CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Plan van aanpak - mobiele werktuigen - bijlage

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 22 maart 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen v/d raadsinformatiebrief ter afdoening v/d toezegging over de gevolgen v/d Porthos-uitspraak voor woningbouw in Amsterdam en de vragen in de vergadering van de commissie RO van 16 november 2022 over bestemmingsplan Centrumeiland blok 3 en 16. Nr. VN2023-0070965.962 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Versie: definitief (incl. wijzigingen nav mapvoordracht wethouder De Vries 7-4-2022) Datum: donderdag 5-5-2022

Plan van Aanpak Ontwikkelen Amsterdamse aanpak Schone Mobiele Werktuigen Inhoud 1.

Inleiding ............................................................................................................ 2

2.

Gemeentelijke context ......................................................................................... 2

3.

Landelijke context ............................................................................................... 3

4.

Beleidsontwikkeling Amsterdamse aanpak Schone Mobiele Werktuigen ......................... 4

5.

Strategie bij het opstellen van de Amsterdamse aanpak .............................................. 4

6.

Onderdelen van de Amsterdamse aanpak ................................................................. 6

7.

Organisatiestructuur ............................................................................................ 7

8.

Activiteiten ........................................................................................................ 8

9.

Kosten en dekking ............................................................................................. 12

10.

Impact ............................................................................................................ 12

11.

Planning .......................................................................................................... 14

Bijlage 1: Verkennende Activiteiten................................................................................ 15 Bijlage 2: Stakeholders ................................................................................................ 16

1

1. Inleiding Mobiele werktuigen veroorzaken een aanzienlijk deel van de uitstoot van verkeer en vervoer in Amsterdam. Aan de hand van cijfers van TNO (uitstoot verkeer en vervoer, 2019) blijkt dat van de totale uitstoot van verkeer en vervoer in Amsterdam, 14% van de CO2-uitstoot wordt veroorzaakt door mobiele werktuigen. Voor NOx is dit eveneens 14% en voor fijnstof respectievelijk 21% (PM2,5) en 17 % (PM10). Deze uitstoot heeft een negatieve impact op het klimaat en de luchtkwaliteit in de stad. In het Actieplan Schone Lucht en de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal heeft Amsterdam stevige ambities uitgesproken voor het terugdringen van deze impact (zie H2 gemeentelijke context). Om invulling te geven aan deze ambities, zijn in de afgelopen periode diverse verkennende activiteiten uitgevoerd (zie H2). Uit deze verkennende activiteiten komt de behoefte naar voren voor een lokale aanpak voor de verduurzaming van de mobiele werktuigen in Amsterdam. Dit document is het plan van aanpak voor het ontwikkelen van een Amsterdamse aanpak Schone Mobiele Werktuigen. Het doel van deze Amsterdamse aanpak is om duidelijkheid te bieden over hoe gemeente Amsterdam haar diverse rollen tot en met 2030 vormgeeft om te komen tot schone mobiele werktuigen in Amsterdam. Dit is nodig zowel in de richting van de marktpartijen als in de richting van de diverse gemeentelijke organisatieonderdelen.

Opdat iedere organisatie zich kan voorbereiden en kansen kan benutten. 2. Gemeentelijke context Hieronder komen de volgende aspecten aan bod: het vastgestelde beleid, de rollen die gemeente Amsterdam heeft t.a.v. mobiele werktuigen, en de verkennende activiteiten die hebben plaatsgevonden. Vastgesteld beleid Gemeente Amsterdam heeft vastgestelde beleid op het gebied van luchtkwaliteit en CO2-uitstoot. De desbetreffende beleidsdocumenten en de daarin genoemde doelen en ambities staan hieronder opgesomd. Actieplan Schone Lucht (2019, ASL):  Doel algemeen: voldoen aan de wettelijke EU-grenswaarden en WHO-advieswaarden (2005) voor luchtkwaliteit.  Streven mobiele werktuigen: in 2025 alle mobiele werktuigen binnen ring A10 uitstootvrij, voor zover de techniek en handhaafbaarheid dat toelaten.  Ambitie mobiele werktuigen: in 2030 alle mobiele werktuigen binnen bebouwde kom uitstootvrij. Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal (2019)  Doel: in 2050 een CO2-reductie door verduurzaming van mobiele werktuigen van 2% van totale Amsterdamse uitstoot (t.o.v. 1990). Stikstofproblematiek • Stikstofuitstoot vormt een potentiële (juridische) hindernis voor het realiseren van de bouwopgave (zie: landelijke context – aanpak stikstof). Verschillende gemeentelijke rollen Amsterdam heeft als gemeente verschillende rollen t.a.v.

mobiele werktuigen:  Eigenaar van mobiele werktuigen (bijvoorbeeld voor dagelijks onderhoud)  Opdrachtgever van GWW-werken (grond-, weg- en waterbouw) en maatschappelijk vastgoed.  Grondeigenaar in het geval van gebiedsontwikkeling.  Bevoegd gezag t.a.v. private bouwprojecten  Beheerder van de openbare ruimte (waaronder ook publieke laadinfra).

2

Verkennende Activiteiten Gemeente Amsterdam heeft verschillende verkennende activiteiten uitgevoerd om kennis en ervaring op te doen (zie bijlage 1 voor een overzicht). Daarbij valt te denken aan pilotprojecten, een living lab, het ontwikkelen van tools, het laten uitvoeren van onderzoeken, en ontwikkeling van het inkoopproces. Deze kennis wordt benut in het opstellen van de Amsterdamse aanpak. 3. Landelijke context Hieronder komen het vastgestelde landelijke beleid en de landelijke ontwikkelingen aan bod. Vastgesteld beleid Schone Lucht Akkoord (2020):  Het landelijke Schone Lucht Akkoord (SLA) heeft als doelstelling 75% gezondheidswinst (als gevolg van fijnstof en NOx) in 2030 t.o.v. 2016.  Voor mobiele werktuigen is de doelstelling om z.s.m. werktuigen zonder roetfilter en een hoge NOx-uitstoot uit te faseren. Eén van de maatregelen in de bijbehorende Uitvoeringsagenda 2021-2023 is het onderzoeken van een ingroeipad voor schoon en emissieloos bouwmaterieel (het opstellen van een routekaart).  Gemeente Amsterdam heeft het Schone Lucht Akkoord (bij de start) in 2020 ondertekend. Klimaatakkoord:  Het landelijke Klimaatakkoord van 2019 heeft t.a.v. bouwverkeer en mobiele werktuigen als doelstelling een CO2-reductie van 0,4 Mton in 2030 t.o.v. 2019. Aanpak Stikstof:  In de Aanpak Stikstof staat de ambitie van een reductie van 60% in stikstof in de bouw in 2030 t.o.v. 2018.

