CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Rapport groei vrijstellingen - Kohnstamm Instituut_mei_2023.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 21 juni 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Terugkoppeling van de uitkomsten van onderzoeken in relatie tot de groei Speciaal Onderwijs en stijging aantal vrijstellingen in Amsterdam (VN2023-014316)24.676 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

2018 meer en meer geprofessionaliseerd. Zij hebben een eigen dossier en per kwartaal onderling overleg samen met beleidsadviseurs van de afdelingen jeugd en leerplicht. Ook monitoren deze onafhankelijke jeugdartsen of en hoe vaak de samenwerkingsverbanden zijn geraadpleegd. Indien de procedures van ziekteverzuimbegeleiding door de jeugdarts van het kind/de jongere niet goed zijn doorlopen, wijst de onafhankelijk arts de aanvraag in principe direct af, zonder deze in behandeling te nemen. Er zijn om het half jaar afspraken met de beleidsmedewerkers leerplicht, gemeente en JGZ over de procedures ten aanzien van de aanvragen.

4.2 Rotterdam Op zoek naar mogelijkheden voor de kinderen In Rotterdam zijn de samenwerkingsverbanden po en vo bezig met de doelgroep kinderen met een (potentiële) vrijstelling. De samenwerkingsverbanden hebben subsidie aangevraagd bij ‘Wel in ontwikkeling’, een project van het ministerie van OCW vanuit de NPO-gelden voor leerlingen die niet ingeschreven staan (kinderen met een vrijstelling onder 5a)32. De bedoeling van het onderzoek van het samenwerkingsverband primair onderwijs is om via contacten met de gezinnen/interviews met ouders van kinderen met een vrijstelling in kaart te brengen welke problematiek er schuil gaat achter de cijfers, of het kind op een medische kinderdagbehandeling zit en wat eventuele onderwijswensen en – mogelijkheden zijn. Nauw contact tussen samenwerkingsverband en medische kinderdagcentra Het samenwerkingsverband po is outreachend gaan werken

32 https://www.dus-i.nl/subsidies/wel-in-ontwikkeling

72

richting de instellingen als autismecentra, medische kinderdagcentra, behandelcentra. Recent hebben ze vanuit het samenwerkingsverband contactpersonen gekoppeld aan ruim 30 instellingen, die daar periodiek langsgaan of digitaal contact hebben om individuele kinderen door te nemen en alvast de mogelijkheden te bespreken. Zo krijgen ze ook de kinderen met (vermoedelijk) een 5a traject beter in beeld en kunnen ze in een vroeg stadium meedenken over wat de opties zijn. Cases opnieuw doorlichten en op zoek naar mogelijkheden In een kleinschalige pilot zijn samen met SMA-artsen veertien kinderen (zeven uit het po en zeven uit het vo) met een vrijstelling en een onderwijsverleden doorgelicht om te kijken of deze kinderen niet toch een vorm van onderwijs zouden kunnen volgen. De achterliggende gedachte was dat artsen misschien onvoldoende op de hoogte zijn van de mogelijkheden, ook al gelet op de variatie aan onderwijs-zorg-combinaties die langzamerhand ontstaat. De SMA-artsen vonden de activiteit een verrijking, zowel om kinderen goed door te lichten als om beter zicht te krijgen op onderwijsmogelijkheden.

4.3 Den Haag Driehoeksoverleg In Den Haag heeft men de laatste jaren op gemeentelijk niveau vooral ingezet op preventie en het zo goed mogelijk in banen leiden van de vrijstellingenafgiftes door het instellen van het in 3.3.1 genoemde Driehoeksoverleg, een vertegenwoordiging van de samenwerkingsverbanden po en vo, GGD en leerplichtambtenaren. In deze nieuwe, uitgebreide procedure wordt de situatie van het kind of de jongere waarvoor een vrijstellingsverzoek bij de gemeente binnenkomt getoetst op de mogelijkheid van een passend onderwijsaanbod voordat een formeel beroep op vrijstelling kan worden gedaan. Het doel is in principe voor ieder 73

kind een passende onderwijsplek te vinden en daardoor het aantal vrijstellingen te verminderen. Door een case gemeenschappelijk, met meerdere partijen te bekijken wordt beter zichtbaar in welke situatie een passende onderwijsplek mogelijk is en in welke situaties er iets anders nodig is. Het maakt duidelijk wat er nodig is (aan voorzieningen of trajecten) om alle kinderen te voorzien van een passende plek. Het Driehoeksoverleg komt priodiek bij elkaar en bespreekt dan alle vrijstellings-verzoeken die voor nader onderzoek in aanmerking komen. Eén van de opbrengsten van de nieuwe werkwijze van het Driehoeksoverleg is dat er nu een lijntje is tussen de medische kinderdagcentra en de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. De kinderdagcentra weten het onderwijs makkelijker te vinden. Jeugdhulp en school overleg (JES) Rondom het voortgezet onderwijs is een structuur opgezet met als doel om thuiszitters en leerlingen die vastlopen te bespreken en volgen, het Jeugdhulp en school-overleg (JES)33. De volgende partijen zijn hierbij betrokken: JGZ, schoolarts, leerplicht, het schoolondersteuningsteam vanuit het samenwerkingsverband vo, de coördinator passend onderwijs vanuit de school en soms teamleiders en leerlingbegeleiders. Regelmatig is er op elke school een JES-bijeenkomst waarin thuiszitters en vastgelopen leerlingen worden besproken.

