6. 2024-04-22, B@Home, Johan Huizingalaan 763a_Toelichting.pdf
Tekst van het document
5.7
Bodem
5.7.1
Algemeen
Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. 5.7.2
Beleid en regelgeving
Wet bodembescherming De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. Gemeente Amsterdam
blz. 82
De wet bestaat uit een tweetal regelingen: Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht; Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land. Nota Bodembeheer De gemeenteraad heeft op 4 april 2012 de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam vastgesteld. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebiedsspecifieke beleid. Dat is met genoemde nota voor Amsterdam ingevuld. Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert. Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Voor elke stof is de gekozen lokale maximale waarde afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebiedsspecifieke kader kan een op de functie gerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is.
Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico's en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders. De Amsterdamse maximale waarden gelden niet voor de naoorlogse wijken van Amsterdam en het havengebied Westpoort. De grond in dit gebied (bijna 50% van Amsterdam) is schoon en geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Uit het oogpunt van efficiency en eenduidigheid in onderhoud en beheer is één bodemkwaliteitskaart opgesteld voor heel Amsterdam (bestaande uit meerdere deelkaarten). De kaart vormt de technisch inhoudelijke onderbouwing voor het nieuwe Amsterdamse bodembeleid. 5.7.3
Onderzoek
In december 2021 is door onderzoeksbureau Hofstede CS een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 15). Hieruit is het volgende gebleken: De bodem bestaat tot op 2,0 à 3,0 meter beneden maaiveld uit (opgebracht) zand met daaronder veen. Het niveau van het ondiepe grondwater lag tijdens het veldonderzoek op 0,5 tot 1,0 meter beneden maaiveld. In het algemeen zijn zintuiglijk geen afwijkingen aan de grond en het grondwater aangetroffen. In drie boringen bestaat de bovengrond tot 0,5 meter diepte volledig uit puingranulaat. Plaatselijk (boring 7, zie rapport in bijlage) bevat de bovengrond een sterk verhoogd gehalte minerale olie. Voor het overige is in de grond hooguit lichte verontreiniging gevonden. De toplaag bevat geen problematische gehalten PFAS. In het daarop onderzochte (meng)monster van puingranulaat is geen asbest aangetoond. Het grondwater is licht- tot matig beïnvloed met arseen en barium. Er is hiervoor geen bron aanwijsbaar. Aangenomen mag worden dat het hier een natuurlijke achtergrondbelasting betreft. Ter plaatse van boring 7 is mogelijk sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’ met minerale olie. Geadviseerd wordt om hier een nader bodemonderzoek uit te voeren. Mocht inderdaad sprake zijn van een ‘ernstig geval’, dan moet deze verontreiniging voorafgaand aan de nieuwbouw worden gesaneerd.
Een sanering moet vooraf bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied worden gemeld. Dat kan met een melding in het kader van het Besluit Uniforme Saneringen (BUS, proceduretijd 5 weken). Een alternatief is een melding in het kader van de Wet bodembescherming (saneringsplan, proceduretijd 8-15 weken). bestemmingsplan_B@Home, Johan Huizingalaan 763a (vastgesteld)
blz. 83
Voor het overige vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor het huidige- of toekomstige terreingebruik. Bij de voorgenomen herontwikkeling is grootschalig grondverzet te voorzien. De vrijkomende schone- tot licht verontreinigde grond kan zeer waarschijnlijk op de locatie of elders worden hergebruikt. Grondacceptanten kunnen daarbij vragen om aanvullende grondkeuringen volgens AP04. Als bij de herontwikkeling een bouwputbemaling nodig is, dan kan het bemalingswater in verband met de verhoogde concentratie arseen mogelijk niet direct op een oppervlaktewater of op het riool worden geloosd. Als dat het geval blijkt, moet het bemalingswater op locatie worden voorgezuiverd. Door de aanleg van een parkeerkelder komt grond vrij. Deze grond kan eventueel worden gebruikt voor het ophogen van het maaiveld naar +0,5 meter, conform het voorlopige advies van Waternet uit 2019. Het ging hier om een eerste inschatting. De ophoging staat echter nog niet vast en kan nog anders worden. Nader bodemonderzoek In juni 2022 is door onderzoeksbureau Hofstede CS ook nader bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 16). Hieruit is gebleken, dat er zintuiglijk geen afwijkingen aan de grond en het grondwater zijn aangetroffen. Rondom twee boringen is ongeveer 40 m³ grond matig- tot sterk belast met motorolie. Daarvan is circa 20 m³ sterk verontreinigd.
