CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Inspraakvoorstel Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.pdf

Raadscommissie Woningbouw en Volkshuisvesting 4 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de wijzigingsvoorstellen voor de Huisvestingsverordening per 1 januari 2025 en de raadsinformatiebrief met onder andere toelichting over het voorgenomen voorstel voor versoepeling van inwoning (VN2024-010087)18.899 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Inspraakvoorstel Nadere regels bij de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 Zoals door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op 3 juni 2024 vrijgegeven voor inspraak, Gelet op artikel 2, eerste lid, Algemene inspraakverordening Amsterdam, artikel 160 Gemeentewet, artikel 4 Huisvestingswet, Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 Let op: Voorgestelde wijzigingen zijn geel gemarkeerd weergegeven.

Inhoudsopgave 1. Nadere regels urgenties 2. Nadere regels stadsvernieuwingsurgentie bij sloop en renovatiecomplexen van corporaties en bij noodzakelijk bouwkundig onderhoud of herstel van particulier of privaat bezit 3. Nadere regels toewijzing standplaatsen voor woonwagens 4. Nadere regels voorraadvergunningen 5. Nadere regels splitsen in appartementsrechten 6. Nadere regels huisbewaring 7. Nadere regels beroepsgroepenregeling 8. Nadere regels woonruimteverdeling 9. Slotbepalingen

Hoofdstuk 1 Urgenties I. Inleiding In deze Nadere regels wordt beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam uitvoering geeft aan de bevoegdheid tot het beslissen op een aanvraag van een urgentieverklaring op grond van artikel 2.10.1 van de Huisvestingsverordening (HVV). Paragraaf 10 van hoofdstuk 2 van de HVV bevat de artikelen die op urgentie betrekking hebben. Artikel 12 van de Huisvestingswet 2014 vormt de wettelijke grondslag voor de urgentiebepalingen in de HVV. Definities van gehanteerde termen in deze Nadere regels zijn gelijk aan de definities in artikel 1 van de HVV. Deze Nadere regels zijn opgebouwd in de volgorde van de artikelen van de HVV. De artikelen bevatten tussen haakjes het onderliggende artikel in de HVV. II. Nadere regels urgenties

Artikel 1. Bevoegdheid en uitvoering (artikel 2.10.1 HVV) Aanvullend op artikel 2.10.1 HVV, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om te beslissen op een aanvraag van een urgentieverklaring, geldt dat: a. de directeur Wonen conform het Algemeen mandaatbesluit Amsterdam gemandateerd is voor het beslissen op een aanvraag van een urgentieverklaring; b. de beoordeling van de aanvraag en het nemen van een besluit op urgentie-aanvragen wordt uitgevoerd door de directie Wonen; c. de website www.amsterdam.nl, de Stadsloketten en het centrale informatienummer (14020) van de gemeente Amsterdam de aangewezen loketten zijn voor het verstrekken van informatie en beantwoorden van vragen; d. de GGD is aangewezen voor het uitvoeren van eventueel medisch onderzoek en het geven van advies bij aanvragen. Artikel 2. Aanvraagprocedure en beoordeling (artikel 2.10.2 HVV) Voor urgentieverlening hanteert de gemeente over het algemeen de volgende zes stappen: 1. Aanmelden bij de gemeente als aanvrager. 2. Eventueel volgt een adviesgesprek met een medewerker van de gemeente Amsterdam. 3. Indienen van de urgentie-aanvraag en documenten. 4. Beoordeling en beslissing door de directie Wonen, team Indicaties. 5.

Het vinden van een woning: - In beginsel zoekt de houder van een stadsvernieuwingsurgentieverklaring zelf naar een woning op DAK regio Amsterdam; - De overige urgentiecategorieën worden direct bemiddeld. 6. Verval of intrekking van de urgentieverklaring door de directie Wonen. De aanvrager moet alle gevraagde stukken leveren waaronder tenminste: a. Een geldig Nederlands identiteitsbewijs of geldige verblijfsvergunning; b. De drie meest recente loon-, pensioen- of uitkeringsspecificaties en indien van toepassing een recente jaaropgave of winst- en verliesrekening; c. Een recente inkomensverklaring van de Belastingdienst; d. Een geldig bewijs van inschrijving en registratienummer bij DAK regio Amsterdam; e. Een echtscheidingsbeschikking indien er sprake is van een echtscheiding; f. het verkoopcontract van de eigen woning met een eindafrekening van de hypotheek, bewijs van overschrijving en vrijwaringsbewijs van de hypotheekverstrekker indien de aanvrager een koopwoning had; g. een kopie van de aangifte bij de politie als de aanvraag voortkomt uit bedreiging of geweld; h. als de aanvraag voortkomt uit medische problemen dienen verklaringen van medisch specialisten te worden overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van ernstige en chronische medische problematiek; i. een verklaring van de Stichting Bureau Krediet Registratie (BKR) van maximaal drie maanden oud; j.

indien de aanvrager schulden heeft de stukken genoemd onder artikel 4 Schulden; k. andere documenten, verklaringen of bewijsstukken die nodig zijn ter onderbouwing van de aanvraag van een urgentieverklaring; l. een ingevuld en ondertekend formulier waarmee de directie Wonen, team Indicaties gemachtigd wordt om benodigde gegevens op te vragen waarmee de geldigheid van de aanvraag onderzocht kan worden, bijvoorbeeld bij de behandelend arts, begeleidende instelling, verhuurder van de huidige woning, maatschappelijk werk, politie of andere hulpinstellingen.

Artikel 3. Algemene weigeringsgronden (artikel 2.10.5 HVV) Bij alle categorieën van urgentie gelden de weigeringsgronden uit artikel 2.10.5 van de HVV. De aanvraag wordt getoetst aan alle weigeringsgronden. Indien één of meerdere van deze weigeringsgronden van toepassing zijn, wordt de aanvraag geweigerd. De weigeringsgronden worden hieronder uitgewerkt en worden beoordeeld aan de hand van de onderstaande voorwaarden en criteria. Overigens is de uitwerking per weigeringsgrond niet uitputtend bedoeld (niet limitatief). Ad a) De aanvrager is geen 18 jaar of ouder, of heeft geen Nederlandse nationaliteit of vreemdelingenstatus. 1. Met het bezit van de vreemdelingenstatus wordt bedoeld dat de aanvrager en alle leden van diens huishouden rechtmatig in Nederland verblijven zoals is bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000; 2. De verantwoordelijkheid voor opvang van vreemdelingen zonder verblijfstatus ligt bij de Dienst Terugkeer en Vertrek, uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Ad b) Géén urgent huisvestingsprobleem. Indien zich uitsluitend één of een combinatie van de onderstaande problemen voordoet, is er géén urgent huisvestingsprobleem: 1. de huidige woning verkeert in slechte staat of is van onvoldoende kwaliteit, tenzij de woning onbewoonbaar is verklaard wegens bijvoorbeeld brand of instorting; 2.

de huidige woning is te klein of te groot voor het huishouden van de aanvrager; 3. de aanvrager kan door medische klachten de huidige woning of daarbij behorende tuin niet meer zelf onderhouden; 4. de aanvrager wil of moet vanwege zijn werk verhuizen; 5. de aanvrager woont, met of zonder kinderen, bij een of meerdere andere huishoudens in; 6. de aanvrager of diens partner is zwanger; 7. de aanvrager is gescheiden of de samenwonings- of partnerrelatie is verbroken maar woont nog met de (ex-)partner in één woning; 8. de aanvrager wordt uit detentie vrijgelaten; 9. de aanvrager heeft een tijdelijke huurovereenkomst; 10. de aanvrager woont in onderhuur; 11. de aanvrager wil een woning met voldoende ruimte in het kader van co-ouderschap of bezoekregeling voor kinderen na scheiding of verbroken partnerschap, terwijl de kinderen elders onderdak hebben. Ad c) Het huisvestingsprobleem was redelijkerwijs op te lossen of te voorkomen. Van een dergelijk probleem is in ieder geval sprake als de aanvrager: 1. niet alles wat redelijkerwijs tot diens mogelijkheden behoort heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen; 2. een gezin heeft gesticht of gaat stichten zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken; 3.

