CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Klaprozenbuurt Toelichting

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 9 juni 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het gerepareerde bestemmingsplan Klaprozenbuurt Nr. VN2021-01059433.283 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Gemeente Amsterdam

blz. 82

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt (vastgesteld)

blz. 83

Hoofdstuk 14 14.1

Milieuhinder bedrijvigheid

Algemeen

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Om gevoelige bestemmingen in het plangebied toe te kunnen staan dient daarnaast ook rekening te worden gehouden met de te verwachten milieuhinder van nieuwe bedrijven. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

14.2

Toetsingskader

Voor het bepalen van de milieuzonering is gebruik gemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In deze publicatie worden richtafstanden gegeven tussen hinderveroorzakende bedrijven en woningen. De potentiële hinder wordt aangegeven op basis van de aspecten geur, geluid, gevaar en stof. De VNG-lijst is ook het uitgangspunt voor de Staat van bedrijfsactiviteiten, de lijst die in dit bestemmingsplan is gekoppeld aan alle bestemmingen waarbinnen mogelijk milieuhinderlijke functies zijn toegestaan. De richtafstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten en zijn onder andere vastgesteld aan de hand van ervaringen uit de praktijk. Bedrijven zijn ingedeeld in categorieën oplopend naarmate de potentiële milieuhinder toeneemt (bedrijven uit een hogere milieucategorie zijn toegestaan): zie figuur 14.1. Het omgevingstype speelt hierbij een rol: de afstanden worden in beginsel gehanteerd ten opzichte van een rustige woonwijk. Er kan echter ook sprake zijn van een gemengd gebied (diverse functies naast elkaar). In dat geval kan de richtafstand met een stap verlaagd worden. De richtafstanden zijn indicatief: afwijken is mogelijk, mits goed gemotiveerd.

Figuur 14.1 - Tabel richtafstanden VNG Op bedrijven in Nederland is de Wet milieubeheer van toepassing. Veel bedrijven hebben echter geen

Gemeente Amsterdam

blz. 84

specifieke vergunning meer maar vallen onder het Activiteitenbesluit. Dit besluit omvat een pakket standaardvoorschriften waaraan het bedrijf moet voldoen. Indien noodzakelijk is het mogelijk om maatwerkvoorschriften op te leggen, zodat er specifieke voorschriften gelden. Het is mogelijk dat op basis van de vergunde milieuruimte van bedrijven afgeweken kan worden van de indicatieve VNG richtafstanden. Een voorschrift ten aanzien van geluid in een vergunning of op basis van het Activiteitenbesluit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat een kleinere afstand tussen het bedrijf en een gevoelige functie kan worden aangehouden dan op grond van de VNG-lijst wordt geadviseerd.

14.3

Toegestane milieucategorie

Het plangebied Klaprozenbuurt ligt binnen de ring van Amsterdam en betreft een stedelijk gemengd gebied. De richtafstanden voor een rustige woonwijk worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied te kunnen garanderen, worden bedrijven uit maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan. Enkele bedrijven in het plangebied hebben een hogere categorie dan hiervoor is benoemd. Deze (bestaande) bedrijven zijn toch toegestaan door ze expliciet te benoemen in de regels. Deze bedrijven hebben als het ware een 'maatbestemming' in de planregels gekregen.

14.4

Resultaten onderzoeken

Binnen het gebied met een wijzigingsbevoegdheid zijn diverse bedrijven gesitueerd. Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid waarbij milieugevoelige objecten worden toegestaan, is het noodzakelijk de milieu-impact vanwege de omliggende bedrijven te onderzoeken. Om na te kunnen gaan met welke bedrijven rekening gehouden moet worden, zijn de milieucontouren inzichtelijk gemaakt. Als gevoelige functies binnen een milieucontour van één of meerdere bedrijven valt, is nader onderzoek nodig naar de mogelijkheden om gevoelige objecten in de nabijheid te realiseren. Daarbij moet zowel onderzoek worden uitgevoerd naar de milieu-impact op de gevoelige objecten als naar eventuele beperkingen op de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven. De inpasbaarheid van gevoelige functies als woningen en scholen in het plangebied is beoordeeld in relatie tot de bedrijven binnen het plangebied en in de omgeving van het plangebied (bijlage 13 Onderzoek milieuzones bedrijven - fase 1, LBP Sight, 20 november 2019). In dit onderzoek zijn de milieucontouren bepaald vanwege deze bedrijven. Door de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied zijn de bedrijven geïnventariseerd. Per bedrijf is de bepalende richtafstand (stof, geur, geluid of gevaar) gegeven. Enkele bedrijven zijn nader onderzocht. De bepalende richtafstanden zijn in het onderzoek op de kaart inzichtelijk gemaakt.

