CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Toelichting.pdf

RAAD 17 juli 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Cruquius deelgebied 9 – kavel 1.7 (VN2024-006428)16.950 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitie bepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting. De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh).

Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde. Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt: 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur; 5 dB voor overige wegen. Railverkeerslawaai

Gemeente Amsterdam

blz. 34

Op grond van artikel 1 Wgh hebben spoorwegen een zone. Deze zone is weergegeven op een krachtens artikel 1.3 en 1.4 van het Besluit geluidhinder (Bgh) vastgestelde kaart. Conform de Wet geluidhinder is voor nieuwe geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek verplicht wanneer nieuwe geluidsgevoelige functies binnen een geluidszone van een spoorweg zijn geprojecteerd. De maximaal toelaatbare grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige functies bedraagt 55 dB (in geval van woningen). Indien de geluidsbelasting hoger is kan ontheffing worden verleend tot maximaal 68 dB. Industrielawaai Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidsniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. De ligging en omvang van de zone wordt met een bestemmingsplan vastgelegd.

In het kader van het bestemmingsplan dient gekeken te worden naar de geluidsbelasting van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het industrieterrein. Indien de geluidsbelasting meer dan 50 dB(A) bedraagt, kan de gemeente een hogere waarde vaststellen. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A). Beschouwing Wegverk eerslawaai Een groot deel van het plangebied is daardoor gelegen in één of meerdere geluidszones van bestaande wegen. In en nabij het plangebied zijn geen nieuwe wegen voorzien met een snelheidsregime van 50 km/u of meer. Om de onderstaande afbeelding is de situatie weergegeven waarin het plangebied met rood is omcirkelt.

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 35

Afbeelding 5-2: uitsnede geluidskaart 2018, gemeente Amsterdam, met het plangebied rood omcirkelt Het bestemmingsplan is conserverend en maakt geen nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk, waardoor akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai achterwege kan blijven. Wegverkeerslawaai werpt derhalve geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan. Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidszone van het spoorvak Amsterdam Centraal Station – Amsterdam Muiderpoort. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet ook niet in nieuwe ontwikkelingen binnen deze geluidszone van de spoorweg, waardoor akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai achterwege kan blijven. Railverkeerslawaai werpt derhalve geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan. Op de onderstaande afbeelding is de geluidskaart spoorwegen weergegeven met het plangebied rood omcirkelt.

Afbeelding 5-3: geluidskaart ProRail spoorwegen Industrielawaai Het plangebied is onderdeel van een gezoneerd industrieterrein. In de loop van de tijd zijn er diverse besluiten genomen door zowel de Centrale stad als het voormalig stadsdeel Zeeburg die van invloed zijn op het gezoneerde industrieterrein en de industriële zone. In het onderstaande wordt hierop ingegaan. De afgelopen jaren is door de ontwikkelingen in het Oostelijk Havengebied de industriële bedrijvigheid verminderd. De bedrijvigheid concentreert zich vooral op het Cruquius werkgebied inclusief de strook aan het Zeeburgerpad. Het gebied wordt qua industriële geluidsbelasting gedomineerd door de bedrijven

Gemeente Amsterdam

blz. 36

Albeton, Kapteijn en in mindere mate door Kleijer. Voorts moet bedacht worden dat het industrieterrein in de loop der jaren al is verkleind. Zeeburgereiland maakt sinds het bestemmingsplan 'Facetherziening zonebesluit Oostelijk Havengebied-Zeeburg' geen deel meer uit van het industrieterrein. Ook de vaststelling van het bestemmingsplan 'Borneo, Sporenburg en Rietlanden' leidde al tot verkleining van het industrieterrein, alsook de vaststelling van de bestemmingsplannen 'Java-eiland', 'KNSM-eiland', 'Kop Oostelijke Handelskade', 'Oostelijke Handelskade' en 'Rietlanden' verkleinden het industrieterrein al. Ook met deze bestemmingsplanherziening wordt het industrieterrein verder verkleind op het Cruquiuseiland. Naast het verlagen van de milieucategorie zal ook de gebiedsaanduiding 'gezoneerd industrieterrein' komen te vervallen. Met het voorliggende bestemmingsplan komt het plangebied in de zone van het industrieterrein te liggen. Deze ontwikkeling beperkt de mogelijke geluidsbelasting van een toekomstige planvoornemen op deze locatie wat de omliggende woningbouw verder mogelijk maakt. Het voorliggende bestemmingsplan is dan ook een randvoorwaarde voor een goed woonklimaat voor de woningen die in nabije omgeving worden gebouwd en het waarborgen van een goed leefklimaat voor overige hindergevoelige objecten in de omgeving.

Conclusie In het kader van het milieuaspect geluid vormt het voorliggende planvoornemen geen belemmering.

5.5

Externe veiligheid

Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor derden. Het gaat daarbij zowel om het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en door buisleidingen. Ook gaat het om inrichtingen met opslag, productie en/of gebruik van gevaarlijke stoffen. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van de risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen.. De externe veiligheidsregelgeving is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid. De regelgeving is gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening. Besluit externe veiligheid In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn risicomaten met bijbehorende risiconormen opgenomen voor respectievelijk inrichtingen en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) (2004) Het externe veiligheidsbeleid voor het transport van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in: Besluit externe veiligheid Buisleidingen, 2011; Besluit Transport en Externe Veiligheid (2015). Risicomaten De risico's met betrekking tot externe veiligheid dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het plaatsgebonden risico is de overlijdenskans per jaar als gevolg van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij een ongeval. Dit kan op een kaart worden weergegeven met behulp van contouren. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat in één keer een groep mensen komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 37

door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron zoals bedrijven, wegen en spoorlijnen. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico kan niet in contouren worden vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit is vergelijkbaar met het Bevi, maar dan van toepassing op buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het gaat om buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm (1,97 inch) en een druk van meer dan 1600 kPa (16 bar) en om buisleidingen voor aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm (2,76 inch) en een druk van meer dan 1600 kPa. Buiten de regels over het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het groepsrisico is in het Bevb bepaald dat in een bestemmingsplan de ligging van buisleidingen wordt weergeven en dat een regeling wordt opgenomen voor de belemmeringenstrook.

