CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4. H-buurt Midden_Toelichting.pdf

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan H-buurt Midden (VN2024-007553)30.082 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Voorkeursgrenswaarde (dB)

Maximaal toelaatbare hogere waarde dan voorkeursgrenswaarde (dB) Binnenstedelijk

Buitenstedelijk

Woning

48 dB (art. 82, lid 1 Wgh

63 dB (art. 83, lid 2 53 dB Wgh)

Onderwijsgebouw

48 dB (art. 3.1, lid 1 Bgh)

63 dB (art. 3.2, lid 2, sub b Bgh)

53 dB

Ziekenhuizen en verpleeghuizen

48 dB (art. 3.1, lid 1 Bgh)

63 dB (art. 3.2, lid 2, sub b Bgh)

53 dB

Bij AMvB aangewezen ander gezondheidsgebouwen

48 dB (art. 3.1, lid 1 Bgh)

53 dB (art. 3.2, lid 1, onder c Bgh)

53 dB

Geluidhindernormen wegverkeer bij nieuwbouw

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 67

Naast bovengenoemde buitenwaarden zijn er in de Wet geluidhinder tevens maxima gesteld aan binnenwaarden (maximaal 33 d(B)). Toetsing daaraan vindt plaats in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. 7.2.1.2 Spoorweggeluid Op grond van artikel 106b van de Wet geluidhinder bevinden zich van rechtswege langs alle spoorwegen geluidzones waarbinnen de geluidbelasting vanwege de spoorweg aan het gestelde in de Wet dient te worden getoetst. Type Geluidsgevoelig gebouw

Voorkeurs grenswaarde [dB]

Maximaal toelaatbare hogere waarde dan de voorkeursgrensaarde [dB] Binnenstedelijk

Buitenstedelijk

Woning

55 dB art. 106 d, lid 1 Wgh

68 dB art. 106 d, lid 2 Wgh

Onderwijsgebouwen

53 dB 68 art. 106 d, lid 6, onder a Wgh art. 106 d, lid 6 Wgh

Ziekenhuizen en verpleeghuizen b

53 dB 68 art. 106 d, lid 6, onder a Wgh art. 106 d, lid 6 Wgh

Bij AMvB aangewezen andere gezondheidszorggebouwen c

53 dB 68 art. 106 d, lid 6, onder a Wgh art. 106 d, lid 6 Wgh

Geluidshindernormen railverkeerslawaai bij nieuwbouw Lden 7.2.1.3 Industriegeluid Op grond van de Wet geluidhinder moet een geluidzone worden vastgesteld rond industrieterreinen waar inrichtingen zijn gevestigd die "in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken". Dit zijn inrichtingen als aangewezen in bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Stb. 2010, nr. 143) , de zogenaamde "grote lawaaimakers". Dergelijke inrichtingen worden geacht zoveel lawaai te (kunnen) veroorzaken, dat de wijde omgeving ervan zeer zwaar belast wordt. 7.2.2

Amsterdams Geluidbeleid 2016. Hogere waarde Wet geluidhinder.

Het Amsterdams geluidbeleid wordt toegepast bij de ontwikkeling van woningen en andere geluidgevoelige objecten op locaties met een hoge(re) geluidbelasting. Naar aanleiding van een wijziging in de Wet geluidhinder is het Amsterdams beleid 'Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder' vastgesteld in 2007. Naast dat beleid worden in de uitvoeringspraktijk verschillende regels en afspraken 1 toegepast. Gebleken is dat het beleid en de uitvoeringsafspraken niet altijd voldoende duidelijk waren, zodat er discussie kon ontstaan over de interpretatie van regelgeving. Daarnaast bood het beleid niet (expliciet) de mogelijkheid om rekening te houden met situaties die niet strikt in het beleid passen maar wel kunnen voldoen aan de doelstelling van het beleid, namelijk het realiseren van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op 5 maart 2019 heeft het college van B&W het geluidbeleid gewijzigd vastgesteld. Stille zijde

Gemeente Amsterdam

blz. 68

Uitgangspunt van het Amsterdams geluidbeleid is dus dat iedere woning een stille zijde heeft. Dit uitgangspunt geldt alleen voor een woonfunctie, niet voor andere functies. Een stille of geluidluwe zijde (de termen zijn synoniem) is een (deel van een) gevel waar de geluidbelasting gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) of lager. Woningen waarvoor hogere waarden worden vastgesteld dienen in principe te beschikken over een stille zijde. Van dit principe mag slechts worden afgeweken als het realiseren van een stille zijde overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (criteria opgenomen in artikel 110a, vijfde lid, Wgh). Een woning die moet worden uitgevoerd met een dove gevel (kort gezegd, een gevel zonder te openen ramen en deuren) dient te allen tijde te zijn voorzien van een stille zijde (behoudens uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld in een tijdelijke situatie). In het beleid zijn mogelijke maatregelen (maatregelen aan de bron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen bij de ontvanger) beschreven die kunnen worden genomen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te bereiken. Deze maatregelen zijn niet uitputtend bedoeld. Andere oplossingen zijn mogelijk mits aangetoond wordt dat het doel, rustig slapen met open raam, wordt behaald.

Bevoegdheid Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Voor zover een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde (tot ten hoogste de maximaal toegestane ontheffingswaarde) hoort bij een ruimtelijk besluit waar de bevoegdheid gemandateerd is aan het Dagelijks Bestuur ligt ook de bevoegdheid tot vaststellen van hogere waarden bij het Dagelijks Bestuur. Voordat hogere waarden worden vastgesteld is het conceptbesluit hogere waarden ter advisering voorgelegd aan het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluid Amsterdam (TAVGA). Het advies van het TAVGA wordt betrokken bij de besluitvorming en genoemd in het besluit. Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarde vaststellen als de gecumuleerde geluidbelastingen (na correctie volgens de Wgh) niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidbelasting. De wet geeft geen maximale waarde bij cumulatie van geluidbelastingen. Er treedt een onaanvaardbare geluidbelasting op als de gecumuleerde waarde meer dan 3 dB hoger is dan de hoogste van de maximaal toegestane ontheffingswaarden; 3 dB komt overeen met een verhoging van de geluidbelasting die als significant hoger wordt ervaren. In die gevallen kan of niet gebouwd worden of er worden oplossingen gezocht met dove gevels. Naar verwachting is dit een situatie die zich in de praktijk zelden zal voordoen.

