6.a - Bijlageboek bij NvU Definitieve Tramstalling Zeeburgereiland.pdf
Tekst van het document
Bijlage 1 Bijlageboek onderzoeksresultaten
Onderdeel van NvU – Definitieve IJtramstalling Zeeburgereiland PBI-fase 2 vs 2.0 datum: 27-05-2024
Inhoudsopgave Onderwerp studie
Titel
Spoorontwerp variant 1 ‘uitbreiding huidige stalling Baaibuurt Oost’ + Memo spoorontwerp uitbreiding stalling Baaibuurt
M04 Spoorontwerp BBU_Var1 def 20220922 + WP1-1A C20-PGR-HS-MEMO-22005232 memo spoorontwerp uitbreiding stalling Baaibuurt incl. bijlage
Spoorontwerp variant 2 ‘nieuwe inpandige stalling Baaibuurt Oost’
M05 Spoorontwerp BBU_Inp def 20220922
Spoorontwerp Oostpunt + Memo spoorontwerp stalling Oostpunt
M01 Spoorontwerp Oostpunt OPT def 20221014 + WP1-3A C20-PGR-HS-MEMO22004851……’
Notitie Wonen boven stalling
WP 2 – Notitie Wonen Boven Stalling_ v3.0 (incl bijlagen)_12102022
Advies constructie afscherming tramstalling
WP1-3B 1-3C 1-4A D90-LKL-HS-MEMO-22005177 Oostpunt v1.0
Advies fasering van de huidige naar de uitgebreide stalling
WP1-1B C20-PGR-HS-MEMO-22005415 memo fasering spoorontwerp baaibuurt incl. bijlage
Advies globale effecten op de waterkwaliteit
WP1-3E Advies waterkwaliteit_B85-MJH-HS-MEMO-22004996 v1.0
Toets aantasting NNN-zone
WP1-3F_Toets aantasting NNN-zoneB85--HS-MEMO-22004776 _V6_DEF
Geotechnisch advies voor het beschermen van de bestaande 150 kV boringen
WP1-3D D80-MU-HS-MEMO-22004707_Zeeb_geot_aspe_1_0
Omgevingsscan
M03 Omgevingsscan Zeeburgereiland_20220822_A30--HS-RAP-2204680_v1.1
Advies constructie van een mogelijke toekomstige overbouwing
Zie ‘WP1-3B 1-3C 1-4A D90-LKL-HS-MEMO-22005177 Oostpunt v1.0’
3D visualisatie variant 1 uitbreiding huidige stalling Baaibuurt Oost
WP1-1D ZBE_Baaibuurt_Tramstalling_v2.0
3D visualisatie variant 2 nieuwe inpandige stalling Baaibuurt Oost
WP1-1D ZBE_Baaibuurt_Tramstalling_v2.0
3D visualisatie variant 3 maaiveldstalling Oostpunt
WP1-3G 3D Visual ZBE_Oostpunt_Tramstalling_Basis_en_Plus_nov2022
3D visualisatie variant 4 inpandige stalling Oostpunt
WP1-3G, 3D Visual ZBE_Oostpunt_Tramstalling_Basis_en_Plus_nov2022
Toelichting extra kosten bouwrijp maken van Oostpunt ten behoeve van variant 3
Memo Onderlegger extra kosten bouwrijp maken Oostpunt t.b.v. tramstalling variant 3
2
MEMO
AAN VAN TELEFOON KENMERK PROJECTNUMMER STATUS VERSIE ONDERWERP DATUM
SCJE Jansen Griffioen PG (Pieter) 06-51391145 C20-PGR-HS-MEMO-22005232 MN003921 Vrijgegeven 1.0 Memo spoorontwerp uitbreiding stalling Baaibuurt 30 september 2022
Inleiding In 2020 is de bestaande tramstalling in Baaibuurt Oost uitgebreid en vernieuwd. Dit is een sober ingerichte voorziening met opstelplaatsen voor 32 tramstellen voor de IJtram, waarbij de voorzieningen een geplande levensduur hebben van 10 à 15 jaar. Op termijn zal deze stalling moeten worden vervangen door een toekomst vaste stalling, die past binnen de stedenbouwkundige ontwikkeling van het Zeeburgereiland. Voor de uitbreiding van de stalling in de Baaibuurt is een schetsontwerp spoor opgesteld. Hierbij zijn twee varianten opgesteld. In dit memo wordt een toelichting gegeven op deze twee ontwerpen. Hierbij komen opeenvolgend de uitgangspunten, ontwerpbeschrijving en aandachtpunten aan bod.
Uitgangspunten Aan de voorkant zijn de volgende uitgangspunten voor het schetsontwerp spoor door opdrachtgever meegegeven, waarvan enkele uitgangspunten naderhand gewijzigd zijn. Waar dit van toepassing is, is dit aangegeven. - 13 opstelsporen van 62+62+3=127m lengte, later gewijzigd naar ruimte voor 38 trams voor de IJtram met een uitbreidingsmogelijkheid van 16 trams voor een toekomstige nieuwe tramlijn; - Onderlinge spoorafstand van 2x1,40m(PVR)+1,80m tussenruimte=4,60m; - Rekening houden met 2 stuks kolomrijen tussen de sporen van tenminste 60cm breed; - 2 werkplaatssporen voor gekoppelde trams 62m lang; - Toepassen tongbeweging met radius Rh=25m, bij hoofdrijroute (rondrijden) Rh=50m; - Het moet mogelijk zijn om rond te rijden; - 2 zijdige ontsluiting op de IJburglaan; - Wasinstallatie bij binnenrijden; - Zandvulinstallatie bij uitrijden; - Rekening houden met toekomstige bouwblok op de hoek IJburglaan met Zuiderzeeweg en bouwblok op de hoek van IJburglaan met doorgetrokken Bob Haarmslaan;
1/6
MEMO
-
In deze fase wordt geen rekening gehouden met parkeren; later gewijzigd: benodigde ruimtereservering voor parkeren opgenomen.
Verder zijn in deze memo de KES-eisen en de OVNS eisen gehanteerd. Hierbij zijn de volgende documenten aangehouden:’ -
OVNS Tram Infrastructuur versie 2.0, d.d. 01-12-2016; 100% versie van de KES en dan specifiek de eisen van GVB exploitatie. Toelichting: eisen van andere stakeholders bevatten geen (aanvullende) eisen t.a.v. het spoorontwerp
Ontwerpbeschrijving Variant basis De layout van de basis variant is zodanig opgebouwd dat vanaf de oostzijde eerst twee sporen worden bereikt welke als wasspoor en eventueel zandvulspoor kunnen worden ingericht. Hierbij is tussen deze twee sporen en de doorgaande exploitatie sporen maar een beperkte lengte beschikbaar voor opstellen wanneer het was- of zandvulspoor bezet is. Er past nu net een voertuiglengte van 62 m op, maar hierbij worden wel diverse wissels van het remiseterrein bezet gehouden. De hoofdbaan blijft wel net vrij. De positie van de tramstallingsdeuren is in deze fase nog niet vastgesteld. Bij positionering van de tramstallingsdeuren tussen de keerlus en het hoofdspoor, wat een logische keuze lijkt, kan geen gekoppelde tram opgesteld worden tussen hoofdspoor en de tramstalling. Om het was- of eventueel zandvulspoor vanaf de westzijde te bereiken dient eerst rondgereden te worden. Na de zandvul- en wasinstallatie wordt vervolgens de opstelbundel bereikt. Deze opstelbundel kent aan de buitenzijde een omrijdspoor. Vanaf de opstelbundel zijn de Quick-service sporen bereikbaar. Vanwege de relatief lange lengte die deze onderhoudssporen nodig hebben is de aansluiting aan één zijde gerealiseerd. Vanwege de beperkte ruimte is een dubbelzijdige ontsluiting niet inpasbaar. Vanaf deze Quick-service sporen dient het voertuig weer achteruit naar de opstelbundel te rijden.
Door de zuidelijke ligging van de opstelbundel kunnen daar sporen toegevoegd worden naar gelang extra capaciteit nodig is. Door de indeling van het terrein ontstaat wel een conflict met de ruimtereservering voor een toekomstige watergang en weg aan de zuidoost kant. De aansluiting op de exploitatiesporen is uitgevoerd met vignolerailwissels en kruising 1:9 zoals nu ook aanwezig is. Hiermee wordt een mogelijke snelheidsbeperking in de exploitatie voorkomen. Variant optimalisatie Deze optimalisatie variant is vergelijkbaar met de basis variant maar is de opstelbundel aan de zijde van het exploitatiespoor gelegd en de werkplaats en wasinstallatie aan de zuidzijde. In deze variant is er voldoende wachtruimte voor voertuigen wanneer het wasspoor en/of eventueel zandvulspoor bezet is.