Deze belemmeringenstrook ligt op vijf meter aan weerszijden van de buisleiding of vier meter in geval van aardgasleidingen met een druk tussen 1600 en 4000 kPa. Beschouwing Risicovolle bedrijven Volgens de risicokaart (www.risicokaart.nl) zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle objecten aanwezig. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart weergegeven met daarbinnen de rode stip het plangebied.

Gemeente Amsterdam

blz. 38

Afbeelding 5-4: uitsnede van de risicokaart (www.risicokaart.nl) De dichtstbijzijnde contour voor het plaatsgebonden risico PR10-6 ligt niet binnen het plangebied Cruquiuseiland, daarom zijn er geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig of bestemd. Het plan voldoet derhalve aan de grens- en richtwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR). Sinds het metaalbedrijf Metaal Magnus B.V. is verhuisd naar Amstelveen, zijn er geen risicovolle bedrijven meer aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Buisleidingen Door de Gasunie is het bestemmingsplan getoetst aan het vigerende beleid met betrekking tot externe veiligheid voor aardgastransportleidingen, zijnde het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing wordt geconcludeerd dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen aardgastransportleiding valt. Aanvullend onderzoek naar externe veiligheid van buisleidingen is derhalve niet aan de orde. Vervoer over het spoor Het plangebied is gelegen op circa 1 kilometer van het spoortraject Amsterdam Muiderpoort Amsterdam Singelgracht. Op dit moment vindt er nauwelijks tot geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over dit traject. Het spoortraject is onderdeel van het op bestuurlijk niveau geaccordeerde Basisnet Spoor.

Met het Basisnet spoor worden aan de vervoerszijde risico's vastgelegd in een vaste, niet veranderlijke (vervoer-) gebruiksruimte. In deze gebruiksruimte wordt voor dit traject, conform het bestuurlijk geaccordeerde Basisnet Spoor, uitgegaan van risico-arm samengestelde treinen, waardoor bij de risicoberekeningen het risicovollere "warme BLEVE scenario" (een grote explosie met brandbaar gas) kan worden uitgesloten. bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 39

Plaatsgebonden risico: Vervoer over het spoor. Het plaatsgebonden risico als gevolg van het vervoer per spoor is lager dan 10-6 per jaar. Het plan voldoet aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisico vervoer over het spoor: Het groepsrisico ligt onder de oriëntatiewaarde. Het hoogste groepsrisico op het traject Amsterdam Muiderpoort - Amsterdam Singelgracht is ter hoogte van het Centraal Station en bedraagt circa 0,3 maal de oriëntatiewaarde. Ter hoogte van het plangebied van bestemmingsplan Cruquius is het groepsrisico lager. De circulaire “Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen” geeft aan dat een verantwoording van het groepsrisico (GR) is vereist indien er sprake is van een significante toename van het groepsrisico of een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het GR zal daardoor niet toenemen en blijft ruim onder de oriëntatiewaarde. Verdere verantwoording van het GR als gevolg van het vervoer per spoor is daarom niet nodig. Vervoer over het water Voor het voorliggende bestemmingsplan is alleen het vervoer van gevaarlijke stoffen over het Amsterdam-Rijnkanaal relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Dit kanaal ligt op circa 400 meter afstand van het plangebied van deelgebied 9 / kavel 1.7.

Het planvoornemen dient daarom getoetst te worden aan de externe veiligheidsnormen plaatsgebonden risico en groepsrisico betreffende Amsterdam-Rijnkanaal. Voor het plaatsgebonden risico geldt een zogenaamde risicolijn. Kijkend naar het groepsrisico dient inzichtelijk te worden of ten gevolge van het plan het groepsrisico toeneemt en dient bepaald te worden of het groepsrisico de oriëntatiewaarde overschrijdt. Wanneer het groepsrisico ten gevolge van het plan toeneemt en/of het groepsrisico de oriëntatiewaarde overschrijdt dient het bevoegd gezag het groepsrisico te verantwoorden. Dit kan inzichtelijke worden gemaakt middels het uitvoeren van een kwantitatieve risicoanalyse. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het berekenen van het groepsrisico echter niet verplicht is bij een bevolkingsdichtheid beneden de 1500 pers/ha dubbelzijdige bebouwing en 2250 pers/ha enkelzijdige bebouwing. Groepsrisico: Volgens artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes moet bij elk plan binnen het invloedsgebied een beperkte verantwoording worden uitgevoerd. Er dient te worden ingegaan op de mogelijkheden tot bestrijding en beperking van de effecten van een ongeval en op de mogelijkheid van personen om zich in veiligheid te brengen. Wanneer het plan binnen de 200 meter van de transportas ligt, en wanneer het groepsrisico.

Echter, op de onderstaande afbeelding is te zien dat het plangebied, met een rode stip aangegeven, zich buiten de 200 meter van de transportas ligt.

