4d. Zuidas Kop Zuidas 2018, 1e herziening_vastgesteld_1_Bijlagen.pdf
Tekst van het document
blad 24 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
plaats van het vaststellen van de richtlijnen zijn uitgangspunten voor de reikwijdte en het detailniveau van het MER vastgesteld. Met de nieuwe m.e.r.-wetgeving is de verplichting om een meest milieuvriendelijk alternatief te beschouwen komen te vervallen. Tevens geldt dat er geen aanvaardbaarheidsbeoordeling hoeft plaats te vinden. tabel 3 Huidige m.e.r.-procedure versus de 'oude' m.e.r.-procedure
'Oude' regelgeving m.e.r.-procedure voor projecten (tot 01-07-2010) Opstellen startnotitie Openbaar maken startnotitie Zienswijzen indienen + raadplegen wettelijke adviseurs Richtlijnenadvies Commissie m.e.r. Vaststellen richtlijnen door bevoegd gezag Opstellen MER, MMA verplicht Aanvaardbaarheidsbeoordeling Openbaar maken MER + opsturen aan de wettelijke adviseurs, incl. Commissie m.e.r Zienswijzen indienen Verplicht toetsingsadvies Commissie m.e.r. Besluit nemen, inclusief motivering + bekendmaken besluit Evaluatie
'Nieuwe' regelgeving uitgebreide m.e.r.-procedure voor projecten (vanaf 01-07-2010) Openbare kennisgeving Zienswijzen indienen + altijd raadplegen adviseurs en betrokken overheidsorganen over reikwijdte en detailniveau Verplichting Commissie m.e.r. vervalt, vrijwillig advies is mogelijk Vaststellen uitgangspunten reikwijdte en detailniveau Opstellen MER, MMA niet verplicht Vervalt Blijft hetzelfde Blijft het zelfde Blijft hetzelfde Blijft hetzelfde Blijft hetzelfde
In figuur 3 is de m.e.r.-procedure geschematiseerd weergegeven. Per stap is aangegeven welke partijen betrokken zijn.
figuur 3 Stappen in de m.e.r.-procedure
blad 25 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
2.5
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Koppeling van het MER aan een ruimtelijk besluit Een m.e.r.-procedure is altijd gekoppeld aan een juridisch overheidsbesluit. In dit geval gaat het om het vaststellen van één of meerdere ruimtelijke besluiten. Deze m.e.r.procedure geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die beschreven worden in het MER. De m.e.r.-procedure en de publicatie van het MER Zuidas -de Flanken worden formeel gekoppeld aan het eerste concrete ruimtelijke besluit dat in ontwerp ter inzage zal worden gelegd en zal worden vastgesteld. Daarna kan voor de volgende ruimtelijke plannen, die inhoudelijk zijn betrokken in deze m.e.r.-procedure, onder voorwaarden2 verwezen worden naar het MER voor de Zuidas - Flanken. Op dit moment is voor de Flanken een aantal ruimtelijke besluiten in voorbereiding.
2.6
Gebruik maken van adviezen en zienswijzen uit het voortraject Op 28 april 2010 is kennis gegeven van de startnotitie milieueffectrapportage (m.e.r.) ten behoeve van de ontwikkeling van de Flanken Zuidas. Met ingang van 29 april 2010 heeft deze startnotitie gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen, met de mogelijkheid daarover zienswijzen naar voren te brengen. Er is een elftal zienswijzen binnengekomen. Tevens is de startnotitie aan de wettelijk adviseurs toegezonden met de mogelijkheid een advies uit te brengen. Van drie instanties zijn adviezen ontvangen. Per brief van 26 april 2010 is de startnotitie aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie) toegezonden, met het verzoek een advies uit te brengen over het geven van richtlijnen. Tevens zijn zo spoedig mogelijk na ontvangst ook de zienswijzen en adviezen aan de Commissie doorgezonden. Per brief van 7 juli 2010 heeft de Commissie advies uitgebracht (Advies voor de richtlijnen voor het milieueffectrapport, 7 juli 2010 / rapportnummer 2425-51). Middels een Nota van Beantwoording heeft de gemeente Amsterdam aangegeven op welke wijze met deze adviezen en zienswijzen wordt omgegaan. Diegenen die een zienswijze naar voren hebben gebracht, zijn daarover op de hoogte gebracht. Alle adviezen van de Commissie m.e.r. zijn overgenomen en verwerkt in dit MER.
2
Dit is het geval zolang het MER beschouwd kan worden als actueel en de plannen niet dermate afwijken van hetgeen in het MER aangenomen is, dat afwijkende milieueffecten te verwachten zijn.
blad 26 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
3
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Voorgenomen activiteiten, referentiesituatie en alternatieven In dit hoofdstuk is een nadere beschrijving van de voorgenomen activiteiten opgenomen. Daarnaast is ook beschreven welke alternatieven en varianten onderzocht zijn. Dit hoofdstuk begint met een beschrijving van de gehanteerde referentiesituatie.
3.1
Referentiesituatie In dit MER zijn de effecten van de voorgenomen plannen vergeleken met de referentiesituatie. Met de referentiesituatie wordt bedoeld: de huidige situatie en de autonome ontwikkeling samengenomen. Hierdoor ontstaat een beeld van het plangebied in de toekomst, zonder uitvoering van nieuwe ontwikkelingen. De autonome ontwikkeling bestaat uit de reeds vastgestelde (ruimtelijke) plannen voor het gebied. De referentiesituatie heeft betrekking op het jaar 2020. De voorgenomen ontwikkelingen worden gefaseerd gerealiseerd, waarbij ook na 2020 nog realisatie van de plannen zal plaatsvinden. In dit MER is uitgegaan van volledige realisatie van alle plannen in 2020. Door deze ontwikkelingen nu reeds in 2020 te projecteren wordt in dit MER een worstcase benadering gehanteerd. De referentiesituatie is gebaseerd op de zogenaamde autonome ontwikkeling van het gebied. Ruimtelijke plannen, waarover reeds juridische (en onherroepelijk geworden) besluitvorming heeft plaatsgevonden, zijn in de referentiesituatie meegenomen. Het gaat hierbij onder andere om de reeds gerealiseerde programma's in Mahler, Gershwin en Kop Zuidas, en over programma's, die volgens de vigerend bestemmingsplannen reeds mogelijk zijn, zoals met name in de noordflank het geval is.
Daarnaast is voor het Van den Ende theater reeds een m.e.r.-procedure doorlopen en ligt er met betrekking tot het programma van het theater een onherroepelijke vrijstelling, waarmee deze ook onder de referentiesituatie valt. In de huidige situatie is de Zuidas een gebied met wonen, kantoren, instellingen, tentoonstelling- en congresruimte, sportterreinen, recreatiemogelijkheden, groen en infrastructuur. Per deelgebied verschillen de functies ten opzichte van elkaar. Voor het grootste deel van het gebied ten zuiden van de A10 is het Bestemmingsplan Buitenveldert het vigerende bestemmingsplan. Voor een klein deel van dit gebied geldt het bestemmingsplan Karel Lotsylaan/Noordoostkwadrant. Ten noorden van de A10 geldt een groter aantal bestemmingsplannen. In tabel 4 zijn de vigerende bestemmingsplannen en de functies die hoofdzakelijk voor de verschillende deelgebieden gelden weergegeven. tabel 4 Vigerende bestemmingsplannen en geldende functies in de verschillende deelgebieden
Deelgebied Kenniskwartier Noord Mahler
Gershwin Ravel Vivaldi (incl.
blad 27 van 126
Bestemmingsplan Buitenveldert Buitenveldert Karel Lotsylaan / Noordoostkwadrant Buitenveldert Buitenveldert Buitenveldert
Functies medische instellingen, recreatiemogelijkheden, groen en sport recreatiemogelijkheden, sport en groen kantoren recreatiemogelijkheden, sport en groen recreatiemogelijkheden, sport en groen bedrijfsgebouwen,
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Parkrand) Kop Zuidas RAI Beethoven
Strawinsky
3.2
Kop Zuidas RAI e.o. Zuideramstelkanaal UP in hoofdzaak RAI e.o. Prinses Irenestraat e.o. en herziening Zuidplein
Rechtbank e.o.
