CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bijlage 2.2 getekende brief Advies op hoofdlijnen SARA_reactie + Advies op hoofdlijnen SARA.pdf

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 28 november 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Uiten van wensen en bedenkingen inzake het voorgenomen collegebesluit over het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) en het PlanMER Programma Windenergie Amsterdam met de bijbehorende documenten (VN2024-013644)12.413 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bezoekadres Amstel 1 1011 PN Amsterdam Postbus 202, 1000 AE Amsterdam Telefoon 14 020 amsterdam.nl

Retouradres: Postbus 202, 1000 AE Amsterdam

Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam (SARA) t.a.v. Sijas Akkerman Per Adres: Natuur en milieufederatie Noord-Holland Kleine Tocht 4A 1507 CB Zaandam Sijas.akkerman@mnh.nl

Datum Ons kenmerk Uw kenmerk Behandeld door Kopie aan Bijlage(n) Onderwerp

14 mei 2024

RES Amsterdam Reactie SARA-advies Reactie op SARA-advies cpt PlanMER en cpt Programma Windenergie Amsterdam

Geachte leden van de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam, Op 23 februari jl. ontving ik uw advies op het concept Programma Windenergie Amsterdam (PWA) en bijbehorend plan-MER. Ik wil allereerst mijn dank uitspreken voor het uitgebreide en zorgvuldige advies dat u heeft uitgebracht met betrekking tot deze documenten. Ik vind het mooi om te zien dat de SARA zich met zoveel toewijding heeft ingezet om een gedragen advies te formuleren, met ruimte voor de diverse perspectieven binnen de gemeente Amsterdam en omliggende buurgemeenten op dit ingewikkelde onderwerp. Ik vind het van groot belang dat de stem van de bewoners van Amsterdam en de buurgemeenten gehoord wordt. Het doet mij daarom genoegen om te lezen dat de SARA waardeert dat de gemeente Amsterdam de mogelijkheid heeft geboden om dit advies uit te brengen en dat u de gesprekken met ambtenaren, wethouders Pels en ondergetekende als constructief heeft ervaren. De vergaderingen waar ik bij ben geweest heb ook ik als zeer constructief ervaren, in een veilige sfeer waarin er ruimte was voor de verschillende perspectieven op het onderwerp. Uw feedback met betrekking tot de transparantie en begrijpelijkheid van zowel de plan-MER als het PWA waardeer ik zeer.

Ik vind het van groot belang dat deze documenten toegankelijk zijn voor alle inwoners van Amsterdam en buurgemeenten, zodat iedereen zich kan informeren over de plannen van het college en zijn of haar mening daarover kan vormen. Zo maken we een publieksvriendelijke samenvatting van het PWA en wordt kaartmateriaal en inhoudelijke informatie uit het Plan-MER digitaal beschikbaar gemaakt. Ik wil graag mijn waardering uitspreken voor uw advies over het PWA en de plan-MER. Het is bemoedigend om te horen dat de uitgebreidheid en zorgvuldigheid van de plan-MER wordt

Een routebeschrijving vindt u op amsterdam.nl

Gemeente Amsterdam

Datum 14 mei 2024 Pagina 2 van 15

erkend, evenals bepaalde keuzes die zijn gemaakt met betrekking tot het PWA, zoals het prioriteren van de haven als zoekgebied en het vermijden van zoekgebieden in Natura 2000gebieden. Ik begrijp dat er zorgen zijn geuit, onder andere over geluidsoverlast, het effect op recreatie en natuur in de zoekgebieden. Het college is zich bewust van deze zorgen en weegt deze mee in haar besluitvorming over het PWA. Wat betreft de SARA-adviezen voor het PWA en de plan-MER, ben ik dankbaar voor de gedetailleerde analyse die is uitgevoerd. Alle door uw gemaakte opmerkingen en suggesties zijn overwogen en waar nodig zijn aanpassingen gedaan. Naast het gedetailleerde advies, ontvingen wij van u een advies op hoofdlijnen. Met deze brief reageer ik op uw advies op hoofdlijnen. Ik geef in de bijlage bij deze brief aan hoe het college uw adviezen heeft meegenomen: welke adviezen zijn overgenomen en welke zijn afgewezen, en waarom. Uw advies en onze reactie daarop (deze brief) zijn bijlagen bij het ontwerp-PWA dat dit voorjaar eind mei openbaar wordt gemaakt voor de tervisielegging.

Tot slot wil ik nogmaals mijn dank uitspreken aan alle leden van de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam voor uw toewijding en betrokkenheid bij dit belangrijke proces.

Met vriendelijke groet,

Rutger Groot Wassink Wethouder Duurzaamheid, Energietransitie en Circulaire economie

Gemeente Amsterdam

Datum 14 mei 2024 Pagina 3 van 15

Bijlage: reactie op SARA-adviezen Dikgedrukt het advies van SARA uit document “SARA-advies op hoofdlijnen” d.d.23 februari 2024. Direct daaronder is telkens de reactie van het college te lezen. 1

Advies 1: Stuur actief op prioritering windturbines in de haven Vanwege breed maatschappelijk draagvlak en beperkte milieueffecten wijst het college het Havengebied (1A) buiten de Ring A10 aan als gebied voor windturbines. Ook het college heeft de sterke voorkeur voor het havengebied ten opzichte van de andere aangewezen gebieden. De gemeente spant zich samen met Port of Amsterdam (PoA) in om de mogelijkheden in het havengebied optimaal te benutten. We richten ons daarbij op het nader onderzoeken en wegnemen van knelpunten bij de meest kansrijke posities. De huidige RES-ambitie (Regionale Energiestrategie) is om 10 MW (megawatt) aan wind in het Havengebied te realiseren. Als er kans is om meer te realiseren dan 10 MW, dan spannen gemeente en PoA zich daarvoor in. Dit geldt tot 2030, of tot eerder in het geval dat de PWA-restdoelstelling van 27 MW in zicht of behaald is.

2

3

4

Om die eventuele mogelijkheden te benutten het college het Havengebied (buiten de ring A10) aan als versnellingsgebied zoals bedoeld in de Renewable Energy Directive III (REDIII) voor de opwek van grootschalige windenergie. De REDIII voorziet onder meer in verkorte beslistermijnen voor projecten in een versnellingsgebied. Een Nederlands wetsvoorstel voor de implementatie is er echter nog niet, deze is voorzien in Q4 2024. Vooruitlopend daarop benoemt het college de aanwijzing in het ontwerp-PWA, zodat deze mogelijkheid ten tijde van de vaststelling van het PWA verzilverd kan worden. Het gebruik van de 17 nieuwe plekken uit het Bosch & van Rijn-onderzoek uit 2016, waar in 2016/2017 door de gemeente al vergunningen voor zijn aangevraagd. Dit ketste destijds af op nu niet meer van toepassing zijnde provinciale regelgeving Door actuele informatie omtrent minimumafstanden in verband met veiligheid, gebruik van gronden en gangbare windturbinetypes, en als gevolg van door u genoemde gewijzigde provinciale regelgeving zijn de plekken uit het onderzoek uit 2016 niet meer actueel. In het uitgevoerde plan-MER wordt uitgegaan van de meest actuele informatie. Zoveel mogelijk hergebruik van de gesaneerde windturbine-plekken Het Plan-MER beschouwt alle potentiële posities in het Havengebied. Als hergebruik van bepaalde gesaneerde windturbine-plekken kansrijk is, zet het college daarop in.

