5a. 2024 -05-31 - NvB zienswijzen BP VERDI GEREDIGEERD_Geredigeerd.pdf
Tekst van het document
43
van een kritische situatie. Dit is op dit moment niet aan de orde.
33
Par 6.2.3 van de plantoelichting
Er wordt ook gesproken van een overschot aan parkeerplaatsen. Onduidelijk is waar dat uit blijkt en hoe dat is bepaald.
34
Par 6.2.4 van de plantoelichting
Hier wordt concreet aangegeven dat binnen het plangebied het aantal parkeerplaatsen in de huidige situatie 188 bedraagt, waarvan 150 voor kantoren. U wilt dat reduceren tot 150 resp. 68. Het is evenwel volstrekt onduidelijk of daarmee de beoogde effecten op het verminderen van het autogebruik zullen worden gerealiseerd. Mogelijk is immers dat automobilisten elders zullen parkeren (waterbedeffect). Onduidelijk blijft ook welke gevolgen dat heeft voor het Olympisch Stadion (in geval van reguliere activiteiten zoals wedstrijden en in geval van evenementen).
De bijdrage aan het aantal autoverplaatsingen als gevolg van de beoogde ontwikkeling is minimaal, te weten 1,3% van het totaal aantal autoverplaatsingen in het gebied. Om deze reden kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet leidt tot een aantoonbare verslechtering van de verkeerssituatie ter plaatse. Voor dit aantal is uitgegaan van de maximale autoverkeersbewegingen (in de spitsperiode) die kunnen ontstaan vanwege de voorziene ontwikkeling die voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt. Dit volgt uit de gebiedsanalyse van het Mobiliteitsplan (p. 22). In het verleden werd meer kantoorprogramma verwacht met name in het centrum van de Zuidflank. Vooruitlopend op dit programma zijn autoparkeergarages gebouwd voor de toekomstige ontwikkelingen. Dit programma wordt niet meer gerealiseerd maar de autoparkeergarages zijn er wel. Ingeschat wordt dat veel van deze parkeerplaatsen (tot een derde) niet gebruikt worden. Het volgende staat in de plantoelichting. In de huidige situatie bevinden zich 188 parkeerplaatsen binnen het plangebied ten behoeve van de bestaande bedrijven/kantoren. In het nieuwe bestemmingsplan wordt een ondergrondse parkeergarage mogelijk gemaakt voor maximaal 150 parkeerplaatsen (82 voor kantoorgebruikers, 68 voor overige functies). Deze aantallen voldoen aan de Nota parkeernormen auto.
Bovendien sturen we hiermee op minder gebruik van de auto en meer gebruik van andere
44
modaliteiten door gebruikers in het plangebied.
35
Par 10.2 van de plantoelichting
Onder punt 4, sub c wordt gesteld dat bij de beoordeling van de beoogde ontwikkelingen de cumulatie met andere geluidbronnen betrokken dient te worden. Uit de diverse paragrafen over geluid en de desbetreffende onderzoeken blijkt niet dat met die cumulatie rekening is gehouden. De diverse geluidbronnen worden veelal louter op zichzelf beschouwd (verkeer, Olympisch Stadion, horeca, stemgeluid, overige bronnen). Uit deze informatie en onderzoeken kan dan ook niet worden afgeleid dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat en van een goede ruimtelijke ordening. Deze problematiek komt ook tot uiting in het feit dat aan de A10-zijde van de woontorens dove gevels worden gesitueerd en dat aan de noordzijde voorzieningen worden voorgesteld als bouweisen aan gevels en het uitgangspunt dat bewoners tijdens activiteiten in het stadion ramen en deuren maar dienen dichthouden en niet op hun balkons zullen plaatsnemen. Hieruit blijkt dat het plan Verdi niet goed inpasbaar is. (zie ook par. 7.2.5).