Prinses Irenestraat e.o. en herziening
Fred Roeskestraat
Scholenstrook Fred Roeskestraat Kop Fred Roeskestraat Zuidstrook
openbare gebouwen en gebouwen met een bijzondere functie, kantoorgebouwen kantoren, wonen tentoonstellings- en congresruimte woonhuizen, andere gebouwen en onderwijsinstellingen groen en mogelijkheid gemeentewerf
kantoorbebouwing parkeervoorziening wereldhandelscentrum met publieksvoorzieningen, exclusief parkeren openbare gebouwen en gebouwen met bijzondere functies (rijksverzamelgebouw, kantongerecht, kindertehuis en uitvaartcentrum (herziening) onderwijsinstellingen kantoren kantoren en uitvaartcentrum
Voorgenomen activiteiten bij de Zuidas - Flanken De voorgenomen activiteit bestaat uit het (verder) ontwikkelen van de Zuidas te Amsterdam. Voor een langlopende ontwikkeling als dat van de Zuidas - Flanken kan aanpassing van het programma in de toekomst wenselijk zijn. Enige flexibiliteit is dan ook nodig. Een beperkte programmatische herverdeling tussen deelgebieden dient mogelijk te zijn. In de uitgevoerde verkeersstudie is een globale verdeling gemaakt van het te realiseren programma over de noordflank en de zuidflank. Daarnaast geeft ook het alternatief (zie paragraaf 3.3) waar sprake is van 115% realisatie meer vrijheid om tot een beperkte herverdeling tussen gebieden te komen. Een deel van het totale programma, zoals opgenomen in paragraaf 1.2.1, tabel 2, is inmiddels gerealiseerd, en daarmee te beschouwen als de referentiesituatie. Deze programma’s maken geen deel meer uit van de (nog) voorgenomen activiteit. In tabel 5 is opgenomen welke activiteiten er nog ontplooid gaan worden en als zodanig in het MER beschouwd moeten worden. Na het opstellen van de Startnotitie hebben enkele wijzigingen plaatsgevonden in de plannen ten aanzien van het totale te realiseren aantal m2.
Het verschil tussen de voorgenomen activiteiten zoals beschreven in de Startnotitie en het programma zoals in tabel 5 is opgenomen valt te verklaren doordat na de startnotitie enkele concept uitvoeringsbesluiten aangepast zijn. De verschillen met de aantallen m2 in de startnotitie zijn overigens gering. tabel 5 De voorgenomen activiteit
MER
Aantal bvo woningen (m2)
Kantoren bvo m2
Voorzieningen bvo m2
Totaal m2
ca. 697.000 m2
ca. 635.000 m2
ca. 237.000 m2
ca. 1.569.000 m2
In de tabel 5 is de netto toevoeging van woningbouwprogramma (incl. geprognosticeerd m2 woningen), kantooroppervlak en voorzieningenoppervlak weergegeven. Er wordt dus in totaal ruim 1,5 miljoen m2 aan nieuwe woningen, kantoren en voorzieningen mogelijk gemaakt. De functie voorzieningen kan diverse activiteiten omvatten. In de diverse Uitvoeringsbesluiten wordt per deelgebied veelal meer concreet aangegeven welk type voorzieningen het betreft. Het gaat daarbij onder andere om functies zoals onderwijs, musea, hotels, horeca en detailhandel.
blad 28 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Het aantal vierkante meters voor woningen is per deelgebied in eerste instantie gebaseerd op de aanname van 125 m2 per woning (deze aanname is in de visie Zuidas 2009 gehanteerd). Echter in het gebied worden ook studentenwoningen mogelijk gemaakt, waarbij een kleiner aantal m2 per woning wordt gehanteerd. Dit is ook verwerkt in het totale aantal m2 dat gehanteerd is in dit MER. Bij de verdere planuitwerking wordt hier nader invulling aan gegeven. Studentenwoningen worden in de beoordeling of een activiteit m.e.r.-plichtig is als gewone woningen meegenomen. Voor de berekeningen ten behoeve van de verkeersontwikkeling is een verdeling van de totale ontwikkeling per deelgebied bepaald, zie voor de ligging van de deelgebieden figuur 2. Hoewel het MER betrekking heeft op de ontwikkeling als geheel, is de verdeling van de verschillende functies voor een aantal van de milieuaspecten evenzeer van belang.
3.3 3.3.1
Alternatieven en varianten Drie alternatieven voor de Flanken In een milieueffectrapportage moet onderzoek worden gedaan naar de milieugevolgen van de mogelijke manieren waarop de voorgenomen activiteit gerealiseerd kan worden. Deze mogelijkheden worden in een MER aangeduid als alternatieven. In principe moeten in een MER alle 'redelijkerwijs te beschouwen' alternatieven aan de orde komen. De alternatieven gaan, voor wat betreft de ontwikkeling van de Flanken van de Zuidas, uit van de ruimtelijke hoofdstructuur zoals die is beschreven in de Visie Zuidas (2009). De hoofdlijnen van de ruimtelijke structuur (ontsluitingsstructuur, deelgebieden) zijn daarmee voor alle alternatieven gelijk. Er is in het MER dus niet gekeken naar een wezenlijk andere (stedenbouwkundige) indeling van het plangebied. Voor de Zuidas lag de locatie en de keuze voor een grootstedelijke ontwikkeling met hoge dichtheid immers reeds voor de uitvoering van de m.e.r.-procedure vast. Naast een ontwikkeling volgens het voorgestelde programma zijn ook alternatieven meegenomen met een minder groot en met een groter programma, namelijk een alternatief met 85% van het programma en een met 115% van het voorgestelde programma. Deze twee alternatieven geven een bandbreedte van de gevolgen van een grotere en kleinere ontwikkeling.
Beide percentages bevinden zich in de redelijk te verwachten ontwikkeling van de Zuidas in het komende decennia. Mocht door onverwachte omstandigheden het programma sterker dalen dan geanticipeerd dan gelden de uitgangspunten in dit MER als een worst-casebenadering. De drie alternatieven die voor de ontwikkeling van de Zuidas beschouwd worden in het MER zijn: alternatief 1 (basisalternatief): realisatie van het totale programma (conform tabel 5); alternatief 2 (alternatief minimaal): een verlaging met een factor 0.85 van het totale programma. alternatief 3 (alternatief maximaal): een verhoging met een factor 1.15 van het totale programma.
blad 29 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Bij ieder van de drie alternatieven wordt uitgegaan van 100% realisatie van het programma voor de VU en het VUmc. Voor de (milieu)thema's verkeer, luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid is dit van belang, omdat de verkeersbijdrage van VU/VUmc ook meegenomen is bij de drie alternatieven voor de Flanken. In deel B wordt hier uitgebreid op ingegaan bij de diverse thema's. Er is in deel B ook een alternatief meegenomen waar alleen 100% van de Flanken gerealiseerd wordt en er geen ontwikkeling van VU/VUmc plaatsvindt. In hoofdstuk 11: Conclusies en optimalisatie wordt op de impact van VU/VUmc op de ontwikkeling bij de Flanken nader ingegaan. Voor de (milieu)thema's die in deel A staan wordt ook uitgegaan van realisatie van de ontwikkelingen bij de VU en het VUmc, maar wordt specifiek ingegaan op de impact van de ontwikkelingen bij VU/VUmc op de Flanken. Hiervoor is per milieuthema een gevoeligheidsanalyse opgenomen. Met de verschillende percentages voor de realisatie van het totale programma is beoogd een realistische ontwikkelingschets te geven voor de Zuidas in 2020. Hier zit uiteraard een zekere bandbreedte in. Daarnaast kan uit de diverse (milieu)onderzoeken blijken dat bij een hoger programma er problemen ontstaan of juist een lager programma een duidelijk betere milieukwaliteit geeft. De drie alternatieven geven dus ook een bandbreedte van de impact op het milieu weer.
3.3.2
Samenhang met de ontwikkelingen bij VU/VUmc Zoals gesteld in paragraaf 1.2.2 is er een samenhang tussen de ontwikkelingen bij de Flanken en VU/VUmc. In de leeswijzer is reeds aangegeven dat er voor beide m.e.r.procedures een gezamenlijk deel B is met de thema's verkeer en vervoer, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en water. In deel B wordt middels diverse modelvarianten de impact van VU/VUmc en de Flanken op de diverse thema's in samenhang geanalyseerd. Voor de andere (milieu)thema's die in dit deel A van het MER Flanken worden besproken zal een korte kwalitatieve analyse gemaakt worden van de impact van de voorgenomen activiteiten bij VU/VUmc op de ontwikkelingen bij de Flanken. Er wordt bij de impact van de activiteiten bij VU/VUmc uitgegaan van 100% realisatie van dit plangebied.