 In het artikel ‘Besluit Bouwwerken Leefomgeving’ (BBL) van de Omgevingswet (die naar verwachting per 1 januari 2023 in werking treedt) staat de wettelijke verplichting om ‘adequate’ emissie reducerende maatregelen te nemen als voorwaarde voor een vrijstelling voor een bouwvergunning. Landelijke ontwikkelingen Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen (in ontwikkeling):  Voor eenduidigheid richting de gehele sector hebben de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (Min. I&W), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Min. BZK) en Economische Zaken en Klimaat (Min. EZK) initiatief genomen om één landelijke Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) te ontwikkelen. In deze Routekaart worden de doelen uit de Aanpak Stikstof, het SLA en het Klimaatakkoord gebundeld.  Deze Routekaart komt daarmee ook in de plaats van de in het SLA afgesproken routekaart.  De te maken afspraken vormen de invulling van de wettelijke verplichting om emissiereducerende maatregelen t.a.v. stikstof te nemen.  De routekaart zal uit meerdere transitiepaden bestaan. In ieder geval twee transitiepaden zijn relevant voor gemeente Amsterdam. Het transitiepad Weg-, Dijk- en Spoormaterieel (WDSM), en het Transitiepad Woning- & Utiliteitsbouw (W&U). Het is nog onduidelijk of ook het transitiepad Kustlijnzorg & Vaargeulonderhoud voor gemeente Amsterdam relevant is.

 Het transitiepad WDSM beschrijft de minimum eisen bij het inkopen van bouwwerkzaamheden, vaak betreft het zogeheten ‘GWW’-projecten (Grond-, Weg- en Waterbouw). Dit is relevant voor gemeente Amsterdam als opdrachtgever van bouwwerkzaamheden.  Het Transitiepad W&U beschrijft de maatregelen die minimaal genomen moeten worden bij vergunningplichtige bouwwerkzaamheden (o.a. gebouwen en kunstwerken, bijvoorbeeld bij gebiedsontwikkelingen en private projecten). Dit transitiepad is relevant voor gemeente Amsterdam als bevoegd gezag.  Er zijn concept-versies van de transitiepaden WDSM en W&U. Momenteel is de voorlopige planning dat er in april een definitieve conceptversie van de Routekaart (alle transitiepaden) is en dat bestuurlijke bekrachtiging in juli plaatsvindt (de wijze waarop is nog niet duidelijk).

3

Subsidie Schoon en Emissieloos Bouwen (aangekondigd):  Vanuit het proces rondom de Routekaart SEB is een subsidie SEB aangekondigd (verwachte opening Q2 2022). De subsidieregeling met een totaal budget van 270 miljoen euro zal lopen tot en met 2030. De subsidie zal gelden voor aanschaf, retrofit en innovaties van (o.a.) mobiele werktuigen. Subsidies komen beschikbaar voor producenten en afnemers, eventuele andere subsidies worden van het subsidiebedrag afgetrokken. 4. Beleidsontwikkeling Amsterdamse aanpak Schone Mobiele Werktuigen In aanvulling op deze landelijke ontwikkelingen stelt gemeente Amsterdam een Amsterdamse aanpak Schone Mobiele Werktuigen op. Dit is nodig om verschillende redenen, die hieronder staan genoemd.  

Actie is nodig om de Amsterdamse ambities te behalen. De verkennende fase heeft veel kennis en inzicht opgeleverd. Nu is het zaak om dit te vertalen naar een structurele aanpak. Met name het ASL-doel voor 2025 maakt dit urgent: 2025 is al nabij. De gemeente wil haar ambities kunnen realiseren onafhankelijk van het landelijke proces rondom de routekaart SEB. Dit is des te belangrijker omdat het SEB-proces complex is en onduidelijk is. Verschillende gremia houden zich bezig met dezelfde onderwerpen bezig. Het tijdspad voor vaststelling is onduidelijk (naar verwachting eind Q2) en onzeker vanwege de vele betrokkenen en de reikwijdte van de routekaart. Het verplichtende karakter van de landelijke routekaart is bovendien afhankelijk van de invoering van de Omgevingswet, die al meermaals uitgesteld is. Het is ook onduidelijk wat de status van de routekaart SEB is, als de omgevingswet nog niet van kracht is. De landelijke routekaart is naar verwachting niet ambitieus genoeg voor Amsterdam om haar ambities te behalen. De routekaart moet voor heel Nederland gelden, waardoor het waarschijnlijk is dat de ambities daarmee lager komen te liggen dan die van gemeente Amsterdam als koploper. Amsterdam heeft een bredere scope dan de routekaart SEB. De landelijke scope is beperkt tot bouwplaatsen en vergunningplichtige bouwactiviteiten.

Werktuigen die voor andere doeleinden ingezet worden vallen buiten de scope – bijvoorbeeld groen-onderhoud en hoogwerkers van glazenwassers. De scope van de Amsterdamse ambities rijken verder: álle mobiele werktuigen in de stad (dus ook die in bezit van particulieren, stichtingen etc.). Voor de ‘niet-vergunningplichtige’ mobiele werktuigen moet daarom hoe dan ook aanvullend beleid ontwikkeld worden. Lokale uitwerking is nodig. Diverse onderwerpen die in de landelijke routekaart staan, vereisen een uitwerking aan de hand van de lokale omstandigheden om het daadwerkelijk te realiseren. Voorbeelden daarvan zijn het vertalen van het transitiepad WDSM naar het lokale inkoopproces en het transitiepad W&U moet vertaald worden naar lokale vergunningverleningsprocedures en handhaving. Daarnaast zijn er ook onderwerpen waarvoor enkel op lokaal niveau beleid ontwikkeld kan worden, zoals het faciliteren van de energievoorziening voor mobiele werktuigen.

