472.22 Motie Van Schijndel Begroting 2023 - instandhouding van de democratische rechtsstaat
Tekst van het document
Motie Datum raadsvergadering
9 en 10 november 2022 Ingekomen onder nummer 472 Status Ingetrokken Onderwerp Motie van het lid Van Schijndel inzake de instandhouding van de democratische rechtsstaat (Herstel de parlementaire democratie)
Onderwerp De door de stopzetting van de Russische gasleveranties aangewakkerde stijging van de kosten van levensonderhoud verdraagt zich niet met het door de Staat uitvoeren van het Urgenda-arrest – dit gehele rechterlijke klimaatproces moet over – het stadsbestuur van Amsterdam kan hiertoe de weg bereiden middels het instellen van een Burgerberaad.
Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over de concept Begroting 2023; Vaststellende dat: – –
–
– –
1 2
de scheiding der machten behoort tot de kern van de democratische rechtsstaat, zoals vastgelegd in de Grondwet; de Hoge Raad in 2019 het Urgenda-arrest heeft gewezen, waarin de Staat werd veroordeeld de CO2-uitstoot ten opzichte van 1990 per ultimo 2020 met 25% terug te brengen; het oordeel van de Hoge Raad was gebaseerd op bepalingen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens , in het bijzonder artikel 2 (recht op leven) en artikel 8 (recht op privéleven); naar redelijke verwachting zullen de uitgaven voor ‘de energietransitie’ tot 2050 in orde van grootte van 700 miljard euro (de Volkskrant1) tot ten minste 1.000 miljard euro (FVD2) belopen; de astronomische bedragen die met de energietransitie gemoeid zijn, niet zullen kunnen worden besteed ter leniging van maatschappelijke noden van een dwingend karakter, zoals
VK - https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/gaat-het-klimaatbeleid-nederland-echt-1-000-miljard-euro-kosten~bd4fe21a/ www.fvd.nl - https://fvd.nl/standpunten/klimaat
–
–
–
– –
–
reparatie van de koopkracht en reguliere staatstaken zoals onderwijs, politie en zorg; de Hoge Raad met zijn uitspraak het begrotingsrecht van het parlement effectief heeft uitgeschakeld, nu, voor zover het betreft klimaat en energietransitie, het maken van politieke afwegingen over de inzet van schaarse overheidsmiddelen, niet langer mogelijk is; de in het arrest van de Hoge Raad gestelde juridische wijsheid uit 2019 door de oorlog in Oekraïne is achterhaald – voor 2023 en daaropvolgende jaren moet rekening worden gehouden met een verlies aan koopkracht van ten minste een kwart ten opzichte van het precorona-jaar 2019 in acht nemende dat van september 2021 tot september 2022 de inflatie 17% was en deze in 2023 verder stijgt door het doorsijpelen van hogere energielasten in de prijzen van vrijwel alle goederen en diensten ; dit economische bloedbad vooral de Amsterdamse bevolking zwaar zal treffen, nu de minima en de mindervermogende middenklasse een relatief groot deel van de bevolking uitmaken; het Urgenda-arrest in strijd is met het Nederlands staatsrecht en deswege onrechtmatige rechtspraak oplevert, waarvoor de Staat der Nederlanden aansprakelijk is; de onrechtmatigheid van rechtspraak geadresseerd (teruggedraaid) kan worden in een nieuw klimaatproces, nu het beginsel ‘ne bis in idem’ (niemand kan tweemaal voor hetzelfde feit vervolgd worden) niet geldt in het
privaatrecht; lagere rechters niet gebonden zijn aan rechtsoordelen van de hoogste rechter, de Hoge Raad (geen stare decisis3).
Overwegende dat: – de rechterlijke macht geëquipeerd noch gelegitimeerd is de Staat der Nederlanden CO2reductiedoelen op te leggen, nu deze onvermijdelijk een politieke keuze inzake de inzet van schaarse financiële overheidsmiddelen behelzen; – in de Urgenda-procedures (gevoerd van 2015 tot en met 2019) de belangen van brede lagen van de bevolking, zoals mensen die bezorgd zijn over steeds duurdere energierekeningen, niet konden worden meegewogen; de rechterlijke instanties waren immers gebonden aan de door procespartijen, zijnde Urgenda c.s. en de Staat, aangevoerde gronden – de Staat kon belangrijke verweren niet aanvoeren doordat deze in strijd zouden komen met eerder door de Staat gepubliceerde klimaatdoelstellingen; – de wetgevende macht principieel en te allen tijde beleidsvrijheid moet toekomen bij de grootschalige toedeling van schaarse overheidsmiddelen; – Amsterdam door de reeds nu voorzienbare verdieping van de economische crisis in 2023 extreem zwaar zal worden getroffen, hetgeen gepaard kan gaan met grote maatschappelijke onrust, zodat het op de weg ligt van de ‘verantwoordelijke hoofdstad’ van Nederland onorthodoxe wegen te bewandelen om deze beleidsvrijheid, en daarmee de parlementaire democratie, te herstellen; – het rechtsoordeel van de Hoge Raad immers neerkomt op een ontoelaatbare uitleg van bepalingen van het EVRM, nu in de jurisprudentie van het Europese
Hof voor de Rechten van de Mens is uitgemaakt dat het moet gaan om een directe en actuele bedreiging van de veiligheid van mensen door overheidsfalen (klassieke voorbeelden uit de EVRMjurisprudentie zijn: een stuwdamdoorbraak als gevolg van achterstallig onderhoud, of ontploffingen op een vuilstort door methaanvorming in de bodem).
Spreekt uit dat de door de Hoge Raad veroorzaakte budgettaire starheid c.q. het gebrek aan bestuurlijke wendbaarheid het onmogelijk maakt thans de gevolgen van de oorlog in Oekraïne voor de koopkracht van brede lagen van de bevolking adequaat te adresseren.
3
Het beginsel van stare decisis behelst een juridische verplichting van lagere rechters om hogere rechters te volgen. Anders dan in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, kent het Nederlandse recht dit beginsel niet.
Roept het college op: A. de dienst Onderzoek Informatie en Statistiek opdracht te geven een representatieve steekproef te doen (mét deugdelijke informatievoorziening inzake de Staatsinrichting resp. weerspiegeling van de pluraliteit van klimaatopvattingen) over de geschiktheid voor een Burgerberaad inzake het inperken van het begrotingsrecht van de wetgevende macht (parlement en regering) door de Hoge Raad, waardoor de uitgaven voor de energietransitie goeddeels zijn uitgesloten van politieke besluitvorming, en eventuele nieuwe prioriteiten, zoals koopkrachtbehoud bij de in 2023 fors stijgende armoede, niet aan die (hoogste) prioriteit voor de energietransitie kunnen afdoen; B. bij constatering van geschiktheid van dit participatiemiddel blijkend uit het OISonderzoek, een Burgerberaad op te starten over de vraag of terzake van ‘energietransitie-uitgaven’ herstel van de politieke democratie geboden is, conform het gestelde onder A.
Indiener A.H.J.W. van Schijndel