7.3

Plangebied

Binnen het plangebied worden geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Daarom is onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (bijlage 2). 7.3.1

Wegverkeerslawaai

Het plangebied ligt binnen de wettelijke onderzoekszones van de volgende wegen: 1. A9 (buitenstedelijk, 80 km/uur) 2. Karspeldreef (binnenstedelijk, 50 km/uur) 3. Foppinggadreef (binnenstedelijk, 50 km/uur ) bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 69

4. Huntumdreef (binnenstedelijk, 50 km/uur ) 5. Heesterveld / Hakfort / Huigenbos (binnenstedelijk, 30 km/uur) Voor binnenstedelijke wegen geldt een maximale ontheffingswaarde van 63 dB en voor buitenstedelijke wegen geldt een maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Gezien de ligging binnen een aantal wettelijke onderzoekszones is er een verplichting tot het doen van akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai. Dit onderzoek is in bijlage 2 toegevoegd. In onderstaande tabel zijn de maximaal optredende geluidbelastingen voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en metrolawaai opgenomen. Daar waar er een overschrijding van de voorkeurswaarde plaats vindt, is deze geel gemarkeerd.

Maximale optredende gevelbelastingen voor wegverkeers- en spoorweglawaai Uit de tabel blijkt dat op een aantal plekken de voorkeurswaarde wordt overschreden. Ook het geluid van de wegen Heesterveld, Hakfort en Huigenbos (met een snelheidsregime van 30 km/uur) overschrijden de voorkeursgrenswaarde (48 dB) op bepaalde delen van blok A en B. Voor deze wegen kunnen geen hogere waarden worden vastgesteld. 7.3.2

Spoorweglawaai en metro

Spoorweg Het spoortracé Amsterdam-Utrecht is het meest nabijgelegen spoortracé. De zonebreedte langs een spoorweg wordt conform het Besluit geluidhinder bepaald door de waarden van de geluidproductieplafonds. De zonebreedte langs het spoor bedraagt 600 meter. De voorkeurswaarde voor spoorweglawaai is 55 dB en de maximale ontheffingswaarde is 68 dB.

Gemeente Amsterdam

blz. 70

Blok A van het project ligt op een afstand van circa 135 m van het spoor. De afstand tot blok C is circa 450 meter. Het gehele plangebied ligt daarmee binnen de wettelijke onderzoekszone van het spoor. Spoorweglawaai is daarom ook onderzocht (bijlage 2). Metro De zonebreedte van metrotraject 617 (metrolijn 50, Isolatorweg - Gein, en metrolijn 54, Centraal station Gein) bedraagt 100 meter op basis van de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder. Het plangebied ligt buiten deze zone. De maximale ontheffingswaarde voor de metro is 63 dB. 7.3.3

Industrielawaai

De planlocatie is niet gelegen binnen de geluidzone rond een industrieterrein. Industrielawaai hoeft niet onderzocht te worden. 7.3.4

Cumulatie

Conform het gemeentelijk geluidbeleid is er sprake van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan de hoogste van de maximaal toelaatbare ontheffingswaarden (63 dB voor wegverkeerslawaai, 68 dB voor spoorweglawaai). Voor het wegverkeer wordt de aftrek ingevolge artikel 110g van de Wgh bij deze berekening niet toegepast. De grenswaarden voor gecumuleerde geluidbelastingen zijn dan als volgt: LVL,CUM: 66 dB (63 + 3 dB). LRL,CUM : 71 dB (68 + 3 dB).

7.4

Conclusie

Blok A Uit onderzoek blijkt dat: de geluidsbelasting van de Karspeldreef, de Foppingadreef en het spoortraject boven de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh ligt (58, 51 en 62 dB); de maximale ontheffingswaarden worden niet overschreden. Dit betekent dat deze geluidsbronnen relevant zijn voor de berekening van de cumulatieve geluidsbelasting; de geluidsbelasting van de Heesterveld, Hakfort en Huigenbos, alle wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur, maximaal 55 dB is (na aftrek). De voorkeursgrenswaarde (48 dB) zoals deze voor gezoneerde wegen geldt wordt met maximaal 7 dB overschreden (Hakfort). Voor deze wegen kunnen geen hogere waarden worden vastgesteld; de LVL,CUM maximaal 64 dB bedraagt en voldoet aan het Amsterdams beleid. Blok B Uit onderzoek blijkt dat: de geluidsbelasting van de Karspeldreef en Huntumdreef boven de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh ligt (58 en 50 dB); de maximaal optredende geluidbelasting vanwege de A9, metrolijn 50 en 54 lager is dan 48 dB; de maximaal optredende geluidbelasting vanwege het spoortraject lager is dan 55 dB; de geluidsbelasting van de Heesterveld, Hakfort en Huigenbos, allen wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur, maximaal 54 dB is (na aftrek). De voorkeursgrenswaarde (48 dB) zoals deze voor gezoneerde wegen geldt wordt met maximaal 6 dB overschreden (Hakfort). Voor bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 71

deze wegen kunnen geen hogere waarden worden vastgesteld; cumulatie (LVL,CUM) niet van toepassing is voor blok B. Blok C Uit onderzoek blijkt dat: de geluidsbelasting van de Karspeldreef en Huntumdreef boven de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh ligt (58 en 59 dB); de maximaal optredende geluidbelasting vanwege de A9, metrolijn 50 en 54 lager is dan 48 dB; de maximaal optredende geluidbelasting vanwege het spoortraject lager is dan 55 dB; de geluidsbelasting van de Heesterveld, Hakfort en Huigenbos, allen wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur, maximaal 48 dB is (na aftrek); de LVL,CUM maximaal 65 dB bedraagt en voldoet aan het Amsterdams beleid. Het bevoegd gezag kan hogere waarden vaststellen wanneer is vastgesteld dat maatregelen onvoldoende doelmatig zijn. Daartoe eist de Wet geluidhinder de volgende onderzoeken: Allereerst dient te worden nagegaan welke maatregelen noodzakelijk zijn om de geluidbelasting te reduceren tot maximaal de voorkeursgrenswaarde. Tevens dient beoordeeld te worden of deze maatregelen al dan niet doelmatig zijn. Indien deze maatregelen niet doelmatig zijn, dient te worden nagegaan welke maatregelen wel doelmatig zijn om de geluidbelasting zo ver mogelijk te reduceren. Voor de geluidbelastingen boven de voorkeursgrenswaarden kunnen dan hogere waarden worden aangevraagd.