5. Strategie bij het opstellen van de Amsterdamse aanpak Hieronder wordt de strategie beschreven hoe de Amsterdamse aanpak zich verhoudt tot de landelijke routekaart SEB. Scope  De scope van de Amsterdamse aanpak beperkt zich in principe tot mobiele werktuigen. Vanwege de duidelijke raakvlakken met bouwlogistiek wordt actief de link gelegd met de aanpak voor stadslogistiek – hieronder vallen alle kentekens met categorie N, waaronder ook zogeheten ‘rijdende werktuigen’ (zoals een betonmolen).Deze link wordt expliciet gelegd in de invulling van de opdrachtgeversrol, aangezien daar in de aanpak stadslogistiek vooralsnog beperkt aandacht voor is. De landelijke ontwikkelingen binnen het SEB op het gebied van bouwlogistiek worden hierin meegenomen.

4

Voor varende werktuigen (vaartuigen met een werktuig, dus niet reguliere werktuigen op een ponton) geldt iets vergelijkbaars als voor bouwlogistiek. Binnen gemeente Amsterdam valt dit onder het Amsterdamse programma Varen. Deze keuze is gemaakt omdat varende werktuigen qua inhoud (bijv. sturingsinstrumenten, energievoorziening) dichter bij het programma staat dan bij mobiele werktuigen. Ook hier zal getoetst worden of de lokale aanpak en de landelijke routekaart met elkaar in lijn zijn. Op basis daarvan wordt gezamenlijk bepaald of eventuele aanvullende actie nodig is. Op het gebied van transport over water wordt indien nodig de link gelegd tussen de betrokkenen bij de aanpak stadslogistiek, het inkoopproces en het programma varen.

Direct aan de slag We gaan direct aan de slag met invulling geven aan alle rollen van de gemeente. De gemeente wacht daarmee niet af totdat de routekaart SEB definitief is. Dit verkleint de afhankelijkheid van het landelijke proces. Enkele aandachtspunten hierbij:  Zaken die sowieso lokaal geregeld moeten worden kunnen we volledig uitwerken, denk bijvoorbeeld aan de faciliterende rol van de gemeente bij de energievoorziening.  Ook voor zaken die buiten de landelijke scope vallen (zoals niet-vergunningplichtige mobiele werktuigen) kunnen we de Aanpak uitwerken.  Verschillende zaken komen aan bod in zowel de SEB routekaart als in de Amsterdamse aanpak. Het gaat dan bijvoorbeeld om de invulling van de opdrachtgeversrol en de rol van bevoegd gezag t.a.v. vergunningplichtige mobiele werktuigen. Die zaken werken we uit in nauwe afstemming met de landelijke ontwikkelingen. Dat doen we op basis van beschikbare conceptversies van de routekaart, aanhaking bij de diverse landelijke gremia en bilaterale afstemming.  Mocht het landelijke proces om wat voor reden dan ook uitlopen, kan het nodig zijn om de Amsterdamse aanpak definitief te maken voordat de routekaart SEB definitief is. De projectleiding is actief betrokken bij het landelijke proces, waardoor dit niet als een verrassing zou komen, mocht het zich voordoen.

Hierdoor kan de projectleiding tijdig erop voorsorteren en in overleg met de stuurgroep passende actie ondernemen. Voortzetten van onze koploperspositie De landelijke routekaart heeft als doel om duidelijkheid richting de sector te creëren, waardoor ondernemers rekening kunnen houden met de gewenste verduurzaming in hun investeringsbeslissingen. Maar die routekaart zal een minimumvariant zijn, aangezien die toepasbaar moet zijn in alle gemeenten. Daardoor is de kans groot dat de landelijke routekaart voor Amsterdam niet ambitieus genoeg is. Amsterdam heeft ambitieuze doelen en heeft tot nu toe een koploperspositie ingenomen. We blijven ambitieus en zetten ons in om onze koploperspositie te behouden – dit vraagt ook om investeringsbereidheid van de gemeente in haar rol als opdrachtgever. Vanuit onze koploperspositie stemmen we af met de landelijke routekaart, om de uniformiteit zo veel mogelijk te behouden, zonder afbreuk te doen aan onze eigen ambities. Ideaal gezien is de Amsterdamse aanpak een op maat gemaakte invulling van de landelijke afspraken , aansluitend bij de lokaal specifieke realiteit van Amsterdam en de keuze onze koploperspositie te willen blijven vormgeven. Samenwerken Bij het uitwerken van inhoudelijke thema’s is kennisdeling cruciaal. Dat voorkomt dat meerdere organisaties dezelfde onderzoeken of pilots uitvoeren.

 Gemeente Amsterdam is aangehaakt bij diverse landelijke gremia. Hierdoor blijven we op de hoogte van de ontwikkelingen. Ook delen we de opgedane kennis.  Gemeente Amsterdam zoekt nadrukkelijk samenwerking met andere grote opdrachtgevers die actief zijn binnen de gemeente, om hen te bewegen onze ambities wat betreft onze opdrachtgeversrol te volgen. Hierbij valt te denken aan Waternet en Liander – en CIAMS, als coördinerende organisatie met ervaring vanuit het Living Lab – maar ook grote projectontwikkelaars.  Bij eventuele uit te voeren onderzoeken of pilots maakt de gemeente een afweging wat de beste actie is: zelf oppakken, samenwerken, landelijk aankaarten, elders beleggen etc. Hierbij

5

trekken we nadrukkelijk gezamenlijk op met andere gemeenten die een koploperpositie willen innemen, bijvoorbeeld richting het Rijk. Consultatie en participatie Consultatie en participatie van bedrijven is nodig omdat zij weten wat in dit kader de belangrijkste ontwikkelingen en uitdagingen zijn in hun werk. Bij het uitwerken van de Amsterdamse aanpak is hun kennis cruciaal. Hiervoor wordt een zogenaamde marktgroep opgezet bestaande uit een mix van bedrijven die koploper zijn waar het de inzet van uitstootvrije mobiele werktuigen betreft en bedrijven die regelmatig opdrachten uitvoeren voor de gemeente. Ook betrekken we hierin partijen die oplossingen aanbieden (bijv. verhuurders, of partijen in de energievoorziening/laadinfra). 6. Onderdelen van de Amsterdamse aanpak De Amsterdamse aanpak Schone Mobiele Werktuigen bestaat uit de volgende onderdelen (niet noodzakelijkerwijs als losse onderdelen):  Tijdspaden De tijdspaden bieden inzicht in de wijze waarop de gemeente over de tijd invulling geeft aan de gemeentelijke rollen, onderverdeeld in drie thema’s: stimuleren, reguleren en faciliteren. Een onderbouwing van de gemaakte keuzes maakt daar onderdeel van uit. De onderstaande tabel geeft inzicht in de verschillende gemeentelijke rollen en bijbehorende onderwerpen, de verantwoordelijke directies en het tijdspad dat invulling geeft aan die rol.