Het invullen van de RES-ambitie door zo groot mogelijke windturbines te plaatsen en daarvoor ontheffingen aan te vragen, zoals ook gebeurd is in de Noorder IJ-plas Het plaatsen van zo groot mogelijke turbines heeft voordelen qua energieopbrengst, ook relatief gezien ten opzichte van negatieve milieugevolgen. Een belangrijk knelpunt daarbij zijn de landelijke normen voor hoogtebeperking in verband met het vliegverkeer van Schiphol (volgens het Luchthavenindelingbesluit

Gemeente Amsterdam

5

6

7

Datum 14 mei 2024 Pagina 4 van 15

- LIB). Gemeente en Port of Amsterdam spannen zich er gezamenlijk voor in om het LIB minder beperkend te laten zijn in het havengebied, maar zijn daarbij afhankelijk van het bevoegd gezag (ministerie van Infrastructuur & Waterstaat). Hierover zijn we in gesprek met het ministerie. Het voor de haven loslaten van clustering: solitaire windturbines, tweetallen en drietallen in een vrije opstelling leiden tot meer mogelijkheden in de haven In de RES1.0 en in voorliggend PWA is een voorkeur voor clustering uitgesproken. Het is geen harde eis. Onder voorwaarde van een zorgvuldige ruimtelijke inpassing, wordt een vrije opstelling niet uitgesloten. Het verplaatsen van de helihaven naar Schiphol – dat is per slot van rekening al een vliegveld De locatie van de helihaven ligt buiten de invloedssfeer van het PWA. Het prioriteren van ruimte voor windturbines in de haven t.o.v. andere functies/ruimtegebruik Het havengebied is primair bestemd voor haven gerelateerde activiteiten die in toenemende mate ook bijdragen aan de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie. Hierbij kan worden gedacht aan waterstofproductie- en import en op- en overslag van andere duurzame energiedragers. Deze ontwikkelingen vereisen ruimte (zowel fysiek als milieu- en veiligheidsruimte), waardoor dit kan conflicteren met mogelijke windturbinelocaties.

Het inpassen van een windturbine vergt een integrale afweging van deze belangen en afstemming met de betrokken partijen. Het college zal dan ook op voorhand ruimte voor windturbines niet prioriteren t.o.v. andere functies/ruimtegebruik.

8

9

10 11

Overigens staan er in en rond het havengebied momenteel 27 windturbines opgesteld. Vervroegde re-powering; een project-MER moet uitwijzen hoeveel MW dit oplevert. Zet in op re-powering van oude parken en maak daar ambtelijke capaciteit voor vrij. Denk hierbij ook aan de mogelijkheden om energiehubs te formeren, waarbij de bedrijven hun eigen energie kunnen winnen en daarmee het stroomnet ontlasten. Werk hiervoor samen met het havenbedrijf, de exploitanten van de huidige parken Het Plan-MER richt zich op nieuwe windturbine posities. Re-powering is daarmee geen onderdeel van de scope van het PWA. Verhoging, in overleg met Schiphol, van de hoogtebeperkingen om ook in dit gebied hogere turbines mogelijk te maken Zie antwoord onder nummer 4. Het versneld stoppen met de kolenoverslag Het stoppen met de kolenoverslag ligt buiten de invloedssfeer van het PWA. De SARA adviseert om duidelijk aan te geven, voorafgaand aan besluitvorming in de raad na de zomer, hoeveel ruimte (in MW) er is in de haven en of ook een volgende stap noodzakelijk is om de gemeentelijke ambitie te halen. Maak die stap afhankelijk van de status van de ingediende initiatieven in de haven. Neem de volgende stap pas als er in de haven niet voldoende initiatieven zijn binnen 2,5 jaar.

Dit zorgt voor duidelijkheid Volgens het college biedt het Plan-MER ruimte om op aanvaardbare gronden, naast de haven, ook andere gebieden aan te wijzen voor windenergie. Zoals

Gemeente Amsterdam

Datum 14 mei 2024 Pagina 5 van 15

hierboven bij 1. heeft het college daarbij een voorkeur voor het havengebied. Het college kiest er niet voor om gebieden later open te stellen. Hiermee bieden we de meeste duidelijkheid aan alle belanghebbenden. Een andere reden is dat we een bepaalde overmaat programmeren om eventuele tegenvallende voortgang in gebieden op te vangen en ruimte te houden om binnen de gebieden te kunnen optimaliseren. Het havengebied biedt mogelijk kansen, maar het is allerminst zeker daar posities ook tot realisatie komen. Ook in andere gebieden kunnen knelpunten ontstaan. Het college wil daarom niet faseren, zodat de RES doelstelling in beeld blijft.

12

13

Na vaststelling van het PWA zijn daarom alle initiatieven in alle aangewezen gebieden welkom, en worden deze gelijkwaardig behandeld. Advies 2: Wees duidelijk over de status van de zoekgebieden tot 2030 Het PWA maakt duidelijk welke de aangewezen en afgevallen gebieden zijn tot 2030. Het is in een democratie echter altijd mogelijk dat een (nieuw) college een ander besluit neemt. Er is dus in ieder geval een collegebesluit nodig om het PWA aan te passen. Amsterdam heeft tevens aangegeven geen nieuwe zoekgebieden voor windenergie ten opzichte de RES1.0 toe te voegen in de Herijking RES NoordHolland Zuid 2024. Advies 3: Beoordeel de huisjes van de tuinparken met verblijfsstatus hetzelfde als woningen Het niet toegestaan om jaarrond op een tuinpark te wonen en het college ziet daarom geen aanleiding om tuinhuisjes de status van woning te geven. In het plan-MER zijn de geluids- en slagschaduwcontouren over volkstuinparken inzichtelijk gemaakt, zijn deze voor het geluidsonderzoek als “overige objecten” meegenomen, en voor de berekening van externe veiligheid zijn ze als kwetsbaar object aangemerkt (in tuinparken waar overnacht mag worden).

14

15

In het PWA schrijft het college voor dat op projectniveau wordt onderzocht hoeveel individuele volkstuinparkhuisjes binnen welke geluidscontour vallen en wegen we dit mee bij de exacte positionering van een turbine en mogelijke andere te treffen mitigerende maatregelen. Advies 4: Maak de weging en het afwegingskader duidelijker Voor geluid en natuur is in het PWA een grens gesteld, die het college aanvaardbaar vindt. Daarmee valt een groot deel van de zoekgebieden af. Vervolgens maakt het college op basis van alle andere aspecten een integrale afweging of het college de onderzochte effecten aanvaardbaar vindt en of het gebied wordt aangewezen. De tekst in het PWA is verduidelijkt naar aanleiding van het advies. Recreatie weegt in het plan-MER bij zoekgebieden minder zwaar dan gezondheid en natuur. Laat in het PWA beter zien hoe recreatie is meegewogen en laat zien waarom hiervoor is gekozen en wat hiervan de consequenties zijn. In het PWA zijn per gebied de afwegingen beschreven in hoofdstuk 2. Waar in de

Gemeente Amsterdam

Datum 14 mei 2024 Pagina 6 van 15

aangewezen gebieden recreatie een rol speelt, betekent dit dat het college de gevolgen in de totale afweging op het niveau van het Programma aanvaardbaar acht.

16

17

18

Op projectniveau is een nadere afweging nodig in voorkomende gevallen. Dit is onderdeel van de belangenafweging. Bij aantasting van areaal kan bijvoorbeeld gezocht worden naar een vorm van compensatie. Met betrekking tot zoekgebieden wordt gesproken over een “aanzienlijke afstand tot woningen”. Specificeer wat aanzienlijk is. Het Plan-MER heeft de milieugevolgen onderzocht. Het woord ‘aanzienlijk’ is daarmee niet een beoordelingscriterium geweest. Meer algemeen kunnen we stellen dat de keuze voor 42 dB als uitgangspunt een aanzienlijke afstand tot woningen garandeert. In het plan-MER en het PWA wordt ‘een aanzienlijke afstand tot woningen’ alleen genoemd in relatie tot De Ronde Venen. Welke afstand dat is verschilt van locatie tot locatie, maar het gaat normaal gesproken om ca. 700-1000 meter. In het PWA wordt voor zoekgebieden een optimalisering voorgesteld door mogelijke turbines te verplaatsen. Daarmee worden de bewoners van woningen meer belast dan gebruikers van tuinparken, of andersom. Beargumenteer beter waarom de gemeente dit een optimalisering vindt. Optimalisering wil zeggen het verminderen van nadelige milieugevolgen door het verplaatsen van een onderzoeksopstelling binnen een bepaald gebied. Er is binnen een gebied geen sprake van een afweging tussen meer of minder belasten van woningen versus tuinparken. a.

