5. Memorie van toelichting consulatieversie Wblo.pdf
Tekst van het document
De burgemeester draagt dan zorg voor het afnemen van lichaamsmateriaal ten behoeve van identificatie en begraving. Indien de burgemeester goede redenen ziet om in afwijking van het doel van het wetsvoorstel, namelijk het geven van een bestemming aan het lichaam of lichaamsdelen, (nog) niet tot bestemming over te gaan, kan de burgemeester ervoor kiezen om lichaamsdelen langer te bewaren en voor de bestemming een andere termijn te stellen conform voorgesteld artikel 29, derde lid. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er sprake is van botten en daarmee de bestemming in voldoende mate vorm heeft gekregen en de burgemeester kosten voor begraving onevenredig hoog acht in verhouding tot het bewaren ervan. Indien de identiteit wel bekend is, kunnen de lichaamsdelen worden overgedragen aan de nabestaanden. De bestemming dient dan plaats te vinden volgens de wens of vermoedelijke wens van de overledene. Wanneer niemand zorg draagt voor de bestemming, draagt de burgemeester hiervoor zorg en kan deze de kosten verhalen op de nabestaanden. Artikel 2, derde lid Dit lid voorziet in een tweede uitbreiding van de reikwijdte ten opzichte van de Wlb, die geen regeling kent betreffende afgescheiden lichaamsdelen. Daartoe bepaalt het derde lid dat een persoon van wie een lichaamsdeel bij leven wordt afgescheiden, dat lichaamsdeel bij leven een bestemming als bedoeld in artikel 3 kan geven.
Voor een nadere toelichting op deze regeling wordt verwezen naar paragraaf 3.3.13 van het algemeen deel van deze toelichting. Voor de regeling wordt evenals bij aangetroffen lichaamsdelen aansluiting gezocht bij de bepalingen die zien op het lichaam van overledene. De tweede zin van het derde lid bepaalt welke (onder)delen van het wetsvoorstel niet van toepassing zijn op de bestemming van een afgescheiden lichaamsdeel. Het betreft de regels die betrekking hebben op nabestaanden, maatregelen ten behoeve van het vaststellen van de aard van het overlijden, de doodsoorzaak en de identiteit van overledenen, het verlof tot bestemming, overheidszorg en de verzorging van het lichaam hier niet van toepassing. De bestemmingstermijn en de mogelijkheden tot afwijking ervan zijn hier van toepassing met dien verstande dat deze termijnen gelden ten opzichte van de afscheiding.
77
Consultatieversie
§ 2. Bestemmingen Artikel 3 (Toegelaten bestemmingen) Deze bepaling komt overeen met artikel 1 Wlb, zij het dat in de terminologie niet meer gesproken wordt van lijkbezorging, maar van bestemming (zie paragraaf 2.2 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting). Daarnaast zijn ook de bijzondere bestemmingen, genoemd in de artikelen 75 en 78, aan dit artikel toegevoegd zodat alle toegelaten bestemmingen bij elkaar staan. Met deze bepaling worden alle mogelijke bestemmingen van het lichaam van een overledene limitatief geregeld. Het gesloten wettelijke stelsel wordt hiermee voortgezet. De zinsnede “bij of krachtens de wet” is gelet op dit gesloten stelsel geschrapt. Artikel 46, tweede lid, onder f, Kernenergiewet is aangepast (zie voorgesteld artikel 109) zodat het inhoudelijk met dit artikel in overeenstemming is. Nieuw ten opzichte van de Wlb is de toevoeging van alkalische hydrolyse als bestemming. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 3.1.1 van het algemeen deel van de toelichting. Artikel 4 (Individuele of gezamenlijke bestemming) Artikel 4, eerste lid Dit lid regelt het uitgangspunt dat elk lichaam van een overledene individueel een bestemming krijgt.
Dat volgt nu impliciet uit artikel 8 Wlb in samenhang met artikel 3 van het Besluit op de lijkbezorging, waarin is bepaald dat elk lichaam van een overledene in een kist of omhulsel wordt gelegd met een eigen registratie ten behoeve van identificatie. Artikel 4, tweede lid Zoals in paragraaf 3.1.2 van het algemeen deel van de toelichting is uiteengezet, kunnen zich bijzondere gevallen voordoen die vragen om een afwijking van het in het eerste lid genoemde uitgangspunt. Hierbij kan gedacht worden aan een moeder en een kind die beiden in het kraambed zijn gestorven of een tweeling of meerling die gelijktijdig overlijdt. In die gevallen kunnen de lichamen van deze overledenen gezamenlijk worden bestemd. In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot een gezamenlijk bestemming geregeld. Hierin kan worden voorzien als de nabestaanden een verzoek daartoe doen. Ook bij een gezamenlijke bestemming is het uitgangspunt dat de wens of de vermoedelijke wens van de overledene in acht genomen wordt. Artikel 5, eerste lid, is dan ook onverminderd van toepassing. Het is niet toegestaan om een kist op te graven en te openen om een ander lichaam bij het lichaam dat reeds begraven is, te begraven.
Ook kan het samen begraven, cremeren of alkalisch hydrolyseren niet leiden tot uitstel van de termijn genoemd in artikel 27, eerste lid, tenzij de burgemeester op grond van artikel 28 een andere termijn heeft gesteld. Ten slotte kan het voorzien in een gezamenlijke bestemming op grond van een bevel van de officier van justitie als bedoeld in artikel 22 verboden worden indien er aanwijzingen zijn dat een of meer van de overledenen op een niet-natuurlijke wijze is gestorven of vanwege andere omstandigheden waaruit niet-natuurlijk overlijden niet uitgesloten kan worden geacht. Artikel 5 (Wilsbeschikking bestemming) Artikel 5, eerste lid Dit lid komt overeen met artikel 18, eerste lid, tweede zin, Wlb. Deze bepaling is verplaatst naar het begin van de wet om het zelfbeschikkingsrecht als uitgangspunt bij de bestemming van het eigen lichaam, al dan niet individueel of gezamenlijk, beter te benadrukken. De Wlb en de voorgestelde nieuwe wet steunen op dit uitgangspunt, dat is toegelicht in paragraaf 2.3 van het algemeen deel van de toelichting. Deze verplaatsing heeft geen inhoudelijke gevolgen. Artikel 5, tweede lid Dit lid komt inhoudelijk overeen met artikel 19, eerste lid, Wlb, waarin is geregeld dat een wilsbeschikking gemaakt kan worden over de (individuele of gezamenlijke) bestemming van het lichaam na iemands overlijden.
Nieuw is de toevoeging dat hierin tevens een of meer personen aangewezen kunnen worden die in de bestemming voorzien. Dit is nu al mogelijk en dit is dan ook geen inhoudelijke wijziging, maar een verduidelijking. De verwijzing naar lijkbezorging is aangepast naar ‘bestemming’.
78
Consultatieversie
Artikel 5, derde lid Dit lid is inhoudelijk gelijk aan artikel 19, tweede lid, Wlb. De algemene bepalingen over de bestemmingen gelden ook voor de asbestemming en de bestemming van de vaste stof, die verder is geregeld in hoofdstuk 8, paragraaf 2, van het wetsvoorstel. Artikel 5, vierde lid Dit lid regelt dat voor de toepassing van de tweede paragraaf van het eerste hoofdstuk onder bestemming tevens wordt begrepen het geven van een bestemming aan de as en de vaste stof. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de artikelen 64 (over de bewaring en de bestemming van de as) en 74 (over de vaste stof). Artikel 6 (Voorziening in de bestemming) Dit artikel is overgenomen uit artikel 18, eerste lid, eerste zin, Wlb. Net als nu het geval is, wordt teruggevallen op de aanvrager van het verlof of degene die vanwege andere redenen redelijkerwijs geacht wordt in zijn plaats te zijn getreden. In het verleden heeft de wetgever overwogen om wettelijk vast te leggen welke familieleden als de meest „gerede partij” dienen te worden beschouwd om in de bestemming te voorzien. Daarvan is echter afgezien, omdat een zodanig voorschrift vaak tot ernstige moeilijkheden aanleiding zou kunnen geven.