3.3.3
Doorkijk naar het Dok Een betere inpassing van de infrabundel: het Dok, is een ander project in de Zuidas en valt niet onder deze m.e.r.-procedure. Wel kan deze ontwikkeling, bijvoorbeeld het onder de grond brengen van de infrastructuur, een duidelijke impact hebben op de Flanken-ontwikkelingen. Om deze reden is per aspect een beknopte kwalitatieve doorkijk gegeven naar de situatie met het Dok. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de infrastructuur onder de grond wordt gesitueerd.
3.3.4
Optimalisaties van de alternatieven In de startnotitie voor dit MER is aangekondigd dat, naast de drie alternatieven, een aantal varianten in het MER aan de orde zouden komen. Het gaat om varianten rond drie thema's: • Variant thema A: Duurzaamheid
blad 30 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
• •
Variant thema B: Mobiliteit Variant thema C: Positionering functies binnen deelgebieden
Tijdens het opstellen van het MER is er voor gekozen om deze varianten niet op voorhand uit te werken, maar de resultaten van het effectenonderzoek te gebruiken om na te gaan of het mogelijk en zinvol is varianten te ontwikkelen en te onderzoeken. De varianten hebben daarmee meer het karakter van mogelijke optimalisaties. In de diverse hoofdstukken met de beschrijving van de effecten zijn suggesties opgenomen om effecten te mitigeren en te optimaliseren.
3.4
Begrenzing studiegebied en plangebied In een milieueffectrapport wordt vaak onderscheid gemaakt tussen het studiegebied en het plangebied. Met het studiegebied wordt bedoeld: het gebied waar als gevolg van de voorgenomen activiteit effecten kunnen optreden. Het studiegebied kan groter zijn dan het plangebied en kan per aspect verschillen. Voor het plangebied geldt de volgende definitie: het gebied waarop de voorgenomen activiteit rechtstreeks betrekking heeft. Als bij een (milieu)thema het studiegebied anders is dan het plangebied zal kort beschreven worden wat het studiegebied betreft. Met het plangebied wordt voor de Flanken het gebied bedoeld waar alle voorgenomen ontwikkelingen gerealiseerd worden.
3.5
Beoordelingsschaal In de volgende hoofdstukken worden de effecten van de ingrepen door de plannen voor de Flanken van de Zuidas beschreven en beoordeeld. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van een zevenpuntsschaal: Effectbeoordeling +++ ++ + 0 ----
Omschrijving zeer positief positief enigszins positief neutraal enigszins negatief negatief zeer negatief
Om tot een beoordeling te komen is de beschrijving van de effecten van groot belang. De beschrijving van de effecten vormt de onderbouwing van de beoordeling. In veel gevallen is gebruik gemaakt van expert judgement om tot een beoordeling te komen. De redenen voor de beoordeling zijn dan opgenomen in de bijbehorende tekst.
blad 31 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
4
4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Samenvatting effecten verkeer, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en water Inleiding In het achtergrondrapport bij dit MER en in de technische bijlagen is een uitgebreide beschrijving opgenomen van de effecten van de ontwikkeling van de flanken op verkeer en vervoer, geluid en luchtkwaliteit. Dit is, vanwege de sterke samenhang met de ontwikkeling van VU/VUmc (waarvoor een separaat MER wordt opgesteld), in één rapport opgenomen waarin de effecten van beide ontwikkelingen gezamenlijk (en door de opzet van de alternatieven ook afzonderlijk) zijn beschouwd. Omdat ook de aspecten externe veiligheid en water in samenhang voor het gehele gebied zijn beschreven zijn ook deze in het achtergrondrapport (deel B) beschreven. Dit hoofdstuk bevat een samenvatting van het achtergrondrapport. Alternatieven versus modelvarianten In deel B is gewerkt met in totaal zes modelvarianten. In deze modelvarianten zijn zowel de alternatieven voor de Flanken als die voor VU/VUmc opgenomen (zie deel B). In dit MER zijn alleen de modelvarianten beschreven die de Flanken-alternatieven representeren. Dat zijn, naast de referentiesituatie (autonome ontwikkeling) de modelvarianten 2, 4 en 5. In deze modelvarianten is uitgegaan van 100% ontwikkeling van VU/VUmc.
In dit MER zijn de alternatieven als volgt aangeduid: • alternatief 1 - 100% realisatie Flanken (komt overeen met modelvariant 2); • alternatief 2 - 85% realisatie Flanken (komt overeen met modelvariant 5); • alternatief 3 - 115% realisatie Flanken (komt overeen met modelvariant 4); De resultaten van de modelvariant waar alleen 100% van de Flanken ontwikkeld wordt (en VU/VUmc dus niet) worden in hoofdstuk 11 nog nader beschouwd.
4.2 4.2.1
Samenvatting effecten verkeer Effect op verkeersaantrekkende werking en modal split De ontwikkeling van de Flanken leidt tot nieuwe verplaatsingen: personen die naar en van het plangebied reizen. Het verkeersmodel berekent op basis van het programma (oppervlak wonen, werken en voorzieningen) het aantal verplaatsingen en de vervoerswijze. Bij dat laatste wordt onderscheid gemaakt naar auto, openbaar vervoer (OV) en fiets. De modelberekeningen laten zien dat aantal verplaatsingen toeneemt (figuur 4). De toename is het grootst voor OV en het kleinst voor de fiets. Voor de 2-uurs avondspits is voor het alternatief 3 (115% realisatie) het aantal verplaatsingen ongeveer 35.000 meer dan in de referentiesituatie. Het verschil tussen de alternatieven komt vooral tot uiting in het aantal verplaatsingen per openbaar vervoer: bij een groter programma neemt het aantal verplaatsingen per fiets en OV iets sterker toe dan het aantal verplaatsingen per auto. De verplaatsingen per fiets en OV vormen samen ongeveer 75% van de verplaatsingen. Het aantal verplaatsingen per
blad 32 van 126
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
fiets is ongeveer een factor 4 kleiner dan het aantal verplaatsingen per OV. De fiets is daarmee de modaliteit met het kleinste aantal verplaatsingen van en naar de Flanken van de Zuidas. Het aandeel van verplaatsingen per fiets lijkt daarmee kleiner dan het Amsterdams gemiddelde3. Het percentage OV neemt bij alternatief 3 het meest toe ten opzichte van de referentiesituatie. Dit betekent dat als er meer ontwikkeld wordt er een groter percentage (dus niet alleen meer mensen) met het openbaar vervoer gaat.
40.000 35.000 30.000 Referentie
25.000
Alternatief 1 (100%)
20.000
Alternatief 2 (85%)
15.000
Alternatief 3 (115%)
10.000 5.000 0 Auto
OV
Fiets
figuur 4 Aantal verplaatsingen gerelateerd aan de Flanken (per 2-uurs avondspits)
4.2.2
Effect op verkeersintensiteiten op het wegennet De effecten van de ontwikkeling van de Flanken op de verkeersbelasting van het wegennet kunnen worden gevisualiseerd met zogenaamde verschilplots. Voor de Flanken zijn deze gemaakt voor de avondspits. De verschilplots laten het verschil zien met de referentiesituatie, uitgedrukt in percentages. figuur 5 is een uitsnede van de verschilplot voor het alternatief maximaal. Rode kleuren duiden op een toename in vergelijking met de referentiesituatie. De ontwikkeling van de Flanken heeft vooral effect op de belasting van het wegennet ten zuiden van de A10. De beide uiteinden van de De Boelelaan, de aansluitende wegen (Amstelveense weg en Europaboulevard), de Beethovenstraat (tussen Gustave Mahlerlaan en De Boelelaan) en de aansluitingen op de A10 laten het grootste effect zien (figuur 6).Ten noorden van de A10 (richting Amsterdam-centrum) is het effect van de Flanken op de verkeersintensiteiten beperkt.