 Uitvoeringsagenda De uitvoeringsagenda biedt een overzicht van de gemeentelijke activiteiten die nodig zijn om de tijdspaden te realiseren. Dit overzicht geeft daarbij ook de benodigde inzet en middelen weer. De uitvoeringsagenda heeft een adaptief karakter, omdat transities zoals die naar uitstootvrije mobiele werktuigen te complex zijn om een blauwdruk-aanpak te hanteren. Daarom zal de uitvoeringsagenda gedetailleerder zijn voor de fase direct na vaststelling van de Amsterdamse aanpak en minder gedetailleerd zijn voor de verdere toekomst.  Participatie-, consultatie- en communicatieplan Het is belangrijk dat de Amsterdamse aanpak bekend wordt bij de (lokaal actieve) sector. Hiervoor is een plan voor de communicatie nodig. Daarnaast moet de Amsterdamse aanpak kunnen inspelen op ontwikkelingen gedurende de looptijd. Transities zoals die naar schone mobiele werktuigen zijn lastig te voorspellen vanwege de vele veranderingen, waardoor het nodig kan zijn om aanpassingen te doen. Bij het tot stand komen van die eventuele aanpassingen spelen participatie en consultatie een belangrijke rol – net als bij het ontwikkelen van de aanpak. Dat moet ervoor zorgen dat de aanpak blijft aansluiten bij de realiteit in de sector.

Hiervoor is het belangrijk dat het participatie-, consultatie- en communicatieplan ook afspraken bevat over dat adaptieve karakter en het betrekken en consulteren van relevante stakeholders.  Organisatiebeschrijving Voor het uitvoeren van de uitvoeringsagenda is een organisatiestructuur nodig. Dit onderdeel beschrijft die structuur en de bijbehorende afspraken, waaronder de monitoring, evaluatie en bijsturing. De onderstaande tabel geeft inzicht in de verschillende gemeentelijke rollen en bijbehorende onderwerpen, de verantwoordelijke directies en het tijdspad dat invulling geeft aan die rol. Rol gemeente Beleidsmaker

Onderwerp Overkoepelend

Verantwoordelijke directie • R&D (beleidsverantwoordelijke)

Eigenaar

Eigen Wagenpark GWW, maatschappelijk vastgoed

• Programma Eigen Wagenpark

Opdrachtgever (OG)

• V&OR (OG groot onderhoud) • Stadswerken (OG dagelijks onderhoud) • G&O (OG maatschappelijk vastgoed) • IB (Lead Buyer)

Tijdspad Projectleiding, tijdspad n.v.t.

Stimuleren

6

Grondeigenaar Bevoegd gezag Beheerder OR

Gebiedsontwikkeling Private projecten Energievoorziening

• G&O (opdrachtgever gebiedsontwikkeling) • THOR (handhaving bevoegd gezag) • R&D (verantwoordelijk voor laadinfra)

Reguleren Faciliteren

7. Organisatiestructuur Onderstaande figuur geeft de organisatiestructuur voor het opstellen van de Amsterdamse aanpak weer.

In onderstaande tabel staan de leden en verantwoordelijkheden van de verschillende organisatieonderdelen beschreven. Onderdeel Projectleiding

Werkgroep Inkoop

Leden • Vincent Joanknecht (R&D): projectleider • Annemiek Vos (IB): strategisch adviseur Ondersteuning: • Communicatie: Marieke Meijer (R&D) • Monitoring: Paul Coops (R&D), Stefan Rigter (IB) • Annemiek Vos (IB, trekker) • Stefan Rigter (IB) • Thijs Mackus (IB)

Verantwoordelijkheden • Opstellen van de Amsterdamse aanpak. • Verantwoordelijk voor het interne en externe draagvlak. • Organiseren van de stuurgroep, begeleidingsgroep en partnergroep; coördineren van de werkgroepen. • Landelijke afstemming, vooralsnog zowel overkoepelend/strategisch als inhoudelijk. Inhoudelijke afstemming wordt t.z.t. in overleg belegd bij de werkgroepen. • Opstellen tijdspad ‘stimuleren’ en bijbehorende activiteiten in uitvoeringsagenda. • Landelijke afstemming Buyer Group

7

Werkgroep Reguleren

Werkgroep Energie

Stuurgroep

Begeleidingsgroep Marktgroep

• Pieter van Buul (R&D) • ntb (THOR) • ntb (Progr. Duurzame Gebiedsontwikkeling) • Ton Weijers (R&D) • Claudia Walrave (Progr. Toekomstbestendige Assets) • Kim Evers (Progr. Toekomstbestendige Assets) • Maarten Boschman (IB) • Bart Bakker (IB) Zie ‘te betrekken directies’ in tabel H7. Dit zal naar verwachting plaatsvinden via het RIOR-overleg, waarbij de ontbrekende directies aangehaakt worden voor dit specifieke onderwerp – als dat niet kan, worden zij apart betrokken. Zie ‘te betrekken directies’ in tabel H7, personele invulling ntb Open voor geïnteresseerden (bouwbedrijven, aanbieders van oplossingen, grote opdrachtgevers); aandacht voor diversiteit (o.a. grote/kleine bedrijven, koplopers etc.)