De praktijk wijst namelijk uit, dat in de regel de feitelijke toestand bij het overlijden beslissend is ten aanzien van de vraag, wie het verlof door tussenkomst van de uitvaartverzorger aanvraagt (zie ook artikel 23 en de toelichting daarop). In de praktijk blijkt onduidelijkheid te bestaan over wat ‘voorzien’ in dit verband inhoudt. Met de voorgestelde formulering wordt duidelijker aangegeven dat dit bestaat uit de uitvoering van de bestemming en de zeggenschap over feitelijke uitvoering daarvan. Zoals in paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze toelichting is vermeld, kan de betrokkene zelf de organisatie van de bestemming ter hand nemen of hiervoor een uitvaartorganisatie of andere organisatie inschakelen die dit namens de betrokkene regelt. Voor wat betreft de zeggenschap over de bestemming – begraven, cremeren, alkalische hydrolyse of bijzondere bestemming als bedoeld in de artikelen 75 en 78 – staat voorop dat de bestemming overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene zal plaatsvinden. Die regel is in dit wetsvoorstel vanwege het belang ervan in artikel 5, eerste lid, opgenomen en dat artikellid is in de onderhavige bepaling onverminderd van toepassing. Hoofdstuk 2. Maatregelen ten behoeve van het vaststellen van de aard van het overlijden, de doodsoorzaak en de identiteit van de overledene § 1.
Schouw door arts Artikel 7 (Schouw) De schouw is in artikel 1 gedefinieerd als het uitwendig onderzoek aan het lichaam van een overledene door de behandelend arts of een gemeentelijk schouwarts naar de aard van het overlijden. In de toelichting op artikel 1 is uiteengezet dat een schouw kan plaatsvinden in geval van een natuurlijk overlijden. Daarbij is aangegeven dat de schouw ook kan plaatsvinden in het kader van een overlijdensonderzoek. Dit behelst, zoals ook in de definitie van overlijdensonderzoek in artikel 1 is weergegeven, het onderzoek door een gemeentelijk schouwarts en ambtenaren van politie in geval van aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden naar de aard van het overlijden en de vaststelling van de identiteit van een overledene. Zie ook de toelichting op de definitie van overlijdensonderzoek in artikel 1. Artikel 7, eerste lid Dit lid komt overeen met artikel 3 Wlb, waarin de schouw nog is aangeduid als de lijkschouwing. Net als onder de Wlb het geval is, kan een schouw van het lichaam van een overledene worden verricht door de behandelend arts of een gemeentelijk schouwarts (dit volgt ook al uit de definitie in artikel 1).
Onder behandelend arts vallen ook de waarnemend arts of de dienstdoende (huis)arts indien zij over voldoende informatie beschikken om in redelijkheid tot een verklaring van overlijden te kunnen besluiten en zij dit besluit voldoende kunnen motiveren. 179 De tweede zin van het eerste
Kamerstukken II 2019/20, 35551, p. 18, met verwijzing naar Handreiking (niet-)natuurlijke dood (versie 1.0. januari 2016), vindplaats:
179
79
Consultatieversie
lid bepaalt dat de schouw zo spoedig mogelijk plaatsvindt. Dit is in het belang van het vaststellen van de aard van het overlijden en – in het verlengde daarvan – de opsporing van mogelijke strafbare feiten. Indien met een schouw te lang wordt gewacht, kunnen namelijk sporen verloren gaan. Ook nabestaanden hebben een belang bij een spoedige schouw, omdat voorafgaand aan de schouw slechts verzorgende handelingen aan het lichaam kunnen worden uitgevoerd, voor zover het een goede schouw niet verhindert of belemmert (zie paragraaf 3.2.5 van het algemeen deel en artikel 34). Artikel 7, tweede lid Dit lid bevat in aanvulling op het eerste lid een aantal criteria ter waarborging van de kwaliteit van de schouw. Dit is ten opzichte van de Wlb een inhoudelijke wijziging, die is toegelicht in paragraaf 3.2 van het algemeen deel van de toelichting. In aansluiting bij de regeling inzake ‘goede zorg’ als bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) voorziet het tweede lid in een kwaliteitsnorm die inhoudt dat de schouw van goede kwaliteit en van goed niveau dient te zijn. Dit betekent dat de schouw moet worden verricht zoals een bekwaam arts dat doet. Daarbij wordt opgemerkt dat veldnormen, richtlijnen of protocollen per beroepsgroep kunnen verschillen.
Tegelijk is met deze formulering geborgd dat deze norm niet statisch is; de inhoud en reikwijdte kan veranderen met de zich in de praktijk ontwikkelende stand van de wetenschap en normen, eisen en ervaringen uit de kring van beroepsbeoefenaren zelf. Dat er sprake is van een dynamische norm doet niet af aan het feit dat de wettelijke norm uit de aard der zaak gehaald moet worden; het gaat om een resultaatsverplichting. Het resultaat moet zijn dat de schouw van goede kwaliteit en goed niveau is. Het voorstel geeft geen specifieke invulling aan deze norm, maar noemt wel – in de onderdelen a en b – aspecten die in ieder geval onder de bredere noemer ‘goede kwaliteit en goed niveau’ worden begrepen: a) het handelen in overeenstemming met op de arts rustende verantwoordelijkheden en b) het zorgvuldig in acht nemen van de rechten van een overledene en het behandelen van diens lichaam met respect. Beoogd wordt dat de concrete invulling via veldnormen plaatsvindt. Artikel 8 (Benoeming gemeentelijk schouwarts en inschrijving register) Artikel 8, eerste lid Dit lid komt overeen met artikel 4 Wlb. Dat artikel is tekstueel gewijzigd, maar beoogt geen inhoudelijke wijziging van de taakstelling voor het college van burgemeester en wethouders. De term “lijkschouwer” is gewijzigd in schouwarts.
Het college blijft verantwoordelijkheid dragen voor de schouw van het lichaam van overledenen door de gemeentelijk schouwarts en benoemt hiertoe de gemeentelijk(e) schouwarts(en). Zie ook de toelichting op de artikelen 85 en 86 voor het toezicht door de IGJ op de naleving van artikel 7 over de schouw. Aan de wettelijke verplichting van het college van burgemeester en wethouders om een of meer gemeentelijke schouwartsen te benoemen, wordt ook voldaan indien gemeenten gezamenlijk (bijvoorbeeld op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen of anderszins) voorzien in een voldoende aantal gemeentelijke schouwartsen. De benoeming door het college van burgemeester en wethouders staat er, zo blijkt ook uit de praktijkervaringen, niet aan in de weg dat de gemeentelijk schouwarts ook buiten de gemeente waar hij is benoemd als gemeentelijk schouwarts optreedt. Artikel 8, tweede lid In dit lid is artikel 5 Wlb over de inschrijving van forensisch artsen in een daartoe gehouden register inhoudelijk ongewijzigd overgenomen. Artikel 9 (Uitzondering optreden als schouwarts) Dit artikel komt overeen met artikel 6 Wlb en regelt wanneer een behandelend arts of gemeentelijk schouwarts geen schouw mag verrichten.