Gemeente Amsterdam

blz. 40

Afbeelding 5-5: een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid rondom het plangebied en daarbinnen is met een witte pijl het plangebied aangegeven Conclusie Er zijn ten aanzien van het bestemmingsplan geen knelpunten op het gebied van externe veiligheid.

5.6

Bodemkwaliteit

Beleidskader In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden.

Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd. Onderzoek Ter voorbereiding op de nieuwbouw (aanvraag omgevingsvergunning) is het noodzakelijk dat

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 41

bodemonderzoek is uitgevoerd wat voldoet aan de ARVO en NEN5740 richtlijnen.Hiervoor is het noodzakelijk om de bodemgegevens van de gehele locatie in beeld te brengen, zodat inzicht verkregen wordt in onder andere: De huidige milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende en achterblijvende grond bij bouwrijp- en saneringswerkzaamheden; De huidige milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater; De aanwezigheid van een verontreiniging met asbest in de bodem; De aanwezigheid van een verontreiniging met PFAS in de bodem; De maatregelen die, conform het Arbeidsomstandighedenbesluit, getroffen moeten worden om de operationele medewerkers te beschermen tegen directe en indirecte blootstelling aan stoffen die zich mogelijk in de bodem bevinden (bepaling voorlopige veiligheidsklassen). In de periode van 12 maart tot en met 19 april 2021 heeft Royal HaskoningDHV, in opdracht van Amvest Development Real Estate B.V , een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het voormalige bedrijfsterrein van Steenkist - Schijfsma aan de Cruquiusweg 77 te Amsterdam.

Naar aanleiding van het uitgevoerde vooronderzoek volgens de NEN 5725 kan het volgende worden gesteld: het terrein aan de Cruquiusweg 77 behoort tot het gebied dat voor de oorlog is opgehoogd en bebouwd; in het verleden zijn verschillende bodembedreigende activiteiten uitgevoerd op de onderzoekslocatie; Er zijn voor zover bekend geen (recente) bodemonderzoeken op het terrein uitgevoerd; naar verwachting is ter plaatse van de Cruquiusweg 77 sprake van licht tot sterk verhoogde gehalten aan verontreinigende stoffen in de grond (met name zware metalen, minerale olie en PAK); Verkennend onderzoek asbest conform de onderzoeksprotocollen NEN5707/NEN5897 heeft niet plaatsgevonden. De locatie is op voorhand verdacht voor asbest vanwege de ophogingen, de aanwezigheid van asbestfabriek(en) elders aan de Cruquiusweg, en de onderzoeksresultaten van nabijgelegen terreinen. Samenvattend wordt verwacht dat het terrein aan de Cruquiusweg 77 mogelijk heterogeen verontreinigd is met zware metalen, PAK en/of asbest. Naar aanleiding van bovenstaande is, met het oog op de voorgenomen herontwikkeling van het terrein, het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Grondwater In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan barium en/of naftaleen aangetroffen. Er zijn geen matig of sterk verhoogde concentraties aangetroffen.

Nader onderzoek naar de licht verhoogde gehalten wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. PFAS Verspreid over de onderzoekslocatie heeft PFAS-onderzoek plaatsgevonden. De analyseresultaten van het onderzoek zijn getoetst aan de normen uit de Beleidsregel PFAS gemeente Amsterdam 2020. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er op de onderzoekslocatie maximaal licht verhoogde concentraties PFAS zijn aangetroffen waardoor vrijkomende grond met betrekking tot PFAS als Vrij Toepasbaar kan worden beschouwd. Er is geen sprake van sterk met PFAS verontreinigde grond. Heterogeen verontreinigde bovenlaag Uit de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse de gehele onderzoekslocatie in de bodem (direct vanaf maaiveld) tot een diepte van maximaal 1,5 m-mv sprake is van een sterk geroerde, heterogeen verontreinigde (ophoog)laag. In de heterogene ophooglaag zijn lichte tot sterke bijmengingen van onder andere baksteen, beton, puin, bitumen en asbest waargenomen. De bodemlaag

Gemeente Amsterdam

blz. 42

blijkt voornamelijk matig tot sterk verontreinigd te zijn met PAK en lood. De horizontale omvang van de verontreiniging is tijdens onderhavig onderzoek niet volledig in beeld gebracht. Aangezien de verhoogde concentraties te relateren zijn aan de aanwezigheid van de puin- en bitumenhoudende ophooglaag die overal op de locatie aanwezig is, zijn individuele verontreinigingsspots niet te onderscheiden. In het grondwater worden geen sterke verontreinigingen aangetroffen. Gezien de omvang van de heterogene verontreiniging in de grondfase is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Asbest Uit de resultaten van het asbest onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van asbest op het bedrijfsterrein in de heterogeen verontreinigde bovenlaag is bevestigd in zowel de fijne als de grove fractie. Geconcludeerd wordt dat in de bodem vanaf maaiveld tot een diepte van circa 1,0 m-mv sterk verhoogde concentraties asbest zijn aangetoond waardoor er sprake is van een sterke verontreiniging met asbest. Gevalsdefinitie In het kader van de Wet Bodembescherming spreekt men van een geval van bodemverontreiniging als sprake is van grondgebieden die vanwege verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen. Op basis van de huidige gegevens zijn een tweetal gevallen van ernstige bodemverontreiniging te onderscheiden.