Uit het contourenonderzoek volgt dat de gevoelige functies die met dit bestemmingsplan direct mogelijk worden gemaakt binnen de Klimopwegdriehoek niet worden belemmerd door activiteiten van bedrijven in de omgeving. Er is hier sprake van een goed woon- en leefklimaat en bedrijven worden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet beperkt in de bedrijfsvoering. Uitgangspunt is dat de hier aanwezige bouwmarkt (Gamma) wordt ingepast in de nieuwe situatie. Het overgrote deel van het plangebied in dit bestemmingsplan is conserverend bestemd met een wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming Gemengd waarbinnen gevoelige functies worden toegestaan. Bij gebruik van de wijzigingsbevoegdheid, wanneer het betreffende plan (deels) binnen een milieucontour van één of meerdere bedrijven valt, is nader onderzoek nodig naar de mogelijkheden om gevoelige objecten in de nabijheid van die bedrijven te realiseren. Daarbij moet zowel onderzoek worden uitgevoerd naar de milieu-impact op de gevoelige objecten als naar eventuele beperkingen op de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven. Deze onderzoeken moeten in detail uitgevoerd worden bij bestemmingsplan_Klaprozenbuurt (vastgesteld)

blz. 85

gebruik van de wijzigingsbevoegdheid. In het onderhavige bestemmingsplan kan worden volstaan met een haalbaarheidsonderzoek (bijlage 14 Onderzoek milieuzones bedrijven - fase 2, LBP Sight, 20 november 2019). Uit het onderzoek blijkt dat bij de meeste beschouwde bedrijven geen onoplosbare beperkingen zijn geconstateerd die woningbouwontwikkelingen onmogelijk maken. Wel is voor een groot aantal bedrijven nader onderzoek nodig voor het bepalen van maatregelen om functitemenging mogelijk te maken. Voor de beschouwing per bedrijf wordt verwezen naar hoofdstuk 4 in het hiervoor genoemde onderzoek. In het gebied liggen enkele bedrijven met een grote uitdaging voor functiemenging of woningbouwontwikkelingen op korte afstand. Meest bepalend is het tankstation. Dit is een bedrijf met enkele milieuaspecten zoals gevaar en geur die functiemenging beperken. Specifiek aandachtspunt daarbij is dat momenteel enkele bestaande woningen binnen de 10-6 risicocontour aanwezig zijn.

14.5

Conclusie

Met betrekking tot milieuzonering moet in dit bestemmingsplan onderscheid worden gemaakt tussen milieugevoelige functies die met een directe bouwtitel in dit bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt (de Klimopdriehoek) en het deel van het plangebied dat conserverend is bestemd en een wijzigingsbevoegdheid kent op basis waarvan milieugevoelige functies kunnen worden toegestaan. Klimopwegdriehoek Milieugevoelige functies binnen de Klimopwegdriehoek worden niet belemmerd door hindercontouren van omliggende bedrijven. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden bedrijven als gevolg van deze ontwikkeling niet beperkt in de bedrijfsvoering. Binnen dit gebied vormt de Gamma een aandachtspunt. Uitgangspunt is dat de Gamma wordt ingepast in de nieuwe situatie. Conserverend deel met wijzigingsbevoegdheid Voor het grootste deel van het plangebied is een conserverende bestemming opgenomen ten behoeve van de daar aanwezige bedrijven. Binnen deze bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op basis waarvan milieugevoelige functies kunnen worden toegestaan. Uit het uitgevoerde onderzoek naar milieuhinder blijkt dat bij de meeste beschouwde bedrijven geen onoplosbare beperkingen zijn geconstateerd die woningbouwontwikkelingen onmogelijk maken.

Wel is voor een groot aantal bedrijven nader onderzoek nodig en zijn mogelijk kostbare maatregelen noodzakelijk om functiemenging mogelijk te maken. De resultaten van het onderzoek staan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

Gemeente Amsterdam

blz. 86

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt (vastgesteld)

blz. 87

Hoofdstuk 15 15.1

Natuur en Landschap

Algemeen

Daar waar bestemmingsplannen en inpassingsplannen ruimtelijke ontwikkelingen en projecten mogelijk maken, moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Daarnaast kunnen individuele dier-en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen(soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan.

15.2

Beleid en regelgeving

15.2.1 Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Doel van de nieuwe wet is de bescherming van de biodiversiteit in Nederland, de decentralisatie van verantwoordelijkheden en vereenvoudiging van regels. De regelgeving rond de gebiedsbescherming (i.c van Natura2000-gebieden) is in de nieuwe wet geïntegreerd. De soortenbescherming werd tot heden geregeld door de Flora- en faunawet. De strikt beschermde soorten, een van de categorieën, die hun beschermde status ontlenen aan de Vogelrichtlijn, de Habitatrichlijn of andere internationale verdragen, behouden in de nieuwe wet die status. De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. Bij vrijwel alle ingrepen moet met door Wnb beschermde soorten rekening worden gehouden. Een belangrijke verandering betreft de lijst van beschermde planten. Deze is aanzienlijk ingekort. Het gevolg ervan is dat tal van tot nu toe beschermde soorten hun beschermde status in de nieuwe wet verliezen.

15.3

Resultaten onderzoeken

De regelgeving ten aanzien van zowel gebieds- als soortenbescherming betekent dat de gemeente bij al haar planvorming 'op voorhand in redelijkheid' moet kunnen inschatten (meestal op basis van deskundigenonderzoek) of ten gevolge van het plan zelf dan wel de uitvoering van het plan: een passende beoordeling nodig is ten gevolge van mogelijke significante gevolgen op een Natura 2000- gebied; als signifante gevolgen niet zijn uit te sluiten, de 'ADC'-fase met succes kan worden doorlopen; bij EHS-gebieden geen strijd plaats vindt met het geldende beleidskader en zo dat wel zo is mitigeren en zo nodig compenserende maatregelen worden getroffen of wel gemotiveerd wordt waarom daar anders mee wordt omgegaan; de verbodsbepalingen van de Ffw zullen worden overtreden. Als dit het geval is, moet aannemelijk gemaakt worden dat daarvoor een ontheffing zou kunnen worden verkregen. In verband met de voorgenomen ontwikkeling is onderzoek verricht naar consequenties vanuit de Natuurwetgeving en kansen voor stadsnatuur (bijlage 15 Natuurtoets Klaprozenbuurt, Elsken Ecologie, Gemeente Amsterdam

