5. Memorie van toelichting consulatieversie Wblo.pdf
Tekst van het document
Hierbij is artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing, dat de beroepsbeoefenaar, de behandelend arts, het recht heeft om informatie over zijn patiënten niet te delen. Bij de huidige procedure voor nader onderzoek naar de doodsoorzaak van minderjarigen (artikel 10a Wlb) wordt de informatie die door de gemeentelijk schouwarts bij de behandelend arts is opgevraagd, om deze reden ook niet doorgegeven aan de officier van justitie. Dit betekent niet dat de officier van justitie geen enkele informatie krijgt. Het schouwverslag van de gemeentelijk schouwarts bevat namelijk 1) een weergave van de situatie en een beschrijving van de medische voorgeschiedenis (onder andere op basis van de informatie verkregen van de behandelend arts), voor zover relevant voor het forensisch opsporingsonderzoek; 2) een systematische weergave van de tijdens de schouw onderzochte en waargenomen feiten en omstandigheden vanuit forensisch medisch perspectief (dus bijvoorbeeld een rapport van het toxicologisch onderzoek); 3) de conclusies die volgen uit 1 en 2. Ten aanzien van het verkregen lichaamsmateriaal geldt dat als het lichaamsmateriaal is opgeslagen en de officier van justitie daarover de beschikking wil krijgen, hij gebruik dient te maken van de bevoegdheid tot het bevelen van de uitlevering van het lichaamsmateriaal (artikel 96a Sv).
De gemeentelijk schouwarts heeft al de plicht om de officier van justitie te informeren bij een nietnatuurlijk overlijden. Het verschoningsrecht is in dit geval dus niet van toepassing en de gemeentelijk schouwarts kan het lichaamsmateriaal overdragen aan de officier van justitie als deze de uitlevering daarvan beveelt. § 5. Identificatie overledene Artikel 15 (Voorziening identificatiemiddelen en vermelding gezondheidsrisico’s) Artikel 15, eerste lid In artikel 8, eerste lid, Wlb is reeds verplicht dat een document wordt opgemaakt met een registratienummer en enkele gegevens van de overledene (naam, datum van geboorte en overlijden), en dat dit registratienummer vervolgens op de kist of een ander omhulsel wordt aangebracht. Het document wordt in de praktijk opgesteld door degene die het lichaam van de overledene in een kist of ander omhulsel legt. Om te voorkomen dat in de fase voorafgaand hieraan een persoonsverwisseling kan optreden, wordt in dit lid voorgeschreven dat de schouwarts een identificerend middel aan het lichaam aanbrengt, indien de identiteit van de overledene vaststaat. Dit is een extra waarborg tegen de verwisseling van lichamen. Op het middel worden persoonsgegevens opgenomen, zoals de naam, de geboortedatum en de datum van overlijden. De te registreren persoonsgegevens worden bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld (zevende lid).
Het middel mag alleen op een niet-invasieve manier bevestigd worden aan het lichaam, bijvoorbeeld met een pols- of enkelbandje. Er mag niet in het lichaam geprikt of gesneden worden om de drager aan te brengen (zie verder paragraaf 3.3.1 van het algemeen deel van de toelichting). De gemeentelijk schouwarts wordt belast met deze handeling omdat deze al in het kader van het opmaken van een verklaring van natuurlijk overlijden, of het verslag aan de officier van justitie al de identiteit van de overledene moet vermelden, indien hij bekend is met de identiteit van de overledene. Het eerste lid regelt dat de gemeentelijk schouwarts alleen het identificerend middel aanbrengt als de identiteit van de overledene vaststaat. De identiteit van een overledene staat vast, indien er een identiteitsbewijs direct voorhanden is of de arts bijvoorbeeld bij leven de behandelaar was van de overledene. Ook als de overledene in het ziekenhuis is 90
Consultatieversie
overleden, staat in de regel de identiteit van de overledene vast. Indien de identiteit van de overledene niet vaststaat voor de arts, is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 16 respectievelijk 17. Artikel 15, tweede lid Indien de identiteit van een overledene niet vaststaat en dus onbekend is, moet de arts die de schouw verricht de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis stellen. Dat geldt alleen als het gaat om een overledene in geval van een natuurlijk overlijden. Op deze wijze wordt geborgd dat de burgemeester kan voldoen aan de op hem rustende zorgplicht om alsnog de identiteit van de overledene vast te stellen (artikel 16, eerste lid), eventueel met ondersteuning door de politie. Artikel 15, derde lid In deze bepaling wordt geregeld dat als de arts die de schouw verricht kennis heeft van aanmerkelijke gezondheidsrisico’s die het lichaam van de overledene oplevert voor mensen die in de vervolgprocedures het lichaam behandelen of bestemmen, deze arts dit ook kan vermelden op het identificerend middel, bedoeld in het eerste lid. Dit is toegelicht in paragraaf 3.3.2 van het algemeen deel van de toelichting. Artikel 15, vierde lid Dit lid komt overeen met artikel 8, eerste lid, Wlb.
Op het moment dat het lichaam van de overledene in een kist of ander omhulsel wordt gelegd, wordt er ook een document opgesteld waarin de persoonsgegevens worden vermeld en een registratienummer, dat tevens op de kist of het omhulsel wordt vermeld. Als er op het identificerend middel gezondheidsrisico’s worden vermeld, dan worden die ook op het document aangetekend. Degene die het lichaam in de kist of ander omhulsel legt, draagt hier zorg voor. Op de kist of ander omhulsel wordt slechts het registratienummer aangebracht, en niet de persoonsgegevens of eventuele gezondheidsrisico’s. Voorts is in het derde lid ter bescherming van de privacy geregeld dat de persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan nodig is. Na opname van de gegevens in het register, bedoeld in artikel 41, moet het document waarin de persoonsgegevens worden vermeld, worden vernietigd. Artikel 15, vijfde lid Dit lid is nieuw ten opzichte van de Wlb, in verband met de verruiming van de mogelijkheid van het gezamenlijk begraven, cremeren en alkalische hydrolyse (zie verder toelichting bij het voorgestelde artikel 4, tweede lid). Dat betekent dat voor elk van de lichamen een identiek registratienummer wordt aangemaakt en op de betreffende documenten vermeld. Op de kist of een ander omhulsel worden beide nummers vermeld.