Op basis van de risico beoordelingen kan geconcludeerd worden dat bij het huidige gebruik er geen sprake is van actuele humane, ecologische en/of verspreidingsrisico's. Het verrichten van sanerende maatregelen op de locatie is bij het huidige gebruik derhalve niet spoedeisend. Echter, dit is in het kader van de huidige situatie. In de toekomstige situatie zal er op de locatie een nieuwbouwproject worden gerealiseerd. In dat geval is het uitvoeren van de saneringsopgave wel van belang. Deze bodemsanering zal moeten worden opgenomen in het planvoornemen. Wanneer deze saneringswerkzaamheden worden uitgevoerd vormt het milieuaspect bodem geen belemmering. Conclusie Gezien de omvang van de heterogene verontreiniging in de grondfase is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er zal daarom een bodemsanering moeten plaatsvinden. Met uitvoering van deze saneringswerkzaamheden vormt het milieuaspect bodem geen belemmering voor het beoogde gebruik.

5.7

Water

Beleidskader In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Er is reeds een toetsing gedaan aan de Hemelwaterverordening 2021 en zijn er regels in dit plan opgesteld die voldoen aan het paraplu bestemmingsplan 'Grondwaterneutrale Kelders'. Beschouwing Op de onderstaande afbeelding is het plangebied weergegeven, in het rood, op de kaart van waterschap bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 43

Amstel, Gooi en Vecht (hierna te noemen AVG).

Afbeelding 5-6: een uitsnede van de legger van waterschap Amstel, Gooi en Vecht met in het rood het plangebied weergegeven Waterkeringen In het plangebied zijn geen primaire en/of secundaire waterkeringen aanwezig. Tevens is het niet gelegen binnen de zonering van dergelijke waterkeringen. Een watervergunning of afstemming met Waternet is in het kader van waterkeringen dan ook niet nodig. Toename van verharding - waterberging In onbebouwde grond zakt een groot deel van het regenwater weg. Bij verharding loopt het regenwater sneller in de richting van een sloot en of het riool. Dit kan tot wateroverlast leiden. Om dit te voorkomen is soms extra ruimte nodig om water op te kunnen slaan. Bij de beoogde ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met het beleid van waterschappen. Een van de beleidsregels houdt in het compenseren bij een toename van het verharde oppervlak. Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening. Het waterschap AVG stelt dat bij binnenstedelijke toename van verhard oppervlak van meer dan 1.000 m2, in bestaand of nieuw in te richten stedelijk gebied, een compensatienorm van kracht is (artikel 2.3 lid 2 Keur AVG). Bij een toename van het oppervlak aan verharding met 1.000 m² of meer dient de toename aan verharding gelet op de Keur te worden gecompenseerd in de vorm van 10-20% oppervlaktewater of alternatieve vormen van waterberging.

Alternatieve berging Onder bepaalde voorwaarden kan demping of toename van verharding worden gecompenseerd in de

Gemeente Amsterdam

blz. 44

vorm van alternatieve berging. Voorbeelden daarvan zijn vegetatiedaken en open of halfgesloten verharding. Voor het plangebied is geen compensatie noodzakelijk, wel zal het regenwater binnen het plangebied worden opgevangen en gebufferd waarmee wordt aangesloten bij de Agenda Duurzaam Amsterdam om de stad regenbestendig te maken. Om Amsterdam regenbestendig te maken, is op initiatief van Waternet het programma Amsterdam Rainproof opgezet. Rainproof motiveert, informeert en activeert bewoners, ondernemers, ambtenaren en kenniswerkers om regenbestendig te werken bij de verandering van daken, straten, tuinen, parken en pleinen. Uitgangspunt is dat gerichte, kleinschalige, fijnmazige en rendabele maatregelen de stad regenbestendiger en tegelijk aantrekkelijker en leefbaarder maken. Bij invulling van voorliggende kavel wordt de initiatiefnemer geacht in vroeg stadium van de uitwerking van de plannen in contact te treden met Waternet om mogelijke Rainproof oplossingen voor het plan in kaart te brengen. Demping van wateroppervlaktes In de Keur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht zijn ook regels opgenomen wanneer er sprake is van het dempen van water bij planontwikkelingen. Wanneer er sprake is van demping van oppervlaktewater moet er voor 100% worden gecompenseerd.

Als binnen het plangebied geen mogelijkheid is voor het creëren van compensatie dient elders in hetzelfde peilvak gecompenseerd te worden. Echter, in het planvoornemen is er geen sprake van demping van oppervlaktewater. Hemelwater In het Gemeentelijk Riolerings Plan (GRP) 2016-2021 staat het beleid van de gemeente op het gebied van hemelwater beschreven. Amsterdam wil haar goede prestaties op het gebied van hemelwater verder verbeteren. De gemeente houdt bij de inrichting van de buitenruimte (privaat en publiek) rekening met het tijdelijk opvangen van extreme buien. Hierop wordt met het programma Rainproof op ingespeeld. De gemeente heeft de ambitie dat de stad in 2020 een bui van 60 mm per uur kan verwerken zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur. De initiatiefnemer wordt geacht om tijdig afstemming te zoeken met Waternet om Rainproof oplossingen in het ontwerp van het plangebied in te kunnen passen. Een gemengd stelsel Schoon hemelwater wordt gescheiden ingezameld en loost direct op het omliggende oppervlaktewater. Het vuile water wordt op de perceelgrens aangeboden en aangesloten op het gemeentelijk riool. In het plangebied is een (verbeterd) gemengd/gescheiden rioolstelsel aanwezig. Conclusie Het bestemmingsplan maakt bedrijven, creatieve functies en ondergeschikte detailhandel mogelijk.

