CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bijlage 7 Milieueffectrapport MER Zuidas - De Flanken, deel B.pdf

RAAD 27 maart 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan ‘Zuidas-Parnas Fred Roeskestraat 55 partiële herziening’ (VN2024-000980)28.684 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

blad 34 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

5

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Geluid Voor de bepaling van de onderlinge verschillen van de verschillende modelvarianten ten opzichte van de referentiesituatie zijn op basis van de verkeerscijfers berekeningen uitgevoerd door Cauberg-Huygen B.V. In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste uitgangspunten en resultaten gepresenteerd. Het volledige geluiddrapport is weergegeven in de bijlagen.

5.1

Aanpak van de berekeningen In het geluidonderzoek is geanalyseerd in hoeverre de geluidbelasting in het studiegebied als gevolg van de voorgenomen activiteiten bij VU/VUmc en de Flanken wordt beïnvloed ten opzichte van de referentiesituatie. Het gaat hierbij om de toekomstige leefkwaliteit (voor zover die door geluid wordt bepaald) in de plangebieden van VU/VUmc en de Flanken, en om de effecten van de ontwikkelingen op bestaande (woon)functies in het studiegebied. Bij de berekeningen is gebruik gemaakt van de verkeersgegevens voortkomend uit de verkeerstudie, zoals samengevat weergegeven in hoofdstuk 3. Overige uitgangspunten zijn weergegeven in de bijlagen. De modelberekeningen geven resultaten (geluidniveau's) voor zowel een raster van waarneempunten als voor waarneempunten op (in het model schematisch, op basis van schetsplannen) gevels. De rasterpunten zijn gebruikt voor het maken van contourenkaarten. De gegevens van de waarneempunten op de gevels zijn gebruikt om een beeld te kunnen geven van de leefkwaliteit in het plangebied en het (toekomstig) aantal gehinderden in het gebied. De waarneempunten worden daarbij geacht representatief te zijn voor een bepaald geveloppervlak en daarmee voor een bepaald aantal woningen en bewoners. Het gaat om waarneempunten op verschillende hoogten.

In de bijlagen zijn tevens de situering van de waarneempunten en de berekende geluidniveaus opgenomen.

5.1.1

Studiegebied Het studiegebied bestaat uit het plangebied en het gebied waar als gevolg van de ontwikkelingen van VU/VUmc en de Flanken relevante wijzigingen van de akoestische situatie in vergelijking met de referentiesituatie kunnen optreden. Dit studiegebied sluit tevens aan bij de resultaten en de toename van de verkeersintensiteiten voor de diverse wegen uit het verkeersonderzoek. In figuur 27 is het studiegebied voor geluid weergegeven.

blad 35 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

figuur 27 Gehanteerde studiegebied ten behoeve van het geluidonderzoek

5.1.2

Relevante geluidbronnen Wegen De relevante wegverkeerlawaaibronnen zijn de rijksweg A10 en een groot aantal wegen binnen de bebouwde kom. Tramlijnen zijn, conform het reken- en meetvoorschrift per 30 maart 2002, ook onderdeel van de weg. De meegenomen wegen zijn weergegeven in de figuur met het gehanteerde studiegebied in paragraaf 5.1.1. Wegen met een grote verkeersintensiteit en/of een groot effect als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zijn in het onderzoek betrokken. Spoorwegen Het spoortraject Amsterdam Duivendrecht - Schiphol evenals de metrolijnen langs dit traject en aftakkend naar Amstelveen Westwijk zijn meegenomen in dit geluidonderzoek. Industrie In het studiegebied is een aantal voorzieningen met bedrijfsmatige, geluidrelevante activiteiten aanwezig. In de plangebieden van VU/VUmc en de Flanken vinden alleen geluidrelevante activiteiten plaats bij de VU en het VUmc1. In het studiegebied vinden geen bedrijfsmatige, geluidrelevante activiteiten plaats die vallen onder de invloedssfeer van de Wet geluidhinder en er zijn derhalve ook geen geluidzones conform de Wet geluidhinder. De inrichtingen in het studiegebied zijn dan ook niet meegenomen in het geluidonderzoek ten behoeve van de m.e.r. Zuidas - Flanken en de m.e.r. VU/VUmc. Geluid afkomstig van de traumahelikopter van VUmc valt onder het Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer.

Het besluit stelt alleen een eis aan het geluid1

Ten tijde van afronding van de MER VU/VUmc is een onderzoek gestart ten behoeve van de uitbreiding van het Energiecentrum van de VU/VUmc. Hier valt ook een akoestisch onderzoek onder. Er waren echter nog geen resultaten beschikbaar die gebruikt konden worden in dit MER.

blad 36 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

vermogenniveau van de traumahelicopter. Er worden geen maximale toegestane geluidniveaus ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen voorschreven en om deze reden is de traumahelikopter verder niet beschouwd in dit geluidonderzoek. Voor ambulances met ingeschakelde sirenes van VUmc gelden geen wettelijke grenswaarden. De ambulances nemen zo veel mogelijk de grootste wegen in het plangebied, waardoor de hinder zich beperkt tot de directe omgeving van deze wegen. Indien gebruik gemaakt wordt van andere wegen of er gereden wordt op tijden wanneer weinig verkeer aanwezig is wordt de sirene zoveel mogelijk uitgezet. Schiphol De plangebieden zijn gelegen in het beperkingengebied, zoals dat is vastgelegd in het Luchthavenindelingsbesluit (LIB), zie ook de delen A van beide m.e.r.-procedures. De plangebieden maken echter geen deel uit van de in het LIB aangewezen gronden waaraan beperkingen zijn opgelegd aan het gebruik van de grond. Nieuwbouw van woningen of andere geluidgevoelige gebouwen worden in de plangebieden niet belemmerd door luchtvaartlawaai.

5.2

Referentiesituatie In paragraaf 5.1 is aangegeven dat het spoor en de A10 de meest bepalende geluidbronnen in het gebied zijn. In figuur 28 en figuur 29 zijn de resultaten van de contourenberekeningen voor deze bronnen in de referentiesituatie weergegeven. Vergelijking tussen beide figuren laat duidelijk zien dat de geluidbelasting van de A10 voor het gehele gebied het meest bepalend is. De beperkte afschermende werking van aanwezige gebouwen in de Flanken en bij VU/VUmc is ook goed zichtbaar.

figuur 28 Geluidcontouren referentiesituatie A10 (zonder maatregelen, 5 meter hoogte)

blad 37 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

figuur 29 Geluidcontouren referentiesituatie spoor (zonder maatregelen, 5 meter hoogte) )

5.3 5.3.1

Effectbeschrijving Vier aspecten Voor de ontwikkeling van de twee plangebieden is naast de referentiesituatie onderscheid gemaakt in een zestal modelvarianten. Deze modelvarianten zijn weergegeven in onderstaande tabel 12. Daarnaast wordt een doorkijk gegeven naar de effecten van de ontwikkeling van de Dok, het onder de grond brengen van de infrastructuur (A10 en het spoor), op de geluidbelasting. De effectbeschrijving richt zich op vier aspecten. Als eerste wordt in paragraaf 5.3.2 ingegaan op de toename van de geluidbelasting bij de verschillende modelvarianten op de bestaande omgeving. Ten tweede wordt in paragraaf 5.3.3 ingegaan op het effect van de A10 bij de verschillende modelvarianten: welke geluidbelasting veroorzaakt de A10 in de plangebieden. Daarna wordt in paragraaf 5.3.4 de geluidbelasting als gevolg van spoorweglawaai bij de verschillende modelvarianten besproken. Ten slotte wordt in paragraaf 5.3.5 ook inzicht gegeven in de cumulatie van het spoorweglawaai en wegverkeerslawaai. tabel 12 Modelvarianten De Fanken en VU/VUmc

Modelvariant

blad 38 van 79

VU / VUmc

De flanken

0 1

Referentiesituatie 100% VU/VUmc

Vigerende plannen Programma 100%

2 3

100% VU/VUmc + Flanken 115% VU/VUmc

Programma 100% Programma 115%

4 5 6 *

115% VU/VUmc + Flanken 85% Flanken + 100% VU/VUmc 100% Flanken Doorkijk realisatie Dok

Programma 115% Programma 100% Vigerende plannen 100%

Vigerende plannen Vigerende plannen (referentiesituatie) Programma 100% Vigerende plannen (referentiesituatie) Programma 115% Programma 85% Programma 100% 100%