3
blad 33 van 126
Het Amsterdams gemiddelde is 37% (bron: Amsterdam Pocket Atlas, dRO, 2006)
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
figuur 5 Effect van de Flanken op de verkeersbelasing in de 2-uurs avondspits, verschil ten opzichte van de referentiesituatie in procenten, alternatief 3
160 140 120 100 80 60 40 20 0
Alternatief 1 (100%)
Europaboulevard
Amstelveense weg
Beethovenstraat
Boelelaan (oost)
Boelelaan midden
Boelelaan (bij VU)
Europaboulevard zuid
Amstelveense weg zuid
Europaboulevard viaduct A10
Beethovenstraat viaduct A10
Amstelveense weg viaduct A10
Alternatief 2 (85%) Alternatief 3 (115%)
figuur 6 Procentuele toename van het verkeer ten opzichte van de referentiesituatie op de belangrijkste wegen in het studiegebied
4.2.3
Effect op de verkeersafwikkeling Een maat voor de kwaliteit van de verkeersafwikkeling is de verhouding tussen I (intensiteit) en C (capaciteit) op een wegvak. De I/C-verhoudingen zijn voor deze studie bepaald voor de avondspits. I/C-verhoudingen worden uitgedrukt in een getal tussen de 0 en 1, waarbij een getal dicht bij 1 duidt op een grote kans op vertraging. In het studiegebied heeft de A10 in de referentiesituatie reeds een hoge I/C-verhouding. Ondanks de relatief kleine toename van de belasting van de A10 is daardoor de I/C-verhouding van de A10 en van enkele toe- en afritten aan de hoge kant (figuur 7).
blad 34 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
De wegen in het plangebied zelf hebben -ook bij het maximale alternatief- voldoende capaciteit om het verkeer te kunnen afwikkelen. Alleen bij de kruising met de Amstelveense weg is de belasting van de De Boelelaan (alternatief maximaal) aan de hoge kant. Overigens kan hierbij als kanttekening worden geplaatst dat in het stedelijk gebied de capaciteit van kruisingen over het algemeen meer maatgevend is voor de doorstroming van het verkeer dan de capaciteit van de wegvakken.
figuur 7 I/C-verhoudingen 2020 alternatief 1 (100%)
Kruispuntanalyse In een kruispuntanalyse zijn alle relevante kruispunten in de Zuidas beschouwd. Deze kruispuntanalyse is gericht op de alternatieven 1 en 3 (100% en 115% realisatie). In de kruispuntanalyse zijn onder andere zeven niet geregelde kruispunten getoetst op de noodzaak/wenselijkheid van plaatsing van een verkeersregelinstallatie (VRI). Alleen op de kruising De Boelelaan - Tomasso Albinonistraat is een VRI noodzakelijk. Op de huidige situering van de kruising is dit goed inpasbaar. Van de doorgerekende reeds geregelde kruisingen zijn alle kruisingen in de avondspits en bij de reeds voorliggende profielen goed regelbaar. Voor de ochtendspits geldt dat de onderstaande kruispunten aangepast moeten worden om de gegeven intensiteiten te kunnen verwerken: • Amstelveensweg (S108) - Op-/afrit A10 noordzijde • Amstelveenseweg (S108) - Op-/afrit A10 zuidzijde • Amstelveensweg - De Boelelaan • De Boelelaan - Van de Boechorststraat • Europaboulevard (S109) - Afrit Ringweg A10 noordzijde Bij één kruispunt is een andere vakindeling gewenst: bij de Amstelveenseweg - Van Nijenrodeweg geven twee rechtdoor richtingen op de Van Nijenrodeweg oost in het huidige profiel een gunstigere regeling. Dit is in het huidig ruimtebeslag van het kruispunt mogelijk.
blad 35 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Door de hierboven voorgestelde aanpassingen kunnen de diverse kruispunten beter gebruikt worden, waardoor de doorstroming toeneemt.
4.2.4
Effect op de verkeersveiligheid In tabel 6 is het aantal slachtoffergevallen voor de periode 2007 - 2009 voor diverse wegen en kruispunten in en rond de Zuidas weergegeven. De ontwikkeling van de Flanken leidt tot een toename van de belasting van het wegennet. Hierdoor zal ook bij een gelijke ongevalskans (de kans op een ongeval per afgelegde kilometer) zal daardoor de het aantal verkeersongevallen (en dus ook het aantal slachtoffers) in beperkte mate toenemen. In de Zuidas wordt het aantal slachtofferongevallen jaarlijks gemonitord, waardoor als het aantal slachtoffers significant toeneemt hier passende maatregelen (zoals aanpassing van de kruispunten) voor te treffen. De verwachting, zoals net ook gesteld, is echter dat er geen sprake zal zijn van een sterke stijging van het aantal slachtofferongevallen. tabel 6 Aantal slachtofferongevallen 2007 - 2009 voor diverse wegen en kruispunten in en rond de Zuidas
4.2.5
Wegvak
Aantal slachtofferongevallen in de periode 2007 t/m 2009
Stadionweg: tussen Laan der Hesperiden en de Stadionkade Europaplein: tussen Rooseveltlaan en Scheldeplein Stadionweg: tussen Beethovenstraat en Minervalaan Amstelveenseweg: tussen op/afrit A10 (zuidzijde) en De Boelelaan
9 5 2 2
Kruispunten
Aantal slachtofferongevallen in de periode 2007 t/m 2009
Amstelveenseweg - afrit A10 Zuidzijde Amstelveenseweg – De Boelelaan Europaboulevard – De Boelelaan Stadionweg - Beethovenstraat Stadionweg - Parnassusweg
5 5 6 6 5
Effectbeoordeling De resultaten van de verkeersmodellering kunnen worden gebruikt om conclusies te trekken over de effecten van de ontwikkeling van de Flanken op verkeer en bereikbaarheid. In de eerste plaats kan worden geconstateerd dat de ontwikkeling van de Flanken weliswaar veel verplaatsingen genereert, maar dat een groot deel daarvan niet per auto zijn. Fiets en OV zijn van groot belang voor de bereikbaarheid van de Flanken; samen ongeveer 75% van de verplaatsingen. Een grotere druk op het wegennet (bij het maximale alternatief) leidt tot een (kleine) verdere verschuiving van de modal split: bij een groter programma is het aandeel auto in de verplaatsingen kleiner dan bij het alternatief met een kleiner programma. De fiets is het vervoermiddel met het kleinste aantal verplaatsingen. In de tweede plaats kan worden geconstateerd dat de toename van de verkeersbelasting op het wegennet (door autoverkeer) zich in belangrijke mate beperkt tot het studiegebied ten zuiden van de A10, inclusief de aansluiting vanuit het gebied op de A10. Hieruit kan worden geconcludeerd dat voor de bereikbaarheid van de Flanken vanuit Amsterdam vooral openbaar vervoer en fiets van belang zijn. Uit de modelgegevens blijken de ontwikkelingen van de Flanken een klein effect te hebben op de A10 en op de A2 richting Utrecht.
blad 36 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Een derde constatering is dat de toename van de verkeersintensiteiten op het wegennet in het plan- en studiegebied over het geheel genomen relatief beperkt is. In percentages gaat het om maximaal 40% voor een relevante weg in het meest maximale scenario; in absolute aantallen gaat het om 10 - 12.000 mvt/etm (De Boelelaan). Een dermate groot verschil is eigenlijk alleen aan de orde op De Boelelaan; op de overige wegen is het effect kleiner. Dit relatief beperkte en gelokaliseerde effect wordt veroorzaakt door verschillende factoren. Van belang is dat de ontwikkeling plaatsvindt in een gebied met reeds een grote dichtheid, met veel inwoners, arbeidsplaatsen, scholen en universiteit en dus ook in de autonome situatie al veel verplaatsingen. Het grote programma van de Flanken valt in deze omgeving dus relatief enigszins weg. Een tweede factor is uiteraard de modal split: het aandeel autoverplaatsingen is klein. Tot slot kan worden geconcludeerd dat de verschillen tussen de alternatieven klein zijn, zie ook tabel 7. tabel 7 Effectbeoordeling verkeer aspect
criterium
Alternatief 1 (100%)
Alternatief 2 (85%)
Alternatief 3 (115%)
mobiliteit
toename automobiliteit modal split A10 stedelijk wegennet Amsterdam en Amstelveen aantal ongevallen en slachtoffers
+ 0 -
+ 0 -
+ 0 -
0
0
0
bereikbaarheid en kwaliteit van de verkeersafwikkeling verkeersveiligheid
blad 37 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
4.3
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Samenvatting effecten luchtkwaliteit In het luchtkwaliteitonderzoek dat ten grondslag ligt aan dit MER is voor de stoffen NO2 en PM10 gekeken naar de absolute hoogte van de concentraties en naar de toename van de concentraties ten opzichte van de referentiesituatie.