Het grondwater ter plaatse van de verontreinigingsvlek is niet belast met oliecomponenten. Omdat het volume sterk verontreinigde grond kleiner is dan 25 m³, is er geen sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’ met minerale olie. Bij de huidige terreininrichting (verhard parkeerterrein) zijn er ook geen gebruiksbeperkingen. Bij het uitgraven van de bouwput voor de parkeerkelder komt een beperkte hoeveelheid matig- tot sterk verontreinigde grond vrij. Deze grond is ‘niet toepasbaar’ op een hergebruikslocatie en moet worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Aanbevolen wordt om deze grond afzonderlijk te ontgraven. Daarmee wordt voorkomen, dat deze met de omringende grond vermengd raakt en daarmee een veel grotere hoeveelheid grond ‘niet toepasbaar’ wordt. Indien voorafgaand aan het ontgraven van de bouwput een ‘in-situ’ grondkeuring volgens AP04 plaatsvindt, dan moet de met olie verontreinigde grond buiten de te keuren deelpartijen worden gehouden. Voor het verplaatsen van meer dan 50 m³ verontreinigde grond, niet zijnde een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’, is formeel een melding conform Wet bodembescherming, artikel 28 vereist. Bodemopbouw Bij de uitvoering wordt de funderingsmethode afgestemd op de bodemgesteldheid ter plaatse. Naar verwachting leidt de bodemopbouw niet tot belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.7.4
Conclusie
Met uitzondering van een locatie vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor het huidige- of toekomstige terreingebruik. Omdat het volume sterk verontreinigde grond kleiner is dan 25 m³, is er geen sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’. Dit vormt geen onoplosbare belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling.
Gemeente Amsterdam
blz. 84
5.8
Cultuurhistorie en archeologie
5.8.1
Cultuurhistorie
In deze paragraaf worden kort een cultuurhistorische beschrijving van het plangebied gegeven. Beschrijving De polders in de omgeving van het plangebied zijn in de 12de eeuw ontgonnen. De Sloterweg diende hierbij als achterkade van de veenontginning (Sloterpolder Sloterwegszijde) die plaatsvond vanaf de oostoever van het Slotermeer. Vanaf de Sloterweg werd zuidwaarts de Sloter Bovenwegspolder of Riekerpolder ontgonnen. Deze naam is afgeleid van het dorp Rieck, Rijk of Rietwijk dat ten zuidoosten van het huidige Badhoevedorp lag. Het kerkdorp werd aan het einde van de 16de eeuw verzwolgen door het Haarlemmermeer. De naam "Riek" komt terug in de benaming van zowel kantorenpark Riekerpolder als in Schiphol-Rijk. Het plangebied was onderdeel van een typisch veenweidelandschap zoals dat nog steeds bestaat in de Osdorper Binnenpolder Zuid. De Sloterweg was oorspronkelijk de belangrijkste verbinding tussen Haarlem en Amsterdam. Ook had de weg een religieuze functie als pelgrimsroute, de zogenaamde Heiligeweg, naar het bedevaartsoord de Heilige Stede waar het Mirakel van Amsterdam had plaats gevonden. Rondom het kruispunt van de Sloterweg en de Osdorperweg ligt nog altijd het oude dorp Sloten dat het belangrijkste voorzieningencentrum was van landelijk Nieuw-West.
Ter plaatse van de Riekerpolder had de Sloterweg meer het karakter van een boerderijenlint zoals dat in meer westelijke richting nog steeds herkenbaar is. Hier en daar waren er zelfs enkele bescheiden buitenplaatsen aanwezig, vaak boerderijen met herenkamer die als belegging van rijke stedelingen dienden. Aan de Sloterweg woonden van oudsher de wat rijkere boeren van Sloten vanwege het voorkomen van goede graslanden in deze omgeving. In de Omgeving van Huis te Vraag (Hoofdorppleinbuurt) ligt ook nog een relict van de oude Heilige weg en ook de Overtoom, de Leidsestraat en de Heiligeweg in de binnenstad maakten onderdeel van uit van de pelgrimsroute. Bij de uitvoering van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van Amsterdam in de jaren 1950 verdween het historische polderlandschap met de Sloterweg en de boerderijen onder twee meter ophoogzand. Er is ter plaatse niets meer wat aan deze periode herinnerd. Ook de oude Riekermolen die aan de Nieuwe Meer stond wordt verplaatst naar de Amstel waar hij nu bekend staat als de Rembrandtmolen. In de twintigste eeuw raakte de oude Riekerpolder doorsneden met infrastructuur. Naar aanleiding van het Rijkswegenplan uit 1932 werd de Haagseweg aangelegd tussen Amsterdam en Den Haag, in 1966 werd deze weg vervangen door de huidige snelweg A4 op een dijklichaam ten noorden van de oude weg.