Artikel 15, zesde en zevende lid Deze leden komen, met uitzondering van de toevoeging van alkalische hydrolyse, overeen met artikel 8, tweede en derde lid, Wlb. Het vijfde lid bepaalt dat niet tot begraving, crematie of alkalische hydrolyse wordt overgegaan dan nadat de houder van de begraafplaats, het crematorium of het hydrolysatorium heeft vastgesteld dat het op de kist of het omhulsel vermelde registratienummer overeenkomt met het nummer vermeld op het identificerend middel. Indien er reden is om aan te nemen dat de gegevens op het identificerend middel, het document of de kist of het omhulsel niet juist zijn, vindt zo mogelijk de identificatie van het lichaam van de overledene, volgens het zesde lid, plaats door twee personen die de overledene bij leven hebben gekend, in aanwezigheid van de houder van de begraafplaats, het crematorium of het hydrolysatorium. Artikel 15, achtste lid Dit artikellid bevat de grondslag om bij algemene maatregel van bestuur verdere regels te stellen over de werkwijze bij het aanbrengen van het identificerend middel en het materiaal waarvan het vervaardigd mag zijn. Ook wordt in de algemene maatregel van bestuur vastgesteld welke aanmerkelijke gezondheidsrisico’s de arts kan vermelden en op welke wijze dat gebeurt.
Het uitgangspunt daarbij is dat, indien de arts oordeelt dat de risico’s voor de omgeving zwaarder wegen dan het medisch beroepsgeheim, hij slechts die gegevens deelt die nodig zijn om het gevaar af te wenden. Hierdoor kunnen mensen die het lichaam verder behandelen en bestemmen de nodige maatregelen kunnen nemen ter bescherming van hun gezondheid. Artikel 16 (Zorg burgemeester voor vaststelling identiteit overledene) In dit artikel wordt geregeld dat de burgemeester in geval van een natuurlijk overlijden de zorg draagt voor het vaststellen van de identiteit van de overledene en het invullen van de verklaring van overlijden, indien de identiteit niet vaststaat voor de arts die de schouw verricht. De politie kan 91
Consultatieversie
dan ondersteuning bieden bij de identificatie. Hiervoor worden in dit artikel enkele onderzoeksbevoegdheden geregeld die de politie onder verantwoordelijkheid van de burgemeester kan uitoefenen. Artikel 16, eerste lid Als voor de arts bij een natuurlijk overlijden in het kader van de schouw de identiteit van de overledene niet vaststaat, draagt de burgemeester er zorg voor dat de identiteit wordt vastgesteld. De politie kan de burgemeester hierbij ondersteuning bieden. Daartoe kan de burgemeester ambtenaren van politie de in het tweede lid genoemde bevoegdheden laten uitoefenen. Deze bevoegdheden kan de politie tijdens en na afloop van de schouw uitoefenen. In de toelichting op artikel 13a is uiteengezet dat de ambtenaren van politie in geval van aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden samenwerken met de gemeentelijk schouwarts in het overlijdensonderzoek. De politie mag in dat kader bevoegdheden uitoefenen ten behoeve van het vaststellen van de aard van het overlijden en het vaststellen van de identiteit van de overledene. In die gevallen handelt de politie onder gezag van de officier van justitie. Het gaat hier om een politietaak (strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde).
Artikel 16, tweede lid, onderdeel a Voor de identificatie van de overledene in geval van een natuurlijk overlijden kan het nodig zijn dat de politie ter ondersteuning van de burgemeester enkele bevoegdheden uitoefent, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor het vaststellen van de identiteit van de overledene. Daarvoor worden in dit lid enkele nieuwe specifieke bevoegdheden voorgesteld. In onderdeel a kan de burgemeester de politie de plaats waar de overledene zich bevindt of de plaats ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat zich daar een overledene bevindt laten betreden en doorzoeken, zonder toestemming van de rechthebbende of de bewoner. Zie ook de toelichting op artikel 13a, eerste lid, onderdeel a (voor de betreding). Ook een woning of een woongedeelte van een vervoermiddel kan zonder toestemming van de bewoner worden betreden of doorzocht. De politie doorzoekt de plaats waar de overledene zich bevindt om diens identiteit te kunnen vaststellen, bijvoorbeeld naar een identiteitsbewijs in lades en kasten. Doorzoeking kan al tijdens de schouw plaatsvinden, zodat alsnog de identiteit kan worden vastgesteld en de gemeentelijk schouwarts een identificerend middel kan bevestigen aan het lichaam van de overledene. Zie ook de toelichting op artikel 13a, eerste lid, onderdeel b.
Indien de identiteit niet binnen korte termijn kan worden vastgesteld, kunnen vervolgonderzoeken aan het lichaam plaatsvinden. Dit is geregeld in het voorgestelde artikel 17. Artikel 16, tweede lid, onderdeel b In dit onderdeel kan de burgemeester de politie onderzoek laten verrichten aan de kleding van de overledene en aan de voorwerpen die de overledene bij zich houdt, voor zover dat redelijkerwijs nodig is om de identiteit van de onbekende overledene vast te kunnen stellen. Onder het onderzoek aan de kleding wordt verstaan: het aftasten en het doorzoeken van de kleding en het geheel of gedeeltelijk laten ontdoen of ontdoen van de kleding. Met het geheel of gedeeltelijk (laten) ontdoen van de kleding kunnen intieme delen van het lichaam worden ontbloot. Anders dan bij vergelijkbaar strafvorderlijk onderzoek bij een (levende) verdachte, is hiervoor geen bevel van de officier van justitie nodig. Dit vereiste wordt in het geval van een overledene niet gesteld omdat overledenen ten opzichte van levende personen in mindere mate bescherming toekomt van het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dat neemt niet weg dat het onderzoek aan de kleding van een overledene niettemin noodzakelijk moet zijn en niet verder mag gaan dan redelijkerwijs noodzakelijk is voor de identificatie.