C20-PGR-HS-MEMO-22005232 / Vrijgegeven / Versie 1.0
2/6
MEMO
Wanneer een voertuig vanaf de oostzijde het terrein betreed komt deze eerst over het omrijdspoor wat ook als wachtspoor kan dienen. Vervolgens rijdt het voertuig door de lus en bereikt de wasinstallatie. Door nogmaals een lus te bereiden komt het voertuig op de opstelbundel. Bij vertrek dient nogmaals via de lus gereden te worden. Hierbij is bij het uitrijden mogelijk om op één centrale plek een zandvulinstallatie te plaatsen. Wel kent dit ontwerp relatief lange rijtijden over het terrein. Een aandachtspunt is het (beperkte) conflict met het bouwblok naast de Bob Haarmslaan. De aansluiting op de exploitatiesporen is uitgevoerd met vignolerailwissels en kruising 1:9 zoals nu ook aanwezig is. Alleen het wissel vanaf het terrein naar het oosten in de explotatiesporen is uitgevoerd als vignolerailwissel 1:6 (Rh=100m) vanwege de beperkte ruimte die hier aanwezig is. Er ontstaat op maaiveld wel minder ruimte voor het bouwblok Bob Haarmslaan dan bij toepassing van een groefrailwissel. Bij toepassing van een 1:6 vignolerailwissel dient de overgang van groef- naar vignolerail, evenals de overgang beton naar ballast, in een krappe boog plaats te vinden. Er dienen afwijkende gebogen overgangsspoorstaven te worden toegepast. Omdat de rijrichting in de richting van de vignolerail plaatsvindt is er geen vergroot ontsporingsrisico. Wel dient de constructieovergang goed beschouwd te worden.
Deze voldoet niet aan OVNS eis TG.037.
Generiek Voor beide varianten geldt dat de wissels van de gehele locatie uitgevoerd zijn als tongbeweging R=25 m. Hierbij wordt vermeden dat wissels als wisselkam met enkele tongen worden toegepast. Dit zou namelijk resulteren in veel hogere bouwen onderhoudskosten en hoger ontsporingsrisico. De tongbeweging Rh=25m is geen standaard binnen GVB maar wel buiten Amsterdam. Vanwege de beperkte ruimte is het zeer wenselijk om deze toe te passen. De vorm van het wisselcomplex dat ontstaat is vergelijkbaar met alle recente en toekomstige remiseombouwprojecten in Den Haag. Voor de doorgaande rondrijroute zijn standaard tongbewegingen Rh=50m als uitgangspunt gekozen. De aansluiting op de exploitatiesporen is uitgevoerd met vignolerailwissels 1:9 zoals nu ook aanwezig. Hiermee wordt een mogelijke snelheidsbeperking voorkomen. Alle bogen zijn uitgevoerd in straal Rh=25m of groter. Alleen de meest westelijke toeleidende boog (vanaf west/ CS) is uitgevoerd als Rh=22m. Vanwege de aangepaste ligging van het vignolerail-complex in de exploitatiesporen aan de westzijde is een grotere boogstraal niet goed inpasbaar. Een grotere boogstraal is hier alleen mogelijk als het ruimtebeslag van het remise terrein 4 m breder wordt of dat minimaal één wissel in de hoofdbaan wordt uitgevoerd in een andere hoekverhouding (mogelijk 1:6) of in groefrail wordt uitgevoerd.
Van de volgende OVNS eisen wordt afgeweken. Hierbij zijn alleen de eisen beschouwd waar het SO voldoende diepgang kent. TG.016 Overgangsbogen dienen te zijn toegepast: Bij groefrail: als Rh<750 m, Bij vignolerail: als ∆a>0,20 m/s²
C20-PGR-HS-MEMO-22005232 / Vrijgegeven / Versie 1.0
3/6
MEMO
Afwijking: Bij het ontwerp is vanwege het remise-karakter uitgegaan van een alignement zonder overgangsbogen. In de vervolgfase kan, voor druk bereden delen, het ontwerp verder uitgebreid worden met overgangsbogen. TG.037 Een overgang tussen trambaanconstructies dient te liggen in een rechtstand van het horizontale alignement. Afwijking: Door de combinatie van een vignolerail wissel in hoofdbaan en beperkte ruimte dient in de optimalisatie variant een constructieovergang in een boog te liggen. Veel KES eisen dienen in een latere fase, of met andere producten ingevuld te worden. In bijlage 1 is een overzicht van de KES-eisen opgenomen met daarbij aangegeven in hoeverre het spoorontwerp invulling is gegeven aan de eisen. Hieronder zijn enkele bijzonderheden toegelicht. -
-
-
-
-
-
-
-
De boogstraal in de keerlussen is ontworpen op boogstraal van 25m. Dit voldoet aan eis KES-0240: De minimale boogstraal van de keerlussen is 25 meter. Alleen de meest westelijke toeleidende boog (vanaf west) is uitgevoerd als Rh=22m. Conform OVNS-eis TG.015 is een minimale boogstraal van Rh=20m noodzakelijk. Door toepassing van een dubbele boog en een rondrijdspoor is het mogelijk om rond te rijden. Dit voldoet aan eis KES-0246: De tramstalling dient voorzien te zijn van een rondrijdspoor. Het spoor heeft in beide richtingen een apart in- en uitrijdspoor. Hiermee wordt voldaan aan KES-0331 In beide richtingen dient een apart in- en uitrijdspoor aanwezig te zijn. Het spoorontwerp is voorzien van 14 opstelsporen voor elk 4 tramstellen, wat uitkomt op een opstelcapaciteit van 56 tramstellen. Dit zijn er 2 meer dan eis KES-0348 De tramstalling dient 38 trams te huisvesten, met een ruimtereservering voor 16 extra trams. Dit voldoet tevens aan eis KES0182 De tramstalling dient voldoende ruimte te bieden voor alle trams van de IJtram en een gedeelte van de trams voor een door te trekken tramlijn 1 of 3. Tussen de sporen is rekening gehouden met looppaden van 1,80m breed. Dit voldoet aan eis KES-0346 De looppaden dienen ter plaatse van de opstelplaatsen te voorzien in een breedte van minimaal 1,80 meter.
Op 2 plaatsen is de ruimte tussen de opstelsporen vergroot naar 5,30m zodat er ruimte aanwezig is voor kolomplaatsing van 70 cm breed. In het ontwerp zijn 2 sporen voor quick-service opgenomen. Dit voldoet aan eis KES-0188 De tramstalling dient voorzien te zijn van een Quick Service spoor met voldoende ruimte voor twee gekoppelde trams. en eis KES-0249 Er dient een ruimtereservering te zijn voor 1 extra Quick Service werkspoor met kuil en dak faciliteit. Er is ruimte voor een wasinstallatie. Hiermee kan invulling gegeven worden aan eis KES-0173 De tramstalling dient schoonmaken van trams te faciliteren en voorzien te zijn van een wasstraat met graffiti reinigingsplek. Via een passeerspoor kan de wasinstallatie gepasseerd worden. Het is mogelijk om dit passeerspoor uit te rusten met een zandvulinstallatie. Hiermee wordt bij de basis variant niet voldaan aan KES-0264 Wens: Bij
C20-PGR-HS-MEMO-22005232 / Vrijgegeven / Versie 1.0
4/6
MEMO
-
-
het uitrijdspoor dient een zandvullocatie van minimaal de lengte van twee gekoppelde trams te zijn. Om zand te vullen bij uitrijden zal een extra ronde gereden moeten worden op de stalling. De wens voor een 2e zandvullocatie is niet concreet ingevuld (KES-0333 Wens: de stalling voorzien van twee parallelle zandvullocaties. ) Het is mogelijk om 1 van de opstelsporen of het omrijdspoor te voorzien van een zandvulinstallatie. Het is dan wel nodig om bij uitrijden een extra ronde te rijden. De positie van de tramstallingsdeuren is in deze fase nog niet vastgesteld. Bij positionering van de tramstallingsdeuren tussen de keerlus en het hoofdspoor, wat een logische keuze lijkt, kan in de basivariant geen gekoppelde tram opgesteld worden tussen hoofdspoor en de tramstalling. Hiermee wordt niet voldaan aan eis KES-0259 De verbindingsporen tussen het netwerk en de tramstallingdeuren dienen voldoende lengte te hebben om tramverkeer op het hoofdspoor niet te hinderen.