Maak explicieter hoe de sociale aspecten zijn meegewogen in de keuze. Of geef aan waar sociale aspecten en het rapport ‘Sociale aspecten zoekgebieden’ van Antea geen expliciete rol hebben gespeeld bij de afweging. b. Geef daarnaast aan welke sociale effecten uit de handreiking ‘Sociale effecten in milieueffectrapportage’ van de Commissie m.e.r. zijn onderzocht, en welke effecten niet. Geef ook de redenen aan waarom wel/niet a. In hoeverre sociale aspecten een rol gespeeld hebben is verwoord in het PWA, met name paragraaf 2.3. b. Voor wat betreft sociale effecten is in de studie gezocht naar een afbakening voor relevante sociale aspecten bij windturbineprojecten. De handreiking ‘sociale effecten in milieueffectrapportage’ van de Commissie mer is daarbij globaal als leidraad aangehouden. De handreiking gaat ervan uit dat eerst de relevante sociale effecten gedefinieerd worden, en vervolgens in gecombineerde methode (met data, maar ook enquêtes en interviews) inzichtelijk te maken welke effecten optreden. Voor wat betreft de methode sluit het uitgevoerde onderzoek aan bij de adviezen van de Commissie: verrijk een modelmatige aanpak door met belanghebbenden in gesprek te gaan. Die verrijking heeft plaatsgevonden door interviews met gebiedsmakelaars/-managers uit te voeren (ná het uitvoeren van een data-

Gemeente Amsterdam

Datum 14 mei 2024 Pagina 7 van 15

analyse).

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

19

Voor wat betreft de aspecten, gaat de handreiking van de Commissie uit van de volgende aspecten: Manier van leven; Cultuur, normen en waarden; Gemeenschap; Politieke systemen; Omgeving; Mentaal en sociaal welzijn; Persoonlijke bezittingen en eigendomsrecht; Angsten en ambities.

In de handreiking wordt gesteld dat het ‘voor de hand ligt om in elk geval in te gaan op de sociale effecten die direct gerelateerd zijn aan een gezonde leefomgeving’. Daartoe zijn bovenstaande aspecten geclusterd tot drie sociale aspecten waarvoor (1) relevante data beschikbaar is en (2) een relevante relatie met windturbines bestaat. Voor de onderwerpen 4 en 7 geldt dat deze vanuit de impactrelatie met windturbines minder relevant zijn (een windturbine heeft bijvoorbeeld geen invloed op het persoonlijke eigendom van inwoners). Aspecten 1, 2, 3, 5, 6 en 8 grenzen aan de fysieke leefomgeving en zijn wel relevant. - Sociaaleconomische situatie: hieronder is gekeken naar meerdere indicatoren die over het geheel iets zeggen over de mate van mentaal en sociaal welzijn (aspecten 1 en 6); - Ervaren woonomgeving: onder deze indicator is gekeken naar de tevredenheid en gevoel van gemeenschap bij inwoners (aspecten 1, 2 en 3), en daarnaast naar de kwaliteit van de leefomgeving (aspect 5); - Leefsituatie: deze indicator gaat over gezondheid en de mate van regie over het eigen leven (link aan aspecten 1, 5, 6 en 8). Maak duidelijk, bijvoorbeeld in een tabel, welke onderwerpen (natuurwaarden en regelgeving) niet worden onderzocht in de plan-MER en wat wordt voorgeschreven of aangeraden om te onderzoeken in project-MER.

Maak bij dat laatste duidelijk welke punten in project-MER wettelijk verplicht zijn en welke punten door gemeente Amsterdam wordt geadviseerd om verder te onderzoeken. Hierdoor is het voor burgers ook duidelijker welke onderwerpen zij uiteindelijk terug gaan zien in een project-MER. Het verschil tussen een plan-MER en een project-MER is het detailniveau van het onderzoek, en de onderbouwing van de keuze voor het aangewezen gebied (planMER). De milieugevolgen betreffen dezelfde thema's. Een MER gaat altijd over aanzienlijke milieugevolgen. Voor de inhoudsvereisten van een MER verwijzen wij naar afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Voor een vergunning geldt een directe project-MER-plicht voor windparken vanaf 20 windturbines. Onder die drempelwaarde is in eerste instantie een project-merbeoordeling voor windparken (drie of meer windturbines) aan de orde. Dat is een beoordeling of de verwachte milieugevolgen dusdanig zijn dat volgens het bevoegd gezag een MER nodig is.

Gemeente Amsterdam

20

Datum 14 mei 2024 Pagina 8 van 15

De aanwijzing van het havengebied als versnellingsgebied heeft tot gevolg dat op projectniveau in beginsel met een screening van de milieugevolgen volstaan kan worden. Advies 5: geef in het PWA expliciet aan hoe de omliggende gemeenten en provincie kijken naar de zoekgebieden langs hun grenzen De zoekgebieden zijn in het kader van RES1.0 met buurgemeenten en provincie overeengekomen. De provincie heeft vervolgens haar Omgevingsverordening hierop aangepast. Het (ontbreken van) draagvlak voor windturbines is in het kader van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau door sommige buurgemeenten naar voren gebracht, daar is in de Nota van Beantwoording op ingegaan en deze is als bijlage bij het PWA gevoegd. Milieueffecten zijn - ook over gemeentegrenzen heen - in beeld gebracht. Ook het relevante ruimtelijke beleid van buurgemeenten is in het PlanMER meegenomen. Daarmee heeft het college ook deze belangen meegewogen.

21

In het plan-MER wordt de impact van de zoekgebieden in Amsterdam en Diemen gevisualiseerd. De planuitwerking en overige cumulatieve effecten spelen na definitieve vaststelling van de gebieden in het PWA. Advies 6: kies ook voor bovenwettelijke criteria voor natuur en biodiversiteit Gemeente Amsterdam zet in op een natuurinclusieve energietransitie. Dit betekent dat bij de planvorming optimaal rekening wordt gehouden met bestaande (beschermde) natuurwaarden, en het welzijn van in het wild levende dieren, maar ook dat wordt ingezet op het waar mogelijk (bovenwettelijk) versterken van nieuwe en robuuste natuur. Aandacht voor natuur en ecologie is belangrijk in alle projectfasen, van bouwfase en exploitatie tot de uiteindelijke ontmanteling. Het PWA beschrijft in de algemene afweging dat natuur een belangrijke factor is, en dat alle "geldende landelijke, provinciale en gemeentelijke natuurwet- en regelgeving en beleidskaders, waarin het voorkomen van schade -al dan niet door het treffen van maatregelen- voorop staat". Leefgebied dat verloren gaat, moet worden gecompenseerd. Als voldoende mitigerende en/of compenserende maatregelen worden getroffen, dan is een ontheffing voor alle aangewezen zoekgebieden redelijkerwijs te verkrijgen.

Wel sluit het college op voorhand zoekgebieden uit die verlies van Natura 2000 areaal zouden betekenen uit, omdat wij areaalverlies hier op voorhand zien als onaanvaardbare schade voor de meest zwaar beschermde natuur. In de Amsterdamse gedragscode flora en fauna staan aanvullende voorwaarden geformuleerd voor het specifieke lokale karakter van de gemeente Amsterdam. Als voorwaarde voor een beoordeling van een initiatief voor plaatsing van één of meer windturbines geldt dat in de aanvraag alle consequenties voor natuurwetgeving en -beleid inzichtelijk moet zijn gemaakt. Tevens worden mitigerende maatregelen opgenomen om eventuele negatieve impact te voorkomen evenals voorstellen om de biodiversiteit ter plaatse te versterken. Dit betreft het waar mogelijk (bovenwettelijk) versterken van nieuwe en robuuste natuur.

Gemeente Amsterdam

22

23

24

25 26

27

28

Datum 14 mei 2024 Pagina 9 van 15

Advies 7: geef meer inzicht in de realiseerbaarheid van de businesscase per zoekgebied De gemeente is van mening dat een business case berekening in de volgende fase (initiatieffase) van toegevoegde waarde is. Het is niet passend bij het hogere schaalniveau van het plan-MER en PWA. Advies 8: organiseer actief participatie bij het invullen van de zoekgebieden Het college vindt participatie belangrijk. Omwonenden van een locatie voor een windproject, bedrijven en organisaties die actief zijn in de omgeving, kunnen meedenken en meedoen, en hun mening uiten. Zoals vastgelegd in de Omgevingswet is de initiatiefnemer, degene die de vergunning aanvraagt, verantwoordelijk voor het participatieproces. Dit proces moet voldoen aan de geldende beleidskaders en verordeningen ten aanzien van participatie. Een initiatiefnemer is verplicht om een participatieplan op te stellen bij initiatieven die niet passen binnen het bestemmingsplan/omgevingsplan. Het plan wordt vastgesteld door het bevoegd gezag (gemeente of provincie). De gemeente geeft in hoofdstuk 4 nog meer eisen mee aan participatie in de initiatieffase. Ook is de gemeente of provincie als bevoegd gezag (deels) verantwoordelijk voor passende communicatie over het project, en voor de formele inspraakmomenten.