Voor de Tweede Wereldoorlog was een dijklichaam aangelegd voor een ringspoorweg rondom Amsterdam. Eind jaren zeventig werd hierop een spoorverbinding tussen het Centraal Station en de luchthaven Schiphol aangelegd, die deels gebruik maakte van het dijklichaam van de A4. Tenslotte is de Johan Huizingalaan, onderdeel van de hoofdstructuur van de Tuinstad Slotervaart.
bestemmingsplan_B@Home, Johan Huizingalaan 763a (vastgesteld)
blz. 85
Afbeelding: de bedrijfsbebouwing van IBM gezien vanuit het noordwesten
De bebouwing rond het plangebied is, met uitzondering van het naastgelegen IBM hoofdkantoor, niet gewaardeerd op de waarderingskaarten uit de Atlas AUP-gebieden Amsterdam. Het plangebied zelf is onbebouwd. Gemeentelijk monument: IBM hoofdkantoor Het naastgelegen kantoorgebouw aan de Johan Huizingalaan 765 is een gemeentelijk monument. Het kantoor van IBM is van cultuurhistorische waarde voor het stadsdeel en Amsterdam. Het is een gaaf bewaard gebleven gebouw uit het oeuvre van Lucas & Niemeijer, waarvan al veel gesloopt of verbouwd is. De stedenbouwkundige ligging aan de Huizingalaan en de A10 versterken deze waarden.
Gemeente Amsterdam
blz. 86
Afbeelding: Johan Huizingalaan 765
Schrijfmachinefabriek IBM (Johan Huizingalaan 759-763) Het complex van de schrijfmachinefabriek van IBM is in drie fases tot stand gekomen en ontworpen door D. van Mourik en J.W. du Pon. De eerste en derde fase bestaan uit een laagbouw ten behoeve van de schrijfmachinefabrieken uit respectievelijk 1969 en 1974. De tweede fase betreft een tien lagen hoog gebouw uit 1972. Het als abstract, kubische vorm ontworpen kantoorgebouw waartegen de vluchttrappen als sculpturen zijn aangezet is met de toepassing van getint glas typerend voor de jaren zeventig. Richtlijnen cultuurhistorie De Nota Cultuurhistorie Nieuw-West (vastgesteld op 26 juni 2013) geeft richtlijnen hoe om te gaan met de cultuurhistorische waarden in het plangebied bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied valt onder het beschermingsregime "AUP Basis". Hiervoor zijn gebiedsrichtlijnen opgenomen in de nota. Het bestemmingsplangebied is onbebouwd. Deelgebied Nieuwe Meer Oost In 2016 heeft de gemeenteraad MenA opdracht gegeven om het erfgoed tussen 1965 en 1985 te gaan waarderen. Deze actie heeft tot twee nieuwe kaarten geleid, de (concept)Waarderingskaart architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit 1965-1985 en de (concept)Waarderingskaart Havens, Kantoren en Bedrijventerreinen.