een passende reguliere woning aangeboden kreeg in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou gaan krijgen, tot een jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag van een urgentieverklaring; 4. zelf de financiële middelen heeft om het huisvestingsprobleem op te lossen; 5. 65 jaar of ouder is, waardoor de aanvrager een ouderen- of seniorenwoning kan krijgen; 6. een huishouden van maximaal 3 personen heeft en 13 wachtpunten of meer;

7. een huishouden van 4 personen of meer heeft en 15 wachtpunten of meer; of 8. zich niet maximaal heeft ingespannen om zoekpunten te verkrijgen. In algemene zin geldt dat het huisvestingsprobleem van de aanvrager dient te zijn ontstaan uit een overmachtssituatie om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring. Volledigheidshalve wordt daarboven opgemerkt dat sociale of medische problemen geen uitzondering geven op weigeringsgrond c. Ad d) Het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening. Met ‘voorliggende voorzieningen’ worden onder meer bedoeld: 1. de publieke voorzieningen op het gebied van zorg, hulp en ondersteuning zoals aanleg van een traplift of andere woningaanpassingen die de gemeente in het kader van de WMO mogelijk maakt, hulp bij het huishouden of vervoersvoorzieningen, wijkverpleging, thuiszorg, maatschappelijk werk, schuldhulpverlening, geestelijke gezondheidszorg of jeugdhulp; 2. het ondernemen van eigen juridische stappen, bijvoorbeeld het starten van een civiele procedure tegen de verhuurder of de buren van de aanvrager; of 3. andere voorzieningen en maatregelen die hier niet zijn beschreven of die vermeld staan in de regels per urgentiecategorie.

Ad e) Het huisvestingsprobleem is het gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden, hiervan is in ieder geval sprake: 1. bij woninguitzetting in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag, wegens huurschuld, overlast, fraude of criminele activiteiten, veroorzaakt door de aanvrager of een lid van diens huishouden; 2. als de aanvrager in de gemeente is komen wonen zonder te zorgen voor adequate woonruimte voor zichzelf en eventuele andere leden van zijn of haar huishouden, zoals met of zonder kinderen gaan inwonen bij een ander huishouden; of 3. als de aanvrager in detentie is opgenomen en na vrijlating geen huisvesting kan vinden. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat sociale of medische problemen geen uitzondering geven op weigeringsgrond e. Ad f) Het probleem kan niet of onvoldoende opgelost worden met verhuizing naar een andere woonruimte, waarmee bedoeld wordt dat de aanvrager wegens problemen of omstandigheden meer gebaat is bij inzet van een voorliggende voorziening of medische zorg, dan met een andere woning. Een voorliggende voorziening behelst alle voorzieningen zoals opgenomen in Ad d.

Ad g) Minder dan 2 jaar geleden een urgentieverklaring is vervallen of werd ingetrokken, waarmee bedoeld wordt dat een weigering volgt als korter dan 2 jaar voorafgaand aan het moment van indienen van de aanvraag een urgentie van de aanvrager of lid van diens huishouden: 1. verviel; of 2. werd ingetrokken. Ad h) De aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van een zelfstandige woonruimte te voorzien, waarvan sprake is als de aanvrager: 1. onvoldoende inkomen uit arbeid, onderneming of uitkering heeft, rekening houdend met eventuele aflossingsverplichtingen; of 2. schulden heeft die niet zijn geregeld zoals is beschreven in artikel 4 ‘Schulden; aanvullende voorwaarden’ verderop in deze Nadere regel.

Ad i) De aanvrager woont minder dan vier jaar onafgebroken in de gemeente waar urgentie wordt aangevraagd, waarbij geldt dat: 1. deze eis zowel voor de aanvrager als diens huishouden geldt; 2. de vier jaar berekend wordt vanaf het moment van het indienen van de aanvraag; 3. het woonadres vastgesteld wordt op basis van de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) en indien noodzakelijk een aanvullende controle; 4. Voor aanvragers met één of meer minderjarige kinderen die tijdelijk elders wonen wegens relatiebreuk of echtscheiding en voldoen aan de overige criteria geldt de volgende uitzondering: zij kunnen maximaal een half jaar na uitschrijving uit het BPR van Amsterdam alsnog urgentie aanvragen, bovenstaande bindingseis wordt hen in zoverre niet tegengeworpen; 5. de jaren waarbij een aanvrager en alle personen behorend tot zijn huishouden woonachtig waren in de voormalige gemeente Weesp worden ook meegeteld; 6. de urgentiecategorieën Blijf-groep (artikel 2.10.6, eerste lid, onderdeel a, HVV), mantelzorg (artikel 2.10.6, eerste lid, onderdeel b, HVV) en statushouders (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel d HVV) niet onder deze weigeringsgrond vallen; en 7. voor de urgentiecategorie Uitstroom maatschappelijke opvang een afwijkende regel van toepassing is (zie onder 8 lid e).

Ad j) Het inkomen is hoger dan de inkomensgrens voor de primaire doelgroep van corporaties of de tijdelijk hogere inkomensgrens voor de 10% doelgroep als bedoeld in artikel 48 van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015, waarbij geldt dat: 1. gerekend wordt met het gezamenlijk belastbaar jaarinkomen van het huishouden, uitgezonderd het inkomen van kinderen, 2. een uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor degenen die in aanmerking komen voor een calamiteiten-urgentie op basis van artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel a, HVV ‘acute noodsituatie’ (zie onder 8). 3. een afwijkende inkomensgrens gehanteerd wordt voor de urgentiecategorie stadsvernieuwing (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel c HVV), conform de Amsterdamse Kaderafspraken. Ad k) In de twee jaar voor het moment van aanvraag in een onderkomen woonde welke niet bestemd is voor permanente bewoning krachtens een besluit op grond van de Omgevingswet (artikel 2.10.5, derde lid, HVV). Hiervan is in elk geval sprake als de aanvrager: 1. woont in een onzelfstandige woonruimte (zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel v, HVV); of 2. verblijft in een bedrijfspand, caravan, een provisorisch onderkomen of een gebouw ongeschikt voor bewoning.

Aanvragen vanuit noodopvang voor gezinnen De situatie en het handelen van de aanvrager voorafgaand aan het verblijf in de noodopvang (crisisopvang) voor gezinnen is relevant voor de beoordeling van de weigeringsgronden. Het verblijf in de noodopvang is op zichzelf geen huisvestingsprobleem waarvoor urgentie wordt gegeven en vormt verder een neutrale factor in de beoordeling. Ook telt de periode van verblijf in de noodopvang niet mee in de periode dat de aanvrager in Amsterdam moet hebben gewoond op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel i, HVV. Alleen indien de aanvrager voorafgaand en gedurende het verblijf in de noodopvang aanvullende problemen heeft die vallen binnen de criteria voor sociale of medische urgentie, kan er een urgentieverklaring worden verleend. Artikel 4. Schulden (artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel h, HVV)

Aanvragen van personen die niet aantonen dat ze met zekerheid kunnen voorzien in kosten van bewoning worden geweigerd op basis van artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel h, HVV. Dit betekent dat de aanvrager moet zorgen voor een situatie van langdurige financiële stabiliteit. Als er sprake is van schulden gelden de onderstaande voorwaarden: a. De aanvrager beschikt over een overzicht van de schulden alsmede een daarop aansluitend en per schuld gespecificeerd Plan van Aanpak van de schulden, opgesteld en gewaarmerkt door een bureau voor schuldhulpverlening, erkend en gefinancierd door de gemeente. b. Afhankelijk van de aard en omvang van de schulden, de inkomsten en verdere situatie, dient de aanvrager één of meer van de volgende regelingen te hebben getroffen: - sanering op basis van een minnelijke regeling, met behulp van een saneringskrediet van de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA); - sanering op basis van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp); - inhouding van vaste lasten als voorwaarde vastgelegd in de beschikking van de bijstandsuitkering, indien de aanvrager inkomen uit bijstand heeft; - een regeling voor budgetbeheer of inkomensbeheer bij team FIBU of een instelling via het Buurtteam Amsterdam; - een door de rechter verplicht gestelde regeling voor beschermingsbewind. c.