4.3.1
Voldoen aan de grenswaarden voor NO2 en PM10 Het project Zuidas-Flanken is opgenomen in het NSL. Hierdoor is toetsing middels berekeningen aan de normen in principe niet noodzakelijk. Voor 2020 zijn voor de verschillende alternatieven berekeningen uitgevoerd. De hoogste concentratie voor NO2 is in het studiegebied 32.2 µg/m3 en voor PM10 25.7 µg/m3. Hieruit blijkt dat in 2020 voor alle alternatieven van de Flanken voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden.
4.3.2
Toename van de concentraties bij de verschillende alternatieven Als gevolg van de toename van het verkeer door de bouwvolumes die in de drie alternatieven gerealiseerd worden neemt ook de concentratie van NO2 en PM10 toe. De toename voor PM10 is beperkt tot maximaal 0.9 µg/m3 (bij de alternatieven 100% en 115%). De toename voor NO2 is voor het alternatief 115% het hoogst met 2.9 µg/m3. Bij de twee andere alternatieven, 100% en 85% neemt de concentratie NO2 toe met respectievelijk 2.8 en 2.7 µg/m3.
4.3.3
Effectbeoordeling De beoordeling voor de toename van de concentraties NO2 en PM10 is gebaseerd op de indeling, zoals weergegeven in tabel 8. Er zijn geen verbeteringen van de luchtkwaliteit als gevolg van de voorgenomen activiteiten, deze zijn niet weergegeven in tabel 8. tabel 8 Methodiek voor effectbeoordeling luchtkwaliteit
Criterium
0
-
--
---
de toename van concentratie NO2
verslechtering van de luchtkwaliteit met minder < 1.2 µg/m3 verslechtering van de luchtkwaliteit met minder < 1.2 µg/m3
verslechtering van de luchtkwaliteit met 1,2 µg/m3 = 2.4 µg/m3
verslechtering van de luchtkwaliteit met 2.4 µg/m3 - 3.6 µg/m3 verslechtering van de luchtkwaliteit met 2.4 µg/m3 - 3.6 µg/m3
verslechtering van de luchtkwaliteit met > 3.6 µg/m3
de toename van concentratie PM10
verslechtering van de luchtkwaliteit met 1,2 µg/m3 = 2.4 µg/m3
verslechtering van de luchtkwaliteit met > 3.6 µg/m3
tabel 9 Effectbeoordeling luchtkwaliteit
Criterium
Alternatief 1 (100%)
Alternatief 2 (85%)
Alternatief 3 (115%)
Toename concentratie NO2 Toename concentratie PM10
--
--
--
0
0
0
Uit tabel 9 blijkt dat alle alternatieven waar sprake is van Flankontwikkeling negatief (--) scoren voor NO2. De verschillen tussen de alternatieven onderling zijn te verwaarlozen (maximaal 0.2 µg/m3). Wel blijven de absolute concentraties ruim beneden de gestelde grenswaarden.
blad 38 van 126
25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
4.4
Samenvatting effecten geluid
projectnr. 231932
In het geluidonderzoek zijn diverse geluidbronnen onderzocht. De nadruk ligt echter op de A10, het spoor en het onderliggend wegennet. Hierbij is gekeken naar de impact van de verschillende alternatieven op de geluidsituatie.
4.4.1
Relevante geluidsbronnen Wegen De relevante wegverkeerlawaaibronnen zijn de rijksweg A10 en een groot aantal wegen binnen de bebouwde kom. Tramlijnen zijn, conform het reken- en meetvoorschrift per 30 maart 2002, ook onderdeel van de weg. Spoorwegen Het spoortraject Amsterdam Duivendrecht - Schiphol evenals de metrolijnen langs dit traject en aftakkend naar Amstelveen Westwijk zijn meegenomen in dit geluidonderzoek. Industrie In het studiegebied is een aantal voorzieningen met bedrijfsmatige, geluidrelevante activiteiten aanwezig. Geluidrelevante activiteiten vinden onder meer plaats bij de VU en het VUmc en het beurs- en congrescentrum Amsterdam RAI. Geen van de genoemde inrichtingen valt onder de invloedssfeer van de Wet geluidhinder en heeft geen geluidzone conform de Wet geluidhinder. Deze inrichtingen zijn dan ook niet meegenomen in het geluidonderzoek ten behoeve van de m.e.r. Zuidas - Flanken. Schiphol Het plangebied is gelegen in het beperkingengebied, zoals dat is vastgelegd in het Luchthavenindelingsbesluit (LIB), zie ook de delen A van beide m.e.r.-procedures. Het plangebied maakt echter geen deel uit van de in het LIB aangewezen gronden waaraan beperkingen zijn opgelegd voor het gebruik van de grond. Nieuwbouw van woningen of andere geluidgevoelige gebouwen zijn in het plangebied mogelijk.
4.4.2
Effecten ter plaatse van bestaande bebouwing In figuur 8 is een overzicht gegeven van de geselecteerde locaties waar bepaald is hoe groot de toename van de geluidbelasting is als gevolg van de toename van het verkeer op het onderliggend wegennet bij de diverse alternatieven.
blad 39 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
figuur 8 Locaties geselecteerde bestaande woningen langs enkele relevante wegen
In tabel 10 is op basis van bovenstaande figuur de toename van de geluidbelasting bij de verschillende alternatieven weergegeven. Hieruit blijkt dat de hoogste toename berekend is ter hoogte van de De Boelelaan tussen de Buitenveldertselaan en de Van Leijenberghlaan (punt 3 in figuur 8). De toename is hier maximaal 2.4 dB. Uit tabel 10 blijkt ook dat de verandering van het verkeer en de gevolgen voor de geluidbelasting zich concentreren tot het Zuidas-gebied. Bij punt 6 blijkt de toename slechts maximaal 0.1 dB te zijn. tabel 10 Overzicht toe- en afname in dB bij bestaande gebouwen
4.4.3
Nr.
Ref.
Alternatief 1 (100%)
Alternatief 2 (85%)
Alternatief 3 (115%)
1 2 3 4 5 6 7 8
61.6 dB 58.6 dB 55.7 dB 58.3 dB 57.2 dB 57.9 dB 59.0 dB 59.8 dB
+0.5 dB +0.3 dB +2.3 dB +1.5 dB +0.5 dB +0.1 dB +0.9 dB +0.3 dB
+ 0.4 dB +0.3 dB +2.3 dB +1.4 dB +0.5 dB 0 +0.7 dB +0.4 dB
+0.5 dB +0.3 dB +2.4 dB + 1.6 dB +0.6 dB 0 +1.0 dB +0.4 dB
Wegverkeerslawaai alle wegen met invulling plangebieden met gebouwen en functies In figuur 9 is de geluidbelasting van alle wegen, dus A10 en binnenstedelijke wegen voor alternatief 3 weergegeven. Hierbij is uitgegaan van de invulling van de plangebieden met gebouwen en functies conform de vastgestelde uitvoeringsbesluiten. In figuur 10 is het aantal gehinderden per geluidklasse per alternatief weergegeven.
blad 40 van 126
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
figuur 9 Geluidbelasting alle wegen bij alternatief 1 (5 meter hoogte)
5000
voldoet aan vkgw
hogere waarde
dove gevels/ gebouwschermen/ stad en milieu
4500 4000
Alternatief 1 Alternatief 2 Alternatief 3
3500 3000 2500 2000 1500 1000 500
> max. onth. (>10 dB)
> max. onth. (6-10 dB)
> max. onth. (tot 5 dB)
stedelijk 58-63 dB
stedelijk 53-58 dB
A10/stedelijk 48-53 dB
44-48 dB
≤43 dB
0
figuur 10 Aantal gehinderden wegverkeerslawaai voor de drie alternatieven
Uit figuur 10 kan geconcludeerd worden dat bij de alternatieven 85%, 100% en 115% het percentage niet geluidgehinderden circa 21% is.
