CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bijlage 11 Externe veiligheid.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 13 maart 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan ‘bestemmingsplan ‘Zuidas-Parnas Fred Roeskestraat 55 partiële herziening’ (VN2024-000982)13.051 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 is niet aanwezig langs de rijksweg A10. Dit is weergegeven in tabel 5.15 [6]. Tabel 5.15 De PR-contouren vanaf het midden van de rijbaan

Wegvak

Rijbaan

Situatie

Afstand [in meters] -6 -7 -8 10 10 10

A10 Zuid

Noord

Huidig 2009

0

48

120

Toekomst 2020 GE scenario

0

22

105

Toekomst 2020 max. gebruiksruimte

0

48

121

Huidig 2009

0

25

109

Toekomst 2020 GE scenario

0

16

99

Toekomst 2020 max. gebruiksruimte

0

30

111

[6, tabel 5] Zuid

Groepsrisico In de onderstaande tabel is de hoogte van het groepsrisico per kilometervak opgenomen, voor de huidige situatie in 2009 en de toekomstige situatie 2020 (op basis van het Global Economy scenario en de maximale gebruiksruimte). De ligging van het midden van elk kilometervak wordt getoond op de afbeeldingen 5.25 tot en met 5.27 [6]. Tabel 5.16 Het groepsrisico t.o.v. de oriëntatiewaarde per kilometervak [6, tabel 7]

Noord 2009

Zuid 2009

Noord 2020

Zuid 2020

Noord max. 2020

Zuid max. 2020

Kmvak

Hectometer midden

Hectometer kilometervak

1 2

171 176

166-176 171-181

0.04 0.11

0.00 0.12

0.52 1.27

0.09 4.68

0.78 1.91

0.17 7.02

3 4

181 186

176-186 181-191

0.19 3.50

0.75 0.99

1.01 2.72

6.09 2.91

1.51 4.08

9.14 4.36

5 6

191 196

186-196 191-201

4.28 1.03

1.52 0.61

3.18 1.26

4.76 3.62

4.78 1.89

7.14 5.43

7 8

201 206

196-206 201-211

0.28 0.25

0.38 0.34

0.20 0.17

0.54 0.23

0.30 0.25

0.82 0.34

Voor de noordelijke baan neemt het groepsrisico het meest toe ter hoogte van de projecten Kop Zuidas, Strawinksy, Beethoven en Amsterdam RAI (kilometervak 2 t/m 6). Bij de zuidelijke baan neemt het groepsrisico het meest toe ter hoogte van het Kenniskwartier, Mahler, Ravel en Vivaldi (kilometervak 2 t/m 6).

ARCADIS

40

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

In afbeelding 5.25 is voor de situatie in 2009 de hoogte van het groepsrisico weergegeven5. Afbeelding 5.25 Hoogte groepsrisico in 2009 [6, figuur 10]

In de periode tot 2020 neemt het groepsrisico in het gehele plangebied van de Zuidas toe als gevolg van de realisatie van de beschreven flankprojecten. In afbeelding 5.26 is de toekomstige situatie (2020) weergegeven. Afbeelding 5.26 Hoogte groepsrisico in 2020 o.b.v. global economy scenario [6, figuur 11]

5

De kleur van de bolletjes vertegenwoordigen de waarde van het groepsrisico ten opzichte

van de oriëntatiewaarde (OW) ter hoogte van het betreffende kilometervak.