blz. 88

23 oktober 2019). Tevens is onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (bijlage 16 Onderzoek stikstofdepositie, LBP Sight, 11 oktober 2019). Hieronder zijn de resultaten toegelicht. Gebiedsbescherming Het plan heeft geen ruimtelijk effect op het Natuurnetwerk Nederland en het plangebied ligt niet in de Hoofdgroenstructuur. Op circa 3,5 kilometer afstand van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer en Polder Westzaan liggen respectievelijk op circa 5,5 kilometer en circa 8 kilometer afstand.Tijdens de bouwfase wordt gebruikgemaakt van mobiele machines die stikstofoxiden (NOx) emitteren. Daarnaast zijn voertuigbewegingen nodig om bouwmateriaal en personeel van en naar de bouwlocatie te vervoeren. Relevante stikstofemissie als gevolg van de herontwikkeling vindt in de gebruiksfase plaats vanwege de verkeersgeneratie. Met het programma Aerius is de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden bepaald voor de bouwfase en de gebruiksfase. Voor zowel de bouwfase als het toegenomen verkeer in de gebruiksfase is de bijdrage aan de stikstofdepositie ter hoogte van de omliggende Natura 2000-gebieden 0,00 mol N/ha/jaar.

Hierdoor zijn negatieve effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende natuurgebieden uit te sluiten en vormt de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstofdepositie geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Soortenbescherming Uit de uitgevoerde natuurtoets is gebleken dat negatieve effecten als gevolg van het plan op vleermuizen, huismussen roofvogels en kleine marterachtigen niet kunnen worden uitgesloten. Naar aanleiding hiervan zijn verschillende inventarisaties gedaan middels de richtlijnen zoals voor beschermde soorten opgesteld; respectievelijk het vleermuisprotocol, kennisdocument huismus, kennisdocument buizerd en de handreiking wezel, hermelijn en bunzing. Er zijn tijdens deze inventarisaties geen marterachtigen waargenomen. Uit de uitgevoerde huismus- en vleermuisinventarisatie zijn voor beide soortgroepen geen beschermde waarden naar voren gekomen. Voor roofvogels zijn geen nesten geconstateerd welke geschikt zouden kunnen zijn. Op verschillende plekken zijn bossages aanwezig welke geschikt zijn voor algemene soorten broedvogels. Broedende vogels genieten, onafhankelijk van welke soort het betreft, altijd bescherming. Buiten het broedseizoen kan wat betreft broedvogels zonder problemen worden gewerkt.

Bij werkzaamheden in het broedseizoen moet voorafgaand aan deze werkzaamheden met zekerheid door een ecoloog worden vastgesteld dat er geen broedvogels aanwezig zijn. Tijdens de werkzaamheden dient verder in ieder geval rekening te worden gehouden met de zorgplicht. In het plangebied zijn egels waargenomen. Ook algemene soorten amfibieën zullen gebruik maken van het plangebied. Derhalve dient er rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van deze soorten in het kader van de zorgplicht. Bij de werkzaamheden dient met deze soorten rekening gehouden te worden door in een richting te werken naar schuilgelegenheid toe zodat deze soorten voldoende vluchtmogelijkheden hebben.

15.4

Conclusie

Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit het uitgevoerde onderzoek naar stikstofdepositie volgt dat negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende natuurgebieden zijn uit te sluiten Ten aanzien van soortenbescherming volgt uit het onderzoek dat er geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is. Ten aanzien van het aspect natuur wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is.

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt (vastgesteld)

blz. 89

Hoofdstuk 16 16.1

Water

Algemeen

Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.

ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem.

De waterparagraaf geeft ook een weergave van de watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur.

16.2

Beleid en regelgeving

16.2.1 Europese Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De voornaamste doelstelling van het KRW is het beschermen en verbeteren van aquatische ecosystemen (grond- en oppervlaktewater). Dit door onder andere stroomgebieden te karakteriseren, ecologische doelstellingen te definiëren, economische analyses uit te voeren en de chemische en ecologische toestand te monitoren. De uit de KRW voortkomende milieudoelstellingen en maatregelen zijn verwerkt in de waterbeheerplannen van de waterschappen. 16.2.2 Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van de Waterwet kan een watervergunning worden aangevraagd. 16.2.3 Nationaal waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld.

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Gemeente Amsterdam

blz. 90

Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Gelijktijdig met de vaststelling van het Nationaal Waterplan 2016-2021 is ook het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 vastgesteld. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren beschrijft hoe grote rivieren en kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Noordzee en de Waddenzee beheerd moeten worden. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer. In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan zijn geen wateren waar nationale belangen een rol spelen. 16.2.4 Provinciale watervisie 2021 Op 16 november 2015 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Watervisie 2021 vastgesteld. De Watervisie biedt een doorkijk voor het regionale waterbeleid tot 2040 en geeft aan waar in de periode 2016-2021 de prioriteiten liggen voor waterveiligheid en schoon en voldoende water. De Watervisie 2021 is op 23 december 2015 in werking getreden en vervangt het Waterplan 2010-2015. Voor de Watervisie is een Uitvoeringsprogramma 2016-2021 opgesteld, waarin staat wat de provincie concreet gaat doen. Het Uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks geactualiseerd. 16.2.5 Waterbeheerplan AGV 2016-2021 Het plangebied valt deels binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV).