Indien er geen maatregelen denkbaar zijn die als doelmatig kunnen worden aangemerkt kunnen hogere waarden worden aangevraagd voor de geluidbelastingen zonder maatregelen. Ten behoeve van de motivering voor de vaststelling van hogere waarden is het effect van bron - en overdrachts-maatregelen inzichtelijk gemaakt. Andere maatregelen om de gevelbelastingen terug te dringen naar 48 dB zijn niet mogelijk: deze zijn of financieel niet rendabel of stedenbouwkundig niet gewenst. Maatregelen aan de bron (wegverkeerslawaai) Als gevolg van de Karspeldreef wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden met maximaal 10 dB, vanwege de Foppingadreef met maximaal 2 dB en vanwege de Huntumdreef met maximaal 11 dB. Op alle drie de wegen is standaard asfalt (asfalt (ref. wegdek) aanwezig. Het toepassen van dunne deklagen B over een effectieve lengte kan de geluidbelasting op de gevel tot ca. 3 dB reduceren. Dit betekent dat alleen op de gevels vanwege de Foppingalaan geheel voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de Karspeldreef en Huntumdreef kan niet geheel worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Maatregelen in overdrachtsgebied (wegverkeerslawaai) Het toepassen van geluidschermen langs de Karspeldreef en Huntumdreef kan bij de lager gelegen verdiepingen van het plan een positief effect hebben.

Echter, om ook op de hoger gelegen verdiepingen een voldoende grote reductie te bereiken zijn hoge geluidschermen noodzakelijk. Deze zullen zowel op grote stedenbouwkundige als financiële bezwaren stuiten en zijn daarom niet nader onderzocht. Maatregelen spoorweglawaai Als gevolg van het spoortraject Utrecht-Amsterdam Centraal wordt de voorkeursgrenswaarde op alleen blok A met maximaal 7 dB overschreden. Langs het spoortraject is aan de zijde van het plan volgens het geluidregister van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (bijgewerkt 27 januari 2021) reeds een Gemeente Amsterdam

blz. 72

geluidscherm met een hoogte van ca. 4 m aanwezig. Aangezien het spoortraject Rijksinfrastructuur betreft, kunnen voor het plangebied op het gebied van maatregelen op of aan het spoor geen eisen worden gesteld tenzij hierover bestuurlijke overeenstemming wordt bereikt. Geconcludeerd wordt dat aanvullende geluidsreducerende maatregelen aan de bron of in de overdracht reeds aanwezig zijn, dan wel bezwaren ontmoeten van civieltechnische, verkeerskundige, vervoerskundige en stedenbouwkundige aard. Omdat vanwege de Karspeldreef, Foppingadreef, Huntumdreef en het spoortraject Utrecht-Amsterdam Centraal sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is het noodzakelijk om in het kader van een planologische procedure hogere waarden voor de woningen vast te stellen. De gemeente kan enkel een hogere waarde vaststellen als er een aanvaardbaar akoestisch klimaat wordt gerealiseerd en per woning wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden uit gemeentelijk beleid waaronder de aanwezigheid van een geluidluwe zijde. Geadviseerd wordt om het woningontwerp af te stemmen op het omgevingsgeluid door per woning één zijde te laten grenzen aan de reeds op voorhand aanwezige geluidluwe gevels in het plan. Hiermee wordt rechtstreeks voldaan aan het gemeentelijk beleid. Uit het onderzoek blijkt dat dit uitvoerbaar is.

Geadviseerd wordt om voor de woningen de volgende hogere waarden vast te stellen: Geluid van Karspeldreef: 58 dB. Geluid van Huntumdreef: 59 dB. Geluid van Foppingadreef: 51 dB. Geluid van spoor: 62 dB. Het ontwerpbesluit voor het vaststellen van de hogere waarden is als bijlage 3 toegevoegd. Op 15 juli 2021 heeft de TAVGA het plan besproken (bijlage 4). Met inachtneming van het volgende, is TAVGA akkoord: a. Het plan voldoet aan de Wgh en het Amsterdamse geluidbeleid; b. De verplichte stille zijde wordt opgenomen in de planregels van het bestemmingsplan; c. Alle woningen worden voorzien van een stille zijde, bij voorkeur de slaapkamer en de buitenruimte aan de stille zijde situeren; d. Indien nodig wordt ook voor geluid van 30 km wegen maatregelen geborgd voor een stille zijde. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee geregeld wordt dat de woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld pas in gebruik genomen mogen worden nadat aangetoond is dat er een 'geluidsluwe zijde' is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 73

Hoofdstuk 8 8.1

Luchtkwaliteit

Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn.

8.2

Beleid en regelgeving

8.2.1 Europese richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa Sinds mei 2008 is de nieuwe Europese richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa, van kracht. Deze nieuwe richtlijn vervangt de huidige EU-richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit, met uitzondering van de vierde dochterrichtlijn. De richtlijn heeft onder meer ten doel om bepaalde waarden vast te stellen teneinde schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu in zijn geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen, alsmede ervoor te zorgen dat de concentraties van de betreffende stoffen in de lidstaten op basis van gemeenschappelijke methoden en criteria worden beoordeeld. De richtlijn bevat onder meer grenswaarden, overschrijdingsmarges en alarmdrempels voor de verschillende stoffen. De richtlijn geeft lidstaten de mogelijkheid om later te voldoen aan grenswaarden voor PM10 en NO2 als de betreffende lidstaten voldoende inspanning laten zien om de luchtkwaliteit te verbeteren. Om voor deze derogatie in aanmerking te komen moeten de lidstaten een luchtkwaliteitsplan indienen bij de Europese Commissie. Met dit plan moet een lidstaat laten zien op welke manier alsnog, binnen de derogatietermijnen, aan de normen zal worden voldaan.