Het is niet de verwachting dat hiermee gevolgen zullen ontstaan voor het Olympisch Stadion, omdat parkeren in de omgeving ook op andere manieren wordt gedemotiveerd. Ook is de huidige bezettingsgraad van parkeerplaatsen in de openbare ruimte nog acceptabel, en blijft dit ook zo bij de komst van de beoogde ontwikkeling. Daarnaast krijgen nieuwe gebruikers (zowel voor kantoor als woningen) krijgen geen parkeervergunning voor parkeren in de openbare ruimte en zullen de vigerende parkeertarieven moeten betalen. In Hoofstuk 7 van de plantoelichting (en het akoestisch onderzoek) is cumulatie van geluidbronnen onder de Wet geluidhinder (Wgh) beoordeeld. In hoofdstuk 10 van de plantoelichting zijn alle geluidbronnen (ook niet Wgh geluidbronnen) los van elkaar beoordeeld, maar is ook de cumulatie van deze geluidbronnen inzichtelijk gemaakt, zie paragraaf 10.6.1. Die beoordeling volgt uit paragraaf 6.3 van het geluidrapport. In paragraaf 6.3 van het geluidrapport (bijlage 7 bij de plantoelichting bij het bestemmingsplan) is inzicht gegeven in de gecumuleerde geluidbelasting van alle soorten geluidbronnen en beoordeling hiervan. De conclusie is kort gezegd dat in de situatie bij het evenement De Coolste Baan de cumulatieve geluidbelasting van wegverkeer en overige Wgh-bronnen hoger is dan het aanvaardbare geluidniveau van 63 dB op de gevel van de toekomstige woningen.
Dit geluidniveau is slechts aanvaardbaar, mits de binnenwaarde in de woonruimten gewaarborgd wordt. Die binnenwaarde geldt, ongeacht het geluid op de gevel. De binnenwaarde is namelijk het resultaat dat moet worden bereikt. Het geluid op de gevel bepaalt 45
welke maatregelen moeten worden getroffen om die binnenwaarde te bereiken. Nu door het evenement De Coolste Baan een hogere geluidbelasting op de gevel wordt veroorzaakt dan bij de cumulatieve geluidbelasting van de Wgh-bronnen, en deze geluidbelasting maatgevend is voor het bepalen van de binnenwaarde, kan worden geconcludeerd dat er voldoende maatregelen worden getroffen om ook de cumulatieve geluidbelasting op te vangen. Immers: Er moeten al maatregelen getroffen worden om bij het evenement De Coolste Baan een binnenwaarde van 35 dB (A) te borgen. Bij maatregelen die een langtijdgemiddeld etmaalwaarde binnenwaarde van 35 dB(A) kunnen borgen, kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het uitgangspunt waar adressant 3 naar verwijst (gesloten houden van ramen tijdens activiteiten), kan de raad geen grondslag in het geluidrapport of plantoelichting vinden. Enkel wordt opgemerkt dat tijdens het evenement De Coolste Baan bewoners naar verwachting geen geopende ramen zullen hebben of (lang) buiten zullen verblijven omdat het evenement De Coolste Baan tijdens de winterperiode plaatsvindt en het dus buiten koud is. Verder wijst de raad erop dat de woningen met een dove gevel (aan de zuidzijde) niet dezelfde woningen zijn als de woningen aan de noordgevel (eenzijdig georiënteerde woningen).
Daarnaast dient elke woning op grond van de planregels te zijn voorzien van een stille zijde. 36
Par 10.6.1 van de plantoelichting
Onder 'Uitgangspunten Olympisch Stadion: Incidentele bedrijfssituatie' wordt de aanvraag omgevingsvergunning van adressant 3 onjuist weergegeven. Bij de
Leidend is dat evenementen plaatsvinden in de dag en/of avond periode, niet in de nacht. De duur van een evenement binnen een dag- of
46
37
Par 10.6.1 van de plantoelichting
38
Par 14.2 van de plantoelichting
39
Hoofdstuk 7 van de plantoelichting
herziene aanvraag zijn bij de diverse 'events' de tijden niet langer opgegeven. In deze paragraaf wordt ten onrechte ook gesteld dat voor de incidentele bedrijfssituatie wordt aangesloten bij het evenementenbeleid van de gemeente Amsterdam. Dat beleid heeft betrekking op APV-evenementen en -vergunningen. Het heeft naar zijn aard geen betrekking op inrichtingen en activiteiten binnen inrichtingen.