Er moet met andere woorden worden voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Artikel 16, derde lid In het geval van een doorzoeking van een vervoermiddel wordt artikel 96b, tweede lid, Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de politieambtenaar kan bevelen tot het stoppen van een vervoermiddel en laten overbrengen daarvan naar een andere plaats voor het onderzoek. Artikel 16, vierde lid Dit lid schrijft voor dat de ambtenaar van politie een schriftelijk verslag opmaakt van de doorzoeking van een plaats, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a. De bevoegdheid tot doorzoeking kan behoorlijk ingrijpend zijn en inbreuk maken op grondrechten van betrokkenen. Daarom is het noodzakelijk dat dit verslag wordt opgemaakt. Dit sluit aan bij de verplichting om verslag op te maken op grond van artikel 10 Algemene wet op het binnentreden, en het opmaken van proces-verbaal door opsporingsambtenaren, op grond van artikel 152 Sv. 92
Consultatieversie
Artikel 17 (Zorg burgemeester voor vaststelling identiteit onbekende overledene) Indien de identiteit van de overledene voor de arts niet vaststaat (artikel 15), de identiteit evenmin met ondersteuning van de politie kan worden vastgesteld (artikel 16) of door de politie tijdens het overlijdensonderzoek (artikel 13a) kan worden vastgesteld, geeft artikel 17 ten behoeve van de identificatie extra bevoegdheden aan de burgemeester. Artikel 17 kan dus worden toegepast in geval van een natuurlijk overlijden en in geval van aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden. Artikel 17, eerste lid Dit artikellid bepaalt dat de burgemeester, in het geval de identiteit van een overledene niet op andere wijze kan worden vastgesteld, uitsluitend ten behoeve van de identificatie, er zorg voor draagt dat er celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek dat gericht is op het vergelijken van DNA-profielen en het vaststellen van verwantschap. Dat doet de burgemeester nu ook op grond van artikel 21, derde lid, Wlb. Ten opzichte van artikel 21, derde lid, Wlb worden hier twee wijzigingen voorgesteld. In de eerste plaats is de opsporing van vermiste personen als doelstelling voor het afnemen van celmateriaal geschrapt, omdat deze hulpverleningstaak van de politie (op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012) buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel valt.
In de tweede plaats wordt voorgesteld om af te bakenen en te expliciteren waarop het genoemde DNA-onderzoek zich mag richten. Daarbij wordt aangesloten bij de doelomschrijving van DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 138a van het Wetboek van Strafvordering, dat in drie typen DNA-onderzoek voorziet: onderzoek, gericht op het vergelijken van DNA-profielen (zogenoemd klassiek DNA-onderzoek), onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken en DNAverwantschapsonderzoek. DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken komt buiten strafvorderlijke context niet voor, zodat deze vorm van DNA-onderzoek niet in artikel 17 is opgenomen. Artikel 17, tweede lid Dit artikellid is nieuw ten opzichte van de Wlb, die een grondslag ontbeert voor de verwerking van afgenomen lichaamsmateriaal als bedoeld in artikel 21, derde lid, Wlb. Het tweede lid voorziet derhalve in de benodigde wettelijke grondslag voor de verwerking van het celmateriaal en de met behulp daarvan opgestelde DNA-profielen onder beheer van de politie. Met verwerken wordt in het bijzonder gedoeld op de opslag en het bewaren van het celmateriaal en het opstellen (bepalen) en bewaren van de DNA-profielen in de DNA-databank voor vermiste personen en ongeïdentificeerde overledenen van de politie.
In een algemene maatregel van bestuur zullen regels worden neergelegd over onder andere wie het celmateriaal mag afnemen, de bewaartermijnen en de gevallen waarin celmateriaal en DNA-profielen moeten worden vernietigd. Dat zal in het bijzonder het geval zijn als de identiteit van de onbekende overledene is vastgesteld. Artikel 17, derde lid Deze bepaling komt overeen met artikel 21, vierde lid, Wlb. Het bepaalt dat de burgemeester naast de bevoegdheden in de eerste twee leden aanvullende mogelijkheden heeft in het geval de identiteit van een overledene niet kan worden vastgesteld. De burgemeester kan een ambtenaar van politie een of meer afdrukken van delen van het lichaam van de overledene laten maken, met uitzondering van een gebitsafdruk (onderdeel a). Ook kan hij een arts onderzoek in het lichaam van de overledene laten verrichten of een gebitsafdruk van de overledene laten maken (onderdeel b). Artikel 17, vierde lid Dit lid komt overeen met artikel 21, vijfde lid, Wlb. Als het de burgemeester bekend is dat de in het eerste tot en met derde lid genoemde handelingen al hebben plaatsgevonden in het kader van een strafvorderlijk onderzoek, worden die handelingen niet nogmaals verricht. Zo wordt voorkomen dat meer dan een keer eenzelfde onderzoek wordt verricht.
Artikel 17, vijfde lid Teneinde persoonsverwisseling verder in het proces te voorkomen, schrijft dit lid voor dat artikel 15 van toepassing is indien door de inzet van de extra bevoegdheden de identiteit van de overledene alsnog kan worden vastgesteld. Zie ook de toelichting op artikel 15.
93
Consultatieversie
§ 6. Sectie of ander geneeskundig onderzoek Artikel 18 (Klinische sectie of ander geneeskundig onderzoek) Dit artikel komt overeen met het artikel 72 Wlb, met de toevoeging dat ook ander geneeskundig onderzoek mogelijk is. Het betreft de sectie of ander geneeskundige onderzoek waarvoor toestemming is verleend. Sectie houdt het openen van het lichaam in. Dit is het meest verstrekkende onderzoek in het lichaam. Met de toevoeging dat ook ander geneeskundig onderzoek mogelijk is, wordt verduidelijkt dat ook de minder verstrekkende onderzoeken uitgevoerd kunnen worden. Het kan gaan om een onderzoek aan en in het lichaam of een lichaamsdeel van de overledene, het afnemen van lichaamsmateriaal voor toxicologisch onderzoek, radiologisch onderzoek, een isotopenonderzoek of een onderzoek naar een aangewezen ernstige besmettelijke ziekte of een ander microbiologisch onderzoek. De betreffende arts is voor het doen van onderzoek afhankelijk van de toestemming van de overledene. Bij gebrek aan toestemming van de overledene kan daarvoor de toestemming in de plaats treden van de personen die in het tweede lid zijn genoemd. Artikel 19 (Sectie of ander geneeskundig onderzoek op last van de overheid) Dit artikel komt inhoudelijk vrijwel overeen met artikel 73 Wlb, maar is net als het voorgestelde artikel 18 verbreed naar ander geneeskundig onderzoek (zie verder toelichting bij artikel 18).
