke kwaliteit.

Figuur 4.5 - Stadsdeelkaart Zuid Omgevingsvisie Amsterdam 2050 Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. De essentiële beleidsonderdelen uit de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 worden bij de desbetreffende thema's besproken. 4.2.7

Koers 2025 - Ruimte voor de Stad

Koers 2025 - Ruimte voor de stad is op 24 mei 2016 vastgesteld door het college van B&W. Op 14 september 2016 is Koers 2025 besproken in de gemeenteraad. In Koers 2025 is de ambitie neergelegd om tot 2025 binnen de stadsgrenzen de bouw van 50.000 woningen mogelijk te maken door nieuwbouw en voor een deel ook door transformatie van onder meer bedrijventerreinen. Om in de verwachte groei van Amsterdam te kunnen voorzien en de druk op de woningmarkt te verlichten is in Koers 2025 een integrale en stadsbrede inventarisatie gemaakt van concrete en mogelijke woningbouwlocaties. De ontwikkelstrategie richt zich primair op het realiseren van voldoende woningen in kwalitatief hoogwaardige, gemengde stedelijke milieus. Daarin worden drie typen onderscheiden: grootstedelijke centra, gemengde stadsbuurten en groenblauwe woonbuurten. Deze drie milieus worden gekenmerkt door een zeer uiteenlopende dichtheid en functiemenging. Om te kunnen bepalen waar in de nabije toekomst woningbouwprojecten gerealiseerd kunnen worden, zijn de lopende én de mogelijke gebiedsontwikkelingen in kaart gebracht. Het geheel van mogelijk te ontwikkelen locaties wordt strategische ruimte genoemd. Die ruimte is opgedeeld in 17 bouwstenen: pakketten van samenhangende projecten met gerelateerde infrastructurele maatregelen en planologische-juridische condities.

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 53

Figuur 4.6 - Projectvoorstellen Koers 2025 Het Havenstraatterrein is onderdeel van bouwsteen Schinkelkwartier (zie figuur 4.6) en getypeerd als milieutype '(gemengde) stadsbuurt'. Daarbinnen is het Havenstraatterrein aangewezen als lopend project. Het Schinkelkwartier is aangewezen als gebied waarvoor een gebiedsuitwerking wordt opgesteld, gericht op nieuwe projecten. De locatie van de GVB tramremise Havenstraat is aangeduid als strategische ruimte ten behoeve van gebiedsontwikkeling na 2020. In dat kader wordt onder meer onderzocht of toekomstige verplaatsing van de tramremise Havenstraat tot de mogelijkheden behoort. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. 4.2.8

Stad in Balans

Startdocument 2015 In het 'Startdocument Stad in Balans' (mei 2015) is een begin gemaakt met het bepalen van de koers en het formuleren van ambities die eraan bijdragen dat Amsterdam en de metropoolregio aantrekkelijk blijven voor alle gebruikers en voor bewoners in het bijzonder. Eén van de voordelen van de groei van de stad, is dat de reeds aanwezige druk op de binnenstad ruimtelijke, economische en sociale ontwikkelingen stimuleert in andere delen van de stad. Dit heeft echter ook een keerzijde, namelijk dat de druk op de schaarse ruimte ook daar groter wordt en het evenwicht tussen wonen, werken en recreëren verstoord kan worden. Enerzijds is er behoefte om positieve ontwikkelingen voor de stad te ondersteunen en anderzijds moet de regelgeving toegerust zijn op het bestrijden van nadelige effecten zoals monocultuur en een (te) eenzijdig aanbod van voorzieningen. In Stad in Balans is de koers uitgezet om de balans tussen rust en drukte, tussen wonen, werken en recreëren en tussen het profijt en de hinder te bewaren. De koers bevat vier strategische richtingen met Gemeente Amsterdam

blz. 54

betrekking tot de thema's verplaatsen, verblijven en recreëren om de groei van Amsterdam en de regio in goede banen te leiden: meer kwaliteit en diversiteit van het winkel- en voorzieningenaanbod; verminderen van overlast en stellen van grenzen; spreiden van bezoekers over de stad en regio; creëren van meer ruimte op straat in drukke gebieden. Stad in Balans vormt een eerste aanzet om de gemeentelijke ambities, doelen en werkwijzen in beeld te brengen. Een aspect dat veel aandacht krijgt in Stad in Balans is de druk op het schoon en heel houden van de openbare ruimte. Het bestemmingsplan is in het algemeen niet het instrument waarbinnen het schoon en heel houden van de openbare ruimte wordt geregeld, maar het bestemmingsplan vormt hiertoe ook geen belemmering. Monitoring Vanuit Stad in Balans is in samenhang met andere monitoren - zoals de Veiligheidsindex en de bereikbaarheidsmonitor - gewerkt aan een monitor die zich richt op de onderwerpen die in het startdocument zijn beschreven. Stand van de Balans (juni 2016): De monitor 'Stand van de Balans' (juni 2016) laat aan de hand van objectieve en subjectieve indicatoren de stand van de balans zien. Er wordt een beeld geschetst van hoe bewoners en ondernemers in alle delen van de stad tegen drukte en balans in Amsterdam aankijken, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar verschillende leeftijdsgroepen en gebieden in de stad.