Nederland heeft om derogatie verzocht op basis van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Mede op grond van het NSL heeft de Europese Commissie op 7 april 2009 derogatie verleend en Nederland daarmee langer de tijd gegeven om overal aan de grenswaarden te voldoen. Dit betekent dat de norm voor stikstofdioxide uiterlijk 1 januari 2015 gehaald moet zijn en de norm voor fijnstof uiterlijk 11 juni 2011. In de richtlijn zijn verder nieuwe normen en streefdata geïntroduceerd voor de fijnere fractie van fijnstof (PM2.5). Verder bevat de richtlijn expliciet de mogelijkheid tot aftrek van fijnstof afkomstig van natuurlijke bronnen bij het vaststellen van overschrijdingssituaties. De werkingssfeer van de richtlijn wordt beperkt door te bepalen dat de richtlijn niet van toepassing is op plaatsen waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben. Hiermee samenhangend is de richtlijn (bijlage III) nu ook heel expliciet over locaties waar de luchtkwaliteit niet beoordeeld wordt. De lidstaten zijn ingevolge de richtlijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de grenswaarden worden nageleefd. Wanneer de concentraties hoger zijn dan de overschrijdingsmarges dient een plan of programma opgesteld en uitgevoerd te worden dat ertoe leidt dat binnen de daarvoor gestelde termijnen aan de grenswaarden wordt voldaan.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

8.2.2

Wet luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Ingevolge de wet is een specifiek op luchtkwaliteit betrekking hebbende titel 5.2 in de Wet milieubeheer (hierna: Wm) opgenomen. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate". Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; b. de luchtkwaliteit tengevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde (1,2 µg/m3 PM10 of NO2 en 0,75 µg/m3 PM2.5 jaargemiddeld); d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL).

(Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.)

Grenswaarden Wet luchtkwaliteit Regeling NIBM De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere het onderstaande geval, waarbij een luchtkwaliteitonderzoek niet meer nodig is: 1. woningbouw = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en 2. woningbouw = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Uit de NIBM-tool blijkt dat bij meer dan 1.280 motorvoertuigen per dag extra, in betekenende mate wordt bijgedragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In de overige gevallen, die niet in het Besluit NIBM genoemd worden, zal op een andere manier bijvoorbeeld door middel van berekeningen aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 75

Rekentool 'niet in betekenende mate' Om versnippering van 'in betekenende mate' (ibm) projecten in meerdere nibm-projecten te voorkomen is een anticumulatie-bepaling (artikel 5 Besluit NIBM) opgenomen. Deze heeft betrekking op aan elkaar grenzende of in elkaars directe nabijheid gelegen bedrijfslocaties, kantoorlocaties, woningbouwlocaties of locaties voor inrichtingen of infrastructuur die (samengevat) worden gerealiseerd die gebruik maken van dezelfde ontsluitingsinfrastructuur en die aan elkaar grenzen of in elkaars nabijheid zijn gelegen (tot maximum 1.000 meter). In het Besluit Nibm is het bepaald dat deze locaties als één locatie worden gezien. Dit is om te voorkomen dat grote projecten in kleine stukjes worden opgedeeld die allemaal onder de Nibm-regeling zouden kunnen vallen. Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007 Ook in het nieuwe wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit bestaat de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. De saldobenadering voor projecten is vastgelegd in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1 en 2, van de Wet milieubeheer.

Projecten in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden kunnen, evenals onder het voorheen geldende Besluit luchtkwaliteit 2005 doorgaan als de concentratie van een stof gelijk blijft of verbetert (sub 1, projectsaldering in enge zin) en ook als weliswaar de concentratie van een stof verder verslechtert, maar er per saldo, door de inzet van extra maatregelen of door het optreden van gunstige effecten elders, sprake is van een verbetering van de luchtkwaliteit (sub 2, projectsaldering in ruime zin). Net zoals onder het regime van het Besluit luchtkwaliteit 2005 gelden er belangrijke wettelijke voorwaarden waaraan met name bij de projectsaldering als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, dient te worden voldaan. 8.2.3

Besluit gevoelige bestemmingen

De AMvB is in januari 2009 in werking getreden. Met deze AMvB wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Deze AMvB vormt een aanvulling op het beginsel van een goede ruimtelijke ordening zoals verankerd in de Wet ruimtelijke ordening. De AMvB heeft niet tot doel om op voorhand elk risico af te dekken, maar om de meest nijpende situaties via een dwingende regeling te voorkomen. Tot de gevoelige bestemmingen behoren: scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat de AMvB is gericht op functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen, Gemeente Amsterdam

blz. 76

zijnde kinderen, ouderen en zieken. Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof; PM10 ) en/of voor stikstofdioxide (NO2 ). Ook tijdens de zogenoemde derogatieperiode blijven voor de toepassing van deze AMvB de oorspronkelijke (dus niet tijdelijk verhoogde) grenswaarden gelden van 40 µg/m3 jaargemiddeld voor PM10 en voor NO2 en 50 µg/m3 etmaalgemiddeld met maximaal 35 overschrijdingsdagen per jaar voor PM10. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw.

Eenmalig kan een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming worden toegestaan die leidt tot een toename van maximaal 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft; hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven. Gezien de aanzienlijke afstand van het plangebied tot rijks- en provinciale wegen, ruimschoots meer dan 300 meter is een expliciete toets aan normen uit de AMvB niet noodzakelijk. 8.2.4

Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam

Deze richtlijn, op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders, is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam. Het amendement houdt in dat “geen voorzieningen voor gevoelige groepen in nabijheid van plekken waar veel verkeer is” wordt vervangen door: “in het ruimtelijk ordeningsbeleid er meer rekening gehouden wordt dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst, of dat het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is” (Amendement C - Gemeenteblad afd. 1, nr. 148). Uitgangspunten zijn dat: 1. binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; 2. bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd.

Van de onder 1 en 2 genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren, dan is een advies van de GGD, afdeling Milieu en Gezondheid nodig. Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overige spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk: 'gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 77

gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis'. De richtlijn heeft, evenals bij het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen alleen betrekking op nieuwe situaties en bij een uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming, indien de toename eenmalig ten hoogste 10% van het aantal daar reeds verblijvende personen bedraagt.

8.3

Conclusie

In onderstaande tabel zijn de verschillende waarden van de luchtkwaliteit opgenomen. Hieruit blijkt dat de waarden ruim voldoen aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit. Geconstateerd wordt dat de bestaande luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Stof

2020

stikstofdioxide (NO2)

16 µg/m 3

fijn stof (PM10)

16 µg/m 3

fijn stof (PM2,5)

8 µg/m 3

Waarden luchtkwaliteit 2020 (https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten) De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de GGD hanteren voor PM10 en voor PM2,5 lagere waarden, namelijk 20 µg/m3 en 10 µg/m3. Beide waarden voldoen in 2019 reeds. De ontwikkeling draagt in 'niet betekenende mate bij' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ten opzichte van het huidige bestemmingsplan neemt het aantal woningen toe met 500; het aantal ligt ver onder de aantal van 1.500 woningen (met één ontsluitingsweg) conform de Wet luchtkwaliteit. Nader luchtkwaliteitsonderzoek is daarom niet nodig. Dat wordt bevestigd door de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling, zoals beschreven in paragraaf 6.4.3. Het aantal verkeersbewegingen neemt met 990 mtv/etmaal toe. Voorliggend bestemmingsplan voldoet ook aan de 'Richtlijn gevoelige bestemmingen'. Binnen 50 meter van de Karspeldreef en Huntumdreef (wegen met 10.000 mtv/etmaal of meer) worden (lucht-)gevoelige functies uitgesloten.