Daarnaast wordt in het eerste lid, onderdeel a, niet langer gesproken over een bevel van een “gerechtelijke” autoriteit, maar over een bevel van een “bevoegde” autoriteit. Voor deze term is gekozen omdat deze meer toekomstbestendig is. Een inhoudelijke wijziging is daarmee niet beoogd. Het gaat steeds om de autoriteit die in een strafvorderlijk kader bepaalde strafvorderlijke bevoegdheden kan (laten) uitoefenen. Doorgaans is dat de officier van justitie. Het eerste lid bepaalt dat het lichaam van een overledene aan een sectie of ander geneeskundig onderzoek wordt onderwerpen, indien er sprake is van een bevel van een bevoegde autoriteit in verband met een strafrechtelijk onderzoek (onderdeel a), een verzoek van de inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd (onderdeel b) of een verzoek van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid (onderdeel c). Het toestemmingsvereiste dat in artikel 18 voor de uitvoering van een sectie of ander geneeskundig onderzoek is voorgeschreven, geldt niet in de voornoemde gevallen. In het tweede lid is geregeld dat de persoon, genoemd in artikel 18, tweede lid, van de sectie of ander geneeskundig onderzoek op last van de overheid in kennis wordt gesteld.
Artikel 20 (Sectie of ander geneeskundig onderzoek minderjarigen) Deze bepaling komt overeen met artikel 74 Wlb, dat gaat over het uitvoeren van een sectie na het verrichten van het nader onderzoek naar de doodsoorzaak van een minderjarige overledene. Nieuw is het lichaam naast sectie ook aan ander geneeskundig onderzoek onderworpen kan worden (zie in dit verband ook de toelichting op de artikelen 18 en 19). Als de ouders geen toestemming verlenen voor het verrichten van sectie of ander geneeskundig onderzoek, kan de gemeentelijk schouwarts de rechtbank verzoeken vervangende toestemming te verlenen. In paragraaf 3.2.3 van het algemeen deel is toegelicht waarom de uitvoering van een sectie met vervangende toestemming van de rechtbank beperkt blijft tot onverklaard overlijden bij minderjarigen, net als op grond van de Wlb het geval is. Artikel 21 (Verrichten van de sectie of ander geneeskundig onderzoek) Dit artikel komt overeen met artikel 75 Wlb en is net als de artikelen 18 tot en met 20 verbreed naar ander geneeskundig onderzoek Het artikel vereist dat een sectie of ander geneeskundig onderzoek wordt verricht door een arts. De arts moet zich voorafgaand aan de sectie ervan verzekeren dat een andere arts het intreden van de dood heeft vastgesteld en dat aan de vereisten van de artikelen 18 tot en met 20 is voldaan.
94
Consultatieversie
§ 7. Beperking vervoer en bestemmingen bij aanwijzingen voor niet-natuurlijk overlijden Artikel 22 (Beperking vervoer en bestemmingen) Artikel 22, eerste tot en met derde lid Deze leden komen inhoudelijk overeen met artikel 76, eerste tot en met derde lid, Wlb. In geval van aanwijzingen voor een niet-natuurlijk overlijden krijgt de officier van justitie een rol. Zo mag het lichaam van de overledene in die gevallen alleen met toestemming van de officier van justitie worden vervoerd (eerste lid). Ook wordt ten aanzien van een aantal handelingen ten aanzien van de overledene bepaald dat die niet mogen worden verricht of moeten worden gestopt, tenzij de officier van justitie voor het verrichten van die handelingen toestemming geeft (tweede lid). In het derde lid is limitatief opgesomd waartoe de officier van justitie kan bevelen in geval van aanwijzingen van een niet-natuurlijk overlijden. In artikel 76, derde lid, Wlb wordt gesproken van “gelasten”, dat is duidelijkheidshalve geformuleerd als een bevel, waarmee geen inhoudelijke wijziging is beoogd. De officier van justitie kan bevelen tot uitstel van het geven van een bestemming (onder a). Ook kan hij bevelen tot een verbod op het geven van een van de toegelaten bestemmingen die in artikel 3 genoemd zijn(onder b).
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek of de voorbereiding daarvan kan het namelijk nodig zijn om te wachten, net zoals met de begraving of de crematie, of om alkalische hydrolyse of een gezamenlijke bestemming geheel te verbieden omdat de identificatie van de resten daarna onmogelijk zal zijn. Na alkalische hydrolyse is het lichaam tot vaste stof vergaan en is onderzoek aan het lichaam van de overledene immers niet meer mogelijk. Tot slot kan de officier van justitie bevelen tot een verbod op het geven van een gezamenlijke bestemming van twee of meer lichamen (onder c). In het geval van het gezamenlijk begraven is het namelijk van belang dat achteraf duidelijk is van welke overledene het lichaam in een bepaald graf rust. Artikel 22, vierde lid In dit lid is ten opzichte van de Wlb als nieuw element opgenomen dat de officier van justitie in geval van een beslissing tot het niet of niet verder tenuitvoerleggen van het bevel een verklaring van geen bezwaar tegen bestemming afgeeft en dat met die verklaring het verlof bij de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt aangevraagd. Deze afgifte blijkt al impliciet uit artikel 12 Wlb, en dat wordt overgenomen in het voorgestelde artikel 23, derde lid, maar de Wlb regelt hiervoor geen procedure. Daarin wordt met het voorgestelde vierde lid alsnog voorzien.