Voor de leesbaarheid is dit artikel herschikt en wel zo dat het eerste lid gaat over de uitzondering in geval van verwantschap met de overledene en het tweede lid over de recente behandelrelatie die alleen een uitzondering vormt in het geval van een schouw door een gemeentelijk schouwarts. Deze herschikking leidt niet tot inhoudelijke wijziging. Artikel 9, tweede lid Het bestaan van een behandelrelatie is, net als in artikel 6, eerste lid, Wlb alleen een uitzondering voor de gemeentelijk schouwarts die een schouw verricht, in het geval van een (voormalige) patiënt met wie die arts de afgelopen twee jaar een behandelrelatie heeft gehad. De reden hiervoor https://www.igj.nl/onderwerpen/calamiteiten/documenten/publicaties/2016/02/16/handreiking-nietnatuurlijke-dood.
80
Consultatieversie
is dat een gemeentelijk schouwarts zodra die niet is overtuigd van een natuurlijke doodsoorzaak, een verslag dient uit te brengen aan de officier van justitie, met volledige openheid over zijn bevindingen. 180 De gemeentelijk schouwarts dient dat in alle objectiviteit te kunnen doen en dat is lastiger als de overledene kortgeleden nog diens patiënt was. Indien het gaat om een eigen patiënt, zou een gemeentelijk schouwarts wel in de hoedanigheid van behandelend arts kunnen optreden als schouwarts voor de initiële schouw. In dat geval geeft de arts immers alleen een verklaring van natuurlijk overlijden of geen verklaring af en hoeft geen informatie over de behandelrelatie te worden gedeeld met de ambtenaar van de burgerlijke stand of de officier van justitie. Als geen verklaring van natuurlijk overlijden wordt afgegeven, wordt het lichaam alsnog door een (andere) gemeentelijk schouwarts geschouwd. § 2. Verklaringen en verslagen Artikel 10 (Verklaring van natuurlijk overlijden) Voor de overzichtelijkheid zijn in dit artikel alle relevante bepalingen uit de Wlb ondergebracht die betrekking hebben op de afgifte van de verklaring van natuurlijk overlijden, buiten gevallen van toepassing van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding (zie daarvoor artikel 11). Artikel 10, eerste lid Dit artikellid komt overeen met artikel 7, eerste lid, Wlb.
Nieuw is dat het formulier wordt aangeduid als een verklaring van ‘natuurlijk’ overlijden. Hiermee wordt een van de aanbevelingen van de Taskforce lijkschouw en gerechtelijke sectie opgevolgd. De Taskforce concludeert dat de benaming als ‘verklaring van overlijden’ de indruk wekt dat de verklaring in alle gevallen van overlijden moet worden ingevuld. 181 Deze verklaring hoeft echter slechts te worden afgegeven indien de schouwarts ervan overtuigd is dat de aard van het overlijden natuurlijk is. In de andere gevallen neemt de behandelend arts na de schouw, contact op met de gemeentelijk schouwarts. De gemeentelijk schouwarts neemt, als er aanwijzingen zijn voor een niet-natuurlijke dood, vervolgens contact op met de officier van justitie. Vooruitlopend op deze wijziging is overeenkomstig de aanbeveling van de Taskforce in het Besluit op de lijkbezorging de titel van het model verklaring van overlijden al gewijzigd (Bijlage I en Bijlage II) 182 en nu wordt ook voorgesteld dit punt op wettelijk niveau te regelen. De wijziging van de benaming van het formulier in de wet heeft geen inhoudelijke gevolgen voor de gevallen waarin het formulier wordt afgegeven, noch de procedure die daarvoor geldt.
Artikel 10, tweede lid Dit lid komt overeen met artikel 10a, eerste lid, Wlb, dat het overleg met de gemeentelijk schouwarts voorschrijft in het geval van een schouw van een minderjarige overledene. Artikel 10, derde lid Dit lid komt overeen met artikel 7, zesde lid, Wlb, en gaat over de situatie waarin de behandelend arts na uitvoering van de schouw geen verklaring van natuurlijk overlijden meent af te kunnen geven. In dat geval deelt de behandelend arts dit onverwijld mee aan de gemeentelijk schouwarts. Artikel 10, vierde lid Deze bepaling komt inhoudelijk overeen met artikel 10, eerste lid, Wlb, en gaat over de situatie waarin de gemeentelijk schouwarts geen verklaring van natuurlijk overlijden meent af te kunnen geven na een schouw. In dat geval moet de gemeentelijk schouwarts de officier van justitie onverwijld hierover inlichten. Een aspect hierbij is nieuw, namelijk het overleg hierover tussen de gemeentelijk schouwarts en de betrokken politieambtenaren. Er zijn immers aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden en in dat geval werkt de gemeentelijk schouwarts samen met de politie in een overlijdensonderzoek. De gemeentelijk schouwarts kan de officier van justitie in eerste instantie telefonisch inlichten. Dit telefonische verslag dient de gemeentelijk schouwarts wel zo snel mogelijk van een schriftelijke bevestiging te voorzien.
Dat de gemeentelijk schouwarts ook de ambtenaar van de burgerlijke stand informeert is ongewijzigd overgenomen uit artikel 10, eerste lid, Wlb.
Kamerstukken II 1975/76, 11256, nr. 6, p. 4, en nr. 7, p. 1. Taskforce lijkschouw en gerechtelijke sectie, p. 38. 182 Stb. 2019, 46. 180 181
81
Consultatieversie
Artikel 11 (Levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding) Artikel 11, eerste en tweede lid, Voor de leesbaarheid van de wet zijn de regels in het geval van de toepassing van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding (ook wel genoemd: euthanasie) en de regionale toetsingscommissie bij elkaar in de voorgestelde artikelen 11 en 12 ondergebracht. In het voorgestelde artikel 11 zijn enkele procedurele regels gesteld die gelden na de uitvoering van een levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding. Die regels gelden in aanvulling op de procedurele regels in artikel 10. Het eerste en tweede lid komen overeen met artikel 7, tweede lid, Wlb. Die bepaling is vanwege de leesbaarheid gesplitst in twee leden. Artikel 11, derde tot en met vijfde lid 183 In het derde tot en met het vijfde lid is geanticipeerd op de inwerkingtreding van artikel II van de Wet van 14 juli 2021 tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging in verband met het elektronisch doen van de opgave van de doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek en het elektronisch verzenden van verslagen in het kader van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
184 Als overlijden het gevolg is van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, als bedoeld in de artikelen 293, tweede lid, en 294, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, mag de behandelend arts geen verklaring van overlijden afgeven. In plaats daarvan doet hij mededeling van de oorzaak van overlijden aan de gemeentelijk schouwarts, samen met een beredeneerd verslag over de inachtneming van de zorgvuldigheideisen, als bedoeld in artikel 2 van de Wtl. In artikel 12 van dit wetsvoorstel is geregeld dat dit beredeneerd verslag via de gemeentelijk schouwarts bij de regionale toetsingscommissie wordt aangeleverd. In het derde lid, wordt een regeling getroffen voor de elektronische verzending van de mededeling en het beredeneerd verslag door de behandelend arts. De mededeling wordt gedaan door middel van een ingevuld formulier, waartoe (net als in de huidige situatie) ook bijlagen behoren, zoals de wilsverklaring van de overledene of de verklaring van de geconsulteerde arts. Dit wetsvoorstel bevat evenals de Wlb geen vormvoorschriften die in de weg staan aan elektronische aanlevering van deze gegevens door de behandelend arts aan de gemeentelijk schouwarts aanlevert. Echter, in de praktijk gebeurt dit nog niet. In het derde lid zijn twee normen opgenomen.