Aandachtspunten voor verdere uitwerking Bij de verdere uitwerking in een vervolgfase dienen de volgende aandachtspunten meegenomen te worden: - Een deel van de KES-eisen is ingevuld. In latere fase dient er invulling gegeven te worden aan alle KES eisen; - De inpassing van beveiligingselementen is nog niet meegenomen. De inpassing dient met de betreffende ontwerpende partij te zijn afgestemd; - Door de PVR-verruiming van bogen kunnen enkele service perrons over de eerste ca. 10 m een vergrote afstand tot het spoor en voertuig krijgen. De precieze toename en consequenties dienen nader bepaald te worden; - Een mogelijk effect op het dijklichaam Zuider IJdijk is geen scope van dit onderzoek en daarmee ook niet beschouwd. In een volgende fase dient dit nader onderzocht te worden.
Met vriendelijke groet, Griffioen PG (Pieter) Adviseur Lightrail
C20-PGR-HS-MEMO-22005232 / Vrijgegeven / Versie 1.0
5/6
MEMO
Bijlage 1
C20-PGR-HS-MEMO-22005232 / Vrijgegeven / Versie 1.0
6/6
Deelproject
Eis-ID
Eistitel
Eistekst
Toelichting
Organisatie
Tramstalling
KES-0346
Breedte looppad
De looppaden dienen ter plaatse van de opstelplaatsen te voorzien in een breedte van minimaal 1,80 meter
De opsluitband telt mee in de breedte van het looppad
Legmeerpolder GVB - Vervoer Integraal Voldoet Exploitatie ontwerp
Tramstalling
KES-0342
Doorlooplengte tram opstelplaatsen
De doorlooplengte tussen iedere gekoppelde set (van 2 trams) dient 3 meter te zijn.
GVB - Vervoer Exploitatie
Voldoet
Tramstalling
KES-0333
Afstand tot autoparkeerplaatsen
Wens: Autoparkeerplaatsen dienen binnen Wanneer parkeerplaatsen niet inpandig of binnen het afgesloten een loopafstand van 50 meter van het terrein gerealiseerd kunnen worden. afgesloten terrein van de tramstalling te zijn.
GVB - Vervoer Exploitatie
Voldoet
Tramstalling
KES-0332
Aantal zandvullocaties
Wens: de stalling voorzien van twee parallelle zandvullocaties.
GVB - Vervoer Exploitatie
Voldoet
Tramstalling
KES-0331
Dubbel in-en uitrijdspoor
In beide richtingen dient een apart in- en uitrijdspoor aanwezig te zijn.
GVB - Vervoer Exploitatie
Voldoet
Tramstalling
KES-0330
Schoonmaken trams: waterpunten
Langs elk opstelspoor dient zich een waterpunt te bevinden voor interieurschoonmaak.
GVB - Vervoer Exploitatie
Latere fase
Zandvullocatie
Wens: Bij het uitrijdspoor dient een zandvullocatie van minimaal de lengte van twee gekoppelde trams te zijn.
Zandvullen is de verantwoordeljkheid van de bestuurder, daarom positie vulstation bij het uitrijdspoor.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Voldoet niet Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Vignolespoor heeft meer beperkingen op wissels (passeersnelheid en hoekverdraaiing) en boogstralen.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Voldoet Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Bijlage 1
KES-0264
KES-0261
KES-0260
KES-0259
KES-0258
Dit is afhankelijk van het spoorontwerp.
Bron
Schetsontwerp uitbreiding stalling Baaibuurt versie 22-9-2022
Spoor in groefrail
Spoor in de tramstalling dient te worden uitgevoerd met groefrail
Gebruik verbindingssporen
De verbindingsporen tussen het exploitatiespoor en de tramstalling dienen Om verstoring van de dienstregeling door ander verkeer te alleen door trams gebruikt te worden, zonder voorkomen. medegebruik door andere functies.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Voldoet Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Lengte verbindingssporen
De verbindingsporen tussen het netwerk en de tramstallingdeuren dienen voldoende lengte te hebben om tramverkeer op het hoofdspoor niet te hinderen.
Om verstoring van de dienstregeling door wachtende of langzaam oprijdende trams te voorkomen.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Voldoet niet Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Er dienen minimaal 57 autoparkeerplaatsen aanwezig te zijn, waarvan minstens 38 dedicated (niet op het stallingsspoor)
Bijpraatsessie 1/3e van de parkeerplaatsen kan op lege tramsporen, mits dit niet tot met GVB hinder leidt. Parkeren voor lijnmanagent, schoonmakers (nachtwerk), GVB - Vervoer (toekomstige Voldoet bestuurders en conducteurs van eerste en laatste ritten (dan is nog Exploitatie gebruikers) op geen OV beschikbaar 16 nov 2020)
Autoparkeerplaatsen
Opmerking
Elk opstelspoor is 127m lang
Geen 2e dedicated spoor voor zandvullen
Voldoet niet bij basisvariant. Bij variant optimalisatie wel inpasbaar.
Positie tramstallingsdeure n zijn niet bepaald, maar ruimte is te beperkt.
Pagina 1 van 7
Deelproject
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Bijlage 1
Eis-ID
KES-0257
KES-0256
KES-0255
KES-0254
KES-0253
KES-0252
KES-0251
Toelichting
Organisatie
Bron
Schetsontwerp uitbreiding stalling Baaibuurt versie 22-9-2022
Eistitel
Eistekst
Opmerking
Quick Service spoor
Naast QS spoor de ruimte reserveren voor Steeds meer installaties zitten op het dak gemonteerd in plaats van een (verplaatsbare) installatie om op het dak onder de trams. EIS N.T.B. DOOR GVB van de voertuigen te werken
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Voldoet Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Vloer naast Quick Service spoor
Bij het Quick Servicespoor dient naast de Bij het Quick Servicespoor is geen kuil noodzakelijk. EIS N.T.B. DOOR wielsets een voorziening aanwezig te zijn om GVB de vloer te laten dalen.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Latere fase Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Aflossing trampersoneel
Nabij de tramstalling dient op het exploitatiespoor een voorziening te zijn om het trampersoneel af te lossen.
Alternatief is aflossing op dichtst bijzijnde tramhalte
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer Geen onderdeel (toekomstige Exploitatie spoorontwerp gebruikers) op 16 nov 2020)
Personeelstoegang
De personeelsingang dient direct aan te sluiten op de openbare ruimte.
Alle aflossing (opkomst en naar huis gaan) vindt plaats op de tramstalling omdat anders het personeel niet op dezelfde locatie kan beginnen als eindigen en dan staat hun auto of fiets ergens anders.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer Geen onderdeel (toekomstige Exploitatie spoorontwerp gebruikers) op 16 nov 2020)
Opladen fietsen en auto's
Op de parkeerlocatie voor fietsen en auto's dienen laadvoorzieningen aanwezig te zijn voor elektrisch aangedreven voertuigen.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer Geen onderdeel (toekomstige Exploitatie spoorontwerp gebruikers) op 16 nov 2020)
Technische ruimtes
De ruimtes voor opstellen van technische Onderbouwing waarom 150m2: De technische ruimte herbergt de gebouwinstallaties en systemen voor de verwarming, ventilatie, koeling, serverinstallaties, veiligheidsvoorzieningen hebben een chemie ruimte voor de wasstraat, generator voor wasstraat en totaaloppervlak van minimaal 150 m2 en zijn zandvulinstallatie, meterkast/groepenkatsen. Hier gelden ook voorzien van een logische indeling conform specifieke richtlijnen in het kader van veiligheid en milieuwetgeving. voorbeeld tramstalling Legmeerpolder. Zie specs Legmeerpolder
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Latere fase Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Ruimtereservering 150m2 opgenomen.
Tractievoeding
In de directe nabijheid of aan de buitenzijde van het gebouw dienen drie afzonderlijke 10kV of 20kV (ntb) voedingsruimtes aanwezig te zijn met daaraan gekoppeld een gelijkrichtstation. Iedere voeding + gelijkrichter heeft een oppervlak van circa 4 x 12 meter.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Latere fase Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Ruimtereservering 150m2 opgenomen.