Het college oordeelt per situatie welke van de regelingen onder b) noodzakelijk zijn als waarborg voor langdurige financiële stabiliteit van de aanvrager van urgentie. Artikel 5. Urgentiecategorie Blijf-groep (artikel 2.10.6, eerste lid, onderdeel a, HVV) De aanvraag van urgentie voor mensen die verblijven in een instelling voor tijdelijke opvang van slachtoffers van huiselijk geweld, de zogenoemde Blijf-groep , wordt beoordeeld met inachtneming van de algemene weigeringsgronden die in artikel 2.10.5 van de HVV zijn opgenomen met uitzondering van de eis dat alle personen in het huidhouden ten minste een minimale tijd in Amsterdam of in de voormalige gemeente Weesp woonachtig moeten zijn (artikel 2.10.5 eerste lid, onderdeel i, HVV). Daarnaast moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De aanvrager staat in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van de bovengenoemde instelling; b. In geval van een huwelijk of geregistreerd partnerschap dient formele voltrekking van de echtscheiding of verbreking van de relatie aangetoond te worden met een echtscheidingsvonnis; en, c.

Indien de aanvrager in aanmerking wil komen voor een woning die met voorrang aan personen met minderjarige kinderen wordt toegewezen moet een ouderschapsplan met door de gemeente of notaris gelegaliseerde handtekeningen van beide ouders worden ingediend, waaruit blijkt dat de zorg en verblijf van de kinderen is toegewezen aan de aanvrager. Ten behoeve van de uitstroom uit de Blijf-groep kan het college: - een woning met een regulier (vast) huurcontract toewijzen; of - een urgentie onder opschortende voorwaarden verstrekken, zoals beschreven in paragraaf 8 (urgentiecategorie uitstroom en omslag maatschappelijke opvang). De woning wordt daarbij eerst toegewezen en verhuurd aan een zorginstelling die de cliënt de woning in gebruik geeft op basis van een intermediaire verhuur. Gedurende één of twee jaar krijgt de cliënt begeleiding en gelegenheid om te voldoen aan eventuele

opschortende voorwaarden, zoals afronding van een echtscheiding, het afspreken van een ouderschapsplan of het regelen van schulden. Na afronding van het zorgtraject en het voldoen aan de vereisten voor urgentie kan het huurcontract met de instelling worden omgezet (‘omgeklapt’) naar een regulier vast huurcontract op naam van de bewoner. -

Cliënten met een leeftijd van 18 tot en met 27 jaar kunnen een jongerenwoning met een huurcontract voor vijf jaar toegewezen krijgen. Bij afloop van dat contract kan de bewoner urgentie krijgen voor een andere woning, op basis van de ruggensteunregeling in artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel e, van de HVV.

Artikel 6. Urgentiecategorie mantelzorg (artikel 2.10.6, eerste lid, onderdeel b HVV) De aanvraag voor de urgentiecategorie mantelzorg wordt beoordeeld op basis van de algemene weigeringsgronden met uitzondering van artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel i, HVV (lokale binding). Daarnaast gelden de volgende voorwaarden: a. Er is sprake van mantelzorg waarbij in de drie maanden voorafgaand aan het moment van de aanvraag acht uur of meer mantelzorg per week is verleend of ontvangen; b. De onder a gestelde acht uur mantelzorg per week zijn verleend gedurende vier dagen of meer per week, tenzij de medische problematiek zoals Alzheimer, schizofrenie of andere chronische psychische aandoeningen 24 uur per dag nabijheid vereisen en de hulp op onverwachte momenten wordt geboden; c. De mantelzorgsituatie zal naar verwachting nog minstens één jaar voortduren; d. De relatie tussen mantelzorggever en mantelzorgontvanger is gebaseerd op familiebanden of langdurige sociale omgang en komt niet voort uit vrijwilligerswerk ter vervulling van de mantelzorgtaken of daarmee vergelijkbare activiteiten; e. De mantelzorgontvanger en mantelzorggever wonen zelfstandig en niet in een intramurale instelling; f. Het betrekken van een woning in Amsterdam is de enige manier om ervoor te zorgen dat de mantelzorgontvanger zelfstandig kan blijven wonen; g.

De voorliggende voorzieningen worden al benut, hiermee worden bedoeld alle professionele hulp, zorg, begeleiding of ondersteuning die redelijkerwijs verkrijgbaar is en de behoefte aan mantelzorg verlicht, waaronder: - Hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen en/of overige voorzieningen die de gemeente biedt onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo); - Wijkverpleging, thuiszorg of andere zorg die verkregen worden via de zorgverzekering; - Zorg op basis van de Wet langdurige zorg (Wlz); - Overige voorzieningen, waaronder ambulante begeleiding of dagbesteding; h. De mantelzorggever en mantelzorgontvanger wonen op minimaal vijf kilometer afstand van elkaar; i. De mantelzorggever heeft geen medische, fysieke en/of psychische problemen die in de weg staan bij het uitvoeren van mantelzorg; j. De aanvrager is redelijkerwijs niet in staat om het woonprobleem op te lossen door middel van: - de reguliere toegang tot een sociale huurwoning (zie weigeringsgrond artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel c, HVV); - inwoning bij verzorger of verzorgde, in combinatie met een regeling voor huisbewaring ten behoeve van het huis dat hierdoor tijdelijk niet meer wordt bewoond; - een andere redelijkerwijs uitvoerbare, niet in dit artikel omschreven methode.

k. de eigen woning moet worden opgezegd of verkocht als de aanvrager een vervangende woning vindt; en l. Er bestaat alleen recht op urgentie vanwege mantelzorg indien deze geheel onbezoldigd wordt verleend. Personen die (deels) pgb ontvangen voor de zorgactiviteiten komen niet in aanmerking voor deze urgentie. Dit volgt uit de definitie voor mantelzorg (artikel 1 HVV en artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Ook als een aantal uren wel onbezoldigd zorg wordt verleend wordt niet voldaan aan dit vereiste. De mantelzorg moet geheel onbezoldigd worden verleend. Artikel 7. Urgentiecategorie vergunninghouders (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel d, onderdeel e en onderdeel g, HVV) Vergunninghouders oftewel statushouders komen in aanmerking voor urgentie als: a. zij direct na ontvangst van een verblijfsvergunning voor het eerst gaan uitstromen uit een COA-voorziening; b. nog niet eerder door het COA bij een andere gemeente zijn voorgedragen voor huisvesting; en c. nog niet eerder in het kader van uitstroom uit de COA-voorziening aangeboden woonruimte hebben geweigerd. Woningzoekenden aan wie op grond van de voorgaande urgentiegrond een woning is toegewezen die verhuurd wordt met een tijdelijk huurcontract kunnen opnieuw in aanmerking komen voor urgentie als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a.

het tijdelijk contract loopt af en er is geen sprake van voortijdige contractbeëindiging wegens verwijtbaar handelen van de aanvrager van de urgentie of een persoon behorend tot diens huishouden. Onder verwijtbaar handelen wordt ook het voortijdig opzeggen van het huurcontract door de woningzoekende verstaan; en b. de aanvrager heeft geen alternatieve mogelijkheden of alternatieve toegang tot een zelfstandige woning. Woningzoekenden aan wie op grond van de voorgaande urgentiegronden een woning is toegewezen komen in geval van gezinshereniging in aanmerking voor urgentie als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het betreft een gezinshereniging met gezinsleden uit het land van herkomst; b. de huidige woning is niet meer passend om alle gezinsleden te huisvesten; en c. de gezinsleden verhuizen daadwerkelijk mee naar de nieuwe woning. Artikel 8. Urgentiecategorie uitstroom en omslag maatschappelijke opvang en beschermd wonen (artikel 2.10.7 HVV) Deze urgentiecategorie is bedoeld voor personen die een woning nodig hebben omdat zij uitstromen uit een instelling voor Maatschappelijke Opvang (MO), Beschermd Wonen (BW) of een psychiatrische instelling in Amsterdam of in de voormalige gemeente Weesp.