Ten eerste wordt bepaald dat behandelend artsen, als zij gebruik maken van de elektronische weg, zij dit alleen mogen doen op de wijze die door de gemeentelijk schouwarts is aangegeven. Zij mogen kiezen tussen verzending via de papieren of via de elektronische weg. Ten tweede wordt de gemeentelijk schouwarts opgedragen om, als hij de elektronische weg opent, een wijze te kiezen die de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van de gegevens voldoende waarborgt. De gemeentelijke schouwartsen zijn gewend om te werken met gegevens die uiterst gevoelig zijn en waarbij vertrouwelijke behandeling erg belangrijk is. Op het openstellen van de elektronische weg is artikel 2:15, eerste lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing verklaard. De overeenkomstige toepassing van de Awb voor de gemeentelijk schouwarts heeft slechts betrekking op het elektronisch ontvangen van de benodigde documenten. Omdat de gemeentelijk schouwarts geen bestuursorgaan in de zin van de Awb is, is de Awb niet van toepassing op de gemeentelijk schouwarts. De van overeenkomstige toepassing houdt in dat de gemeentelijk schouwarts, als hij de elektronische weg openstelt, dat kenbaar moet maken. Ook kan hij nadere eisen stellen, mits die de elektronische verzending niet belemmeren.
Ook het tweede tot en met vierde lid van artikel 2:15 Awb zijn van overeenkomstige toepassing verklaard, hetgeen betekent dat elektronisch verschafte gegevens kunnen worden geweigerd indien dat tot een onevenredige belasting voor de gemeentelijk schouwarts zou leiden of de vertrouwelijkheid niet is geborgd. Voorts is artikel 2:17, tweede lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarin wordt bepaald op welk tijdstip een elektronisch verzonden bericht wordt geacht te zijn ontvangen. In het derde lid is de gemeentelijk schouwarts aangewezen als degene die de wijze voorschrijft waarop de elektronische weg wordt opengesteld. In aansluiting daarbij ligt bij hem ook de verantwoordelijkheid om te borgen dat die weg voldoende betrouwbaar en vertrouwelijk is. Gelet op de gevoeligheid van de aan te leveren gegevens is dit noodzakelijk. Deze wijze van regeling sluit aan bij de Awb en zorgt er ook voor dat de gemeentelijk schouwarts de werkwijze kan aanpassen aan de laatste stand van de techniek zonder dat hiervoor regelgeving gewijzigd hoeft te worden. Voorlopig blijft het mogelijk voor de behandelende artsen om het formulier en het beredeneerd verslag met bijlagen op papier aan te leveren bij de gemeentelijk schouwarts.
Als de nieuwe werkwijze voldoende is uitgerold bij de behandelende artsen en de gemeentelijke schouwartsen kan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 183 184
Zie ook Kamerstukken II 2019/20, 35551, nr. 3, p. 16-17. Staatsblad 2021, 408.
82
Consultatieversie
(VWS) bepalen dat de aanlevering van het formulier en het beredeneerd verslag alleen op elektronische wijze mag gebeuren. Artikel 12 (Verslag aan regionale toetsingscommissie) Artikel 12, eerste lid Ten behoeve van de leesbaarheid van de wet zijn de bepalingen die gaan over het beredeneerd verslag van de gemeentelijk schouwarts aan de regionale toetsingscommissies bij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding in een eigenstandige bepaling opgenomen. Het eerste lid komt inhoudelijk overeen met artikel 10, tweede lid, van de Wlb, waarin is geregeld wat de gemeentelijk schouwarts moet doen in het geval hij of zij een melding krijgt op grond van artikel 11, tweede lid. Artikel 12, tweede tot en met vierde lid 185 In deze leden is geanticipeerd op de inwerkingtreding van artikel II van de Wet van 14 juli 2021 tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging in verband met het elektronisch doen van de opgave van de doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek en het elektronisch verzenden van verslagen in het kader van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. 186 In het tweede lid wordt een regeling getroffen voor het elektronisch verzenden door de gemeentelijk schouwarts van het verslag en het beredeneerde verslag aan de RTE.
Ten eerste wordt bepaald dat gemeentelijke schouwartsen het verslag en het beredeneerd verslag, als zij gebruik willen maken van de elektronische weg, alleen elektronisch mogen verzenden op de wijze die door de RTE is voorgeschreven (derde lid). Zij kunnen dus kiezen tussen verzending via de papieren weg of via de elektronische weg. Ten tweede wordt aan de RTE opgedragen om, als zij de digitale weg openstellen, daarvoor een wijze te kiezen die de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van de gegevens voldoende waarborgt (tweede lid). De RTE zijn gewend om te werken met gegevens die uiterst gevoelig zijn en waarbij vertrouwelijke behandeling erg belangrijk is. Voorlopig blijft het mogelijk voor de gemeentelijke schouwartsen om de verslagen en bijlagen op papier te versturen naar de RTE. Als de nieuwe werkwijze voldoende is uitgerold bij alle gemeentelijke schouwartsen kan de minister van VWS bepalen dat de aanlevering van de verslagen alleen op elektronische wijze mag gebeuren. Voor een eventuele verplichting tot digitaal aanleveren is in het voorgestelde vierde lid een delegatiegrondslag opgenomen. Het is niet de bedoeling door verplichte elektronische opgave hiervoor een extra drempel op te werpen. De Minister zal dus alleen van deze mogelijkheid gebruik maken als de betrokken partijen daar voldoende op zijn voorbereid.
Artikel 13 (Vaststelling modellen) Dit artikel komt deels overeen met artikel 9 Wlb met het verschil dat de in de bepaling bedoelde modellen niet langer bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld, maar bij ministeriële regeling. Het gaat bij de vaststelling van de modellen om regels van administratieve aard, waarvoor volgens aanwijzing 2.24 van de Aanwijzingen voor de regelgeving delegatie op het niveau van een ministeriële regeling passend is. In het vervolg kunnen nodige wijzigingen van de formulieren sneller gerealiseerd worden. Een ander verschil ten opzichte van artikel 9 Wlb, tweede lid, is dat de ministeriële regeling, bedoeld in het voorgestelde tweede lid, wordt opgesteld door de minister van VWS, in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV). Hiervoor is gekozen omdat het ministerie van VWS tegenwoordig hierbij het voortouw neemt. Afstemming met het ministerie van JenV blijft van belang, mede omdat het openbaar ministerie betrokken dient te worden. § 3. Onderzoek politie Artikel 13a. (Onderzoek politie in kader van het overlijdensonderzoek) In artikel 1 is het ‘overlijdensonderzoek’ gedefinieerd als “het onderzoek door een gemeentelijk schouwarts en ambtenaren van politie in geval van aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden, naar de aard van het overlijden en de vaststelling van de identiteit van een overledene”.
In de toelichting op artikel 1 is aangegeven dat de politie in het kader van dit overlijdensonderzoek een aantal bevoegdheden krijgt toebedeeld. Dat gebeurt in dit artikel. De achtergrond daarvan is in 185 186
Zie Kamerstukken II 2019/20, 35551, nr. 3, p. 17-18. Staatsblad 2021, 408.
83
Consultatieversie
paragraaf 3.2.4 van het algemene deel van deze toelichting al aan de orde gekomen. De politie is in veel gevallen eerder dan de schouwarts ter plaatse als een melding wordt gemaakt van een overlijden en heeft – ook op grond van de huidige Wlb – bevoegdheden om de plaats van het overlijden te betreden. In de praktijk verricht de politie vervolgens onderzoek ter plaatse, om de identiteit van de overledene en de aard van het overlijden vast te stellen, en om sporen van een (mogelijk) strafbaar feit veilig te stellen. Zo worden het lichaam en de plaats waar het lichaam is aangetroffen onderzocht op aanwijzingen voor een mogelijk misdrijf, wordt onderzoek verricht aan aangetroffen digitale-gegevensdragers en worden foto’s gemaakt van de situatie ter plaatse. Het is noodzakelijk dat dergelijk onderzoek kan worden verricht. Niet alleen medisch forensisch onderzoek, verricht door de gemeentelijk schouwarts, kan immers uitsluitsel geven over de aard van het overlijden, maar ook tactisch en/of digitaal onderzoek, dat wordt verricht door de politie. Daarbij moet worden bedacht dat de politie hier ervaring mee heeft en beschikt over eigen expertise en kennis over bepaalde situaties. Zo kan de politie informatie hebben over eerdere incidenten rond de persoon van de overledene en diens naasten (zoals een context van huiselijk geweld).