De beleidsvoorbereidende, uitvoerende en administratieve taken heeft AGV opgedragen aan de stichting Waternet. Medeopdrachtgever van Waternet is de gemeente Amsterdam, waarvoor Waternet de drinkwaterproductie en -distributie, het rioleringsbeheer, de (drijf)vuilverwijdering, het vaarwegbeheer en de grondwaterzorgtaak uitvoert. Het waterbeheerplan gaat in op de verantwoordelijkheden van het waterschap: zorgen voor voldoende, schoon water en veiligheid achter de dijken. Ook komen de maatschappelijke (neven)taken aan bod: zorgen voor goede en veilige vaarwegen, verbeteren van recreatie- en natuurgebieden en onderhouden van het cultuurhistorisch landschap. Het waterbeheerplan is sturend voor de programmering van activiteiten en de verdeling van geld en menskracht voor de periode 2016-2021. 16.2.6 Plan gemeentelijke watertaken 2010-2015 De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen: de inzameling en transport van stedelijk afvalwater; de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater; het nemen van grondwatermaatregelen. In het Plan gemeentelijke watertaken 2010-2015 staat hoe deze drie zorgplichten door de gemeente Amsterdam worden ingevuld, mede in het licht van de te verwachten klimaatverandering.

Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam haar watertaken uitvoert, en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Dit plan is hiermee een zgn. verbreed gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Met dit plan voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer is opgenomen. Tot 2008 had de gemeente de zorgplicht voor doelmatige inzameling en transport van afvalwater. De zorg voor de riolering is sinds 1 januari 2008 verbreed tot de bovengenoemde drie zorgplichten. Dit is het eerste Plan gemeentelijke watertaken waarin de drie zorgplichten zijn opgenomen. Het plan volgt op het op 22 juni 2004 door het college van Burgemeester en Wethouders vastgestelde Afvalwaterplan bestemmingsplan_Klaprozenbuurt (vastgesteld)

blz. 91

Amsterdam 2005-2009. Ook de Nota Grondwater is met het Plan gemeentelijke watertaken komen te vervallen. 16.2.7 Keur AGV De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen: voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening: de Keur. De Keur kent 'verboden' en 'geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. De Keur is een belangrijk instrument voor het hoogheemraadschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en risico's voor het watersysteem te voorkomen. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem. 16.2.8 Watervisie Amsterdam 2040 Op 14 september 2016 heeft de gemeenteraad de Watervisie Amsterdam 2040 vastgesteld. In de visie is een ruimtelijk-economisch perspectief op het gebruik van water geschetst waar een uitvoeringsagenda tot 2018 aan is gekoppeld.

De Watervisie gaat over het gebruik van water en water als onderdeel van de openbare ruimte. Andere aspecten, zoals waterbestendigheid, veiligheid, waterkwaliteit en ecologie zijn of worden uitgewerkt in ander beleid en andere programma's. 16.2.9 Gemeentelijk rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen: de inzameling en transport van stedelijk afvalwater, de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en het nemen van grondwatermaatregelen. In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016 - 2021 staat hoe deze drie zorgplichten de komende periode door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam deze watertaken uitvoert, en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer (artikel 4.22) is opgenomen. Het plan is tot stand gekomen in samenwerking met de waterschappen Hollands Noorderkwartier, Rijnland, Amstel, Gooi en Vecht en Rijkswaterstaat.

16.3

Watertoets

Het plangebied valt grotendeels onder het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi & Vecht (AGV). Het beheer voor het hoogheemraadschap AGV wordt uitgevoerd door Waternet. Aan de noordzijde van het plangebied ligt een primaire waterkering die in beheer is bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Rijkswaterstaat (RWS) is de beheerder van het Zijkanaal I dat ten westen van het plangebied ligt Voor de herontwikkeling van de Klaprozenbuurt is een waterparagraaf opgesteld (bijlage 17 Waterparagraaf, Gemeente Amsterdam, 21 november 2019). Waterveiligheid Het plangebied valt deels binnen de beschermingszone van een primaire waterkering; de Waterlandse Zeedijk. Op het in het plangebied gelegen deel van de Waterlandse Zeedijk zijn in de jaren '60 tientallen dijkwoningen gesloopt ten behoeve van een beoogde oost-west autoweg. Deze verbinding is uiteindelijk nooit gerealiseerd. Wanneer de Lekdijk en de waterkering IJmuiden zijn verbeterd (uiterlijk in 2050), ligt Gemeente Amsterdam

blz. 92

het beschermingsniveau van dijkring 44 hoger, waardoor de primaire waterkering ter plaatse van de Klaprozenbuurt kan worden afgewaardeerd naar een regionale waterkering. Mogelijk wordt het minimale dwarsprofiel dan aangepast in de Legger. Eventuele afwaardering van de waterkering heeft geen directe gevolgen voor de waterhuishouding in het plangebied. In de huidige legger ligt de theoretische kruin over een breedte van 30 meter op +0,5 m NAP, terwijl het bestaande zandlichaam tot + 3,8 m NAP hoog is. Om aan te sluiten bij de ambitie van het waterschap AGV op het gebied van waterveiligheid wordt een toekomstig maaiveldniveau van minimaal NAP+1,0 m geadviseerd. Bij dit maaiveldniveau wordt dus een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) nagestreefd tussen +0,1 m NAP en -0,4 m NAP (streefpeil oppervlaktewater). Watercompensatie Als gevolg van de aanleg van extra verharding (zoals bebouwing of wegen) neemt de belasting op het oppervlaktewatersysteem toe aangezien er over de verhardingen een versnelde waterafvoer plaatsvindt. Om wateroverlast te voorkomen moet extra belasting van het watersysteem gecompenseerd worden met de aanleg van extra waterberging. Dat betekent dat het watersysteem na de realisering van de verharding niet zwaarder belast mag worden dan voordien.