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

5.3.2

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Effecten ter plaatse van bestaande bebouwing Om de effecten op de bestaande woonbebouwing te kunnen beschrijven is een aantal maatgevende punten geselecteerd. De keuze voor deze punten is gebaseerd op de bestaande verkeersintensiteit en op het effect van de ontwikkelingen bij VU/VUmc en de Flanken op de verkeersintensiteit. In figuur 30 is aangegeven waar de geselecteerde maatgevende punten liggen. Voor deze punten is bepaald hoe groot het effect op de geluidbelasting is als gevolg van de toename van het verkeer op het onderliggend wegennet bij de diverse modelvarianten.

figuur 30 Locaties geselecteerde bestaande woningen (maatgevende punten) langs enkele relevante wegen

In tabel 13 is voor de maatgevende punten de toename van de geluidbelasting bij de verschillende modelvarianten weergegeven. Hieruit blijkt dat de toename als gevolg van alleen de ontwikkeling VU/VUmc (modelvarianten 1 en 3) gering is (maximaal 0.8 dB bij modelvariant 3 op de De Boelelaan). De grootste toename vindt plaats bij modelvariant 4 bij punt 3 aan de De Boelelaan tussen de Buitenveldertselaan en de Van Leijenberghlaan (punt 3 in figuur 30). De toename is hier maximaal 2.4 dB. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door het verkeer van de Flanken. Uit tabel 13 blijkt ook dat de verandering van het verkeer en de gevolgen voor de geluidbelasting zich beperken tot het Zuidas-gebied. Bij de punten 2, 6 en 8 is de maximale toename van de geluidbelasting (veel) kleiner dan 1 dB. Bij punt 6 blijkt de toename slechts maximaal 0.1 dB te zijn. Bij punt 7 (Parnassusweg) is de toename bij modelvariant 4 (maximale ontwikkeling) 1 dB.

blad 39 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Figuur 31 geeft voor modelvariant 4 (maximale ontwikkeling voor VU/VUmc en Flanken) de grootste toename van de geluidbelasting in vergelijking met de referentiesituatie. Punt 1 (Amstelveenseweg) heeft de hoogste geluidbelasting, de punten 3 en 4 de grootste toename. tabel 13 Overzicht toe- en afname in dB bij bestaande gebouwen

Nr.

Ref.

M-var. 1

M-var. 2

M-var. 3

M-var. 4

M-var. 5

M-var. 6

1 2 3 4 5 6 7 8

61.6 dB 58.0 dB 55.7 dB 58.3 dB 57.2 dB 57.9 dB 59.0 dB 59.8 dB

+0.2 dB -0.3 -0.2 dB +0.7 dB +0.1 dB 0 +0.1 dB +0.1 dB

+0.5 dB 0 dB +2.3 dB +1.5 dB +0.5 dB +0.1 dB +0.9 dB +0.3 dB

+ 0.2 dB -0.3 -0.1 dB +0.8 dB +0.1 dB 0 +0.2 dB +0.1 dB

+0.5 dB 0 dB +2.4 dB + 1.6 dB +0.6 dB 0 +1.0 dB +0.4 dB

+ 0.4 dB 0 dB +2.3 dB +1.4 dB +0.5 dB 0 +0.7 dB +0.4 dB

+ 0.4 dB 0 dB +2.4 dB +1.4 dB + 0.5 dB 0 +0.8 dB +0.3 dB

64 mvar 4 ref

geluidbelasting Lden (dB)

62

60

58

56

54

52 1

2

3

4

5

6

7

8

maatgevend punt

figuur 31 Effect van de ontwikkeling op de geluidbelasting op de maatgevende punten voor modelvariant 4

5.3.3

Effecten van de geluidbelasting van wegverkeer op de voorgenomen plannen Bij de analyse van de effecten van geluidhinder als gevolg van de A10 en binnenstedelijke wegen op de voorgenomen plannen bij de Flanken en VU/VUmc zijn drie niveaus gekozen: 1. Wegverkeerslawaai A10 zonder vulling van de plangebieden met gebouwen; 2. Wegverkeerslawaai A10 met vulling van de plangebieden met gebouwen (conform Uitvoeringsbesluiten) maar nog zonder toekenning van functies; 3. Wegverkeerslawaai alle wegen met vullling van de plangebieden met gebouwen, inclusief functies (conform Uitvoeringsbesluiten). Deze driedeling in analyseniveau maakt het mogelijk om inzichtelijk te maken wat de impact is van de locatie van gebouwen én van de toekenning van functies op het aantal nieuwe gehinderden door de voorgenomen ontwikkelingen. Dit geeft de mogelijkheid om in de toekomst nog de diverse plangebieden te optimaliseren qua indeling. De modelberekeningen zijn uitgevoerd voor een groot aantal receptorpunten op de gevels van de (geprojecteerde) gebouwen in het gebied. De receptorpunten worden geacht repre-

blad 40 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

sentatief te zijn voor een bepaald oppervlak van gevels en daarmee voor een bepaald areaal (oppervlak bvo) aan functies 'achter' die gevels. Wegverkeerslawaai A10 zonder vulling van de plangebieden met gebouwen In figuur 32 is te zien dat zonder vulling van het gebied met gebouwen de contouren met een hoge geluidswaarde tot ver in het gebied reiken. De afschermende werking van de reeds bestaande gebouwen (referentiesituatie) is duidelijk zichtbaar. Er zijn in de plangebied Flanken en VU/VUmc nagenoeg geen locaties waar voldaan wordt aan de grenswaarden van de Wetgeluidhinder.

figuur 32 Wegverkeerslawaai A10 (verkeersgegevens 2020) zonder vulling van de plangebieden met gebouwen (rood betekent niet voldoen aan de Wet geluidhinder), modelvariant 2

Wegverkeerslawaai A10 met vulling van de plangebieden met gebouwen, maar zonder functie In figuur 33 is de situatie met gebouwvolumes maar zonder functies, conform modelvariant 2 (dus 100% realisatie van de Flanken en VU/VUmc), op vijf meter hoogte weergegeven. Hier is dus nog geen onderscheid gemaakt tussen geluidgevoelige functies en niet-geluidgevoelige functies (zoals kantoren). Ter plaatse van de rode gebieden treden te hoge geluidbelastingen vanwege de A10 op. Er kunnen in het gebied, ten opzichte van een indeling zonder gebouwen, wel locaties worden aangewezen waar alle functies mogelijk zijn. Er zijn tegelijkertijd nog wel diverse locaties aan te wijzen waar niet aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder wordt voldaan, zie tabel 14.

blad 41 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

figuur 33 Wegverkeerslawaai A10 (verkeersgegevens 2020) met vulling van de plangebieden met gebouwen (rood betekent niet voldoen aan de Wet geluidhinder) tabel 14 Overzicht geluidgehinderden en m2 geluidbelast BVO bij functieonafhankelijke vulling (modelvariant 2)

Categorie

Aantal gehinderden

BVO m2

%

Opmerking

≤ 43 dB 44 - 48 dB A10/stedelijk 48 - 53 dB stedelijk 53 - 58 dB stedelijk 58 - 63 dB > max. onth. (tot 5 dB) > max. onth. (6-10 dB) > max. onth. (>10 dB)

697 1812 2639 2224 1751 2015 829 1245

57.243 151.555 221.598 203.942 144.904 154.387 61.073 92.606

5.3 13.7 20.0 16.8 13.3 15.2 6.3 9.4

Voldoet aan voorkeursgrenswaarden Voldoet aan voorkeursgrenswaarden Hogere waarden verzoek Hogere waarden verzoek Hogere waarden verzoek Dove gevel / gebouwscherm Dove gevel / gebouwscherm Dove gevel / gebouwscherm

Uit tabel 14 blijkt dat voor modelvariant 2 ongeveer 19% van de gevels van de gebouwen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde, voor ongeveer 50% via een hogere waardenprocedure een woonbestemming kan worden gerealiseerd en dat bij 31% een dove gevel of gebouwscherm noodzakelijk is om een gevoelige bestemming mogelijk te maken. Wegverkeerslawaai alle wegen met invulling plangebieden met gebouwen en functies In figuur 34 is de geluidbelasting van alle wegen, dus A10 en binnenstedelijke wegen voor modelvariant 2 weergegeven. Hierbij is uitgegaan van de invulling van de plangebieden met gebouwen en functies conform de vastgestelde uitvoeringsbesluiten. In de bijlagen zijn voor alle modelvarianten de modelplots weergegeven. In figuur 35 en figuur 36 zijn respectievelijk het aantal gehinderden en het geluidbelast BVO per geluidklasse per modelvariant weergegeven. Hierbij is voor de referentiesituatie uitgegaan van 0, zowel voor het aantal gehinderden als het geluidbelast BVO.