Ook is zij opgeleid in het interpreteren van een sporenbeeld om de toedracht van een overlijden te reconstrueren en in het herkennen van gevallen waarin een zelfdoding of ongeval is geënsceneerd, om een misdrijf te verhullen. Het is van belang dat de politie haar expertise in dit soort gevallen daadwerkelijk en onafhankelijk van de gemeentelijk schouwarts kan inzetten. Als dat niet mogelijk is, bestaat er een kans dat bepaalde strafbare feiten niet worden ontdekt, of dat – als op een later moment een verdenking van een strafbaar feit rijst – belangrijke sporen niet langer beschikbaar zijn waardoor het opsporingsonderzoek wordt belemmerd. De Taskforce lijkschouw en gerechtelijke sectie heeft eerder geadviseerd om een landelijk uniforme werkwijze (richtlijn) voor overlijdensonderzoeken op te stellen. Dat is gebeurd met de totstandkoming van de in het algemeen deel van deze toelichting al genoemde Richtlijn overlijdensonderzoeken. Op dit moment wordt het overlijdensonderzoek door de politie verricht aan de hand van deze richtlijn. Het is echter noodzakelijk dat er een specifieke wettelijke grondslag wordt gecreëerd voor de handelingen die de politie in het kader van het overlijdensonderzoek mag verrichten.
Met deze handelingen wordt immers een inbreuk gemaakt op grond- en mensenrechten van de overledene en de kring van personen om hem heen (zoals huisgenoten en mensen met wie hij contact had). Bij het bepalen welke bevoegdheden in de wet worden geregeld, is rekening gehouden met de huidige praktijk, zoals die kan worden afgeleid uit de Richtlijn overlijdensonderzoeken, maar ook met algemene beginselen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Deze beginselen moeten steeds in acht worden genomen als een inbreuk wordt gemaakt op grond- en mensenrechten. Dat komt in algemene zin tot uitdrukking in de wettekst, waarin is opgenomen dat de hierna omschreven bevoegdheden alleen mogen worden uitgeoefend “voor zover dat redelijkerwijs nodig is ter uitvoering van het overlijdensonderzoek”. Bovendien mogen de bevoegdheden alleen worden uitgeoefend als er aanwijzingen zijn voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden. Dat betekent dat de bevoegdheden – logischerwijs – niet aan de orde zijn als direct duidelijk is dat de overledene een natuurlijke dood is gestorven. Meer concreet zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit leidend bij het bepalen welk onderzoek de politie moet kunnen verrichten in geval van zo’n mogelijk niet-natuurlijk overlijden.
Deze beginselen zijn afgewogen tegen het belang om direct na het overlijden bepaald onderzoek te kunnen verrichten om vast te stellen of het overlijden mogelijk het gevolg is van een strafbaar feit. Die afweging van belangen heeft ertoe geleid dat enkele – limitatief opgesomde – bevoegdheden van een wettelijke basis worden voorzien. Het gaat daarbij om handelingen die – als zij niet direct worden verricht – naderhand niet meer kunnen worden verricht, omdat de relevante sporen dan al verloren zijn gegaan of kunnen zijn weggemaakt. Het gaat om het betreden en doorzoeken van de plaats waar de overledene is aangetroffen (waaronder het veiligstellen van sporen), onderzoek aan de kleding en aan het lichaam van de overledene, temperatuuronderzoek en het niet-stelselmatig onderzoek aan op die plaats aangetroffen digitale-gegevensdragers of geautomatiseerde werken. Deze bevoegdheden worden hierna toegelicht. Voornoemde afweging brengt mee dat enkele andere vanuit de praktijk eveneens gewenste bevoegdheden – het opvragen van camerabeelden en (recente) banktransacties – niet bij wet mogelijk worden gemaakt.
Het gaat hier niet om materiaal dat sterk is gerelateerd aan de plaats waar de overledene is aangetroffen en waarbij het risico bestaat dat dit, als het niet direct wordt onderzocht of veiliggesteld, zal verdwijnen (ofwel als gevolg van het verplaatsen van de overledene naar een mortuarium, ofwel omdat iemand relevante sporen of ander bewijsmateriaal van de plaats van het overlijden laat verdwijnen). Weliswaar zullen camerabeelden na verloop van tijd worden gewist, maar dat risico is veel minder direct dan als het gaat om sporen op de kleding van de overledene of om sporen van een mogelijk strafbaar feit die kunnen worden aangetroffen op de plaats van het aantreffen van de overledene. Omdat camerabeelden en banktransacties ook (enige) tijd na het overlijdensonderzoek nog kunnen worden opgevraagd en onderzocht, voldoet de 84
Consultatieversie
inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die met deze handelingen wordt gemaakt, niet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Camerabeelden en banktransacties kunnen wel worden opgevraagd, indien er een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ontstaat (al dan niet naar aanleiding van het overlijdensonderzoek). Het Wetboek van Strafvordering biedt daartoe de mogelijkheid. Artikel 13a, eerste lid In geval van aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden kan de politie, voor zover dat redelijkerwijs nodig is ter uitvoering van het overlijdensonderzoek, de in de onderdelen a tot en met e van het eerste lid genoemde bevoegdheden uitoefenen. Dat betekent dus dat de bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend om de aard van het overlijden te achterhalen (in het bijzonder: zijn er feiten en omstandigheden bij het aantreffen van een overledene die erop duiden dat er mogelijk sprake is van een strafbaar feit) en om de identiteit van de overledene te kunnen vaststellen. Deze bevoegdheden oefent de politie uit onder gezag van de officier van justitie. De politie heeft echter geen toestemming of een bevel van de officier van justitie nodig voor uitoefening van deze bevoegdheden in een specifiek geval.
Artikel 13a, eerste lid, onderdeel a De politie kan in het kader van het overlijdensonderzoek de plaats waar de overledene zich bevindt of de plaats ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat zich daar een overledene bevindt betreden, zonder toestemming van de rechthebbende of de bewoner. Dit betreft dus een zelfstandige betredingsbevoegdheid voor de politie. De term “plaats” is ontleend aan artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering. Daaronder vallen ook woningen en vervoermiddelen. Het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner moet berusten op een specifieke wettelijke grondslag. Het betreft immers een beperking van het huisrecht, bedoeld in artikel 12 van de Grondwet. Dit recht vervalt bij overlijden, maar de politie weet op zo’n moment vaak nog niet of de overledene de enige bewoner was. Er bestaat ook nog geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, dus de bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering kunnen (nog) niet worden uitgeoefend. In de praktijk bestaat daarom een dringende behoefte aan een wettelijke grondslag voor het betreden van woningen (en andere plaatsen) door de politie voor het kunnen verrichten van een overlijdensonderzoek. Artikel 29 van dit voorstel bevat ook een bevoegdheid voor de politie of de burgemeester om een woning te betreden. Die bevoegdheid komt inhoudelijk overeen met artikel 21 van de Wlb.