Het initiërend perspectief vindt het belangrijk dat Amsterdam zoveel mogelijk duurzame elektriciteit opwekt, waar mogelijk in coöperatief verband. Juist ook met het oog op de toekomst moet dit in de ogen van dit perspectief de insteek zijn. Houd daarom de afgevallen zoekgebieden voor na 2030 in portefeuille. In 2030 wordt het PWA geëvalueerd. Dan wordt gekeken welke doelstelling voor opwek van duurzame energie door wind op land er dan is, en of en zo ja, in hoeverre, het beleid aangepast moet worden. Breng in de aangewezen zoekgebieden een rangschikking aan. Zie reactie onder nummer 11. Het initiërend perspectief adviseert de ontwikkelingen in de technologie van windturbines en maatregelen eromheen zoveel mogelijk te betrekken in het PWA. Er zijn diverse technologische ontwikkelingen bij windturbines. Bijvoorbeeld om ze stiller te maken, of om beter vliegtuigen, helikopters, vogels en vleermuizen te detecteren. Daardoor kan er in de toekomst mogelijk dichterbij bebouwing en natuur windturbines ontwikkeld worden. Daar kan het college in dit PWA echter niet op vooruit lopen en we zien daarom geen aanleiding om daar de keuze van de zoekgebieden op aan te passen. Het initiërend perspectief adviseert om te onderzoeken of voor de periode vanaf 2030 met mitigerende maatregelen en maatwerk meer mogelijk is.

Wat er vanaf 2030 mogelijk is, is onderdeel van de evaluatie van het PWA, tegen de achtergrond van de dan bestaande ambities en technologische ontwikkelingen. Geen plaatsing in noch met negatief effect op Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland gebieden of compensatiegebieden Het college heeft ervoor gekozen om geen turbines mogelijk te maken in Natura 2000-gebieden. Nader onderzoek naar effecten op Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden is op projectniveau verplicht. Op de compensatiegebieden is tevens ingegaan in het plan-MER, eventuele windturbines in de in het PWA

Gemeente Amsterdam

29

30

31

32

33

Datum 14 mei 2024 Pagina 10 van 15

aangewezen gebieden hebben daar geen milieugevolgen. Niet in of dichtbij Scheggenstructuur of Bijzonder Provinciaal landschap In de aangewezen gebieden is de inpassing van windturbines niet op voorhand onverenigbaar met het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). De uiteindelijke inpassing vindt plaats in overleg met en na akkoord van de provincie NoordHolland, omdat die daarover regels heeft in de Provinciale Omgevingsverordening. De scheggenstructuur kan een van de kenmerken zijn van het BPL. Niet in gebieden die kwetsbaar zijn voor biodiversiteitsverlies, voornamelijk bij vogels en vleermuizen volgens deskundigen Gemeente Amsterdam heeft plaatsing in Natura 2000 op voorhand al uitgesloten. Echter weet de gemeente Amsterdam van de mogelijke aanwezigheid van kwetsbare natuur in haar gehele areaal, ook buiten de Natura 2000 en andere gebieden met zwaarder beschermingsregime, zoals bijvoorbeeld het NNN. Bij de inpassing van een windturbine hoort een meer detailonderzoek door deskundigen naar aanwezige beschermde en kwetsbare natuur/ plant- en diersoorten. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is nodig voor de beoogde activiteit (windturbine plaatsen en in gebruik hebben) wanneer deze conflicteert met beschermde en kwetsbare natuurwaarden.

Het nemen van mitigerende maatregelen en de kwetsbaarheid van een bepaalde populatie zijn onderdeel van de afwegingen om al dan niet een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te verlenen. De vergunning wordt namens de provincie (door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord) al dan niet verleend. Gemeente Amsterdam volgt de ontwikkelingen, innovaties en mogelijkheden voor optimale inzet van mitigerende maatregelen ter voorkoming van biodiversiteitsverlies. Voortschrijdende inzichten hiertoe worden meegenomen in de verdere uitwerking van plannen voor windturbines. Geen schade aan UNESCO Werelderfgoed-gebieden In de aangewezen gebieden is de inpassing van windturbines niet op voorhand onverenigbaar met het Unesco-werelderfgoed. De uiteindelijke inpassing vindt, als er een raakvlak is met Unesco-werelderfgoed, plaats in overleg met en na akkoord van de provincie Noord-Holland (daarover zijn regels in de Provinciale Omgevingsverordening). Geen aantasting van gebieden die een belangrijke functie hebben als stiltegebied, en voor rust, ruimte en recreatie voor de Amsterdammers, waaronder volkstuinen, speelweiden en strandjes. Deze zijn belangrijk in een zich sterk verdichtende stad, juist ook voor de meest kwetsbare groepen in de buitenwijken Bij de inpasbaarheid is dit aspect een van de af te wegen belangen.

Op voorhand is bij de aangewezen gebieden windenergie niet onverenigbaar met de genoemde functies, maar mogelijk is mitigatie/compensatie bij de inpassing onderdeel van de belangenafweging. Nader onderzoek doen naar ketenbeheer In het PWA staat dat de gemeente richtlijnen qua circulariteit mee kan geven aan initiatiefnemers voordat de bouwfase van een windturbine begint als onderdeel van de omgevingsvergunning. De richtlijnen bestaan uit een materialenpaspoort, de recyclebaarheid en herkomst van gebruikte materialen in de bouw en/of aanschaf van een windturbine. Dit zijn nadrukkelijk activiteiten in de uitvoeringsfase.

Gemeente Amsterdam

34

35

36

37

Datum 14 mei 2024 Pagina 11 van 15

Gevoelige objecten en overige objecten worden in de plan-MER geteld vanaf 42 dB Lden. Tel daarnaast ook objecten met een logiesfunctie en residentiële zorginstellingen vanaf 37 dB Lden vanwege het grote aantal personen dat daar overnacht. Hanteer redelijke eisen aan deze aantallen, waarbij het STVperspectief als grens voor residentiële zorginstellingen maximaal nul adviseert gezien de kwetsbaarheid van de bewoners en slapers. Zie ook het detailadvies in de bijlage plan-MER (verwijzend naar 3.2.1.3 en pagina 32) In het plan-MER wordt geformuleerd en onderbouwd welke geluidsniveaus worden gehanteerd voor de verschillende objecten. Geluidscontouren en ernstig gehinderden zijn vanaf 37 dB in beeld gebracht, conform het advies van de Commissie mer. Reken met huishoudensgrootte op wijkniveau. Er wordt nu gerekend met de gemiddelde huishoudensgrootte Amsterdam (1,89). Dit geeft een vertekend beeld: in de meeste wijken rond zoekgebieden ligt de huishoudensgrootte ver boven dit gemiddelde. Bijvoorbeeld in Driemond (2,4), Gein (2,0), Waterlandpleinbuurt (2,2) en Kadoelen (2,5). Het plan-MER is bedoeld om op gemeentelijk niveau milieuafwegingen te kunnen maken en de gebieden onderling met elkaar te vergelijken. Het detailniveau dient daarbij passend te zijn.

In gebieden met veel “gevoelige objecten” zoals woningen, bijvoorbeeld door hoogbouw, zijn meer “gevoelige objecten’ dan in gebieden met laagbouw. Tevens heeft een gevoeligheidsanalyse plaatsgevonden om na te gaan of geluidseffecten op hoger gelegen woningen significant anders zijn dan op lager gelegen woningen. Verder detailleren is niet doelmatig. Tel objecten met een logiesfunctie en residentiële zorginstellingen correct mee bij het berekenen van aantal ernstig gehinderden. De eerste categorie wordt nu helemaal niet geteld en de tweede categorie als een woning (dus met 1,89 inwoners). Pas deze getallen per object aan naar een representatieve waarde en reken ze mee. Bijvoorbeeld: reken voor een hotel het gemiddeld aantal personen dat daar overnacht. Zie ook het detailadvies in de bijlage plan-MER (verwijzend naar 3.2.1.3 en pagina 32) Het plan-MER is bedoeld om op gemeentelijk niveau milieuafwegingen te kunnen maken en de gebieden onderling met elkaar te vergelijken. Zorginstellingen en woningen zijn in het geluidsonderzoek als gevoelige objecten beoordeeld. Verder detailleren is niet doelmatig. In het PWA is opgenomen dat in de projectfase voor gevoelige objecten, zijnde verzorgingshuizen en psychiatrische inrichtingen met woon- en slaapruimten, een inschatting moet worden meegenomen van het werkelijke aantal bewoners.