Ook de personen die worden toegelaten in de Maatschappelijke Opvang of Beschermd Wonen, maar worden gefinancierd vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) vallen onder deze urgentiecategorie. Wegens het extramuraliseren van de zorg en uitvoering van het ‘Housing First’ principe, wordt deze urgentie ook toegekend aan personen die op basis van een beschikking ‘zorg met verblijf’ toegang krijgen tot de Maatschappelijke Opvang of Beschermd Wonen maar nog niet voldoen aan de vereisten om uit te stromen naar een huurwoning op eigen naam. De urgentie wordt hierbij onder opschortende voorwaarden verleend, deze constructie heet de ‘Omslagroute’. De

zorginstelling draagt de cliënten voor die geschikt worden geacht om zelfstandig in een woning hulpverlening te krijgen. De zorginstelling huurt aanvankelijk de woning zelf en verleent daar de zorg aan de cliënt. De zorginstelling en cliënt ondertekenen een Integraal Traject Plan (ITP) oftewel persoonlijk begeleidingsplan, met daarin op maat gesneden doelen. Zodra de cliënt voldoet aan de gestelde doelen van het hulpverleningstraject en psychisch, sociaal en financieel in staat is om zelfstandig te wonen, wordt deze voorgedragen voor de ‘omklap’ van het huurcontract naar een huurcontract op eigen naam. Op deze urgentie zijn de algemene weigeringsgronden van artikel 2.10.5, eerste lid, onderdelen a, g, h en j, HVV van toepassing, wat betekent dat de aanvrager: tenminste 18 jaar moet zijn, legaal in Nederland moet verblijven, geen urgentieverklaring moet hebben die minder dan twee jaar geleden is vervallen of ingetrokken en geen inkomen mag hebben boven de normen gesteld in artikel 2.2.2, eerste lid, HVV. De aanvrager dient verder naar verwachting voldoende zelfredzaam te zijn, geen overlast te veroorzaken en te voldoen aan de eis van regiobinding of de alternatieve criteria. Regiobinding In beginsel geldt voor een urgentie op grond van artikel 2.10.7, eerste lid, onderdeel a, HVV de voorwaarde van regiobinding.

Dit houdt in dat de aanvrager tenminste twee jaar van de drie jaar voorafgaand aan de opvang (zorg met verblijf) woonachtig moet zijn geweest in de zorgregio Amsterdam of in de voormalige gemeente Weesp en dit dient te worden aangetoond door een inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP). Bij het verlenen van toegang tot Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen zijn gemeenten op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verplicht om een ruimere uitleg van regiobinding te hanteren. Het kan daarom voorkomen dat personen die tot de MO/BW zijn toegelaten en na of tijdens het zorgtraject moeten doorstromen naar een zelfstandige huurwoning, niet voldoen aan de eis van regiobinding in de HVV. Op grond van artikel 2.10.7, derde lid, HVV kunnen burgemeester en wethouders in die gevallen de bovengenoemde voorwaarde van regiobinding in de HVV voor urgentie buiten toepassing verklaren. In die gevallen dient de aanvrager aan te tonen dat diegene: a. in Amsterdam verbleef gedurende tenminste twee van drie jaar voorafgaand aan toelating tot de maatschappelijke opvang of beschermd wonen, bijvoorbeeld aan de hand van documenten van een bank, verzekeraar, overheidsinstantie en zorginstelling; of, b. een duurzame relatie heeft met een zorgverlener of in behandeling is bij een (GGZ) zorgaanbieder in Amsterdam; of, c.

zorg nodig heeft die in Amsterdam beschikbaar is en niet wordt aangeboden in de regio waar de aanvrager binding mee heeft; of, d. in Amsterdam een duurzaam sociaal netwerk heeft met een aantoonbare essentiële invloed op een succesvol traject. Voorwaarden bij start Omslagroute – toekenning urgentie onder opschortende voorwaarden Een cliënt van de Maatschappelijke Opvang of Beschermd Wonen kan de urgentie onder opschortende voorwaarden krijgen als deze geschikt geacht wordt het hulpverleningstraject te doorlopen in een zelfstandige woning. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de cliënt geen overlast zal veroorzaken, actief zal meewerken aan de zorg en begeleiding van de zorginstelling en hiervoor de deur zal open doen. Bij toekenning van de urgentie onder opschortende voorwaarden wordt de zorginstelling huurder en de woning wordt in gebruik gegeven aan de cliënt.

Voor toekenning van de urgentie onder opschortende voorwaarden is vereist dat een Integraal Traject Plan (ITP) of persoonlijk begeleidingsplan is opgesteld en dat dit plan is ondertekend door de cliënt en de zorginstelling. Dat plan bevat gepersonaliseerde doelen om het zorgtraject goed te laten verlopen en om te zorgen dat de cliënt cumulatief gaat voldoen aan de algemene criteria voor de urgentie uitstroom. Deze voorwaarden zijn: a. de cliënt heeft passende zinvolle dagbesteding; b. de cliënt functioneert sociaal stabiel; c. de cliënt functioneert psychisch stabiel; en d. de cliënt is financieel stabiel waarmee wordt bedoeld dat deze: - een stabiel inkomen heeft; en - inzage heeft gegeven in eventuele schulden op basis van informatie van Bureau Krediet Registratie; en, in het geval er schulden zijn: - een overzicht heeft gegeven van alle schulden en betalingsverplichtingen; - inzicht heeft gegeven in eventuele openstaande CJIB-boetes en heeft aangetoond dat er geen kans is op detentie vanwege openstaande boetes; en/of, - in inkomensbeheer zit; en/of - een stabiel werkend budgetplan heeft; en/of - een overeenkomst heeft met een schuldhulpverleningsbureau waarbij het schuldhulpverleningstraject voorspoedig loopt.

Als blijkt dat het ITP of persoonlijk begeleidingsplan niet kan worden volbracht en een herijking van perspectief nodig is kan de urgentie die onder opschortende voorwaarden is verleend worden ingetrokken. Definitieve urgentieverlening (‘omklap’) Bij de definitieve urgentieverlening kan het huurcontract op naam van de zorginstelling worden ‘omgeklapt’, oftewel op naam van de cliënt worden gezet. Een besluit tot definitieve urgentieverlening wordt genomen zodra de cliënt de gepersonaliseerde doelen van het Integraal Trajectplan of persoonlijk begeleidingsplan heeft behaald en met het behalen van deze doelen wordt voldaan aan bovengenoemde algemene criteria voor de urgentie uitstroom. Bij een positieve beoordeling eindigt (meestal) het hulpverleningstraject en wordt de voormalige cliënt een zelfstandig wonende huurder. Artikel 9. Urgentiecategorie acute noodsituatie (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel a, HVV) Deze urgentiecategorie wordt ook de ‘calamiteitenurgentie’ genoemd. Calamiteiten zijn plotselinge gebeurtenissen waar de aanvrager geen invloed op kon uitoefenen en die tot een acuut woonprobleem leiden zoals brand, explosie of verzakking. De aanvraag wordt beoordeeld op basis van de algemene weigeringsgronden met uitzondering van artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel j, HVV (inkomenseis) en dient daarnaast te voldoen aan de volgende voorwaarden: a.

de aanvrager is ingeschreven op een woning waarvan de ongeschiktheid voor bewoning is vastgesteld door, of in opdracht van, een toezichthouder die bevoegd is toe te zien op naleving van de bouwregelgeving in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Woningwet; b. het herstel van de woning duurt langer dan vier maanden volgens de toezichthouder; c. alleen de hoofdbewoner komt in aanmerking van urgentie, inwoners dienen met de hoofdbewoner mee te verhuizen; en, d. de calamiteit is niet met opzet veroorzaakt door de aanvrager.

