5. Onderstation Nieuwe Meer II_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Plangebied
De ontwikkeling vindt plaats in een gebied met functiemenging nabij hoofdinfrastructuur. Het totale, gelijktijdig in te schakelen, elektrische vermogen van de transformatoren in het plangebied zal in de eindsituatie hoger zijn dan 200 MVA. Dit leidt ertoe dat het onderstation onder categorie 4.2 valt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Hiervoor geldt dus een richtafstand van 300 meter. Dat betekent dat de afstand tot een gevoelige functie (zoals woningen) in een rustige woonwijk minimaal 300 moet bedragen. Omdat in deze omgeving sprake is van een gemengd gebied, kan een reductie plaatsvinden van de hinderafstand tot 200 meter. Het maatgevende aspect hierbij is geluid. Er zijn op een afstand van 200 meter van het plangebied geen gevoelige functies aanwezig of bestemd. Er wordt zelfs voldaan aan de richtafstand voor een rustige woonwijk (300 meter). Voor de inrichting is aanvullend nog een geluidonderzoek uitgevoerd, waarbij de geluidniveaus op de gevel van de woningen getoetst zijn aan de grenswaarden die van toepassing zijn voor 'gemengd gebied'. Deze grenswaarden zijn 50 dB(A)
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 33
etmaalwaarde (50dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avond en 40 dB(A) in de nacht). In het geluidonderzoek is de situatie getoetst bij vollast op alle transformatoren. Uit de rekenresultaten is gebleken dat de geluidbelasting bij woningen in de omgeving beperkt zal blijven tot maximaal 43 dB(A) etmaalwaarde, inclusief toeslag voor het tonale karakter van het geluid. Er wordt dan ook ruimschoots voldaan aan de voorwaarden. Er wordt zelfs voldaan aan de richtwaarde voor een 'rustige woonwijk' (45 dB(A) etmaalwaarde). Er zijn daarom geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen. Omdat op het transformatorstation meer dan 200 MVA buiten opgesteld transformatorvermogen is voorzien, wordt het terrein gezoneerd in het kader van de Wet geluidhinder. De geluidzone is het gebied waarbuiten de geluidbelasting vanwege het transformatorstation niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). In het akoestisch onderzoek is een geluidzone voorgesteld die met dit bestemmingsplan wordt vastgelegd. Het betreft de benodigde geluidzone inclusief toeslag voor tonaal geluid. Binnen deze zone zijn geen geluidgevoelige objecten of terreinen aanwezig. Op circa 130 meter van het plangebied bevindt zich een hotel. Hoewel een hotel geen geluidgevoelige functie is, is uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wel beoordeeld of de effecten van het plan aanvaardbaar zijn.
De geluidbelastingen op het hotel liggen tussen de 45 en 50 dB(A) excl toeslag voor tonaal geluid (50 tot 55 dB(A) inclusief toeslag). Deze geluidbelasting zal grotendeels wegvallen tegen de geluidbelasting als gevolg van vlieg-, spoor- en wegverkeersgeluid die reeds in de huidige situatie aanwezig is. Het hotel ligt immers nabij hoofdinfrastructuur (rijksweg A4). De gemeente acht de effecten dan ook aanvaardbaar. Een kleinere geluidzone is niet mogelijk.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate".
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland nog niet overal voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in Gemeente Amsterdam
blz. 34
evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Voorts bestaat in het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Projectsaldering is aan de orde wanneer de gevolgen van een project de 3% grens, voor 'niet in betekenende mate' overschrijden. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 ìg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Gevoelige bestemmingen zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het "Besluit gevoelige bestemmingen" extra bescherming.
Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. Beleidskader - Amsterdam Actieplan luchtkwaliteit In het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van de lucht in zijn geheel te verbeteren. Omdat dit met alleen specifieke maatregelen niet lukt, bevat het plan daarnaast ook generieke maatregelen. Daardoor wordt een algemene verbetering van de luchtkwaliteit in de gehele stad bewerkstelligd. Op grond van het Actieplan Luchtkwaliteit moet in het ruimtelijke ordeningsbeleid meer rekening gehouden worden dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst of dat er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is. Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg/drukke stadsweg.
Daarbij gaat het om wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. Agenda Duurzaamheid: Schone lucht en duurzame mobiliteit De Amsterdamse ambitie voor het thema schone lucht gaat verder dan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit en is gericht op een gezonde luchtkwaliteit. Het gaat daarbij met name om mobiliteit gerelateerde maatregelen en een (stedenbouwkundig) ontwerp, met bijv. autoluwe gebieden, dat bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. Vaak zijn de negatieve effecten op de luchtkwaliteit met name van het verkeer afkomstig. Goede OV- en fietsverbindingen De bebouwingsdichtheid van het gebied is hoog, in de omgeving is een mix van functies aanwezig en er
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 35
komt een hoogwaardige openbare ruimte. De voorwaarden zijn daarmee aanwezig voor een levendig stedelijk milieu, waar de voetganger en de fietser zich thuis voelt. Dit sluit ook mooi aan bij de beleidsdoelstelling 'Bewegende Stad'. In de ontwikkeling van het plangebied geeft de gemeente voorrang aan de voetganger en de fiets. Daarbij wordt de bereikbaarheid per fiets vergroot door te investeren in extra fietsverbindingen en fietsparkeerplaatsen in de openbare ruimte. Om de rest van de stad te bereiken, is ook een goede ontsluiting van het gebied met openbaar vervoer belangrijk. Parkeren De inzet is om het autogebruik zoveel mogelijk te beperken door een lage parkeernorm te hanteren. Ook wordt ingezet op het verduurzamen van het resterende auto verkeer. Parkeren door bewoners en bedrijven gebeurt in principe op eigen kavel. Ook geldt dat ontwikkelaars gestimuleerd worden om (elektrische) autodeelconcepten toe te passen om daarmee het autobezit in het plangebied te beperken. De parkeervoorzieningen op private kavels moeten voor 100% zijn voorbereid voor een 'slim' laadpunt. Ook de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting moet hierop zijn toegerust. Het aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor bezoekers wordt beperkt. Bovendien wordt bij 15% - 25% van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte een elektrische laadvoorziening geplaatst.