Op grond van deze bepalingen draagt de burgemeester zorg voor de schouw of bestemming van het lichaam van een overledene indien niemand maatregelen daartoe neemt. Als het lichaam van de overledene zich in een woning bevindt en de toegang tot de woning wordt geweigerd, bieden deze bepalingen de politie en de burgemeester de mogelijkheid om de woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van de taak van de burgemeester om te voorzien in de schouw of bestemming in gevallen waarin niemand anders dat doet. Het gaat hier om een vangnetbepaling, met een beperktere reikwijdte dan de in artikel 13a, eerste lid, onderdeel a, voorgestelde betredingsbevoegdheid. De bevoegdheden dienen elk een eigen doel. De betredingsbevoegdheid van artikel 13a dient ertoe het overlijdensonderzoek – onderzoek door de gemeentelijk schouwarts én door de politie – mogelijk te maken, welk onderzoek plaatsvindt in geval van een mogelijk niet-natuurlijk overlijden. De vangnetbepaling van artikel 29 van dit wetsvoorstel dient een ander doel, te weten het mogelijk maken van de schouw of bestemming van het lichaam door de burgemeester in gevallen waarin niemand anders dat doet. Er hoeft dan dus ook geen sprake te zijn van een mogelijk niet-natuurlijk overlijden.
In dat laatste geval betreedt de politie de woning onder gezag van de burgemeester, in het eerste geval onder gezag van de officier van justitie. Artikel 13a, eerste lid, onderdeel b In dit onderdeel is een doorzoekingsbevoegdheid voor de politie opgenomen. Ambtenaren van politie kunnen de plaats (en dus ook een woning) waar de overledene zich bevindt doorzoeken en onderzoek verrichten aan voorwerpen die zich op die plaats bevinden. In dat kader kunnen zij ook eventuele sporen veiligstellen (maar niet: voorwerpen in beslag nemen). In geval van aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden kan de politie de plaats betreden waar de overledene ligt en onderzoeken of het overlijden het gevolg kan zijn van een strafbaar feit. Ook zoekt de politie – indien dat nodig is – naar aanwijzingen over de identiteit van de overledene en contactgegevens van nabestaanden. In de praktijk ondersteunt de politie de gemeentelijk schouwarts ook vaak door op de plaats waar de overledene zich bevindt te zoeken naar medicatie van de overledene en voorschriften daarvan. De medische achtergrond van de overledene kan immers een belangrijke rol hebben gespeeld bij diens overlijden. Ook zoekt de politie naar bankpasjes, sieraden en portemonnees. Het ontbreken van dit soort voorwerpen kan een 85
Consultatieversie
aanwijzing zijn voor een inbraak. De politie doorzoekt op grond van deze bevoegdheid dus de ruimte waar de overledene wordt aangetroffen om de identiteit vast te kunnen stellen, om de gemeentelijk schouwarts te ondersteunen bij diens onderzoek naar de aard van het overlijden en om een strafbaar feit al dan niet uit te kunnen sluiten. Artikel 13a, eerste lid, onderdeel c Dit onderdeel geeft de politie de bevoegdheid om de kleding van de overledene (”aan de kleding”), het lichaam van de overledene (“aan het lichaam”) en de voorwerpen die de overledene bij zich houdt te onderzoeken. In de Wlb is beperkt onderzoek aan het lichaam door de politie mogelijk ter identificatie van de overledene (artikel 21, vierde lid, Wlb: het nemen van vingerafdrukken). Kleding kan echter ook aanwijzingen bevatten voor een strafbaar feit, zoals beschadigingen die van de buitenkant niet direct zichtbaar zijn of bloedsporen. Onder het onderzoek aan de kleding wordt verstaan: het aftasten en het doorzoeken van de kleding en het geheel of gedeeltelijk (laten) ontdoen van de kleding. Met het geheel of gedeeltelijk (laten) ontdoen van de kleding kunnen intieme delen van het lichaam worden ontbloot. Anders dan bij vergelijkbaar strafvorderlijk onderzoek bij een (levende) verdachte, is hiervoor geen bevel van de officier van justitie nodig.
Dat neemt niet weg dat het onderzoek aan de kleding van een overledene niettemin noodzakelijk moet zijn en niet verder mag gaan dan redelijkerwijs noodzakelijk is voor het overlijdensonderzoek. Er moet met andere woorden worden voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Artikel 13a, eerste lid, onderdeel d Dit onderdeel verleent de politie de bevoegdheid om temperatuuronderzoek te verrichten. Dit onderzoek is gericht op het meten van de temperatuur in de openingen of holten van het lichaam. Dit sluit aan bij artikel 2.6.24, derde lid, van het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. 187 Een dergelijk onderzoek kan nodig zijn in de situatie waarin de ambtenaar van politie op een plaats delict aanwezig is voordat de schouwarts ter plaatse is. Dit is verder toegelicht in paragraaf 3.2.4 van het algemeen deel van deze toelichting. Artikel 13a, eerste lid, onderdeel e Tot slot krijgt de politie de bevoegdheid voor het verrichten van niet-stelselmatig onderzoek van gegevens aan digitale-gegevensdragers of geautomatiseerde werken die zich bevinden op de plaats waar de overledene zich bevindt. Hierbij moet worden gedacht aan smartphones, tablets, laptops en computers. Een niet-stelselmatig onderzoek van een digitale-gegevensdrager kan uitsluitsel geven over de aard van het overlijden.
Zo kan worden gecontroleerd wanneer en met wie de overledene voor het laatst contact had, wat zijn laatste zoekgeschiedenis op internet was en met wie hij – blijkens zijn foto’s – de laatste periode van zijn leven veel omging. De politie kan dit onderzoek in het overlijdensonderzoek betrekken. Met niet-stelselmatig onderzoek is aangesloten bij de terminologie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 2 en 3). In het nieuwe wetboek is een bevoegdheid opgenomen voor het stelselmatig onderzoek aan dit soort apparaten in het voorgestelde artikel 2.7.38: het onderzoek van gegevens waarbij op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands privéleven kan ontstaan. Een dergelijk onderzoek kan de politie alleen verrichten op bevel van de officier van justitie. De toelichting op artikel 2.7.38 bevat ook voorbeelden van een niet-stelselmatig onderzoek aan digitale-gegevensdrager en geautomatiseerde werken. Die voorbeelden zijn hier relevant, want de desbetreffende handelingen mag de politie in het kader van het overlijdensonderzoek ook zelfstandig verrichten op grond van het onderhavige onderdeel.
Het gaat daarbij om onderzoek dat een geringe inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer, zoals het handmatig zoeken in de belhistorie (wanneer is er voor het laatst gebeld en met wie?), het gericht en handmatig zoeken in afbeeldingen en filmpjes of het bekijken van een gebruikersnaam op een app. Het handmatige aspect is een belangrijk onderdeel van een niet-stelselmatig onderzoek. Een geautomatiseerde wijze van onderzoek leidt al snel tot een stelselmatig onderzoek en vormt, gelet op de fase waarin het onderzoek zich bevindt (er is (nog) geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit) een te vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Daarbij moet worden bedacht dat zich op digitale-gegevensdragers en geautomatiseerde werken niet alleen gegevens van de overledene zullen bevinden, maar ook die van derden. Artikel 13a, tweede lid Dit lid bepaalt dat artikel 96b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing in het geval van doorzoeking van een vervoermiddel. Hiermee wordt 187
Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 2.