Er is een registratiesysteem, Onderwijs Transparant, waarin de thuiszitters geregistreerd staan. Geregistreerd wordt of een leerling geoorloofd of ongeoorloofd thuis zit. Voor elke leerling wordt een plan van aanpak gemaakt. Tijdens het JES-overleg wordt de stand van zaken opgemaakt en het plan van aanpak langsgelopen. Vrijstellingenafgiftes komen niet veel voor, maar af en toe wordt toch de optie van een

33 https://www.swvzhw.nl/voor-scholen/jeugdhulp-en-school-jes/

74

(tijdelijke) vrijstelling besproken en in gang gezet, bijvoorbeeld om de druk van school er tijdelijk af te halen. Op deze manier komen er voor leerlingen soms toch mogelijkheden in beeld die niet voor mogelijk werden gehouden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de situatie waarin de SMA-arts een leerling een vrijstelling wilde toekennen op basis van de constatering dat de leerling één-opéén onderwijs nodig zou hebben. De arts was er niet van op de hoogte dat dit type onderwijs mogelijk is. Door het contact met het samenwerkingsverband kwam deze optie voor de betreffende leerling in beeld. Door de uitbreiding van het proces met het Driehoeksoverleg worden artsen zich er langzamerhand van bewust dat er vaak meer mogelijk is dan zij op voorhand dachten en zijn ze nu minder geneigd om op het formulier ‘geen mogelijkheden meer voor onderwijs’ te registreren. Als vermeld staat dat er uitzicht is op onderwijs, of dat daar naartoe gewerkt wordt, heeft het samenwerkingsverband een aanknopingspunt om naar mogelijkheden te zoeken. Volgens betrokkenen is hier winst te behalen.

4.4 Utrecht Kernpartner- aanpak De kernpartnerstructuur in Utrecht is opgezet met als doel bevorderen dat er door samenwerking een rijk palet aan onderwijs-zorgcombinaties wordt geboden. De kernpartners (de samenwerkingsverbanden passend onderwijs po en vo, Jeugdgezondheidszorg, Leerplicht, en de buurtteams) zijn samen met de twee stedelijke instellingen voor gespecialiseerde jeugdzorg, KOOS en SPOOR030 verenigd in wat men noemt de ‘Beweging naar nul vrijstellingen’. Het doel is om gezamenlijk drempels weg te nemen en schooluitval en thuiszitten te voorkomen en vrijstellingenafgifte te beperken, door vroegtijdige onderkenning en het bieden van passende onderwijszorgcombinaties. Het uitgangspunt is dat voor ieder kind in 75

principe ontwikkelingsstimulering mogelijk is en dat voor elk kind dat daar behoefte aan heeft, een passende combinatie van onderwijs en zorg geboden moet worden. Volgens verschillende informanten staat er met de kernpartner-aanpak een stevige en heldere structuur die binnen de gemeente breed gedragen wordt. Verder wordt in dit verband het volgende opgemerkt: • Het netwerk werkt ook preventief. Zo is de specialistische jeugdzorg samen met de buurtteams bezig om op scholen te inventariseren wat er nodig is om uitval en thuiszitten te voorkomen. • Men heeft gemerkt dat de meeste winst te behalen valt bij kinderen die nog maar kort een vrijstelling hebben. Daarom worden de kernpartners op de hoogte gebracht zodra een kind een vrijstelling ontvangt en wordt direct nagegaan of er toch een aanbod mogelijk is. • De JGZ-medewerkers gaan regelmatig door hun dossiers met vrijstellingen heen en overleggen met de samenwerkingsverbanden over de eventuele mogelijkheden van onderwijs voor deze kinderen. • De samenwerkingsverbanden zien een sterke rol voor zichzelf in het ombuigen van een potentiële vrijstelling naar onderwijsdeelname. Gezamenlijk zet men in op het creëren van ‘tussenvormen’ van onderwijs en zorg. Er zijn verschillende regelingen die dit mogelijk maken, bijvoorbeeld de variawet. Er is proefgedraaid met kleine klasjes kinderen die onderwijs en zorg kregen.