Gemeente Amsterdam

blz. 78

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 79

Hoofdstuk 9 9.1

Bodem

Algemeen

Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.

9.2

Beleid en regelgeving

9.2.1

Wet bodembescherming

De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: 1. een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht; 2. een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land. 9.2.2

Nota Bodembeheer. Gemeente Amsterdam

De gemeenteraad heeft op 6 november 2019 de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam vastgesteld. Deze zijn op 21 november 2019 in werking getreden. De nota is in opdracht van de gemeente Amsterdam opgesteld door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Deze (herziene) Nota bodembeheer biedt ruimte voor lokaal maatwerk en gebiedsspecifiek beleid. Daarin is het mogelijk regels aan te scherpen om de bodem in bepaalde situaties nog sterker te beschermen, of regels juist te versoepelen waar dat verantwoord is. Daarnaast behandelt de nota het nieuwe beleidskader voor bodemsaneringen en -onderzoek, waarbij de aanpak van diffuus bodemlood een prominente plek inneemt. Een initiatiefnemer die in de bodem gaat werken dient bekend te zijn met de kwaliteit van de grond, of deze aan te tonen met een bodemonderzoek. Het bodemonderzoek wordt afgestemd op de verwachte verontreinigingen en op de voorgenomen bestemming van een locatie. Het bodemonderzoek bestaat meestal uit twee delen: een vooronderzoek (archiefonderzoek) en een verkennend bodemonderzoek (veld- en analytisch-chemisch). Mocht het vooronderzoek een locatie als onverdacht typeren, dan kan een verkennend bodemonderzoek veelal achterwege blijven. Een bodemonderzoeksrapport voor een omgevingsvergunning is evenmin vereist als er al voldoende bodemgegevens beschikbaar zijn.

Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet in de meeste gevallen een bodemonderzoek worden ingediend op grond van artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. Er zijn enkele algemene uitzonderingen op deze onderzoeksplicht. Daarnaast biedt ook de Bouwverordening Amsterdam 2013 (artikelen 3.1.4, 3.1.5, 3.1.6 en 3.1.7) de mogelijkheid om ontheffing te verlenen van

Gemeente Amsterdam

blz. 80

de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. Een dergelijke ontheffing is alleen aan de orde als aan alle drie van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. uit de puntbronnencheck blijkt dat de onderzoekslocatie niet verdacht is (dus ook niet asbestverdacht); 2. de locatie valt binnen bodemkwaliteitszone 1 of 2 op de bodemkwaliteitskaart; 3. er worden met het plaatsen van het bouwwerk geen sanerende maatregelen doorsneden. Bodemkwaliteit plangebied De bodemkwaliteit in de meeste naoorlogse wijken van Amsterdam (gedefinieerd als zone 1) voldoet aan de Achtergrondwaarde (AW). Deze grond is in principe geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Daarom was het niet nodig om voor zone 1 gebiedsspecifiek beleid te ontwikkelen. In deze zone is de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag voor alle bodemfuncties dan ook Achtergrondwaarde, conform het generieke beleid.

Uitsnede Nota Bodembeheer

9.3

Resultaten onderzoeken

In juni 2019 is er een archiefonderzoek uitgevoerd naar de milieuhygiënische bodemkwaliteit (zie bijlage 5). Uit de geraadpleegde rapporten blijkt dat: 1. op de locatie voornamelijk lichte verontreinigingen voorkomen. Er is één sterke verontreiniging aangetroffen met minerale olie. Deze verontreiniging is voor zover bekend niet gesaneerd; 2. voor het overige het plangebied beschouwd wordt als 'onverdacht' gebied'; 3. er geen (ondergrondse) tanks op de locatie bekend zijn; 4. er verschillende asbestonderzoeken reeds zijn uitgevoerd, waarbij geen asbest is aangetroffen. Voor het verdachte gebied met waarschijnlijk een sterke verontreiniging met minerale olie die in 1997 midden in de locatie van H-midden is aangetroffen (bij het plein), hoeft op dit moment ook geen vervolgonderzoek te gebeuren. Het huidige asfalt dat nu aanwezig is geldt als 'sanerende maatregel'. Als het asfalt wordt verwijderd, is nader bodemonderzoek nodig. Voor het onverdachte gebied geldt dat, als er handelingen in de bodem worden verricht (zoals

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 81

ontgravingen) er een ontheffing van de onderzoeksplicht verstrekt kan worden op basis van dit archiefonderzoek. Ook in het kader van een aanvraag omgevingsvergunning is een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk.

Mogelijke verontreiniging (bron: Archiefonderzoek Bullewijkpad/Karspeldreef)

9.4

Conclusie

Ten behoeve van het vaststellen van dit bestemmingsplan is nader bodemonderzoek niet nodig. Op grond van het archiefonderzoek kan ontheffing van de onderzoeksplicht verkregen worden voor de niet verdachte gronden. Voor de plek met mogelijk sterke verontreiniging is nader onderzoek nodig, indien de huidige sanerende maatregel (het bestaande asfalt) verwijderd wordt.

Gemeente Amsterdam

blz. 82

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 83

Hoofdstuk 10 10.1

Cultuurhistorie en archeologie

Algemeen

Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een archeologische waarde hebben. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving waarvan het behoud of de ontsluiting op maat gesneden maatregelen vergt. Het archeologisch bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van onze stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Vanwege het ruimtelijke karakter van het bodemarchief vertoont het archeologisch beleid raakvlakken met dat van de ruimtelijke ordening. Door de invoering van de nieuwe Monumentenwet 1988 in september 2007 is archeologische zorg formeel geïntegreerd in de ruimtelijke ordening. Een essentieel uitgangspunt van de nieuwe wet is dat het erfgoed in de bodem beter wordt beschermd. Dit betekent dat bij ruimtelijke planontwikkeling vroegtijdig rekening wordt gehouden met archeologisch erfgoed. Als behoud in de bodem geen optie is, dan is, voorafgaand aan de bodemverstoring, onderzoek nodig om archeologische overblijfselen te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. In de dichtbebouwde stedelijke omgeving is in de praktijk doorgaans sprake van deze laatste optie.