86
Consultatieversie
bewerkstelligd dat een ambtenaar van politie kan bevelen tot het stoppen van een vervoermiddel en laten overbrengen daarvan naar een andere plaats voor het onderzoek. Artikel 13a, derde lid De politie kan de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in het kader van het overlijdensonderzoek tijdens een beperkte periode uitoefenen, namelijk voorafgaand aan, gelijktijdig met en kort na afloop van de (initiële, zie hierna) schouw door de gemeentelijk schouwarts. Zoals gezegd, werkt de politie in het overlijdensonderzoek samen met de gemeentelijk schouwarts. Als de politie eerder ter plekke is dan de arts, is het soms noodzakelijk dat de bevoegdheden al wel uitgeoefend kunnen worden. Aan de andere kant is het ook niet wenselijk en niet meer noodzakelijk dat de politie de plaats onderzoekt terwijl de schouw al enige tijd is beëindigd. Het is dus ook niet mogelijk om de bevoegdheden nog uit te oefenen tijdens een eventueel nader onderzoek door de schouwarts (artikel 14). Dit nader onderzoek kan worden beschouwd als een verlengstuk van de schouw, maar vindt vaak in een later stadium en soms ook elders plaats. Op dat moment is voor uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in dit artikel, geen ruimte meer.
Artikel 13a, vierde lid Dit lid bepaalt dat de ambtenaar van politie schriftelijk verslag opmaakt indien de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, worden uitgeoefend in het kader van een overlijdensonderzoek. Dit voorschrift is te vergelijken met artikel 152, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. In die bepaling is de verbaliseringsplicht van opsporingsambtenaren in het kader van de opsporing van strafbare feiten neergelegd. Gelet op de ingrijpendheid van de bevoegdheden is het belangrijk om later te kunnen verifiëren wat de politie heeft gedaan, met welk doel en wat de resultaten daarvan waren. Artikel 13a, vijfde lid Dit lid bepaalt dat de ambtenaren van politie na afloop van hun onderzoek in het kader van het overlijdensonderzoek (de toepassing van de bevoegdheden uit het eerste lid) onverwijld verslag uitbrengen aan de officier van justitie indien na het onderzoek aanwijzingen voor een mogelijk nietnatuurlijk overlijden blijven bestaan. Dit doet de politie zoveel mogelijk in overleg met de gemeentelijk schouwarts. Hierbij zal de politie de officier van justitie informeren dat na het verrichte onderzoek nog altijd sprake is van een aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden.
Op basis hiervan zal de officier van justitie besluiten of er een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestaat, dat aanleiding vormt voor het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Als telefonisch verslag wordt uitgebracht, voorziet de ambtenaar van politie het telefonisch verslag zo snel mogelijk van een schriftelijke bevestiging. Artikel 13a, zesde lid Overeenkomstig de artikelen 14, tweede lid, en 17, vierde lid, bepaalt dit lid dat de politie de bevoegdheden, genoemd in het eerste lid, niet kan uitoefenen als er al sprake is van een opsporingsonderzoek. In dat geval geldt namelijk het Wetboek van Strafvordering en de opsporingsbevoegdheden die daarin zijn opgenomen met hun eigen toepassingscriteria en waarborgen. § 4. Nader onderzoek gemeentelijk schouwarts Artikel 14 (Nader onderzoek gemeentelijk schouwarts na de schouw) Dit artikel regelt dat de gemeentelijk schouwarts een nader onderzoek naar de aard van het overlijden kan verrichten, als na de initiële schouw van de gemeentelijk schouwarts nog sprake is van onverklaard overlijden. Daarvan is sprake als de gemeentelijk schouwarts niet overtuigd is van een natuurlijke doodsoorzaak en evenmin een niet-natuurlijke doodsoorzaak heeft kunnen vaststellen.
Dit type onderzoek is niet geheel nieuw want artikel 10a Wlb voorziet al in de bevoegdheid om een nader onderzoek te (laten) verrichten naar de doodsoorzaak in het geval van onverklaard overlijden van minderjarigen. De reikwijdte van de huidige regeling wordt in artikel 14 uitgebreid naar meerderjarigen. De in artikel 14 voorgestelde regeling verschilt wel in enkele opzichten van artikel 10a Wlb. Allereerst gaat het in het voorgestelde artikel 14 primair om nader onderzoek naar de aard van het overlijden en niet naar de doodsoorzaak, in het geval de gemeentelijk schouwarts na de schouw er niet van overtuigd is dat het overlijden het gevolg is van een natuurlijke oorzaak. In afwijking daarvan blijft voor minderjarigen de huidige NODOK-
87
Consultatieversie
procedure 188 gelden, waarbij wel nader onderzoek naar de doodsoorzaak plaatsvindt (zie verder de toelichting bij artikel 14, tweede lid). Voorts is in het voorgestelde artikel 14 expliciet omschreven welke soorten onderzoek onder nader onderzoek vallen, te weten radiologisch onderzoek en toxicologisch onderzoek op afgenomen lichaamsmateriaal (zie verder paragraaf 3.2.3 van het algemeen deel van de toelichting). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het nader onderzoek geen sectie of ander geneeskundig onderzoek is waarbij het lichaam mag worden geopend. De bevoegdheid daartoe wordt geregeld in de artikelen 18 tot en met 20. Artikel 14, eerste lid Dit lid komt gedeeltelijk overeen met de eerste zin van artikel 10a, tweede lid, Wlb. Een gemeentelijk schouwarts kan alleen overgaan tot het (laten) verrichten van een nader onderzoek als er op basis van de door die gemeentelijk schouwarts reeds verrichte schouw geen overtuiging is van een natuurlijke doodsoorzaak. In dat geval wordt er afgeweken van artikel 10, vierde lid, waaruit volgt dat de gemeentelijk schouwarts onverwijld verslag moet uitbrengen aan de officier van justitie, indien de arts na het verrichten van de schouw meent geen verklaring van natuurlijk overlijden af te kunnen geven.
Het eerste lid voorziet er tevens in dat de norm voor een goede schouw, zoals neergelegd in artikel 7, tweede lid, ook van toepassing is op de uitvoering van het nader onderzoek. De IGJ houdt zodoende ook toezicht op de uitvoering van het nader onderzoek. Zie verder de toelichting bij artikel 85, eerste lid. Artikel 14, tweede lid Dit lid komt overeen met de eerste zin van artikel 10a, tweede lid, Wlb. In het geval van een overleden minderjarige kan de gemeentelijk schouwarts, na het lichaam van de overledene te hebben geschouwd, in afwijking van artikel 10, vierde lid, zorg dragen voor een nader onderzoek naar de doodsoorzaak. Sinds 1 augustus 2016 bestaat hiervoor de procedure Nader Onderzoek naar de DoodsOorzaak bij Kinderen (NODOK). In geval van onverwacht en onverklaard overlijden van een minderjarige, kan met toestemming van de ouders nader onderzoek naar de doodsoorzaak plaatsvinden. Het achterhalen van de doodsoorzaak kan bijdragen aan de rouwverwerking van de ouders. Ook kan een erfelijke oorzaak van het overlijden worden gevonden, wat van belang kan zijn voor familieleden. De NODOK-procedure houdt hiermee een aparte wettelijke grondslag. Artikel 14, derde lid Dit lid komt deels overeen met de tweede zin van artikel 10a, tweede lid, Wlb.
Bij een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan er geen nader onderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid plaatsvinden; dan is het Wetboek van Strafvordering en het voorgestelde artikel 19, eerste lid, onder a, over de gerechtelijke sectie van toepassing. Daarom bevat dit derde lid voor de gemeentelijk schouwarts de verplichting om altijd diens voornemen tot nader onderzoek te melden aan de officier van justitie. Zo kan de officier van justitie eerst nagaan of er andere informatie beschikbaar is die aanleiding geeft voor het redelijk vermoeden dat het overlijden het gevolg is van een strafbaar feit. Het vermoeden van een strafbaar feit kan bijvoorbeeld gebaseerd zijn op informatie van de forensische opsporing en tactische recherche, dat kan zijn verkregen tijdens het overlijdensonderzoek (het verslag, bedoeld in artikel 13a, vierde lid). In dit kader is in artikel 13a, vierde lid, ook de verplichting voor de ambtenaar van politie opgenomen dat deze na het onderzoek van de politie in een overlijdensonderzoek de officier van justitie informeert. Als er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit is de officier van justitie als leider van het opsporingsonderzoek degene die beslist of en zo ja welke vervolgonderzoeken ─ op grond van het Wetboek van Strafvordering ─ dienen te worden gedaan.