In ruimtebelsag rekening gehouden met 3,5m ruimte aan weerszijden van de sporen.
Pagina 2 van 7
Deelproject
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling Baaibuurten
Tramstalling
Tramstalling
Bijlage 1
Eis-ID
KES-0250
KES-0249
KES-0248
KES-0247
Toelichting
Eistitel
Eistekst
Afgesloten opslag
De afsluitbare ruimtes voor opstellen van gereedschappen, opslag of geluidproducerende werkbanken of explosieve stoffen hebben een Zie specs Legmeerpolder totaaloppervlak van minimaal 150 m2 en zijn voorzien van een logische indeling conform voorbeeld tramstalling Legmeerpolder.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Latere fase Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Nood- en hulpdiensten
Binnen en buiten de tramstalling zijn op strategische locaties eenvoudig bereikbare opstelplaatsen aanwezig voor nood- en hulpdiensten.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Latere fase Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Interne hoogte wasstraat, QS en zandvullen
Bij het Quick Servicespoor, de wasstraat en Het Quick Servicespoor, de wasstraat en de zandvulinstallatie zijn de zandvulinstallatie dient de vrije hoogte tot inpandig. de draagconstructie minimaal 6 meter te zijn
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer Geen onderdeel (toekomstige Exploitatie spoorontwerp gebruikers) op 16 nov 2020)
Interne hoogte
Voor de hele stalling is een minimale hoogte van 6,5m onder de Bijpraatsessie draagconstructie voldoende exclusief luchtbehandeling, verlichting en met GVB In de tramstalling dient de vrije hoogte tot de GVB - Vervoer Geen onderdeel een eventuele kraanbaan. Grofweg komt dat neer op een totale (toekomstige draagconstructie minimaal 7 meter te zijn Exploitatie spoorontwerp hoogte van 7,0m onder de draagconstructie inclusief 0,5m voor gebruikers) op luchtbehandeling, verlichting en een eventuele kraanbaan. 16 nov 2020)
De tramstalling dient voorzien te zijn van een Een tram dient een rondje te kunnen rijden, ook als alle opstelsporen rondrijdspoor. al (deels) bezet zijn.
Organisatie
Bron
Schetsontwerp uitbreiding stalling Baaibuurt versie 22-9-2022
Rondrijdspoor
KES-0245
Bijpraatsessie Een definitieve tramstalling in de Baaibuurt Een tweede aansluiting maakt een directe verbinding voor een door te met GVB GVB - Vervoer Twee aansluitingen tramstalling Baaibuurt dient voorzien te zijn van twee aansluitingen trekken tramlijn mogelijk vanaf de Zuiderzeeweg. Dit is niet mogelijk (toekomstige Nvt voor deze locatie Exploitatie van en naar het tramnetwerk op de locatie Oostpunt. gebruikers) op 16 nov 2020)
KES-0243
Wielmeetapparatuur
Positie installatieruimtes
Besproken tijdens startgesprek tbv opstellen ontwerp. Eis geldt niet voor uitbreiding huidige stalling.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Latere fase Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Het inrijd- of uitrijdspoor dient voorzien te zijn van wielmeetapparatuur die de flenshoogte en -dikte meet evenals de wielbanddikte (loopvlak).
De installatieruimtes dienen direct aan een buitengevel geplaatst te worden.
Ruimtereservering 150m2 opgenomen.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Voldoet Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
KES-0246
KES-0244
Opmerking
Dit betreft ruimtes voor afzuiging, luchtbehandeling, vuilcontainer, container voor chemisch afval, vluchtdeuren. Dit heeft te maken met ARBO eisen.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Latere fase Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
Pagina 3 van 7
Deelproject
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Bijlage 1
Eis-ID
KES-0242
KES-0241
KES-0240
KES-0231
KES-0193
KES-0192
Eistitel
Eistekst
Daglichttoetreding
Bij de kantoorfuncties en pantry en bij het Quick Servicespoor is daglichttoetreding vereist.
Exploitatiesnelheid wissels
De aansluitwissels in het explotatiespoor van de IJtram dienen geschikt te zijn voor Deze snelheid betekent een wisselbeveiliging met een vergrendeling snelheid van 50 km/h voor doorgaande en seinen. Snelheid wissels hangt samen met omgevingsinrichting. trams.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Voldoet mogelijk Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
De minimale boogstraal van de keerlussen is Afwijking OVNS (= 20 meter voor sporen buiten exploitatie). 25 meter Mogelijkheden voor optimalisatie in volgende fase onderzoeken.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer (toekomstige Voldoet Exploitatie gebruikers) op 16 nov 2020)
De tramstalling dient geschikt te zijn voor gekoppelde trams van 62 meter lang.
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning Voldoet Exploitatie Definitieve IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
Boogstraal keerlussen
Lengte gekoppelde trams
Toegankelijkheid tramstalling
Korte en veilige looproutes
Toelichting
Organisatie
Minimaal de kantoorfuncties en pantry maar ook bij het Quick Servicespoor.
Bijpraatsessie met GVB GVB - Vervoer Geen onderdeel (toekomstige Exploitatie spoorontwerp gebruikers) op 16 nov 2020)
Uitgaande van een gekoppelde CAF.
Bron
Schetsontwerp uitbreiding stalling Baaibuurt versie 22-9-2022
De tramstalling dient toegankelijk te zijn voor trambestuurders, personeel, logistieke bevoorrading, bewakingsvoertuigen en nood- Zie specs Legmeerpolder en hulpdiensten conform voorbeeld tramstalling Legmeerpolder
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning Geen onderdeel Exploitatie Definitieve spoorontwerp IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
De personeelsverblijfsruimte dient vanaf de parkeerplaatsen en fietsenstalling via korte en veilige looproutes bereikbaar te zijn.
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning Geen onderdeel Exploitatie Definitieve spoorontwerp IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
Opmerking
Voldoet bij variant 1 en voldoet mogelijk niet bij variant 2.
Pagina 4 van 7
Deelproject
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Bijlage 1
Eis-ID
KES-0190
KES-0189
KES-0188
KES-0186
Eistitel
Eistekst
Toelichting
Organisatie
Bron
Schetsontwerp uitbreiding stalling Baaibuurt versie 22-9-2022
Opmerking
Fietsenstalling
De tramstalling dient in de directe omgeving van de personeelsverblijfsruimte te zijn Nader te specificeren in volgende fase voorzien van een fietsenstalling voor voldoende fietsen.
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning Geen onderdeel Exploitatie Definitieve spoorontwerp IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
Dienstgebouw met gescheiden ruimtes
De stalling dient te zijn voorzien van een dienstgebouw met gescheiden ruimtes voor: - het verblijven van personeel (verblijfsruimte); Zie specs Legmeerpolder. - het ruimte bieden aan technische installaties (technische ruimte); - het bieden van opslagruimte.
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning Voldoet Exploitatie Definitieve IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
Ruimteresrevin opgenomen
De tramstalling dient voorzien te zijn van 1 Quick Service werkspoor met voldoende ruimte voor twee gekoppelde trams, kuil en dak faciliteit.
Voorkeur is 2 werksporen t.b.v. gekoppelde trams
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning Voldoet Exploitatie Definitieve IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
Er zijn 2 werksporen opgenomen.
De tramstalling dient te zijn voorzien van laad- en losplaatsen voor goederen.
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke Geschikt voor een kipper truck van 35 ton en 20 meter voor het vullen GVB - Vervoer - nning Geen onderdeel van de zandsilo en geschikt voor een trekker en trailer met materialen Exploitatie Definitieve spoorontwerp van 18,5 meter + manoeuvreerruimte met een heftruck = 26 meter. IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
Quick Service spoor
Laad- en losplaatsen goederen
Pagina 5 van 7
Deelproject
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Bijlage 1
Eis-ID
KES-0185
KES-0182
KES-0179
KES-0177
Eistitel
Bereikbaarheid tramstalling
Eén tramstalling
Veiligheidseisen
Ten allen tijde voldoende opstelplaatsen
Eistekst
Toelichting
Organisatie
Bron
Schetsontwerp uitbreiding stalling Baaibuurt versie 22-9-2022
De tramstalling dient voor trams vanuit IJburg en vanuit de richting Centraal Station bereikbaar te zijn.