ARCADIS

41

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

Bij de maximaal mogelijke groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen tot 2020 neemt het groepsrisico ter hoogte van de Zuidas verder toe (zie afbeelding 5.27). De berekende overschrijdingen van de oriëntatiewaarde zijn aangegeven in tabel 5.16. Afbeelding 5.27 Hoogte groepsrisico in 2020 o.b.v. maximale gebruiksruimte [6, figuur 12]

ARCADIS

42

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

HOOFDSTUK

6.1

6

Scenarioanalyse

INLEIDING In het kader van de integrale verantwoording van het groepsrisico is voor de relevante stofcategorieën een scenarioanalyse opgesteld. Het doel van de analyse is het inzichtelijk maken wat er gebeurt bij een ongeval met gevaarlijke stoffen en wat daaruit volgend eventuele maatregelen kunnen zijn. Een scenarioanalyse bestaat uit het beschrijven van het incident, de kans van optreden, het optreden door de hulpdiensten, de invloed op de omgeving en de eventuele effectbeperkende maatregelen. De scenario- en effectbeschrijving en het optreden van de hulpdiensten kan als basis dienen voor een later (multidisciplinair) calamiteitenbestrijdingsplan of crisisbeheersingsplan. Voor de scenarioanalyse wordt beschreven wat de algemene lijn is, die de brandweer hanteert bij het bestrijden van incidenten. De brandweer gaat daarbij uit van een effectbenadering. Dit wil zeggen dat zij alleen kijken naar de effecten van een incident en niet naar de kans van optreden. Vervolgens worden de scenario’s beschreven die kunnen optreden als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Er zijn een drietal scenario’s mogelijk: § Een incident met een tankwagen brandbare gassen (LPG). § Een incident met een tankwagen brandbare vloeistoffen (benzine). § Een incident met een tankwagen toxische vloeistoffen (propylamine). Per scenario wordt beschreven wat de mogelijke effecten zijn.

Tevens wordt beschreven hoe de brandweer voor deze specifieke scenario’s optreedt. Vervolgens wordt per scenario aangegeven welke maatregelen mogelijk zijn.

6.2

WERKWIJZE BRANDWEER De brandweer hanteert een aantal regels voor het optreden bij een brand: § De eigen veiligheid van de brandweermensen. § Het redden van mens en dier. § Het voorkomen van uitbreiden van een brand, bijvoorbeeld door indammen en afdekken en/of de omgeving te koelen. Volgens deze principes worden branden door de brandweer bestreden. Per type calamiteit kan de precieze wijze van inzet veranderen. De brandweer kijkt op basis van het vermogen van een brand wat een veilige afstand is voor de omgeving en de brandweer zelf: § Binnen de contour van 35 kW (warmtestraling) overlijden alle aanwezigen. § Binnen een cirkel van 10 kW kunnen secundaire branden optreden. § Binnen het gebied tussen 3 en 10 kW kan de brandweer optreden gedurende korte periodes.

ARCADIS

43

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

Aanwezige personen worden tot buiten de 1kW contour geplaatst. Dit is een veilige afstand, op deze afstand ondervinden mensen geen letsel van de brand (warmtestraling).

6.3

SCENARIO: TANKWAGEN BRANDBARE GASSEN

Mogelijke scenario’s Voor brandbare gassen zijn de volgende scenario’s mogelijk: Figuur 6.1 Botsing / aanrijding

Scenario’s brandbare gassen

Uitstroming

Fakkel

effect

Gaswolk

Geen explosie

effect

Explosie

effect

Geen effect BLEVE

effect

Een ongevalscenario waarbij een LPG-tankwagen beladen met 50 m3 betrokken is, wordt beschouwd als het worst case scenario. Dit omdat het scenario een zware impact heeft op de omgeving. Qua slachtoffers is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) het maatgevende scenario. Een BLEVE is een explosie die kan optreden als gevolg van een ongeval met brandbaar gas (LPG). De vuurbal heeft een straal van ongeveer 85 meter (windonafhankelijk), binnen deze vuurbal komen alle aanwezigen te overlijden6. Naast deze vuurbal worden ook fragmenten weggeslingerd. Het grootste deel van deze fragmenten komt binnen een straal van 600 meter terecht. Deze fragmenten kunnen leiden tot gewonden. Er vinden over de A10 circa vijf transporten per dag plaats met een LPG-tankwagen. Dit wordt gerelateerd aan de kans op een ongeval7 en de daarbijhorende vervolgkansen. Om deze reden is de kans op dit scenario zeer klein (de wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico ligt op eens in de 1.000.000 jaar).