Een voorwaarde is dat na een half jaar aangetoond moet worden dat een kind onderwijscapaciteit heeft en potentieel naar school zou kunnen. Bij sommige van deze kinderen lukt dit niet. Voor deze kinderen wordt geprobeerd andere mogelijkheden te creëren. • De beide samenwerkingsverbanden hebben subsidie aangevraagd voor de maatregel ‘Wel in ontwikkeling’ bij het ministerie van OCW (zie 4.2.), op basis waarvan ze kinderen

76

•

•

•

die in de dagbesteding zitten een vorm van onderwijs kunnen bieden. Op enkele so-scholen (cluster 3) zijn speciale Leerstroomklassen ingericht voor kinderen met een ontwikkelingsachterstand die extra zorg nodig hebben. Een deel van deze kinderen heeft een (kans op een) vrijstelling. De ‘Leraar op de fiets’ verzorgt onderwijs in zorggroepen in dagbehandelingsgroepen voor wie de stap naar onderwijs te groot is, maar die wel enkele uren per week onderwijs kunnen volgen. Individuele begeleiding bieden binnen reguliere basis-of sboscholen. Het voorbeeld is een combinatie van onderwijs en specialistische begeleiding van kinderen met hoogbegaafdheid in combinatie met een andere component zoals autisme. Naast een leraar is een andere professional in de school aanwezig, bijvoorbeeld een orthopedagoog, systeemtherapeut of dramatherapeut. Het doel is om binnen de muren van de school kinderen die vastlopen weer tot leren brengen.

77

78

5

Samenvatting

5.1

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is gekeken naar ontwikkelingen in vrijstellingen op grond van artikel 5 onder a in de vier grote gemeenten, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. De aanleiding tot dit onderzoek betrof een combinatie van factoren in Amsterdam: een toename van verwijzingen naar het speciaal onderwijs bij clusters 3 en 4, een daling van het leerlingenaantal, maar een stijging van het aantal vrijstellingen onder 5 sub a bij met name jonge kinderen. Om na te gaan in hoeverre deze factoren zich bij verschillende leeftijdsgroepen voordoen in alle vier de gemeenten, zijn kwantitatieve gegevens op een rij gezet. Het betreft een beschrijving van demografische kenmerken en het in kaart brengen van de kenmerken van de groep kinderen met een vrijstelling op grond van 5 sub a. Naast cijfermatige zijn kwalitatieve gegevens verzameld over de vraag in hoeverre betrokkenen in de gemeenten een toename zien in afgifte van vrijstellingen en of er een relatie is tussen de stijging of daling van de afgifte van vrijstellingen en bepaalde omstandigheden of ontwikkelingen. Ook is gekeken naar de mogelijkheden die de gemeenten hanteren om de vrijstellingen terug te dringen. In dit afsluitende hoofdstuk volgen de conclusies bij de centrale vraag:

79

Hoe komt het dat het aantal vrijstellingen op grond van artikel 5 sub a van de Leerplichtwet in de afgelopen schooljaren is gestegen terwijl ook het aantal leerlingen in het so stijgt?

5.2 Kwantitatieve gegevens In Amsterdam en Den Haag en de meest recente jaren ook in Rotterdam, worden van de onderscheiden leeftijdsgroepen (5; 6-8; 9-11; 12-14; 15-17) de meeste vrijstellingen toegekend aan 5-jarige kinderen. In Utrecht worden het minst vaak vrijstellingen toegekend aan 5-jarige kinderen. In Rotterdam en Utrecht worden relatief meer vrijstellingen toegekend aan wat oudere kinderen van 15-17 jaar dan in Amsterdam en Den Haag. Stijgingen in vrijstellingen zijn in Amsterdam het duidelijkst bij kinderen ouder dan 5 en het sterkst bij de 6-8 jarigen. In Rotterdam is de stijging het sterkst bij de 5-jarigen. In Den Haag zijn minder duidelijke patronen te zien: bij 5-jarigen en 9-11 jarigen was er bijvoorbeeld een overall stijging, maar bij 15-17 jarigen een daling. In Utrecht is er bij alle onderscheiden leeftijdsgroepen een overall stijging. Overigens gaat het in Utrecht om lage absolute aantallen.

5.3 Factoren die een rol spelen bij stijging In Amsterdam zijn de volgende groepen te onderscheiden waar afgifte van vrijstellingen zich voordoet: • Jonge kinderen die vanaf het begin van de leerplichtige leeftijd een vrijstelling 5 onder a krijgen en veelal afkomstig zijn van de medische en orthopedagogische kinderdagverblijven. Deze groep is volgens betrokkenen qua aandoening vrij homogeen gebleven, al lijkt deels sprake te zijn van een nieuwe groep, ouders uit het buitenland die vanwege mogelijk betere zorg voor hun kind naar Nederland komen. 80

•

•

•

De leeftijdsgroep ouder dan 5 jaar, waar een duidelijker toename in toegekende vrijstellingen was, het duidelijkst bij de 6-8 jarigen. De vrijstelling wordt, afgaand op de respondenten, vaak afgegeven op psychische gronden. Het gaat deels om kinderen die vastlopen, waarvan ouders op zoek gaan naar alternatieven. De populatie jonge kinderen tot en met 8 jaar nam in de loop der jaren af. De ontwikkeling in vrijstellingen 5 onder a bij kinderen tot en met 8 jaar is dus tegengesteld aan de bevolkingsontwikkeling van deze leeftijdsgroep. Het aantal kinderen vanaf 9 jaar nam wel toe, wat de stijging in toegekende vrijstellingen 5 sub a bij deze wat oudere leeftijdsgroep vanaf 9 jaar wel deels kan verklaren.