• Opstellen tijdspad ‘reguleren’ en bijbehorende activiteiten in uitvoeringsagenda. • Opstellen tijdspad ‘faciliteren’ en bijbehorende activiteiten in uitvoeringsagenda. • Landelijke afstemming NAL-werkgroep laden op de bouwplaats

• Draagvlak, afstemming en akkoord op directieniveau

• Draagvlak, afstemming en akkoord op inhoudelijk niveau • Draagvlak, input en afstemming • Onderlinge kennisdeling

Consultatie en participatie Het betrekken van de sector en andere – interne en externe – stakeholders is belangrijk. Het draagt bij aan het draagvlak en zorgt ervoor dat de te ontwikkelen Amsterdamse aanpak aansluit bij de realiteit. Speciaal hiervoor wordt een marktgroep opgericht. We ontwikkelen de aanpak in gezamenlijkheid met de marktgroep. Daarnaast stimuleren we ook onderlinge kennisdeling. Ook willen we andere grote opdrachtgevers in Amsterdam (zoals Waternet, Liander en CIAMS als coördinerende organisatie) uitnodigen voor de marktgroep, om hen te bewegen onze ambities wat betreft onze opdrachtgeversrol te volgen. De marktgroep heeft een open karakter: alle (relevante) geïnteresseerde marktpartijen kunnen deelnemen. De gemeente heeft al veel contacten die hiervoor uitgenodigd kunnen worden, vanuit haar reguliere rol als opdrachtgever, maar ook vanuit de diverse pilots. Vanuit de projectleiding houden we er aandacht voor dat deze groep voldoende koplopers bevat en verder ook divers is, met onder andere grote en kleinere bouwbedrijven en aanbieders van diverse oplossingen (zowel qua werktuigen als bijvoorbeeld energie-oplossingen). Behalve de marktgroep zijn er nog diverse andere interne en externe stakeholders. De belangrijkste hiervan staan genoemd in bijlage 2. Daarbij staat ook benoemd bij welke werkgroepen het belangrijk is hen te betrekken. 8.

Activiteiten Hieronder staan de activiteiten benoemd voor de projectleiding en de werkgroepen. Een overzicht van de te betrekken stakeholders (zowel intern als extern) is te vinden in bijlage 2. Projectleiding 1. Opstarten organisatie a. De organisatie voor het opstellen van de Amsterdamse aanpak moet opgestart worden. Het gaat hierbij om de personele invulling van de werkgroepen en de

8

begeleidingsgroep, het vormgeven van de stuurgroep via het RIOR-overleg, en het betrekken van marktpartijen om de marktgroep vorm te geven. Resultaat: projectorganisatie 2.

Opstellen overzicht stand van zaken a. Een overzicht van de beschikbare informatie is nodig als basis voor het ontwikkelen van de tijdspaden. Door het te valideren met de marktgroep en andere stakeholders ontstaat ook een gemeenschappelijk beeld van de (on)mogelijkheden. Belangrijke aspecten om in dit overzicht mee te nemen, zijn: de samenstelling van het wagenpark in Amsterdam (inclusief leeftijd, levensduur en afschrijvingstermijn), (verwachte) beschikbaarheid van uitstootvrije werktuigen, een beeld van de verhouding van bouwprojecten (aankoop/inkoop/privaat met en zonder vergunning). b. Dit beeld wordt opgesteld op basis van de diverse beschikbare onderzoeken. Het wordt aangevuld en getoetst met de diverse interne en externe stakeholders, waaronder de marktgroep. Resultaat: overzicht stand van zaken

3.

Coördineren tijdspaden en uitvoeringsagenda a. De projectleiding coördineert het uitwerken van de drie tijdspaden door de werkgroepen en zorgt ervoor dat deze – tezamen met het monitoringsplan, het participatie-, consultatie- en communicatieplan, en de organisatie – uiteindelijk één geheel gaan vormen: de Amsterdamse aanpak Schone Mobiele Werktuigen. b. De projectleiding bereidt ook het bestuurlijke traject voor. In Q3 2022 wordt een concept-aanpak met de wethouder gedeeld. In Q4 2022 staat bestuurlijke vaststelling door het college gepland. Resultaat: bestuurlijk vastgestelde Amsterdamse aanpak Schone Mobiele Werktuigen

4.

Opstellen Monitoringsplan a. Voor het opstellen van een monitoringsplan wordt de monitoringsbehoefte in beeld gebracht – in relatie tot wat vanuit het ASL al gemonitord wordt. b. Vervolgens wordt gekeken naar verschillende monitoringsopties, de daarvoor benodigde data en de beschikbare data. Hierbij wordt ook input vanuit de SLAwerkgroep ‘Toezicht & handhaving’ benut. c. Op basis van voorgaande stappen wordt een monitoringsplan opgesteld, inclusief afspraken t.a.v. evaluatie en bijsturing o.b.v. de monitoring. Resultaat: monitoringsplan

5.

Opstellen Participatie-, consultatie- en communicatieplan a. Het doel van dit plan is tweeledig: enerzijds om de sector in te lichten over het beleid van gemeente Amsterdam, anderzijds om te zorgen dat de uitvoeringsagenda blijvend aansluit bij de realiteit in de sector. Naast een communicatiestrategie bevat het plan daarom ook afspraken over het adaptieve karakter van de uitvoeringsagenda. Dat zijn afspraken over het updaten van de uitvoeringsagenda in overleg en samenwerking met de markt. b. Het plan wordt opgesteld met ondersteuning vanuit TUM – communicatie en in afstemming met de stakeholders. Resultaat: participatie-, consultatie- en communicatieplan.

6.

Evalueren organisatie t.b.v. uitvoeringsfase a. De organisatie zoals die voor het opstellen van de Amsterdamse aanpak ingericht is, wordt geëvalueerd met de begeleidingsgroep. De resultaten worden besproken met de stuurgroep. Op basis van de evaluatie worden eventuele aanpassingen doorgevoerd. Dit moet ervoor te zorgen dat de organisatie ook in de uitvoeringsfase aansluit bij de opgave. Resultaat: organisatie passend bij de uitvoeringsfase

Werkgroep Stimuleren

9

7.