blad 42 van 79

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

figuur 34 Geluidbelasting alle wegen bij modelvariant 2 (5 meter hoogte)

5000

niet-gehinderden

gehinderden

ernstig-gehinderden

4500 4000

Modelvariant 1

3500

Modelvariant 3 Modelvariant 2

3000

Modelvariant 4 2500

Modelvariant 5 Modelvariant 6

2000 1500 1000 500

> max. onth. (>10 dB)

> max. onth. (6-10 dB)

> max. onth. (tot 5 dB)

stedelijk 58-63 dB

stedelijk 53-58 dB

A10/stedelijk 48-53 dB

44-48 dB

≤43 dB

0

figuur 35 Aantal gehinderden wegverkeerslawaai voor de zes modelvarianten; gebouwvolumes en gevels conform Uitvoeringsbesluiten / bestemmingsplannen

Uit figuur 35 kan geconcludeerd worden dat bij de modelvarianten 1 en 3 (alleen realisatie VU/VUmc) circa 23/24% van de gebruikers van geluidgevoelige gebouwen niet door geluid gehinderd wordt. Bij de modelvarianten 2, 4, 5 en 6 is het percentage niet geluidgehinderden circa 21%. Dit valt te verklaren doordat de plannen van VU/VUmc (modelvarianten 1 en 3) zonder geluidafscherming van het deelplan Kenniskwartier van de Flanken 24% ernstig geluidgehinderden hebben, maar met de afscherming van Kenniskwartier 'slechts' 5% ernstig geluidgehinderden hebben. De plannen voor VU/VUmc profiteren qua geluidbelasting duidelijk van de realisatie van de plannen bij de Flanken.

blad 43 van 79

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

De toe- of afnamen van de aantallen (ernstig) geluidgehinderden zijn nagenoeg evenredig met de toe- of afnamen van de planprogramma's (85%, 100% of 115%). De toe- of afnames zijn niet het gevolg van sterke toe- of afgenomen verkeersintensiteiten. 400000

voldoet aan vkgw

hogere waarde

dove gevels/ gebouwschermen/ stad en milieu

350000

300000

Modelvariant 1 Modelvariant 3

250000

Modelvariant 2 Modelvariant 4

200000

Modelvariant 5 Modelvariant 6

150000

100000

50000

> max. onth. (>10 dB)

> max. onth. (6-10 dB)

> max. onth. (tot 5 dB)

stedelijk 58-63 dB

stedelijk 53-58 dB

A10/stedelijk 48-53 dB

44-48 dB

≤43 dB

0

figuur 36 Aantallen m2 geluidbelast BVO wegverkeerslawaai voor de zes modelvarianten

Uit figuur 36 kunnen de volgende constateringen afgeleid worden. Bij modelvarianten 1 en 3 voldoet 22-24% van het BVO direct aan de voorkeursgrenswaarden. Bij modelvarianten 2, 4, 5 en 6 is dit 21-22%. Modelvariant 6 kent het hoogste percentage dove gevels: 31%. Modelvarianten 1 en 3 hebben een percentage dove gevels van 25% en de modelvarianten 2, 4 en 5 van 21-22%. Dit is te verklaren door: • VU/VUmc bij modelvarianten 1 en 3 zonder geluidafscherming Kenniskwartier 25% dove gevels hebben, maar bij realisatie van het Kenniskwartier (modelvarianten 2, 4 en 5) 'slechts' 5%. • De totale Flanken hebben op zichzelf altijd circa 31% dove gevels of andere gebouwbeschermende voorzieningen nodig. De percentages ernstig geluidbelast BVO met toekenning van functies en gebouwen zijn circa 10% lager dan bij de uitwerkingen zonder toekenning van functies aan de gebouwen. Ten slotte geldt net als bij het aantal geluidgehinderden dat de toe- of afnamen van de aantallen geluidbelast BVO evenredig zijn met de toe- of afnamen in de planprogramma's (85%, 100% en 115%). Deze toe- of afnamen zijn niet het gevolg van sterke toe- of afgenomen verkeersintensiteiten. In figuur 37 zijn voor modelvariant 4 de locaties weergegeven waar dove gevels of een gebouwgebonden scherm gerealiseerd zou moeten worden, uitgaande van de

blad 44 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

voorgenomen functie. In de bijlagen zijn ook voor de overige modelvarianten de locaties van dove gevels opgenomen.

figuur 37 Locaties van dove gevels/gebouwgebonden schermen modelvariant 2 De analyse voor de noodzaak tot aanbrengen van dove gevels/gebouwgebonden schermen is alleen uitgevoerd voor de bouwvolumes met een beoogde geluidgevoelige functie (waaronder wonen)

5.3.4

Effecten van de geluidbelasting van het spoor op de voorgenomen plannen Bij de beschouwing van de referentiesituatie is reeds aangegeven dat het spoorweglawaai minder nadrukkelijk aanwezig is dan de A10 (en overige wegen). In figuur 38 is dit ook te zien voor de modelvarianten 2, 4 en 5.

figuur 38 Spoorweglawaai modelvarianten 2, 4 en 5 (5 meter)

In figuur 39 en figuur 40 zijn respectievelijk het aantal geluidgehinderden en de aantallen m2 geluidbelast BVO voor spoorweglawaai weergegeven.

blad 45 van 79

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

12000

niet-gehinderden

gehinderden

ernstig-gehinderden

10000

Modelvariant 1 8000

Modelvariant 3 Modelvariant 2 Modelvariant 4

6000

Modelvariant 5 Modelvariant 6 4000

2000

> max. onth. (>10 dB)

> max. onth. (6-10 dB)

> max. onth. (tot 5 dB)

64-68 dB

59-63 dB

54-58 dB

49-53 dB

≤48 dB

0

figuur 39 Aantal gehinderden door spoorweglawaai; gebouwvolumes en gevels conform Uitvoeringsbesluiten / bestemmingsplannen

Uit figuur 39 kan worden geconcludeerd dat bij de modelvarianten 1 en 3 circa 70% van de gebruikers van geluidgevoelige gebouwen niet door spoorweggeluid wordt gehinderd. Bij de modelvarianten 2, 4 en 5 is het percentage niet geluidgehinderden circa 78%. Bij modelvariant 6 is dit 73%. Bij alle modelvarianten zijn er geen ernstig geluidgehinderden. 1000000

voldoet aan vkgw

hogere waarde

dove gevels/ gebouwschermen/ stad en milieu

900000 800000

Modelvariant 1

700000

Modelvariant 3 Modelvariant 2

600000

Modelvariant 4 500000

Modelvariant 5 Modelvariant 6

400000 300000 200000 100000

figuur 40 Aantallen m2 geluidbelast BVO door spoorweglawaai; gebouwvolumes en gevels conform Uitvoeringsbesluiten / bestemmingsplannen

blad 46 van 79

> max. onth. (>10 dB)

> max. onth. (6-10 dB)

> max. onth. (tot 5 dB)

64-68 dB

59-63 dB

54-58 dB

49-53 dB

≤48 dB

0

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Uit figuur 40 kan geconcludeerd worden dat bij geen van de modelvarianten sprake is van knelpunten op het gebied van dove gevels of gebouwschermen in verband met spoorweglawaai.