Rotterdam valt op door: • Een stijging onder de 5-jarigen, vanuit de medische route. • Vrijstelingenafgifte komt ook veel voor in de vo-leeftijd, zowel bij kinderen in het vmbo als in havo/vwo. Het gaat om kinderen met (zware) gedrags- en psychische problemen. Soms zijn het kinderen die het so hebben gevolgd, maar waarvoor vanwege de te zware problematiek geen goede plaats te vinden is in het vo. • Gewezen wordt op het lerarentekort in het onderwijs in combinatie met (zware gedrags)problemen van jongeren, waardoor men tegen grenzen aanloopt. • Ook zouden capaciteitsproblemen in de zorg er aan bijdragen dat kinderen in een vrijstelling terecht komen. • Als het gaat om de jonge kinderen wordt gewezen op veranderingen in het voortraject naar de basisschool, de voorschoolse voorzieningen en de vroeghulp, die de laatste jaren minder (intensief) zijn gaan inzetten op hulp aan ouders met jonge kinderen.

81

Uit de kwantitatieve gegevens bleek dat er in Den Haag geen duidelijke ontwikkelingspatronen in toegekende vrijstellingen onder 5a zijn. • Het meest duidelijk was een overall stijging bij 5-jarigen, terwijl het aantal 5-jarigen in de afgelopen jaren afnam. • Daarnaast was er bij de 9-11 jarigen een heel lichte stijging (waar de bevolking de laatste jaren ook toenam) en bij de 15-17 jarigen een daling, terwijl de bevolking in deze leeftijdsgroep toenam. • Bij de 5-jarigen gaat het voornamelijk om kinderen met een medische problematiek, afkomstig uit (medische) kinderdagverblijven. Verder wordt gewezen op leerlingen in de voleeftijd met meervoudige problemen die vastlopen • Bij de leeftijdsgroep 12-14 jarigen is een heel lichte stijging zichtbaar. • Mogelijke factoren die stijging bevorderen zijn problemen met de plaatsing van jonge kinderen, waarvoor ondanks het brede palet aan voorzieningen in Den Haag en omgeving niet direct een passende plek beschikbaar is. Dit zou ook kunnen samenhangen met de aantrekkingskracht van juist deze voorzieningen, die ervoor zorgen dat ouders met jonge kinderen naar Den Haag komen voor goede zorg voor hun meervoudig gehandicapte kind. • Verder is de groei mogelijk een gevolg van meer aandacht voor het in beeld brengen van leerlingen die geen onderwijs volgen. Bovendien worden vrijstellingen voor een kortere periode afgegeven.

Dat zou kunnen leiden tot een toename in de cijfers. In Utrecht: • Worden volgens de cijfers, anders dan in de andere gemeenten waar -van de onderscheiden leeftijdsgroepen (5; 6-8; 9-11; 12-14; 15-17) de meeste vrijstellingen voorkomen bij 5-

82

•

•

jarigen, vrijstellingen het minst vaak toegekend aan 5-jarige kinderen. Bij de 5- jarigen is echter wel een grote relatieve stijging te zien tussen 2017-2018 en 2020-2021. Verondersteld wordt dat het onder meer gaat om kinderen die als gevolg van corona onvoldoende zijn gezien op jonge leeftijd, omdat ze niet naar de voorschool gingen. De kinderen zijn pas laat in beeld en op het moment dat ze naar school gaan is nog niet goed te zien welke problematiek er speelt en in welke mate kinderen leerbaar zijn. Een absolute stijging zit er vooral bij de 9-11 jarigen. Hier zou het kunnen gaan om kinderen in de eindfase van het speciaal basisonderwijs (cluster 3) die de overstap moeten maken naar een vso-school, maar daar onvoldoende aansluiting vinden.