In deelgebied Nieuwe Meer Oost hebben drie gebouwen op het voormalige IBM-terrein een voorlopige orde 2 waardering gekregen op de (concept)Waarderingskaart Havens, Kantoren en Bedrijventerreinen. Dit betreft bedrijfsverzamelgebouw B. Amsterdam, de voormalige IBM schrijfmachinefabriek (Johan Huizingalaan 761-763) en data-center Global Switch (Johan Huizingalaan 759). Het behouden van deze drie omvangrijke gebouwen zou betekenen dat het stedenbouwkundig kader (waaronder de centrale fietsverbinding door het plangebied) en een belangrijk
bestemmingsplan_B@Home, Johan Huizingalaan 763a (vastgesteld)
blz. 87
deel van het beoogde programma in Nieuwe Meer Oost niet gerealiseerd kunnen worden. Om die reden heeft het college van B en W op 22 december 2020 besloten dat deze drie gebouwen niet kunnen worden behouden en daarom op de vast te stellen Waarderingskaart niet worden aangewezen als orde 2. In 2021 is voor de voormalige IBM schrijfmachinefabriek een Cultuurhiatorische waardestelling uitgevoerd (zie Bijlage 17). Betreffende gebouwen bevinden zich buiten het onderhavige plangebied en vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Bij de planuitwerking van de overige bouwblokken op het Timeless-kavel wordt rekenschap gegeven van de Cultuurhistorische waardestelling en advies voor de naastgelegen voormalige IBM-gebouwen (administratiegebouw en typemachinefabriek). Conclusie Aangezien het plangebied onbebouwd is gelden er alleen richtlijnen voor de netwerken. Deze dienen vanuit cultuurhistorisch oogpunt in stand te blijven. Dit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.8.2
Archeologie
In 2019 is door Bureau Monumenten en Archeologie in het kader van de OER archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op grond van het conceptrapport (zie Bijlage 18) ligt een deel van het plangebied binnen de bewoningszone van de Sloterweg. Hier geldt volgens de archeologische beleidskaart Beleidsvariant 5 A: (verwachtingszones C en D – opgehoogd). Hiervoor geldt een uitzondering van archeologisch veldonderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of ondieper dan 1,5 meter (zie volgende afbeelding).
Gemeente Amsterdam
blz. 88
Afbeelding: concept archeologische beleidskaart
In de verbeelding zijn de gronden, die vallen binnen Beleidscategorie 5(A) voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Ook waar geen archeologisch vervolgonderzoek is vereist geldt de wettelijke vondstmeldingsplicht (Erfgoedwet 2016 art. 5.10) . Dit houdt in dat als tijdens de uitvoering van werkzaamheden vondsten (voorwerpen, structuren of andere overblijfselen van menselijke aanwezigheid) worden gedaan, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat die van archeologische waarde zijn, dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam wordt gemeld. Hierop worden in overleg maatregelen getroffen tot documentatie en berging van de vondsten.
bestemmingsplan_B@Home, Johan Huizingalaan 763a (vastgesteld)
blz. 89
5.9
Externe veiligheid
5.9.1
Inrichtingen
Het ”Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen” (BEVI) is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het besluit legt veiligheidsnormen op aan inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd of opgeslagen (waaronder LPG-tankstations), die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. In het BEVI is bepaald dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, met zoneringen externe veiligheid rekening gehouden moet worden. Het BEVI is alleen van toepassing op ruimtelijke besluiten indien het plangebied binnen het invloedsgebied van een BEVI-inrichting ligt (art.2, lid 2a). Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit houdt in dat onderzocht moet worden of er inrichtingen aanwezig zijn waarvan het invloedsgebied van een ongeval met gevaarlijke stoffen reikt tot in het plangebied. Indien hiervan sprake is zal vastgesteld moeten worden of voor het plan wordt voldaan aan de risiconormen uit het BEVI. Het plangebied van dit bestemmingsplan valt niet binnen het invloedsgebied van een inrichting zoals bedoeld in het BEVI. Nader onderzoek is niet nodig. 5.9.2
Transport
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is het "Besluit externe veiligheid transportroutes" kader, dat op 1 april 2015 in werking is getreden. Binnen de zogenaamde basisnetafstand (waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar mag zijn) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toestaan. Binnen de basisnetafstand mogen in principe geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden toegestaan, tenzij hiervoor zwaarwegende redenen zijn. Bij transportroutes die geen onderdeel uitmaken van het basisnet geldt een grenswaarde van PR 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde PR 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Binnen 200 meter van een transportroute geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht voor het groepsrisico, zoals aangegeven in artikel 8 van het Bevt. Nabij het plangebied zijn transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig. Over de rijkswegen A10 en A4 vindt het transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van deze rijkswegen bedraagt 880 meter (stofcategorie LT2). De afstand van de A10 tot het plangebied bedraagt circa 750 meter, de afstand van de A4 tot het plangebied bedraagt circa 330 meter. Deze transportroutes bevindt zich met meer dan 330 meter afstand buiten de zone waar onderzoek naar externe veiligheid nodig is. De locatie bevindt zich wel binnen het invloedsgebied. Volgens art.