Bereken ernstig gehinderden tot 1500 meter in plaats van tot 38 dB Lden, want onder de 38 dB Lden is er nog steeds ernstige hinder (0,62 procent) en juist op die afstand neemt het aantal woningen zeer sterk toe, aangezien veelal buiten de rand van bebouwing wordt gekeken. 1500 meter is door de Raad van State bepaald als de invloedsgrens van windturbines. Zie ook het detailadvies in de bijlage plan-MER (verwijzend naar 3.3 en pagina 38) Amsterdam heeft in het plan-MER gekozen voor geluidsberekeningen voor de theoretische onderzoeksopstellingen. Dit is een hoger detailniveau dan gebruikelijk voor een plan-MER. Dit levert ook meer milieuinformatie op dan met rekenen obv afstand.

Gemeente Amsterdam

38

39

40

41

42

43

Datum 14 mei 2024 Pagina 12 van 15

Tel het aantal gevoelige objecten en overige objecten vanaf 37 dB Lden en vanaf 40 dB Lden en neem dat mee in de beoordeling, zoals geadviseerd door de landelijke Commissie m.e.r. In de plan-MER provincie Utrecht (2023) is iets vergelijkbaars gedaan door gevoelige objecten en overige objecten te tellen binnen 500, 750 en 1000 meter. Dit onderstreept het belang van een degelijke analyse. Zie ook het detailadvies in de bijlage plan-MER (verwijzend naar 3.2.1.1 en 3.2.1.3 pagina 30) Het college heeft het advies van de Commissie mer ter harte genomen. Het planMER is conform het advies uitgewerkt. Over het plan-MER wordt wederom advies van de Commissie mer ingewonnen. Mocht de Commissie adviseren het plan-MER aan te vullen, dan wordt daar gehoor aan gegeven. Wat betreft de landelijke windturbinenormen in ontwikkeling stelt SARA vast dat er wat betreft geluid afwegingsruimte is voor een lagere waarde dan de standaardwaarde (45 dB Lden op een geluidgevoelig gebouw), op grond van cumulatie van geluid of aard van het gebied. Dit is een belangrijk aandachtspunt om voor te schrijven bij de project-MER. Inderdaad biedt de concept-regelgeving ruimte voor het bevoegd gezag om onder voorwaarden een lagere waarde dan de standaardwaarde toe te staan.

Naar verwachting zal op projectniveau ook zonder deze voorwaarden reeds sprake zijn van een lager geluidsniveau, door de keuze voor de aangewezen gebieden. Werk in hoofdstuk 4 van het PWA uit waar een initiatief aan moet voldoen wat betreft handhavingsmogelijkheden – met het gewenste handelingsperspectief van de gemeente, de omgevingsdienst, en die van burgers uitgewerkt, zoals een service level agreement met betrokkenheid van omwonenden. De gemeente is in gesprek met de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied over het toegankelijker en overzichtelijker maken klachten en van de handhaving. Indien mogelijk, wordt een service leven agreement in het kader van afspraken met de initiatiefnemer meegenomen. Het STV-perspectief uit het stadsdeel Zuidoost adviseert de gemeente het belang van recreatie voor de leefomgeving zwaarder mee te laten wegen bij het beoordelen van zoekgebieden waarin recreatie plaatsvindt. In de aangewezen gebieden is windenergie v niet op voorhand onverenigbaar met de genoemde functies. Mogelijk dient in het kader van de belangenafweging eventuele mitigatie/compensatie bij de inpassing meegenomen te worden. Bij de inpassing op projectniveau is het aspect recreatie een van de af te wegen belangen.

Verder is het STV-perspectief Zuidoost van mening dat de invloed van de windturbines op het landschap zwaarder meegewogen dient te worden in gebieden in de buurt van UNESCO-werelderfgoed, NNN en groene scheggen. Zie eerdere reactie: 28, 29 en 31 Nu nog zijn er wettelijk geen garanties dat na gebruik van windturbines verwijdering en recycling plaatsvindt. Daarom adviseert STV Zuidoost dat de gemeente met de initiatiefnemer bindende afspraken maakt over afbraak en duurzame verwerking na de exploitatieperiode, waarbij deze verplichtingen overgaan bij verkoop van het project. Afspraken over de verwijdering en recycling van windturbines zijn onderdeel van de van de afspraken tussen de grondeigenaar en initiatiefnemer (koop- of erfpachtovereenkomst) en/of een anterieure overeenkomst tussen de

Gemeente Amsterdam

44

45

46

47

Datum 14 mei 2024 Pagina 13 van 15

initiatiefnemer en het bevoegd gezag. Advies H4a: hanteer de norm voor gevoelige locaties en gebouwen voor tuinparken Zie het antwoord op advies 3. Advies H4b: verplicht de initiatiefnemer de positionering te optimaliseren en gebruik moderne windturbines De gemeente kan en wil niet specificeren welke turbines moeten worden gebruikt. Door de vergunningverlener wordt bepaald aan welke voorschriften turbines moeten voldoen. Dat zal op basis van actuele wet- en regelgeving zijn. Onderdeel van de belangenafweging in de initiatieffase is het zoveel mogelijk beperken van nadelige milieugevolgen. Advies H4c: neem de inbreng van de werkgroep Handhaving en Monitoring mee m.b.t. laagfrequent geluid Onderstaande punten gaan in op verschillende deeladviezen die in het SARAadvies op hoofdlijnen onder H4c zijn beschreven: - De gemeente neemt de adviezen van de werkgroep Handhaving en Monitoring gedeeltelijk over. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat wat we voorschrijven juridisch haalbaar dient te zijn. - De gemeente is in overleg met provincie en omgevingsdienst op welk wijze de Informatie over meldingen, klachten en het doen van een handhavingsverzoek op de website klantvriendelijker kan worden gemaakt. Het moet de gemiddelde bewoner duidelijk zijn hoe een melding gemaakt kan worden.

- Het college heeft, mede gezien de grondeigendomssituatie (de gemeente is lang niet altijd grondeigenaar), beperkte mogelijkheden om initiatiefnemers te verplichten nog andere meldings- en klachtenprocedures op te stellen. - Wat betreft normen sluit het college aan bij de landelijke normen. Deze zullen toegepast moeten worden op nieuwe aanvragen als deze in werking zijn getreden. Het is dan voor de gemeente tijdens de exploitatiefase niet of beperkt mogelijk andere normen te hanteren. Wel hebben we in het programma, bij de keuze van de gebieden, een strengere geluidsnorm gehanteerd (max 45dB op geluidsgevoelige objecten). - De concept-landelijke norm voorziet in een strafkorting van 5dB als er tonaal geluid optreedt. Op dit moment bieden de concept-landelijke normen ons geen ruimte te bieden om aanvullende eisen aan initiatieven ten aanzien van laagfrequent frequent te kunnen stellen. Overigens achten wij een norm voor niet-tonaal laagfrequent geluid uit oogpunt van milieubescherming niet nodig, gezien het lage laagfrequente geluidsniveau waar het om gaat bij toepassing van 45 dB Lden-norm of strenger. Advies H4d: schep verdere duidelijkheid m.b.t.

meldingen, klachten en handhaving Onderstaande punten gaan in op verschillende deeladviezen die in het SARAadvies op hoofdlijnen onder H4d zijn beschreven: - Uitwerking klantvriendelijkheid: We kunnen op dit moment geen verdere duidelijkheid geven in het PWA over hoe meldingen/klachten klantvriendelijker worden gemaakt omdat we deze duidelijkheid zelf ook nog niet hebben. Wij willen graag tegemoetkomen aan dit deeladvies en zijn

Gemeente Amsterdam

48

49

50

Datum 14 mei 2024 Pagina 14 van 15

in gesprek met de OD NZKG hierover. - Service level agreement: Indien mogelijk, wordt dit in het kader van afspraken met de initiatiefnemer meegenomen. - Momentane norm: De gemeente loopt vooruit op de concept-landelijke normen. Deze zijn uitputtend bedoeld en voorzien niet in een momentane norm. Het zou daarom geen standhouden als de gemeente toch een momentane norm op projectniveau zou opnemen. - Slagschaduw: De concept-landelijke normen voorzien in windturbines met automatische stilstand bij teveel slagschaduw. Door vergunningaanvrager dient een monitoringsplan opgesteld te worden waarin zij aangeven hoe stilstand ingeregeld wordt. Dat gebeurt bijvoorbeeld via meteorologische kalender en ingemeten gevoelige bestemmingen en lichtmeter op de windturbine. Als de lichtintensiteit hoger is dan een bepaalde waarde (12.000lux) wordt de turbine automatisch stilgezet. - Beoordeling effect op populaties in samenhang: Dit is niet mogelijk omdat elk project op zijn eigen kenmerken beoordeeld wordt Advies H4e: betrek bij het vroege overleg tussen initiatiefnemer en gemeente ook bewoners, buurgemeenten en lokale landschapsorganisaties Het PWA schrijft voor dat in de verkenningsfase met genoemde betrokkenen overleg gevoerd wordt. Ook is dit onderdeel van de participatie.