Bij een nieuwe invulling van de kavel dient rekening gehouden te worden met het de toenname van het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie (een braakliggend terrein). Ook dient er afstemming te worden gezocht met Waternet om Rainproof oplossingen in het ontwerp in te kunnen passen. Uitgangspunt is dat gerichte, kleinschalige, fijnmazige en rendabele maatregelen de stad regenbestendiger en tegelijk aantrekkelijker en leefbaarder maken.

5.8

Ecologie

Beleidskader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 45

in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Natura-2000 gebieden Natura-2000 gebieden zijn het Europese netwerk van waardevolle natuurgebieden, dat er op gericht is de aanwezige natuurwaarden te behouden en te versterken.

Gebieden die door de minister zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied vormen samen de Natura 2000-gebieden. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor soorten en habitattypen. Ruimtelijke ontwikkelingen of gebruik die een negatief effect hebben op deze doelstellingen zijn niet zonder meer toegestaan. Conform de Wet natuurbescherming (Wnb) dient bij nieuwe activiteiten getoetst te worden of binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden. In de beslisboom voor stikstofdepositie (figuur 1 hieronder) zijn de stappen weergegeven om vergunningsplicht vast te stellen.

Gemeente Amsterdam

blz. 46

Figuur 5-7: Beslisboom toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten Beschouwing Op 3 mei 2021 is er een terreininspectie uitgevoerd door Royal HaskoningDHV op de projectlocatie aan de Cruquiusweg 77 te Amsterdam. Ook is er een bureaustudie verricht. Onderstaand zijn hiervan de relevante gegevens over het milieuaspect ecologie beschreven. Gebiedsbescherming In de nabije omgeving van het Cruquiusgebied ligt op circa 1,5 km het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Op ruim 6 km afstand ligt het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Op grotere afstand liggen Polder Westzaan (11 km), Botshol (12,5 km), Naardermeer (12 km) en Oostelijke Vechtplassen (13 km). Op de onderstaande afbeelding is het plangebied aangegeven met een rode stip ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied.

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 47

Afbeelding 5-8: uitsnede van het plangebied ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 6 kilometer afstand. Om de effecten van de bestemmingsplanherziening te berekeningen is een stikstofdepositieberekening (bijlage 1) uitgevoerd. Als gevolg van het gebruik van de nieuwe ontwikkeling zal er een toename in verkeer optreden van en naar het plangebied op (verkeersaantrekkende werking). De beoogde verkeergeneratie is bepaald op basis van de kencijfers van het CROW en bedraagt maximaal 42,3 verkeersbewegingen per etmaal. De funtie 'bedrijf' is daarbij als uitgangspunt genomen. Worst case is aangenomen dat 5% hiervan zwaar vrachtverkeer is, dit komt neer op maximaal 2,1 vrachtverkeersbewegingen per etmaal. Het bedrijfsgebouw zal niet worden aangesloten op aardgasnet, tijdens de gebruiksfase zullen er dus geen emissies als gevolg van gasgestookte installaties optreden. Uit de stikstofberekening is geconcludeerd dat door de verkeersaantrekkende werking tijdens de permanente gebruiksfase van het gebouw de stikstofdepositie niet toe zal nemen (0,00 mol N/ha/j). Dit betekent dat significant negatieve effecten op de natuurwaarden van de omliggende Natura 2000-gebieden zowel tijdens de aanlegfase als tijdens de gebruiksfase op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Natuur Netwerk Nederland (NNN-gebieden) Het dichtstbijzijnde gebied van Natuur Netwerk Nederland bestaat uit een 'verbindingszone'. Deze loopt door de mond van het Amsterdam-Rijnkanaal en de westzijde van het Zeeburgereiland. De afstand van het plangebied tot deze natuurverbinding bedraagt meer dan 500 meter. Het projectgebied valt dan ook niet binnen de grenzen van deze NNN-verbinding. Het beleidskader van Natuur Netwerk Nederland is daarmee niet van toepassing en de effecten zijn op voorhand uit te sluiten. Op de onderstaande afbeelding is het plangebied weergegeven, met een rode stip, ten opzicht van de NNN-gebieden en NNN-verbindingszones. Zowel de gebieden als zones zijn in het groen weergegeven.

Gemeente Amsterdam

blz. 48

Afbeelding 5-9: Het plangebied met een rode stip weergegeven ten opzichte van Natuur Netwerk Nederland gebieden Soortenbescherming Op maandag 3 mei 2021 is door ter zake deskundig ecoloog van Royal HaskoningDHV de projectlocatie bezocht. In 2017 was voor deze locatie al een quickscan Flora & Fauna uitgevoerd. Toen is geconcludeerd dat er geen beschermde soorten te verwachten zijn. Omdat deze quickscan is verjaard, is er een aanvullend controlebezoek uitgevoerd om te bepalen of er kans is op aanwezigheid van krachtens de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde soorten. Het verslag ervan is een bijlage bij voorliggende toelichting. Het betreft een locatie op het Cruquiuseiland waar op dit moment in de directe omgeving veel woningbouw plaatsvindt. Er is veel bedrijvigheid met bouwverkeer. Het plangebied ligt omgeven door asfaltwegen en andere verhardingen, zoals fiets- en voetpaden. Vegetatie is er alleen in de vorm van een kleine bosschage in de zuidpunt van het plangebied. Hier kunnen algemeen voorkomende vogels tot broeden komen, zoals merel of roodborst. Een huismus is niet waargenomen of gehoord. Hier dient men rekening mee te houden door de vegetatie voorafgaand aan de werkzaamheden in de winterperiode te verwijderen. Er zijn geen watergangen in het plangebied noch op het gehele eiland aanwezig.