7 van het Bevt dient ingegaan te worden op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het bevoegd gezag stelt de Veiligheidsregio in de gelegenheid hierover advies uit te brengen (zie paragraaf 5.9.4). 5.9.3
Buisleidingen
In en rond het plangebied liggen geen buisleidingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Onderzoek naar buisleidingen is daarom niet nodig.
Gemeente Amsterdam
blz. 90
5.9.4
Advies veiligheidsregio
In het kader van het vooroverleg (overleg ex artikel 3.1.1. Bro) is het bestemmingsplan voorgelegd aan de Veiligheidsregio Amsterdam Amstelland voor advies. In het advies d.d. 15 november 2022 heeft de Veiligheidsregio positief geadviseerd op dit bestemmingsplan (zie ook Bijlage 19). Verder worden diverse maatregelen voorgesteld om risico’s voor het plangebied te kunnen beperken en/of de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid kunnen vergroten. Het gaat hierbij om de volgende mogelijke maatregelen: Toereikende opstelplaatsen voor hulpverleningsvoertuigen en toereikende bluswatervoorzieningen realiseren; Een goede ontsluiting van het plangebied realiseren waarbij het plangebied via twee onafhankelijke richtingen wordt ontsloten; De gebouwen voorzien van afsluitbare ventilatie en/of een noodknop voor het uitschakelen van de ventilatie, waarmee de toevoer van buitenlucht snel kan worden gestopt; Voorlichting en risicocommunicatie voor de aanwezigen in het plangebied met betrekking tot het handelingsperspectief bij incidenten; Inrichten van een goed voorbereidde en geoefende noodorganisatie bij de betreffende bedrijven en het hotel in het plangebied, inclusief noodplan. Bij verdere uitwerking van het plan en de ontwikkeling van het gehele Schinkelkwartier zal met deze maatregelen rekening worden gehouden.
5.10
Kabels en Leidingen
Langs de Johan Huizingalaan bevinden zich diverse kabels en leidingen, waaronder een gasleiding, hoogspanningsleiding, transportleiding drinkwater en datakabels. Rondom deze kabels en leidingen gelden bebouwingsvrije of beperkingenzones. Met de maatvoering van het huidig perceel is rekening gehouden met dit tracé. Om die reden is ook de oorspronkelijke positie van de kelder aangepast. Het plangebied ligt buiten de beperkingenzones van deze kabels en leidingen. Bovendien worden in het kader van de gebiedsontwikkeling enkele kabels en leidingen verlegd. Kabels en leidingen vormen dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.11
Luchthavenindelingbesluit
Het oorspronkelijke Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) stamt uit 2002, en is op 31 augustus 2004 gewijzigd in werking getreden. Het LIB is een Algemene Maatregel van Bestuur, die gebaseerd is op artikel 8.4 van de Wet luchtvaart. Met het LIB wordt in kaartmateriaal een zogenaamd beperkingengebied vastgesteld. Het LIB bevat voor dat beperkingengebied regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bebouwing en het gebruik van gronden, voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidsbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven Schiphol. Per 4 november 2015 en 1 januari 2018 zijn wijzigingen van het Luchthavenindelingbesluit (LIB) in werking getreden. Doel van deze wijzigingen is om de vliegveiligheid rondom Schiphol in afdoende mate te borgen. Hiervoor zijn de zogenaamde toetshoogtes in de omgeving van Schiphol aanzienlijk verlaagd. Gebouwen hoger dan de toetshoogtes als bedoeld kunnen alleen toegestaan worden indien het Rijk hiervoor een verklaring van geen bezwaar (vvgb) heeft afgegeven of een positief radar advies heeft afgegeven.
bestemmingsplan_B@Home, Johan Huizingalaan 763a (vastgesteld)
blz. 91
De beperkingen in het LIB betreffen: de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer; de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer; een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer. Bij de eerste twee van de bovengenoemde typen beperkingen zijn in ieder geval gronden aangewezen die niet gebruikt dan wel bebouwd mogen worden ten behoeve van woningen, of andere in het besluit aangewezen gebouwen. In dat gebied geldt er een beperking voor de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting. Het plangebied valt niet binnen het gebied waar woningen of andere aangewezen functies vanwege vliegverkeer zijn uitgesloten. Het gebied ligt evenmin binnen de 20 Ke-contour. Bouwhoogte De maximale toetshoogte vanwege het vliegverkeer bedraagt voor het plangebied 26 meter NAP.