Advies H4f: doe het maximaal mogelijke om lokaal eigendom te realiseren Het college spant zich binnen haar invloedsfeer maximaal in om 100% lokaal eigendom te realiseren. In het PWA beschrijven we waar initiatieven aan moeten voldoen. Het college neemt daarin de door SARA geleverde adviezen grotendeels over. Advies H4g: sluit een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer Zodra de vergunningen zijn verleend worden alle benodigde overeenkomsten gesloten, zoals koop- gebruik- of erfpacht overeenkomsten met de initiatiefnemer, grondeigenaar en/ of gemeente. Daarnaast wordt er een anterieure overeenkomst met de Provincie Noord-Holland of de gemeente (afhankelijk van wie bevoegd gezag is) gesloten om kosten die samenhangen met de uitvoering van de vergunning te verhalen. Wat er in een anterieure overeenkomst mag worden opgenomen is begrensd door wet- en regelgeving en jurisprudentie. Het verplichtend (niet vrijwillig) opnemen van eisen en randvoorwaarden over het meedelen in revenuen door bewoners achten wij niet haalbaar. Een potentiële initiatiefnemer dient bij het indienen van de plannen voor het windenergieproject een plan/visie voor financiële participatie te overleggen, maar er is geen dwingende eis is dat dit ook als zodanig wordt uitgevoerd. In de ontwerpfase wordt pas duidelijk hoe en in hoeverre financiële participatie vorm kan krijgen.

Wel zijn er mogelijkheden om uitgangspunten van financiële participatie vast te leggen bij gronduitgifte, of zelfs initiatiefnemers hierop uit te dagen bij een tenderprocedure. Wanneer de gemeente zelf grondeigenaar is, hebben we daar meer invloed op, en zijn de richtlijnen uit de paragraaf over proces- en financiële participatie in het PWA uitgangspunt voor de verdere planuitwerking.

Gemeente Amsterdam

51

Datum 14 mei 2024 Pagina 15 van 15

Advies H4h: maak maximaal gebruik van gemeentelijk grondeigendom om het 100% lokaal eigendom streefcijfer te behalen De mate waarin lokaal eigendom realiseerbaar is, is niet van invloed op de keuze voor aangewezen gebieden. Binnen de aangewezen gebieden zet het college in op zoveel mogelijk lokaal eigendom.

SARA-advies op hoofdlijnen Definitief – 23 februari 2024

Samenvatting In de eerste plaats wil de SARA haar waardering uitspreken voor de uitgebreidheid en zorgvuldigheid waarmee de plan-MER is opgesteld. De SARA waardeert dat in de PWA gekozen is voor het aanwijzen van de haven als prioritair zoekgebied en dat niet voor de zoekgebieden in de dichtstbevolkte gebieden is gekozen. De SARA ziet dat de gemeente in hoofdstuk 4 van de PWA veel van haar adviezen over lokaal eigendom en monitoring en handhaving op hoofdlijnen en vanuit dezelfde intentie als die van de SARA heeft overgenomen. De SARA vat hieronder graag haar vijf belangrijkste unanieme adviezen kort samen: 1. Geef concrete en maximale politieke sturing aan het invullen van de zoekgebieden in de haven en maak daarin ook sturende keuzes ten opzichte van andere functies in de haven ten gunste van het plaatsen van windturbines (meer in advies 1). 2. Leg duidelijk in het PWA vast dat – na besluitvorming in de gemeenteraad – de keuzes voor de aan- en afgewezen zoekgebieden vastliggen tot 2030. Vermijd woorden als “in principe”. Dit geeft de inwoners van Amsterdam duidelijkheid (meer in advies 2). 3. Behandel tuinhuisjes op tuinparken met een verblijfsstatus op dezelfde manier als woningen, dus als gevoelige objecten (meer in advies 3). 4. De SARA adviseert het toetsingskader en de afweging om te komen tot het aanwijzen van zoekgebieden in de PWA transparanter te maken.

Door bijvoorbeeld tabel 7 van de plan-MER (pagina 43) als startpunt voor de weging te nemen, en vandaaruit het afwegingskader te prioriteren (meer in advies 4). 5. Scherp het detailniveau van hoofdstuk 4 flink aan. De SARA geeft in hoofdstuk 4 vanuit de adviezen van de expert- en werkgroepen, en rekening houdend met wet- en regelgeving aan hoe dat kan. Zorg dat de afspraken vastgelegd worden en normen te monitoren én te handhaven zijn, conform het unanieme advies SARA. Naast deze unanieme adviezen zijn er nog enkele specifieke adviezen m.b.t. de zoekgebieden vanuit de verschillende perspectieven: Het initiërend perspectief adviseert de gemeente bij de vaststelling en invulling van de zoekgebieden mee te nemen dat geluid van nieuwe types turbines steeds minder zal worden en dat het ook steeds beter lukt om geluids-, slagschaduw- en ecologische effecten te mitigeren. Het strikt toepassen voorzorgbeginsel perspectief (STV) adviseert de gemeente bij het vaststellen van de zoekgebieden meer en beter rekening te houden met de ecologische effecten, bovenwettelijke eisen voor natuur toe te passen en het aantal gevoelige objecten en overige objecten vanaf 37 dB Lden en vanaf 40 dB Lden.

Binnen het STV-perspectief adviseren de leden uit het stadsdeel Zuidoost en de leden vanuit de volkstuinen de gemeente om meer en beter rekening te houden met de ecologische verbinding tussen het IJmeer en Amstelland (via Diemerscheg, Gaasperzoom en Hoge Dijk naar Waver en Botshol), het UNESCO Werelderfgoed De Stelling van Amsterdam en de externe werking daarvan en het grote belang van recreatie aan stranden Hoge Dijk en Gaasperplas en in de Diemerscheg. Het neutraal perspectief ondersteunt delen van het STV-advies m.b.t. de zoekgebieden, te weten: het beter rekening houden met het aantal gevoelige objecten en overige objecten vanaf 37 dB Lden en vanaf 40 dB Lden, en het beter rekening houden met de ecologische verbinding tussen het IJmeer en Amstelland en UNESCO Werelderfgoed De Stelling van Amsterdam en de externe werking daarvan. 1

Inleiding De Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam (SARA) is in 2022 opgericht en bestaat uit inwoners van de gemeente Amsterdam vanuit de verschillende stadsdelen en vertegenwoordigers van omliggende buurgemeenten. De SARA-leden vertegenwoordigen drie perspectieven, die samen de verschillende visies weergeven op de ambitie van de gemeente Amsterdam om in 2030 127 MW aan windenergie binnen haar gemeentegrenzen op te wekken: het initiërend perspectief, het neutraal perspectief, en het strikt toepassen voorzorgsbeginsel-perspectief (STV-perspectief). Ondanks deze drie verschillende zienswijzen, is het het streven van de SARA geweest om een zoveel mogelijk gedragen advies over de plan-MER en het Programma Windenergie Amsterdam (PWA) te geven. Tenzij anders vermeld komen de gegeven adviezen dus de gehele SARA toe. De SARA waardeert dat zij van de gemeente de mogelijkheid heeft gekregen dit advies uit te brengen; de tijd die zowel de ambtenaren als wethouders Pels en Groot-Wassink hebben gestoken in het beantwoorden van vragen; en tot slot het vertrouwen van de gemeente Amsterdam dat blijkt uit het vroegtijdig beschikbaar stellen van de stukken. Wethouder Groot-Wassink heeft aan de SARA gevraagd om, in haar advies, in ieder geval aandacht te besteden aan wat de SARA belangrijk vindt om mee te nemen bij een definitieve keuze voor gebieden in het PWA.