5.3.5

Effecten van gecumuleerde geluidbelastingen: LVL,cum In tabel 15 en tabel 16 zijn de gecumuleerde geluidbelastingen weergegeven voor de totaalplannen van de modelvarianten 3 en 4: de modelvarianten met de grootste planprogramma's voor respectievelijk VU/VUmc en voor de beide plangebieden gezamenlijk. tabel 15 Lvl,cum modelvariant 3

Categorie

Gehinderden N

%

BVO m2

≤ 48 dB 49 - 53 dB 54 - 58 dB 59 - 63 dB 64 - 66 dB (=max. onth. + 3dB > max. onth. +3 d(1 - 5 dB) > max. onth. +3 d(6 - 10 dB) > max. onth. +3 d(>10 dB)

776 884 676 1454 154 0 0 0

19.7 22.4 17.1 36.9 3.9 0 0 0

78.291 91.126 71.755 160.147 15.120 0 0 0

Uit tabel 15 kan geconcludeerd worden dat er naast de noodzakelijke dove gevels of gebouwschermen als gevolg van verkeerslawaai op grond van, op grond van Lvl,cum geen extra dove gevels of gebouwschermen te worden toegepast. tabel 16 Lvl,cum modelvariant 4

Categorie

Gehinderden N

%

BVO m2

≤ 48 dB 49 - 53 dB 54 - 58 dB 59 - 63 dB 64 - 66 dB (=max. onth. + 3dB > max. onth. +3 d(1 - 5 dB) > max. onth. +3 d(6 - 10 dB) > max. onth. +3 d(>10 dB)

2543 4106 4945 2785 714 302 0 0

19.7 27.0 32.5 18.3 4.7 2.0 0 0

194.131 335.650 406.872 234.111 57.461 22.178 0 0

Uit tabel 16 blijkt dat niet geheel voldaan wordt aan de voorwaarde voor Lvl,cum binnen het gemeentelijk geluidbeleid. Voor circa 2% van het BVO dient op grond van Lvl,cum dove gevels of gebouwschermen te worden toegepast. Op de locaties waar deze maatregelen moeten worden getroffen zijn echter al dove gevels of gebouwschermen vereist als gevolg van wegverkeerslawaai. Er worden dus geen extra locaties voor dove gevels of gebouwschermen toegevoegd.

5.4 5.4.1

Doorkijk naar situatie met het "Dok" Effect van Dok In de bijlagen is een uitgebreide analyse gegeven van de situatie met het Dok en is tevens gekeken naar de effecten van het plaatsen van geluidschermen langs de A10. De belangrijkste conclusies worden hier weergegeven. In figuur 37 is zichtbaar dat de A10 maatgevend is voor de plaatsen waar dove gevels noodzakelijk zijn om een woonbestemming mogelijk te maken. Het wegnemen van de A10

blad 47 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

als belangrijke bron van geluid zal een duidelijke verbetering van het leefklimaat in de plangebieden van VU/VUmc en de Flanken opleveren. De stedelijke wegen blijven wel aanwezig als bron van wegverkeerslawaai. Door het wegnemen van de A10 als de belangrijkste geluidbron ontstaat meer flexibiliteit bij het invullen van de deelgebieden met woon- en andere functies. Als voorbeeld voor de effecten van schermen en Dok is een analyse uitgevoerd voor alle in het akoestisch model opgenomen waarneempunten in het deelgebied Ravel. Figuur 43 laat het effect zien van de schermen en het Dok op het geluidniveau op de waarneempunten. Uit de berekeningen blijkt dat het Dok effectief is in het terugdringen van de hoogste geluidbelastingen; de afname is afhankelijk van de locatie van het betreffende punt ten opzichte van A10 en Dok maximaal ongeveer 20dB. Het effect op het gecumuleerde wegverkeerslawaai is minder groot, doordat de stedelijke wegen aanwezig blijven. Dit blijkt uit figuur 41: bij punten met een hoge gecumuleerde geluidbelasting (ongeveer hoger dan 65dB; dit zijn punten waarbij de A10 maatgevend is voor het gecumuleerde geluidniveau) is het Dok zeer effectief in het terugdringen van de geluidbelasting. Voor punten met een lagere geluidbelasting is, als lokale wegen maatgevend zijn voor de gecumuleerde geluidbelasting, het effect van het Dok kleiner.

Het Dok blijkt effectief voor het terugdringen van de geluidbelasting ook bij hoge gebouwen. Figuur 42 illustreert dit voor een gebouw aan de A10 (gevel gericht naar de A10) in deelgebied Ravel.

80 A10 scherm 8 m A10 dok

Lden met maatregelen

60

40

20 20

40

60

80

Lden A10 zonder maatregelen

figuur 41 Effect van Dok en scherm (8m) langs de A10 vergeleken met de situatie zonder maatregelen (alle waarneempunten in deelgebied Ravel), alleen geluid A10. Onder schuine lijn is verbetering. Hoe verder onder de lijn, hoe groter het verschil met de situatie zonder maatregelen

blad 48 van 79

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

80

A10 dok

Lden cumulatief met maatregelen A10

70

60

50

40 40

50

60

70

80

Lden cumulatief zonder maatregelen A10

figuur 42 Effect van Dok vergeleken met de situatie zonder maatregelen (alle waarneempunten in deelgebied Ravel), gecumuleerd wegverkeerslawaai. Onder schuine lijn is verbetering. Hoe verder onder de lijn, hoe groter het verschil met de situatie zonder maatregelen

70

geluidbelasting door A10 (dB)

65

60

55

50

A10

45

A10 scherm 8 m A10 dok 40 0

10

20

30

40

50

60

70

hoogte waarneempunt (m)

figuur 43 Afschermende werking van scherm (8m) en Dok op eerstelijnsbebouwing in deelgebied Ravel. Horizontale as is de hoogte van het waarneempunt A10 is de situatie zonder maatregelen

blad 49 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Bij de realisatie van alleen VU/VUmc (modelvarianten 1 en 3) verandert het percentage niet-gehinderden niet als gevolg van realisatie van het Dok. Bij de overige modelvarianten (2, 4, 5 en 6) is er sprake van een verbetering van circa 6% tot 27% niet gehinderden. Het percentage ernstig geluidhinderden neemt met 1% af bij de modelvarianten 1 en 3. Bij modelvariant 6 (alleen realisatie Flanken) neemt het percentage ernstig geluidgehinderden sterk af met 22% tot in totaal 9%. Voor de overige modelvarianten is sprake van een verbetering van circa 16% tot 8% ernstig geluidgehinderden. Binnen de plandelen Beethoven, Ravel en Strawinsky van de Flanken zullen door realisatie van het Dok geen ernstig geluidgehinderden zijn en ook geen dove gevels of gebouwschermen meer noodzakelijk. Uitgangspunt voor de ontwikkeling van de Dokzone (nieuwe woon- en werkfuncties) is dat het verkeer wordt afgewikkeld binnen het plangebied van het Dok. De ontwikkeling van het Dok heeft daardoor geen effect op de verkeersbelasting van de wegen in de Flanken en dus ook geen effect op de het wegverkeerslawaai daar.

blad 50 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

6 6.1 6.1.1

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Externe veiligheid Aanpak effectbeschrijving externe veiligheid Aanpak Voor de beschouwing van externe veiligheid van de A10 voor de milieueffectrapportages Flanken en VU/VUmc is gebruikt gemaakt van onderzoeken uitgevoerd door Arcadis en AVIV van respectievelijk begin 2010 en eind 2009. In deze onderzoeken is de huidige situatie van de Zuidas onderzocht, alsmede een berekening van circa 100% realisatie van de Flanken en VU/VUmc. Echter na uitvoering van deze onderzoeken zijn er twee zaken veranderd. Het eerste betreft het definitief worden van diverse concept uitvoeringsbesluiten voor de Flanken, waardoor er kleine wijzigingen in het totaal aantal m2 bedrijfsvloeroppervlak (bvo) zijn opgetreden (zie ook deel A over wijzigingen ten opzichte van de startnotitie van de Zuidas - Flanken) Het tweede betreft de aanpassing van de circulaire Risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen waarin gespecificeerd is hoeveel transporten gevaarlijke stoffen er op elke weg maximaal vervoerd mogen worden. De rapportages van Arcadis en AVIV zijn gebaseerd op officiële tellingen uitgevoerd door Rijkswaterstaat in 2008/2009. Bovenop deze officiële tellingen is extra vervoer van gevaarlijke stoffen toegevoegd om zo een doorkijk te geven naar 2020. Daarbij is onder andere ook de impact van de realisatie van de Westrandweg op het aantal transporten gevaarlijke stoffen langs de Zuidas meegenomen.

De resultaten van de onderzoeken, zoals uitgevoerd door Arcadis en AVIV, geven een goede indicatie van de hoogte van het groepsrisico en de toenames als gevolg van de realisatie van de voorgenomen ontwikkelingen. Hiermee is dit onderzoek goed bruikbaar voor de effectbepaling in de twee milieueffectrapportages. Er zal echter bij het opstellen van de diverse bestemmingsplannen, mede in het kader van de verantwoordingsplicht, een nieuwe berekening van het groepsrisico uitgevoerd moeten worden. De conclusies van hetgeen hier voor beide milieueffectrapportages onderzocht is zullen echter niet veranderen: het groepsrisico neemt significant toe en ligt op diverse plaatsen ruim boven de oriëntatiewaarde.