In de monitor is ingezoomd op de 22 gebieden in Amsterdam. Vooral Centrum-West wordt als druk gezien door bewoners. In West zijn het vooral bewoners van Oud-West/De Baarsjes die het tamelijk druk vinden. Hetzelfde geldt in Zuid voor de gebieden De Pijp/ Rivierenbuurt (waarbij de drukte met name wordt ervaren in De Pijp en in mindere mate in de Rivierenbuurt). De gebieden die als het rustigst beleefd worden door bewoners zijn Gaasperdam/Driemond, Noord Oost, Noord West en Buitenveldert/Zuidas. Stadsenquête Drukte en Balans (mei 2018): Uit de Stadsenquête Drukte en Balans (mei 2018) blijkt dat de ondervraagden vinden dat het, vergeleken met 2016, drukker is geworden in de stad. In de eigen buurt is de drukte niet toegenomen. Nederlandse bezoekers en Amsterdammers zorgen iets minder voor drukte in de buurt. Stadsdeel Zuid komt, na het Centrum, op de tweede plaats als het om druktebeleving van de stad gaat. De geënquêteerden vinden dat de stadsdelen West, Zuid en (in mindere mate) Oost meer op het Centrum gaan lijken. Het draagvlak voor toerisme is laag in buurten waar het druk is. Hoe verder van het Centrum, hoe meer draagvlak er is voor toerisme. Over de hele linie genomen zijn de verschillen ten opzichte van 2016 echter klein.

Stad in Balans 2018-2022 Het programma 'Stad in Balans 2018-2022; Naar een nieuw evenwicht tussen leefbaarheid en gastvrijheid' is een uitwerking van de bestuurlijke ambities en bundelt alle afzonderlijke doelen en maatregelen uit het coalitieakkoord voor de periode 2018-2022. De gemeenteraad ontvangt halfjaarlijks een rapportage met daarin de voortgang van de doelen en maatregelen. Gedurende de looptijd wordt het programma doorlopend aangevuld met nieuwe inzichten, maatregelen, moties en initiatiefvoorstellen. De operationele uitwerking gebeurt in de verschillende betrokken beleidsportefeuilles. Het programma is complementair aan de gebiedsplannen en geeft uitwerking aan de gebiedsagenda's. Conclusie: De ontwik keling van Havenstraatterrein voorziet in kwalitatief hoogwaardige openbare ruimte en een fijnmazig netwerk voor langzaam verkeer. Met de realisatie van het Havenstraatterrein wordt een stuk stad toegevoegd met hoofdzakelijk woningen en een diversiteit aan zelfstandige, naast elkaar

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 55

bestaande niet-woonfuncties (bedrijven, horeca, culturele voorzieningen, maatschappelijke voorzieningen waaronder een basisschool, consumentverzorgende dienstverlening en detailhandel). Voor deze niet-woonfuncties gelden maximale maten per vestiging en geldt per gebruikstype een beperkt totaal maximum vloeroppervlak. De niet-woonfuncties zullen daarmee kleinschalig van aard zijn en zich daarmee vooral richten op de bewoners van het Havenstraatterrein zelf. Het bestemmingsplan maakt geen vestiging van toeristische voorzieningen en grootschalige publiekstrekkers mogelijk. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de doelstellingen van Stad in Balans. 4.2.9

Welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam 2016

De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 14 september 2016 de welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam 2016' vastgesteld. In deze nota zijn de inhoudelijke gronden van het welstandstoezicht opgenomen en is inzichtelijk gemaakt wat de toetsingscriteria zijn waarop een bouwplan wordt beoordeeld. Uitgangspunt van de welstandsnota is de verdeling in ruimtelijke systemen (zones waarin de bebouwing een gelijksoortig karakter heeft). Voorbeelden van ruimtelijke systemen zijn: Binnenstad, Gordel 20-40, tuindorpen, woongebieden na 1985 en de IJ-landen. Aan de verschillende ruimtelijke systemen /gebieden zijn passende uitgangspunten en welstandscriteria gekoppeld. Zowel bestemmingsplannen als welstandsnota's doen uitspraken over de ruimtelijke kwaliteit. Het bestemmingsplan geeft de primaire voorschriften: het regelt dat er een bouwwerk met een bepaalde functie en van een bepaalde omvang op een locatie mag komen. Aanvullend op het bestemmingsplan geeft de welstandsnota aanwijzingen voor het uiterlijk van een bouwwerk (secundaire voorschriften). Bouwaanvragen zullen voor dit plangebied getoetst worden aan de uitgangspunten uit de Welstandsnota. Dit bestemmingsplan vormt het juridisch-planologische kader waar in de advisering door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) tevens rekening mee moet worden gehouden.