Inzet hulpdiensten De inzet voor de brandweer is gebaseerd op de bovengenoemde ‘regels’. Bij de melding van een ongeval met een tankwagen met brandbare gassen richt de inzet van de brandweer zich indien verantwoord op het voorkomen (= koelen tank) van een BLEVE. Gedurende de fase dat de brandweer de tankwagen koelt hebben de hulpdiensten de taak om zoveel mogelijk personen uit de 300 meter cirkel te ontruimen, hierbij moet gedacht worden aan automobilisten en aanwezigen in de omliggende kantoren. Tevens dient de omgeving te worden geïnformeerd over de mogelijke effecten en het ‘wat te doen?’. Bij een dreigende BLEVE wordt teruggetrokken tot 300 meter. Na het optreden van een BLEVE wordt binnen het gebied waar gewonden zijn hulp geboden aan deze mensen.

6

De in deze paragraaf genoemde afstanden komen in hoofdlijnen overeen met de afstanden uit de

laatste editie van het Schadescenarioboek [9]. De 100% letaliteitsgrens voor een vuurbal ligt volgens het Schadescenarioboek bijvoorbeeld op 100 meter in plaats van 85 meter. 7

De kans op een ongeval is gerelateerd aan het aantal ongevallen met letsel en is voor externe veiligheid

generiek voor snelwegen, wegen binnen de bebouwde kom en wegen buiten de bebouwde kom.

ARCADIS

44

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

Dit gebeurt tegelijkertijd met het blussen van de (overige) branden. Het aantal mogelijke slachtoffers (gewonden) bepaalt of de brandweer en de geneeskundige hulpverlening in geval van een BLEVE de hulpvraag aankunnen.

Inzet omgeving en maatregel Bij het scenario BLEVE kunnen de volgende bouwkundige maatregelen genomen worden: beperking van glazen puien en vensters en gebouwen gepositioneerd met de korte kant richting de weg. Verder zijn op organisatorisch gebied de volgende maatregelen te treffen, bijvoorbeeld het juist informeren van de omliggende kantoren, de aanwezigheid van een bedrijfshulpverleningsorganisatie (BHV) en het kunnen ontruimen van een gebied van 300 meter. Een landelijke maatregel is dat LPG-tankwagens vanaf 2010 voorzien worden van een ‘coating’, waarmee de kans op een BLEVE afneemt. Tabel 6.16 Maatregelen bij scenario BLEVE

6.4

Scenario

Effect op omgeving

Te treffen maatregelen

LPG BLEVE

Een vuurbal met een straal van 85 meter

Maatregelen aan gebouwen (constructie en positie van gebouwen), bronmaatregelen aan tankwagens en organisatorische maatregelen in het kader van evacuaties

SCENARIO: TANKWAGEN BRANDBARE VLOEISTOFFEN

Mogelijke scenario’s Figuur 6.2 Scenario’s brandbare vloeistoffen

Bij een ongeluk met een benzinetankwagen met 23 ton ontstaat conform het model RBMII een plas met een straal van maximaal 23 meter. Het effect hiervan is tot op 30 meter merkbaar (warmtestraling). Of deze plas zich zo kan ontwikkelingen heeft te maken met de ondergrond. Indien de ondergrond poreus is, wordt een groot deel geabsorbeerd. De A10 ter hoogte van de Zuidas ligt grotendeels op een talud. Afhankelijk van de locatie van het ongeval kan een vloeistofplas van het talud stromen. Doordat het talud in de meeste gevallen een absorberende ondergrond kent, is de verwachting dat de oppervlakte van een plas onder het maximum van 23 meter blijft. Per dag rijden er 27 van deze transporten langs het plangebied. Dit wordt gerelateerd aan de kans op een ongeval8 en de daarbij horende vervolgkansen. Om deze reden is de kans op dit scenario klein.