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning Voldoet Exploitatie Definitieve IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
De tramstalling dient voldoende ruimte te bieden voor alle trams van de IJtram en een gedeelte van de trams voor een door te trekken tramlijn 1 of 3.
Topeis. Geen verdeling van de trams over twee stallingen, zoals bijvoorbeeld in een dependance op Strandeiland.
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning Voldoet Exploitatie Definitieve IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
Topeis, nog nader te concretiseren in volgende fase: veilig werken in de stalling en verkeersveilige inpassing van de tram in het verkeer rondom de stalling. Uitgangspunt is As low as reasonably possible (ALARP)
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning latere fase Exploitatie Definitieve IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
GVB verwacht op basis van de vervoersprognose dat de huidige IJtramstalling tot 2028 voldoende capaciteit heeft. Vanaf 2028 zijn er 28 trams nodig voor de exploitatie, wat leidt tot operationele problemen.
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning Geen onderdeel Exploitatie Definitieve spoorontwerp IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
De tramstalling dient te voldoen aan alle veiligheidseisen
De tramstalling dient ten allen tijde voldoende tramopstelplaatsen te bieden voor de exploitatie van trams voor het Zeeburgereiland en IJburg.
Opmerking
Pagina 6 van 7
Deelproject
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Tramstalling
Bijlage 1
Eis-ID
Eistitel
Eistekst
Toelichting
Organisatie
Bron
Schetsontwerp uitbreiding stalling Baaibuurt versie 22-9-2022
De tramstalling dient schoonmaken van trams te faciliteren en voorzien te zijn van een wasstraat met graffiti reinigingsplek.
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning Voldoet Exploitatie Definitieve IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
Locatie personeelsverblijf
Personeelsverblijf dient in de nabijheid van de opstelsporen te zijn.
Heeft o.a. te maken met ‘wandeltijd’ van rijdend personeel
Ruimtelijke en Functionele Variantenverke GVB - Vervoer - nning Voldoet Exploitatie Definitieve IJtram-stalling: werkboek eisen en wensen
KES-0031
PVR , traminfrasysteem
Het Profiel van Vrije Ruimte van het traminfrasysteem dient geschikt te zijn voor trammaterieel met een breedte van 2,65 meter.
Voor de trams van lijn 26, vanwege een mogelijke toekomstige inzet van bredere trams met meer capaciteit.
20180416 Uitgangspunte GVB - Vervoer n OVVoldoet Exploitatie ontsluiting IJburg 2e fase
KES-0349
Quick Service werkspoor ruimtereservering
KES-0173
KES-0120
Schoonmaken trams: wasstraat
KES-0348
Stallingscapaciteit
KES-0347
Autoparkeerplaatsen reservering extra tramlijn
Opmerking
Ruimtereservering opgenomen.
Memo Er dient een ruimtereservering te zijn voor 1 Betreft een aanvulling op de scope van lijn 26 (1 werkspoor), er wordt GVB - Vervoer - Stallingscapacit extra Quick Service werkspoor met kuil en een ruimtereservering gedaan voor een mogelijk toekomstige tramlijn Voldoet Exploitatie eit Tramstalling dak faciliteit. vanuit de Indische Buurt Zeeburgereilan d Memo De tramstalling dient 38 trams te huisvesten, Deze capaciteit is inclusief reserve en op basis van Combino trams. De GVB - Vervoer - Stallingscapacit met een ruimtereservering voor 16 extra ruimtereservering is benodigd voor een mogelijk toekomstige Voldoet Exploitatie eit Tramstalling trams tramlijn vanuit de Indische Buurt Zeeburgereilan d Er dient een ruimtereservering te zijn voor 30 Betreft een aanvulling op de scope van lijn 26 (57 plaatsen), er wordt extra autoparkeerplaatsen, waarvan 20 een ruimtereservering gedaan voor een mogelijk toekomstige dedicated (niet op een stallingsspoor) tramlijn vanuit de Indische Buurt
Memo GVB - Vervoer - Stallingscapacit Voldoet Exploitatie eit Tramstalling Zeeburgereilan d
Ruimtereservering opgenomen.
Pagina 7 van 7
MEMO
AAN VAN TELEFOON KENMERK PROJECTNUMMER STATUS VERSIE ONDERWERP D AT UM
Projectteam Tramremise Zeeburgereiland Voeten SP (Stefan) 06-53214374 C60-SVO-HS-MEMO-22004976 MN003921 Vrijgegeven 3.0 Wonen boven stalling - geluid en trillingen 13 oktober 2022 Inleiding De capaciteit van de huidige tramstalling in de Baaibuurt Oost is op termijn onvoldoende. Voor een (mogelijke) nieuwe inpandige stalling in de Baaibuurt Oost wordt onder andere gekeken naar meervoudig ruimtegebruik. De stalling wordt dan overbouwd zodat op het dak andere functies kunnen worden toegevoegd. Dat kan een groen dakvlak zijn maar ook sportvoorzieningen, kantoren en/of woningen. Met name geluidsgevoelige bestemmingen1 zoals woningen, scholen en gezondheidszorginstellingen die op of rondom de stalling gebouwd worden kunnen geluid- en trillinghinder ondervinden van de stalling. Deze notitie gaat in op ervaringen met hinder van tramremises, risico’s en juridische aspecten en geeft advies over de mogelijkheid om woningbouw te combineren met een tramremise. Opmerking: niet alle vormen van hinder zijn gereguleerd. Bijvoorbeeld verkeerslawaai of tramlawaai is een gereguleerde geluidsbron en moet onderzocht worden in het kader van een nieuw bestemmingsplan zodra de planfase is afgerond, maar bijvoorbeeld booggeluid wordt gezien als een hinderlijk effect dat er niet hoeft te zijn als het spoor perfect ligt en onderhouden is. Daar gelden principes van handhaving die dan klachtgestuurd zijn.
Ligt het piepende spoor binnen een gebouw dan is het gereguleerd, ligt het een eind verderop buiten het gebouw dan is het niet gereguleerd binnen het kader van wegverkeerslawaai. Dat een geluidsbron gereguleerd is neemt niet weg dat er geluidhinder kan optreden. In de bijlage is een juridisch kader opgenomen voor het vervolg van het project en wordt tevens specifieker op geluid en trillingen ingegaan.
Ervaringen bij andere remises Om in deze fase te kunnen bepalen of woningbouw haalbaar en/of verstandig is op de toekomstige stalling in de Baaibuurt Oost zijn een aantal interviews gehouden met mensen die te maken hebben met woningen of kantoren dichtbij remises. Als eerste is gesproken met dhr. B. Warnaar, omgevingsmanager van het GVB te Amsterdam voor het aspect geluid en trillingen, vervolgens met dhr. R. vd Kolk Productiechef Trams van de RET remise Beverwaard te Rotterdam, dhr. H. 1 In wetgeving worden geluidsgevoelige bestemmingen specifiek benoemd en
beschermd met grenswaarden. Kantoren behoren daar niet toe, dit neemt niet weg dat gebruikers van kantoorruimten last van geluidhinder kunnen hebben en er bouwkundige normen voor geluidsisolatie en geluidswering van toepassing zijn. 1/14
MEMO
Bastiaanse toezichthouder bij de ODH en dhr. P. Meere projectmanager bij de HTM. Van de remises waar in de volgende paragrafen naar verwezen wordt is in bijlage II een visualisatie opgenomen. Dhr. Warnaar geeft aan dat er regelmatig klachten zijn bij situaties waar woningen nabij een stalling gebouwd zijn (voorbeelden zijn de remises aan de Havenstraat en de Lekstraat). Klachten betreffen hinder van werkzaamheden in de remise maar ook hinder van diverse geluidsbronnen zoals het in- en uitrijden van trams, stootgeluid in wissels, piepen in bogen, van bruusk remmende en daarbij piepende trams, overstand2, aan- en afvoer van materialen door vrachtwagens en busjes, of hinder doordat de onderhoudsstaat van spoor en spoorbogen niet constant goed en geluidsarm te houden is. Bedacht moet worden dat personeel ook op nachtelijke tijdstippen komt of vertrekt van de remise, bijvoorbeeld een gesprek tussen collega’s om 5u ’s nachts kan dan ook geluidhinder veroorzaken. Mensen die een nieuwbouwwoning kopen beoordelen de omgeving normaliter in de dagperiode en zijn zich dan niet bewust van de situatie in de nachtperiode. Zijn ervaringen zijn (red.) kort samen te vatten in het advies om een stalling niet te combineren met woningbouw omdat er niet te handhaven is en klachten blijven komen. Dhr. van der Kolk heeft te maken met een ander spanningsveld.