6.1.2

Begrippen In dit hoofdstuk worden termen gebruikt die niet algemeen bekend zijn. Hier worden de belangrijkste begrippen kort toegelicht: • Plaatsgebonden risico: de wettelijke norm voor inrichtingen en transportmodaliteiten waarbinnen geen (of onder bijzondere voorwaarden) ruimtelijke ontwikkelingen gelegen mogen zijn. De norm is gesteld op een kans van maximaal 10-6/jaar. Het plaatsgebonden risico kan weergegeven worden middels een contour op kaart. • Groepsrisico: dit is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek waar de kans tegen het aantal slachtoffers is uitgezet.

blad 51 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

•

•

6.1.3

Oriëntatiewaarde: een ijkpunt in een groepsrisicografiek die globaal gezien kan worden als een maat voor een relatief laag of relatief hoog groepsrisico. Aan deze oriëntatiewaarde zijn geen wettelijke normen of beperkingen verbonden. Verantwoordingsplicht: bij elke toename van het groepsrisico of ligging boven de oriëntatiewaarde dient door het bevoegd gezag verantwoord te worden of dit (groeps)risico aanvaardbaar is. De verantwoordingsplicht gaat naast de hoogte en toename van het groepsrisico in op de zelfredzaamheid, mogelijkheden voor hulpdiensten, ruimtelijke maatregelen en risicocommunicatie. De verantwoordingsplicht hoeft niet doorlopen te worden in een m.e.r.-procedure, maar wel bijvoorbeeld bij het bestemmingsplan.

Studiegebied In het externe veiligheidonderzoek van AVIV is het studiegebied gedefinieerd. Het studiegebied wordt bepaald door het invloedsgebied van de aanwezige risicobronnen. De meest bepalend risicobron is de A10 waarover diverse gevaarlijke stoffen getransporteerd worden. AVIV heeft in haar berekeningen rekening gehouden met deze invloedsgebieden en de inventarisatie van personen hierbinnen. Dit omvat een gebied van circa 1.000 meter aan weerszijden van de A10.

6.2 6.2.1

Referentiesituatie Plangebieden Om de effecten van de voorgenomen planontwikkelingen te beschrijven is er onderscheid gemaakt in twee plangebieden: 1. Zuidas - Flanken (1) waarin verschillende ontwikkelingen aan weerszijden van de Zuidas zijn opgenomen. 2. VU/VUmc (2) in het zuidwestelijke deel van het plangebied. De relevante aanwezige risicobronnen voor dit gebied zijn: • Twee hogedruk aardgasleidingen. • De A10 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Overige stationaire risicobronnen of transportassen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt liggen te ver weg om van invloed te zijn op de plangebieden. Over het spoor dat langs de A10 ligt worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Binnen VU en VUmc zijn geen bronnen aanwezig, die vallen onder de wetgeving voor externe veiligheid en vormen daarmee geen noemenswaardige risico's conform het externe veiligheidbeleid. In figuur 44 is weergegeven welke risicobronnen zich in of nabij de plangebieden bevinden. Voor zowel de Flanken als VU/VUmc is beschreven wat de gevolgen van de beschreven risicobronnen voor de ontwikkeling van deze plangebieden zijn.

blad 52 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

figuur 44 Ligging plangebieden (1 = De flanken / 2 = VU/VUmc) t.o.v. in en nabij gelegen risicobronnen

6.2.2

Beschrijving referentiesituatie Flanken Hogedruk aardgasleiding Door en langs de oostkant van de Flanken (deelgebied Kop Zuidas) ligt een hogedruk aardgasleiding van de Nederlandse Gasunie waarmee onder hoge druk aardgas wordt getransporteerd. Het gaat om een leiding met een werkdruk van 40 bar en een diameter van 16 inch. Het plaatsgebonden risico (PR 10-6/jaar) en de omvang van het groepsrisico binnen het invloedsgebied zijn door de Nederlandse Gasunie voor deze leiding berekend2.

Plaatsgebonden risico Uit de berekening van het plaatsgebonden risico (10-6/jaar) blijkt dat het plaatsgebonden risico 0 meter bedraagt en legt daarmee geen wettelijke beperkingen op aan de bestaande situatie.

Groepsrisico In figuur 45 is de omvang van het groepsrisico in de huidige situatie, dus zonder de voorgenomen ontwikkelingen, weergegeven.

2

blad 53 van 79

Nederlandse Gasunie, Risicoberekening gastransportleiding W-534-01-0KR-71 t/m 089, 14-11-2008

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

figuur 45 Omvang GR huidige situatie (Nederlandse Gasunie, 14 november 2008)

Het groepsrisico van de hogedruk aardgasleiding komt niet boven de zogenaamde oriëntatiewaarde uit (rode diagonale lijn). De overschrijdingsfactor bedraagt 0,06 (de oriëntatiewaarde is 1,00). Rijksweg A10 Door het plangebied Flanken ligt de rijksweg A10 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het gaat om het transport van brandbare vloeistoffen, toxische vloeistoffen en brandbare gassen. In 2010 is een externe veiligheidstudie verricht naar de risico's van de A103. Zowel het plaatsgebonden risico, als het groepsrisico is voor het gehele traject van de A10 ter hoogte van de Zuidas berekend.

Plaatsgebonden risico In het wijzigingsbesluit Circulaire Risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen4 zijn voor de A10 maximale transporthoeveelheden weergegeven aan de hand waarvan het plaatsgebonden risico van de A10 maximaal kan toenemen. Voor de A10 geldt dat geen maximale 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour aanwezig is, waardoor vanuit het plaatsgebonden risico geen beperkingen worden gesteld aan de huidige inrichting van het gebied.

Groepsrisico In figuur 46 en tabel 17 zijn de uitkomsten van de groepsrisicoberekeningen in de huidige situatie voor het gehele traject van de A10 ter hoogte van de plangebieden weergegeven. Bij een factor lager dan 1,00 ligt het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde, bij een factor groter dan 1,00 ligt het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde. In de huidige situatie komt het groepsrisico op drie locaties langs de noordflank ter hoogte van de Fred Roeskestraat, Strawinsky en Beethoven (punten 196, 191 en 186 in tabel 17) en op één locatie langs de zuidflank ter hoogte van Mahler en Gershwin boven de oriëntatiewaarde uit (punt 191). Op de overige delen van het onderzochte traject ter hoogte van de Flanken komt het groepsrisico niet boven de oriëntatiewaarde uit.

3 4

blad 54 van 79

Arcadis, Externe veiligheid op de Zuidas, inventarisatie groepsrisico en mogelijke maatregelen, 10-02-2010. Besluit tot wijziging van de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen gelet op de voorgenomen invoering van het Basisnet, Staatscourant nr. 19907, 22-12-2009.

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

1 1 2

figuur 46 Omvang GR A10 huidige situatie tabel 17 Overzicht hoogte groepsrisico bij diverse hectometervakken N=noordzijde, Z= zuidzijde

Hectometer midden

Ligging ter hoogte van plangebied

171 176

Kop Zuidas (N) Kop Zuidas (N) Vivaldi (Z) RAI (N) Vivaldi (Z) Beethoven (N) Ravel (Z) Strawinsky (N) Gershwin - Mahler (Z) Strawinsky - Fred Roeskestraat (N) Mahler - Kenniskwartier (Z) Fred Roeskestraat (N) Kenniskwartier - VU/VUmc (Z)

181 186 191 196 201

Referentiesituatie Noord Zuid 0.0 0.1

0.0 0.1

0.2

0.8

3.5

1.0

4.3

1.5

1.0

0.6

0.3

0.4

Beheersbaarheid Bluswater Uit een notitie van de gemeente Amsterdam blijkt dat de aanwezigheid van voldoende bluswatervoorzieningen een aandachtspunt is. Dit geldt zowel voor de huidige situatie als de toekomstige situatie5. Ontsluiting Ten aanzien van de ontsluiting van de plangebieden is het van belang dat er minimaal een duidelijk aangegeven ontsluitingsweg is voor motorvoertuigen en dat voetgangers en fietsers het gebied op meerdere manieren kunnen ontvluchten. Deze vluchtroutes zijn in de huidige situatie afdoende geborgd. Zelfredzaamheid In de huidige situatie geldt voor de Flanken dat grotendeels sprake is van een gemiddeld / hoge zelfredzaamheid. Kantoren zijn alleen gedurende de dag bezet en kennen ook een 5

blad 55 van 79

Bluswatervoorzieningen in de Zuidas, stuurgroep Menz, gemeente Amsterdam, definitief concept (02-2008).