Goederenvervoer De bevoorradingsroutes voor o.a. bedrijven, kantoren en winkels verdienen vanuit luchtkwaliteit aandacht. Zorg bijvoorbeeld voor voldoende laad- en losvoorzieningen in de nabijheid zodat het overige verkeer goed kan doorstromen (en daarmee minder luchtvervuiling veroorzaakt). Onderzoek daarnaast mogelijkheden m.b.t. optimaliseren van venstertijden, slimme laad- en losplekken en het faciliteren van locaties voor overslagplekken of cargohubs/oplaadhubs (voor elektrisch vervoer). Elektrisch Vervoer Elektrisch vervoer heeft de toekomst: het is duurzaam en draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Om elektrisch vervoer in het gebied mogelijk te maken, is het van belang dat hiervoor afdoende duurzame infrastructuur en bronnen aanwezig zijn. Er is daarbij een onderscheid te maken in de oplaadinfra die bij oplevering aanwezig moet zijn en de oplaadinfra voor de toekomst die in eerste instantie alleen moet zijn voorbereid. Het gaat zowel om voldoende oplaadfaciliteiten in de openbare ruimte als in de privégarages op eigen terrein. Door nu in de openbare ruimte en gebouwen voldoende voorbereidingen te treffen, wordt geanticipeerd op een toekomst met meer elektrisch vervoer. 4.3.2
Plangebied
Het bestemmingsplan voorziet in een nieuw onderstation en de uitbreiding van een bestaand transformatorstation. Er worden geen ontwikkelingen toegelaten die leiden tot een substantiële toename van verkeer. Enkel voor de aanleg en het onderhoud zijn tijdelijk extra verkeersbewegingen noodzakelijk. Het project beïnvloedt dan ook niet in betekenende mate de luchtkwaliteit in de zin van het Besluit niet in betekenende mate.
Gemeente Amsterdam
blz. 36
4.4
Geluidhinder
4.4.1
Kader
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh)). Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijvoorbeeld gevoelige functies. 4.4.2
Plangebied
In het plangebied zijn geen geluidgevoelige functies voorzien. Wel is sprake van uitbreiding van een functie met geluidsbronnen en wordt met het plan een geluidzone vastgesteld voor het terrein. In paragrafen 3.3.1 en 4.2 is ingegaan op het hiervoor uitgevoerde onderzoek en de effecten voor de omgeving. In dit onderzoek kwam onder andere naar voren dat door de aanwezigheid van de snelweg de A4 de geluidstoename voor de omgeving, waaronder gebruikers van het gebied De Oeverlanden, verwaarloosbaar is. Voldaan wordt aan de Wet geluidhinder en ook uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het plan inpasbaar in deze omgeving. In aanvulling op dit geluidonderzoek (beide geluidonderzoeken zijn opgenomen in bijlage 5) is ook de geluidbelasting in beeld gebracht die zal optreden bij het nabij gesitueerde recrreatiegebied Park de Oeverlanden en en het Nieuwe Meer. Het gaat daarbij om het verschil in gecumuleerde geluidbleasting tussen de huidige situatie en de situatie na uitbreidingen van het onderstation. De gecumuleerde geluidbelasting in het recreatiegebied zal na uitbreiding van het onderstation circa 0,1 à 0,4 dB(A) hoger zijn dan in de huidige situatie. Vastgesteld kan worden dat de geluidbelasting vanwege het onderstation, na uitbreiding, 11 à 16 dB lager is dan de totale gecumuleerde geluidbelasting.
Hiermee kan worden geconcludeerd dat de invloed van het onderstation ook na uitbreidingen op het ter plaatse optredende geluidniveau als verwaarloosbaar kan worden beschouwd. Gesteld kan worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het onderstation planologisch inpasbaar is.
4.5
Ecologie
4.5.1
Kader
De natuurbescherming is in Nederland neergelegd in de Wet natuurbescherming. Hierin is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. Hiertoe is een natuuronderzoek uitgevoerd . Het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies weergegeven. 4.5.2
Plangebied
Gebiedsbescherming Natura 2000 De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies, verontreiniging of verdroging van Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten van geluid, licht en trilling op de instandhoudingsdoelstellingen zijn ook uit te sluiten. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 37
voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan sinds die datum buiten beschouwen gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. Een AERIUS-berekening is nodig om de stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase vast te stellen. Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde gebieden in het kader van het NNN. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk. Tevens zijn er geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen. Gebieden met natuurwaarden buiten het NNN Ganzenfoerageergebied Het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied bevindt zich op een afstand van 15 km ten noorden van het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op ganzenfoerageergebieden. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk. Tevens zijn er geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen. Habitat voor weidevogels De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op habitat voor weidevogels. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk. Tevens zijn er geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen. Gemeentelijk natuurbeleid De gemeente Amsterdam heeft als doel de biodiversiteit binnen de gemeente te verbeteren en de stad steeds groener te laten worden.