Opstellen overzicht sturingsmogelijkheden inkoop a. De eerste stap hierin is het inventariseren van de contracten: welke soorten zijn er (bijv. mate van samenwerking met de markt), welke bedragen zijn ermee gemoeid, wat zijn de looptijden etc. b. Deze inventarisatie wordt aangevuld met de perspectieven vanuit de sector via de marktgroep. Hierin komen verschillende deelaspecten van een inkoopstrategie aan bod, waaronder: haalbare minimum eisen, inzet van gunningscriteria, investeringsruimte, waarde van het landelijke subsidiebeleid, bedrijfsrisico’s, aankoopritme, voorkeur voor contactsoorten etc. Resultaat: overzicht sturingsmogelijkheden via inkoop

8.

Opstellen beeld behoefte aanvullende financiering a. Een overzicht van bestaande en aangekondigde financieringsmogelijkheden (waaronder subsidies) biedt een basis om te bepalen of aanvullende maatregelen vanuit gemeente Amsterdam nodig zijn. In dit overzicht moet onderscheid gemaakt worden in financiering voor marktpartijen en financiering voor de gemeentelijke organisatie (om evt. meerkosten in projecten vanwege verduurzaming te kunnen dekken). b. Op basis van dit overzicht én de input vanuit de sector t.a.v. bedrijfsrisico’s investeringsmogelijkheden etc. (zie actie 7b), wordt vervolgens gekeken of het beeld compleet genoeg is om te bepalen of aanvullende financiële maatregelen vanuit gemeente Amsterdam nodig zijn. Indien nodig worden aanvullende acties ondernomen om dit beeld aan te scherpen. c. Aanvullend onderzoek kan nodig zijn om het beeld compleet te maken. d. Het is belangrijk de financieringsmogelijkheden duidelijk te communiceren, ten behoeve van de bereidwilligheid van marktpartijen om te verduurzamen. Resultaat: beeld van behoefte aan evt. Amsterdamse financieringsmaatregelen

9.

Opstellen tijdspad Stimuleren a. Op basis van de het overzicht met sturingsmogelijkheden en het beeld van de financieringsbehoefte, wordt het tijdspad stimuleren opgesteld. Dit is het tijdspad dat moet gaan gelden voor de opdrachtgeversrol en de rol van eigenaar. b. Dit tijdspad wordt afgestemd met de diverse interne en externe stakeholders, waaronder de opdrachtgevende directies en de marktgroep wat betreft de opdrachtgeversrol. Voor de eigenaarsrol wordt dit afgestemd met het programma Eigen Wagenpark. Resultaat: tijdspad Stimuleren

10. Opstellen uitvoeringsagenda Stimuleren a. Op basis van het tijdspad wordt het onderdeel ‘Stimuleren’ van de uitvoeringsagenda opgesteld. Resultaat: uitvoeringsagenda onderdeel ‘Stimuleren’ Werkgroep Reguleren 11. Opstellen juridisch kader a. Eerst wordt een inventarisatie gemaakt van de verschillende juridische instrumenten op basis waarvan regulering zou kunnen plaatsvinden. Dit gebeurt met input van en in overleg met de SLA-werkgroep ‘toezicht en handhaving’. Deze inventarisatie wordt vervolgens juridisch getoetst. b. Ook worden de mogelijkheden, beperkingen en aandachtspunten ten aanzien van de handhaving geïnventariseerd, in afstemming met THOR. c. Op basis hiervan wordt een keuze gemaakt voor de wijze van regulering. Resultaat: juridisch kader

10

12. Opstellen tijdspad ‘Reguleren’ a. Op basis van het overzicht van de stand van zaken (actie 2) wordt een tijdspad ‘reguleren’ opgesteld. Hierbij wordt het transitiepad W&U van de landelijke routekaart als input gebruikt. b. Het tijdspad wordt getoetst bij interne en externe stakeholders. Resultaat: tijdspad Reguleren 13. Opstellen uitvoeringsagenda Reguleren a. Op basis van het tijdspad en het juridisch kader wordt het onderdeel ‘Reguleren’ van de uitvoeringsagenda opgesteld. Resultaat: uitvoeringsagenda onderdeel ‘Reguleren’ Werkgroep Faciliteren 14. Structureel organiseren laadpaalgebruik a. Gebruik van publieke laadpalen door mobiele werktuigen is in een pilot setting toegepast. Er komen steeds meer aanvragen om dit nogmaals toe te passen. Hier wordt nu ad hoc invulling aan gegeven, maar dient op korte termijn goed geregeld te worden, o.a. vanwege de veiligheid van het laadpaalgebruik. Hiervoor wordt eerst geïnventariseerd wat er nodig is om laadpaalgebruik mogelijk te maken (bijv. technische veiligheidsaspecten, backoffice-instellingen bij de CPO, maar ook het aanvraagproces en de afweging t.a.v. het niet meer kunnen gebruiken van de laadpaal door personenvoertuigen). Hierbij worden in ieder geval de huidige CPO’s en de marktgroep betrokken. Daarnaast wordt ook kennis vanuit de NAL-werkgroep Laden op de Bouwplaats en de ervaring van gemeente Utrecht benut. b.

Op basis van deze inventarisatie wordt een aantal mogelijke procesvarianten opgesteld. In overleg met Team Laadinfra wordt een voorkeursvariant bepaald. c. Deze variant wordt vervolgens uitgewerkt en geïmplementeerd met de betreffende stakeholders. Aandachtspunt daarbij is dat het niet alleen bij de momenteel actieve CPO’s ingebed wordt, maar ook in toekomstige contracten met CPO’s voor publieke laadpalen meegenomen wordt. Resultaat: ingebed proces voor laadpaalgebruik 15. Opstellen energiestrategie a. Een energiestrategie moet invulling geven aan de vraag welke rol de gemeente kan en wil innemen ten aanzien van het faciliteren van verschillende vormen van energievoorziening voor mobiele werktuigen (zoals bouwaansluitingen, batterijen, stroompunten, laadpalen en waterstof). De eerste stap hierin is een inventarisatie van de energiebehoefte, mogelijke oplossingen en wat de gemeente erin kan doen. Hierbij worden de relevante interne en externe stakeholders betrokken. Bij het inventariseren van de energiebehoefte gaat het om zaken als omvang van de energievraag, type locatie, duur, verwacht gebruiksverloop over de tijd etc. ook de mogelijke oplossingen moeten in kaart gebracht worden. Afhankelijk van de beschikbare tijd bij het Team Laadinfra zal deze vraag mogelijk aan een marktpartij uitgevraagd moeten worden. Kosten hiervoor zijn opgenomen in het kostenoverzicht. b.