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

hogere zelfredzaamheid omdat er vaak ontruimingsplannen en BHV-ers aanwezig zijn, die de zelfredzaamheid bevorderen. Ook voor de meeste voorzieningen in het gebied geldt dat deze een gemiddelde zelfredzaamheid hebben. Een uitzondering qua zelfredzaamheid binnen de Flanken geldt voor de vijf kinderdagverblijven (bron: www.zuidas.nl/kinderdagverblijven). Dit zijn functies waar sprake is van een lage zelfredzaamheid, omdat kleine kinderen niet zelfstandig het gebied kunnen verlaten. Bij een eventuele calamiteit zullen de hulpdiensten zich dan ook eerst tot deze groep moeten wenden.

6.2.3

Beschrijving referentiesituatie VU/VUmc Hogedruk aardgasleiding De hogedruk aardgasleiding ten zuidwesten van het plangebied VU/VUmc heeft een werkdruk van 66 bar en een diameter van 30 inch. De afstand tussen de grens van het plangebied en deze leiding bedraagt circa 300 meter. Er is tevens nog een leiding van 23 bar gelegen in directe nabijheid van het plangebied VU/VUmc, echter deze valt niet onder externe veiligheidwetgeving.

Plaatsgebonden risico Voor de relevante hogedruk aardgasleiding geldt dat het plaatsgebonden risico 0 meter bedraagt. Er wordt vanuit het plaatsgebonden risico geen wettelijke beperkingen opgelegd aan de huidige inrichting van het gebied.

Groepsrisico Voor een dergelijke leiding met deze eigenschappen moet worden uitgegaan van een inventarisatieafstand (= invloedsgebied) van 380 meter waarbinnen het groepsrisico dient te worden beschouwd. Daar valt een klein deel van het plangebied VU/VUmc binnen. Voor deze hogedruk aardgasleiding zijn geen risicoberekeningen uitgevoerd, waardoor de absolute hoogte niet bekend is. Gelet op de afstand tussen het plangebied en de aardgasleiding zal de invloed op het groepsrisico van de bestaande bebouwing bij VU/VUmc verwaarloosbaar klein zijn. Rijksweg A10

Plaatsgebonden risico Ook voor het gedeelte van de A10 ter hoogte van de VU/VUmc geldt dat geen sprake is van een 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour, waardoor vanuit het plaatsgebonden risico geen beperkingen worden gesteld aan de huidige inrichting van het gebied.

Groepsrisico Ter hoogte van het plangebied VU/VUmc (punt 201 uit figuur 3 en tabel 1) blijft het groepsrisico in de huidige situatie (ruim) onder de oriëntatiewaarde. Radioactiviteit De activiteiten die bij VU/VUmc uitgevoerd worden, waarbij gebruik wordt gemaakt van radioactief materiaal zijn bedoeld voor de volgende doeleinden: - het verrichten van handelingen met radioactieve stoffen; - het verrichten met handelingen met ioniserende straling uitzendende toestellen; - het voorhanden hebben van splijtstoffen.

blad 56 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

De handelingen met radioactief materiaal zijn aan strenge eisen onderworpen, die vastgelegd zijn in de vergunning in het kader van de Kernenergiewet. Voor de verdere ontwikkeling van het plangebied is dit aspect verder niet relevant. Beheersbaarheid Bluswater Uit een notitie van de gemeente Amsterdam blijkt dat de aanwezigheid van voldoende bluswatervoorzieningen een aandachtspunt is. Dit geldt zowel voor de huidige situatie als de toekomstige situatie6. Ontsluiting Ten aanzien van de ontsluiting van VU/VUmc is het van belang dat er minimaal twee duidelijk aangegeven ontsluitingswegen zijn voor motorvoertuigen en dat voetgangers en fietsers het gebied op meerdere manieren kunnen ontvluchten. Deze vluchtroutes zijn in de huidige situatie afdoende geborgd. Zelfredzaamheid In de huidige situatie geldt voor VU/VUmc dat sprake is van een aandachtspunt ten aanzien van VUmc. De zelfredzaamheid voor de VU is gemiddeld/hoog. Bij VUmc zijn echter ook mensen aanwezig, die het plangebied niet zelfstandig kunnen verlaten.

6.3

Effectbeschrijving Voor de ontwikkeling van de twee plangebieden wordt onderscheidt gemaakt in een zestal modelvarianten. Deze modelvarianten zijn weergegeven in onderstaande tabel 18. Daarnaast wordt een doorkijk gegeven naar de effecten van de ontwikkeling van de Dok, het onder de grond brengen van de infrastructuur (A10 en het spoor), op de externe veiligheid. tabel 18 Modelvarianten De flanken en VU/VUmc

VU / VUmc

De flanken

0 1

Referentiesituatie 100% VU/VUmc

Modelvarianten

Vigerende plannen Programma 100%

2 3

100% VU/VUmc + Flanken 115% VU/VUmc

Programma 100% Programma 115%

4 5 6 *

115% VU/VUmc + Flanken 85% Flanken + 100% VU/VUmc 100% Flanken Doorkijk realisatie Dok

Programma 115% Programma 100% Vigerende plannen 100%

Vigerende plannen Vigerende plannen (referentiesituatie) Programma 100% Vigerende plannen (referentiesituatie) Programma 115% Programma 85% Programma 100% 100%

Voor de diverse modelvarianten zijn in deze paragraaf de effecten op de hiervoor beschreven referentiesituatie beschreven.

6

blad 57 van 79

Bluswatervoorzieningen in de Zuidas, stuurgroep Menz, gemeente Amsterdam, definitief concept (02-2008).

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

6.3.1

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Effectbeschrijving Flanken Hoge druk aardgasleiding Voor de hoge druk aardgasleiding ter hoogte van deelgebied Kop Zuidas zijn alleen de modelvarianten relevant waarin sprake is van ontwikkeling bij de Flanken (modelvarianten 2, 4, 5 en 6). Plaatsgebonden risico Ook in de toekomstige situatie is er geen plaatsgebonden risicocontour aanwezig, zodat er geen beperkingen gelden voor de voorgenomen ontwikkelingen. Groepsrisico Uit de risicoberekeningen van de Nederlandse Gasunie voor modelvariant 2 naar de aardgasleiding in en langs het oostelijke deel van de Flanken (gedeelte Kop Zuidas) is gebleken dat het groepsrisico niet verandert ten opzichte van de referentiesituatie. Tevens geldt dat er voor de andere modelvarianten (4, 5 en 6) ook geen verandering van het groepsrisico zal zijn. Rijksweg A10 Voor de effectbeschrijving van de modelvarianten op de omvang van het groepsrisico van de A10 is gebruik gemaakt van de eerder uitgevoerde risicoanalyses door Arcadis. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is voor alle beschouwde modelvarianten gelijk, omdat dit niet afhankelijk is van de aanwezige personen nabij de risicobron. Het plaatsgebonden risico wordt enkel bepaald door de eigenschappen van de risicobron zelf (transporthoeveelheid e.d.) en wordt niet beïnvloed door omgevingsfactoren.