Hoogheemraadschap AGV hanteert hierbij de regel uit de Keur dat bij aanleg van 1.000 m² of meer extra verharding gecompenseerd moet worden door de aanleg van extra oppervlaktewater ter grootte van 10 procent van het oppervlak van de extra verharding of door alternatieve vormen van berging. Als binnen het plangebied geen mogelijkheid is voor het creëren van compensatie dient elders in hetzelfde peilvak gecompenseerd te worden. Dempingen van oppervlaktewater dienen 1 op 1 gecompenseerd te worden in hetzelfde peilvak. Het plangebied betreft een bestaand bebouwd gebied, dat reeds grotendeels is verhard. Het bestemmingsplan maakt ten opzichte van de vigerende plannen geen nieuwe verharding mogelijk. De toekomstige situatie voorziet in meer groen dan nu, wat een positief effect heeft op de infiltratie van hemelwater in de grond. Ten opzichte van de huidige situatie gaat het schetsontwerp uit van het graven van circa 3.750 m2 nieuw water in het plangebied blijft het oppervlaktewater minimaal even groot. De positieve waterbalans kan ingezet worden ten behoeve van andere projecten in het peilgebied, bijvoorbeeld de Buiksloterham. Grondwater De grondwaterzorgplicht vereist dat ontwikkelingen in het plangebied zowel tijdens uitvoering als in de eindsituatie geen verslechtering van de grondwatersituatie veroorzaken, ook niet voor naastgelegen gebieden.

Conform de gemeentelijke grondwaternorm (GRPA 2016-2021) is de minimale ontwateringsdiepte 0,5 m –mv en 0,9 m -mv daar waar bomen worden geplant. Naar verwachting wordt deze norm in 2021 bijgesteld naar 0,9 –mv. Volgens het stedenbouwkundig plan (schetsontwerp) worden in vrijwel alle straten bomen geplant. Daarom is het uitgangspunt om in de Klaprozenbuurt uit te gaan van een gewenste ontwatering van minimaal 0,9 m. Om de grondwatersituatie te beoordelen en de invloed van maatregelen te kwantificeren is een grondwatertoets uitgevoerd (bijlage 18 Grondwatertoets, Gemeente Amsterdam, 21 november 2019). Op basis van de modelstudie is de conclusie dat goed doorlatende cunetten noodzakelijk zijn, aangevuld met een drain (aangelegd in een grindkoffer) om in de Klaprozenbuurt voldoende ontwateringsdiepte te realiseren. Daar waar bomen worden geplant dienen de cunetten dieper te liggen, minimaal tot NAP -0,6 m, een minimale breedte van 5 m en voorzien van een drain (ook in een grindkoffer). Bij de aanleg van cunetten en drainage dient rekening te worden gehouden met mogelijke aanwezigheid van mobiele verontreinigingen, om verplaatsing te vermijden. Bij aanleg van kelders is het uitgangspunt om grondwaterneutraal te bouwen. Hemelwater De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van stedelijk afvalwater en hemelwater.

Waternet voert de gemeentelijke rioleringstaak uit namens de Gemeente Amsterdam. Afvloeiend hemelwater dient in de nieuwe situatie adequaat verwerkt te worden. In nieuwe bestemmingsplan_Klaprozenbuurt (vastgesteld)

blz. 93

en her te ontwikkelen gebieden wordt aangestuurd op een gescheiden rioolstelsel, waarbij een hemelwaterriool en afvalwaterriool worden aangelegd. Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en waterbodem tegen te gaan wordt vanuit de Keur het gebruik van uitlogende materialen tijdens de bouw- en gebruiksfase voorkomen en PAK, lood, zink en koper tegengegaan. Bij het beheer zal ook zo min mogelijk gebruik worden gemaakt van middelen die kunnen leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- of grondwater. Conform de doelstellingen van Amsterdam Rainproof en het GRPA (Gemeentelijk RioleringsPlan Amsterdam) 2016-2021 wordt voor het plangebied Klaprozenbuurt geadviseerd zodanig te ontwerpen dat een bui van 60 mm in 1 uur kan worden verwerkt zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur te veroorzaken. Hierbij dient circa 20 mm in 1 uur verwerkt te worden door de riolering en de andere 40 mm in de openbare ruimte. Voor verwerking van het (overtollige) hemelwater geldt conform de NBW (Nationaal Bestuursakkoord Water) de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. Deze drietrapsstrategie is verwerkt in een Rainproof oplossingenkaart. De Klaprozenbuurt is qua bodemopbouw geen geschikt gebied voor infiltratie.

Voor de nieuw te ontwikkelen kavels moet worden uitgegaan dat er geen hemelwater actief wordt geïnfiltreerd in de bodem (freatisch pakket). Dit wordt als voorwaarde in de bouwenveloppen opgenomen. De straten en parkeerterreinen in het plangebied Klaprozenbuurt bieden mogelijkheden om tijdens hevige buien door herprofilering van de weg tijdelijk water te bergen om vervolgens af te voeren. In het schetsontwerp is hier bergingsruimte voor opgenomen. De bergingsruimte kan dubbel gebruikt worden, als park, straat of parkeervak in normale situatie, en als tijdelijke waterberging in het geval van extreme neerslag. Om de bergingsbehoefte te reduceren kan ervoor gekozen worden om de hemelwaterriolering ruimer te dimensioneren, zodat een groter deel van (extreme) neerslag door het riool afgevoerd kan worden. Andere optie is om neerslag over maaiveld af te voeren naar het oppervlaktewater.