Afbeelding: toetshoogtes vliegverkeer LIB (bron: www.lib-schiphol.nl/app/applicatie)
De maximale bouwhoogte vanwege de radar bedraagt 38 meter NAP. Het peil van het maaiveld ligt -0,7 ten opzichte van NAP. Een 'verklaring van geen bezwaar' (VVGB) van het ILT is vereist. Deze is op 20 juni 2022 door het ILT afgegeven (zie Bijlage 20). Hierbij gelden de volgende voorwaarden: De maximum hoogte van het gebouw is 56 m t.o.v. NAP. Deze maximum hoogte is inclusief
Gemeente Amsterdam
blz. 92
opbouw (antennes, technische installaties, raambewassingsinstallaties etc.). Voor het gedeelte van het gebouw met een hoogte van circa 53,5 m (17e verdieping) moeten de vier hoekpunten worden voorzien van medium instensity obstacle lights, Type A (rood). Vogelaantrekkende functies Het plangebied ligt binnen de zone waar beperkingen worden gesteld aan vogelaantrekkende functies. Dit zijn onder andere viskwekerijen en grote open wateren. Het bestemmingsplan maakt geen vogelaantrekkende functies zoals bedoeld in het LIB mogelijk, zodat op dit punt aan het LIB wordt voldaan.
5.12
Hoogbouweffectrapportage (HER)
In het plangebied wordt bebouwing mogelijk gemaakt met een hoogte van meer dan 30 meter. Gelet op het hoogbouwbeleid is in dat geval een Hoogbouw Effect Rapportage (HER) gewenst (zie paragraaf 4.4.1). De locatie valt niet in een gebied waar een rapportage over landschappelijke effecten nodig is. Dat is op deze locatie pas vanaf een bouwhoogte van 60 meter nodig. 5.12.1 Stedenbouwkundige inpassing Het onderhavige plangebied maakt onderdeel uit van de gebiedsontwikkeling Schinkelkwartier. Qua bebouwing zal het gebied vooral bestaan uit middelhoge bebouwing. Over het gebied verspreid zullen er op een aantal locaties ook hoogteaccenten komen, zoals in het onderhavige plan het geval. De hoogteaccenten bevinden zich op strategische plekken in het gebied en markeren bijvoorbeeld belangrijke toegangswegen tot het gebied. Zo is het onderhavige plan gelegen aan de Johan Huizingalaan en markeert hier als eerste gebouw in het gebied een belangrijke toegangsweg. Het bouwvolume voegt zich goed in het gebied en vormt een herkenbaar punt. Door de vormgeving en de hoge kwaliteit van het ontwerp, vormt het een belangrijk landmark voor de verdere ontwikkeling van het gebied.
bestemmingsplan_B@Home, Johan Huizingalaan 763a (vastgesteld)
blz. 93
Afbeelding: impressie aanzicht toekomstige situatie
Gemeente Amsterdam
blz. 94
Afbeelding: impressie zichtlijn toekomstige situatie
5.12.2 Consequenties van de hoogtebeperkingen vanwege Schiphol In paragraaf 5.11 is al aangetoond dat het voornemen voldoet aan de regels van het LIB. Het ILT heeft voor de bouwhoogte aan Verklaring van geen bezwaar afgegeven. Daarnaast een een luchtvaartstudie hoogbouw uitgevoerd (zie Bijlage 21). Hieruit is gebleken dat de nu voorziene bouwhoogte van 56 meter NAP geen op deze locatie inpasbaar is. Het LIB vormt geen belemmering voor de hoogbouw. 5.12.3 Effecten van windhinder in de directe omgeving Er zijn geen formele landelijke eisen aan windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Echter, gemeenten kunnen wel richtlijnen opstellen ten aanzien van windhinder en windgevaar. Regelmatig wordt de NEN8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' gebruikt als uitgangspunt, waarbij overschrijdingskans van referentiesnelheden wordt gerelateerd aan een comfortklasse. De NEN8100 onderscheidt windhinder en windgevaar. Windhinder is een indicatie van hoeveel last een individu van wind zal ondervinden. Het ervaren van windhinder is afhankelijk van de activiteit die men onderneemt; de kans dat bij een bepaalde windsnelheid hinder wordt ondervonden bij stilzitten is groter dan bij lopen. Windhinder is acceptabel, zolang het niet overmatig vaak optreedt. De comfortklasse zijn gebaseerd op een percentage overschrijdingsuren van een windsnelheid van 5 m/s.