Conclusie: Het bestemmingsplan sluit aan bij dit gemeentelijk beleid, voor het Havenstraatterrein wordt een nieuw welstandskader vastgesteld. 4.2.10 Gebiedsagenda Oud-Zuid 2019-2022 De gebiedsagenda's 2019-2022 van het stadsdeel bevatten de belangrijkste opgaven voor Oud-Zuid, op basis van gebiedsanalyses, specifieke gebiedskennis en bestuurlijke ambities. In de Gebiedsagenda's is het Havenstraatterrein opgenomen als onderdeel van het gebied 3. Oud-Zuid.

Gemeente Amsterdam

blz. 56

Figuur 4.7 - Gebied Oud-Zuid en de ligging van het Havenstraatterrein Voor gebied Oud-Zuid zijn in de Gebiedsvisie de volgende prioriteiten opgenomen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

een aantrekkelijke en duurzame leefomgeving; gevarieerd woningaanbod en verbondenheid in de buurt; meer zorg voor bewoners met een verborgen ondersteuningsbehoefte; meer kansen en weerbaarheid voor kinderen en jongeren; nieuw- en verbouwplannen die goed in de leefomgeving passen; aandacht voor bijzondere plekken: Museumplein en Vondelpark.

Aan het Havenstraatgebied wordt in de Gebiedsagenda specifiek aandacht gegeven onder prioriteit '5. Nieuw- en verbouwplannen die goed in de leefomgeving passen'. Aangegeven is dat "in en rondom Oud-Zuid de komende jaren veel wordt gebouwd en verbouwd. Particuliere eigenaren investeren in hun vastgoed en maken plannen voor het vergroten of veranderen van hun panden. Daarnaast worden in het kader van 'Koers 2025 - Ruimte voor de Stad' plannen voorbereid voor de zuidwestkant van Oud-Zuid. In het Havenstraatgebied worden vanaf 2019 vijfhonderd woningen, een basisschool en voorzieningen gebouwd. De British School zal zich vestigen in het voormalige Huis van Bewaring. Daarvoor is een verbouwing noodzakelijk." Met betrekking tot het Havenstraatgebied zijn vervolgens de volgende twee doelstellingen opgenomen: Doelstelling 5.1 Aandacht voor overlast door bouwwerkzaamheden en veranderingen aan panden: Voor de overlast door bouwwerkzaamheden in het Havenstraatgebied en het bouwproject van de British School worden maatregelen genomen. Doelstelling 5.2 Oud-Zuid is goed bereikbaar en biedt ruimte aan openbaar vervoer en langzaam verkeer: Het Havenstraatgebied wordt ontwikkeld en het Schinkelkwartier wordt getransformeerd tot een gemengd woon-werkgebied. De nieuwe gebieden dienen goed bereikbaar te zijn voor auto- en langzaam verkeer, maar ook met het openbaar vervoer.

Bovendien is een goede verkeersverbinding met de westzijde van de stad van belang. Daarom wordt de mogelijkheid onderzocht om een brug aan te leggen over de Schinkel. Conclusie:

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 57

Het bestemmingsplan sluit aan op de gebiedsagenda. Voor meer concrete acties wordt hier verwezen naar het Gebiedsplan 2020.

4.3

Wonen

4.3.1

Nationale woonagenda 2018-2021

De Nationale Woonagenda 2018-2021 bevat de volgende (hoofd)doelstellingen: 1. meer woningen bouwen (versnellen en vergroten aanbod): om de woningbehoefte op de korte termijn tegemoet te komen, moeten er de komende jaren meer woningen worden gebouwd en bestaande plannen worden versneld; 2. betaalbare woningen: een woning moet passen bij de financiële mogelijkheden van mensen; 3. beter benutten bestaande voorraad: omdat nieuwbouw alleen de grote woningbehoefte niet kan oplossen, is het van groot belang om de bestaande voorraad zo goed mogelijk te benutten. Dit bestemmingsplan draagt bij aan deze doelstellingen. Met de ontwikkeling van het Havenstraatterrein wordt het woningaanbod vergroot, worden woningen ontwikkeld met een grote verscheidenheid aan woonvormen (variërend van appartementen tot eengezinswoningen, huur en koop) en de ontwikkeling kan bijdragen aan het beter benutten van de bestaande voorraad doordat Amsterdammers die naar het gebied verhuizen een lege woning achterlaten die weer kan worden bewoond door bewoners die in die leeg gekomen woningen passend wonen. Conclusie: Het bestemmingsplan sluit aan bij de doelstellingen in de Nationale woonagenda. 4.3.2

