4 Omgevingsplan Amsterdam, inhoud belangrijkste hoofdstukken.docx
Tekst van het document
Bijlage 4 bij raadsinformatiebrief Omgevingsplan Amsterdam, basisregeling Inhoudsopgave Omgevingsplan Amsterdam HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK 2 ALGEMENE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN HOOFDSTUK 3 LOCATIEGERICHTE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN HOOFDSTUK 4 ALGEMENE REGELS OVER ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN HOOFDSTUK 5 LOCATIEGERICHTE REGELS OVER BOUWWERKEN HOOFDSTUK 6 HET UITVOEREN VAN WERKEN EN WERKZAAMHEDEN, GEEN BOUWWERKEN ZIJNDE (AANLEGACTIVITEITEN) HOOFDSTUK 7 HET AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN EEN GEMEENTEWEG, WATERSCHAPSWEG OF LOKALE SPOORWEG, OF HET WIJZIGEN VAN GEBRUIK VAN EEN LOKALE SPOORWEG HOOFDSTUK 8 VANWEGE INSTRUCTIEREGELS AANGEWEZEN GEBIEDEN EN LOCATIES HOOFDSTUK 9 KOSTENVERHAAL HOOFDSTUK 10 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN HOOFDSTUK 11 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN EN ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT GEMEENTELIJKE MONUMENTEN HOOFDSTUK 12 T/M 21 GERESERVEERD HOOFDSTUK 22 ACTIVITEITEN (regels door het Rijk bij wijze van bruidsschat in het omgevingsplan geplaatst) HOOFDSTUK 23 OVERGANGSRECHT HOOFDSTUK 24 SLOTBEPALINGEN BIJLAGEN
Inhoud van de belangrijkste hoofdstukken en rechtsgevolg. Hoofdstukken: 1, 7-9, 12-23 Hoofdstuk 1 bevat inleidende bepalingen, die na vaststelling overal gaan gelden, maar waarbij geen inhoudelijk rechtsgevolg optreedt. Hoofdstuk 8 bevat regels waarmee bij het vervangen van bestemmingsplannen uitvoering kan worden gegeven aan instructieregels van het Rijk. Hoofdstuk 9 biedt ruimte voor het te zijner tijd opnemen van regels over kostenverhaal. Dat gebeurt waar nodig nu nog via exploitatieplannen. Voor beide hoofdstukken geldt dat bij vaststelling nog geen rechtsgevolg optreedt. Hoofdstuk 7 en 12 tot en met 21 zijn vooralsnog gereserveerd. Omdat het omgevingsplan zoals dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege ontstaat, een inhoudelijk hoofdstuk 22 en 23 bevat, heeft ook deze Basisregeling deze hoofdstukken in zich. Op een later moment kunnen hier regels uit bijvoorbeeld de Bomenverordening worden ingepast. Hoofdstuk 22 bevat regels die bij wijze van bruidsschat door het rijk in het omgevingsplan van rechtswege zijn geplaatst. Deze worden grotendeels vervangen met de hoofdstukken 1 tot en met 11. Hoofdstuk 23 bevat overgangsrecht. Voor wat betreft ruimtelijke regels is hier in navolging van huidige bestemmingsplannen gekozen voor eerbiedigend overgangsrecht als uitgangspunt.
Wanneer dat op enig moment voor een bepaalde locatie nodig is, kan hier locatiegericht van
worden afgeweken met maatwerkregels. Voor vergunningen en andere krachtens eerder geldende verordeningen of het omgevingsplan genomen besluiten is voorzien in overgangsrecht zoals dat gebruikelijkerwijze in een verordening wordt opgenomen. Dit is nodig omdat in het omgevingsplan ook (delen van) verordeningen op zullen gaan. Hoofdstuk 24 bevat slotbepalingen. Hoofdstuk 2: Algemene regels over het gebruik van gronden en bouwwerken Hoofdstuk 2 bevat algemene regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. De regels in dit hoofdstuk gaan direct na inwerkintreding van de Basisregeling overal gelden in Amsterdam. Bepaald wordt onder meer dat gebruik van gronden en bouwwerken alleen is toegestaan op een manier die in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel. Het begrip ‘gebruiksdoel’ komt in het omgevingsplan voor Amsterdam in de plaats van het begrip bestemming, zoals we dat uit bestemmingsplannen kennen. Welke gebruiksdoel waar geldt, wordt bepaald door locatiegerichte regels, en is geregeld in hoofdstuk 3. Daarbij is voorzien in overgangsrecht voor gebieden waar het bestemmingsplan nog niet is vervallen. Een bijzondere categorie van regels in hoofdstuk 2 betreft de Algemene regels van ruimtelijke aard over gebruik van gronden en bouwwerken zoals opgenomen in afdeling 2.4.