Daarom heeft de gemeente de groenvisie 2020-2050 opgesteld (Gemeente Amsterdam, 2020). De gemeente moedigt bewoners, bedrijven en organisaties aan hun eigen buitenruimte, zoals daken, groener te maken en te beheren. Een koppeling met de gemeentelijke ambitie voor het verbeteren van de biodiversiteit kan gemaakt worden door meer biodiversiteit te creëren binnen het plan, zoals het aanleggen van een groen dak, het plaatsen van inbouwkasten of het zaaien van bloeiende waardplanten in groenstroken.
Soortenbescherming Er zijn mogelijk verschillende beschermde soorten aanwezig in het plangebied. Negatieve effecten op vogels als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Vogels Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van vogelsoorten met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen. Wel is het plangebied geschikt voor algemene broedvogels. De nesten van de witte kwikstaart, zilvermeeuw en scholekster zijn binnen het plangebied aangetroffen. Er wordt aangeraden om de werkzaamheden plaats te laten vinden buiten het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 augustus). Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaats zullen moeten vinden, dient de projectlocatie en directe omgeving (invloedsfeer van de werkzaamheden) door een ter zake kundig persoon gecheckt te worden op de aanwezigheid van broedvogels kort voorafgaand (uiterlijk een week) aan de werkzaamheden. Deze persoon bepaalt of en waar (op welke verstoringsafstand)
Gemeente Amsterdam
blz. 38
werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Vleermuizen Omdat het gebied mogelijk gebruikt wordt als foerageergebied, worden vleermuizen mogelijk door de werkzaamheden verstoord, hetgeen een overtreding van artikel 3.5, lid 2 is. Het is nodig om tijdens de werkzaamheden het gebruik van verlichting zoveel mogelijk te beperken of om maatregelen te nemen om verstoring door verlichting zoveel mogelijk te voorkomen. Dit kan gedaan worden door tijdens de kwetsbare periode (april t/m oktober, tussen zonsondergang en zonsopgang) geen verlichting toe te passen. Indien dit niet mogelijk is, moet de intensiteit en richting van de verlichting zodanig worden aangepast om verstrooiing richting de watergang ten zuiden van het plangebied tegen te gaan. Er kan worden gewerkt met een amberkleurige vleermuisvriendelijke verlichting met een zogenaamde human/bat response ratio groter of gelijk aan 45. Daarnaast kan er gewerkt worden met armaturen die het licht goed richten met een scherpe bundel om onnodige verstrooiing tegen te gaan, met name ledlampen zijn dan geschikt (BIJ12, 2017).
Zorgplicht Ten slotte geldt de zorgplicht voor alle (ook de onbeschermde) plant- en diersoorten. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Om aan de zorgplicht te voldoen is bijvoorbeeld het uitvoeren van de werkzaamheden vanaf één kant, de werkzaamheden rustig opstarten en bij het aantreffen van dieren deze de gelegenheid te geven om het plangebied te kunnen verlaten.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Kader
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens (zie §3.1.4 luchthavenindelingsbesluit Schiphol) en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen.
Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 39
aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De Veiligheidsregio dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan in de buurt van een risicobron. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants. 4.6.2
Plangebied
Het onderstation is geen risicovolle inrichting als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Ook worden er geen kwetsbare of beperkt kwetsbare functies mogelijk gemaakt. In de nabijheid van de nieuwe elektriciteitsinfra bevinden zich buisleiding(en) van Gasunie, bekend onder W-540 en W-534. Theoretisch is het mogelijk dat buisleidingen en de nieuwe elektriciteitsinfra elkaar nadelig beïnvloeden. Er heeft een onderzoek plaatsgevonden naar deze beïnvloeding (zie bijlage 6), waarbij de norm NEN 3654 voor wederzijdse beïnvloeding van buisleidingen en hoogspanningssystemen als uitgangspunt is gehanteerd. Uit dit onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de norm en geen belemmering is voor de ontwikkeling. Het aspect externe veiligheid vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.