In deze paragraaf wordt ten onrechte geen aandacht besteed aan de mededeling in de voornoemde afsprakenbrief dat er een noodzaak is om al dan niet tijdelijk extra ballast aan te brengen op / aan de tribunedaken van het stadion. Ook blijft onduidelijk hoe dat in concreto zal worden uitgewerkt en wat de gevolgen daarvan zijn voor het monumentale karakter van het stadion. Adressant 3 meent dat onvoldoende blijkt in hoeverre bij de overwegingen ten aanzien van het wegverkeersgeluid en inzake het besluit hogere waarden rekening is gehouden met cumulatie van andere geluidsbronnen. Op de onderhavige locatie is sprake van een grote hoeveelheid van geluidbronnen (verkeer, Schiphol, metro, trein, Olympisch Stadion, evenementen) die gevolgen hebben voor uiteenlopende gevels en zijden van de geplande woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Er blijkt onvoldoende hoe dit in zijn algemeenheid en integraliteit wordt beschouwd. Adressant 3 vraagt zich ook af de woningbouwplannen wel realistisch zijn als uitgegaan moet worden van dove gevels, stille gevels, geluidluwe gevels en bewonersgedrag (niet openen
avonddeel doet er voor de beoordeling van de geluidbelasting niet toe. Evenementen in de zin van artikel 5.6, tweede lid, onder d, van de Algemene plaatselijke verordening (APV) in het Olympisch Stadion zijn vergunningtechnisch gezien (ook) aan te merken als een incidentele bedrijfssituatie als bedoeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Het is, gelet op vaste praktijk, logisch om ten aanzien van de beoordeling van de aanvaardbaarheid van geluidniveaus in die incidentele bedrijfssituatie aan te sluiten bij de systematiek uit het gemeentelijk geluidbeleid voor evenementen. Die werkwijze is derhalve gehanteerd. Voor de beantwoording van dit punt wordt verwezen naar paragraaf 3.3 van deze Nota van Beantwoording.
Voor het bepalen van hogere waarden geldt de Wet geluidhinder. Die wet schrijft voor welke geluidbronnen worden meegewogen. Voor het hogere waarden besluit Verdi is dus alleen rekening gehouden met de geluidbronnen zoals die volgen uit de Wet geluidhinder. Naar aanleiding van de beoordeling van deze bronnen zijn hogere waarden vastgesteld. Alle overige bronnen zijn in meerdere losse onderzoeken beoordeeld en naar aanleiding hiervan zijn planregels opgesteld om te borgen dat de woningen in de toekomst voldoende beschermd zijn tegen (omgevings-) geluid. Dat betekent dat bij een aanvraag omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat kan worden voldaan aan alle voorgeschreven binnenwaarden, met in achtneming 47
van ramen en deuren, niet slapen overdag, etc.).
van alle geluidbronnen die op dat moment aanwezig zijn (denk aan het Olympisch Stadion, andere inrichtingen, weg- en verkeerslawaai, etc.). Hierbij is het geluid van het Olympisch Stadion maatgevend. Dat in een ontwerp voor de toekomstige woningen rekening moet worden gehouden met veel geluidbronnen is inherent aan ontwikkelen binnen een hoogstedelijk gebied en komt op meer plaatsen in Amsterdam en Nederland voor.