16.4

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering vormt voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Met AGV en HHNK zal bij de verdere uitwerking van de plannen nader afstemming plaatsvinden.

Gemeente Amsterdam

blz. 94

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt (vastgesteld)

blz. 95

Hoofdstuk 17 17.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Waar de overige paragrafen van deze bestemmingsplantoelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de bestemmingsplanregels. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht. Het (juridisch deel van het) bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding heeft een functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemming en overige regels. In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven.

Op basis van het beleid en de gebiedsbeschrijving zijn vervolgens de uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.

17.2

Planopzet

Bij de opzet van het bestemmingsplan is rekening gehouden met de geleidelijke transformatie van een bedrijventerrein naar een gemengd woon/werk gebied. Bestaande bedrijven worden niet wegbestemd. De bestaande gebruiksmogelijheden worden aangvuld met enkele verbrede functies. De echte transformatie waarbij onder meer ook een woonprogramma is voorzien, wordt mogelijk gemaakt door middel van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheden.

17.3

Planregels

De indeling van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 Inleidende regels omvat twee artikelen: een artikel met de begripsbepalingen en een artikel dat de wijze van meten bepaalt. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels geeft een invulling aan de opgenomen bestemmingen, waarbij in de meeste gevallen het volgende stramien wordt gevolgd: een omschrijving van de doeleinden van de bestemming; de bouwregels: regels omtrent hoogte, bouwgrenzen et cetera; een afwijkingsbevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de bouwregels; specifieke regels met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden; een afwijkingsbevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de gebruiksregels; de mogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders om het bestemmingsplan te wijzigen. Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat regels die gelden voor meerdere in het plan opgenomen Gemeente Amsterdam

blz. 96

bestemmingen: anti-dubbeltelregel; algemene bouwregels; algemene gebruiksregels; algemene aanduidingsregels; algemene afwijkingsregels; algemene wijzigingsregels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels bevat regels die betrekking hebben op: overgangsrecht ten aanzien van bouwen; overgangsrecht ten aanzien van gebruik; de slotregel.

17.4

Artikelgewijze toelichting

17.4.1 Toelichting op de bestemmingen In deze paragraaf worden de niet voor zichzelf sprekende en bijzondere juridische aspecten van de bestemmingsbepalingen toegelicht. Het beleid wordt niet toegelicht, maar de wijze van regelen. HOOFDSTUK 1 - INLEIDENDE REGELS Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. Wijze van meten Met dit artikel wordt aangegeven op welke wijze moet worden beoordeeld in hoeverre een initiatief past binnen de minima en maxima die door de overige regels worden aangegeven. HOOFDSTUK 2 - BESTEMMINGEN Bedrijf Deze bestemming is toegekend aan de in het plangebied aanwezige bedrijven. De bedrijven bevinden zich voornamelijk in het westelijk deel van het plangebied. Bedrijven met aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten. De gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Voorts zijn bijkomende voorzieningen zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen en parkeerplaatsen toegestaan.

Bedrijfsfuncties zijn ingedeeld in categorieën van licht naar zwaar. Binnen het plangebied zijn de categorieën 1, 2 en 3.1 toegestaan. De bedrijfsactiviteiten en bijbehorende categorieën zijn opgenomen in een Staat van Inrichtingen die onderdeel uitmaakt van de planregels. Enkele bedrijven in het plangebied hebben een hogere categorie dan hiervoor is benoemd. Deze (bestaande) bedrijven zijn toch toegestaan door ze expliciet te benoemen in de regels. Deze bedrijven hebben als het ware een 'maatbestemming' in de planregels gekregen. In de bestemmingsomschrijving van 'Bedrijf' is tevens omschreven welke functies verder zijn toegestaan ter plaatse van de genoemde functieaanduidingen. Bijvoorbeeld ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' op de verbeelding binnen de bestemming Bedrijf is een fietsenwinkel toegestaan.

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt (vastgesteld)

blz. 97

In aanloop naar de transformatie van het gebied zijn ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan een aantal functies mogelijk gemaakt die zich enerzijds goed verhouden tot de milieu-gebruiksruimte van de bestaande bedrijven en anderzijds goed aansluiten bij het gemengde woon/werk karakter dat is voorzien in het plangebied. Het gaat daarbij om creatieve bedrijvigheid en dienstverlening in de vorm van functies die de levendigheid van het gebied ten goede komen en waarbij contact met het publiek van belang is zoals kapperszaken, stomerij, banken en reisbureaus. Binnen de bestemmingsomschrijving valt ook kantoorruimte met een beperkte omvang ten behoeve van de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde bedrijf als ook een bedrijfskantine. Beide dienen wel ondergeschikt, gerelateerd en ten dienste van de hoofdbestemming te zijn. Daarnaast is per bedrijfsvestiging ook een bedrijfswoning toegestaan. Hierbij geldt wel dat door een extern deskundigenrapport aangetoond moet worden dat de bedrijfsvoering het noodzakelijk maakt dat hierop 24 uur per dag en 7 dagen in de week toezicht nodig is. De bewijslast hiervan rust op de aanvrager c.q. gebruiker. Het bevoegd gezag verleent geen medewerking aan het omzetten van bedrijfswoningen naar burgerwoningen omdat dit de bedrijfsvoering van andere bedrijven kan schaden.