Voor de A10 geldt dat er geen sprake is van een 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour. Groepsrisico Vanwege de voorgenomen plannen in het gehele gebied (dus Flanken en VU/VUmc samen) neemt het aantal personen duidelijk toe. Als gevolg hiervan neemt ook het groepsrisico toe. In figuur 47 het resultaat van modelvariant 2 (100% realisatie van zowel VU/VUmc als de Flanken) weergegeven. In tabel 19 en tabel 20 zijn verschillen voor deze modelvariant en de referentiesituatie getoond voor respectievelijk de hoogte van het groepsrisico en de toename van het groepsrisico.

blad 58 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

figuur 47 Omvang GR A10 toekomstige situatie (modelvariant 2) tabel 19 Hoogte groepsrisico voor de verschillende gebieden

Hectometer midden

Ligging ter hoogte van plangebied

171 176

Kop Zuidas (N) Kop Zuidas (N) Vivaldi (Z) RAI (N) Vivaldi (Z) Beethoven (N) Ravel (Z) Strawinsky (N) Gershwin - Mahler (Z) Strawinsky - Fred Roeskestraat (N) Mahler - Kenniskwartier (Z) Fred Roeskestraat (N) Kenniskwartier - VU/VUmc (Z)

181 186 191 196 201

Referentiesituatie

modelvariant 2

Noord

Zuid

Noord

Zuid

0.0 0.1

0.0 0.1

0.8 1.9

0.2 7.0

0.2

0.8

1.5

9.1

3.5

1.0

4.1

4.4

4.3

1.52

4.8

7.1

1.0

0.6

1.9

5.4

0.3

0.4

0.3

0.8

tabel 20 Toename van het groepsrisico voor de verschillende gebieden

Hectometer midden

Ligging ter hoogte van plangebied

171 176

Kop Zuidas (N) Kop Zuidas (N) Vivaldi (Z) RAI (N) Vivaldi (Z) Beethoven (N) Ravel (Z) Strawinsky (N) Gershwin - Mahler (Z) Strawinsky - Fred Roeskestraat (N) Mahler - Kenniskwartier (Z) Fred Roeskestraat (N) Kenniskwartier - VU/VUmc (Z)

181 186 191 196 201

blad 59 van 79

Verschil referentiesituatie met modelvariant 2

Noord

Zuid

+ 0.8 + 1.80

+ 0.2 + 6.9

+1.3

+ 8.3

+0.6

+ 3.4

+ 0.5

+ 5.6

+ 0.9

+ 4.8

+ 0.0

+ 0.4

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Indien de programma's van beide plangebieden voor 100% worden gerealiseerd ontstaat het beeld dat is weergegeven in figuur 47, tabel 19 en tabel 20. Naast de gebieden waar het groepsrisico reeds boven de oriëntatiewaarde lag stijgt het groepsrisico als gevolg van de voorgenomen activiteiten bij de Flanken ook tot boven de oriëntatiewaarde in de gebieden Ravel, Vivaldi, Mahler/Kenniskwartier, Kop Zuidas en RAI. Naast de ligging van het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde is ook de toename van belang. In tabel 22 is deze toename voor alle modelvarianten weergegeven. Het groepsrisico neemt overal significant toe als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen. De toename is vooral duidelijk zichtbaar aan de zuidzijde van de A10. De modelvarianten 4 en 5 zijn niet kwantitatief onderzocht, zoals reeds aangegeven in paragraaf 6.1 (modelvariant 6 is voor de Flanken gelijk aan modelvariant 2). Dit is in het kader van de effectbeschrijving geen probleem. Er is gebruik gemaakt van de aanname dat bij realisatie van 85% of 115% van de voorgenomen activiteiten de absolute hoogte van het groepsrisico ook zo ongeveer met een percentage van 15% toe- of afneemt. Omdat de exacte hoogte niet berekend is, zijn de resultaten voor de modelvarianten 4 en 5 afgerond op 0.5, zodat de werkelijke hoogte (als deze berekend zou zijn voor deze modelvarianten) binnen deze marge valt.

Voor de overige modelvarianten zijn de resultaten wel gewoon tot een decimaal nauwkeurig weergegeven. Voor de toe- en afname van het groepsrisico geldt, net zoals voor de absolute hoogte, dat deze niet voor de modelvarianten 4 en 5 onderzocht zijn. Voor de toename van het groepsrisico is de absolute hoogte van een modelvariant (en per deelgebied) vergeleken met de hoogte van het groepsrisico in de referentiesituatie. Hierbij is voor de modelvarianten 4 en 5 weer gebruikt gemaakt van een afronding op 0.5. Voor de overige modelvarianten zijn de resultaten wel gewoon tot een decimaal nauwkeurig weergegeven. tabel 21 Absolute hoogte van het groepsrisico voor de verschillende modelvarianten en gebieden

Ligging ter hoogte van plangebied Kop Zuidas (N) Kop Zuidas (N) Vivaldi (Z) RAI (N) Vivaldi (Z) Beethoven (N) Ravel (Z) Strawinsky (N) Gershwin - Mahler (Z) Strawinsky - Fred Roeskestr.(N) Mahler - Kenniskwartier (Z) Fred Roeskestr. (N) Kenniskwartier - VU/VUmc (Z)

Ref.

A1

A2

A3

A4

A5

A6

N

Z

N

Z

N

Z

N

Z

N

Z

N

Z

N

Z

0.0 0.1

0.0 0.1

0.0 0.1

0.00 0.1

0.8 1.9

02 7.0

0.0 0.1

0.0 0.1

1 2

0 8

0.5 1.5.

0 6

0.8 1.9

02 7.0

0.2

0.8

0.2

0.8

1.5

9.1

0.2

0.8

1.5

10.5

1.5

8

1.5

9.1

3.5

1.0

3.5

1.0

4.0

4.4

3.5

1.0

4

5

4

4

4.0

4.4

4.3

1.5

4.3

1.5

4.8

7.1

4.3

1.5

5

8

4.5

6.5

4.8

7.1

1.0

0.6

1.0

0.6

1.9

5.4

1.0

0.6

2

6

2

4.5

1.9

5.4

0.3

0.4

0.3

0.8

0.3

0.8

0.3

0.9

0.5

1

0.5

1

0.3

0.4

tabel 22 Toename van het groepsrisico voor de verschillende modelvarianten en gebieden

Ligging ter hoogte van plangebied Kop Zuidas (N) Kop Zuidas (N) Vivaldi (Z) RAI (N) Vivaldi (Z)

blad 60 van 79

Verschil A1 - Ref N Z

Verschil A2 - Ref N Z

Verschil A3 - Ref N N

Verschil A4 - Ref Z N

Verschil A5 - Ref Z N

Verschil A6 - Ref N Z

0.0 0.0

0.0 0.0

0.8 1.8

0.2 6.9

0.0 0.0

0.0 0.0

1 2

0 8

0.5 1.5

0 6

0.8 1.8

0.2 6.9

0.0

0.0

1.3

8.3

0.0

0.0

1.5

9.5

1.5

7

1.3

8.3

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Beethoven (N) Ravel (Z) Strawinsky (N) Gershwin - Mahler (Z) Strawinsky - Fred Roeskestr.(N) Mahler - Kenniskwartier (Z) Fred Roeskestr. (N) Kenniskwartier - VU/VUmc (Z)

0.0

0.0

0.6

3.4

0.0

0.0

0.5

4

0.5

3

0.6

3.4

0.0

0.0

0.5

5.6

0.0

0.0

0.5

6.5

0.5

4

0.5

5.6

0.0

0.0

0.9

4.8

0.0

0.0

1

5.5

1

4

0.9

4.8

0.0

0.4

0.0

0.4

0.0

0.5

0.0

0.5

0

0.5

0.0

0.0

Beheersbaarheid Bluswater Ten aanzien van de bluswatersituatie voor de Flanken is in de referentiesituatie reeds een tekort aan bluswater gesignaleerd. Dit blijft een aandachtspunt bij de realisatie van de voorgenomen activiteiten. Wel zijn er diverse mogelijkheden om de bluswatervoorziening te verbeteren bij de verdere uitwerking bijvoorbeeld in een bestemmingsplan. Ontsluiting De ontsluitingstructuur van de Flanken is over het algemeen afdoende om het vluchten, ook bij realisatie van de voorgenomen activiteiten, na een calamiteit te faciliteren. Bij de deelgebieden RAI, Beethoven en de Fred Roeskestraat kan mogelijk wel een knelpunt bestaan, omdat hier niet direct twee ontsluitingsroutes liggen. Bij de stedebouwkundige invulling van deze gebieden (maar ook van de overige deelgebieden) dient goed naar de wegenstructuur gekeken te worden. Aanbevolen wordt om per deelgebied twee vluchtroutes met de auto te hebben (van de A10 af) en meerdere mogelijkheden voor fietsers en voetgangers om het gebied te verlaten. Barrières zoals sloten, doorlopende straten en hekken zijn daarbij minder gewenst. Zelfredzaamheid Er zijn geen grootschalige functies met extra kwetsbare groepen, zoals ouderen, kleine kinderen, gehandicapten, geprojecteerd in de Flanken. Het zelfredzaamheidniveau zal daarom niet noemenswaardig veranderen.

Wel is het belangrijk dat als in toekomstige functies minder zelfredzame personen aanwezig kunnen zijn, zoals kinderdagverblijven, dit in de verantwoordingsplicht, behorend bij het aspect externe veiligheid in het bestemmingsplan goed beschouwd worden en nagedacht kan worden over eventuele maatregelen.