Inzet hulpdiensten De inzet voor de brandweer is gebaseerd op de bovengenoemde ‘regels’. Na de eigen veiligheid en het redden van mens en dier, wordt ingezet op plasbeperking. Dit betekent

8

De kans op een ongeval is gerelateerd aan het aantal ongevallen met letsel en is voor externe veiligheid

generiek voor snelwegen, wegen binnen de bebouwde kom en wegen buiten de bebouwde kom.

ARCADIS

45

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

indammen en afdekken. De directe omgeving wordt gekoeld, waardoor er voor gebouwen nabij de vuurhaard extra tijd is om te ontruimen, indien nodig.

Inzet omgeving en maatregel Voor dit scenario zijn wel bouwkundige maatregelen mogelijk. Bijvoorbeeld door op de weg te zorgen dat de plas niet kan uitstromen. Dit kan bereikt worden middels de aanleg van afschermende (geluids-)schermen. Een andere bouwkundige maatregel is dat gebouwen niet binnen 30 meter van de weg staan, gemeten van de rand van de rechter- of linkerrijstrook. Langs de A10 Zuid ter hoogte van de Zuidas ligt alleen een parkeergarage ten westen van het Zuidplein binnen 30 meter van de rijksweg. Tot op heden is er geen bebouwing gepland binnen deze zone. Verder is het van belang dat BHV-organisaties in de eerste rij gebouwen vanaf de A10 weten wat er kan gebeuren en vervolgens ook weten of een gebouw ontruimd moet worden. Tabel 6.17 Maatregelen bij scenario plasbrand

6.5

Scenario Plasbrand

Effect op omgeving Tot 30 meter afstand in direct bereik van de vlam

Te treffen maatregelen Aanleg van afschermende (geluids-)wallen. Geen gebouwen realiseren binnen 30 meter van de A10. BHV’ers in de eerste rij gebouwen vanaf de A10 instrueren op dit scenario.

SCENARIO: TANKWAGEN TOXISCHE VLOEISTOFFEN

Mogelijke scenario’s Toxische vloeistoffen kennen de volgende scenario’s: Figuur 6.3 Scenario’s toxische vloeistoffen

Bij een ongeluk met een tankwagen beladen met 23 ton propylamine kan toxische damp vrijkomen die schadelijk is voor mensen. Een damp kan zich verspreiden door de lucht. De mate van verspreiding is afhankelijk van de windrichting en windsnelheid. Voor de Zuidas is de kans van optreden van dit scenario zeer klein, met 29 transporten per jaar. Het heeft echter wel gevolgen voor het gehele gebied. Mensen in de buitenlucht hebben een grotere kans op overlijden dan de mensen in een gebouw.

Inzet hulpdiensten De inzet voor de brandweer is gebaseerd op de bovengenoemde ‘regels’. Bij een ongeval met een toxische stof ligt de prioriteit op het bepalen van het effectgebied. In eerste instantie wordt een groot blok in de windrichting afgezet. Dit wordt gedaan op basis van adviezen van de adviseur gevaarlijke stoffen (AGS) van de brandweer en de Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GOHR). Het effectgebied is gebaseerd op metingen uit het veld en kennis van de AGS of de GAGS (geneeskundig adviseur gevaarlijke stoffen). Het gebied kan worden verkleind door inzet van meetploegen. Op advies van de minister is het verder raadzaam om bij een toxische wolk de sirene niet in werking te stellen, maar middels geluidswagens te waarschuwen met het bericht ‘Sluit ramen en deuren’.