Artikel 10.1 Urgentiecategorie medische redenen (medische urgentie artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel b, HVV) 1. Aan artikel 2.10.8 HVV wordt niet getoetst als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 HVV. 2. Per aanvraag kan slechts één urgentiegrond worden aangevoerd. Een medische urgentieverklaring kan alleen worden verkregen op basis van medische gronden. 3. Een urgentieverklaring op medische gronden kan alleen worden verkregen indien: a. de aanvrager kampt met ernstige en chronische medische problematiek; b. het medische probleem levensontwrichtend is voor de aanvrager waardoor ernstige woonproblemen ontstaan en de aanvrager daardoor niet meer in staat is zelfstandig te functioneren; c. een zelfstandige woning een substantieel deel van de oplossing voor het probleem van de aanvrager vormt; en, d. de aanvrager zelfredzaam is wat inhoudt dat de aanvrager in staat zal zijn om duurzaam zelfstandig te wonen. 4. Indien het probleem niet of slechts beperkt opgelost wordt door een andere woonruimte, of als de aanvrager meer gebaat is bij inzet van een voorliggende voorziening (zoals medische of psychische zorg, of begeleiding) wordt de aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel d of onderdeel f HVV).

Hiervan is in ieder geval sprake als de aanvrager beschikt over een beschikking voor een maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen. 5. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de weigeringsgronden uit artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel c en onderdeel e HVV onverminderd van toepassing zijn op een urgentieaanvraag om medische redenen. Er moet sprake zijn van een overmachtssituatie die redelijkerwijs niet te voorkomen was. Artikel 10.2 Urgentiecategorie sociale redenen (sociale urgentie artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel b HVV) 1. Aan artikel 2.10.8 HVV wordt niet getoetst als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 HVV. 2. Per aanvraag kan slechts één urgentiegrond worden aangevoerd. Een sociale urgentieverklaring kan alleen worden verkregen op basis van één van de sociale gronden als bedoeld in het derde lid. 3. Een urgentieverklaring op sociale gronden kan alleen worden verkregen indien: a. de aanvrager met één of meer van de volgende problemen wordt geconfronteerd: I. Dakloosheid met zorg voor minderjarige kinderen door relatiebreuk, echtscheiding en/of inkomensval; II. Geweld of ernstige bedreiging. b.

bovengenoemd probleem (of problemen) levensontwrichtend is (zijn) voor de aanvrager, dat wil zeggen dat de aanvrager vanwege ernstige woonproblemen niet meer in staat is zelfstandig te functioneren; c. een zelfstandige woning een substantieel deel van de oplossing voor het probleem van de aanvrager vormt; en, d. de aanvrager zelfredzaam is wat inhoudt dat de aanvrager in staat zal zijn om duurzaam zelfstandig te wonen. 4. Indien het probleem niet of slechts beperkt opgelost wordt door een andere woonruimte, of als de aanvrager meer gebaat is bij inzet van een voorliggende voorziening (zoals begeleiding) wordt de aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel d of onderdeel f HVV. Hiervan is in ieder geval sprake als de aanvrager beschikt over een beschikking voor een maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen.

5. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de weigeringsgronden uit artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel c en onderdeel e HVV onverminderd van toepassing zijn op een urgentieaanvraag op sociale grond zoals genoemd onder 1. Er moet sprake zijn van een overmachtssituatie en het probleem moet niet redelijkerwijs te voorkomen zijn geweest. Dit betekent dat huisuitzetting uit een inwoonsituatie geen recht geeft tot een sociale urgentie, of problemen nadat een gezin is gesticht zonder in passende woonruimte te voorzien. Artikel 11. Aanvullende voorwaarden bij artikel 10.1 (ernstige medische problemen) a. De ernstige en levensontwrichtende aard van het medische probleem blijkt uit medische verklaringen van één of meer behandelend artsen of specialisten. Een verklaring van de huisarts is onvoldoende; b. Psychische problemen zijn aantoonbaar chronisch, en de aanvrager moet op het moment van aanvraag minimaal 6 maanden onder behandeling zijn voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns GGZ instelling of vrijgevestigd psychiater in Nederland. Praktijk Ondersteuner Huisartsenzorg, eerstelijns en/of basis GGZ vallen hier niet onder; c.

De huidige woonsituatie is levensontwrichtend omdat de bewegingsruimte van de aanvrager door de medische problemen teveel beperkt wordt dan wel de behandeling van het probleem wordt aantoonbaar in hoge mate ongunstig beïnvloed door de woonsituatie. Spanning, stress en/of psychische klachten samenhangend met de woonsituatie zijn geen redenen om een urgentieverklaring te verlenen; d. Bij een chronische psychische stoornis kan de voorwaarde worden opgelegd dat de aanvrager of een lid van diens huishouden psychiatrische zorg of begeleiding aanvaardt. Bij een verbroken relatie of echtscheiding is artikel 14 van toepassing. Artikel 12. Aanvullende voorwaarden bij artikel 10.2, derde lid, onderdeel a, onder I (dakloosheid met minderjarige kinderen door relatiebreuk, echtscheiding en/of inkomensval)” a. Te hoge huurlasten moeten aangetoond worden met een beschikking voor bijzondere bijstand voor woonlasten van de gemeente Amsterdam; b. In geval van te hoge hypotheeklasten dient de aanvrager het eigen huis te verkopen en de hypotheek te beëindigen zodat getoetst kan worden of er geen alternatieve (financiële) oplossing is voor het huisvestingsprobleem; c.

In het lid b) hierboven gestelde geval wordt tevens getoetst of er na verkoop van het eigen huis een problematische restschuld optreedt welke geregeld moet worden op basis van de aanvullende voorwaarde schulden (onder artikel 4) of welke leidt tot weigering basis van artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel h HVV). Bij een verbroken relatie of echtscheiding is artikel 14 van toepassing. Artikel 13. Aanvullende voorwaarden ernstige bedreiging of geweld bij artikel 10.2, derde lid, onderdeel a, onder II a. De aanvrager heeft zijn of haar woning als gevolg van een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging acuut moeten verlaten; b. De levensbedreigende situatie moet blijken uit een proces verbaal van de politie, zo mogelijk aangevuld door gegevens van justitie; c. In geval van bedreiging en/of geweld door de ex-partner of huisgenoot moet de aanvrager een beroep gedaan hebben op de hierbij passende voorliggende voorzieningen, te weten inzet van een huisverbod, straatverbod of contactverbod voor de dader, of gebruik van

een AWARE-veiligheidsvoorziening door de aanvrager van de urgentie en dit niet tot een oplossing heeft geleid; d. In geval van geweld of bedreiging door een ander dan een ex-partner of huisgenoot, dient de aanvrager een verklaring van de politie te overhandigen waaruit blijkt dat de aanvrager uit veiligheidsredenen niet langer in de eigen woning kan verblijven, ook niet na een opgelegd of eventueel op te leggen straatverbod of contactverbod. Bij een verbroken relatie of echtscheiding is artikel 14 van toepassing. Artikel 14. Aanvullende voorwaarden scheiding en verbroken partnerschap Indien scheiding of verbroken partnerschap de achterliggende oorzaak is achter de aanvraag van urgentie, gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. aangetoond moet worden dat het partnerschap en de duurzaam gemeenschappelijk gevoerde huishouding is geëindigd; b. bij echtscheiding moet een bij de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerde echtscheidingsbeschikking worden ingediend en in het geval van kinderen dient hieruit te blijken dat de zorg en verblijf van de kinderen is toegewezen aan de aanvrager; c. bij een verbroken relatie zonder echtscheiding moet een ouderschapsplan met door de gemeente of notaris gelegaliseerde handtekeningen van beide ouders worden ingediend, waaruit blijkt dat de zorg en verblijf van de kinderen is toegewezen aan de aanvrager; d.