4.7
Elektromagnetische velden
4.7.1
Kader
Voor de blootstelling, kortdurend of langdurend, aan magnetische velden zijn in Nederland geen wettelijke grenswaarden vastgesteld. Wel hebben het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Europese Commissie adviezen gegeven voor grenswaarden voor de blootstelling aan magnetische velden. Voor 50 Hz magnetische velden volgt uit de richtlijn van de Europese Commissie als advies een grenswaarde van 100 microtesla voor de hele bevolking. Dit advies is gebaseerd op de aanbevelingen van de International Commission on Non- Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) en worden tevens onderschreven door de World Health Organization en de Nederlandse Gezondheidsraad. Liander zorgt dat alle installaties die het in beheer heeft hieraan voldoen en dat burgers niet worden blootgesteld aan magnetische velden van meer dan 100 microtesla. 4.7.2
Plangebied
Het plangebied ligt op grote afstand (meer dan 300 meter) van gevoelige functies. De 100 microtesla zal niet buiten de inrichting komen, waardoor er geen beperkingen zijn voor omliggende gevoelige functies. Op basis van de magneetveldcontouren die bij vergelijkbare stations zijn berekend, kan worden geconcludeerd dat ook in deze situatie wordt voldaan aan de adviezen met betrekking tot magneetvelden.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
4.8
Niet gesprongen explosieven (NGE)
4.8.1
Kader
Voordat een locatie bouwrijp gemaakt kan worden, is het noodzakelijk om voldoende inzicht te hebben in de bodemkwaliteit en ondergrondse obstakels. De bodemopbouw van Amsterdam is bepaald door een combinatie van natuurlijke processen en menselijke ingrepen. Ophogingen, dempingen, calamiteiten, industriële activiteiten, lozingen en slordige bedrijfsvoeringen hebben her en der verontreinigingen veroorzaakt. Funderingsrestanten en verlaten leidingen vormen onzichtbare ondergrondse obstakels. Militaire activiteiten hebben vaak een explosieve erfenis nagelaten. Op basis van historisch archief wordt beoordeeld wat zich in de bodem bevindt. 4.8.2
Plangebied
Op de interactieve bommenkaart van gemeente Amsterdam (geraadpleegd op 21 september 2020) is te zien waar mogelijk explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de Amsterdamse land- en waterbodem terecht zijn gekomen. Ook zijn de resultaten van CE onderzoeken in te zien. Het plangebied is geen verdacht gebied. Geconcludeerd kan worden dat er geen historisch feitenmateriaal is aangetroffen dat wijst op mogelijke aanwezigheid van NGE's in de landbodem binnen de contouren of in de onmiddellijke omgeving van het plangebied. Het aspect niet gesprongen explosieven vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
4.9
Bodemkwaliteit
4.9.1
Kader
Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Ook als er sprake is van een functieverandering, dient in een aantal gevallen aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor het bestemmingsplan heeft dit voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. 4.9.2
Plangebied
Met een bodem- en waterbodemonderzoek is vastgesteld dat de huidige bodemkwaliteit van de grond niet overal aansluit op het beoogde gebruik. Daarom is aanvullend/nader bodemonderzoek verricht, en daarmee is voldoende inspanning verricht om de aanwezige verontreinigingen in beeld te brengen. Bij het veldonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op een eventuele bodemverontreiniging met asbest of PFAS. Ter plaatse van drie boringen is sprake van sterke verontreinigingen met PAK, minerale olie en zware metalen. Deze immobiele verontreinigingen zijn uitsluitend aangetoond in de rond het jaar 2000 opgebrachte puinhoudende zandlaag en niet in de onderliggende originele ondergrond. Omdat in de laatste decennia geen verontreinigende bedrijfsactiviteiten op het perceel hebben plaatsgevonden waren de aangetoonde verontreinigingen bij het aanbrengen van de laag vermoedelijk reeds aanwezig. Omdat deze verontreinigingen dus zijn ontstaan ná 1 januari 1987 geldt hiervoor de zorgplicht als bedoeld in
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 41
artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb). Hieruit volgt dat de veroorzaker, dan wel de perceeleigenaar, de verontreiniging per ommegaande dient te melden aan het bevoegd gezag Wbb (Gemeente Amsterdam) en zoveel als mogelijk ongedaan dient te maken. De wijze van sanering en verificatie van het resultaat dient vooraf te worden beschreven in een plan van aanpak welke ter goedkeuring dient te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Buiten de verontreinigde spots is ten hoogste sprake van licht verhoogde waarden aan zware metalen, PAK, PCB en minerale olie in de opgebrachte zandlaag. De onderliggende veen- en kleigrond zijn niet verontreinigd. Ook de kwaliteit van het grondwater en de waterbodem vormen geen belemmering voor de geplande ontwikkelingen.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
4.10.1 Kader In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt voormalige wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de mogelijke archeologische waarden in het gebied. Naar aanleiding van de Modernisering van de Monumentenwet en de wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient per 1 januari 2012 bij het maken van bestemmingsplannen tevens een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden". 4.10.2 Plangebied Op basis van het bureauonderzoek voor bestemmingsplangebied Nieuwe Meer (BO 12-107 Monumenten en Archeologie 2012) geldt voor de planlocatie een lage verwachting en daarmee een uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan 0,5 m. Het oppervlak dat voor de nieuwbouw en aanleg van kabels en leidingen wordt ontgraven is kleiner dan 10.000 m2 (namelijk ca. 7.000 m2). Er hoeft daarom geen archeologisch onderzoek plaats te vinden.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam hebben op 23 juli 2021 vrijstelling van archeologisch onderzoek voor dit project ontvangen. Deze vrijstelling is (geanonimiseerd) als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Wel geldt volgens de Erfgoedwet een vondstmeldingsplicht. Als tijdens de uitvoering van werkzaamheden vondsten (voorwerpen, structuren of andere overblijfselen van menselijke aanwezigheid) worden gedaan, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat die van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie gemeld zodat in overleg maatregelen worden getroffen tot documentatie en berging van de vondsten. In het plangebied bevinden zich geen rijks-, provinciale-, en/of gemeentelijke monumenten, of andere objecten/structuren met cultuurhistorische waarden. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn geen belemmeringen geconstateerd voor dit bestemmingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 42
4.11
Waterparagraaf
4.11.1 Kader Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht voor bestemmingsplannen. In deze paragraaf wordt ingegaan op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Europees beleid Omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, zijn internationale afspraken nodig. Sinds eind 2000 is daarom de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2027 op orde is. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen. Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken. De uitvoering van de KRW schept de nodige verplichtingen en biedt tegelijkertijd voor Nederland ook veel mogelijkheden. Nederland ligt immers benedenstrooms en is voor zijn waterkwaliteit voor een belangrijk deel afhankelijk van het buitenland. Door de invoering van de richtlijn kunnen landen niet langer problemen van hun bord schuiven. Aan Nederland de opgave om de richtlijn goed en doelmatig uit te voeren.
Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het NWP 2016-2021 is de opvolger van het NWP 2009-2015 en vervangt dat plan en de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het NWP voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. In dit nieuwe NWP komt een aantal onderwerpen uit het vorige NWP niet terug. Alleen de onderwerpen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) als rijksbelang zijn aangemerkt, staan in dit NWP. Gedecentraliseerde onderwerpen komen niet meer aan de orde. Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: integraal waterbeheer; afwenteling voorkomen; ruimte en water verbinden. In 2014 heeft het Kabinet de nationale deltabeslissingen vastgesteld en via een tussentijdse wijziging van het voornoemde Nationaal waterplan als beleid heeft verankerd. In de deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. In 2014 heeft de gemeente Amsterdam de intentieverklaring 'Ruimtelijke Adaptatie' ondertekend, voortkomend uit de Deltastrategie.
In haar beleid 'Amsterdam Waterbestendig' onderschrijft de gemeente de noodzaak voor klimaatbestendigheid en een robuuste watersysteem, mede in verband met de ambitie om de stad verder te verdichten. Op rijksniveau heeft de Commissie Waterbeheer in de 21ste eeuw, geadviseerd de wateroverlast in een watersysteem aan te pakken door het volgen van de drietrapsstrategie vasthouden-bergen-afvoeren. In het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben alle partijen deze aanpak onderschreven. Op grond van 'Amsterdam Waterbestendig' gaat Amsterdam de komende decennia werken aan de volgende opgaven:
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 43
bescherming tegen overstroming; omgaan met wateroverlast; omgaan met watertekort; omgaan met temperatuurstijging/hittestress. Waterbeheerplan Het beleid van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AVG) is verwoord in het Waterbeheerplan Amstel, Gooi en Vecht 2016-2021. In dit beheerplan worden de hoofdtaken van het waterschap behandeld, namelijk veiligheid, voldoende water en schoon water. Ook wordt aandacht gegeven aan de maatschappelijke (neven)taken: nautisch en vaarwegbeheer, recreatief medegebruik, natuurbeheer en cultuurhistorische, landschappelijke en architectonische waarden. Voor elk van deze thema's zijn de wensbeelden op de middellange termijn, de doelen en de aanpak op hoofdlijnen aangegeven. Gemeentelijk rioleringsplan Amsterdam In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam is het beleid op het gebied van de gemeentelijke watertaken (stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater) van Amsterdam toegelicht. De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen: de inzameling en transport van stedelijk afvalwater; de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater; het nemen van grondwatermaatregelen in openbaar gebied. In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam staat hoe deze drie zorgplichten door de gemeente Amsterdam worden ingevuld.
De gemeente Amsterdam en het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) hebben de uitvoering van de watertaken gemandateerd aan Waternet. Alle wateraspecten worden door Waternet in samenhang behandeld en uitgevoerd. Door deze samenhang kan Waternet beter bijdragen aan een duurzame omgevingskwaliteit, volksgezondheid en veiligheid. Keur AGV De Keur is de waterschapsverordening van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV)/Hoogheemraadschap van Rijnland(HHR)/Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). De regels in de Keur beschermen de waterkeringen en watergangen. Voor werkzaamheden rond water of een dijk is een vergunning van het waterschap nodig. Bijvoorbeeld bij de aanleg van leidingen, lozingen op het oppervlaktewater, het plaatsen van bouwwerken of het onttrekken van grondwater. 4.11.2 Plangebied Algemeen Het plangebied van het bestemmingsplan valt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet voert de zorg voor het oppervlaktewatersysteem uit in opdracht van AGV. De gemeentelijke watertaken omvatten zorgplicht voor grondwater, afvalwater, hemelwater en drinkwater. In opdracht van Amsterdam voert Waternet met name de grondwaterzorgtaak, de zorg voor afvoer en behandeling van afvalwater en de drinkwatervoorziening uit.
Tijdige afstemming met de afdeling Assetmanagement Waterketen van Waternet voorkomt eventuele knelpunten in de capaciteit van het afvalwaterstelsel en borgt tijdig passende oplossingen voor aansluiting.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
Bij het voorliggende bestemmingsplan is de waterbeheerder (Waternet) betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. Waterkeringen/waterveiligheid Het plangebied ligt niet in grondwaterbeschermingsgebied(en) of waterwingebied (bron: Provinciale Milieuverordening Noord-Holland). Ook valt het plangebied buiten de beschermingszones van de waterkeringen. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen waterkeringen. De dicthstbijzijnde waterkering bevindt zich circa 500 meter ten noorden van het plangebied (zie figuur 4.1). De ontwikkeling is hier niet op van invloed.