5.4 Mogelijkheden om afgifte van vrijstellingen onder 5a terug te dringen Ten slotte schetsen we op grond van de aangedragen praktijken en suggesties wat gemeenten (kunnen) doen om het aantal vrijstellingen te voorkomen of terug te dringen. Uiteraard hebben de gemeenten niet overal invloed op maar ze werken wel aan initiatieven. De initiatieven betreffen twee strategieën: 1. Contacten verbeteren en opzetten van een goede overlegstructuur. 2. Aangepaste onderwijszorgcombinaties of ambulante hulp bieden. De volgende knelpunten en oplossingen kwamen naar voren: Ad 1: Contacten verbeteren en opzetten van een goede overlegstructuur. Samenwerking tussen partijen versterken Er werden gaten gesignaleerd in de kennis van betrokkenen. 83

De artsen zouden (in het verleden) te weinig op de hoogte zijn (geweest) van de onderwijsmogelijkheden en de samenwerkingsverbanden zouden in het geval van schoolgaande kinderen onvoldoende actief zijn (geweest) in het voortraject. Recent is men de samenwerking tussen betrokken partijen (vertegenwoordigers van de samenwerkingsverbanden po en vo, GGD en leerplichtambtenaren) verder gaan verbeteren: • In Amsterdam werkt men al bijna tien jaar met onafhankelijke jeugdartsen. Hun werkzaamheden zijn sinds 2018 meer en meer geprofessionaliseerd. Zij hebben een eigen dossier en per kwartaal onderling overleg samen met beleidsadviseurs van de afdelingen jeugd en leerplicht. Ook monitoren deze onafhankelijke jeugdartsen of en hoe vaak de samenwerkingsverbanden zijn geraadpleegd. Indien de procedures van ziekteverzuimbegeleiding door de jeugdarts van het kind/de jongere niet goed zijn doorlopen, wijst de onafhankelijk arts de aanvraag in principe direct af en nemen zij deze niet in behandeling. Er zijn om het half jaar afspraken met de beleidsmedewerkers leerplicht, gemeente en JGZ over de procedures ten aanzien van de aanvragen. • Het Utrechtse kernpartneroverleg, waarin naast genoemde partijen ook de buurtteams betrokken zijn. Hier is een schil omheen gevormd van gespecialiseerde jeugdhulp, ondergebracht bij twee stedelijke organisaties die samen de hele stad beslaan.

Vanuit elke deelnemer aan het team kernpartners is een medewerker afgevaardigd naar een school voor voortgezet onderwijs. Samen pakken zij alle vraagstukken op die spelen rondom kinderen die ondersteuning nodig hebben. Het doel van deze organisatievorm is thuiszitten voorkomen en zorgen voor een passend aanbod. De werkwijze van het kernpartner-overleg moet zorgen voor samenwerking en bundeling van krachten: één plan, één regisseur.

84

•

•

•

•

In Rotterdam zijn er stappen gezet in de richting van preventie en betere samenwerking, door medewerkers van het samenwerkingsverband po te koppelen aan ruim 30 (medische)kinderdagverblijven, autismecentra en behandelcentra. De contactpersonen gaan daar periodiek langs of hebben digitaal contact, om individuele kinderen door te nemen en alvast de mogelijkheden te bespreken. Via deze outreachende aanpak komen ook de kinderen met (potentieel) een 5a traject beter in beeld en kan het swv in een vroeg stadium meedenken over de opties. In Den Haag is het Driehoeksoverleg opgezet en is de toekenningsprocedure uitgebreid. De situatie van degene waarvoor een vrijstellingsverzoek wordt aangevraagd, wordt in het zogenoemde Driehoeksoverleg getoetst op de mogelijkheid van een passend onderwijsaanbod voordat een formeel beroep op vrijstelling kan worden gedaan. Rondom het voortgezet onderwijs in Den Haag is een samenwerkingsstructuur opgezet bestaande uit een groot aantal partners (JGZ, schoolarts, leerplicht, het schoolondersteuningsteam, vanuit het samenwerkingsverband vo, de coördinator passend onderwijs vanuit de school) het Jeugdhulp en school (JES) overleg met als doel preventie. Thuiszitters en leerlingen die vastlopen worden besproken en gevolgd en zo nodig wordt een plan van aanpak gemaakt.

Al deze structuren en acties zijn mede bedoeld om de kennisbasis over achtergronden van problemen, relevante wet- en regelgeving en alternatieven voor vrijstelling onder 5a te versterken.

Ad 2. Aangepaste onderwijszorgcombinaties of ambulante hulp bieden.

85

Vroegsignalering Het belang van vroegsignalering en vroeghulp kwam verschillende keren naar voren. Het helpt als ouders en kinderen tijdig in beeld zijn en problemen vroegtijdig worden opgespoord en onderkend. Als het gaat om heel jonge kinderen wordt het belang benadrukt van goede en toegankelijke (voorschoolse) voorzieningen, waar ouders drempelloos gebruik van kunnen maken, in combinatie met jeugdhulp en pedagogische ondersteuning. Het Amsterdamse project Ondersteuning Kinderen in de DagOpvang (OKIDO) of de voorschool plusplus34 voorzien in zo’n aanbod. Kinderen die niet in staat zijn regulier of speciaal onderwijs te volgen toch onderwijs bieden. In alle vier de gemeenten zijn er inspanningen om kinderen de vorm van onderwijs en zorg aan te bieden op de plek die het best bij hen past. Aanbieders van (medische) kinderdagopvang bieden (in combinatie met dagopvang) maatwerkvarianten en -trajecten aan zoals: • Deeltijddagbehandeling voor kinderen met minder complexe zorg voor twee of drie dagen per week met het oog op een diagnostische behandeling (lightvariant dagbehandeling) (recentelijk in Amsterdam ontwikkeld). • Een vorm van onderwijs aan kinderen die in de beschermde omgeving van de zorg (dagbehandeling) zitten (idem) • Zorgonderwijsgroepen binnen scholen voor ZMLK.