de aanvraag moet binnen één jaar na datering van de echtscheidingsbeschikking worden ingediend; e. de echtscheidingsbeschikking moet aantonen dat er géén woning beschikbaar is voor de minderjarige kinderen; f. bij verbroken partnerschap en samenwoning, dient de aanvrager aan te tonen minimaal twee jaar te hebben samengewoond; g. de verbroken relatie is aangetoond doordat de aanvrager tenminste drie maanden niet meer geregistreerd staat op het samenwoonadres; h. bij samenwoning kan de urgentie worden aangevraagd tot één jaar na geregistreerd vertrek uit de gezamenlijke woning; i. het (tijdelijke inwoon-)adres van de aanvrager en diens kinderen moet overeenkomen met de gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP); j. de aanvrager gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zich als medehuurder te laten erkennen en heeft geprobeerd om op basis van het huurrecht de voormalige gezamenlijke woning op te eisen. Artikel 15. Stadsvernieuwing (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel c HVV) Degene die woonruimte nodig heeft in verband met de sloop, onderhoud of herstel van de huidige woning kan onder voorwaarden urgentie krijgen. Dit heet een stadsvernieuwingsurgentie. De stadsvernieuwingsurgentie is nader uitgewerkt in Hoofdstuk 2 De uitwerking in dit hoofdstuk is niet van toepassing op stadsvernieuwingsurgentie. Artikel 16. Zoekprofiel (artikel 2.10.3, tweede lid HVV) 1.

In het zoekprofiel wordt het type woonruimte en categorie van huurprijzen opgenomen waar de voorrang door urgentie op van toepassing is. 2. Als richtlijn voor het type woonruimte in het zoekprofiel gelden de passendheidlabels met bijbehorende categorieën woningzoekenden van artikel 2.8.1, tweede lid, van de HVV.

3. De categorie van huurprijzen wordt gebaseerd op de regelgeving passend toewijzen op inkomen, zoals bepaald in de Woningwet en het Besluit- en de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting (Btiv en Rtiv). 4. De personen waar in het zoekprofiel rekening mee wordt gehouden zijn, naast de aanvrager: - de partner met wie de aanvrager een huishouden vormt, en - eventuele minderjarige kinderen waarbij in het geval van echtscheiding of verbroken relatie de criteria van artikel 14 van toepassing zijn. 5. In het zoekprofiel van de urgentieverklaring wordt rekening gehouden met medische problematiek als dat noodzakelijk is volgens een advies van de GGD-arts. Het zoekprofiel van de urgentieverklaring geeft dan aan dat een laag gelegen woning of een woning bereikbaar met lift noodzakelijk is. Conform artikel 2.8.1 van de HVV sluit het zoekprofiel dan aan op woningen die geschikt zijn voor personen met medische problemen. Op DAK regio Amsterdam hebben deze woningen de omschrijving ‘voorrang voor WMO-verhuiskostenvergoeding, leeftijd 65+’. 6. Op basis van het zoekprofiel krijgt een urgent woningzoekende een eenmalig aanbod van een woningcorporatie. 7. Als een urgent woningzoekende een aangeboden woning weigert die voldoet aan het zoekprofiel, dan wordt de urgentieverklaring ingetrokken. 8.

De woningzoekende met een sociale of medische urgentie krijgt de mogelijkheid om één stadsdeel uit te sluiten. De corporaties bieden geen woningen aan in dat stadsdeel. 9. In uitzonderlijke sociale en persoonlijke omstandigheden kan het college bij de urgentieverlening vaststellen dat een kandidaat in een bepaald woongebied geplaatst moet worden. In die gevallen kan er meer dan één stadsdeel worden uitgesloten. Artikel 17. Speciale doelgroepen (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel f HVV) Deze urgentiecategorie is bedoeld voor speciale doelgroepen die door een gespecialiseerde tafel binnen de gemeente worden begeleid en door deze tafel aan burgemeester en wethouders kunnen worden voorgedragen voor urgentie. De doelgroepen betreffen personen die vallen binnen de aanpak voor Multiprobleemgezinnen, het beleid ten aanzien van dreigende ontruiming bij overlast (het Laatste Kanstraject, het Nieuwe Kanstraject en de Treiteraanpak), het Uitstapprogramma Prostitutie, het beleid voor slachtoffers van mensenhandel en het beleid voor personen die terugkeren na herstel in een revalidatiecentrum. Voor elke groep gelden eigen voorwaarden. Deze zijn hieronder per categorie uitgewerkt. Urgentieverlening onder opschortende voorwaarden Een deel van deze doelgroepen krijgt een urgentie onder opschortende voorwaarden.

Een besluit tot definitieve urgentieverlening wordt genomen zodra betrokkenen voldoen aan de afspraken die zijn gemaakt afhankelijk van de individuele omstandigheden en tenminste één jaar na afgifte van de urgentie onder opschortende voorwaarden. Bij de definitieve urgentieverlening wordt het huurcontract op naam van de instelling omgezet in een huurcontract op naam van betrokkene. Als de afspraken niet worden nagekomen dan wordt niet voldaan aan de opschortende voorwaarden van de urgentie. De urgentie wordt dan niet definitief en de woning kan worden ontruimd. Artikel 18. Multiprobleemgezinnen (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel f HVV) Deze urgentiecategorie is bedoeld voor gezinnen, met één of meerdere kinderen, die meervoudige complexe problemen hebben en waarbij verhuizen naar een (andere) woning kan helpen om tot een duurzame bestendige oplossing te komen om de situatie van het gezin te verbeteren. De gezinnen worden geholpen door de inzet van een MPG-aanpak. De procesmanager MPG die onderdeel uitmaakt van het doorbraakteam besluit of een gezin wordt voorgedragen voor de urgentie. De urgentie wordt verleend onder opschortende voorwaarden.

De volgende procedure wordt gevolgd: a. de procesmanager MPG besluit of een gezin wordt voorgedragen voor de urgentie onder opschortende voorwaarden; b. team indicaties van de directie Wonen van de gemeente Amsterdam toetst of voldaan is aan de urgentiecriteria en daarmee de urgentie kan worden verleend; c. met behulp van de urgentie krijgen de gezinnen een eenmalige aanbieding voor een woning; d. bij aanvang komt het contract op naam van de zorgaanbieder; e. bij aanvang wordt ook een integraal plan voor het gezin gemaakt en met het gezin afgesproken. Hierin is de begeleiding uitgewerkt en hierin staat welke gepersonaliseerde doelen het gezin moet behalen om een huurcontract op eigen naam te krijgen; f. als het gezin de afspraken in het integraal plan niet nakomt dan wordt de woning ontruimd en wordt de urgentie niet definitief. Artikel 19. Beleid ten aanzien van dreigende ontruiming bij overlast (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel f HVV) 19.1 Laatste- en Nieuwe Kanstraject Veroorzakers van extreme (buren)overlast kunnen door een ontruimingsprocedure dakloos worden. Als onderdeel van het gemeentelijk preventiebeleid kunnen zij onder strikte voorwaarden nog eenmaal (als laatste kans) een andere woning aangeboden krijgen. Bij het Laatste Kanstraject wordt een woning aangeboden aan de betrokkene na een ontruimingsvonnis van de rechter.