bestemmingsplan_B@Home, Johan Huizingalaan 763a (vastgesteld)
blz. 95
Windgevaar dient te allen tijde voorkomen te worden op plaatsen waar mensen regelmatig komen. Windgevaar kan optreden vanaf een snelheid van 15 m/s. De kwalificatie van windgevaar refereert aan die snelheid en is onafhankelijk van de activiteit. In november 2021 is door OMRT een windstudie uitgevoerd (zie Bijlage 22).
Afbeelding: windhinder - toekomstige situatie
Hieruit is gebleken, dat de windsituatie in de nieuwe situatie over het algemeen goed is (zie volgende afbeelding). Allen in de noordwest- en zuidwesthoek van de nieuwbouw zal er sprake zijn van een matigere situatie. Dit geldt zowel voor de eindsituatie als ook voor de periode voordat de andere bouwblokken rond de locatie zijn opgeleverd. De eindsituatie kent een betere situatie dan bij oplevering (zie volgende afbeelding).
Gemeente Amsterdam
blz. 96
Afbeelding: windhinder - bij oplevering
Ter plaatse van de matigere windsituatie bestaan de eerste twee lagen tot circa 8 m (noordwesthoek) uit kantoren met een vliesgevel kantoren, zonder te openen delen. Daarboven bevinden zich op de hoek balkons. In de zuidwesthoek bevindt zich tevens een setback die valwinden voorkomt. Bij de nadere uitwerking van het bouwplan zulle maatregelen worden toegepast om het windklimaat op deze plekken te verbeteren. In het huidig ontwerp wordt uitgegaan van banden en neggen die de wind zullen breken. Hierdoor zal de situatie duidelijk verbeteren.
bestemmingsplan_B@Home, Johan Huizingalaan 763a (vastgesteld)
blz. 97
Afbeelding: windgevaar - nieuwe situatie
Er is geen sprake van windgevaar. Dat geld zowel voor de eindsituatie als ook voor de periode voordat de andere bouwblokken rond de locatie zijn opgeleverd. Er is een kleine overschrijding op de hoek voor het windklimaat op straatniveau. Dit wordt nu landschappelijk opgelost (hier zal geen looppad komen). In artikel 3.3 zijn nadere eisen opgenomen met betrekking tot windhinder.. 5.12.4 Effecten van bezonning en schaduwwerking in de directe omgeving Schaduwwerking kan net als bij de beperking van het uitzicht optreden indien de toegestane bouwhoogte toeneemt en/of de minimale afstand van nieuwe bebouwing tot bebouwing in de omgeving afneemt. Hierbij is te melden dat het aspect bezonning met name van belang is bij woningen en bij niet woonfuncties, zoals kantoren anders gewaardeerd wordt. Waar schaduw bij woningen als nadelig kan worden gezien geldt dat in kantoorgebouwen direct zonlicht ook hinderlijk kan zijn (inschijnend bij laagstaande zon) en ongunstig voor de klimaatbeheersing. Het benutten van of weren van de zoninstraling is van invloed op het energieverbruik. Voor kantoren zal dit meestal leiden tot minder koelbehoefte. TNO Er bestaan in Nederland geen formele wettelijke normen en eisen ten aanzien van de bezonning voor bebouwing. Wel zijn er normen van TNO: de lichte norm en de strenge norm.
De lichte norm: Een gebouw voldoet aan de lichte norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk
Gemeente Amsterdam
blz. 98
is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvind. De strenge norm: Om te voldoen aan de strenge norm moet er in de periode van 21 januari tot en met 22 november bezonning mogelijk zijn gedurende drie uren per etmaal. Ook hierbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvind. Bezonningsstudie In november 2021 is door OMRT een Zonuren-, schaduwstudie uitgevoerd (zie Bijlage 22). Hieruit is gebleken, dat de beoogde nieuwbouw een effect heeft op de bezonning van objecten in de omgeving heeft. Het gaat hier echter wel om een gebied in aanleg, waar wordt voorzien in een verdichting met deels hogere bebouwing en gemengde functies. Voor een stedelijke situatie zoals deze, is sprake van een aanvaardbare situatie. Er wordt over het algemeen voldaan aan de richtlijnen van het TNO, die voorzien in minimaal 2 uur zon per dag (met uitzondering van de winterperiode). Op de begane grondlagen is de bezonning niet optimaal. Juist hier bevinden zich vaak plinten met niet-woonfuncties. Hier is schaduw minder relevant dan bij woningen op de verdiepingen.