Een grote zorgaanbieder van multidisciplinaire dagopvang huurt ruimte binnen leegstaande lokalen van ZMLK-scholen voor het aanbieden van KDC-groepen. De groepen zijn bedoeld om kinderen de mogelijkheid te geven op onderdelen mee te

34 OKIDO is intensieve begeleiding op een kinderopvanggroep door een specialist en/of een extra pedagogisch medewerker op de groep. Bij de voorschool plusplus gaat het om observatiegroepen binnen de reguliere kinderopvang met ondersteuning vanuit de medische dagbehandeling, voor kinderen die een aangepast aanbod nodig hebben, maar nog niet in een vrijstelling zitten.

86

•

draaien met het reguliere onderwijsprogramma. Omgekeerd kunnen kinderen die ZMLK-onderwijs volgen terecht in deze zorgonderwijsgroepen. Leerstroomklassen binnen so-scholen (cluster 3) voor kinderen met een ontwikkelingsachterstand die extra zorg nodig hebben. De klassen zijn zo samengesteld dat een deel bestaat uit kinderen met een vrijstelling (recentelijk in Utrecht opgezet).

Begeleiding binnen school of bij (dreigende) schooluitval Er wordt in alle gemeenten ingezet op preventie, dat wil zeggen zorg en begeleiding bieden aan kinderen die dreigen uit te vallen. Enkele voorbeelden zijn: • Individuele begeleiding bieden binnen reguliere basis-of sboscholen. In Utrecht biedt men een combinatie van onderwijs en specialistische begeleiding aan kinderen met hoogbegaafdheid in combinatie met een andere component zoals autisme. Naast een leraar is een andere professional in de school aanwezig, bijvoorbeeld een orthopedagoog, systeemtherapeut of dramatherapeut. Het doel is om binnen de muren van de school kinderen die vastlopen weer tot leren brengen. • Een initiatief op het Utrechtse Kanaleneiland (‘ontwikkelgroepen’) waarin jongens en mannen die zelf schooluitvaller zijn geweest jongeren op straat benaderen en begeleiden naar een vorm van onderwijs. • Eveneens in Utrecht: een opvang/onderwijscombinatie (‘College 360’), waar kinderen 360 dagen per jaar welkom zijn om onder leiding van leerkrachten en zorgprofessionals te werken aan schoolvaardigheden met als uiteindelijk doel het weer kunnen functioneren op een reguliere school.

87

5.5 Aanbevelingen Op grond van de voorgaande informatie komen we tot de volgende aanbevelingen. *Ververs/hernieuw de afspraken tussen verschillende partijen, of scherp deze aan. Onderlinge afspraken tussen ketenpartners staan niet altijd (meer) scherp op het netvlies en ook zijn niet overal alle ketenpartners goed op de hoogte van elkaars mogelijkheden. Het bleek bijvoorbeeld dat de jeugd/SMA-artsen niet altijd goed zicht hadden/hebben op de onderwijsmogelijkheden binnen de gemeente. Belangrijk is om te zorgen voor een netwerk met een goede overlegstructuur waarin de partners elkaar ontmoeten. Voorbeelden zijn het kernpartner-overleg in Utrecht en het Driehoeksoverleg in Den Haag waarmee de procedure voor een beroep op vrijstelling is uitgebreid. Binnen dit structurele overleg van verschillende partijen (samenwerkingsverbanden po en vo, GGD/SMA-artsen, en leerplichtambtenaren) vindt in principe voor elk kind een toetsing plaats op de mogelijkheid van een passend onderwijsaanbod voordat een formeel beroep op vrijstelling kan worden gedaan. * Houd zicht op het vervolg, na afgifte van een vrijstelling. Kinderen die na het verkrijgen van een vrijstelling naar een instelling voor dagbehandeling gaan, verdwijnen doorgaans uit het zicht van de afdeling Leerplicht.

Door te kiezen voor kort(er)durende vrijstellingen (zoals binnen deze gemeenten al gangbaar is) komen kinderen opnieuw in beeld en wordt voorkomen dat opties om (toch) onderwijs te volgen worden gemist. Dit is met name belangrijk omdat er in het onderwijs in combinatie met zorg, steeds meer mogelijk wordt.