10.2

Beleid en regelgeving

10.2.1 Wet- en regelgeving Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Vanaf 1 januari 2012 is in het Bro vastgelegd dat bij het maken van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing, rekening gehouden moet worden met cultuurhistorische waarden. Als gevolg hiervan is het van belang dat voorafgaand aan het maken van deze plannen de aanwezige cultuurhistorische waarden bekend zijn. De cultuurhistorische waarden kunnen bestaan uit vastgestelde, monumentale waarden en waardevolle elementen. Over het algemeen wordt bij het inventariseren van cultuurhistorische waarden onderscheid gemaakt tussen waardevaste en waardevolle elementen. Waardevaste elementen hebben een beschermde status en zijn op basis van de Monumentenwet of gemeentelijke verordening aangewezen als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument. Waardevolle elementen zijn daarentegen niet formeel beschermd, maar kunnen een bijzondere karakteristieke of geschiedkundige waarde hebben en van belang zijn als cultuurdrager. De cultuurhistorische waarde van een plangebied is zodoende niet alleen afhankelijk van beschermde monumentale waarden binnen het gebied, maar kan zeker ook bepaald worden door waardevolle structuren of objecten in de directe omgeving. Bij het inventariseren dient dan ook zowel naar het plangebied als naar de omgeving daarvan gekeken te worden.

Monumentenwet en Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden is vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988. De Provincie en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Monumentenwet 1988 moeten (toevals) vondsten worden gemeld bij de burgemeester. Deze verwittigt het Rijk. In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische

Gemeente Amsterdam

blz. 84

monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. Vanaf 1 juli 2016 zijn grote delen van de Monumentenwet overgegaan in de Erfgoedwet. Hierdoor is naast de Monumentenwet ook de Erfgoedwet van toepassing. Erfgoedwet Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Voor 2016 waren er verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds juli 2016 zijn die allemaal samengegaan in 1 wet. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Daarmee spreekt de regering het vertrouwen uit dat de sector voldoende kennis, deskundigheid en betrokkenheid heeft om de zorg voor ons cultureel erfgoed in de praktijk waar te maken. 10.2.2 Prachtlandschap Noord-Holland.

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (leidraad) is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische bedrijven, infrastructuur of vormen van energieopwekking. De leidraad is op 10 april 2018 vastgesteld door Gedeputeerde Staten en is in artikel 15 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening verankerd. De Leidraad geeft gebiedsgerichte én ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied (het landschap) kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. De provincie beoogt met deze Leidraad om samen met bijvoorbeeld gemeenten, ontwikkelaars en initiatiefnemers te werken aan het behouden en versterken van de kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie. 10.2.3 Archeologiebeleid Amsterdam In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing.

De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 85

bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht. Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Bureau Monumentenzorg en Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever.

10.3

Resultaten onderzoeken

Archeologie In 2012 is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het gebied 'Grote H-Buurt / Holendrecht'. Het plangebied is niet in dit onderzoek meegenomen. Uit een archeologische quick-scan (zie bijlage 6), blijkt dat er deels een hoge verwachtingswaarde is. Alleen in geval er bodemingrepen dieper dan 3,50 m plaats vinden, leidt dit tot een aantasting van eventuele archeologische waarden. Ingrepen tot 3,5 meter diep kunnen vrij gesteld worden van het doen van archeologisch onderzoek. Geadviseerd wordt om voor het het deel van het plangebied waar deze hoge verwachtingswaarde geldt, een dubbelbestemming op te nemen, met een uitzondering van de onderzoeksplicht voor bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of ondieper dan NAP -3,50 meter. Voor de sloop - en nieuwbouw vinden bodemingrepen tot ongeveer 2 meter diep plaats. Het huidige maaiveld ligt op ongeveer -2,5 tot -2,8 NAP. Vrijstelling van de onderzoeksplicht tot -3,5 NAP betekent dat er circa 80 cm gegraven kan worden zonder nader onderzoek te doen. Nader onderzoek kan nu niet gebeuren omdat één van de parkeergarages er nog staat. In dit bestemmingsplan is daarom een dubbelbestemming voor archeologie opgenomen. Volgens de Erfgoedwet geldt tevens een vondstmeldingsplicht.

Als tijdens de uitvoering van werkzaamheden vondsten (voorwerpen, structuren of andere overblijfselen van menselijke activiteit) worden gedaan, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie gemeld zodat in overleg maatregelen worden getroffen tot documentatie en berging van de vondsten. Cultuurhistorie Het plangebied bevat geen belangrijke cultuurhistorische elementen.

10.4

Conclusie

10.4.1 Archeologie Mogelijke archeologische waarden liggen op dieper dan 3,5 meter onder NAP. Gezien het lage maaiveld, bevat dit bestemmingsplan daarom een dubbelbestemming voor archeologie. Voor werkzaamheden die dieper dan 3,5 meter onder NAP plaats vinden, dient met onderzoek aangetoond te worden dat er geen waarden verstoord worden. Tevens geldt volgens de Erfgoedwet een vondstmeldingsplicht. Als tijdens de uitvoering van Gemeente Amsterdam

blz. 86

werkzaamheden vondsten (voorwerpen, structuren of andere overblijfselen van menselijke activiteit) worden gedaan, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie gemeld zodat in overleg maatregelen worden getroffen tot documentatie en berging van de vondsten. 10.4.2 Cultuurhistorie Het plangebied heeft geen cultuurhistorische waarden.

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 87

Hoofdstuk 11 11.1

Duurzaamheid

Algemeen

Het aspect duurzaamheid speelt de laatste jaren steeds meer een rol bij gebiedsontwikkelingen. Dit begint al bij het formuleren van het kader en de ambities voor een plangebied. Een bestemmingsplan kan ten aanzien van het aspect duurzaamheid alleen datgene regelen wat een direct verband houdt met de bestemming die aan de gronden wordt toegekend. De planregels moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van de gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden.