Het plangebied ligt verder braak en er zijn in de bodem veel sporen van zwaar materieel aanwezig. De bodem is sterk ingeklinkt en zwaar kleiig. Er zijn geen amfibieën waargenomen. De aanwezigheid van amfibieën is gezien voorgaande uitgesloten. Andere beschermde soorten kunnen gezien de staat van het plangebied en de biotoopeisen van deze soorten worden uitgesloten. Conclusie

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 49

Het bestemmingsplan leidt niet tot nieuwe ontwikkelingen die van negatieve invloed kunnen zijn op ecologische waarden of flora en fauna. Wel is het van belang dat de maatregel uit de terreininspectie in acht te nemen. De vegetatie in de zuidpunt van de kavel dient voorafgaand aan de werkzaamheden in de winterperiode te worden verwijderd.

5.9

Archeologie en cultuurhistorie

Beleidskader Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt meerdere wetten en regelingen op gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1998. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet welke naar verwachting in juli 2022 in werking treedt. Tot die tijd valt dit onderdeel binnen de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Hierin staat dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Ook is er De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Deze is op 21 juni 2010 als onderdeel van het uitvoeringsprogramma van de Structuurvisie Noord-Holland 2040 vastgesteld. In de Leidraad geeft de provincie haar visie op de gewenste ruimtelijke kwaliteit van Noord-Holland. Daarbij is aangegeven welke kernkwaliteiten van het landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zodat deze kwaliteiten op een zorgvuldige wijze kunnen worden meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen. Naast de Structuurvisie Noord-Holland 2040 vormt ook de Omgevingsvergunning 2020 een belangrijk onderdeel in de gewenste ruimtelijke kwaliteit in het kader van cultuurhistorie.

Beschouwing Archeologie In november 2011 is door Bureau Monumenten & Archeologie een archeologisch bureauonderzoek verricht voor het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan. Het onderzoek (kenmerk: BO 11-055 Amsterdam 2011) is als bijlage opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Het bureauonderzoek is te beschouwen als een overzicht van bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Uit het bureauonderzoek blijkt dat ter plaatse van de Nieuwe Vaart in het water gegooide of gevallen losse voorwerpen te verwachten zijn die verband houden met scheepvaart of andere activiteiten op de wal. Losse vondsten vertonen in de regel een wijde verspreiding en een lage trefkans. Ter plaatse van het Cruquiuseiland zijn materiële overblijfselen te verwachten die samenhangen met de zomerdijk rond het buitendijkse land, met landgebruik vanaf de 12e eeuw en met het gebruik als molenwerf van de 17e tot eind 19e eeuw. De archeologische sporen van landgebruik en losse vondsten vertonen in de regel een wijde verspreiding en een lage trefkans. De sporen van de molenwerven hebben een sterkere onderlinge samenhang en een hogere dichtheid, waardoor de archeologische verwachting hoger is. Het betreft hier de houtzaagmolens en de watermolens. Houtzaagmolens: De materiële neerslag betreft sporen van het gebruik als molenwerf van eind 17de tot eind 19de eeuw.

Daarbij gaat het om funderingen en afvallagen. Deze sporen hebben in de regel een sterke onderlinge samenhang en een hoge dichtheid; Watermolens:

Gemeente Amsterdam

blz. 50

De materiële neerslag betreft sporen van de twee 17de eeuwse watermolens die in 1759 naar de stad zijn verplaatst. Daarbij gaat het om funderingen en afvallagen. Deze sporen hebben in de regel een sterke onderlinge samenhang en een hoge dichtheid. Bij de aanleg van de Entrepothaven en het Lozingskanaal is de oorspronkelijke bodem weggegraven. De archeologische verwachting is daarom negatief. Ter plaatse van het open deel van het IJ kunnen resten worden verwacht die verband houden met scheepvaartactiviteiten, waaronder scheepswrakken en voorwerpen die in het water gevallen zijn. In principe hebben dergelijke resten een wijde verspreiding. De enige samenhangende structuren zijn scheepswrakken, maar dit zijn geïsoleerde vindplaatsen met een lage trefkans. Daarnaast is dit deel van de haven tot 10,5 m uitgediept, waardoor de oorspronkelijke IJ-bodem is verdwenen. De archeologische verwachting is daarom negatief. De verwachtingen zijn gekoppeld aan de huidige toestand van het terrein en mogelijk opgetreden bodemverstoringen, wat heeft geleid in een achttal verwachtingszones. Deze verwachtingszones zijn vertaald in een archeologische beleidskaart. Hierna is de archeologische beleidskaart voor bestemmingsplan Cruquius weergegeven. Het plangebied, kavel 1.7 / deelgebied 9, is weergegeven met de rode cirkel.

Afbeelding 5-10: archeologische beleidskaart Cruquius Beleidsvariant 11:

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 51

Deze variant is van toepassing op het voorliggend plangebied. In deze gebieden geldt een lage of geen archeologische verwachting waarbij archeologisch onderzoek in geen enkel geval nodig is. Voor het voorliggende bestemmingsplan geldt dat er op het gebied van archeologie geen knelpunten zijn. Cultuurhistorie Gelet op de provinciale waardenkaart Landschap & Cultuurhistorie is het voorliggende plangebied aangegeven als landschapstype ‘Stedelijk’. De Entrepothaven en een deel van het AmsterdamRijnkanaal is aangewezen als historische structuur: industrieel erfgoed ‘Noordzeekanaal gebied’.