Figuur 4.1 Uitsnede keurkaart AGV Uitgangspunt voor het maaiveldniveau is om aan te sluiten op de hoogte van het bestaande transformatorstation. Daarmee is sprake van een zelfde niveau van waterveiligheid als de bestaande energie-infrastructuur. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot extra kwetsbaarheid in de
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 45
energie-infrastructuur in het geval van hoog water. Op het terrein worden geen uitlogende materialen toegepast. Er is ook geen sprake van hoge verkeersintensiteiten of ander gebruik dat verontreiniging kan veroorzaken waarvoor aanvullende maatregelen ten aanzien van het afstromende water moeten worden getroffen. Waterberging en oppervlaktewater Het plangebied was tot voor kort volledig verhard, waardoor de ontwikkeling niet leidt tot een toename van verhard oppervlak. Bij de stationsuitbreiding is geen noodzaak voor compensatie vanwege toename van verharding. Wel wordt de sloot aan de westzijde van het plangebied gedempt (circa 150 m2) en wordt een dam/duiker aangelegd in de sloot aan de Anderlechtlaan. Ook deze dam/duiker moet volledig gecompenseerd worden. De exacte omvang van de dam/duiker is nog niet bekend. Uitgangspunt is om een duiker te plaatsen met voldoende diameter om de doorstroming te behouden. Uit het vooroverleg met Waternet kwam naar voren dat er een voorkeur is voor een duiker van 1000 mm. In het ontwerp wordt met behulp van een geohydrologisch adviesbureau onderzocht of dit mogelijk is. Initiatiefnemer heeft in overleg met Waternet en de gemeente Amsterdam bekeken waar de compensatie het beste gerealiseerd kan worden. Daarbij is eerst gekeken naar compensatie op eigen terrein. De ruimte is beperkt, ook vanwege de (ondergrondse) infrastructuur in het gebied.
Daarom is gekozen voor compensatie dicht bij de planlocatie, binnen het peilgebied. Door de bestaande sloot langs de Oude Haagseweg te verbreden, wordt voorzien in de benodigde compensatie. Daarmee is sprake van een uitvoerbaar bestemmingsplan. Grondwater Uitgangspunt voor het maaiveldniveau is om aan te sluiten op de hoogte van het bestaande transformatorstation (gemiddeld NAP -1,3 m). Daarmee is sprake van voldoende drooglegging, conform de eisen van het GRP Amsterdam. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt zich in deze omgeving op minimaal NAP -1,80 m. Ten tijde van de metingen in het plangebied (augustus 2021) lag de grondwaterstand op minimaal NAP -2,40 m. Voor de ontwikkeling heeft een geohydrologisch onderzoek ten behoeve van grondwaterneutraal bouwen plaatsgevonden. De te bouwen kelders dienen grondwaterneutraal te worden aangelegd. Het onderzoek concludeert dat de uitbreiding van het onderstation invloed heeft op de grondwaterstanden en -stroming. De nieuwe gebouwen sluiten de ophooglaag plaatselijk af en door het dempen van de westelijke watergang vinden er veranderingen plaats in het grondwatersysteem. Deze twee factoren samen leiden tot een geringe netto opstuwing van het grondwater op het terrein van circa 7 centimeter. Ter plaatse van de westelijk gelegen sloot kan de verandering groter zijn.
Door de opstuwing en blokkade van de grondwaterstroming wordt niet voldaan aan het beleid van Amsterdam dat voorziet in grondwaterneutraal bouwen. Hierdoor zijn maatregelen noodzakelijk om de verandering van de grondwaterstand en -stroming te mitigeren. Door zandkoffers toe te passen rondom de 150 kv GIS-hallen, wordt een goed doorlatende verbinding gecreëerd waardoor de grondwaterstroming om deze gebouwen in westelijke richting grotendeels vereffend worden. Toch zal door het dempen van de westelijke watergang het grondwater in de toekomst niet worden afgevoerd, waardoor de zandkoffers rondom de gebouwen niet goed functioneren. Door de watergang te dempen met goed doorlatend zand en het toepassen van een drain (op circa NAP -1,8 m), wordt het grondwater alsnog afgevoerd richting de watergang waardoor de opstuwing grotendeels gemitigeerd wordt. Uit de berekeningen blijkt dat het toepassen van alleen goed doorlatend zand in de
Gemeente Amsterdam
blz. 46
sloot niet voor voldoende afvoer van grondwater richting de watergang zorgt. De combinatie van het toepassen van een drain en goed doorlatend zand mitigeert de opstuwing grotendeels. Door de drain op circa NAP -2,1 m met een overstort op NAP -1,9 m aan te leggen naar het oppervlaktewater, zal ook deze 'rest'-opstuwing verdwijnen. In dit geval zal de drain onder water blijven liggen, waardoor minder onderhoud aan de drain noodzakelijk is. Klimaatadaptatie Amsterdam hecht aan het rainproof inrichten van de stad. In het waterrisicoprofiel voor deze locatie is zichtbaar dat een waterdiepte die door hevige neerslag/dijkdoorbraak voor kan komen circa 70 cm is. Deze locatie wordt geclassificeerd tot vitale infrastructuur. Daarom is er extra aandacht voor de kwetsbaarheden in relatie tot klimaateffecten. Het hoger-is-droger principe kan bij vitale infrastructuur veel robuustheid geven. In een vervolgfase van het project word een geotechnisch en geohydrologisch advies uitgezet om te onderzoeken hoeveel er opgehoogd dient te worden. Daarbij worden ook relevante aspecten van een rainproof ontwerp van de installatie meegenomen. Omdat het station een uitbreiding is van een bestaand station zijn de mogelijkheden beperkter dan bij een volledige nieuwbouw. Sinds april 2021 is de Hemelwaterverordening van kracht.