40
Par 17.4 van de plantoelichting
41
Par 17.4 van de plantoelichting
In deze paragraaf wordt gerefereerd aan 'hiervoor omschreven maatregelen'; die dwingend zouden worden voorgeschreven in het bestemmingsplan. Adressant 3 ziet dat evenwel niet terug in de planregels. Adressant 3 vraagt zich ook af in hoeverre rekening is gehouden met het vollopen en leeglopen van het stadion voor en na wedstrijden en evenementen. Dat brengt ook (aanzienlijke) hinder met zich mee. Dat uit zich met name in stemgeluid en ander desbetreffend geluid van bezoekers.
In artikel 3.2.3. en artikel 4.2.3. van de planregels zijn dwingende voorschriften opgenomen voor het treffen van maatregelen om een bepaalde binnenwaarde te garanderen. Voor wat betreft de momenten dat het stadion vol- en leegloopt merken wij op dat tijdens deze momenten nog wel sprake is van geluid, maar dat het niet gaat om meer geluid dan tijdens de evenementen zelf. Bovendien wordt de geluidbelasting bij evenementen gemeten op basis van de hoogte van het geluid tijdens de dag- en avondperiode. Om die reden is het volen uitlopen van het stadion redelijkerwijs niet meegenomen in de geluidberekeningen. Gedurende in- uitloop van het stadion wordt muziekgeluid ten gehore gebracht, met een lager geluidniveau dan het evenement zelf. De geluidgrenswaarde in het ontwerpbesluit revisievergunning d.d. mei 2024 van het Olympisch Stadion daarvoor is 75 dB(C). Die grenswaarde vormt een voldoende mate van bescherming voor de planvorming. Immers, de grenswaarde is 5 dB(C) tot 10 dB(C) lager dan de grenswaarde van het reguliere evenement. Omdat de binnengrenswaarde in de woningen ook 5 dB strenger is, is de strengere grenswaarde van 75 dB(C) tijdens in en uitloopmuziek voldoende laag om 48
ervoor te zorgen dat de binnengrenswaarde in geborgd blijft.
3.8 Planregels Adressant 3 heeft tevens zienswijzen ingediend tegen specifieke planregels. Deze zienswijzen worden hieronder per regel uit de zienswijze besproken. Regel
43
Ziet op specifieke paragraaf of regel Artikel 1
Zienswijze van adressant 3
Reactie van de gemeente
Adressant 3 meent dat bij de definitieomschrijving van functies aangegeven dient te worden dat onder deze geen geluidgevoelige functies vallen (o.a. bij culturele voorzieningen, maatschappelijke dienstverlening, en andere bestemmingen waaronder geluidgevoelige functies eventueel geschaard zouden kunnen worden).
De definitiebepalingen worden gemeentebreed standaard toegepast. Wij zien geen reden om hierop een uitzondering te maken. De voorgestelde wijziging wordt niet doorgevoerd.
44
Artikel 3.2.3, sub b
De verwijzing naar figuur 4.2 en figuur 4.17 staat op zichzelf. Onduidelijk is welke figuur wordt bedoeld.
45
Artikel 3.2.3, sub b
De bepaling klopt taalkundig ook niet. Het is volstrekt onduidelijk wat er staat.
46
Artikel 3.2.3, sub b
47
Artikel 3.2.3, sub b
De verwijzing naar het in bijlage 9 gevoegde rapport is te algemeen. Onduidelijk is welke onderdelen van dat rapport normerend zijn in het kader van deze bepaling. Dat geldt ook voor de zinsnede 'uitgaande van de daarin berekende geluidsbelasting op de gevel'. Het is niet duidelijk wat dat betekent en hoe dit in geval van een vergunningaanvraag wordt beoordeeld. Voorgaande geldt ook met betrekking tot het sub c, mede waar het betreft de verwijzing naar figuur 4.32.