Woningen liggen bij de tramremise Beverwaard op een afstand van 75m of meer waarbij ook de A16 en de S105 voor veel omgevingslawaai zorgen. Kantoren zijn hier wel gekoppeld aan de tramremise (en werkplaats) gerealiseerd. Hinder wordt beperkt door smeerinstallaties op de bogen. Klachten kunnen zich voordoen als er gewerkt wordt met de deuren van de werkplaats open, dat zijn eenvoudig te handhaven situaties. Dhr. Bastiaanse krijgt met name klachten binnen zodra onderhoud van de remise minder adequaat wordt. De remises die gebouwd zijn met relatief krappe bogen en overgangswissels naast woningen blijven voor hinder zorgen (Meppelweg - Den Haag), daar zou bij aanleg al meer rekening mee gehouden kunnen worden. Dhr. Meere is actueel bezig met de toekomstige ombouw van de remise Scheveningen – Harstenhoek (zie bijlage II). Hij geeft aan dat bewoners in een stedelijke omgeving ook goede ov-verbindingen willen, daar horen remises met bijbehorende geluiden bij. Hij geeft aan dat interactie tussen bewoners en beheerders van groot belang is, aandacht voor maatregelen, gedrag en handhaving dragen bij aan de hinderbeleving en voorkomt klachten. Bij nieuwbouw is het van belang te letten op het feit dat het nachtelijk gebruik van een remise haaks staat op leefpatronen van bewoners. Als men naar het werk gaat is het stil op de remise, als mensen slapen is de remise druk in bedrijf.
Het aantal opstelplaatsen is ook van belang, bij relatief kleine remises tot 20 plaatsen is de problematiek kleiner en zijn de kosten relatief laag, bij grotere remises nemen de realisatiekosten kosten sterk toe vanwege de extra geluid- en trillingsmaatregelen 2 Met overstand wordt bedoeld dat een stilstaande tram niet ‘uit’ staat maar veelal
rijklaar staat waarbij met name compressoren op druk gehouden worden. Dat gaat ook gepaard met het compenseren van overdruk door een aflaatventiel dat weer gepaard gaat met geluid. C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 3.0
2/14
MEMO
die vereist zijn zodra de combinatie met geluidsgevoelige bestemmingen gerealiseerd moet worden. Wonen boven een remise is in dat opzicht af te raden3. Andere functies dan wonen zijn goed te combineren met een remise. Bij de Turfmarkt in Den Haag is geen remise maar gaat de tram onder vele gebouwen, waaronder een woongebouw door, daar is intensief gemeten in een bovengelegen woning na oplevering. Er is zeker sprake van booggeluid maar de hinder is toch beperkt, vermoedelijk speelt daar het feit dat er geen nachtelijk gebruik is en mogelijk de acceptatie dat in die omgeving stilte niet te verwachten is. De kwaliteit van de bouw kan hebben bijgedragen aan het beperken van hinder. Er zijn geen klachten bekend, niet bij de toezichthouder maar ook niet bij de HTM. Voorbeeldproject meervoudig ruimtegebruik Zwitserland Een voorbeeld uit het buitenland waar met veel aandacht een combinatie van functies is gerealiseerd met rondom geluidshinder van spoor, tram en wegen, dit betreft de tramremise Kalkbreite in dichtbebouwd gebied in Zurich. De gemeente, het vervoersbedrijf en toekomstige bewoners (Genossenschaft Kalkbreite) hebben gezamenlijk aan het bouwplan gewerkt waarbij op en rondom de remise gebouwd is. Strikt genomen is op de remise alleen een stadstuin/dakterras gerealiseerd met daaromheen de bebouwing, alleen in- en uitritten gaan onder de bebouwing door.
Figuur 1: Doorsnede wooncomplex met remise – Kalkbreite Zurich
Op de begane grond en eerste twee bouwlagen zijn voornamelijk nietgeluidgevoelige bestemmingen gerealiseerd. Op de derde verdieping en hoger de woningen. Deze woningen zijn relatief klein maar er zijn veel gemeenschappelijke ruimten en voorzieningen, daarmee is het mogelijk gemaakt om aan de geluidsbelaste zijden de minder geluidsgevoelige ruimten te realiseren en de geluidsgevoelige ruimten te positioneren aan de binnentuin. Tevens zijn er uitgebreide maatregelen getroffen, aan spoor- en gebouwconstructie, fundering, hoogwaardige beglazing in combinatie met gebalanceerde ventilatie. De remise wordt alleen voor opstellen en inwendig reinigen gebruikt (zie bijlage III). Uitgebreidere onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd in de naastgelegen grotere remise “VBZ-Elisabethenstrasse” (zie bijlage IV). Het “Genossenshaft Kalkbreite” vermeld in een jaarbericht uit 2018 dat geluidhinder een belangrijk voorkomend issue is: 3 In bijlage II is bij de remise Scheveningen een klacht opgenomen van een klant
van het Skotel die hinder van de remise meldt. De hinder wordt hier voornamelijk veroorzaakt door bogen direct naast het gebouw. C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 3.0
3/14
MEMO
LÄRM “Das Thema geht auch uns, die Genossenschaft Kalkbreite, an: Für nicht wenige unserer Mieterinnen ist der Wohn- und Gewerbebau Kalkbreite einer Lärmbelastung ausgesetzt, die gelegentlich über das Zumutbare hinausgeht, sei es wegen Wartungsarbeiten an den Gleisen” Bron: https://www.kalkbreite.net/wp-content/uploads/2020/03/GK-2018-Final_web.pdf
Vrij vertaald: “vele huurders worden blootgesteld aan geluidsoverlast, dat is soms meer dan wat men als redelijk beschouwd, zij het als gevolg van onderhoud aan de sporen”. De ervaring die Movares heeft4 met geluid- en trillingshinder van trams en/of treinen nabij woningen geeft een gelijk beeld als de geïnterviewden melden, er zijn veel maatregelen te treffen maar geluid- en trillingshinder kan heel hardnekkig zijn. Bijvoorbeeld booggeluid kan hele hoge geluidsniveaus produceren, een hinderprobleem dat relatief moeilijk te voorkomen is. Na realisatie van een bouwplan kunnen daar hoge kosten uit voortvloeien bijvoorbeeld om spoorconstructies of voertuigen aan te passen. Kijken we naar de planlocatie in de Baaibuurt Oost en de mogelijk invulling daarvan, dan is het evident dat het toevoegen van geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen een hele andere inspanning vraagt ten opzichte van de keuze voor kantoren of sportfaciliteiten. Dit gaat dan primair om een financiële en procedurele inspanning omdat er voor woningbouw strengere wetgeving van toepassing is. Technisch en juridisch is het mogelijk om woningbouw te realiseren nabij of op een tramremise, maar daarmee wordt niet gegarandeerd dat een kwalitatief hoogwaardig woonklimaat gerealiseerd wordt.