Artikel 22, vijfde lid Het vijfde lid is overgenomen uit artikel 12, tweede zin, Wlb. Artikel 76, vierde lid, Wlb, dat een mogelijk verbod door de officier van justitie op de verstrooiing van de as regelt, keert niet terug in dit wetsvoorstel. Omdat uit de as geen tactische informatie meer te verkrijgen is, is deze bevoegdheid om te bevelen tot een verbod niet meer nodig (zie ook paragraaf 3.1.4 van het algemeen deel). Ook artikel 77 Wlb keer niet terug in dit artikel. Artikel 77 Wlb bepaalt dat de bevoegdheden die in artikel 76 Wlb aan de officier van justitie zijn toegekend, ook toekomen aan de rechtercommissaris die onderzoekshandelingen in de zaak verricht. Dan gaat het dus om het verlenen van verlof voor vervoer (lid 1), toestemming geven voor ontleding, conservering, sectie of verwijdering van organen (lid 2), uitstel van de begraving of crematie gelasten (lid 3), de crematie verbieden (lid 3), en verbieden dat as wordt verstrooid of naar het buitenland wordt verzonden (lid 4). Dit zijn bevoegdheden die de officier van justitie uitvoert, los van het feit of dat wel of geen sprake is van een opsporingsonderzoek naar een strafbaar feit. Binnen een opsporingsonderzoek (“de zaak”) kan een rechter-commissaris tal van opsporingsbevoegdheden uitoefenen. De meerwaarde om de rechter-commissaris ook de voornoemde bevoegdheden uit artikel 22 uit te laten oefenen ontbreekt echter.
Hoofdstuk 3. Algemene procedures voor de bestemming § 1. Verlof door ambtenaar burgerlijke stand en doodsoorzakenstatistiek Artikel 23 (Verlof tot bestemming) In dit artikel is voor de leesbaarheid een aantal bepalingen uit de Wlb over de afgifte van het verlof door de ambtenaar van de burgerlijke stand bij elkaar ondergebracht. Hiermee is geen inhoudelijke 95
Consultatieversie
wijziging van de betreffende bepalingen beoogd. Het gaat om de artikelen 11, 12, eerste zin, en 13 Wlb. In plaats van lijkbezorging wordt in het kader van beoogde wijziging van de terminologie gesproken over bestemming. Artikel 24 (Verklaring levenloos geboren of vroeg overleden kind) Dit artikel is gebaseerd op artikel 11a Wlb. Vanwege artikel 2 is de wet niet van toepassing op levenloos geboren of vroeg overleden kinderen. Dat betekent onder meer dat er geen plicht is om volgens deze wet voor hen te voorzien in een bestemming, maar ook dat er geen verlof kan worden overlegd als er de wens is om deze kinderen een bestemming te geven. Dat kon in de praktijk problematisch zijn. Met het amendement-Anker 190 wordt geëxpliciteerd dat deze kinderen een bestemming mogen krijgen en dat daarvoor een verklaring van de behandelend arts wordt overgelegd. Het amendement zag echter alleen op de bestemmingen begraven en cremeren. Met dit wetsvoorstel wordt het ook mogelijk om te kiezen voor alkalische hydrolyse en donatie ten behoeve van ontleding in het belang van de wetenschap.
Artikel 25 (Doodsoorzakenstatistiek) In dit artikel is geanticipeerd op de inwerkingtreding van artikel II van de Wet van 14 juli 2021 tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging in verband met het elektronisch doen van de opgave van de doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek en het elektronisch verzenden van verslagen in het kader van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. 191 In de voorgenoemde wet is artikel 12a van de Wlb, dat artikel 25 van dit wetsvoorstel vormt, opnieuw vastgesteld. 192 Artikel 25, eerste lid Het eerste lid regelt de kernverplichting van dit artikel: de behandelend arts of de gemeentelijk schouwarts doet opgave van de doodsoorzaakgegevens bij de medisch ambtenaar van het CBS. Hierbij vermelden ze niet alleen de directe doodsoorzaak, maar ook de onderliggende oorzaken. De behandelend arts is degene die de overledene tijdens het leven als laatste op enigerlei wijze onder zijn zorg had. In het kader van de schouw moet dit ruim worden begrepen. Daaronder valt ook de waarnemend arts of de dienstdoende (huis)arts indien zij over voldoende informatie beschikken om in redelijkheid tot een verklaring van overlijden te kunnen besluiten en zij dit besluit voldoende kunnen motiveren.
Ten opzichte van artikel 12a, eerste lid, van de Wlb wordt aangevuld dat de verplichting voor opgave van de doodsoorzaakgegevens niet alleen bij de behandelend arts ligt, maar ook bij de gemeentelijk schouwarts aangezien beiden verantwoordelijk zijn voor de schouw en afgifte van een verklaring van overlijden (A-verklaring). Op de behandelend arts of gemeentelijk schouwarts die de A-verklaring afgeeft, rust ook de verplichting om opgave te doen van de doodsoorzaak (B-verklaring). In artikel 12a van de Wlb staat dat de beide verklaringen gelijktijdig worden gedaan. Aangezien wordt voorgesteld dat de opgave van de doodsoorzaakgegevens rechtstreeks bij het CBS wordt aangeleverd, in plaats van via de ambtenaar van de burgerlijke stand, is het niet meer noodzakelijk dat beide verklaringen tegelijk worden afgegeven. Daarom wordt voorgesteld dat de opgave van de doodsoorzaak zo spoedig mogelijk na afgifte van de verklaring van overlijden wordt gedaan. Dit geeft de behandelend arts of de gemeentelijk schouwarts de mogelijkheid om een andere arts te consulteren. Zo kan de dienstdoende arts van de huisartsenpraktijk de vaste huisarts van een patiënt consulteren, of de arts-assistent de medisch specialist. Dit kan nodig zijn om goede informatie te geven over de achterliggende doodsoorzaken.