Voor zover adressant 3 bedoelt dat hiermee extra geluidgevoelige functies moeten worden voorkomen, geldt dat aan de vestiging van geluidgevoelige functies voorwaarden zijn verbonden. Dit zal dus niet zomaar mogelijk zijn. Bij een ambtshalve wijziging om de voorwaardelijke verplichtingen voor geluidmaatregelen beter leesbaar en toepasbaar te maken, zijn de verwijzingen naar de figuren in het geluidrapport, uit de planregel gehaald. In de artikelgewijze toelichting wordt nog wel verwezen naar de genoemde figuren in het geluidrapport. Dit heeft als doel om inzichtelijk te maken met welke geluidbelasting op de gevel rekening moet worden gehouden bij het treffen van (bouwkundige) maatregelen om de gewenste binnenwaarde te borgen. Deze stelling is niet verder onderbouwd. Bovendien is de planregel uit het bestemmingsplan ambtshalve gewijzigd. De planregels van het bestemmingsplan zijn duidelijk. Daarnaast wordt in hoofdstuk 17 van de plantoelichting (de artikelgewijze toelichting) een heldere uitleg gegeven van hoe de planregels gelezen dienen te worden in samenhang met het geluidrapport.
Ten behoeve van een betere toepasbaarheid van het artikel zijn ambtshalve artikel 3.2.3. en 4.2.3.
49
48
Artikel 3.2.3, sub b
Met betrekking tot het sub e merkt Adressant 3 op dat de betreffende zijde reeds in de verbeelding dient te worden aangegeven (geldt ook voor sub a).
49
Artikel 3.2.3, sub b
Zoals hierboven aangegeven ziet Adressant 3 de zg. dwingend voorschreven maatregelen tegen het geluid niet terugkomen in de planregels. Datzelfde geldt voor de geluidsisolaties en glaspakketdikten die Cauberg Huygen in haar rapport adviseert.
50
Artikel 3.2.3, sub b
Sub b worden geluidsniveaus voorgeschreven. Adressant 3 vraagt zich af hoe deze niveaus worden bepaald en hoe dat wordt gecontroleerd. Adressant 3 vraagt zich ook af hoe wordt omgegaan met een afname in isolatiewaarde (bijvoorbeeld doordat gedurende het gebruik afbreuk wordt gedaan aan de isolatiewaarde, bijvoorbeeld door veelvuldig boren in de gevel).
51
Artikel 3.2.3, sub b
52
Artikel 3.2.3, sub b
Adressant 3 meent dat in de planregels onvoldoende rekening wordt gehouden met zaken die in het rapport van Cauberg Huygen onvoldoende zijn onderzocht (zie hierboven). Zo adviseert Cauberg Huygen om zaken nader te onderzoeken. Dat lijkt ten behoeve van de planregels evenwel niet te zijn gedaan. Ook blijkt onvoldoende in hoeverre in de planregels rekening is gehouden met de incidentele bedrijfssituaties en andere evenementen bij Adressant 3. In hoeverre zijnde genoemde geluidwaarden dan nog realistisch? Zie bijvoorbeeld Koningsdagevenementen waarbij een hoger geluidniveau geldt, en sportwedstrijden die uitlopen (verlengd worden) na 23.00 uur.
van de planregels van het bestemmingsplan gewijzigd. De planregels zijn juridisch bindend. Het is niet verplicht om een stille zijde of dove gevel in de verbeelding op te nemen, als de planregels duidelijk zijn over de situaties waarin deze bouwkundige maatregelen moeten worden opgenomen. Het wordt onwenselijk geacht om specifieke geluidmaatregelen dwingend voor te schrijven in de planregels van het bestemmingsplan. Dit borgt niet de gewenste flexibiliteit voor aanvrager/ontwikkelaars om te bepalen welke (bouwkundige) maatregelen zij willen toepassen op het ontwerp van de toekomstige bebouwing. De geluidbelastingen zijn vooraf bepaald in het geluidrapport. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van de toekomstige woningen zal moeten worden aangetoond hoe en met welke (bouwkundige) maatregelen de verplichte binnenwaarde worden gehaald. Deze toets wordt verricht bij de behandeling van de aanvraag. Adressant 3 stelt verder dat de isolatiewaarde zou kunnen afnemen, bijvoorbeeld door het boren in de muren. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de isolatiewaarde van de muren hierdoor zal afnemen. Nog los van het feit dat gaten niet volledig door een muur heen worden geboord, is de stellingname dat de isolatiewaarde van de gevels zou afnemen niet gestoeld met argumenten. Adressant 3 maakt haar punt verder niet concreet.