ARCADIS

46

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

Inzet omgeving en maatregel De aanwezige leden van de BHV hebben een instructie gehad hoe om te gaan met dit scenario. Tabel 6.18

Scenario

Effect op omgeving

Te treffen maatregelen

Maatregelen bij scenario

Toxische damp

1%letaliteit op ca 600 meter

De aanwezige BHV’ers zijn op de hoogte van dit scenario en weten wat ze moeten doen

toxische damp

ARCADIS

47

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

HOOFDSTUK

7.1

7

Richtlijnen verantwoording

INLEIDING In dit hoofdstuk zijn richtlijnen gegeven voor het doorlopen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico voor de flankprojecten van de Zuidas. De verantwoordingsplicht bestaat uit de onderstaande stappen: § vaststellen van de risico’s van de huidige situatie (paragraaf 7.3); § vaststellen van de risico’s na realisatie van de nieuwe plannen (paragraaf 7.3); § maatregelen ter beperking van de risico’s (paragraaf 7.4); § mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid (paragrafen 7.5 en 7.6). De input voor deze richtlijnen wordt gegeven door de voorgaande hoofdstukken.

7.2

UITGANGSPUNTEN De belangrijkste uitgangspunten voor de richtlijnen zijn in deze paragraaf samengevat: §

de meegenomen flankprojecten zijn de Amsterdam RAI, Beethoven, Frederik

Roeskestraat, Gershwin, Ravel (inclusief Parkrand), Strawinsky, Vivaldi en Kenniskwartier;

7.3

§

het onderzoek is dokonafhankelijk;

§

de risicobron is het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A10 Zuid;

§

op basis van de risicoanalyse van AVIV, geactualiseerd in 2009 [6].

RISICO’S IN DE HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE

Plaatsgebonden risico In de risicoanalyse van AVIV is geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 berekend voor de A10 [6]. Dit is weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 7.19 De PR-contouren vanaf het midden van de rijbaan

Wegvak

Rijbaan

Situatie

Afstand [in meters] -6 -7 -8 10 10 10

A10 Zuid

Noord

Huidig 2009

0

48

120

Toekomst 2020 GE scenario

0

22

105

Toekomst 2020 maximale gebruiksruimte

0

48

121

Huidig 2009

0

25

109

Toekomst 2020 GE scenario

0

16

99

Toekomst 2020 maximale gebruiksruimte

0

30

111

[6, tabel 5]

Zuid

ARCADIS

48

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

Groepsrisico In de periode 2009-2020 neemt het groepsrisico toe als gevolg van de realisatie van de flankprojecten en overschrijdt de oriëntatiewaarde op verschillende plaatsen langs de Zuidas [6]. In hoofdstuk vijf is een uitgebreid ingegaan op de hoogte van de overschrijdingen van de oriëntatiewaarde ter hoogte van de verschillende flankprojecten.

7.4

VOORGESTELDE MAATREGELEN De voorgestelde maatregelen ter beperking van het groepsrisico zijn op te delen in drie groepen; bronmaatregelen, effectmaatregelen en maatregelen voor zelfredzaamheid. In de ruimtelijke onderbouwing van een flankproject wordt aangegeven welke maatregelen getroffen kunnen worden. De hieronder genoemde maatregelen zijn niet uitputtend. Voor flankprojecten kan besloten worden om geen of andere (eventueel aanvullende) maatregelen te implementeren ter beperking van het groepsrisico.

7.4.1

BRONMAATREGELEN

Routering vervoer van gevaarlijke stoffen Met betrekking tot het vervoer heeft de gemeente Amsterdam het voornemen dat het maatgevend vervoer (GF3) niet meer over de ring A10 Zuid plaatsvindt. Dit zal na ingebruikname van de Westrandweg9 leiden tot een verlaging van het groepsrisico. Het kunnen uitsluiten van het vervoer van brandbare gassen is afhankelijk van de aanleg van de Westrandweg. De routering van het vervoer van LPG via de Westrandweg is een oplossingsrichting uit het landelijk Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg [5]. Hiervoor zijn door Rijkswaterstaat en de gemeente Amsterdam diverse onderzoeken uitgevoerd, zoals: §

Mer Westrandweg (2004).