Geluid- en trillingsnormen zijn overigens meer gericht op het voorkomen van ongezonde of onveilige situaties waarbij de beleving van bewoners nog kan verschillen tussen niet gehinderd en ernstig gehinderd. Er ontstaan niet zelden klachten en daarmee lastig te handhaven situaties. Aanvullend op wettelijke eisen kunnen hogere kwaliteitsdoelstellingen geformuleerd worden waarmee ook een hoogwaardiger woonklimaat gerealiseerd kan worden. In bijlage I wordt specifieker in gegaan op wetgeving en maatregelen. Advies Primair kan gesteld worden dat indien er een locatie beschikbaar is waar woningen en tramstalling ver van elkaar gesitueerd zijn, dit sterk de voorkeur heeft vanuit het perspectief van geluid en trillingshinder. De stalling op de Oostpunt is daarbij een zeer geschikte locatie waardoor in de Baaibuurt Oost ruimte is om daadwerkelijk hoogwaardige kwaliteitsdoelstellingen te realiseren en te handhaven. 4 Onder meer SUNIJ-tram te Nieuwegein, emplacementen en spoorbogen in
Utrecht en Amsterdam, Oss, Leidschendam, Den Haag, Deventer, Bussum enzovoort. C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 3.0
4/14
MEMO
Wonen boven een stalling wordt afgeraden, gelet op de risico's van overlast, met name van geluid in de nachtperiode. Indien er geen andere oplossingen zijn, is wonen boven een stalling juridisch wel mogelijk, mede door diverse technische maatregelen aan de constructie, in de overdracht of aan het gebruik, maar dat leidt tot significant hogere bouwkosten. Het risico op klachten van bewoners blijft echter bestaan, ook al wordt aan de vigerende geluids- en trillingsnormen voldaan. De kosten voor wettelijke procedures, onderzoeken en maatregelen nemen toe naar mate de afstand tussen woningen en stalling en sporen kleiner is en is maximaal bij wonen boven de stalling. Naast het juridisch kader wordt nadrukkelijk geadviseerd om niet gereguleerde (hinderlijke) geluid- en trillingsbronnen mee te nemen in de afwegingen en ook te betrekken bij het treffen van maatregelen indien er gekozen wordt voor combineren van woningen en tramstalling in de Baaibuurt Oost. Andere functies op de stalling zijn in verhouding eenvoudig te realiseren zonder bovengenoemde problematiek.
C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 3.0
5/14
MEMO
BIJLAGE I – WETGEVING EN MAATREGELEN Geluid Beoordelingskader Geluidhinder is gereguleerd in verschillende wettelijke kaders waaronder de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en diverse onderliggende besluiten. Onder de huidige wetgeving heeft een tramstalling een vergunning en worden de tramsporen buiten de inrichting apart beoordeeld tezamen met het wegverkeerslawaai. Onder de Omgevingswet5, vooralsnog ingaande op 1/1/2023 wijzigt dit waarbij ook de gemeentelijke omgevingsvisie6 een belangrijke rol gaat spelen. In de omgevingsvisie kunnen beleidsdoelen en ambities worden opgenomen die (gefundeerd) mogen afwijken van de het normenstelsel dat in beginsel zal gelden. Dit normenstelsel van de rijksoverheid is weergegeven in figuur 1. Deze normen staan vermeld in de aanvullingsregeling geluid (AREG) en gaan over in de Omgevingswet bij inwerkingtreding. Die normen wijken af van de vigerende wetgeving, evenwel is dit voor deze fase van de planvorming nog niet relevant. Belangrijker is bijvoorbeeld een inhoudelijk verschil qua onderzoek waarbij ook de rijdende trams binnen een inrichting, zoals een stalling, worden meegenomen met het overige verkeerslawaai. Alleen de ‘industrielawaai-bronnen’ zoals bijvoorbeeld een wasstraat, onderhoudswerkzaamheden, overstand van trams en werkzaamheden gerelateerd aan de aan- en afvoer van grondstoffen en materialen worden apart beoordeeld7.
Figuur 1: normenstelsel nieuwbouw van woningen onder Omgevingswet
5 De Wet geluidhinder gaat vervallen, nieuwbouwplannen met geluidsgevoelige
bestemmingen worden beoordeeld met behulp van de Aanvullingsregeling geluid. 6 Zie Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De aanvullingsregeling geluid voegt de instructieregels voor geluid toe aan het Bkl. 7 Het begrip “inrichting” wordt onder de omgevingswet “milieubelastende activiteit” (MBA) genoemd. Zie besluit activiteiten leefomgeving (Bal). C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 3.0
6/14
MEMO
Wat niet veranderd is dat de meeste geluidsbronnen gereguleerd zijn en de bronnen die niet ‘juridisch’ geregeld zijn ook blijven ook relevant. Voorbeelden daarvan zijn hinder van buren, overlast van personen op straat of booggeluid van trams buiten de inrichting (milieubelastende activiteit) of geluid van warmtepompen aan woningen. Sommige hinderbronnen kunnen slechts via de APV geregeld worden of vanuit omgevingsperspectief door het indienen van klachten bij de gemeente of de beheerder van een geluidsbron. Daarbij worden binnen gebieden die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit (inrichting/stalling) soms ook hinderlijke bronnen waargenomen, zoals geluid van radio’s of werkzaamheden die met geopende deuren van een afgesloten ruimte worden uitgevoerd terwijl in de regels is opgenomen dat deuren gesloten moeten zijn. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan alleen een strikt juridisch kader niet voldoende zijn voor de beoordeling van geluid in de leefomgeving. Op het Zeeburgereiland is er voor de Baaibuurt geen invloed (in juridisch opzicht) van industrielawaai8 of luchtvaartlawaai9. De voornaamste geluidsbronnen zijn respectievelijk de A10, de IJburglaan en de Zuiderzeeweg.
Deze bronnen worden niet per weg getoetst zoals gebruikelijk was onder de Wet geluidhinder maar tezamen beoordeeld per betreffende geluidbronsoort10, de geluidsbelasting wordt (gecombineerd met tramlawaai) getoetst aan de standaardwaarden onder de omgevingswet. De rijksweg A10 wordt als een aparte geluidbronsoort beoordeeld ten opzichte van doorgaande gemeentelijke wegen. Binnenplanse wegen, bijvoorbeeld in woonwijken, met een 30 km/u regime die beoordeeld werden in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden nu met de overige gemeentelijke wegen samengenomen en beoordeeld voor zover de etmaal intensiteit 1000 motorvoertuigen per etmaal of meer bedraagt. Bevoegd gezag (gemeente) kan aanvullende regels opnemen in de omgevingsvisie voor wegen met een lagere etmaal intensiteit. Maatregelen geluid Er zijn vele maatregelen mogelijk om geluidhinder te beperken. Daarbij zijn drie categorieën te benoemen: bronmaatregelen aan het spoor zoals smeerinstallaties tegen booggeluid, spoorstaven slijpen om railruwheid laag te houden, loopvlakken van wielen slijpen, wieldempers en/of wielkappen toevoegen aan trams, spoorwijdte afstemmen op ligging in boog of niet (spoorvernauwing), een asymmetrisch railprofiel toepassen tegen booggeluid, raildempers toepassen, oplegging van het spoor geluid- en trillingsgedempt uitvoeren (zie ook paragraaf trillingen).
Overige bronmaatregelen betreffen snelheidsverlagingen, gebruikstijden beperken en 8 De geluidszone van het industrieterrein Cruquius loopt door de Baaibuurt west. 9 De geluidscontouren van Schiphol beïnvloeden Amsterdam west en zuid. Evenwel
valt het Zeeburgereiland in het zogenaamde ‘beperkingsgebied’ van Schiphol (zie Luchthavenindelingbesluit Schiphol). Inhoudelijk betekent dit dat bij de beoordeling van cumulatie van geluid rekening gehouden moet worden met luchtvaartlawaai. 10 Iedere weg heeft een geluidsaandachtsgebied (ter vervanging van de geluidszones onder de Wet geluidhinder) van ten minste 1500 meter voor gemeentelijke wegen tot 5000 meter voor rijkswegen. Gemeentelijke wegen worden apart beoordeeld ten opzichte van rijkswegen en provinciale wegen. C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 3.0
7/14
MEMO
communicatiekanalen actief in stand houden tussen bewoners en trambedrijf zodat partijen elkaar snel kunnen benaderen bij incidenten. Overdrachtsmaatregelen zoals geluidsschermen, overkappingen van buitengelegen sporen of absorptie binnen de stallingsruimte en daar waar ventilatievoorzieningen worden toegepast moeten suskasten het uitgestraalde geluid zoveel mogelijk beperken. Het gesloten uitvoeren van de stallingswanden is een factor die gericht benut kan worden om geluidsuitstraling of omloopgeluid naar woningen te beperken. Maatregelen bij de ontvanger betreft met name gevelisolatie. Bij geluid van buiten gaat het om dimensioneren van glas gericht op het karakter van de geluidsbron11, de kwaliteit van geluidsgedempte ventilatievoorzieningen maar ook het toepassen van gevelelementen die niet kunnen meetrillen en als gevolg daarvan weer geluid uitstralen. Daarom is een van de meest relevante maatregelen het akoestisch ontkoppelen van woningen en tramremise. Algemeen zijn er meer mogelijkheden, bijvoorbeeld hoe de woningen gesitueerd worden ten opzichte van de stalling. Bijvoorbeeld daar waar krappe spoorbogen liggen is geluidhinder een gegeven en maatregelen zijn niet altijd effectief genoeg, woningen moeten daar zo mogelijk ver vandaan staan of geen te openen geveldelen hebben aan de geluidsbelaste zijde.