Deze verordening regelt een verplichting voor nieuwe gebouwen en voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, waaraan één of meer bouwlagen worden toegevoegd, of waarvan het bebouwde oppervlak wordt uitgebreid, om per m² minimaal 60 liter hemelwater te bergen op eigen terrein en dit hemelwater over de opvolgende 60 uur af te voeren. Hoe invulling wordt gegeven aan deze eis, wordt verder uitgezocht in een vervolgfase van het project. Hiervoor dient meer bekend zijn over geohydrologie en bodemopbouw. Een mogelijkheid is het toepassen van waterinfiltratiekratten. Vergunningen In de leidraad Ontwerp nieuwe waterinfrastructuur water van waterschap Amstel, Gooi en Vecht zijn de eisen vastgelegd waaraan de gewijzigde of nieuwe waterinfrastructuur moet voldoen. Activiteiten zoals het dempen en graven (verdiepen/veranderen profiel) van watergangen en het realiseren van gebouwen naast de waterlijn van primaire watergangen zijn vergunning plichtig op grond van de Keur AGV. Ook voor grondwateronttrekking ten behoeve van bemaling voor bijv. de kelder kan een melding of vergunning benodigd zijn. Voor het dempen van de watergang is in ieder geval een watervergunning nodig.
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 47
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Algemeen
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.
5.2
De bestemmingen
De regels moeten in samenhang met de verbeelding worden gelezen, waarbij een bestemming op de verbeelding verwijst naar het corresponderende artikel in de regels. In het bestemmingsplan komt de volgende (enkel)bestemming voor: Bedrijf De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. 5.2.1
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
In hoofdstuk 1 staan de inleidende bepalingen van de regels beschreven.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
Artikel 1: Begrippen Artikel 1 geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot. Artikel 2: Wijze van meten Het tweede artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend. 5.2.2
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de bestemming die in het plangebied voorkomt. Het artikel bevat de regels welke direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemming. Bij de indeling van de bestemmingsregels is conform de SVBP 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van de bestemming in dit plan is als volgt opgebouwd en benoemd (niet alle onderdelen komen voor): bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen); bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen); nadere eisen (eisen die het college van burgemeester en wethouders bij vergunningverlening kan stellen aan de bebouwing); afwijking van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunningplicht: hiermee worden grondwerkzaamheden aan een vergunning gebonden). Hieronder worden de verschillende bestemmingen inhoudelijk toegelicht. Artikel 3 Bedrijf Deze bestemming voorziet in de mogelijkheid om een transformatorstation op te richten en te exploiteren. De bestemming maakt het oprichten van bebouwing mogelijk.
Voor zover de gronden met deze bestemming tevens de aanduiding ’geluidzone-industrie-transformatorstation' kent, mag ter plaatse een geluidzoneringsplichtige inrichting worden opgericht. In de bestemming is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee is geborgd dat het terrein wordt ingericht en in stand gehouden volgens de eisen in het Ruimtelijk Programma van Eisen. Artikel 4 Leiding - Gas Deze bestemming, inclusief wijzigingsbevoegdheid, is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan en voorziet in een regeling voor een bestaande gasleiding met beschermingszone, voor zover deze samenvalt met het terrein van het onderstation. Artikel 5 Waarde - Archeologie 2 Deze bestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan en voorziet in een waarborg dat geen archeologische waarden worden aangetast.
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 49
5.2.3
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 6 Antidubbeltelregel Dit artikel bevat een standaard regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Artikel 7 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn de bepalingen voor de ’geluidzone – industrie 1’ opgenomen, die is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Daarnaast is een 'geluidzone - industrie 2' opgenomen. Deze zone is ligt deels binnen de bestemming ‘Bedrijf’ en deels daarbuiten. Op de buitengrens van de zone mag de geluidsbelasting vanwege de inrichting(en) niet meer bedragen dan 50dB. Ter plaatse van de aanduiding geldt dat er geen woningen en andere geluidgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder mogen worden gerealiseerd. Artikel 8 Overige regels In dit artikel is de van toepassingverklaring van onderhavige bestemmingsplannen geregeld. Onder sub a is bepaald dat het bestemmingsplan geldt in aanvulling op de regels en verbeelding van de daar opgesomde bestemmings- en inpassingsplannen. Hiermee zijn de bepalingen ten aanzien van de ’geluidzone - industrie 1’ een aanvulling op de overige regels uit de opgesomde plannen.