4.4.4
Effecten van de geluidbelasting van het spoor op de voorgenomen plannen In figuur 11 is de geluidbelasting als gevolg van spoorweglawaai voor alternatief 1 (100%) weergegeven.
blad 41 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
figuur 11 Spoorweglawaai alternatief 1 (5 meter)
In figuur 12 is het aantal geluidgehinderden voor spoorweglawaai weergegeven. 12000
voldoet aan vkgw
hogere waarde
dove gevels/ gebouwschermen/ stad en milieu
10000
Alternatief 1 Alternatief 2 Alternatief 3
8000
6000
4000
2000
> max. onth. (>10 dB)
> max. onth. (6-10 dB)
> max. onth. (tot 5 dB)
64-68 dB
59-63 dB
54-58 dB
49-53 dB
≤48 dB
0
figuur 12 Aantal gehinderden door spoorweglawaai
Uit figuur 12 kan worden geconcludeerd dat bij de alternatieven 85%, 100% en 115% het percentage niet geluidgehinderden circa 78% is. Bij alle alternatieven zijn er geen ernstig geluidgehinderden.
blad 42 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
4.4.5
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Effectbeoordeling In tabel 11 is de effectbeoordeling voor de belasting op bestaande woningen, de geluidbelasting van wegverkeer en het spoor weergegeven. Voor een uitgebreide beschouwing van de effectbeoordelingen, inclusief onderverdeling per deelgebied wordt verwezen naar de bijlagen van deel B. De sterk negatieve effecten van het wegverkeerslawaai op ruimtelijk niveau zijn ontleend als het voorgenomen programma gerealiseerd wordt, maar als nog niet bekend is waar geluidgevoelige objecten komen te staan. Om deze situatie te schetsen is uitgegaan van de uitvoeringsbesluiten, maar is elk gebouw als geluidgevoelig object aangemerkt. Echter op basis van de diverse uitvoeringsbesluiten kan wel al een indeling gemaakt worden waar de geluidgevoelige objecten wel en niet komen te staan, hetgeen in de scores voor 'wegverkeerslawaai woningniveau' is weergegeven. De voorgestelde invulling van de deelgebieden hebben dus een minder negatief effect dan maximaal mogelijk is. tabel 11 Effectbeoordeling geluid
Criterium
Flanken
Altenatief 1 100%
Alternatief 2 85%
Alternarief 3 115%
Toe- afname Lden bestaande omgeving
Noordzijde
Wegverkeerlawaai ruimtelijk niveau
Noordzijde
Wegverkeerslawaai Woningniveau
Noordzijde
Spoorweglawaai ruimtelijk niveau
Noordzijde
Spoorweglawaai woning niveau
Noordzijde
0 ------
0 0 -----
0 -------
Zuidzijde Zuidzijde Zuidzijde Zuidzijde Zuidzijde
Ten aanzien van geluid kan geconcludeerd worden dat wegverkeerslawaai de grootste impact heeft op de ontwikkelingen bij de Flanken. Zonder mitigerende maatregelen zou circa 31% van geluidgevoelige objecten binnen de Flanken met een dove gevel uitgevoerd moeten worden. In het hoofdstuk conclusies en optimalisatie wordt nader ingegaan op de te overwegen optimaliserende maatregelen voor de Flanken. De ontwikkeling van de Flanken heeft relatief weinig impact op het bestaande wegennet, op enkele punten is wel een toename van meer dan 1.5 dB waarneembaar.
blad 43 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
4.5
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Samenvatting effecten externe veiligheid Bij externe veiligheid is gekeken naar de absolute hoogte van het groepsrisico en naar de toename van het groepsrisico ten opzichte van de referentiesituatie. Qua risicobronnen heeft alleen de A10 daadwerkelijk invloed op voorgenomen activiteiten. Er is ook een hogedruk aardgasleiding aanwezig, deze scoort echter in alle alternatieven neutraal. Daarnaast zijn er geen plaatsgebonden risicocontouren aanwezig bij de risicobronnen, waardoor ook dit aspect niet verder beschouwd hoeft te worden. In deze paragraaf is daarom alleen ingegaan op het groepsrisico van de A10.
4.5.1
Absolute hoogte groepsrisico In onderstaande tabel is de absolute hoogte voor de drie alternatieven weergegeven. Hieruit blijkt dat het groepsrisico bij vrijwel alle deelgebieden boven de oriëntatiewaarde is gelegen. Bij alle alternatieven voor de Flanken neemt het aantal gebieden toe waar het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde ligt. tabel 12 Absolute hoogte van het groepsrisico voor de verschillende alternatieven en gebieden
Ligging ter hoogte van plangebied Kop Zuidas (N) Kop Zuidas (N) Vivaldi (Z) RAI (N) Vivaldi (Z) Beethoven (N) Ravel (Z) Strawinsky (N) Gershwin - Mahler (Z) Strawinsky - Fred Roeskestr.(N) Mahler - Kenniskwartier (Z) Fred Roeskestr. (N) Kenniskwartier - VU/VUmc (Z)
4.5.2
Ref. N
Z
Alternatief 1 100% N N
Alternatief 2 85% Z Z
Alternatief 3 115% N Z
0.0 0.1
0.0 0.1
0.8 1.9
1 2
0 8
02 7.0
0.5 1.5.
0 6
0.2
0.8
1.5
1.5
10.5
9.1
1.5
8
3.5
1.0
4.0
4
5
4.4
4
4
4.3
1.5
4.8
5
8
7.1
4.5
6.5
1.0
0.6
1.9
2
6
5.4
2
4.5
0.3
0.4
0.3
0.5
1
0.8
0.5
1
Toename van het groepsrisico bij de verschillende alternatieven Als gevolg van de toename van de bouwvolumes die in de drie alternatieven gerealiseerd worden neemt ook het groepsrisico toe, zie onderstaande tabel. tabel 13 Toename van het groepsrisico voor de verschillende alternatieven en gebieden
blad 44 van 126
Ligging ter hoogte van plangebied
Verschil 100% - Ref N Z
Verschil 85% - Ref Z N
Verschil 115% - Ref Z N
Kop Zuidas (N) Kop Zuidas (N) Vivaldi (Z) RAI (N) Vivaldi (Z) Beethoven (N) Ravel (Z) Strawinsky (N) Gershwin - Mahler (Z)
0.8 1.8
0.2 6.9
1 2
0 8
0.5 1.5
0 6
1.3
8.3
1.5
9.5
1.5
7
0.6
3.4
0.5
4
0.5
3
0.5
5.6
0.5
6.5
0.5
4
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Strawinsky - Fred Roeskestr.(N) Mahler - Kenniskwartier (Z) Fred Roeskestr. (N) Kenniskwartier - VU/VUmc (Z)
0.9
4.8
1
5.5
1
4
0.0
0.4
0.0
0.5
0
0.5
De tabel toont aan dat het groepsrisico in sommige deelgebieden fors toeneemt.
4.5.3
Effectbeoordeling In tabel 14 is de beoordelingsystematiek voor de toenames van het groepsrisico bij de hoge druk aardgasleiding en de A10 weergegeven. tabel 14 Methodiek voor effectbeoordeling externe veiligheid
Criterium
0
-
--
---
de toename van het groepsrisico bij de hoge druk aardgasleiding de toename van het groepsrisico bij de A10
Verslechering van het groepsrisico < 0.5
verslechtering van het groepsrisico met 0.5 - 2
verslechtering van het groepsrisico met 2 - 3.5
verslechtering van het groepsrisico met > 3.5
Verslechering van het groepsrisico < 0.5
verslechtering van het groepsrisico met 0.5 - 2
verslechtering van het groepsrisico met 2 - 3.5
verslechtering van het groepsrisico met > 3.5
tabel 15 Effectbeoordeling externe veiligheid
Criterium
Flanken
Alternatief 1
Alternatief 2
Alternatief 3
Hoge druk aardgasleiding A10
Noord- en zuidzijde
0
0
0
Noordzijde
- Toename groepsrisico
Zuidzijde
---
--
---
Voor de externe veiligheidsituatie bij de Flanken geldt dat de A10 de primaire risicobron is. Het groepsrisico ligt daar in de huidige situatie al diverse locaties boven de oriëntatiewaarde. Bij de realisatie van de voorgenomen activiteiten in alle voor de Flanken relevante alternatieven (85%, 100% en 115%) geldt dat er sprake is van een duidelijke toename van het groepsrisico en ligging boven de oriëntatiewaarde voor de meeste deelgebieden. Aan de zuidzijde is de absolute hoogte groter dan aan de noordzijde, dit komt door de dichtheid van functies en de afstand tot de A10. Naast het groepsrisico zijn de zelfredzaamheid, bluswatervoorzieningen en mogelijkheden voor hulpdiensten belangrijke aspecten bij externe veiligheid. Door de toename van de dichtheid in het gebied is het belangrijk juist op deze aspecten goed te kijken welke mogelijkheden er zijn dit goed te borgen. Dit zijn namelijk maatregelen die de soms forse toename van het groepsrisico kunnen 'compenseren'.
blad 45 van 126
25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
4.6
Samenvatting effecten water
projectnr. 231932
In het wateronderzoek voor de Flanken is gekeken naar het watersysteem en de waterbergingcapaciteit, waterkwaliteit, grondwater en waterkeringen. De effecten op deze aspecten worden hieronder kort toegelicht.