Dat is de insteek bij het opstellen van dit advies geweest. Wat volgt is het SARA-advies op hoofdlijnen. Daarnaast heeft de SARA twee adviezen op detailniveau opgesteld, waarin naar specifieke passages in de plan-MER en PWA-teksten wordt verwezen. In deze adviezen is ook de diversiteit aan perspectieven op de ambitie van de gemeente Amsterdam m.b.t. windenergie weergegeven. Deze adviezen zijn bijgevoegd.

Algemene opmerkingen In de eerste plaats wil de SARA haar waardering uitspreken voor de uitgebreidheid en zorgvuldigheid waarmee de plan-MER door Bosch & van Rijn is opgesteld. De plan-MER geeft veel waardevolle inhoudelijke informatie. De SARA tekent daar wel bij aan dat er een aantal verbeterpunten zijn voor de uitvoering, en het niveau met betrekking tot het in kaart brengen van de natuur-, gezondheids- en landschapseffecten wellicht passend is voor de plan-MER, maar voor de beoordeling van het plaatsen van windturbines in zoekgebieden er een beoordeling op projectniveau noodzakelijk is. Wat betreft het PWA waardeert de SARA de keuze van de gemeente om de haven als prioritair gebied aan te wijzen. De SARA wil ook haar waardering uitspreken om (in ieder geval tot 2030) geen zoekgebieden aan te wijzen in Natura 2000 gebied. De SARA heeft waardering voor de keuze die de wethouder(s) en het RES-team hebben gemaakt om in het PWA vanwege mogelijke geluidsoverlast niet voor de zoekgebieden in de dichtstbevolkte gebieden te kiezen. Tegelijk heeft een deel van de SARA wel zorgen als het gaat om de voorgestelde zoekgebieden in de buurt van recreatievoorzieningen, zorginstellingen en tuinparken, maar ook diverse vogelgebieden en vogeltrekroutes.

Daarnaast waardeert de SARA het dat de gemeente voor geluid criteria hanteert aan de ondergrens van de regelgeving (Ontwerp besluit windturbines Leefomgeving) en gedeeltelijk bovenwettelijke criteria voor natuur. Tegelijk vindt een deel van SARA dat de bovenwettelijke geluidscriteria en de huidige beoordeling en weging van de natuur onvoldoende bescherming biedt. Bijvoorbeeld waar het gaat om de bescherming van recreatiegebieden, zorginstellingen en tuinparken.

2

Tevens wordt vanuit een deel van de SARA opgemerkt dat windturbines zich verder ontwikkelen, steeds stiller worden en met compensatie en mitigatie meer mogelijkheden zijn voor het plaatsen van windturbines. De SARA waardeert dat de gemeente in het PWA de keuze voor het aanwijzen en afvallen van zoekgebieden op basis van de resultaten van de plan-MER zo begrijpelijk mogelijk probeert te beargumenteren. Tegelijk is de weging voor de keuze van de zoekgebieden nog moeilijk te volgen. De SARA geeft hierover verderop een aantal adviezen. Waardering is er verder voor hoofdstuk 4, waarin de SARA veel van de hoofdlijnen van haar adviezen terugziet. De SARA is van mening dat dit hoofdstuk een goede aanzet is. Wel zou een en ander in de ogen van de SARA sturender en duidelijker verwoord moeten worden. Ook dit wordt in een aantal adviezen verder uitgewerkt. De SARA ziet dat belangrijke delen van haar eerdere adviezen door de gemeente zijn overgenomen. De SARA waardeert dat de gemeente de kwaliteit van haar adviezen heeft gezien, wat ook blijkt uit het feit dat deze grotendeels overeenkomen met de adviezen van de Commissie m.e.r.

Dit maakt in de ogen van de SARA duidelijk dat het belangrijk is dat gemeenten en andere overheden luisteren naar en leren van adviezen van burgers, zeker als die gegeven worden door een pluriform adviesorgaan dat gedurende langere tijd met veel interne deskundigheid adviseert over een specifiek onderwerp. Tot slot spreekt de SARA haar waardering uit voor de overzichtelijke en begrijpelijke taal waarin zowel de plan-MER als het PWA zijn opgesteld. Dit stelt zo veel mogelijk inwoners van Amsterdam in staat om tijdens de vervolgfase deze documenten tot zich te nemen en hierover te oordelen, waarbij duidelijke en begrijpelijke kaarten het geheel toegankelijker zullen maken.

SARA-adviezen voor de plan-MER De wethouder heeft de SARA gevraagd om in haar adviezen in ieder geval aandacht te besteden aan wat zij belangrijk vindt om mee te nemen bij een definitieve keuze voor gebieden in het PWA. Daarom is dit waar in het hoofdlijnen-advies de focus op ligt: het PWA. Dat gezegd hebbende, de SARA heeft ook met een scherp oog naar de plan-MER gekeken en deze van commentaar voorzien. Omdat de plan-MER adviezen zich grotendeels op het detailniveau richten – ze hebben betrekking op specifieke passages in de tekst – zijn ze gestructureerd middels een Excel-spreadsheet. Zo konden de adviezen systematisch verwerkt worden, en kunnen de passages waar de adviezen betrekking op hebben goed worden teruggevonden. Voor de SARA-adviezen met betrekking tot de plan-MER verwijzen wij door naar het bijgevoegde Excelbestand Advies op detailniveau plan-MER.

3

SARA-adviezen voor het PWA In het volgende deel geeft de gehele SARA adviezen over het PWA; over deze adviezen is overeenstemming in de verschillende perspectieven. Het betreft hier het advies op hoofdlijnen. Ook voor het PWA heeft de SARA detail-adviezen opgesteld, die betrekking hebben op specifieke passages uit het PWA. Deze vormen een aanvulling op de volgende pagina’s, en zijn te vinden in het bijgevoegde Excel-bestand Advies op detailniveau PWA. Advies 1: stuur actief op prioritering windturbines in de haven De SARA waardeert ten zeerste dat de gemeente kiest voor de haven als prioritair zoekgebied. Helaas moeten er in dit gebied nog een aantal hindernissen overwonnen worden, zoals ook omschreven in het PWA. De SARA leest op dit moment niet duidelijk genoeg terug hoe de gemeente dit denkt te bewerkstelligen, en in welk tijdspad. Zet bestuurlijk vol in op windturbines in de haven en wees in beleid en als aandeelhouder van de haven sturend in het creëren van voldoende ruimte voor windturbines voor de volledige ambitie van Amsterdam. Het gaat om het maken van keuzes tussen plaatsing in industrieel gebied (maatschappelijk voorkeursgebied) ten opzichte van plaatsing nabij natuur en woongebieden. De SARA adviseert daarbij in te zetten op: • • • • • • •

• •

Het gebruik van de 17 nieuwe plekken uit het Bosch & van Rijn-onderzoek uit 2016, waar in 2016/2017 door de gemeente al vergunningen voor zijn aangevraagd. Dit ketste destijds af op nu niet meer van toepassing zijnde provinciale regelgeving Zoveel mogelijk hergebruik van de gesaneerde windturbine-plekken Het invullen van de RES-ambitie door zo groot mogelijke windturbines te plaatsen en daarvoor ontheffingen aan te vragen, zoals ook gebeurd is in de Noorder IJ-plas Het voor de haven loslaten van clustering: solitaire windturbines, tweetallen en drietallen in een vrije opstelling leiden tot meer mogelijkheden in de haven Het verplaatsen van de helihaven naar Schiphol – dat is per slot van rekening al een vliegveld Het prioriteren van ruimte voor windturbines in de haven t.o.v. andere functies/ruimtegebruik Vervroegde re-powering; een project-MER moet uitwijzen hoeveel MW dit oplevert. Zet in op re-powering van oude parken en maak daar ambtelijke capaciteit voor vrij. Denk hierbij ook aan de mogelijkheden om energiehubs te formeren, waarbij de bedrijven hun eigen energie kunnen winnen en daarmee het stroomnet ontlasten. Werk hiervoor samen met het havenbedrijf, de exploitanten van de huidige parken Verhoging, in overleg met Schiphol, van de hoogtebeperkingen om ook in dit gebied hogere turbines mogelijk te maken Het versneld stoppen met de kolenoverslag

De SARA adviseert om duidelijk aan te geven, voorafgaand aan besluitvorming in de raad na de zomer, hoeveel ruimte (in MW) er is in de haven en of ook een volgende stap noodzakelijk is om de gemeentelijke ambitie te halen. Maak die stap afhankelijk van de status van de ingediende initiatieven in de haven. Neem de volgende stap pas als er in de haven niet voldoende initiatieven zijn binnen 2,5 jaar. Dit zorgt voor duidelijkheid.