Onder sub b is opgenomen dat er ter plaatse van de bestemming ’Bedrijf' uit onderhavige bestemmingsplan geen sprake is van een aanvulling op de huidige plannen (zoals geregeld onder sub a), maar voorliggend bestemmingsplan volledig in de plaats treedt van de regels en verbeelding van de in dit artikel genoemde bestemmingsplannen. 5.2.4
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht. Artikel 9 Overgangsrecht Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik. Hierin is geregeld dat bestaande bouwwerken mogen worden gehandhaafd en bestaand gebruik mag worden voortgezet. Tevens mogen bestaande bouwwerken gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot. Gelet op de jurisprudentie wordt onder gedeeltelijk vernieuwen of veranderen verstaan het renoveren dan wel verbouwen van een bouwwerk, dat er niet toe mag leiden dat in een betrekkelijk korte periode in feite een compleet nieuw bouwwerk wordt gerealiseerd. Dit betekent dat: de hoofddraagconstructie (fundering, spanten, draagbalken, gordingen en draagmuren) gehandhaafd blijft en niet wordt vervangen, én: de uiterlijke verschijningsvorm zoals oppervlakte, goot- en nokhoogte, dakhelling en materiaalgebruik ongewijzigd blijft, én geen nieuwe funderingen en/of nieuwe draagmuren worden geplaatst, én de functie van het bouwwerk hetzelfde blijft. Artikel 10 Slotregel
Gemeente Amsterdam
blz. 50
Dit artikel geeft de naam van het bestemmingsplan aan.
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 51
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geldt onder bepaalde voorwaarden de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan gelijktijdig met het vaststellen van een bestemmingsplan. Het exploitatieplan is een instrument voor de gemeente gericht op kostenverhaal in het kader van de grondexploitatie. Ruimtelijke ontwikkelingen gaan in de regel gepaard met gemeentelijke investeringen in gemeenschappelijk te gebruiken voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, waarvan de gemeente de kosten kan en mag verhalen op de ontwikkelaar(s). In afdeling 6.4 van de Wro wordt de verdeling van kosten en opbrengsten bij de ontwikkeling van een bouwlocatie geregeld in het geval dat de gemeente niet de ontwikkelende partij is. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via locatie-eisen regels te stellen ten aanzien van bijvoorbeeld de fasering van bouwactiviteiten en de wijze van bouw- en woonrijpmaken. Ingevolge artikel 6.12 Wro, besluit de gemeenteraad of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat de gemeente Amsterdam over het kostenverhaal anterieure overeenkomsten heeft gesloten met eigenaren.
Daarnaast wordt geen noodzaak gezien om een tijdvak of fasering te bepalen of nadere eisen, regels of een uitwerking van regels te stellen zodat kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 52
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)
blz. 53
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak
Er heeft geen inspraak op grond van de inspraakverordening plaats gevonden op het voorontwerpbestemmingsplan. Artikel 2 van de inspraakverordening geeft aan dat er geen inspraak verleend wordt op bestemmingsplannen ( = voorbereiding van besluiten betreffende waarvan op grond van de Wet ruimtelijke ordening afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard).
7.2
Vooroverleg
Het plan is in het kader van het vooroverleg (artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening) aan de volgende instanties gezonden: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Team ruimte en duurzaamheid; Team grond en ontwikkeling; Structuurvisie team; Bureau Monumenten en Archeologie; Externe veiligheid: omgevingsdienst; Provincie Noord-Holland; Waternet. Stadsdeel Nieuw-West
Daarnaast heeft Liander afgestemd met: Rijkswaterstaat, directie Noord-West, Ministerie van Verkeer en Waterstaat; NV Nederlandse Gasunie (via Liander). Tijdens de gestelde termijn zijn er reacties ontvangen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat - Inspectie Leefomgeving en Transport, de Provincie Noord-Holland, Waternet en Gasunie. De Inspectie Leefomgeving en Transport verwijst naar de procedure voor plannen die hoogtevlakken van het LIB doorsteken. Hiervoor kan een aanvraag worden ingediend. De provincie bevestigt dat voor de ontwikkeling geen (voor nu relevante) beperkingsregimes van de provincie van toepassing zijn, waardoor de provincie geen verdere op- of aanmerkingen op het plan heeft. Waternet verzoekt om de waterparagraaf uit te breiden, zowel de beschrijving van het kader als de beoordeling van het plan op de aspecten waterveiligheid, oppervlaktewater, grondwater, klimaatadaptatie en vergunningen. Gasunie verzoekt de bestaande dubbelbestemming voor de gasleiding toe te voegen aan het plan, voor zover deze overlapt met het terrein van het onderstation. Naar aanleiding van deze opmerkingen is de waterparagraaf in de toelichting van het bestemmingsplan aangepast en is een dubbelbestemming voor een bestaande gasleiding in het plangebied toegevoegd (verbeelding, regels en toelichting).
Daarnaast heeft de gemeente een aanvraag ingediend voor het doorsteken van de hoogtevlakken van het LIB.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
7.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft met ingang van donderdag 7 juli 2022 tot en met 18 augustus 2022 ter inzage gelegen. In deze periode zijn zes zienswijzen ontvangen. In de Nota van beantwoording zienswijzen (Bijlage 10) zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord. Daarbij is aangegeven of en hoe de zienswijze heeft geleid tot een wijziging van het bestemmingsplan. Als gevolg van de zienswijzen is de toelichting uitgebreid met een motivering ten aanzien van de ontwikkelstrategie Landschapspark De Oeverlanden.
7.4
Ambtshalve wijzigingen
Naast de wijziging als gevolg van de zienswijzen, is het plan ambtshalve gewijzigd. In de Nota van wijzigingen (Bijlage 11) zijn de wijzigingen aangegeven.
bestemmingsplan_Onderstation Nieuwe Meer II (vastgesteld)