Los daarvan is er voldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van geluid op de toekomstige ontwikkeling. Waar nodig zijn hier in de planregels van het bestemmingsplan maatregelen voor getroffen.
De incidentele situatie betreft twaalf grotere evenementen die binnen de milieuruimte uit de revisievergunning van het Olympisch Stadion mogen worden georganiseerd. Uit artikel 3.2.3., sub c, en artikel 4.2.3., sub c, van de planregels van het bestemmingsplan volgt dat de geluidwering van de gevel zodanig moet zijn dat tijdens de twaalf incidentele evenementen een binnenwaarde van maximaal 50 dB(A) in de dag50
en avondperiode (van 7.00 tot 23.00 uur) bedraagt. Er is dus rekening gehouden met de incidentele bedrijfssituatie. Om de geluidwering op de gevel voor de incidentele bedrijfssituatie te beoordelen is het evenement ‘The Flying Dutch’ als maatgevende evenement genomen. Dit betekent dat niet elk evenement los is beoordeeld, maar het evenement met de zwaarste geluidbelasting hebben gekozen om te treffen maatregelen aan te verbinden (zogenaamde worst case-benadering).
53
Artikel 3.2.4
54
Artikel 3.2.4
In deze bepaling wordt de problematiek rond de lichthinder vooruit geschoven. In de plantoelichting en de onderzoeken is onvoldoende rekenschap gegeven van de oplossing van deze problematiek. Adressant 3 verwijst terzake naar desbetreffende zienswijzen hierboven. In voorliggende bepaling wordt nu als eis gesteld dat aangetoond moet worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare lichthinder. Het blijft evenwel onduidelijk of aan deze norm kan worden voldaan. Ook is niet duidelijk hoe een vergunningaanvraag op dit punt wordt getoetst. Het moeten aantonen dat maatregelen worden getroffen is eveneens onvoldoende. Onduidelijk is immers hoe wordt bepaald dat die maatregelen toereikend zijn. De verwijzing naar bijlage 11 bij de plantoelichting is ook hier te algemeen en abstract. Onduidelijk is op welke wijze van die bijlage enige normering uitgaat. Het voorgaande geldt ook voor het sub c, over windhinder. Wat is 'onaanvaardbare
De stelling van adressant 3 dat tijdens Koningsdag of sportevenementen een hogere geluidbelasting zou gelden dan tijdens het evenement The Flying Dutch is verder niet onderbouwd. We hebben dan ook terecht voor de maatgevende geluidbelasting in de incidentele situatie uit kunnen gaan van ‘The Flying Dutch’. Dat een incidenteel evenement ook wel eens kan uitlopen met een paar minuten of onder bijzondere omstandigheden (zoals Koningsdag) een hoger geluidniveau heeft, is in de algemene afweging aanvaardbaar en doet niet af aan het woon- en leefklimaat in de toekomstige woningen. In paragraaf 3.3 is uitgebreid toegelicht op welke wijze lichthinder is beoordeeld en op welke wijze in het bestemmingsplan wordt geborgd dat onaanvaardbare lichthinder wordt voorkomen. De planregel die ter borging hiervan is opgenomen betreft een voorwaardelijke verplichting, zie artikel 3.2.4., sub a, van de planregels. Deze planregel is aangescherpt ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan en in de artikelgewijze toelichting wordt de toepassing ervan nader toegelicht. Het betreft daarmee een duidelijke planregel.