Vervolgens levert de behandelend arts of de gemeentelijke schouwarts de gegevens aan bij de medisch ambtenaar van het CBS. De ontvangen gegevens worden uitsluitend voor statistische doeleinden gebruikt. Hiermee is gebruik voor fiscale, administratieve, controle en gerechtelijke doeleinden uitgesloten. De medisch ambtenaar van het CBS is een BIGgeregistreerde arts die verantwoordelijk is voor de verwerking van de gegevens. De medisch ambtenaar is gehouden aan zijn beroepsgeheim. Artikel 25, tweede lid Het tweede lid regelt dat bij de opgave van de doodsoorzaakgegevens het burgerservicenummer wordt vermeld. Op grond artikel 12a van de Wlb is het niet nodig om het burgerservicenummer te gebruiken, omdat het nummer van de overlijdensakte door de gemeente op de enveloppe wordt geschreven. Het CBS krijgt van de gemeente daarnaast periodiek separaat een overzicht van alle Kamerstukken II 2007/08, 30696, nr. 17. Staatsblad 2021, 408. 192 Zie ook Kamerstukken II 2019/20, 35551, nr. 3, p. 18-21. 190 191
96
Consultatieversie
overleden personen, inclusief nummer van overlijdensakte en burgerservicenummer, waardoor het CBS het nummer van de overlijdensakte kan gebruiken om een koppeling te maken met het BSN van de overledene en na te gaan of het al dan niet een ingezetene betreft. In de nieuwe situatie wordt de werkwijze vereenvoudigd. De tussenkomst van de gemeente vervalt en het doodsoorzakenformulier zal daarom tevens het burgerservicenummer moeten bevatten die het CBS nodig heeft om de doodsoorzakenstatistiek tot stand te brengen. Artsen kunnen het burgerservicenummer alleen aan het CBS verstrekken op grond van een wettelijk voorschrift. Dit wetsvoorstel bevat een dergelijk voorschrift waarmee mogelijk wordt gemaakt dat degene die het B-formulier invult tevens het BSN van de overledene, van de moeder van een overleden kindje jonger dan een maand of van de moeder van een doodgeboren kindje voor dit doel kan verwerken. De (behandelend) arts of gemeentelijk schouwarts vult in de nieuwe situatie zelf het BSN in. Het nummer van de overlijdensakte is daarom niet meer nodig en evenmin is het nodig dat de gemeente periodiek separaat een lijst met nummers van overlijdensaktes en bijbehorende BSN aan het CBS verstrekt. De procedure wordt daarmee efficiënter ingericht.
Voor verwerking van het burgerservicenummer door het CBS hoeven geen (nieuwe) regels te worden gesteld aangezien het CBS daartoe reeds bevoegd is op grond van artikel 34 van de Wet op het CBS. Het CBS verwerkt het burgerservicenummer ten behoeve van de doodsoorzakenstatistiek nu ook al op grond van dat artikel. De doodsoorzakenstatistiek is volledig anoniem. Iemand die niet is ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) beschikt niet over een burgerservicenummer. Daarom moet het burgerservicenummer alleen worden vermeld indien de overledene op het moment van overlijden was ingeschreven in de BRP. Bij een doodgeborene en bij een kindje jonger dan één maand waarvan het burgerservicenummer nog niet bekend is, worden de gegevens van de moeder vermeld. Hiermee wordt voorkomen dat de doodsoorzaken van deze kinderen niet verwerkt kunnen worden in de doodsoorzakenstatistiek. In andere gevallen waarbij het BSN van de overledene niet bekend is kan het invullen van het BSN bij de aanlevering van de doodsoorzaakgegevens achterwege gelaten worden. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan niet-ingezetenen die in Nederland overlijden bij een verkeersongeval. In een dergelijk geval is sprake van overlijden van een niet-ingezetene en zal een doodsoorzaakverklaring moeten worden verzonden aan het CBS, echter wordt daarbij geen burgerservicenummer vermeld.
Ondanks het niet bekend zijn van het burgerservicenummer in dergelijke gevallen blijft de arts derhalve de verplichting houden de doodsoorzaakgegevens aan te leveren ten behoeve van de statistiek. Artikel 25, derde lid Het derde lid regelt de opgave van de doodsoorzaakgegevens indien de behandelend arts en de gemeentelijk schouwarts geen verklaring van overlijden kunnen afgeven. In dat geval dient de officier van justitie op grond van artikel 10 een verklaring van geen bezwaar af te geven voordat een lichaam van een overledene mag worden begraven, gecremeerd, alkalisch gehydrolyseerd, ontleed, gebalsemd of aan een andere conserverende bewerking mag worden onderworpen. De opgave van de doodsoorzaakgegevens gebeurt dan door een arts die door de officier van justitie is aangewezen. Artikel 25, vierde lid Het vierde lid geeft de minister van VWS de bevoegdheid een formulier voor te schrijven, dat alsdan bij regeling wordt vastgesteld. Het formulier dient ingevolge het eerste lid gebruikt te worden voor de opgave van de doodsoorzaakgegevens. Ingevolge de Wlb beschikt de minister reeds over deze bevoegdheid, op grond waarvan de regeling Vaststelling formulier opgave doodsoorzaak is vastgesteld.
De in dit wetsvoorstel beschreven eisen inzake de opgave van het burgerservicenummer van de overledene of in bepaalde gevallen, van diens moeder, noodzaken tot wijziging van het bestaande formulier. Bij het opstellen van het formulier zal worden bezien of de wijze van gegevensverstrekking (via de papieren of elektronische weg) noodzaakt tot onderscheid in het te gebruiken format. De gegevens die verstrekt dienen te worden en die derhalve in het formulier zijn opgenomen, zijn echter dezelfde, ongeacht of sprake is van verstrekking via de papieren weg of via elektronische weg. Artikel 25, vijfde lid en zesde lid In het vijfde lid wordt een regeling getroffen nu het CBS de elektronische weg wil openen voor de opgave van de doodsoorzaakgegevens. In deze bepaling zijn drie materiële normen opgenomen. Ten eerste wordt bepaald dat behandelend artsen en de gemeentelijke schouwartsen, als zij gebruik willen maken van de elektronische weg bij het doen van opgave van de doodsoorzaakgegevens, zij dit alleen mogen doen op een wijze die door het CBS is voorgeschreven. Ten tweede wordt aan het CBS opgedragen om, als het CBS de elektronische weg wil openstellen, daarbij een wijze te kiezen die de integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens voldoende waarborgt. Het CBS heeft voor de opgave van de doodsoorzaakgegevens een apart 97
Consultatieversie
werkproces ingericht, vanwege de gevoeligheid van deze gegevens. De voorgestelde wettekst maakt het mogelijk dat het CBS een aantal verschillende werkprocessen inricht, met het oog op de verschillende beroepsgroepen die doodsoorzaakgegevens bij hen aanleveren. Bij de elektronische aanlevering van de doodsoorzaakgegevens in de proefprojecten is grote aandacht voor het veilig aanleveren van deze gegevens. Gelet op de gevoeligheid van de opgegeven gegevens is dit noodzakelijk. Aangezien het aan het CBS is om te bepalen op welke wijze de digitale weg wordt ingericht kan het CBS de werkwijze kan aanpassen aan de laatste stand van de techniek zonder dat hiervoor regelgeving gewijzigd hoeft te worden. Artikel 25, zevende lid Voorlopig blijft het mogelijk voor artsen om de opgave van de doodsoorzaakgegevens op papier te doen. In de toekomst kan het wenselijk zijn om aanlevering van de doodsoorzaakgegevens volledig elektronisch te laten verlopen. Het zevende lid regelt dat de minister van VWS kan bepalen dat de opgave slechts op elektronische wijze kan gebeuren. Het is niet voorzien dat al binnen geruime tijd van deze mogelijkheid gebruik zal worden gemaakt. Het is van groot belang dat artsen de doodsoorzaakgegevens aanleveren aan het CBS. Het is niet de bedoeling door verplichte elektronische opgave hiervoor een extra drempel op te werpen.