§

Onderzoek regioroutering VGS Noordvleugel (2006).

§

Mer Schiphol Amsterdam Almere (2007/2008).

De routering dient na realisatie van de Westrandweg vastgesteld te worden, zodat het maatgevende scenario voor brandbare gassen kan worden uitgesloten langs de A10. Dit is niet per definitie gebonden aan de keuze voor het realiseren van het Dok. De gemeente Amsterdam is voornemens om een routering vast te stellen voor het vervoer van LPG via de Westrandweg.

Ontwikkeling Dok Ten tijde van het opstellen van deze verantwoording is het besluit om het Dok te realiseren nog niet genomen. De realisatie van het Dok verbetert de situatie ten aanzien van de externe veiligheid voor de flankprojecten. Met een ondertunneling van de A10 ter hoogte van de flankprojecten is deze rijksweg geen risicobron meer.

9

De ingebruikname van de Westrandweg is voor 2013 gepland.

ARCADIS

49

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

7.4.2

EFFECTMAATREGELEN Effectgerichte maatregelen zijn voornamelijk bouwkundig van aard. Deze maatregelen zijn gericht op het reduceren van het aantal gewonden, als gevolg van brand of explosies. In hoofdstuk 6 zijn ter beperking van een plasbrand en voor het vrijkomen van toxische dampen bouwkundige maatregelen voorgesteld. De aanleg van geluidschermen kan bijvoorbeeld de uitstroming van een plas brandbare vloeistoffen beperken. Een eventuele andere bouwkundige maatregel is dat geprojecteerde gebouwen op meer dan 30 meter van de weg worden geplaatst (buiten het invloedsgebied van een plasbrand), gemeten vanaf de rand van de linker- of rechterrijstrook. In het plangebied van de Zuidas zijn op dit moment geen gebouwen gepland binnen 30 meter van de A10 Zuid.

7.5

MOGELIJKHEDEN VOOR ZELFREDZAAMHEID Met betrekking tot zelfredzaamheid wordt gekeken naar de zelfredzaamheid van mensen en de mogelijkheden om te kunnen vluchten. De mate van zelfredzaamheid wordt bepaald aan de hand van de mate waarin mensen zelfstandig kunnen besluiten te vluchten en tevens in staat zijn te vluchten. Kinderen, ouderen en minder validen zijn voorbeelden van verminderd zelfredzame mensen. Bij flankprojecten waar de aanwezigheid van deze groepen personen verwacht kan worden, zal extra aandacht moeten worden besteed aan het aspect zelfredzaamheid bij de verantwoording van het groepsrisico.

Voldoende bedrijfshulpverleners In de kantoren en voorzieningen dienen voldoende bedrijfshulpverleners aanwezig te zijn met voldoende bijgehouden kennis om in het geval van een calamiteit adequaat te kunnen optreden. Deze gebouwen kunnen dan snel en onafhankelijk van de hulpdiensten geëvacueerd worden. Gebouwuitgangen haaks op de risicobron De mogelijkheden om een pand te verlaten zijn ook van belang in het kader van zelfredzaamheid. Voorgesteld wordt dat aanwezigen het gebouw en vervolgens het gebied in tegengestelde richting van de A10 kunnen ontvluchten. Gebiedsontsluiting In de ruimtelijke inventarisatie is verder per flankproject de ontsluiting beschreven van het langzaam en het gemotoriseerd verkeer. Voor de zelfredzaamheid is het van belang dat aanwezigen het gebied via een andere route kunnen ontvluchten dan de aanrijdroute van de hulpdiensten. Bij drie flankprojecten vormt de ontsluiting van het plangebied een aandachtspunt. Dit zijn de projecten Beethoven, Frederik Roeskestraat en Amsterdam RAI. Bij de verdere uitwerking van de plannen voor deze flankprojecten is het van belang dat er tenminste twee ontsluitingswegen zijn voor motorvoertuigen en dat voetgangers en fietsers het gebied op meerdere manieren kunnen ontvluchten.