Voor de goede orde wordt vermeld dat daar waar de regels in dit bestemmingsplan afwijken van de bestaande situatie, zijn deze enkel en alleen toegestaan indien de afwijkingen hun basis hebben in vergunningen. Gemengd De zogenaamde 'Klimopwegdriehoek' in het zuid-oostelijk deel van het plangebied heeft de bestemming 'Gemengd'. Er is gekozen voor een bestemming 'Gemengd' omdat de vier bouwblokken in dit plandeel worden ingevuld met een diversiteit aan zelfstandige, naast elkaar bestaande functies. Er is hierbij ruimte voor het terugkeren van de bestaande functies en voorzieningen in het plandeel en het toevoegen van functies, waaronder wonen. In de regels is per voorziening een maximum bruto vloeroppervlak opgenomen. De voorzieningen concentreren zich op de eerste bouwlaag langs de stadsstraat (Klaprozenweg en Floraweg). Het wonen is langs de Klaprozenweg en de Floraweg alleen toegestaan vanaf de eerste bouwlaag, met uitzondering van de entrees/portieken. Deze verdeling is vastgelegd door middel van aanduidingen op de verbeelding. Zodoende wordt menging van wonen en niet-wonen geborgd. Binnen wonen zijn praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan.

Voor parkeervoorzieningen voor auto, fietsen en scooters (niet zijnde parkeervoorzieningen voor bezoekers) geldt dat voldoende ruimte moet worden aangebracht volgens de geldende parkeernormen. Deze voorzieningen moeten worden aangebracht in parkeervoorzieningen op eigen terrein. Bij de situering van deze parkeervoorzieningen moet rekening worden gehouden met de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Bouwmogelijkheden De basis voor de bouwregels wordt gevormd door het ruimtelijk kader en de spelregelkaart van de Investeringsnota Klaprozenbuurt. Belangrijke thema's hierin zijn de hoogte van de bebouwing, de plinthoogte, de wijze waarop met parkeren wordt omgegaan en de plaatsing van de bebouwing. Rondom de bouwblokken zijn bouwvlakken getrokken. Voor de eerste bouwlaag langs de stadsstraat geldt een minimale plinthoogte van 4,5 meter. Ten minste de eerste twee bouwlagen dienen in de op de verbeelding opgenomen rooilijn te worden gebouwd ten behoeve van de stedenbouwkundige samenhang tussen de 4 verschillende bouwblokken. Door te bouwen in de rooilijn blijft er op de overige delen van de bouwblokken voldoende ruimte beschikbaar om te kunnen voldoen aan het geluidbeleid van de Gemeente Amsterdam

blz. 98

gemeente, waaronder het realiseren van 'stille zijden'. De maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven waarbij langs de Klaprozenweg drie verschillende hoogteaccenten zijn toegestaan. Één tot 44 meter, één tot 31 meter en één tot 38 meter hoog. Er zijn bouwregels opgenomen met betrekking tot parkeren voor auto's en fietsen. Door inpandig parkeren voor te schrijven is parkeren uit het zicht en wordt de openbare ruimte hier en de binnenterreinen hier niet mee belast. Groen Het openbaar gebied met een groene invulling zoals plantsoenen, het dijklichaam Buiksloterdijk en groenstroken is aangewezen met de bestemming Groen. Snippergroen is vaak in de bestemming 'Verkeer' opgenomen. Binnen 'Groen' zijn geen gebouwen toegestaan. Wel is er ruimte voor voet- en fietspaden en speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Horeca Op twee plekken binnen het plangebied is de bestemming 'Horeca' opgenomen. Het gaat daarbij om 'De Klaproos'. Het gebouw bij deze bestemming is inmiddels gesloopt waardoor het terrein momenteel braak ligt. De tweede locatie betreft Floraweg 198 waar zaalverhuurbedrijf M Plazza is gevestigd. Gebouwen mogen alleen worden opgericht binnen het bouwvlak tot een hoogte van 13 meter bij de Klaproos en 4 meter aan de Floraweg 198.

Maatschappelijk De in het plangebied aanwezige maatschappelijke voorziening heeft betrekking op het servicekantoor van Ymere aan de Floraweg. Gebouwen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak. De toegestane bouwhoogte staat op de verbeelding weergegeven. Tuin De tuinen bij de woonschepen langs Zijkanaal I hebben de bestemming Tuin. In de regels zijn dezelfde bouw- en gebruiksmogelijkheden opgenomen als in het voorgaande bestemmingsplan Banne Buiksloot II. Verkeer De bestemming 'Verkeer' heeft betrekking op de buurtontsluitingswegen, de voet- en fietspaden en de verkeersvoorzieningen met bijbehorende groen- en watervoorzieningen. Verder zijn speelvoorzieningen toegestaan. Water De bestemming 'Water' betreft al het water binnen het plangebied. De ligplaatsen voor de woonschepen zijn op de verbeelding aangeduid met 'woonschepenligplaats'. De ligplaatsen zijn uitsluitend te gebruiken zoals aangeduid met de functieaanduiding en omschreven in de regels. Onder de functie water wordt ook verstaan waterberging en -huishouding, waterlopen, waterwegen en watergebonden activiteiten. Recreatief medegebruik is toegestaan, dat wil zeggen gebruik van de gronden als vaarwater is toegestaan, maar is ondergeschikt aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan.