De Minister zal dus alleen van deze mogelijkheid gebruik maken als de betrokken partijen daar voldoende op zijn voorbereid. Artikel 26 (Bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand) Dit artikel komt overeen met artikel 14 Wlb en regelt wie als bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand wordt aangemerkt. Anders dan artikel 14 Wlb regelt dit artikel niet welke officier van justitie bevoegd is, omdat dit reeds uit de Wet op de rechterlijke organisatie en het Wetboek van Strafvordering volgt. In het tweede lid wordt de gemeente van de “bestemming” genoemd, in plaats van enkel begraven en cremeren. Dit houdt verband met de uitbreiding van alkalische hydrolyse als mogelijke bestemming. § 2. Termijn Artikel 27 (Termijn) Artikel 27, eerste lid Dit lid komt overeen met het tweede deel van artikel 16 Wlb. De termijn waarbinnen begraving, crematie of alkalische hydrolyse moet plaatsvinden is aangepast naar de tiende dag na het overlijden. In artikel 16 Wlb wordt de zesde werkdag na het overlijden als termijn voorgeschreven en dit is gewijzigd naar 10 dagen vanwege de voorgestelde nieuwe hoofdregel om ook op zon- en feestdagen het lichaam een bestemming te geven. In paragraaf 3.1.3 wordt hierop nader ingegaan en op de materiële gevolgen van deze aanpassing. Deze wijziging houdt verband met de motieBelhaj/Özütok.
193 Artikel 27, tweede lid Dit lid komt overeen met het eerste deel van artikel 16 Wlb met dien verstande dat geen minimumtermijn wordt gesteld die moet worden afgewacht voordat begraven is toegestaan. Deze wijziging houdt eveneens verband met de motie-Belhaj/Özütok. 194 Artikel 28 (Uitzondering termijn) Artikel 28, eerste en derde lid De mogelijkheid van verlenging van de termijn is overgenomen uit artikel 17, eerste lid, Wlb. Nieuw voorgesteld wordt dat het eerste lid regelt welke belangen de burgemeester meeweegt bij het besluit bedoeld in het eerste lid tot verlenging van de gestelde termijn, namelijk de volksgezondheid of de openbare orde en goede zeden. Het derde lid bepaalt dat de burgemeester een arts kan horen om te beoordelen of het belang van de volksgezondheid zich verzet tegen het verlengen van de termijn. Artikel 28, tweede lid Voor crematie en alkalische hydrolyse blijft de minimumtermijn van 36 uur gehandhaafd (in het artikel 27, tweede lid), en ook hier kan de burgemeester bij uitzondering een afwijkende (kortere) termijn stellen, tenzij het belang van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit zich 193 194
Kamerstukken II 2018/19, 35077, nr. 10. Kamerstukken II 2018/19, 35077, nr. 10.
98
Consultatieversie
hiertegen verzet. De burgemeester neemt dit besluit in overeenstemming met de officier van justitie. Dit overleg is reeds geregeld in artikel 1, eerste lid, tweede zin, Wlb. § 3. Overheidszorg Artikel 29 (Zorg burgemeester) Artikel 29, eerste lid Deze bepaling komt overeen met artikel 20 Wlb en bepaalt wie de schouw en de bestemming van het lichaam van een overledene moet regelen indien niemand daartoe maatregelen neemt. Die zorg wordt aan de burgemeester opgedragen. Verduidelijkt is welke burgemeester een taak toekomt als niemand voorziet in de schouw of bestemming; dat is een taak voor de burgemeester van de gemeente waar het lichaam zich bevindt. Artikel 29, tweede en derde lid Deze leden komen overeen met artikel 21, eerste en tweede lid, Wlb. Het derde lid bevat een bevoegdheid voor een ambtenaar van politie of de burgemeester om een woning zonder toestemming van de bewoner te betreden om in de schouw of bestemming te kunnen voorzien. Zie in dit verband ook de toelichting op artikel 13a, eerste lid, onderdeel a, betreffende de betredingsbevoegdheid. Artikel 30 (Bestemming onbekende overledene) Artikel 30, eerste lid Voor de duidelijkheid wordt een afzonderlijk artikel voorgesteld specifiek voor de bestemming van onbekende overledenen.
Het eerste lid is nieuw ten opzichte van de Wlb, maar dat de burgemeester voor deze gevallen de zorg draagt, is ook nu al af te leiden uit artikel 21, eerste lid, Wlb. Omdat in die gevallen aannemelijk is dat niemand zal voorzien in de bestemming van het lichaam van de overledene, zal dit in de praktijk al voor de zorg van de burgemeester komen. Ook hier gaat het om de burgemeester van de gemeente waar het lichaam zich bevindt. Artikel 30, tweede lid Deze bepaling komt overeen met artikel 21, zesde lid, Wlb. Zie ook het voorgestelde artikel 50 dat een nieuwe regeling bevat voor de in acht te nemen grafrust bij onbekende overledenen. Artikel 31 (Voorziening in de kosten door de gemeente) Artikel 31, eerste en tweede lid Deze leden komen overeen met het huidige artikel 22 Wlb. De voorgestelde bepaling is ten behoeven van de leesbaarheid gesplitst in leden. Nieuw in het eerste lid is de verduidelijking van de kosten die ten laste van de gemeente komen, in het geval de gemeente zorg draagt voor de bestemming als niemand daarin voorziet. In artikel 22 Wlb is slechts in algemene zin vermeld dat het gaat om de kosten verbonden aan de bestemming van het lichaam van de overledene en in de praktijk blijkt onduidelijkheid te bestaan over de reikwijdte van deze bepaling (zie paragraaf 3.3.6 van algemeen deel).