4

Advies 2: wees duidelijk over de status van de zoekgebieden tot 2030 De SARA is van mening dat de (definitieve dan wel voorlopige) status van de aan- en afgewezen zoekgebieden in het PWA onvoldoende helder wordt beschreven. Deze onduidelijkheid kan tot onnodige onzekerheid leiden bij de inwoners van Amsterdam. Daarom adviseert de SARA het volgende: Leg duidelijk in het PWA vast dat – na besluitvorming in de gemeenteraad – de keuzes voor de aan- en afgewezen zoekgebieden vastliggen tot 2030. Vermijd hierbij bewoordingen als “in principe”. Geef omwonenden van afgewezen zoekgebieden geen valse zekerheid. Geef duidelijk aan dat als de gemeentelijke ambitie van 127 MW tot 2030 gehaald is, er in de overige aangewezen zoekgebieden geen windturbines zullen worden geplaatst. Schrijf duidelijk op dat 127 MW de maximumambitie is voor Amsterdam tot 2030. Geef duidelijk mee aan de inwoners dat een specifiek per zoekgebied te maken project-MER nodig blijft en moet worden goedgekeurd. In deze project-MER moet de exacte locatie van de te plaatsen windturbine(s) en waar nodig aanvullende maatregelen ter voorkoming van hinder beschreven worden. Advies 3: beoordeel de huisjes van de tuinparken met verblijfsstatus hetzelfde als woningen In haar advies op de NRD heeft de SARA geadviseerd tuinhuisjes op tuinparken op dezelfde manier te beoordelen als gewone woningen.

Dat zien we niet terug in de plan-MER en PWA. De SARA adviseert de geluidsnorm voor “gevoelige objecten” ook te hanteren voor alle tuinhuisjes met verblijfsrecreatie op tuinparken en dit ook mee te nemen in de berekeningen van het aantal ernstig gehinderden. De SARA adviseert de gemeente de tuinparken niet als één “overig object” te zien, maar alle tuinhuisjes met verblijfsfunctie als aparte “gevoelig objecten”. Het gegeven dat tuinders 7 tot 8 maanden volcontinu op de tuinen mogen verblijven en een kleine groep (maximaal 10) tuinders volcontinu ook in de winter op de tuinen verblijven voor de beveiliging, benadrukt het belang van dit advies. Advies 4: maak de weging en het afwegingskader duidelijker De precieze stappen die van plan-MER tot de keuzes van de zoekgebieden in het PWA hebben geleid zijn in de ogen van de SARA onvoldoende goed te volgen. De SARA adviseert daarom het toetsingskader en de afweging transparant te maken. De gemeente kan tabel 7 van de plan-MER (pagina 43) als startpunt voor de weging nemen, en vandaaruit het afwegingskader prioriteren. Beargumenteer hoe de bestudeerde aspecten/categorieën (en de minnen en plussen als indicaties daarvan) worden gewogen om tot een keuze te komen, en welke overwegingen meer of minder gewicht hebben in deze keuze. Beschrijf op deze manier de voor de weging gebruikte methodiek.

Relateer dit ook aan de afspraken uit het coalitieakkoord, waarin wordt aangegeven dat ‘onaanvaardbare’ of ‘te veel’ impact op natuur, landschap, recreatie en omwonenden niet acceptabel is. Wat is in het licht van de keuzes onaanvaardbaar, waar ligt deze grens? In het bijzonder vindt de SARA de volgende gevallen beter onderbouwd moeten worden: • • •

Recreatie weegt in de plan-MER bij zoekgebieden minder zwaar dan gezondheid en natuur. Laat in het PWA beter zien hoe recreatie is meegewogen en laat zien waarom hiervoor is gekozen en wat hiervan de consequenties zijn. Met betrekking tot zoekgebieden wordt gesproken over een “aanzienlijke afstand tot woningen”. Specificeer wat aanzienlijk is. In het PWA wordt voor zoekgebieden een optimalisering voorgesteld door mogelijke turbines te verplaatsen. Daarmee worden de bewoners van woningen meer belast dan gebruikers van 5

•

•

tuinparken, of andersom. Beargumenteer beter waarom de gemeente dit een optimalisering vindt. Maak explicieter hoe de sociale aspecten zijn meegewogen in de keuze. Of geef aan waar sociale aspecten en het rapport ‘Sociale aspecten zoekgebieden’ van Antea geen expliciete rol hebben gespeeld bij de afweging. Geef daarnaast aan welke sociale effecten uit de handreiking ‘Sociale effecten in milieueffectrapportage’ van de Commissie m.e.r. zijn onderzocht, en welke effecten niet. Geef ook de redenen aan waarom wel/niet Maak duidelijk, bijvoorbeeld in een tabel, welke onderwerpen (natuurwaarden en regelgeving) niet worden onderzocht in de plan-MER en wat wordt voorgeschreven of aangeraden om te onderzoeken in project-MER. Maak bij dat laatste duidelijk welke punten in project-MER wettelijk verplicht zijn en welke punten door gemeente Amsterdam wordt geadviseerd om verder te onderzoeken. Hierdoor is het voor burgers ook duidelijker welke onderwerpen zij uiteindelijk terug gaan zien in een project-MER.

Advies 5: geef in het PWA expliciet aan hoe de omliggende gemeenten en provincie kijken naar de zoekgebieden langs hun grenzen Weeg de mening van deze omliggende gemeenten en provincie (Utrecht) explicieter mee in de afweging. Ga bijvoorbeeld snel in overleg met de gemeente De Ronde Venen over de mogelijke locaties voor windturbines bij het waternetterrein/Weesperkarspel bij hun werelderfgoed en bij Holendrecht, en met de gemeente Diemen over de mogelijke locaties van windturbines in de Diemerscheg en Diemerknoop. Leg de plan-MER’en van Ronde Venen, Diemen en Amsterdam op elkaar en maak een integrale afweging voor het hele gebied Diemen, Ronde Venen, Amsterdam Zuidoost (inclusief stadsgebied Weesp-Driemond). Neem hierbij ook alle toekomstige ontwikkelingen mee, bijvoorbeeld in de Bloemendalerpolder of Weespersluis. Als alles doorgaat zouden er bij Diemen 10 windturbines kunnen komen. Onderzoek of/hoe dat past bij de draagkracht van het gebied wat betreft gezondheid, natuur, landschappelijke inpassing en recreatie. Let ook op dat er geen hek van windturbines langs de A2/A9, A1, of het Amsterdam-Rijnkanaal komt – dan kunnen de trekvogels er niet meer langs. Hetzelfde geldt voor knooppunt Holendrecht (OuderAmstel en Amsterdam).

Advies 6: kies ook voor bovenwettelijke criteria voor natuur en biodiversiteit Leg in het PWA vast dat de gemeente plaatsing van windturbines in Natura 2000-gebieden uitsluit, evenals directe negatieve invloeden van windturbines (ook buiten de gebieden) die de instandhoudingsdoelen van deze gebieden aantasten. Opmerkelijk is dat bij het onderwerp Natuur en biodiversiteit het PWA niet expliciet kiest voor (andere) belangrijke bovenwettelijke verplichtingen. Neem in het PWA zowel wettelijke als bovenwettelijke criteria mee, zoals geen aantasting van beschermde (vogel/vleermuis) soorten, door hun habitat of routes te veel te verstoren, of aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden, zoals in adviezen aangegeven door Expertgroep en de werkgroep natuur. Leg ook vast dat bij de opzet en beoordeling van de project-MER uitgegaan wordt van de wettelijke zowel als bovenwettelijke verplichtingen voor wat betreft natuur en biodiversiteit. Neem in het PWA tevens op dat – tijdens de beoordeling van de project-MER – de effecten op vogel- en vleermuispopulaties in samenhang met andere gebieden beoordeeld worden, zoals inzake de vlieg- en trekroutes rond gekozen locaties in Zuidoost (inclusief stadsgebied Weesp-Driemond) en de haven. Beschrijf tot slot duidelijker hoe mitigatie, compensatie en optimalisatie eruit kunnen zien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14816341/1