ARCADIS

50

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

7.6

HULPVERLENING Voor de hulpverlening wordt gekeken naar: §

de bereikbaarheid van het gebied;

§

de aanwezige bluswatervoorzieningen;

§

de capaciteit om het maatgevende scenario aan te kunnen.

Deze onderdelen zijn in het voorgaande hoofdstuk nader toegelicht.

Bereikbaarheid Bij de mogelijkheden voor zelfredzaamheid is al stilgestaan bij de ontsluiting. Het is aan te bevelen dat een plangebied via twee routes bereikbaar is voor motorvoertuigen. Eén ingang voor de hulpdiensten om het gebied te bereiken en één uitgang voor de vluchtenden om het gebied te verlaten. Zoals aangegeven vormt de ontsluiting van het gemotoriseerd verkeer bij de flankprojecten Beethoven, Frederik Roeskestraat en Amsterdam RAI een aandachtspunt. Bluswatervoorziening In hoofdstuk zes is kort ingegaan op de inzet van bluswater bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Uit de notitie van de gemeente Amsterdam blijkt dat de aanwezigheid van voldoende bluswater een aandachtspunt is voor ontwikkeling van de Zuidas [11]. Naast de algemene bluswatervoorziening op de Zuidas, moeten ook de individuele gebouwen beschikken over voldoende blusvoorzieningen. Hiertoe moet overleg plaatsvinden tussen de ontwerpers en de brandweer. De discussie over de bluswatervoorzieningen in het plangebied van de Zuidas is nog gaande. Dit wordt meegenomen in de Themagroep Water van de Dienst Zuidas Amsterdam en hierover wordt overleg gevoerd met de brandweer.

Hulpverleningscapaciteit Het aantal mogelijke slachtoffers (gewonden) bepaalt of de brandweer en de geneeskundige hulpverlening in geval van het maatgevende scenario, een BLEVE, de hulpvraag aankunnen. Opschaling vindt plaats wanneer dit noodzakelijk geacht wordt. De brandweer en de geneeskundige hulpverlening kunnen in de huidige situatie aan maximaal 200 – 250 slachtoffers hulp bieden in een bepaald gebied. Dit is gebaseerd op de Leidraad Maatramp en de Leidraad Operationele Prestaties. Door de realisatie van de flankprojecten neemt de hulpvraag bij incidenten toe. Hiermee stijgt ook de kans dat de hulpvraag bij een ongeval met gevaarlijke stoffen het hulpaanbod overschrijdt.

ARCADIS

51

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

HOOFDSTUK

8

Conclusie

Langs de A10 Zuid is geen plaatsgebonden 10-6 contour berekend als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Zelfs bij een maximale benutting van de gebruiksruimte in 2020 is er geen plaatsgebonden 10-6 contour aanwezig (zie ook paragraaf 5.2). Het vervoer van gevaarlijke stoffen legt daarmee geen ruimtelijke belemmeringen op aan de ontwikkeling van de flankprojecten. De realisatie van de programma’s van de flankprojecten leidt wel tot een toename van het groepsrisico en tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde ter hoogte van verschillende flankprojecten. Om deze reden zijn richtlijnen opgesteld voor de verantwoording van het groepsrisico. Daarbij zijn maatregelen voorgesteld ter beperking van de risico’s en is gekeken naar mogelijkheden voor zelfredzaamheid en hulpverlening. Hiervan kan gebruik worden gemaakt voor de bestemmingsplannen van de flankprojecten Voor de overschrijding van het groepsrisico van de A10 Zuid is in de eindrapportage Basisnet Weg een oplossing gegeven, namelijk de routering van het vervoer van LPG via de Westrandweg [5]. Na ingebruikname van de Westrandweg10 is de gemeente Amsterdam voornemens om het vervoer van LPG te verplaatsen van de A10 Zuid naar de Westrandweg door middel van een routeringsbesluit. Een andere maatregel is de mogelijke ondertunneling van de A10 Zuid.