Artikel 31, derde lid In het eerste lid worden enkele categorieën van kosten (vervoer, verzorging, bewaren, bestemming) genoemd. Op grond van het derde lid kunnen deze categorieën bij algemene maatregel van bestuur worden uitgebreid. De kosten verbonden aan de schouw die wordt verricht door de gemeentelijk schouwarts komen reeds voor rekening van de gemeente. De kosten die verband houden met een eventueel strafrechtelijk onderzoek komen niet voor rekening van de nabestaanden en dus ook niet voor de gemeente indien de burgemeester de zorg op zich neemt. Artikel 32 (Maatregelen infectieuze of giftige lichamen) Dit artikel komt overeen met artikel 22a, eerste lid, Wlb dat is ingevoerd met de Wet publieke gezondheid. 195 In het voorgestelde artikel is geregeld dat de burgemeester de nodige maatregelen kan treffen voor het lichaam van een overledene dat is besmet met een infectueuze of giftige agens of stof, of indien er een gegrond vermoeden daarvan bestaat, waardoor een ernstig gevaar
195
Stb. 2008, 460.
99
Consultatieversie
voor de volksgezondheid kan ontstaan. 196 Te denken valt bijvoorbeeld aan een besmetting met anthrax (miltvuur) of een virale hemorragische koorts. Welke maatregelen nodig zijn, hangt af van de situatie. Veelal zal kunnen worden volstaan met het behandelen of verpakken van het lichaam op dusdanige wijze dat het gevaar van besmetting geweken is. Met dit wetsvoorstel wordt verduidelijkt dat de burgemeester van de gemeente waar het lichaam van de overleden zich bevindt, bevoegd is. indiende Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) in het geval van aan Ainfectieziekte aanbevelingen heeft gegeven ten aanzien van het lichaam van overledene, kan de minister van VWS de burgemeesters die het aangaat, opdragen de maatregelen toe te passen (artikel 7, derde lid, Wet publieke gezondheid). Artikel 22a, tweede lid, Wlb dat het toezicht regelt op de naleving van de maatregelen is ondergebracht in het voorgestelde artikel 85. § 4. Lichamen uit het buitenland Artikel 33 (Lichamen uit het buitenland) Het eerste lid van dit artikel komt overeen met artikel 15 Wlb en het tweede lid met artikel 78 Wlb. Hoofdstuk 4. Verzorging van het lichaam Artikel 34 (Moment van verzorging) Met deze voorgestelde ten opzichte van de Wlb nieuwe bepaling wordt geëxpliciteerd dat er nog geen handelingen aan het lichaam van een overledene verricht mogen worden die de schouw beletten of belemmeren.
Bij verzorging van het lichaam valt te denken aan het wassen en lichtconserverende handelingen als bedoeld in het voorgestelde artikel 35, vierde lid, of invasieve handelingen aan het lichaam ten behoeve van de eventuele opbaring en bestemming (voorgestelde artikel 36). Deze handelingen kunnen immers de bevindingen van de schouwarts beïnvloeden, omdat daarmee bijvoorbeeld aanwijzingen voor de aard van het overlijden worden weggenomen. Dat verzorgende handelingen de schouw niet mogen belemmeren is ook aan de orde gekomen bij de parlementaire behandeling van de Wlb reeds strafbaar gesteld om een schouw te verhinderen of belemmeren (artikel 80, onder 8°, Wlb). Deze bepaling is daarmee een codificatie van de staande praktijk en beoogt geen inhoudelijke wijziging. Artikel 35 (Conserverende bewerking) Dit artikel komt overeen met artikel 71 Wlb. Artikel 36 (Invasieve postmortale zorg) Artikel 36, eerste en derde lid Dit is ten opzichte van de Wlb een nieuwe bepaling die een inhoudelijke wijziging tot gevolg heeft voor degenen die invasieve postmortale zorg verlenen.
In het voorgestelde eerste lid wordt geregeld dat de daarin genoemde invasieve handelingen aan het lichaam van een overledene in het kader van postmortale zorg slechts uitgevoerd mogen worden als uitdrukkelijk toestemming door de overledene voor zijn dood is gegeven of, bij het ontbreken daarvan, door degene die voorziet in de bestemming van het lichaam van de overledene. Het eerste lid bevat de opsomming van de invasieve handelingen die met inachtneming van de eisen van artikel 36 zijn toegestaan. Andere invasieve handelingen zijn ofwel verboden, ofwel kennen eigen toepassingsvoorwaarden. Die laatste handelingen zijn in het derde lid genoemd. Handelingen in het kader van de schouw (waaronder het nader onderzoek), de gerechtelijke sectie en de identificatie van een onbekende overledene zijn uitgezonderd, omdat deze handelingen uitgevoerd op grond van de wet worden ongeacht de toestemming van de overledene en ook nabestaanden mogen hier uit de aard van de zaak geen invloed op hebben. De klinische sectie, ontleding en verwijdering van organen als bedoeld in de Wet op de orgaandonaties, kennen een eigen wettelijk toestemmingsregime en zijn om die reden uitgezonderd van het voorgestelde artikel 36.
Bij het openen van het lichaam ten behoeve van het uitnemen van een medische toepassing (onderdeel a) kan worden gedacht aan het verwijderen van een pacemaker, een implanteerbare cardioverter-defibrilator, neurostimulators, blaasstimulators en inwendige pompen voor afgifte van medicatie met behulp van een scalpel. Het openen van het lichaam ten behoeve van herstel van 196
Kamerstukken II 2007/08, 31316, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 73.
100