4.6.1
Watersysteem en waterberging Het oppervlaktewater in de Zuidas is weergegeven in figuur 13. Dit oppervlaktewater is van belang voor de beschikbare berging van hemelwater.
figuur 13 Water in de Zuidas
Voor de ontwikkeling van het plangebied zijn twee belangrijke nieuwe waterlopen voorzien: de Prinses Irenegracht noordelijk van de A10 en de Boelegracht ten zuiden van de A10. Deze waterlopen hebben twee functies: waterberging en afwatering van het gebied. Daarnaast wordt ingezet op de aanleg van vijvers, daktuinen en goten in de voetgangerstraten en op de kavels van de Flanken. Het vasthouden en bergen van water op de kavels draagt bij aan een duurzame berging en afvoer van het water voor het merendeel van de buien. Met deze maatregelen wordt de werking van het oppervlaktewatersysteem gegarandeerd en wordt voldoende waterberging gerealiseerd om te voorkomen dat er toename van de
blad 46 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
afvoer dan wel wateroverlast ontstaat. Dit geldt ook voor alternatief 3, omdat de verdichting vooral in bouwlagen zit en niet in grondoppervlakte.
4.6.2
Waterkwaliteit Bij nieuwe ontwikkelingen worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat het oppervlaktewater of grondwater verontreinigd wordt. Door bronmaatregelen zoals de toepassing van niet-uitloogbare materialen (conform de nota Duurzaam Bouwen), beperking van toepassing bestrijdingsmiddelen e.d. wordt voorkomen dat hemelwater verontreinigd raakt. Bij de inrichting van oppervlaktewater wordt voorkomen dat doodlopende stukken ontstaan, waar de stroming van het oppervlaktewater gering is. Door de toepassing van natuurvriendelijke oevers en/of waterplanten worden zowel de waterkwaliteit als de ecologische kwaliteit verbeterd. Door de hiervoor genoemde aspecten wordt in ieder geval voorkomen dat de kwaliteit van het grondwater en/of oppervlaktewater verslechtert.
4.6.3
Grondwater In de huidige situatie is bij ca. 10% van de punten waar de grondwaterstand wordt gemeten sprake van grondwateroverlast (ontwateringdiepte is in een deel van het jaar kleiner dan 0,5 m). Bij nieuwbouw op deze locaties zijn maatregelen gewenst, zoals de ophoging van het maaiveld, aanleg van oppervlaktewater of drainage om de grondwaterstanden te reguleren of kruipruimteloos bouwen. Bij de uitwerking hiervan dient de voorkeursvolgorde zoals aangegeven in de Nota Grondwaterbeleid 2007-2011 te worden gehanteerd. De gevolgen van ondergrondse constructies op het grondwater zijn niet in algemene zin aan te geven. De aanpak van de gemeente Amsterdam is daarom om ondergrondse constructies en aanleg van oppervlaktewater met een grondwatermodel door te rekenen, zodat de effecten in beeld worden gebracht en eventueel maatregelen kunnen worden getroffen. Eventuele maatregelen betreffen ook hier aanleg van oppervlaktewater, ophoging e.d. Geconcludeerd wordt dat de effecten van de ondergrondse constructies op de grondwatersituatie door de toegepaste strategie van onderzoek middels een grondwatermodel en de uitwerking van maatregelen beperkt zijn.
4.6.4
Waterkering Het deel van de Flanken dat noordelijk van de A10 ligt (met uitzondering van de begraafplaats Buitenveldert, die een aparte polder is) betreft de Amstellandse Boezem, het gebied ten zuiden van de A10 is de Binnendijkse Buitenveldertse polder. Tussen de boezem en de polders ligt de boezemwaterkering. De waterkering bestaat uit een verholen waterkering, dus een ruimtereservering die in het veld niet zichtbaar is doordat het maaiveld in deze omgeving hoger ligt dan de reservering voor de waterkering. Een
blad 47 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
belangrijk deel van de verholen boezemwaterkering maakt deel uit van het dijklichaam van de A10.
4.6.5
Effectbeoordeling Voor het aspect water zijn de effecten beoordeeld in tabel 16. tabel 16 effectbeoordeling water
Criterium
Water
Subcriterium Watersysteem en waterberging Waterkwaliteit Grondwater Waterkering
Alternatief 1 100%
Alternatief 2 85%
Alternatief 3 115%
0
0
0
0 0 0
0 0 0
0 0 0
Geconcludeerd wordt dat, gezien de borging van de wateraspecten bij de ontwikkeling, er geen effecten op het aspect water zijn.
blad 48 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
5 5.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
Duurzaamheid Duurzaamheid en stedelijke ontwikkeling In de Zuidas speelt duurzaamheid al jaren een prominente rol, hetgeen ook uitgewerkt is in het Duurzaamheidplan van de Zuidas (2008). Duurzaamheid is echter een ruim begrip en omvat meerdere (milieu)thema's, die reeds elders in dit MER aan de orde zijn geweest of zullen komen. Dit hoofdstuk gaat echter sec over het thema duurzaamheid, waarbij zo veel mogelijk aangesloten wordt bij het Duurzaamheidplan van de Zuidas, want op diverse manieren tracht de Zuidas reeds inhoud te geven aan dit aspect. Belangrijk duurzaamheidaspect aan het concept van de Zuidas is dat op één locatie sprake is van een sterke verdichting rondom een OV-knooppunt. Door realisatie van kantoorruimte, woningen en voorzieningen op één locatie die goed met het openbaar vervoer te bereiken hoeven dergelijke ontwikkelingen niet op diverse andere locaties gerealiseerd te worden.
5.1.1
Duurzaamheidplan Zuidas Het Duurzaamheidplan Zuidas van mei 2008 bevat de volgende ruime definitie van duurzaamheid: "duurzame ontwikkeling staat voor het behoud van de natuurlijke omgeving, minimaal gebruik van niet-vernieuwbare bronnen en materialen, het ondersteunen van sociale vooruitgang door gezondheid en welzijn, gelijkheid en kansen, en het bevorderen van verbonden, actieve en veilige gemeenschappen en economische groei". Ook wordt het Brundtland-rapport (1987) aangehaald: "Een duurzame ontwikkeling geeft vorm aan de behoeftes van de huidige tijd zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken'.