Uit het onderzoek van bijlage 12 bij de plantoelichting van het bestemmingsplan (windonderzoek Peutz, december 2022) volgt 51
winddruk'? Hoe wordt dit getoetst bij een aanvraag? Wat is (on)aanvaardbaar?
55
56
Artikel 3.2.4
Artikel 3.3
Het voorgaande geldt ook voor het sub c van de bepaling. Onduidelijk is wat er wordt bedoeld met 'voldoende autoparkeervoorzieningen'. Onduidelijk is ook wat het 'geldende parkeerbeleid' is. Is dat de later genoemde Nota? Welke nota wordt precies bedoeld (kenmerk, datum)? En welke normen uit die nota zijn precies van toepassing? Wat wordt verstaan onder 'rekening houden' met een wijziging van de nota? Moet die nota dan in acht worden genomen, moet die bij de beoordeling betrokken worden, mag ervan afgeweken worden, etc.? E.e.a. betreft ook het sub d van deze bepaling.
Adressant 3 maakt nadrukkelijk bezwaar tegen deze bepaling, met name voor zover het gaat om de mogelijkheid om van een lagere geluidbelasting uit te gaan indien kan worden aangetoond dat de berekende geluidsbelasting op de gevel lager is dan de berekende geluidsbelasting in genoemd rapport. Dit zet de deur wagenwijd open naar ellenlange discussies aan de hand van rapporten, tegenrapporten en andere opinies. Het ondergraaft de rapportages en onderzoeken in het kader van het plan Verdi, relativeert deze en maakt mogelijk dat de ontwikkelaar bij zijn vergunningaanvraag
dat bij realisatie van het plangebied winddruk ontstaat op het dak van het Olympisch Stadion. Het dak van de Marathontribune dient hiertoe te worden verstevigd en er is extra ballast nodig om onaanvaardbare winddruk te voorkomen. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de toekomstige woningen moet worden aangetoond dat deze maatregelen uitvoerbaar zijn. De regel betreft een standaardbepaling met een dynamische verwijzing naar de gemeentelijke beleidsregels over autoparkeren, de Nota parkeernormen auto (2017), of diens rechtsopvolger. In het bestemmingsplan is voorzien in de mogelijkheid om een parkeergarage voor deze autoparkeerplaatsen onder de twee oostelijke kavels te realiseren. Door in de planregels niet alleen maxima voor het aantal plekken op te nemen, maar ook een dynamische verwijzing naar de 'Nota Parkeernormen Auto', kan in de toekomstige situatie de behoefte aan parkeerplaatsen flexibel worden afgestemd met de beleidsmatige keuzes die de gemeente maakt. De voorziene ontwikkeling wordt getoetst aan de parkeernormen die gelden voor de specifieke locatie (in dit geval een A-locatie). Hier wordt bij de aanvraag aan getoetst. Wanneer dus sprake is van voldoende autoparkeervoorzieningen, is afhankelijk van het te realiseren programma. Maar het bestemmingsplan borgt wel dat er een maximum is gesteld aan het aantal plekken (150 parkeerplaatsen).
Dit maximum voldoet aan de Nota parkeernormen Auto uit 2017. Artikel 3.3 en 4.3 van de planregels van het bestemmingsplan houden een bevoegdheid in voor het college om af te wijken van artikel 3.2.3. en 4.2.3. van de planregels van het bestemmingsplan als kan worden aangetoond dat de geluidbelasting op de gevels lager is dan volgt uit het geluidrapport. Dit betekent dat om van deze bevoegdheid gebruik te kunnen maken, eerst moet kunnen worden aangetoond dat sprake is van een lagere geluidbelasting op de gevels. De regel heeft als doel om, als de geluidsituatie ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning 52
aan de hand van nadere rapportages direct onder de geluidsnormering van de planregels tracht uit te komen.