11.2

Beleid en regelgeving

11.2.1 Omgevingsverordening provincie Noord-Holland Zoals beschreven in paragraaf 3.2.2 schrijft de provinciale verordening voor dat als een ruimtelijk plan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de toelichting een beschrijving bevat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering. 11.2.2 Gemeente Amsterdam Duurzaamheid staat hoog op de Amsterdamse agenda. Burgers, bedrijven en overheden zijn zich steeds meer bewust van hun gedrag en hun verantwoordelijkheid voor hun omgeving. Dat zorgt er bijvoorbeeld voor dat steeds meer bedrijven inspelen op de steeds grotere vraag naar duurzame producten waardoor zij daarmee hun imago zien verbeteren. Duurzaamheid gaat voor een groot deel over de vraag welke ambities bouwende en beherende partijen hebben. Ambities en het daadwerkelijk committeren aan de ambities zijn niet altijd een op een gelijk. Duurzaamheid gaat dan ook over maatwerk. Elk project zal zijn eigen 'kleur' krijgen waarbij het zwaartepunt bij elk van hen anders zal liggen. De gemeente verwacht als sturingsinstrument het meeste effect door ontwikkelende partijen te stimuleren om op vrijwillige basis (maar niet vrijblijvend) ambities te formuleren om CO2 neutraal te gaan ontwikkelen en een energievisie op te stellen.

Voor bestaande bedrijven biedt de Wet Milieubeheer mogelijkheden om bij controles energie besparingplannen te stimuleren en zelfs te vereisen. 11.2.2.1

Agenda duurzaamheid

De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duurzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. Dit doen we in goede samenwerking met partners uit de stad (bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen), niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook om de energie en doorzettingskracht die al aanwezig zijn in de samenleving te versterken. De Agenda Duurzaamheid is uitgewerkt met kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen, langs vijf transitiepaden, met als rode draad de filosofie van de circulaire economie: innovatie, meer doen met minder, slimmer en hernieuwbaar. In de agenda zijn de volgende kwantitatieve doelen opgenomen: Duurzame energie: in 2020 wordt per inwoner 20% meer duurzame energie opgewekt dan in 2013; Gemeente Amsterdam

blz. 88

Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie stikstof-dioxide 35% lager dan in 2015; Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie roet 30% lager dan in 2015; Scheiden van afval: in 2020 wordt 65% van het huishoudelijk afval gescheiden; In 2025 is de CO2-uitstoot van de gemeente 45 procent minder dan in 2012. Circulaire economie Het thema circulaire economie is veelomvattend. Voor gebiedsontwikkeling ligt de focus op circulair bouwen en op de wijze waarop wordt omgegaan met huishoudelijk afval. Circulair bouwen Bij circulair bouwen gaat het om het slim omgaan met materialen en het rekening houden met veranderingen door de tijd. Het gebouw moet zich aan de tijd kunnen aanpassen net als de functie van het gebouw. Gebouwen dienen flexibel te kunnen worden heringericht. Hergebruik van materialen verdient de voorkeur. Ook lokale materialen die zonder veel energie zijn te winnen, scoren relatief goed. Gebouwen zijn demontabel en materialen worden gedocumenteerd, zodat materialen elders kunnen worden hergebruikt. Hoogwaardige materialen die lang meegaan worden ingezet voor de schil van gebouwen met een lange levensduur. Bij het tenderen van kavels is circulair bouwen het onderscheidend criterium voor duurzaamheid. Duurzaamheid telt voor 1/3e mee bij de selectie van inschrijvingen.

Daarvoor wordt op het moment van tenderen de laatste stand van zaken met betrekking tot deze maatlat gebruikt. Hierin worden de ervaringen met de MPG (MilieuPrestatieGebouwen) en de circulaire maatlat voor Buiksloterham meegenomen. Los daarvan bestaat een minimum-eis van een Epc (energieprestatiecoëfficiënt) van 0,15, conform de Amsterdamse standaard. Huishoudelijk afval De gemeente heeft in de Agenda Duurzaam Amsterdam het doel opgenomen om het scheidingspercentage voor huishoudelijk afval van 19% in 2013 omhoog te brengen naar 65% in 2020. Dit gebied sorteert voor op de nieuwe gemeentelijke afvalrichtlijnen voor nieuwbouwgebieden. Huishoudelijk afval wordt verzameld in ondergrondse afvalcontainers. In het ontwerp is op twee locaties een inzamellocatie voor restafval, glas en papier opgenomen. De grofvuillocaties komen tegenover de ondergrondse afvalcontainers te liggen. De inzamellocaties zijn op centrale plekken in het gebied gelegen en goed bereikbaar vanuit de hoofdentrees van de woningen. Hierbij is rekening gehouden met de loopafstanden. In de nieuwe buurt zal ook een textielcontainer geplaatst worden. De locatie en uitvoering zijn nog niet bekend en zullen in de VO-fase (voorlopig ontwerp) worden uitgewerkt. Klimaatbestendigheid Voor een klimaatbestendig plan is een pakket van samenhangende maatregelen gedefinieerd.

Dit zijn maatregelen die meestal zowel ten gunste komen aan de regenbestendigheid, hittebestendigheid en goed zijn voor de flora en fauna. De maatregelen hebben te maken met de aanwezigheid van groen, de mogelijkheid om water vast te houden in tijden van regen en om water te verdampen in tijden van hitte. In de huidige situatie is er een aantal groenvoorzieningen, dat positief werkt voor de klimaatbestendigheid: aanwezigheid park; aanwezigheid water in omgeving; bestaande bomen.

bestemmingsplan_H-buurt Midden (vastgesteld)

blz. 89

Voorwaarden en aandachtspunten gebouwen Om de klimaatbestendigheid verder te verhogen, gelden de volgende randvoorwaarden voor de gebouwen: Daarmee hebben deze daken ook een functie voor de natuur. Bovendien kijken de gebruikers van de hogere gebouwen in de omgeving op de mooie intensief groene daken en genieten zo van een mooi uitzicht. Dit past ook bij het natuurinclusief bouwen. 11.2.2.2

Duurzaam bouwen in Amsterdam (hand-out)

Het stadsbestuur van Amsterdam heeft duidelijke ambities op het gebied van duurzaam bouwen. Duurzaamheid is een standaard onderdeel van iedere nieuwe gronduitgifte of aanpassing van een bestaand erfpachtrecht. De hand-out (uit augustus 2018) is bedoeld voor projectleiders, ontwikkelaars en ontwerpers/architecten die een rol spelen bij de ontwikkeling of ontwerp van een gebouw. Het vertaalt het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Amsterdam naar specifieke ambities en maatregelen op het niveau van kavel en gebouw. Per thema is het gemeentelijk beleid, ambitieniveau en bijbehorende maatregelen toegelicht. Uiteraard komt ook het regenbestendig bouwen uitgebreid aan bod. De gemeente Amsterdam heeft hoge duurzaamheidsambities en stelt aanvullende eisen op het bouwbesluit. Zo wil Amsterdam in 2020 klimaatneutraal zijn, in 2040 aardgasvrij en in 2050 een circulaire stad. In de handout 'Duurzaam Bouwen in Amsterdam' zijn zes pijlers uiteengezet: 1. Duurzame energie en aardgasvrij. Amsterdam stelt bovenwettelijke eisen aan de energieprestatie van gebouwen en daagt de markt uit om energiepositief (EPC < 0,0 in plaats van maximaal 0,2) te bouwen. Bijkomend voordeel van een scherpe energieprestatie is een lage energierekening voor de bewoner. 2. Uitstootvrije mobiliteit en schone lucht.