88

*Investeer in voorzieningen voor jonge kinderen. In drie van de vier gemeenten worden de meeste vrijstellingen toegekend aan 5-jarige kinderen. Een dekkend en kwalitatief goed voorschools aanbod voor jonge kinderen kan mogelijk preventief werken. Een voorbeeld is de gemeente Amsterdam, waar pedagogische ondersteuning en jeugdhulp wordt geboden rondom de voorschool, in projecten zoals OKIDO en de voorschool plusplus. *Zorg ervoor dat kinderen met (potentieel) een 5a traject in beeld komen en de verschillende partijen in een vroeg stadium meedenken over de opties. Een voorbeeld is Rotterdam, waar stappen zijn gezet in de richting van preventie en betere samenwerking, door medewerkers van het samenwerkingsverband po te koppelen aan tientallen (medische) kinderdagverblijven, autismecentra en behandelcentra. De contactpersonen gaan daar periodiek langs of hebben digitaal contact, om individuele kinderen door te nemen en alvast de mogelijkheden te bespreken. * Onderzoek de mogelijkheden om er eerder bij te zijn, met name bij overgangen. Blijkens de cijfers loopt het aantal vrijstellingen op bij de overgang van basisonderwijs naar het voortgezet (speciaal) onderwijs. We bevelen aan om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om kinderen eerder in het basisonderwijs te signaleren en te zorgen dat een kind in een vroeg stadium een passend aanbod krijgt/op de juiste plaats terecht komt.

Bijvoorbeeld, kinderen die naar het reguliere voortgezet onderwijs gaan vanuit het speciaal (basis)onderwijs, moeten ook daar de nodige ondersteuning kunnen krijgen. Hiervoor is nodig dat het samenwerkingsverband al in een vroeg stadium op de hoogte is van de behoeften van het betreffende kind en meedenkt over de mogelijkheden. Ook is bekendheid met het beschikbare aanbod nodig, zodat leerlingen

89

en ouders tot een zo passend mogelijke schoolkeuze kunnen komen. *Zorg voor een beter passend aanbod. Naast dat er na overgangen opnieuw een passend aanbod gerealiseerd moet worden, moet ook het bestaande aanbod zoveel mogelijk passend zijn. Door hun gerichtheid op externaliserende gedragsproblemen zouden cluster 4 scholen minder passend zijn voor kinderen met psychische problemen, autisme of hoogbegaafdheid. Een aanbeveling is om (zoals in de gemeente Utrecht al in gang is gezet) op gemeenteniveau te onderzoeken hoe aan deze groep kinderen tegemoet gekomen kan worden gekomen met een beter passend aanbod, zowel in het po als in het vo. *Richt de aandacht op de leeftijdsgroep 17+. Een groep die opvalt zijn de oudere mbo-studenten tegen het eind van de leerplichtige leeftijd, die als gevolg van zware psychische problematiek tijdelijk niet naar school kunnen. Een vrijstelling komt voor deze jongeren in beeld vanwege de niet-flexibele instroommomenten in het mbo. Hierdoor kunnen zij niet meer naar school terug. We bevelen aan te overwegen of een vrijstelling voor (mbo-)leerlingen tegen het eind van de leerplichtige leeftijd (17+) wel het juiste instrument is. Mogelijk is er een andere route (te ontwikkelen) voor deze leerlingen. Hierbij is het belangrijk om na te gaan in hoeverre voorkomen kan worden dat deze leerlingen vastlopen.

Een in eerder onderzoek35 geconstateerd knelpunt is bijvoorbeeld dat vso-leerlingen die naar het mbo gaan daar onvoldoende ondersteuning krijgen. *Probeer scherper in beeld te krijgen om welke groepen het gaat; uniformeer de registratie.

35 Van Langen & Van der Veen (2022). Een NCO-schoolrapport voor sbo, so en vso. Verkenning van behoeften n mogelijkheden. Nijmegen/Amsterdam: KBA Nijmegen/Kohnstamm Instituut.

90

Het blijkt lastig om een goed beeld te krijgen op basis van de cijfers, bijvoorbeeld omdat de reden van vrijstelling niet wordt geregistreerd. Alle vier de gemeenten hebben weliswaar een gedegen registratiesysteem, maar met het oog op vergelijkbaarheid en toekomstige beleidsvorming bevelen we aan dit binnen de vier grote steden op dezelfde manier te doen. Dat kan bijvoorbeeld door aan de registraties een voorgecodeerde scoringslijst toe te voegen (zie onderstaand voorbeeld) waarmee relevante kenmerken, zoals reden voor afgifte van vrijstelling, achtergrond van de problematiek en of het gaat om een eerste of herhaalde vrijstelling op dezelfde manier worden vastgelegd. Deze gegevens kunnen waarschijnlijk vrij eenvoudig worden geregistreerd onder de huidige AVG-voorwaarden. Wanneer deze cijfers over vrijstellingen goed beschikbaar zijn, kan er op gemeenteniveau beter op worden gestuurd. *Zorg voor een betere benutting van het vrijstellingenregister. Bij raadpleging van het landelijke vrijstellingenregister voor dit onderzoek bleek dat het DUO vrijstellingenregister geen onderscheid maakt naar type vrijstelling binnen artikel 5, terwijl deze gegevens wel worden aangeleverd door de vier grote steden. Een ander tegenvallend resultaat is dat deze data maar voor twee jaren beschikbaar zijn. Na twee jaren worden deze data wegens regelgeving vrijstellingengegevens vernietigd.