Het gaat om onderwerpen waarover veelal sectoraal gemeentebreed beleid is vastgesteld, waarvan het de bedoeling is dat de regels in beginsel overal gelden. Zo zijn regels opgenomen over parkeernormen en over ondergeschikte activiteiten zoals detailhandel en kantoorgebruik. Nu zijn dergelijke regels veelal opgenomen in bestemmingsplannen. Die regels zijn niet altijd conform nu geldend beleid. Voor zover de regels in het nog niet vervallen bestemmingsplan afwijken van de regels in afdeling 2.4, gaan de regels uit het bestemmingsplan voor. Dat is geregeld in een zogenoemde voorrangsbepaling. Bij het vervangen van het bestemmingsplan kan te zijner tijd dan beoordeeld worden of de algemene regel in dat gebied moet gaan gelden, of dat een afwijkende regel nodig is. Hoofdstuk 3: Ruimtelijke regels over het gebruik van gronden en bouwwerken Hoofdstuk 3 bevat ruimtelijke regels over gebruik. Het betreft allemaal locatiegerichte regels. Met de regels in dit hoofdstuk wordt uiteindelijk bepaald waar gewoond mag worden, en waar een kantoor of een winkel mag komen. Daarbij zijn regels opgenomen die dat gebruik verder reguleren. Gedacht kan worden aan regels die bepalen hoeveel woningen er mogen zijn, of hoeveel vierkante meter kantoor is toegestaan. Met de ruimtelijke regels over gebruik zullen de nog geldende bestemmingsplan worden vervangen.
Ze zullen pas ergens gaan gelden nadat het nog geldende bestemmingsplan is vervangen. Hoofdstuk 4: Algemene regels over activiteiten met betrekking tot bouwwerken Hoofdstuk 4 bevat algemene regels over bouwwerken. In afdeling 4.2 van dit hoofdstuk is de bouwvergunningplicht opgenomen zoals die nu nog is geregeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarbij zijn ook de uitzondering op de vergunningplicht (vergunningvrije bouwwerken) en beoordelingsregels opgenomen (of ze ook zijn toegestaan, wordt bepaald in hoofdstuk 5). Ten opzichte van de Wabo zijn er extra beoordelingsregels toegevoegd. Zo wordt het concrete bouwplan straks niet alleen getoetst op welstand en passendheid binnen ruimtelijke bouwregels, maar ook op bijvoorbeeld windhinder bij hoogbouw en (grond)watereffecten bij ondergrondse bouwwerken. Dergelijke regels zijn nu vaak opgenomen in bestemmingsplannen als mogelijkheid om nadere eisen te stellen. De vorm van beoordelingsregels geeft meer duidelijkheid. Met uitzondering van enkele locatiespecifieke beoordelingsregels gaan de regels in afdeling 4.2 na vaststelling overal gelden. In afdeling 4.2a is verder een vergunningplicht voor sloopactiviteiten, voor zover die plaatsvinden binnen beschermd stads- of dorpsgezicht. Deze regels komen over vanuit bestemmingsplannen
die betrekking hebben op beschermd stads- of dorpsgezicht. Deze regels gelden uiteraard alleen waar sprake is van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Hoofdstuk 4 bevat tot slot nog een afdeling met daarin overige regels over bouwwerken en activiteiten met betrekking tot bouwwerken. Hierin zijn algemeen geldende regels opgenomen die voorheen door het Rijk werden gesteld. Ook zijn hier regels opgenomen over hemelwaterafvoer. Deze regels worden één op één overgenomen uit de geldende hemelwaterverordening. De regels in deze afdeling gaan overal binnen Amsterdam gelden. Hoofdstuk 5: Ruimtelijke regels over bouwwerken Hoofdstuk 5 bevat ruimtelijke regels over bouwwerken. In dat hoofdstuk is onder andere bepaald waar bouwwerken mogen komen en hoe hoog die mogen zijn. Deze regels moeten de regels over bouwwerken uit de bestemmingsplannen gaan vervangen. De regels zijn locatiegericht. Ze gaan pas gelden wanneer ergens een bestemmingsplan is vervangen. Hoofdstuk 6: Aanlegactiviteiten Hoofdstuk 6 bevat regels over aanlegactiviteiten. Met aanlegactiviteiten wordt gedoeld op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Het hoofdstuk bevat vergunningplichten voor het uitvoeren van specifiek bepaalde aanlegactiviteiten. Het kan een grote verscheidenheid aan activiteiten betreffen.
Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitvoeren van grondbewerkingen onder maaiveld, het aanbrengen van drainage, het aanleggen en verbreden van wateren, het wijzigen van het waterpeil en het aanbrengen van hoogopgaande of diepwortelende beplanting en bomen. Onder de Wet ruimtelijke ordening kon voor dergelijke activiteiten een aanlegvergunningplicht worden opgenomen. Dat wordt in dit omgevingsplan voortgezet. Er zijn verschillende doelen met het oog waarop een aanlegvergunningplicht nodig kan zijn. Deze meeste van deze oogmerken gelden alleen specifieke gebieden, en de bescherming van een bepaalde status of gebruiksdoel van het betreffende gebied. Deze regels zijn locatiegericht, en gelden alleen op de aangewezen locaties. Ze gaan pas gelden wanneer ergens een bestemmingsplan is vervangen. Hoofdstuk 10: Milieubelastende activiteiten Hoofdstuk 10 bevat regels over milieubelastende activiteiten. De regels over milieubelastende activiteiten komen in de plaats van regels die nu nog worden gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. In de Wet milieubeheer wordt nu nog het begrip ‘inrichting’ gebruikt, waarop ook het Activiteitenbesluit van toepassing is. Inrichtingen worden door dit besluit gereguleerd. De Omgevingswet gebruikt het begrip inrichting niet meer, maar de bredere term ‘milieubelastende activiteit’.
Daaronder wordt verstaan een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Bepaalde activiteiten worden echter als een aparte categorie beschouwd, zoals lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk of wateronttrekkingsactiviteiten. Desondanks is deze begripsbepaling zeer ruim en omvat het een breed scala aan activiteiten met grote verschillen in aard en omvang van de gevolgen voor het milieu. Dit begrip is dus breder dan het begrip ‘inrichting’ uit de voormalige Wet milieubeheer. Naast bedrijfsmatige activiteiten, zoals cafés, garages of grote industriële fabrieken, die voorheen als inrichting werden beschouwd, zijn ook milieubelastende activiteiten onder meer: a. activiteiten bij particulieren, zoals het in werking hebben van een open haard of een lozing van afvalwater in het gemeentelijk rioolstelsel; b. kortstondige en eenmalige activiteiten, denk aan het houden van evenementen, bouw- en sloopwerkzaamheden of activiteiten in de openbare ruimte; c. activiteiten zonder vaste locatie, bijvoorbeeld het rondrijden met een omroepwagen.
Die verruiming is het gevolg van landelijke wetgeving. De meeste regels in Hoofdstuk 10 gelden echter niet voor alle milieubelastende activiteiten, maar alleen voor een specifieke groep van activiteiten (met name bedrijfsmatige activiteiten met een vaste locatie, voorheen inrichtingen). De regels over milieubelastende activiteiten gelden net als voorheen het Activiteitenbesluit binnen heel Amsterdam, en hebben direct overal een rechtsgevolg. Deze regels zijn inhoudelijk grotendeels gelijk van strekking als voorheen in het Activiteitenbesluit het geval was. Wel zijn ze aangepast, zodat wordt voldaan aan de erop van toepassing zijnde instructieregels. Hoofdstuk 11: Monumenten en activiteiten met betrekking tot monumenten (hoofdstuk 11) Hoofdstuk 11 gaat over gemeentelijke en provinciale monumenten. Afdeling 11.1 bevat regels over gemeentelijke monumenten die nu nog in de Erfgoedverordening staan. Afdeling 11.2 gaat over provinciale monumenten. Deze regels zijn conform de provinciale omgevingsverordening opgenomen. Deze regels gaan na vaststelling overal gelden, maar hebben alleen rechtsgevolg op en rond reeds aangewezen of nog aan te wijzen monumenten. Die aanwijzing zal op een later moment plaatsvinden.