6.3.2

Effectbeschrijving VU/VUmc Hoge druk aardgasleiding Plaatsgebonden risico Ook in de toekomstige situatie is er geen plaatsgebonden risicocontour aanwezig, zodat er geen beperkingen gelden voor de voorgenomen ontwikkelingen. Groepsrisico Bij de beschouwing van het groepsrisico bij de referentiesituatie is reeds aangegeven dat het plangebied VU/VUmc weliswaar net binnen het invloedsgebied van de daar aanwezige hogedruk aardgasleiding ligt, maar dat door de grote afstand er geen rekenkundig merkbare invloed van de voorgenomen activiteiten bij VU/VUmc op het groepsrisico zal zijn.

blad 61 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Rijksweg A10 Voor de effectbeschrijving van de modelvarianten op de omvang van het groepsrisico van de A10 is gebruik gemaakt van de eerder uitgevoerde risicoanalyses door Arcadis. De berekeningen komen overeen met de situatie, zoals meegenomen is in de modelvarianten 1, 2 en 5 voor VU/VUmc, namelijk een 100% realisering van de voorgenomen activiteiten. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is voor alle beschouwde modelvarianten gelijk, omdat dit niet afhankelijk is van de aanwezige personen nabij de risicobron. Het plaatsgebonden risico wordt enkel bepaald door de eigenschappen van de risicobron zelf (transporthoeveelheid e.d.) en wordt niet beïnvloed door omgevingsfactoren. Voor de A10 geldt echter ook dat geen sprake is van een 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour. Er worden geen wettelijke beperkingen opgelegd aan de ontwikkeling van de voorgenomen activiteiten. Groepsrisico Ter hoogte van het plangebied VU/VUmc, rekenpunt 201 uit figuur 47, tabel 21 en tabel 22, blijft het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. Er is bij dit rekenpunt sprake van een toename van het groepsrisico van circa 0.5. Voor de modelvarianten 3 en 4 geldt dat hier 115% van de voorgenomen activiteiten gerealiseerd wordt bij VU/VUmc en dat de absolute hoogte en toename van het groepsrisico dan ook circa 15% hoger zal liggen. Het groepsrisico ligt dan nog steeds onder de oriëntatiewaarde.

Beheersbaarheid Bluswater Ten aanzien van de bluswatersituatie voor VU/VUmc, zoals in de gehele Zuidas, is in de referentiesituatie reeds een tekort aan bluswater gesignaleerd. Dit blijft een aandachtspunt bij de realisatie van de voorgenomen activiteiten. Wel zijn er diverse mogelijkheden om de bluswatervoorziening te verbeteren bijvoorbeeld bij de verdere uitwerking in het bestemmingsplan. Ontsluiting De ontsluitingstructuur van VU/VUmc is over het algemeen afdoende om het vluchten, ook bij realisatie van de voorgenomen activiteiten, na een calamiteit te faciliteren. Er bestaan diverse vluchtroutes van de A10 af. Bij het opstellen van het bestemmingsplan dient deze structuur gewaarborgd te worden. Omdat bij de VU sprake is van grote groepen die lopend of met de fiets het plangebied van de risicobron af willen verlaten dienen er geen fysieke barrières, zoals sloten, hekken of doodlopende straten op belangrijke ontvluchtingroutes aangelegd te worden. Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid voor de VU is gemiddeld/hoog, omdat hier voornamelijk mensen aanwezig zijn die het plangebied bij een eventuele calamiteit zelfstandig kunnen ontvluchten. Voor VU/VUmc is wel sprake van een aandachtspunt ten aanzien van de zelfredzaamheid. Bij VUmc zijn namelijk (veel) mensen aanwezig, die het plangebied niet zelfstandig kunnen verlaten: de patiënten.

In de toekomstige situatie geldt dit nog steeds en in het bestemmingsplan zal in de verantwoordingsplicht onderzocht moeten worden hoeveel extra kwetsbare mensen bijkomen en wat de gevolgen hiervan zijn.

blad 62 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

6.4

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Doorkijk naar de situatie met het "Dok" Bij realisatie van het Dok (alle infrastructuur onder de grond) is het de vraag in hoeverre dezelfde hoeveelheid vervoer van gevaarlijke stoffen langs de Zuidas blijft gaan. In Nederland gelden regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door tunnels middels een categorieaanduiding. Hoe dan ook: de externe veiligheidsituatie verbetert sterk door het ondergronds brengen van de A10. Behalve bij de tunnelmonden zal het gebied niet blootgesteld worden aan de risico's als het gevolg van een calamiteit op de A10. Voor zowel de Flanken als VU/VUmc verdwijnt de externe veiligheidproblematiek.

blad 63 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

7

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

Water

7.1

Referentiesituatie

7.1.1

Oppervlaktewater Een groot deel (ca. 70%) van de twee plangebieden ligt in de Binnendijkse en Buitenveldertse polder (BB polder). De begraafplaats Buitenveldert is een afzonderlijke polder die niet in open verbinding staat met de BB polder. Het streefpeil van beide polders is wel gelijk, NAP -2,0 m. Ongeveer een kwart van de Zuidas ligt in de Amstellandse boezem met een streefpeil van NAP -0,4 m. Een klein deel (ca. 5%) van het gebied, en dan uitsluitend van de A10, ligt in de boezem van Rijnland, zie figuur 48. Dit laatste deel is in beheer van het Hoogheemraadschap van Rijnland, in het overige gebied is de waterbeheerder Waternet / Hoogheemraadschap van Amstel, Gooi en Vecht.

figuur 48 Ligging polders en boezem in en nabij de Flanken en VU/VUmc

Het oppervlaktewater (referentiejaar 2001) in en nabij de plangebieden is weergegeven in figuur 49. De waterstructuur bestaat uit enkele oost-west lopende hoofdlijnen, zoals het (Zuider)Amstelkanaal ten noorden van het gebied, de Spoorslagsloot met een breedte van ca. 10 m direct ten zuiden van de A10, een 25 m brede waterloop in Buitenveldert langs de straten Magerhorst en Oversinge en zuidelijk van de Zuidas de waterlopen in het Gijsbrecht van Aemstelpark en langs de Kalfjeslaan. In noord-zuid-richting zijn veel kortere en meer versnipperde waterlopen aanwezig, die verschillende van de oost-west lopende waterlopen onderling verbinden. Tenslotte is op verschillende plaatsen binnen en nabij de Zuidas nog lokaal water aanwezig, zoals de ringsloot van de begraafplaatsen Buitenveldert en Zorgvlied, water in het Beatrixpark, bij de sportparken Buitenveldert, in de oksel A10/afslag RAI en in de Heemtuin VU/VUmc. In de huidige situatie is in de

blad 64 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

plangebieden circa 12,0 ha oppervlaktewater aanwezig. De hoeveelheid oppervlaktewater is van groot belang voor de beschikbare berging van hemelwater. Om deze reden wordt door de waterschappen (in dit geval Waternet en Rijnland) ook een minimumhoeveelheid aan oppervlaktewater in een gebied gevraagd om overlast door hemelwater te voorkomen.

figuur 49 Water in de Zuidas in 2001

7.1.2

Waterkwaliteit In september 2002 is een rapportage opgesteld als bouwsteen voor de waterkwaliteit. Gebleken is dat in de huidige situatie het oppervlaktewater relatief voedselrijk is. Dit wordt bevestigd door de KRW-rapportage met de karakterisering van het Nederlandse Rijnstroomgebied uit maart 2005. In deze omgeving ligt het gehalte aan nutriënten tussen 1x en 2x de geldende norm voor stikstof en tussen 2x en 5x de norm voor fosfaat. De biologische situatie wordt dan ook als 'matig' beoordeeld. Uit deze KRW-rapportage blijkt tevens dat de gehalten aan de zware metalen nikkel en zink onder de norm liggen en het gehalte aan koper tussen 1x en 2x de geldende norm, dus een beperkte overschrijding van de norm kent.

7.1.3

Grondwater De deklaag in het gebied bestaat uit een zandige ophooglaag vanaf maaiveld tot ca. NAP -4 m en daaronder tot ca. NAP -11,5 m Holocene afzettingen van veen, klei en wadzand. De onderste laag van de deklaag bestaat vrijwel overal uit het Basisveen, dat een grote hydraulische weerstand heeft. De freatische grondwaterstanden liggen globaal tussen

blad 65 van 79

projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.0

Achtergrondrapport: verkeer en grijs milieu deel B behorend bij: MER Flanken en MER VU/VUmc

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13943909/1