Bij het Nieuwe Kanstraject biedt de corporatie in geval van langdurige overlast de huurder een nieuwe woning aan ter voorkoming van een ontruimingsprocedure via de rechtbank. Als de huurovereenkomst daarbij wordt beëindigd met wederzijds goedvinden, krijgt de huurder een vervangende woning. De aanpak is verder gelijk aan het Laatste Kanstraject. Het Laatste Kanstraject en het Nieuwe Kanstraject worden uitgevoerd door de GGD en de directie Wonen in samenwerking met de Meldpunten Zorg en Woonoverlast, zorgaanbieders en de woningcorporaties. Het Laatste Kanstraject en het Nieuwe Kanstraject worden voornamelijk ingezet voor alleenstaanden en stellen zonder kinderen met psychiatrische en/of verslavingsproblematiek. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. in aanmerking komen personen van wie het Groot Overleg Bestrijding Extreme Overlast verwacht dat zij met begeleiding in de nieuwe woonsituatie geen extreme overlast meer zullen veroorzaken, er is een Einde Interventieverklaring afgegeven en een Laatste Kans of Nieuwe Kans voorgesteld; b. er is een ontbindingsvonnis van het bestaande huurcontract (bij het Laatste Kanstraject) of de huurovereenkomst is beëindigd met wederzijds goedvinden (bij het Nieuwe Kanstraject); c. inkomen, schulden (incl. inkomensbeheer), dagbesteding, begeleiding en/of behandeling zijn geregeld; d.

de betrokkene gaat schriftelijk akkoord met de afspraken die horen bij het Laatste Kanstraject of het Nieuwe Kanstraject. De volgende procedure wordt gevolgd: a. de betrokkene krijgt een urgentie onder opschortende voorwaarden; b. de betrokkene krijgt een eenmalige aanbieding van een woning; c. het huurcontract van de woning komt minimaal een jaar op naam van de zorgaanbieder, die ook de begeleiding verzorgt; d. een casemanager van de GGD ziet er op toe dat de afspraken worden nagekomen;

e. als de betrokkene zich houdt aan de afspraken en niet opnieuw overlast veroorzaakt wordt het huurcontract na minimaal een jaar overgezet op naam van de bewoner en wordt het Laatste Kanstraject of Nieuwe Kanstraject beëindigd; f. als de betrokkene zich niet aan de afspraken houdt of opnieuw overlast veroorzaakt kan de zorgaanbieder of de verhuurder ontruiming van de woning bij de kantonrechter vorderen; g. de eerste drie jaar na ontruiming komt de betrokkene niet in aanmerking voor urgentie voor een sociale huurwoning. 19.2 Treiteraanpak De Amsterdamse treiteraanpak is bedoeld om ernstige woonoverlast aan te pakken. Namens de gemeente Amsterdam nemen de stadsdeelregisseurs het initiatief bij de aanpak van individuele treitersituaties. Er kan worden opgeschaald naar een multidisciplinair interventieteam. Aan daders en of slachtoffers kan een vervangende woning worden aangeboden, daarbij gelden de volgende voorwaarden: a. er is bij herhaling sprake van overlast in de woonomgeving in combinatie met ernstige bedreigingen van personen en/of vernielingen van eigendommen; b. de vermoedelijke dader is een direct omwonende; c. het slachtofferschap is onbetwist. De volgende procedure wordt gevolgd: a. de betrokkene krijgt een urgentie onder opschortende voorwaarden; b.

de gemeente Amsterdam zoekt samen met de woningcorporaties naar een andere woning voor de betrokkene in een ander stadsdeel dan waar de overlast plaatsvond; c. de betrokkene krijgt een eenmalige aanbieding van een woning; d. de betrokkene gaat schriftelijk akkoord met de afspraken die horen bij de treiteraanpak; e. het huurcontract van de woning komt twee jaar op naam van het Leger des Heils; f. Restart begeleidt de betrokkene in de nieuwe woonomgeving; g. als de betrokkene zich houdt aan de afspraken die in de overeenkomst zijn opgenomen, dan kan na minimaal een jaar het huurcontract op naam van de betrokkene worden overgezet; h. als de betrokkene zich niet aan de afspraken houdt, dan kan tot ontruiming worden overgegaan; i. de eerste drie jaar na ontruiming komt de betrokkene niet in aanmerking voor urgentie voor een sociale huurwoning. Artikel 20. Uitstapprogramma prostitutie (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel f HVV) De gemeente Amsterdam heeft in 2012 het uitstapprogramma voor prostituees verbeterd, onder meer wat betreft huisvesting. De directie Wonen heeft in samenwerking met de GGD en HVOQuerido (P&G292) twee routes naar huisvesting ingesteld voor vrouwen die geen eigen woning hebben: één voor vrouwen met OGGZ-problematiek en één voor vrouwen zonder OGGZproblematiek.

Huisvesting is een voorwaarde voor het bieden van zorg en begeleiding om de zelfstandigheid van de betrokkene te ondersteunen. 1. Met OGGZ-problematiek De aanmelding van uittredende prostituees wordt gedaan door P&G292 bij de Instroomtafel Volwassenen voor plaatsing in de Maatschappelijke Opvang of in Begeleid Wonen. Verder gelden de volgende voorwaarden:

a. op het moment van aanmelden woont de betrokkene en diens huishouden minimaal twee jaar gedurende de drie jaar direct voorafgaand aan de aanmelding in Amsterdam; b. een betrokkene, die wordt geplaatst in Begeleid Wonen, moet naast aan de instroomcriteria ook voldoen aan de criteria van de Omslagroute. De volgende procedure wordt gevolgd: i. de betrokkene krijgt een urgentie onder opschortende voorwaarden; ii. de betrokkene krijgt een eenmalige aanbieding van een woning via de Veldtafel MO Volwassenen; iii. het huurcontract van de woning komt voor minimaal een jaar op naam van HVO-Querido; iv. de betrokkene wordt begeleid door P&G292 van HVO-Querido; v. zodra de cliënt voldoet aan de gestelde doelen van het hulpverleningstraject en psychisch, sociaal en financieel in staat is om zelfstandig te wonen, wordt deze voorgedragen voor de “omklap” van het huurcontract naar een huurcontract op eigen naam. 2. Zonder OGGZ-problematiek De aanmelding van uittredende prostituees wordt gedaan door P&G292 bij de Instroomtafel Volwassenen voor tijdelijke plaatsing in één van de drie woningen die HVO-Querido permanent huurt voor de opvang van prostituees die gebruik maken van het uitstapprogramma. Tevens gelden de volgende voorwaarden: a. op het moment van aanmelden woont de betrokkene minimaal twee jaar gedurende de drie jaar direct voorafgaand aan de aanmelding in Amsterdam; b.

stabiele leefgebieden: woonvaardigheden, financiën, dagbesteding en zorg/begeleiding; c. er is een regulier inkomen en de schulden zijn geregeld; d. inschrijving bij DAK regio Amsterdam. De volgende procedure wordt gevolgd: i. de betrokkene verblijft niet langer dan ongeveer een jaar in de woning die HVO/Querido verhuurt; ii. daarna draagt P&G292 de betrokkene voor bij het team Indicaties van de directie Wonen voor de eenmalige aanbieding van een woning. Artikel 21. Slachtoffers van mensenhandel (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel f HVV) Slachtoffers van mensenhandel kunnen een tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden krijgen als ze aangifte doen tegen de mensenhandelaar en meewerken aan het strafrechtelijk onderzoek. Daarbij worden ze eerst in de Maatschappelijke Opvang geplaatst. Vervolgens kunnen ze met voorrang uitstromen naar een woning via het initiatief ‘Doorstroomwoningen’ van de Stadsregio Amsterdam, het Amsterdams Coördinatiepunt Mensenhandel (ACM), HVO-Querido en de gemeente Amsterdam. Er wordt een urgentieverklaring verleend onder opschortende voorwaarden. Daarbij geldt de volgende procedure: a.

