581_21_Motie Roosma c_s_ financiele verordening financierbaarheid.pdf
Tekst van het document
Gemeenteraad
RAAD
Motie
Datum raadsvergadering Ingekomen onder nummer
8 juli 2021 581
Status
Onderwerp
Motie van de leden Roosma, Van Dantzig, Biemond en Boomsma inzake de Financiële Verordening 2022 (de invalshoek van financierbaarheid) Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over de Voorjaarsnota 2021 Constaterende dat: - In het nieuwe investeringsstelsel zal worden gewerkt met een gemaximeerde meerjarige ruimte voor het doen van investeringen, zogenaamde investeringsplafonds. - Bij de onderbouwing van het besluit over de financiële verordening 2022 als één van de invalshoeken voor het nieuwe investeringsstelsel wordt genoemd de ‘financierbaarheid’, en het sturen op de grenswaarde van de schuldquote van 130 procent, waarbij wordt opgemerkt: “We willen een verantwoorde ontwikkeling van de schuld en we willen een verantwoord investeringsvolume behouden. Het maximeren van de uitgaven aan investeringen betekent dat scherpe keuzes zullen moeten worden gemaakt.” Overwegende dat: - De Rekenkamer in haar brief van 2 juni j.l.
pleit voor een bredere beschouwing op de relatie tussen investeringen en de ontwikkeling van de externe financieringsmiddelen, waarbij 1) meer wordt gekeken naar de achterliggende reden van de ontwikkeling van de schuld en de schuld te beschouwen in relatie tot de waarde van de investeringen; 2) de grenswaarde van de schuldquote van 130 procent niet als strikt uitgangspunt t nemen maar eerder te kijken naar of de begroting in reëel en structureel evenwicht is; 3) hierbij ook rekening te houden met de lasten van als er niet geinvesteerd wordt, zoals de onderhoudslasten in het geval van achterstallig onderhoud of het mislopen van opbrengsten doordat minder wordt geïnvesteerd in de groei van de stad; Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
-
De grenswaarde van de schuldquote van 130% niet als uitgangspunt te nemen bij de voorstellen voor de hoogte van de investeringsplafonds (die aan de raad zullen worden voorgelegd), maar de door de Rekenkamer bepleitte brede beschouwing op de aard van de investeringen in relatie tot de externe
-
financiëringsmiddelen en het reële en structurele evenwicht in de begroting, als uitgangpunt te nemen. Daarbij rekening te houden met de maatschappelijke en financiële lasten van het niet doen van bepaalde investeringen.
Indiener(s),
F. Roosma R.H. van Dantzig H.J.T. Biemond D.T. Boomsma