Afbeelding: Bevindingen - zonuren impact op omgeving - toekomstige situatie Winter - 19 februari (TNO)
Het effect op de bezonning van bestaande woningen aan de overkant van de Johan Huizingalaan is zeer beperkt en verwaarloosbaar zie volgende afbeelding.
bestemmingsplan_B@Home, Johan Huizingalaan 763a (vastgesteld)
blz. 99
Afbeelding: Bevindingen - zonuren impact op omgeving Winter - 19 februari (TNO)
De effecten op de omgeving zijn aanvaardbaar. 5.12.5 Functie begane grond, openbare ruimte en sociale veiligheid Het plangebied en de directe omgeving wordt momenteel vooral gekenmerkt door parkeervoorzieningen en bedrijfs- en kantoorruimten waar 's avonds weinig mensen aanwezig zijn. Om het gebied te veranderen naar een dynamisch woon-werkgebied zoals beoogd is, is het van belang om voorzieningen te bieden die mensen aan de omgeving binden, ook in de avonduren. De invulling van de begane grondlaag met diverse (commerciële) voorzieningen, horeca en de lobby bieden deze mogelijkheid. De begane grondlaag heeft een directe verbinding met de openbare ruimte rond het gebied. Hierdoor draagt het gebouw bij aan het realiseren van een aantrekkelijke en leefbare stadswijk. Dit heeft samen met de geplande functies die ook mensen kunnen binden in de avonduren, een gunstige invloed op de sociale veiligheid in de directe omgeving van het projectgebied.
Gemeente Amsterdam
blz. 100
5.12.6 Effecten op uitzicht, privacy In de directe omgeving van het plangebied ontstaat een gemengde wijk met wonen en niet-woonfuncties in een hoogstedelijke setting. De onderhavige hoogbouw is onderdeel van deze gebiedsontwikkeling en voegt zich goed hierin. Er is geen sprake van het onevenredige uitzichtbeperking of beperking van privacy. Deze zijn beiden in een hoogstedelijke omgeving al beperkt. Voor bedrijven en kantoren is vooral de zichtbaarheid vanuit de omgeving van belang. Bestaand woningen bevinden zich op zodanige afstand dat hier geen sprake zal zijn van een negatief effect.
5.13
Ecologie
5.13.1 Flora en Fauna Voor de bescherming van natuurgebieden en diersoorten is sinds 1 januari 2017 de Wet Natuurbescherming van kracht. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten zal rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten en diersoorten. Indien uit gegevens danwel onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vergunning. In juli 2020 is door onderzoeksbureau Els & Linde een ecologische quickscan uitgevoerd (zie Bijlage 23). Hieruit is gebleken dat de aanwezigheid van vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen binnen de planlocatie is uit te sluiten. Een onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Els & Linde heeft in 2022 bevestigd dat het rapport uit 2020 nog actueel is. Amsterdam heeft de ambitie om natuurinclusief bouwen als randvoorwaarde op te nemen in het planproces. Nieuwe gebouwen kunnen worden voorzien van neststenen voor vogels. Ook voor vleermuizen kunnen voorzieningen worden ingepast. Tuinen en de openbare ruimte kunnen zo worden ingericht dat allerlei soorten dieren er een thuis vinden.
Elk project(gebied) draagt bij aanmeer biodiversiteit. Aan de hand van een puntensysteem kan worden beoordeeld of het plan hier voldoende aan bijdraagt. Het plangebied moet minimaal 30 punten scoren, zoals vastgelegd in de bouwenvelop. 5.13.2 Natuurgebieden en stikstofdepositie In februari 2022 is door onderzoeksbureau Cauberg Huygen een onderzoek naar het effect van het project op stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden uitgevoerd (zie Bijlage 24). Hieruit is gebleken dat in de bouw- en de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Andere effecten op de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland zijn niet te verwachten. Er is geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig of een verklaring van geen bedenkingen voor het voornemen.
bestemmingsplan_B@Home, Johan Huizingalaan 763a (vastgesteld)