Afbeelding 5-11: uitsnede provinciale waardenkaart Landschap & Cultuurhistorie Voor het voorliggende plangebied heeft Bureau Monumenten & Archeologie (BMA) een Cultuurhistorische verkenning uitgevoerd. Dit onderzoek ‘Cultuurhistorische verkenning Cruquiusweg e.o.’ (C 12-046 Amsterdam 2012) is opgenomen als bijlage bij het voorliggende bestemmingsplan. In de Cultuurhistorische verkenning is aangegeven dat het plangebied een boeiend stedenbouwkundig en architectonisch ensemble vormt, waarin de negentiende-eeuwse ontwikkeling van de haven en de stadsvernieuwing tot een verrassende synthese zijn gekomen. De resterende structuren en gebouwen van de veemarkt en het abattoir getuigen van een omwenteling in de voedselvoorziening van de destijds spectaculair groeiende Europese steden. De rommelige bedrijvigheid in het oostelijk deel van het plangebied en langs het Zeeburgerpad vormt een karakteristiek gegeven. Andere Oostelijke Haveneilanden zijn getransformeerd tot vrijwel monofunctionele woongebieden met in wezen eenvormige architectuur. Een aantal stedenbouwkundige elementen herinneren aan de gecompliceerde waterhuishouding van de historische stad en het probleem van de fecaliën.

Het gaat hierbij om de Nieuwe Entrepotsluis met beide bruggen, het Zeeburgerpad als voormalige waterscheiding tussen de Nieuwe Vaart en het Lozingskanaal, en het waterstaatkundige complex bij het gemaal Zeeburgerdijk 801. Voor het bestemmingsplan geldt dat er op het gebied van cultuurhistorie geen bijzonderheden zijn. Conclusie archeologie en cultuurhistorie In het kader van het voorliggend bestemmingsplan geldt dat het voorliggende bestemmingsplan doorgang kan vinden op het gebied van archeologie en cultuurhistorie. Er zijn geen belemmeringen aanwezig.

Gemeente Amsterdam

blz. 52

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 53

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels zijn het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft géén juridisch bindende werking. Dit in tegenstelling tot de regels en de verbeelding. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het (bestemmings)plan. Ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Door flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks bindende werking ten aanzien van burgers. In de toelichting wordt van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

6.2

De bestemmingen

In de bestemmingsomschrijving van de planregels wordt beschreven welke functies binnen de betreffende bestemming zijn toegestaan. In de bouwregels wordt weergegeven of en hoe gebouwd mag worden. Daarin wordt in algemene zin geregeld in alle bestemmingen dat er slechts gebouwd mag worden ten behoeve van de bestemming. Vervolgens worden de maten zoals oppervlakten en bouwhoogten opgenomen, die betrekking hebben op de toegestane gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Hierin zijn regels opgenomen over onder andere de indeling van de planregels en de naamgeving van bestemmingen. De planregels kennen standaard vier hoofdstukken, namelijk: Hoofdstuk 1: De inleidende regels Hoofdstuk 2: De bestemmingsregels Hoofdstuk 3: De algemene regels Hoofdstuk 4: De overgangs- en slotregels Gemeente Amsterdam

blz. 54

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen Dit artikel bevat de definities van begrippen die in dit bestemmingsplan worden gebruikt. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. De begripsbepalingen staan, behalve voor de begrippen ‘plan’ en ‘bestemmingsplan’ op alfabetische volgorde. Artikel 2: Wijze van meten In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden.Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels. Hoofdstuk 2: De bestemmingsregels Artikel 3 Bedrijf Vanwege de omliggende woningbouwontwikkelingen is er in het voorliggende bestemmingsplan een nieuw planologisch regime opgesteld met een lagere toegestane milieucategorie conform Staat van bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein. Voorliggend bestemmingsplan is een randvoorwaarde voor een goed woonklimaat voor de woningen die in nabije omgeving worden gebouwd en het waarborgen van een goed leefklimaat betreft de andere hinder gevoelige objecten in de directe omgeving zoals een basisschool.

Ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf' mogen gronden met deze bestemming gebruikt worden voor bedrijven die vallen in de milieucategorie 1 en 2 zoals bedoeld in de bij de regels in Staat van bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein. Op deze lijst staan voor meerdere functies milieucategoriën vermeld op basis van de richtafstanden van de VNG-publicatie bedrijven en miliezonering, waaronder milieucategorien voor bedrijven, horeca, maatschappelijke voorzieningen, etc.. Met bedrijven wordt in dit bestemmingsplan de bedrijfsfunctie bedoeld zoals die in de begripsbepalingen is gedefineerd. Verder zijn binnen op de gronden met de bestemming Bedrijf ook creatieve functies en ondergeschikte detailhandel mogelijk. Tevens zijn erven, nutsvoorzieningen, verkeersareaal, parkeervoorzieningen en inen uitritten, laad- en losvoorzieningen, fiets- en voetpaden, groen, water en kunstwerken ten behoeve van weg- en waterbouw toegestaan. In lid 2 zijn de bouwregels opgenomen. Gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. De maximale bouwhoogte is aangegeven op de verbeelding en betreft 15 meter. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldt dat de maximale hoogte van lichtmasten 12 meter bedraagt. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 6 meter.