Leiding - Gas In dit artikel wordt de in het plangebied aanwezige gasleiding beschermd doordat is vastgelegd dat bepaalde werken of werkzaamheden uitsluitend mogen worden uitgevoerd met een omgevingsvergunning. Voor de gasleiding geldt dat op de verbeelding de leiding is weergegeven en in de regels is bepaald dat voor de bescherming en het beheer van de leiding een belemmerende strook van 4

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt (vastgesteld)

blz. 99

meter ter weerszijde van de leiding geldt. Een deel van de gasleiding is gelegen onder de bestemming Gemengd. Het betreffende bouwblok kan alleen worden gerealiseerd als de daar gelegen gasleiding is verpplaatst. Hierover is de gemeente in overleg met de Gusunie. Leiding - Hoogspanning In dit artikel worden de in het plangebied aanwezige ondergrondse hoogspanningsleidingen beschermd doordat is vastgelegd dat bepaalde werken of werkzaamheden uitsluitend mogen worden uitgevoerd met een omgevingsvergunning. Waarde - Archeologie 1 en Waarde - Archeologie 2 De gronden waarvoor een archeologische verwachting geldt, hebben de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 1 en 2' gekregen. Het bevoegd gezag verleent de vereiste omgevingsvergunning indien dit zich verdraagt met de mogelijk aanwezige te beschermen waarden. In de praktijk komt het er veelal op neer dat de omgevingsvergunning kan worden verleend indien het noodzakelijke archeologisch onderzoek voorafgaand aan de werkzaamheden is afgerond en er geen belemmeringen zijn geconstateerd. Waarde - Cultuurhistorie Een gedeelte van het plangebied is aangewezen als beschermd stadsgezicht van rijkswege. Het artikel een regeling die rekening houdt met het beschermd stadsgezicht van rijkswege en heeft tot doel het beschermen van de stedenbouwkundige waarden die zijn beschreven in de aanwijzing van het beschermd stadsgezicht Amsterdam-Noord.

De inhoud is tot stand gekomen na overleg met Bureau Monumenten en Archeologie. Waterstaat - Waterkering Deze dubbelbestemming is gelegd op de primaire waterkering en de bijbehorende beschermingszone in het plangebied. Ingevolge de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) moeten zowel primaire als secundaire waterstaatswerken (deze is breder dan het fysieke waterstaatswerk als zodanig) in het bestemmingsplan worden verwerkt zowel op de verbeelding als in de regels. In dit bestemmingsplan wordt hieraan voldaan door het waterstaatswerk op de verbeelding aan te duiden met deze dubbelbestemming en in de regels hieromtrent een bestemmingsomschrijving op te nemen. Voor het overige zijn de regels van de Keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier van toepassing. Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. Algemene bouwregels In deze regel wordt geregeld dat bepaalde overschrijdingen van de bouwregels zijn toegestaan. Algemene gebruiksregels In deze regel worden de algemene regels omtrent gebruik vastgelegd. Naast het algemene gebruiksverbod om de gronden en opstallen in strijd met de bestemming te gebruiken, is een aantal activiteiten uitgezonderd.

Algemene aanduidingsregels Omdat een aanmerkelijk deel van het te transformeren terrein de komende jaren nog zal worden gebruikt ten behoeve van de bestaande bedrijvigheid is er voor gekozen om de nieuwe ontwikkelingen door middel van wijzigingsbevoegdheden in het bestemmingsplan op te nemen. Indien een

Gemeente Amsterdam

blz. 100

deelontwikkeling voldoende concreet is, voldoet aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden en milieutechnisch inpasbaar is kan mee worden gewerkt door middel van een wijzigingsplan. Allereerst is het totaalprogramma weergegeven dat binnen de verschillende wijzigingsgebieden tezamen kan worden gerealiseerd. Per wijzigingsbevoegdheid is een deelprogramma van de totale ontwikkeling opgenomen. Omdat niet op voorhand vast staat welke functies op welke plek zullen landen is er in de wijzigingsbevoegdheden een hoger aantal vierkante meters bvo opgenomen dan er daadwerkelijk ruimte zal zijn binnen te te realiseren nieuwe gebouwen. De verschillende wijzigingsgebieden staan door middel van aanduidingen op de verbeelding aangegeven. In het kader van de beroepsprocedure bij de Raad van State is 21.4 Wetgevingszone - wijzigingsgebied 2 aangepast. Zie 19.5 voor een nadere toelichting op de aanpassing. Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden algemene afwijkingsregels opgesomd. Er kan voor gebouwen van nutsvoorzieningen en elektriciteitsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals gedenktekens, plastieken en dergelijke worden afgeweken van de regels. Ook kan van de regels worden afgeweken voor geringe afwijkingen en tevens mag de in de regels toegestane maximale bouwhoogte worden overschreden in bepaalde gevallen.

Hetzelfde geldt voor de op de verbeelding aangegeven bestemmings- of bouwgrenzen. Algemene wijzigingsregels In deze regels staan de algemene wijzigingsbevoegdheden beschreven. Overige regels In dit artikel wordt de mogelijkheid gegeven tot het stellen van nadere eisen en wordt bepaald dat het mogelijk is te besluiten om de verplichting om een exploitatieplan vast te stellen, uit te stellen tot de concrete omgevingsvergunningaanvraag. Overgangsrecht De overgangsregel is evenals de anti-dubbeltelregel overgenomen uit de standaardregels uit het Bro. Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10194077/2