De gemeentelijk schouwarts kan in die situatie geen gebruik maken van zijn bevoegdheid tot het verrichten van nader onderzoek. Dit is ook het geval als de gemeentelijk schouwarts zelf vermoedt dat er sprake is van een strafbaar feit. Voor de invulling van de melding van een gemeentelijk schouwarts aan de officier van justitie kunnen op landelijk of regionaal niveau richtlijnen worden opgesteld door de koepels van forensisch artsen en het openbaar ministerie. Artikel 14, vierde lid Net als in artikel 10a, derde lid, Wlb, wordt voorgesteld dat de gemeentelijk schouwarts dossieronderzoek verricht, voordat hij overgaat tot het afnemen van lichaamsmateriaal voor toxicologisch onderzoek of het verrichten van radiologisch onderzoek. De gemeentelijk schouwarts kan hiervoor informatie opvragen van de behandelend arts of andere hulpverleners, die naar het oordeel van de gemeentelijk schouwarts noodzakelijk is voor het nader onderzoek naar de aard van het overlijden (of de doodsoorzaak in het geval van een minderjarige). De behandelend arts hoeft dan ook niet het hele dossier te verstrekken. Artikel 14, vijfde en zevende lid 188
NODOK: Nader Onderzoek naar de DoodsOorzaak bij Kinderen.
88
Consultatieversie
Het voorgestelde vijfde lid is nieuw ten opzichte van de Wlb en regelt dat het nader onderzoek dat de gemeentelijk schouwarts kan verrichten, kan bestaan uit toxicologisch onderzoek en/of radiologisch onderzoek (röntgenologisch onderzoek/CT-scan). Voor de uitvoering van toxicologisch onderzoek kan lichaamsmateriaal van de overledene worden afgenomen door middel van een punctie of katheterisatie (onderdeel b). Met deze methoden kan bijvoorbeeld oogbolvocht, urine en bloed worden afgenomen. Aan de hand van dit lichaamsmateriaal wordt vervolgens toxicologisch onderzoek verricht om de aard van het overlijden vast te kunnen stellen. Radiologisch onderzoek verschaft inzicht in het lichaam van de overledene (onderdeel a). Indien de gemeentelijk schouwarts ter plekke geen radiologisch of toxicologisch onderzoek kan verrichten, kan deze hiervoor ook een indicatie stellen en het lichaam van de overledene of het afgenomen lichaamsmateriaal voor de verrichting van het onderzoek naar een daarvoor geschikte locatie laten vervoeren. Het staat de gemeentelijk schouwarts aldus vrij om in opdracht en onder diens eindverantwoordelijkheid het nader onderzoek door een andere specialist te laten verrichten; de indicatiestelling voor het verrichten van voorbehouden handelingen is onderdeel van de aan de arts voorbehouden handeling.
In het kader van de NODOK-procedure kan momenteel al toxicologisch of radiologisch onderzoek plaatsvinden, naast andere vormen van onderzoek. De nieuwe bepalingen in het vijfde lid veranderen hier niets aan. De gemeentelijk schouwarts dient bij de uitoefening van diens bevoegdheid tot het verrichten van radiologisch onderzoek te handelen overeenkomstig artikel 36, achtste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Op grond van deze bepaling geldt dat de gemeentelijk schouwarts uitsluitend bevoegd is voor zover de arts voldoet aan de krachtens de Kernenergiewet ter zake van het gebruiken van zodanige stoffen en toestellen gestelde eisen. 189 De overeenkomstige toepassing van artikel 36, achtste lid, Wet BIG betekent tevens dat als de gemeentelijk schouwarts dit onderzoek door een ander laat verrichten, dit slechts mag worden uitgevoerd door artsen, tandartsen of klinisch technologen voor zover zij voldoen aan de krachtens de Kernenergiewet gestelde eisen, en, voor zover het tandartsen en klinisch technologen betreft, uitsluitend voor zover dit kan worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid. Artikel 14, zesde lid Dit lid bevat de eisen van noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit bij de uitvoering van het toxicologisch of radiologisch onderzoek (vijfde lid).
Van de bevoegdheid om toxicologisch of radiologisch onderzoek te (laten) verrichten mag slechts gebruik worden gemaakt als de gemeentelijk schouwarts deze onderzoeken noodzakelijk acht voor het vaststellen van de aard van het overlijden als bedoeld in het eerste lid. Ook mogen deze bevoegdheden niet worden uitgeoefend als het vaststellen van de aard van het overlijden op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Proportionaliteit brengt met zich dat de gevolgen van de onderzoeken voor het lichaam van de overledene in een redelijke verhouding moeten staan tot het belang van de vaststelling van de aard van het overlijden. De eisen van noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit zijn niet van toepassing op het nader onderzoek naar de doodsoorzaak bij een minderjarige, aangezien dit onderzoek op verzoek van de ouders plaatsvindt. Artikel 14, achtste lid Dit lid bevat een delegatiegrondslag om voor de uitwerking van de onderzoeksbevoegdheden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen. Bij algemene maatregel van bestuur zal het lichaamsmateriaal worden aangewezen waarop een toxicologisch onderzoek worden verricht. Verder kunnen regels worden gesteld aan de wijze van afname van het lichaamsmateriaal, het verrichten van toxicologisch en radiologisch onderzoek en het bewaren, vervoeren en vernietigen van het lichaamsmateriaal.
Artikel 14, negende lid Dit lid komt overeen met artikel 10a, vierde lid, Wlb en houdt in dat na afronding van het nader onderzoek de gemeentelijk schouwarts een verklaring van natuurlijk overlijden afgeeft of verslag uitbrengt aan de officier van justitie indien de gemeentelijk schouwarts niet overtuigd is van een natuurlijke doodsoorzaak. Zie verder de toelichting bij artikel 10.
189
Stb. 1963, 82.
89
Consultatieversie
Artikel 14, tiende lid Dit lid regelt dat de bevoegdheden van de gemeentelijk schouwarts slechts zijn gericht op het vaststellen van aard van het overlijden(of de doodsoorzaak in het geval van een minderjarige). De met het onderzoek verkregen informatie of afschriften van bescheiden (vierde lid) mogen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt. Dat laat onverlet dat het Wetboek van Strafvordering de officier van justitie verschillende bevoegdheden geeft waarbij het lichaam object van het onderzoek is. Als de officier van justitie het vermoeden heeft dat het overlijden het gevolg is van een strafbaar feit, kan de officier van justitie deze bevoegdheden inzetten. De behandelend arts of andere hulpverleners die informatie verstrekken aan de gemeentelijk schouwarts (vierde lid) verstrekken deze informatie enkel en alleen ten behoeve van het nader onderzoek naar de aard van het overlijden (of de doodsoorzaak in het geval van een minderjarige), en ten behoeve van het verslag daarvan aan de officier van justitie of van de verklaring van overlijden, bedoeld in het negende lid. De gemeentelijk schouwarts heeft de plicht om met de informatie die hem verstrekt wordt, volgens de regels van zijn professie om te gaan. De gemeentelijk schouwarts kan deze informatie dus niet zomaar aan derden verstrekken, zoals de officier van justitie.