Verbeelding De verbeelding wordt bijna hetzelfde als de bestaande situatie, met uitzondering van de gebiedsaanduiding 'industrieterrein'. Deze is komen te vervallen. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 4: Anti-dubbeltelregel Door middel van dit artikel wordt voorkomen dat grond welke betrokken is geweest bij het toestaan van bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 55

een bouwplan bij de beoordeling van een later bouwplan wederom betrokken is. Artikel 5: Algemene bouwregels In dit artikel is aangegeven dat bestemmings- en/of bouwgrenzen van gebouwen mogen worden overschreden ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen. In het artikel is aangegeven om welke ondergeschikte bouwdelen het gaat en welke maximale overschrijding is toegestaan. Artikel 6: Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt geregeld welk gebruik is toegelaten. In 6.1 verbodsregels worden inrichtingen die vallen onder bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Bor), uitdrukkelijk uitgesloten van vestiging in het plangebied op grond van de te verwachten overlast van dergelijke bedrijfsuitoefening. Verder zijn onder andere automatenhallen, seksinrichtingen, belwinkels, smartshops, coffeeshops, internetcafés en geldwisselkantoren voor dit plangebied als verboden gebruik aangemerkt aangezien dergelijke inrichtingen als ongewenst worden beschouwd. Artikel 7: Algemene afwijkingsregels Het Dagelijks Bestuur kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bestemmingsplan. In deze regeling zijn de algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen zodat enige flexibiliteit mogelijk wordt gemaakt ten aanzien van de regels.

Artikel 8: Overige regels Waar in de planregels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op die regelingen, zoals zij luiden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan. Daarnaast is hierin ook een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het bevoegd gezag om wijzigingen aan te brengen in Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel Artikel 9: Overgangsrecht Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Artikel 10: Slotregel Dit wordt ook wel de citeer bepaling genoemd. Hierin wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan genoemd is.

Gemeente Amsterdam

blz. 56

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

blz. 57

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

7.1

Economische uitvoerbaarheid

7.1.1

Inleiding

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat een planrechtskracht verkrijgt dat qua financiële haalbaarheid niet realistisch blijkt te zijn. Op grond van artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een 'bouwplan' is. De stadsdeelraad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro); er geen kosten te verhalen zijn (art 6.2.1a Bro). De 'Grex-wet' is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien er geen kosten gemaakt worden, hoeven deze ook niet verhaald te worden. 7.1.2

Plangebied

Met onderhavig bestemmingsplan is een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Met de ontwikkelende eigenaar Amvest Development Real Estate B.V. van de gronden is een anterieure overeenkomst gesloten (zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro) voordat het bestemmingsplan is vastgesteld, zodat de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet geldt. In deze anterieure overeenkomst zijn afspraken over het verhaal van kosten op afdoende wijze vastgelegd. De raad besluit bij vaststelling van het bestemmingsplan dat er geen exploitatieplan wordt vastgesteld, omdat kostenverhaal anderszins verzekerd is. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Het project wordt gerealiseerd op kosten en voor risico van de initiatiefnemer Amvest Development Real Estate B.V. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voortraject Cruquiusgebied en Zeeburgerpad De stadsdeelraad heeft op 26 januari 2014 het strategiebesluit met bijbehorende strategienota voor het Cruquiuswerkgebied en Zeeburgerpad vastgesteld. Het Strategiebesluit is een uitwerking van de toekomstvisie Cruquiuswerkgebied en Zeeburgerpad (vastgesteld door de stadsdeelraad in juni 2008) en een eerste stap in de ontwikkeling van het Cruquiuswerkgebied en het Zeeburgerpad. Het besluit geeft op basis van de ruimtelijke visie de investeringsrichting aan. Het strategiebesluit en de strategienota vormen daarmee een kader voor het nieuwe bestemmingsplan. Inspraak en maatschappelijk overleg Op grond van artikel 3.1.6 onder e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop burgers en

Gemeente Amsterdam

blz. 58

maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Overleg met andere overheden Op grond van artikel 3.1.1, lid 1 juncto artikel 3.1.6, lid 1 onder c Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Uit de Nota van toelichting van het Besluit van 21 april 2008 tot uitvoering van de Wet ruimtelijke ordening is daarover nog het volgende op te maken: Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Versnelling van besluitvormingsprocedures is één van de doelstellingen van de Wro. Bij de voorbereiding van de Wro en in het kader van het Project herijking VROM-regelgeving is door partijen uit de praktijk aangegeven dat het verplichte vooroverleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen één van de factoren is die vertraging kunnen veroorzaken in de bestemmingsplanprocedure.

Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt geschaad. Indien het gaat om een bestemmingsplanherziening (niet: inpassingsplanherziening) van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, waarbij niet of in geringe mate herschikking van de betrokken belangen aan de orde is, zal volstaan kunnen worden met een simpel overleg, of zal wellicht zelfs geen overleg behoeven plaats te vinden. Afweging voorliggend bestemmingsplan: voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe functies of meer bebouwing mogelijk dan op grond van het geldende bestemmingsplan is toegestaan. In dat opzicht verandert er niets. Daarmee is het conserverend van aard. Dit bestemmingsplan raakt dan ook niet aan belangen van buurgemeenten, hoogheemraadschap, provincie of rijk. En om die reden is, in overeenstemming met de overweging bij de invoering van de Wro, overleg in het kader van artikel 3.1.1 Bro voor dit bestemmingsplan dan ook niet aan de orde. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Cruquius deelgebied 9 - kavel 1.7 heeft met ingang van 23 november 2023 tot en met 03 januari 2024, voor een ieder voor zienswijzen ter inzage gelegen.

Er zijn geen zienswijzen ingediend.

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 9 - Kavel 1.7 (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14382295/1