Er kan dus niet naar trends van meer dan twee jaren gekeken worden. Een aanbeveling (aan het ministerie van OCW) is: houd binnen het landelijk vrijstellingenregister het type vrijstelling binnen artikel 5 bij en onderzoek de mogelijkheid van een langere bewaartermijn. Wanneer deze cijfers goed beschikbaar zijn vanuit het landelijke vrijstellingenregister, kan er beter op worden gestuurd.

91

Voorbeeld voorgecodeerde scoringslijst 1. Leeftijd kind/jongere toen vrijstelling werd verleend (in hele jaren). 2. Jaar van afgifte vrijstelling, hoe vaak eerder vrijstelling verleend is en bij de laatste vrijstelling hoeveel maanden geleden dit was. 3. Reden voor aanvraag vrijstelling (combinaties mogelijk): *Ernstige ontwikkelingsachterstand *Ernstige gedragsproblematiek *Ernstige psychische problematiek *Anders, nl. 4. Reden voor afgifte vrijstelling (combinaties mogelijk): *Ernstige ontwikkelingsachterstand *Ernstige gedragsproblematiek *Ernstige psychische problematiek *Anders, nl. 5. Achtergrond ‘problematiek’ (combinaties mogelijk) *door ziekte *door ongeval *vroeggeboorte *vanaf geboorte, anders dan vroeggeboorte *psychisch trauma *anders 6. Gezinskenmerken: *lage SES ja/nee *éénoudergezin ja/nee *nieuwkomer ja/nee *gezinsgrootte *krap behuisd ja/nee *arbeidsdeelname ouders werkloos/1 werkende ouder/2 werkende ouders

92

Bijlagen Bijlage I bij hoofdstuk 2: de populatie 4-6 jarigen in de G4, inclusief informatie over vestiging en vertrek Het CBS houdt gegevens bij over de mate van vestiging in en vertrek uit gemeenten. Voor de G4 laten we zien hoe dit zich van 2017-2020 heeft ontwikkeld voor de 4-6 jarigen.

Figuur I.1 Populatie 4-6 jarigen van 2017-2021 (steeds per 1 januari) - Bron: CBS

93

Vestiging Eerst geven we in Figuur I.2 een overzicht van het totale aandeel van de 4-6 jarigen dat in de kalenderjaren 2017 t/m 2020 in de G4 is komen wonen. Vergeleken met de andere jaren is dit aandeel in 2020 in alle vier de gemeenten het laagst, wat waarschijnlijk gerelateerd is aan de corona pandemie. In tegenstelling tot de andere drie gemeenten was er in Amsterdam van 2017 tot 2019 sprake van een stijging.

Figuur I.2 Het percentage van de 4-6 jarigen dat in de kalenderjaren 2017 t/m 2020 in de G4 is komen wonen - Bron: CBS

Een deel van de nieuwe inwoners komt uit het buitenland en het andere deel uit een andere Nederlandse gemeente. Figuur I.3 betreft een splitsing van Figuur I.2 naar het percentage 4-6 jarigen dat vanuit het buitenland in de G4 is komen wonen 94

(immigratie, links in de figuur) en het percentage 4-6 jarigen dat afkomstig is uit een andere Nederlandse gemeente (rechts in de figuur). In Amsterdam en Den Haag is het grootste deel van de nieuwe 4-6 jarige inwoners afkomstig uit het buitenland. In Rotterdam en Utrecht is het grootste deel van de nieuwe 4-6 jarige inwoners afkomstig uit een andere Nederlandse gemeente.

Figuur I.3 Het percentage van de 4-6 jarigen dat in de kalenderjaren 2017 t/m 2020 vanuit het buitenland (linker figuur) en vanuit een andere Nederlandse gemeente (rechter figuur) in de G4 is komen wonen - Bron: CBS

Vertrek Vervolgens gaan we in op de vertrokken 4-6 jarigen. In Figuur I.4 is voor de G4 weergegeven welk aandeel van de 4-6 jarigen in de kalenderjaren 2017 t/m 2020 is wegverhuisd. Dit aandeel bleef in de genoemde periode stabiel, maar is in Amsterdam hoger dan in de andere drie grote gemeenten.

95

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12852028/1