Provinciaal woonbeleid

Het provinciaal woonbeleid is onderdeel geworden van de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050. De ambitie van de provincie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Het Havenstraatterrein maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt. De provincie zet zich vooral in als procesleider, aanjager en expert. Vanuit die rol stuurt de provincie aan op het maken van bestuurlijke afspraken. Gemeenten maken regionale afspraken over woningbouw, die passen binnen de woningbehoefte en mogelijkheden, waarin de speerpunten en opgaven uit het provinciale woonbeleid verder worden uitgewerkt. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit provinciaal beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 58

4.3.3

Regionaal Actieprogramma Wonen 2016-2020

In 2016 heeft de provincie Noord-Holland de gemeenten in de (toenmalige) Stadsregio Amsterdam gevraagd om, in navolging van de provinciale Woonvisie 2010, een Regionaal Actieprogramma Wonen (RAP) op te stellen voor de periode 2016 tot 2020. Het RAP bevat de thema's woningbouwproductie, betaalbare voorraad en woonruimteverdeling. Dit zijn de thema's waarop de gemeenten op het gebied van de woningmarkt willen blijven samenwerken. Aanvullend op het RAP hebben de drie deelregio's Amstelland-Meerlanden, Zaanstreek-Waterland en Amsterdam in de Oplegger Regionaal Actieprogramma Wonen 2016-2020 (juli 2017) een aanvulling gegeven op het regionale bouwprogramma. In de oplegger is onder meer in beeld gebracht wat de actuele woningbehoefte is, hoeveel plancapaciteit er op binnenstedelijke locaties is en hoeveel potentiële buitenstedelijke woningbouwplannen er zijn tot 2025. Uit de kwantitatieve en kwalitatieve match tussen vraag en aanbod blijkt dat er regionaal een tekort aan harde plancapaciteit is van ruim 17.000 woningen, in vrijwel alle marktsegmenten. Daarmee is voor binnenstedelijke plannen de actuele regionale kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aangetoond. Geconstateerd wordt dat de ontwikkeling van buitenstedelijke plannen van belang is om te voorzien in de actuele woningbehoefte en dat niet alle woningbehoefte binnenstedelijk kan worden opgevangen.

Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit regionaal beleid. 4.3.4

Woonagenda 2025

Het Amsterdamse woonbeleid tot 2025 wordt gevormd door de Woonagenda, die op 19 juli 2017 door de gemeenteraad is vastgesteld. De Woonagenda 2025 is een kaderstellend en richtinggevend document voor het woonbeleid tot 2025. Het heeft als uitgangspunten voldoende, betaalbare en goede woningen en bevat 25 acties tot 2025. De Woonagenda zet in op voldoende, betaalbare en goede woningen in 2025 en bevat nieuwe stedelijke uitgangspunten voor woningbouwprogrammering. Voor het uitgangspunt 'voldoende woningen' is de ambitie om de woningvoorraad en woningbehoefte in 2025 beter op elkaar te laten aansluiten. De meest in het oog springende actie uit de Woonagenda 2025 is het nieuwe stedelijke uitgangspunt voor de woningbouwprogrammering: 40 procent sociale huur, 40 procent middelduur (huur en koop) en 20 procent dure huur en koop. Het college van B&W heeft spelregels vastgesteld om de programmering van 40-40-20 op een goede wijze toe te passen in projecten. Het uitgangspunt 40-40-20 is niet van toepassing op ruimtelijke projecten waarvoor reeds investeringsbesluiten zijn genomen. Dit vanwege de contractuele relaties met ontwikkelende partijen, het financiële effect op de grondexploitatiebegroting en het voorkomen van vertraging in de woningbouwproductie bij herziening van de plannen.

Omdat voor het Havenstraatterrein reeds een investeringsbesluit is genomen, waarin wordt uitgegaan van de verhouding 30-50-20, is het stedelijke uitgangspunt 40-40-20 niet van toepassing. Het stedelijk kader voor particuliere transformaties is een uitwerking van de Woonagenda 2025 voor wat betreft particuliere initiatieven en bevat de stedelijke kaders voor de realisatie van sociale nieuwbouw en/of middensegment huurwoningen in particuliere plannen. Net zoals de gemeente bij uitgifte van gemeentelijke grond stuurt op woningdifferentiatie, wil de stad ook in de plannen van particulieren, waarbij geen sprake is van nieuwe gronduitgifte maar van eigen grond van particulieren of een reeds bestaand erfpachtcontract, een gedifferentieerd aanbod in de verhouding 40-40-20 bewerkstelligen (met bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10878298/1