5.1.2
Duurzaamheid in gebiedsontwikkeling en ruimtelijke planvorming Veel duurzaamheidconcepten en -filosofieën (zoals BREEAM, C2C, Duurzaam bouwen) richten zich op het concrete niveau van producten, productieprocessen en gebouwen. Voor ruimtelijke plan- en besluitvorming (het niveau van de gebiedsontwikkeling), bestaat er (ondanks al de aandacht die daar al decennia aan wordt geschonken) geen duidelijk kader4. Veel aandacht richt zich (niet ten onrechte) op gebouwen. Ruimtelijke ordening en ruimtelijke planvorming zijn van een fundamenteel andere orde dan productieprocessen en het ontwerpen en bouwen van producten en bouwwerken. Bij ruimtelijke ordening gaat het om het zo goed mogelijk gebruik maken van het schaarse goed ruimte. Ruimte is daarbij niet leeg en zonder eigenschappen, maar een complex systeem van patronen en processen. Aan de patronen en processen zijn waarden gekoppeld vanwege (niet limitatief) de gebruiksmogelijkheden (nut voor de mens), emotionele en belevingswaarde (die deels beleidsmatig worden gesanctioneerd), en 'ecologische' waarde (waarde voor natuurlijke processen, die ook deels beleidsmatig worden gesanctio4
blad 49 van 126
Op de site www.breeam.nl is bijvoorbeeld geen enkel pilotproject voor duurzame gebiedsontwikkeling aanwezig
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
neerd). Kenmerk van ruimtelijk plannen is dat deze onomkeerbare veranderingen in patronen en processen tot gevolg (kunnen) hebben. Landschap -in de brede zin van het woord- is daarmee fundamenteel anders dan producten die in een kringloop (grondstof > product > gebruik > hergebruik van de grondstof in een nieuw product) kunnen worden opgenomen. In reeds bestaand stedelijk gebied is de impact overigens van een andere orde dan in het buitengebied; een belangrijke reden om binnen bestaand stedelijk gebied intensiever gebruik te maken van de ruimte. De ambities aangaande duurzaamheid (en het ontwikkelen en beoordelen van varianten ten behoeve van het MER) vragen om een (meer) expliciete beoordeling van de 'mate van duurzaamheid'. Aan de basis van deze beoordeling staat -ook als het gaat om producten en productieprocessen- het zogenaamde afwentelingsprincipe: niet op volgende generaties ('later') en niet op 'elders', uitgangspunt is dat (milieu) problemen niet mogen worden afgewenteld. Dit principe is ook de basis voor het Duurzaamheidsplan Zuiidas. Daarbij kan een duidelijke relatie worden gelegd met het gebruik van (niet-vernieuwbare) primaire grondstoffen en fossiele energie en het voorkomen van emissies en het ontstaan van (onbruikbare) afvalstoffen.
Gebruik van grondstoffen leidt tot milieuschade elders (door delfstoffenwinning) en uitputting kan problemen geven bij volgende generaties; emissies en afvalstoffen geven (milieu) problemen, zowel hier en nu als elders en later. Deze 'harde' kant van duurzaamheid kan worden geïllustreerd met het zogenaamde ecodevice5 (figuur 14en figuur 15), waarbij input (van grondstoffen, energie, water, etc) en output (CO2, NOX, afval en afvalwater , etc.) bruikbaar zijn als parameters. In het MER kunnen deze worden gebruikt om iets te zeggen over de mate van duurzaamheid. Naast deze harde (en wezenlijke elementen) van duurzaamheid gaat het Duurzaamheidsplan ook in op de 'people' aspecten van duurzaamheid.
figuur 14 Basisprincipe duurzaamheid: het zogenaamde 'ecodevice'
6
blad 50 van 126
jaren geleden bedacht door Van Wirdum en Van Leeuwen
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
figuur 15 Schaalniveaus
5.1.3
Verschillende niveaus en de keten van besluiten Ten behoeve van het MER en de te nemen besluiten is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de 'beslisruimte' en de relevantie van duurzaamheidsaspecten. De nu te nemen besluiten (planfase) vormen het kader voor de verdere ontwikkeling, concrete invulling (met onder andere gebouwen) en het gebruik van het plangebied. In de aanlegen gebruiksfase treden de concrete effecten op, ook ten aanzien van het gebruik van fossiele energie, grondstoffen en van emissies. (figuur 16 en figuur 17).
planfase: gebiedsniveau
aanlegfase: gebouwen en voorzieningen
gebruiksfase: individuen afbraakfase tijd figuur 16 Fasen in de ruimtelijke planvorming
blad 51 van 126
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
bepalend voor:
•'ruimtelijke effecten': effecten op bestaande waarden •via 'spelregels' mede bepalend voor milieueffecten in aanleg- en gebruiksfase •door ruimtelijk ontwerp mede bepalend voor effecten op systemen (water) •locatie en ontsluiting bepalend voor modal split e.d. planfase: gebiedsniveau
•materiaalgebruik, gebouwontwerp •tijdelijke en blijvende (irreversibele) milieueffecten als gevolg van aanlegactiviteiten
aanlegfase: gebouwen en voorzieningen gebruiksfase: individuen afbraakfase
•milieueffecten door activiteiten bij het feitelijk gebruik van gebied en gebouw (energiegebruik e.d.);
•invloed op systemen (water, natuur, klimaat, …..) tijd
figuur 17 Fasen in de ruimtelijke planvorming en de relatie met gevolgen voor milieu en duurzaamheid
5.1.4
Duurzaamheidsmatrix De harde en zachte kanten van duurzaamheid en de kern van het afwentelingsprincipe kunnen worden bijeengebracht in de zogenaamde duurzaamheidsmatrix. Deze bevat een overzicht van de beoordelingsaspecten voor de drie p's: people - planet - profit/prosperity, gerelateerd aan de plaats en het tijdstip van optreden (hier of elders, nu of later). In principe kunnen in dit schema alle beoordelingsaspecten een plaats krijgen. In de duurzaamheidsmatrix is: • hier: plangebied Zuidas - Flanken • nu: 2020 • elders: buiten de Zuidas - Flanken; dit kan lopen van de rest van Amsterdam en de regio Amsterdam tot de gehele wereld • later: 2040 of later? Een aanzet voor de vulling van de duurzaamheidsmatrix voor de Zuidas is opgenomen in onderstaand schema. VetCursief zijn de aspecten die in het MER bij de 'reguliere milieuthema's' aan de orde komen. Daarop wordt in dit hoofdstuk verder niet ingegaan. Op de (dan overblijvende) aspecten uit de kolom 'people' wordt in dit hoofdstuk verder niet ingegaan. Daartoe is besloten omdat de hiervoor benodigde informatie niet beschikbaar is en/of de stedenbouwkundige uitwerking nog niet zo ver is gevorderd dat uitspraken kunnen worden gedaan. De genoemde aspecten zijn wel van belang als informatie voor stedenbouwkundigen en architecten bij de verdere concretisering van de plannen voor de Zuidas - Flanken.
Ook voor de kolom 'profit' is in dit MER geen beoordeling opgenomen. Deze beoordeling behoort in een kosten-batenanalyse plaats te vinden.
blad 52 van 126
Zuidas - de Flanken Milieueffectrapportage deel A - hoofdrapport
projectnr. 231932 25 januari 2011, versie 4.1
people • voorzieningenniveau (scho•
nu
hier
• • • • • •
len, winkels, cultuur, ontspanning, ……) sociale cohesie, verenigingsleven, veiligheidsbeleving, …. bereikbaarheid (OV, auto, fiets) diverse bevolkingsopbouw (leeftijd, inkomen, afkomst, cultuur, …..) beschikbaarheid (betaalbare) woningen beleving van milieu (geluid, lucht, geur, licht, ……) mogelijkheden groen, recreatie, sport effecten door verkeer, geluid, lucht (verkeersgerelateerd)
planet • effect op natuurwaarden • effect op cultuurhistorie en archeologie
• vestigingsklimaat bedrijven • innovatiekracht
• emissie CO2 • gebruik fossiele energie voor
• bijdrage aan de regionale en
nu
elders
• • •
later
hier
termijn • leefbaarheid woonomgeving • bereikbaarheid (OV, auto, fiets)
• • • •
later
• elders
inkomen
• effect op watersysteem • energiegebruik gebouwen • waterbuffer
•
• voorzieningenniveau langere
profit / prosperity • economische effecten • welvaart, werkgelegenheid en
gebouwen gebruik fossiele energie voor personen- en goederenvervoer (geen) effect op schaarse ruimte elders door concentreren wonen en werken effecten door emissie afvalwater effecten door delfstoffenwinning e.d. emissie CO2 gebruik fossiele energie (gebouwen, vervoer) (geen) effect op schaarse ruimte elders door concentreren wonen en werken effecten door emissie afvalwater effecten door afvoer onbruikbaar afval
nationale economie
• economische drager voor de langere termijn
Referentiesituatie Voor het MER is de autonome ontwikkeling in 2020 de referentiesituatie. Voor de beoordeling van duurzaamheid is dat niet bruikbaar. Bruikbaar als referentie is het Amsterdamse beleid, dat al een hoge ambitie heeft ten aanzien van duurzaamheid.