Op basis van deze inventarisatie bepaalt de werkgroep een strategie voor de invulling van de gemeentelijke rol(len) bij het faciliteren van energievoorziening voor mobiele werktuigen. Resultaat: Energiestrategie

11

16. Opstellen tijdspad a. Op basis van de energiestrategie (actie 15) stelt de werkgroep een concept-tijdspad met maatregelen op. b. Dit concept-tijdspad wordt afgestemd met de marktgroep en indien nodig aangepast. Resultaat: tijdspad Faciliteren 17. Opstellen uitvoeringsagenda a. Op basis van het tijdspad wordt het onderdeel ‘Faciliteren’ van de uitvoeringsagenda opgesteld. Resultaat: uitvoeringsagenda onderdeel ‘Faciliteren’ 9. Kosten en dekking In onderstaande tabel staan de kosten vermeld. Het gaat hier om kosten die gemaakt moeten worden om te komen tot een Amsterdamse aanpak Schone Mobiele Werktuigen. Het betreft hier expliciet niet de te maken kosten in de uitvoeringsfase. Die kosten worden opgenomen in de op te stellen uitvoeringsagenda. Activiteit Inzet projectleiding Opstellen beeld behoefte aanvullende financiering (actie 8, onderdeel ‘evt aanvullend onderzoek’). Opstellen energiestrategie (actie 15, onderdeel ‘inventarisatie’)

Communicatie Totaal

Kosten (excl. BTW) € 85.000,€ 30.000,€ 30.000,€ 15.000,€ 160.000,-

De benodigde middelen om de bovengenoemde activiteiten uit het Plan van Aanpak voor een Amsterdamse aanpak Schone Mobiele Werktuigen te kunnen uitvoeren, zijn volledig gedekt binnen de beschikbare middelen van luchtkwaliteit vanuit het SMF. De inzet van de overige interne betrokkenen (o.a. in de werkgroepen) wordt geacht als onderdeel van hun reguliere werk plaats te vinden en daarom geen extra kosten met zich mee te brengen.

10. Impact Mobiele werktuigen veroorzaken een aanzienlijk deel van de uitstoot van verkeer en vervoer in Amsterdam. Zie onderstaande diagrammen aan de hand van cijfers van TNO (uitstoot verkeer en vervoer, 2019):

* Hier is voor NOx en PM gerekend met getallen uit 2020 ivm het ontbrekende cijfers uit 2019.

12

De precieze impact van de Amsterdamse aanpak op de uitstoot is lastig te bepalen – onder andere omdat de aanpak nog ontwikkeld moet worden en de uitstoot niet op meer detailniveau inzichtelijk is. Wel is te zeggen dat de impact van de Amsterdamse Aanpak fors groter zal zijn dan in het scenario waarin de gemeente geen eigen aanpak ontwikkelt en afhankelijk is van de landelijke ontwikkelingen.

13

11. Planning Hieronder staat de beoogde planning voor het ontwikkelen van de Amsterdamse aanpak Schone Mobiele Werktuigen. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is de timing van de zomervakantie. Het is lastig op voorhand te bepalen in hoeverre de werkzaamheden in deze periode voortgezet kunnen worden, aangezien dit o.a. afhankelijk is van de vakantieplanningen van de betrokkenen. Eind Q2 ontvangt de wethouder een update over voortgang en hoe de marktpartijen erin staan. Het is beoogd om een conceptversie van de Amsterdamse aanpak eind Q3 aan de wethouder voor te leggen en in Q4 te laten vaststellen door het college.

meivak. week Onderdeel

Activiteiten 1. Opstarten organisatie 2. Opstellen overzicht stand van zaken 3. Coördineren tijdspaden en uitvoeringsagenda Project-leiding 4. Opstellen Monitoringsplan 5. Opstellen part.-, cons.- en com.-plan 6. Evalueren organisatie t.b.v. uitvoeringsfase 7. Opstellen overzicht sturingsmogelijkheden inkoop 8. Opstellen beeld behoefte aanvullende financiering WG Stimuleren 9. Opstellen tijdspad Stimuleren 10. Opstellen uitvoeringsagenda Stimuleren 11. Opstellen juridisch kader WG Reguleren 12. Opstellen tijdspad ‘Reguleren’ 13. Opstellen uitvoeringsagenda Reguleren 14. Structureel organiseren laadpaalgebruik 15. Opstellen energiestrategie WG Faciliteren 16. Opstellen tijdspad 17. Opstellen uitvoeringsagenda Faciliteren

18 2-mei

19 9-mei

20 16-mei

Coördineren werkgroepen inventarisatie monitoringsbehoefte

21 23-mei

22 30-mei

23 6-jun

24 13-jun

25 20-jun

26 27-jun

27 4-jul

28 11-jul

zomervakantie bouwvak 29 30 31 18-jul 25-jul 1-aug

32 8-aug

33 15-aug

34 22-aug

update WH inventarisatie benodigde en beschikbare data

onderzoek huidige contracten en voorkeuren markt overzicht mogelijkheden

35 29-aug

36 5-sep

37 12-sep

38 19-sep

bundelen tijdspaden en uitvoeringsagenda's

39 26-sep

40 3-okt

concept >> WH

41 10-okt

42 17-okt

43 24-okt

>> WH >> college

opstellen monitoringsplan

opstellen overzicht sturingsmogelijkheden beeld evt aanvullende behoefte

inventarisatie aspecten mogelijke varianten en voorkeur Inventarisatie behoefte, oplossingen en mogelijke rollen strategie bepalen