57
Artikel 3.5
Adressant 3 maakt bezwaar tegen de mogelijkheid om geluidgevoelige functies in aantal te doen toenemen en/of om deze elders te lokaliseren in het plangebied. De gevolgen van deze mogelijkheid zijn onvoldoende onderzocht. De bepaling eist ten onrechte niet dat bij het hanteren van desbetreffende bevoegdheid aangetoond dient te worden dat er sprake is van een goed woonen leefklimaat, zulks aan de hand van concrete normen.
58
Artikel 4.2
59
Artikel 4.3
60
Artikel 13.2
61
Artikel 15
De voorgaande zienswijzen hebben ook betrekking op deze bepaling. De zienswijzen met betrekking tot bepaling 3.5 hebben mede betrekking op deze bepaling. Het is Adressant 3 onduidelijk welke nadere eisen hier worden bedoeld. Adressant 3 meent dat desbetreffende eisen zoveel mogelijk reeds in de desbetreffende bepalingen uit voorgaande artikelen dienen te worden opgenomen. Ook hier laat de planwetgever te veel aan onduidelijkheden bestaan en schuift deze onvoldoende onderzochte aspecten van de planvorming door naar toekomstige fasen (zoals de vergunningprocedure). Dat is in strijd met een goede ruimtelijke ordening en met het rechtszekerheidsbeginsel. De onder a genoemde bepaling 4.4, onder g bestaat niet. Mogelijk is 4.4.1, onder g bedoeld. Adressant 3 meent meer algemeen dat de planregels onvoldoende garantie geven dat bewoners geen geluidhinder zullen ondervinden ten gevolge van de vele geluidbronnen in de omgeving. Adressant 3 behoudt zich nadrukkelijk het recht voor om deze zienswijze nader te specificeren, mede in verband met onderstaande.
62
om welke reden dan ook is gewijzigd waardoor de geluidbelasting op de gevel aantoonbaar minder zwaar is, en dus ook de nu berekende maatregelen aan de woningen niet meer noodzakelijk zijn, de mogelijkheid te behouden om van die (zwaardere) maatregelen af te kunnen wijken. Het is aan de raad om te beslissen of het wenselijk is om die flexibiliteit te bieden aan toekomstige aanvragers. Het artikel waarnaar wordt verwezen volgt uit de regels- en beleid op het gebied van Huisvesting van de gemeente Amsterdam en wordt standaard opgenomen in bestemmingsplannen wanneer daarin woonruimten mogelijk worden gemaakt. Daarbij wordt erop gewezen dat in het kader van geluid niet relevant is hoeveel woningen worden gerealiseerd. Relevant is dat de te realiseren woningen voldoen aan de planregels uit het bestemmingsplan, waaronder die planregels die zien op het borgen van voldoende bescherming tegen geluid. Zie de reactie bij punt 44-55. Zie de reactie bij punt 44-55.
Het is niet ongebruikelijk om in een bestemmingsplan een nadere eisen bepaling in een aparte planregel op te nemen bijvoorbeeld wanneer die nadere eisen van toepassing kunnen zijn op meerdere bestemmingen. Het is aan burgemeester en wethouders om te bepalen of nadere eisen moeten worden gesteld bij een aanvraag. Dit is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Dit is aangepast in de planregels in de vorm van een redactionele wijziging. Gelet op hetgeen is gesteld in deze Nota van Beantwoording ziet de raad dit anders. In de planregels is voldoende geborgd dat bewoners en gebruikers van toekomstige geluidgevoelige functies, met name woningen, voldoende beschermd zullen zijn tegen geluidhinder.
53
C.
Conclusie
De zienswijzen van adressanten leiden niet tot inhoudelijke wijzigingen van het bestemmingsplan. De planregels zijn wel gewijzigd ter verbetering van de leesbaarheid en toepasbaarheid. Ook de plantoelichting bij het bestemmingsplan zal naar aanleiding van de zienswijzen op enkele punten worden aangepast en verduidelijkt.
54