slachtoffers met een verblijfsvergunning “humanitair tijdelijk”(voorheen B-9 vergunning) worden per tweetal geplaatst in een tijdelijke woning voor de duur van de verblijfsvergunning in Amstelveen, Haarlemmermeer, Purmerend of Zaanstad (niet in Amsterdam); b. de onder a) genoemde woningen worden gehuurd door HVO-Querido; c. slachtoffers met een vergunning ‘humanitair niet tijdelijk’ van vijf jaar of meer kunnen doorstromen naar een zelfstandige woning met contract op eigen naam. Artikel 22. Huisvesting na revalidatie (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel f HVV)

Volwassenen kunnen voorrang krijgen op een sociale huurwoning in het kader van de ‘verkeerde beddenproblematiek’ (op grond van medische of sociale redenen). Hierbij gaat het om tijdelijk verblijf in een intramurale instelling en de onmogelijkheid om na revalidatie terug te keren naar de eigen woning in Amsterdam. De snelle toewijzing van een andere woning is nodig om een dure intramurale plek vrij te maken. De instelling geeft bij de directie Wonen aan dat er sprake is van de verkeerde beddenproblematiek. Bij deze urgentie gelden de volgende voorwaarden: a. de aanvrager is minimaal 18 jaar oud; b. de aanvrager is in het bezit van een functiegerichte zorgindicatie (niet: hulp bij het huishouden); en c. er zijn geen aanvullende voorwaarden voor gezinssamenstelling, inkomen en binding aan Amsterdam. De aanvrager wordt door de directie Wonen via directe bemiddeling begeleid naar een woning (bijvoorbeeld wibo of seniorenwoning). Artikel 23. Economisch daklozen (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel h HVV) Deze urgentiecategorie is bedoeld voor economisch daklozen die door een zorgcoördinator vanuit HVO Querido of maatschappelijk werker uit het Stedelijk Team Economisch Daklozen van De Regenboog Groep worden voorgedragen voor urgentie.

Het betreft personen die geen toegang hebben tot de Maatschappelijk Opvang / Beschermd Wonen (MO/BW), maar ook na het aanbod in de keten van economisch daklozen van tijdelijk wonen en ondersteuning onvoldoende stappen kunnen zetten in de richting van een duurzame woonplek, oplossing van schulden, vinden van werk, herstellen van netwerk en financiële rust wegens het ontbreken van een stabiele woonsituatie in combinatie met een kwetsbaar profiel. De aanvraag wordt beoordeeld op basis van de algemene weigeringsgronden uit artikel 2.10.5 van de HVV. In het geval van de weigeringsgronden c en e uit artikel 2.10.5, eerste lid, kan het college beslissen de urgentieaanvraag op deze gronden te weigeren. Daarnaast dient de aanvrager te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. Aanvrager is op moment van de urgentieaanvraag in het afgelopen jaar door de Centrale Toegang zelfredzaam verklaard; b. Aanvrager is minimaal een half jaar cliënt bij het Stedelijk Team Economisch Daklozen van De Regenboog Groep of minimaal een half jaar bewoner van het Passantenhotel of een van de pensions van HVO Querido; c.

Aanvrager wordt voorgedragen door een zorgcoördinator vanuit HVO Querido of maatschappelijk werker uit het Stedelijk Team Economisch Daklozen van De Regenboog Groep voor een urgentie vanwege de constatering dat iemand niet vooruitgeholpen kan worden met het tijdelijke woonaanbod in de richting van een duurzame woonplek, oplossing van schulden, vinden van werk, herstellen van netwerk en financiële rust en overeenkomst vertoont met een of een combinatie van de volgende profielen: i. Laag IQ, maar komt niet in aanmerking voor Beschermd Wonen, of is licht verstandelijk beperkt. Er is aantoonbaar behoefte aan tijdelijke ondersteuning richting zelfredzaamheid en participatie. Verhuizen naar buiten de stad leidt hoogstwaarschijnlijk tot afglijden of extreem risico op vereenzaming; ii. Onbehandelde trauma’s en/of angststoornis. Psychologische behandeling is onmogelijk door instabiele woonsituatie en kunnen vanwege trauma’s/angsten niet samenwonen met een onbekende, waardoor het aanbod Tijdelijk Wonen niet passend is of averechts uitpakt. Er is sprake van sterke afhankelijkheid van een klein steunend netwerk in Amsterdam; of

iii.

Gediagnosticeerde persoonlijkheidsproblematiek waardoor iemand weinig sociale vaardigheden heeft en niet groepsgeschikt is. Om dezelfde reden is het niet mogelijk om ergens buiten de stad een nieuwe start te maken. d. Aanvrager accepteert begeleiding van minimaal zes maanden na het verkrijgen van de woning. Artikel 24. Doelgroep Actiecentrum Veiligheid en Zorg (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel i HVV) Deze urgentiecategorie is bedoeld voor personen die door het Actiecentrum Veiligheid en Zorg worden voorgedragen voor een urgentieverklaring. Het betreft personen die bij het Actiecentrum Veiligheid en Zorg in een persoonsgerichte aanpak zijn opgenomen en voor wie een eigen woning met begeleiding cruciaal is om de doelstellingen van het persoonlijke Plan van Aanpak te bereiken (waaronder te stoppen met crimineel handelen en het vergroten van iemands toekomstperspectief). De personen hebben geen toegang tot de MO/BW. De aanvrager dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. Aanvrager is in regie bij het Actiecentrum Veiligheid en Zorg; b. Aanvrager is op moment van de urgentieaanvraag in het afgelopen jaar door het Actiecentrum Veiligheid en Zorg zelfredzaam verklaard; c. Aanvrager wordt voorgedragen door het Actiecentrum Veiligheid en Zorg voor een urgentie vanwege de constatering dat een woning kan bijdragen aan positieve gedragsverandering; d.

Aanvrager heeft afstand genomen van criminele activiteiten en er zijn geen aanwijzingen dat aanvrager gedetineerd raakt; e. Aanvrager toont aan dat: i. hij blijkens diens inschrijving in de Basisregistratie Personen ten minste vier jaar onafgebroken in de gemeente woont waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd; of ii. een duurzame relatie heeft met een zorgverlener of (GZZ) zorgaanbieder in Amsterdam of regisseur van het Actiecentrum Veiligheid en Zorg; of iii. zorg nodig heeft die in Amsterdam beschikbaar is en niet wordt aangeboden in de regio waar de aanvrager binding mee heeft; of, iv. in Amsterdam een duurzaam sociaal netwerk heeft met een aantoonbare essentiële invloed op een succesvol traject. Omslagroute De urgentie wordt onder opschortende voorwaarden verleend: ´de Omslagroute´. Het Actiecentrum Veiligheid en Zorg draagt de personen voor die geschikt worden geacht om zelfstandig in een woning hulpverlening te krijgen. Een zorginstelling huurt aanvankelijk de woning en verleent daar de zorg aan de persoon. De zorginstelling en persoon ondertekenen een persoonlijk begeleidingsplan, met daarin ook de doelstellingen van de persoonsgerichte aanpak van het Actiecentrum Veiligheid en Zorg.

Zodra de persoon voldoet aan de gestelde doelen in het persoonlijk begeleidingsplan, passende zinvolle dagbesteding heeft en psychisch, sociaal en financieel in staat is om zelfstandig te wonen, wordt deze voorgedragen voor de ‘omklap’ van het huurcontract naar een huurcontract op eigen naam. Als blijkt dat het persoonlijk begeleidingsplan niet kan worden volbracht en een herijking van perspectief nodig is kan de urgentie die onder opschortende voorwaarden is verleend worden ingetrokken. Weigeringsgronden Op deze urgentie zijn de algemene weigeringsgronden van artikel 2.10.5, eerste lid, onderdelen a, g, h en j, HVV van toepassing, wat betekent dat de aanvrager: tenminste 18 jaar moet zijn, legaal in Nederland moet verblijven, geen urgentieverklaring moet hebben die minder dan twee jaar

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14445527/1