Bij de invulling van het gebied wordt geadviseerd rekening te houden met de lastigste en luidste geluidsbronnen. Hoe ‘eenvoudiger’ het gebruik van de stalling, hoe makkelijker maatregelen te treffen zijn en hinder voorkomen kan worden. Trillingen en laagfrequent geluid Hinder van trillingen en laagfrequent geluid kan bij tramverkeer vooral optreden dicht bij tramsporen. Dit is het geval bij woningen of kantoren boven de stalling. Hieronder gaan we in op het beoordelingskader, de te verwachten effecten en mogelijke maatregelen om de hinder te beperken. Beoordelingskader trillingen en laagfrequent geluid Trillingen Er zijn in Nederland geen wettelijke streef- of grenswaarden voor trillingen of laagfrequent geluid. Met de inwerkingtreding van de omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de volgende standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen in trillingsgevoelige ruimten van toepassing. Deze standaardwaarden komen overeen met de SBR-B12 streefwaarden voor de gebruiksfunctie “wonen” in bestaande situaties. 11 Het Inntelhotel Utrecht is voorzien van beglazing waarbij specifiek rekening
gehouden is met booggeluid van tramlawaai of spoor. 12 De SBR-B richtlijn is de een Nederlandse meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingshinder voor personen in gebouwen. Deze richtlijn is gangbaar voor de beoordeling van trillingshinder voor personen. Er zijn in de richtlijn twee grootheden om de trillingen te toetsen: - De trillingssterkte Vmax: De maximaal optredende trillingssterkte in de beoordelingsperiode C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 3.0
8/14
MEMO
Tabel 1 Standaardwaarden toelaatbare herhaald voorkomende trillingen in trillingsgevoelige ruimten uit Besluit kwaliteit leefomgeving
A1, trillingssterkte Vmax A2, trillingssterkte Vmax A3, trillingssterkte Vper
07.00-23.00 uur 0.2 0.8 0.1
23.00-07.00 uur 0.2 0.4 0.1
Woningen, onderwijsinstellingen en gezondheidsinstellingen vallen onder trillingsgevoelige gebouwen. Kantoren vallen daar niet onder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening adviseren we voor nieuw te bouwen woningen uit te gaan van de (strengere) SBR-B streefwaarden voor nieuwe situaties en ook streefwaarden voor nieuw te bouwen kantoren boven de stalling te hanteren. De volgende streefwaarden zijn dan van toepassing: Tabel 2 SBR-B streefwaarden herhaald voorkomende trillingen voor gebruiksfuncties “wonen” en kantoor.
A1, trillingssterkte Vmax A2, trillingssterkte Vmax A3, trillingssterkte Vper
Wonen 07.00-23.00 uur 0.1 0.4 0.05
Wonen 23.00-07.00 uur 0.1 0.2 0.05
Kantoor 0.15 0.6 0.07
Laagfrequent geluid Voor laagfrequent geluid zijn er geen wettelijke streef- of grenswaarden en de omgevingswet brengt daar geen verandering in. Er zijn wel verschillende referentiecurven voor laagfrequent geluid in gebruik. Voorbeelden hiervan zijn de NSG-curve, de Vercammen-curve en de grenswaarden uit de GWR-richtlijn (ook wel methode De Ruiter). We adviseren in deze situatie de grenswaarden uit de GWR-richtlijn toe te passen voor het laagfrequent geluid in woningen en kantoren boven de stalling. De GWR-richtlijn is ontwikkeld voor passages van ondergrondse railinfra, en bij de stalling van het Zeeburgereiland is sprake van een vergelijkbare situatie. De GWR-curve heeft de volgende grenswaarden per passage: Tabel 3 Grenswaarden methode De Ruiter
LLmax
LAmax
Gebouwfunctie
16 Hz
32 Hz
64 Hz
125 Hz
10-250 Hz
Wonen
80 dB
68 dB
55 dB
45 dB
35 dB(A)
Kantoor
85 dB
73 dB
60 dB
50 dB
40 dB(A)
- De trillingsintensiteit Vper: De trillingsintensiteit, een soort gemiddelde waarde in de beoordelingsperiode C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 3.0
9/14
MEMO
Te verwachten effecten trillingen en laagfrequent geluid Trillingen De te verwachten trillingen in gebouwen boven de stalling zijn afhankelijk van een groot aantal variabelen, zoals de locatie van de funderingselementen van de stalling ten opzichte van de sporen, de locatie van wissels, de constructieve eigenschappen van de stalling en de gebouwen boven de stalling en de bodemeigenschappen. De te verwachten snelheid van de trams in de stalling is laag. Op basis van ervaringen bij min of meer vergelijkbare situaties in Nederland13, verwachten we dat er een beperkt risico op hinder van trillingen is langs goed onderhouden doorgaand spoor in rechtstand (indicatie: Vmax≤0.2). Vooral in de nabijheid van wissels of lassen kan hinder van trillingen optreden. Ook bij scherpe bogen zijn verhoogde trillingen mogelijk die tot hinder kunnen leiden. Maatgevend voor de hinder van trillingen is de nachtperiode in woningen nabij wissels. Laagfrequent geluid Laagfrequent geluid is geluid dat ontstaat doordat trillingen van de tram de wanden en vloeren in gebouwen boven de stalling laten trillen, en deze wanden geluid afstralen in ruimten van het gebouw. In vergelijkbare situaties met gebouwen nabij trams blijkt dat de grenswaarden voor laagfrequent geluid al overschreden worden voordat er sprake is van trillingshinder14.
Maatgevend voor de hinder van laagfrequent geluid zijn woningen nabij wissels. Maar ook bij doorgaand spoor en in kantoren zijn overschrijdingen van de grenswaarden voor laagfrequent geluid mogelijk. Maatregelen We adviseren om rekening te houden met maatregelen die de hinder van trillingen en laagfrequent geluid beperken. Bij maatregelen onderscheiden we 3 typen maatregelen: Maatregelen bij de bron o Aangepaste spoorstaafondersteuning (slappe beddingplaatjes / loper), beperkt effect o Wissels en spoor op een afgeveerde betonplaat, groot effect Maatregelen in het transmissiepad o Gebouwondersteuning zo ver mogelijk van wissels, groot effect bij afstand > +/- 20 meter o Ondergrondse afscherming van de fundering van het gebouw, beperkt effect Maatregelen bij de ontvanger o Afvering van het gebouw, zeer groot effect Dit is te realiseren met rubber blokken of stalen veren tussen de onderzijde van het gebouw en de fundering van het gebouw Deze maatregelen zijn zowel effectief tegen trillingen als tegen laagfrequent geluid. We verwachten dat de meest effectieve maatregel het afveren van het gebouw 13 Bijvoorbeeld het Inntel Hotel in Utrecht, waar het tramspoor op enkele meters van
het gebouw ligt. 14 Bijvoorbeeld het Rijnstraat kantoor in Den Haag, dat over een tramviaduct is gebouwd. C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 3.0
10/14
MEMO
boven de stalling is, en dat hiermee de hinder volledig te mitigeren is. Ook een combinatie van andere maatregelen kan de hinder beperken of wegnemen. Om de hinder van trillingen en laagfrequent geluid te beperken, adviseren we om trillingsonderzoek uit te voeren en de trillingssterkte te voorspellen. Hiervoor zijn gegevens nodig van het ontwerp van de stallingen en de gebouwen, aangevuld met een meting van de tramtrillingen in een vergelijkbare situatie. Daaruit volgt of maatregelen noodzakelijk zijn, en welke maatregelen het meest kansrijk zijn. Bij het ontwerp van de sporen, de stalling en/of de gebouwen boven de stalling dient rekening te worden gehouden met maatregelen tegen trillingen en laagfrequent geluid. Conclusie In woningen boven de stalling kan hinder van trillingen laagfrequent geluid ontstaan als er geen maatregelen worden getroffen, vooral in de buurt van wissels of lassen. Er zijn maatregelen mogelijk waarmee de hinder grotendeels kan worden voorkomen. De meest effectieve maatregel is het afveren van de gebouwen boven de stallen tussen de onderzijde van de gebouwen en de fundering van de gebouwen.
C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 3.0
11/14