Ten tijde van het opstellen van deze verantwoording is het besluit om het Dok te realiseren nog niet genomen. Door een ondertunneling van de A10 Zuid ter hoogte van de flankprojecten is deze rijksweg geen risicobron meer. Een andere eventuele maatregel is dat geprojecteerde gebouwen niet binnen 30 meter van de A10 staan, gemeten vanaf de rand van de linker- of rechterrijstrook. De huidige plannen voor de flankprojecten voldoen aan deze voorwaarde. Daarnaast kunnen aangebrachte geluidschermen ook de uitstroming van een plas brandbare vloeistoffen beperken. Voor de zelfredzaamheid is de ontsluiting van de flankprojecten en de ligging van de gebouwuitgangen een belangrijk aandachtspunt. Aanwezigen moeten het plangebied haaks op de risicobron kunnen ontvluchten. Daarbij moeten zij het gebied via een andere route kunnen ontvluchten dan de aanrijdroute van de hulpverleningsdiensten. Een ander aandachtspunt is de hulpverleningscapaciteit. Zoals aangegeven in paragraaf 7.6 kan de capaciteit van de hulpverleningsdiensten onvoldoende blijken bij een BLEVE (een ongeval met LPG of andere brandbare gassen). De kans is echter bijzonder gering dat een BLEVE optreedt. Daarbij komt dat bouwen in de nabijheid van een snelweg niet uniek is, maar zich voordoet op verschillende plekken in de stad.

10

De ingebruikname van de Westrandweg is voor 2013 gepland.

ARCADIS

52

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

Uit de notitie van de gemeente Amsterdam blijkt dat de discussie over de algemene bluswatervoorziening in het plangebied de Zuidas nog gaan is. De brandweer is betrokken in dit proces. Ook moet nog overleg plaatsvinden tussen ontwerpers en brandweer over de bluswatervoorziening op gebouwniveau. Ter afsluiting worden een aantal aandachtspunten gegeven in het kader van externe veiligheid. Het is van belang om deze punten op te nemen in de verantwoording van het groepsrisico voor het betreffende flankproject. Samengevat zijn dit: §

het voornemen om het vervoer van LPG over de A10 Zuid te verplaatsen naar de Westrandweg door middel van een routeringsbesluit;

§

de aanbeveling om de vluchtroutes van gebouwen haaks op de A10 Zuid te oriënteren;

§

de toetsing op de bereikbaarheid;

§

de algemene bluswatervoorziening;

§

de afstemming tussen ontwerpers en brandweer met betrekking tot de bluswatervoorziening in de gebouwen.

ARCADIS

53

EXTERNE VEILIGHEID OP DE ZUIDAS

BIJLAGE

1

Referenties 1 2

Circulaire Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen, Tweede Kamer, Staatscourant december 2009 Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen, Tweede kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24611

3

Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen, ministerie VROM, Staatscourant mei 2004

4

Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico, ministerie VROM, november 2007

5

Eindrapportage Basisnet Weg, Hoofdrapport, Basisnet werkgroep weg, oktober 2009

6

Actualisatie Externe veiligheid A10- Zuidas, AVIV in opdracht van gemeente Amsterdam, d.d. 9 september 2009

7

Tellingen vervoer gevaarlijke stoffen op de weg, Rijkswaterstaat DVS, 2006

8

Toekomstverkenning vervoer gevaarlijke stoffen over de weg 2007, Rijkswaterstaat AVV en Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid, mei 2007

9

Standaardscenario’s en bluswaterpakket, brandweer Amsterdam-Amstelland

10

Schadescenarioboek tweede editie, Ministerie van Binnenlandse Zaken, maart 1994

11

Bluswatervoorzieningen in de Zuidas, stuurgroep Menz, gemeente Amsterdam, definitief concept, februari 2008

ARCADIS

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13859742/1