uitwerken voorkeursvariant

44 31-okt

implementatie voorkeursvariant

14

Bijlage 1: Verkennende Activiteiten Hieronder staan de belangrijkste verkennende activiteiten benoemd.  Pilot aggregaten Oud-West o Lessen over reguleren van aggregaten via de APV: regulering vereist verder uitzoekwerk.  Pilot Emissieloze Bouwplaats o Ontwikkeling van een tool voor inzicht in de elektriciteitsbehoefte van een emissieloze bouwplaats: deze tool is inzetbaar en wordt door bouwbedrijven gebruikt. o Beproeven van het gebruik van (auto)laadpalen voor een bouwplaats: dit was succesvol, vindt inmiddels vaker plaats en behoeft structurele verankering in beleid (zie activiteiten WG faciliteren).  Pilot Schoon Vervoer over Land: o Serie bijeenkomsten met marktpartijen over het vormgeven van de transitie naar uitstootvrije bouwplaatsen. Enkele belangrijke conclusies waren de behoefte aan: een Amsterdamse routekaart, goede samenwerking en investeringszekerheid vanuit de opdrachtgeversrol, het faciliteren van energievoorzieningen, goede communicatie (zowel intern als extern).  Living Lab: o Aannemer Van Gelder heeft een werkploeg half jaar lang uitgerust met emissievrije mobiele werktuigen voor het uitvoeren van verschillende reguliere projecten. Dit Living Lab heeft veel inzicht geboden in wat momenteel wel en niet haalbaar is emissievrije bouwplaatsen.

o Eind mei 2022 organiseert Van Gelder een webinar waarin zij hun ervaringen delen  Duurzame Bouwstroomkaart: o Openbare stroompunten zijn beschikbaar gesteld voor mobiele werktuigen via een online kaart. De stroompuntenkaart is operationeel en wordt continu uitgebreid.  Inkoop ontwikkelingen: o Per 2022 wordt standaard de CO2-prestatieladder gebruikt, verder incidentele toepassing en doorontwikkeling van de criteria Slim & Schoon en de Milieu Kosten Indicator.  Emissietool: o TNO ontwikkelde een tool voor het berekenen van de uitstoot van mobiele werktuigen en bouwlogistiek, t.b.v. monitoring, sturing en inzicht in uitstoot. Deze wordt per 1 januari 2022 door alle partners van de Samenwerkingsovereenkomst Verhardingen gebruikt. o De tool is succesvol ontvangen; afstemming vindt nu plaats om de tool landelijk te beleggen en te laten ontwikkelen tot een web-based versie.  Onderzoek TNO Wagenpark Amsterdam Verschoningsopties: o Dit onderzoek biedt inzicht in de samenstelling (aantallen, typen etc.) van de mobiele werktuigen in Amsterdam en mogelijke stappen in de verduurzaming ervan, onder andere verdeeld naar vermogenscategorieën. Dit rapport wordt meegenomen in het opstellen van de tijdspaden.  Onderzoek alternatieven aggregaten o Dit beperkte onderzoek laat zien dat de Total Cost of Ownership van kleine aggregaten nu al lager is dan benzine alternatieven.

 Aanhaking bij landelijke initiatieven en gremia, waaronder de ontwikkeling van de Routekaart SEB, de SLA-projectgroep mobiele werktuigen en -werkgroep toezicht en handhaving, de Rijkswaterstaat Buyer Group etc.

15

Bijlage 2: Stakeholders Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste stakeholders – zowel intern als extern – en waarbij zij betrokken worden (projectleiding en/of werkgroepen). Bij de interne stakeholders zijn enkel de stakeholders genoemd die aanvullend zijn op de in H6 al genoemde verantwoordelijke directies. De projectleiding en werkgroepen betrekken diverse personen vanuit die directies voor het ophalen van input. Sturing, afstemming en akkoord vindt plaats via de begeleidingsgroep (inhoudelijk niveau) en de stuurgroep (directieniveau). Interne stakeholders Progr. Bruggen en Kademuren Reflectiegroep Circulair Bouwen Progr. Toekomstbestendige Assets Progr. Duurzame Gebiedsontwikkeling Juridische zaken Stedelijk Team Omgevingswet / betrokkenen Omgevingsplan Progr. Elektriciteitsvoorziening Amsterdam (EVA) Wagenparkbeheerders

Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) Externe stakeholders Marktgroep SEB

SLA – projectgroep mobiele werktuigen SLA – werkgroep toezicht en handhaving Ministerie van I&W RWS Buyer Group NAL-werkgroep Laden op de Bouwplaats Koploper gemeenten TNO

Toelichting Opdrachtgever van onderhoud bruggen en kademuren Verduurzaming maatschappelijk vastgoed Innovatieprogramma IB, ervaring vanuit pilots R&D-programma dat adviseert over duurzaamheid bij gebiedsontwikkelingen Onderzoek en toetsing van beleidsinstrumenten voor regulering Betrekken indien regulering via het omgevingsplan gaat verlopen. Programma (i.s.m. Liander) ter voorkoming van netcongestie. Impact op e-voorziening én ambities toetsen. Uiteindelijk verantwoordelijk voor aankoop mobiele werktuigen. Communicatie verloopt via het Progr. Eigen Wagenpark. Betrokkenheid indien handhaving via de OD moet gaan verlopen.

PL

Toelichting Toelichting zie H7 Ontwikkeling landelijke routekaart. Rijkswaterstaat en het ministerie van BZK ook bilateraal betrokken als transitiepadtrekkers Geeft input aan het SEB-proces.

PL V V

Geeft monitoring (beleid), toezicht (op inkoop) en handhaving (reguleren) vorm. Opdrachtgever van het SEB en het SLA Kennisuitwisseling over duurzaam inkopen Werkgroep i.h.k.v. de Nationale Agenda Laadinfrastructuur. o.a. de andere G4-gemeenten Doet onderzoek naar vele relevante onderwerpen.

V

Stim. V

Reg.

Fac.

V V

V V

V

V V V

V

V

V

Stim. V

Reg. V

V

V

Fac. V

V

V V V V V

V V

V V

V V

16

Liander

CPO’s (exploitanten) publieke laadinfra Bouwend NL De Groene Koers

Emissieloos Netwerk Infra

Grote private opdrachtgevers

Netbeheerder, belangrijke stakeholder voor de energievoorziening. Minstens de in A’dam actieve exploitanten (Vattenfall, Total) Branchevereniging voor bouwbedrijven. Samenwerking Bouwend NL, Cumela (branchevereniging groen, grond en infra-ondernemers) en BMWT (branchevereniging leveranciers) Samenwerking van marktpartijen voor ontwikkeling en aankoop mobiele werktuigen Bijv. projectontwikkelaars en woningbouwcorporaties

V

V V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12531689/1