Naast het stimuleren van autodelen en het vergroten van het fietsgebruik door een lage parkeernorm, stimuleert Amsterdam een duurzame en slimme bouwlogistiek (Uitvoeringsagenda Stedelijke Logistiek Amsterdam (2016). Dit door onder andere de inzet van schone bouwwerktuigen: gebruik zoveel mogelijk elektrische bouwwerktuigen of bouwwerktuigen met een schone emissienorm. De stimulering dient meerdere doelen o.a. vermindering van de uitstoot van CO2, een gezondere luchtkwaliteit (door minder uitstoot van stikstofdioxide en fijnstof), minder geluidoverlast, een betere doorstroming van het verkeer over weg en water, een grotere verkeersveiligheid en minder schade aan bruggen, kades en wegen. 3. Klimaatadaptatie. Conform het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016 – 2021 moet de capaciteit voor hemelwaterberging op de te ontwikkelen kavel minimaal 60 mm/uur zijn door bijv. hergebruik van hemelwater of verwerking op de eigen kavel. 4. Groen in de openbare ruimte, groene daken of gevels en natuurinclusief bouwen. Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en de openbare ruimte. Naast groen in de openbare ruimte bestaat ook de mogelijkheid om een (deels) groen dak of groene gevel (eventueel in combinatie met zonnepanelen) te realiseren. 5. Circulair bouwen.

Amsterdam heeft de ambitie om in het materiaalgebruik bij nieuwbouw een zo laag mogelijke milieubelasting te realiseren. Dit kan door de zogenaamde Milieuprestatie van gebouwen (MPG) zo laag mogelijk te houden. Het streven is een MPG lager dan 0,8. i.p.v. de wettelijke norm uit het Bouwbesluit van 1,0. Maatregelen waarmee de MPG kan worden verlaagd, zijn onder meer het toepassen van biobased materialen (bijv. hout, isolatie met grassen e.d.) en van hergebruikte of gerecyclede materialen (ook wel secundaire materialen genoemd), bijvoorbeeld beton, bakstenen, elektrische installaties e.d. 6. Afval. Amsterdam streeft er naar om afval zo veel mogelijk te scheiden aan de bron, zodat de stad in 2050 volledig circulair is. Daarnaast dient aangesloten te worden bij het afvalinzamelingsysteem

Gemeente Amsterdam

blz. 90

van het gebied (bijv. ondergrondse afvalcontainers, inpandige inzameling of Ondergronds Afval Transport Systeem). Voor het plan is gekozen om aan te sluiten bij deze duurzaamheids-ambities. 11.2.2.3

Strategie klimaatadaptatie Amsterdam

Met de strategie klimaatadaptatie (vastgesteld op 4 februari 2020 door het college van B&W) zet de gemeente Amsterdam samen met de drie waterschappen Amstel, Gooi en Vecht, Hollands Noorderkwartier en Rijnland, een stip op de horizon voor een klimaatbestendige stad. Het doel is om in 2050 zo goed mogelijk voorbereid te zijn op het veranderende klimaat. Klimaatadaptatie is essentieel om te zorgen dat Amsterdam in fysiek, sociaal en economisch opzicht waardevol blijft. Het is een kans om samen met alle Amsterdammers een belangrijke bijdrage aan een veilige, groene, leefbare en aantrekkelijke stad te leveren. Het streven is om klimaatadaptatie tot het 'nieuwe normaal' te maken; dit wil zeggen dat klimaatadaptatie als vanzelfsprekend wordt meegenomen in relevante ontwikkelingen en projecten in de stad. Het klimaatbestendiger en veerkrachtiger maken van onze stad vereist een nieuwe wijze van inrichten en beheren van de stad. De strategie is gericht op de volgende klimaat-thema's: Hitte. Het streven is om beter bestand te zijn tegen hitte en in het bijzonder om schade en overlast veroorzaakt door hitte in zowel het fysieke als het sociale domein zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken. Droogte.

Het streven is om beter bestand te zijn tegen langdurige perioden van droogte en in het bijzonder om schade aan gebouwen, groen, infrastructuur, water en dijken zoveel mogelijk te voorkomen en overlast te beperken. Wateroverlast. Het streven is om schade en overlast door extreme regenbuien zoveel mogelijk te voorkomen en om regenwater tegelijkertijd te laten bijdragen aan een aantrekkelijke, comfortabele en leefbare stad. Overstromingen. Het streven is om de kans op overstromingen in de stad te verkleinen, in aanvulling op de verantwoordelijkheden van de andere bestuurslagen en -organen hiervoor. Daarnaast worden gevolgbeperking nagestreefd bij een eventuele overstroming, zowel via de ruimtelijke inrichting als door middel van crisisbeheersing. 11.2.2.4

Nieuw Amsterdams Klimaat. Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050

De routekaart (Nieuw Amsterdams Klimaat. Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050) is door het college van B&W vastgesteld op 3 maart 2020. In de routekaart worden de belangrijkste ingrediënten van de strategie beschreven om samen de overgang van fossiele naar duurzame energie in beweging te zetten en te houden. De routekaart wordt ieder jaar geactualiseerd. In 16 pijlers wordt beschreven wat er deze collegeperiode wordt gedaan om tot de gewenste CO2-reductie te komen. In vier aanvullende pijlers beschrijven we de randvoorwaarden die verder nodig zijn om de beoogde doelen te behalen: het versterken van de beweging in de stad, klimaatrechtvaardigheid, kennisontwikkeling & innovatie en ruimte & infrastructuur. Veel aspecten uit de routekaart zijn relevant voor de ontwikkeling van H-buurt. Te denken aan: energiezuinig maken van woningen en voorzieningen; energieneutraal bouwen; beperken van vervuilende verkeersbewegingen; maximaal opwekken van zonne-energie op daken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14509274/1